Inwijdingsschool ODV – Les 5 – Bewustzijnsverruiming, psychologie van de geest en bewustwording

image_pdf

3 januari 1956

Bewustzijnsverruiming.

In de betogen die wij hebben gehouden over inwijding, wilskracht, enz. zijn steeds weer naar voren gekomen: Bewustzijn, bewustzijnsvergroting, bewustzijnsverruiming enz. Wij moeten hiervan een omschreven voorstelling hebben, voor wij kunnen gaan definiëren, hoe wij met dat bewustzijn kunnen gaan werken.

Ik stel voor bewustzijn de volgende formulering voor:

Alle bewustzijn bestaat uit: een reactie op waarden buiten het “ik” in het “ik”, waardoor de verhouding van het “ik” tot dat wat buiten dat “ik” bestaat, wordt vastgesteld.

De veelheid van kennis omtrent hetgeen er buiten ons bestaat, maakt ons een eenvoudiger en scherper vergelijking met de indrukken, die ons van buiten bereiken, mogelijk. Een vergroting van het aantal indrukken in ons wezen vastgelegd, plus het juist combineren van in het “ik” aanwezige herinneringen, vormen tezamen de vergroting van het bewustzijn.

Wanneer ik een aantal mogelijkheden vergelijk en zo de mogelijkheid tot differentiatie binnen mijn wezen vergroot ten opzichte van mijn veelheid van ervaring, heb ik mijn bewustzijn verruimd, waar meer feiten en verschillen daarin kunnen worden gekend dan voordien het geval.

Dan hebben wij hier de grondwaarden. Nu wil ik met uw groep nog één poging doen. Wij hebben in de vorige jaren geprobeerd met bepaalde voorschriften iets te bereiken. Over het algemeen was het enthousiasme in het begin behoorlijk, maar zodra bleek dat het even duurde voor de begeerde krachten daaruit voortkwamen, werd het heel wat minder.

Ik wil echter trachten u iets te leren van de mogelijkheden om met het bewustzijn te werken.

Ik neem als voorbeeld: dat u een verslag van deze avond heeft.  U leest, u voelt aan dat het wel aardig is. U zegt: dat het spitsvondig is en legt het terzijde. Bent u dan bewust geworden van hetgeen dat verslag behelst, of niet?

  • Neen.

Neen, u heeft daarin alleen uzelf gezocht.

Wanneer u er alleen op uit bent om in de verslagen een bevestiging te vinden van hetgeen gij weet, zijt gij u dan bewust van het verslag?

  • Neen

Ja, want u moet eerst het verslag in uzelf vergelijken met de in u levende waarden, voordat u datgene eruit kunt nemen, wat waardevol voor een bevestiging van uw eigen opinies is.

Wanneer u dat verslag leest en u afvraagt: waarom er dingen worden gezegd die voor u raadselachtig klinken of niet begrijpbaar zijn, wat heeft u dan gedaan? Dan heeft u een bewustwording doorgemaakt. Want u bent geconfronteerd met waarden, die in uw bewustzijn niet, of nog niet zo aanwezig waren. Als resultaat zult u moeten zoeken, en ongeacht het feit dat deze oplossing soms foutief vanuit menselijk standpunt, of geheel juist kan zijn vanuit het menselijke standpunt, meen ik toch te mogen opmerken dat hier zeker een bewustwording plaatsvindt. Want men heeft, door dit proces een aantal nieuwe waarden binnen het bewustzijn geschapen en zeer waarschijnlijk ook geleerd om verschillen te maken tussen bepaalde waarden, waar men dit voordien niet, of slechts ternauwernood deed.

Wanneer ik nu echter dit verslag lees en tref daarin iets wat mij onmogelijk lijkt, en ik ga overal proberen iets te vinden wat daarmede in verband staat, wat gebeurt er dan? Ongeacht het feit dat ik succes heb of niet. Ik verruim mijn bewustzijn. Want ik neem daarin een aantal nieuwe waarden op, die mij leren onderscheiden ten opzichte van wat ik gelezen heb. Daardoor wordt het voor mij duidelijk op een wijze, die anders zelfs slechter, zowel als beter kan zijn dan voordien.

Wanneer een mens dus aan zijn bewustwording wil gaan werken, dan dient hij wel te onthouden dat voor bewustwording het reeds bewust zijn van de dingen niet voldoende is, het is noodzaak dat wij in alle dingen steeds weer iets nieuws, iets wat van ons eigen wezen verschilt, zien.

Vervolgens moeten wij trachten dit voor ons nieuwe in verband te brengen met de voor ons reeds bekende en vertrouwde zaken. Wij moeten trachten uit te vinden op welke wijze hiertussen een verband staat en wat de geschilpunten zijn.

Hebben wij op een dergelijke wijze gehandeld, dan zijn wij ons bewust geworden van het nieuwe feit, plus van de waarde, die het voor ons, ons leven en onze levensbeschouwing heeft.

Deze wijze van leven en denken is belangrijker dan u zich nu voor kunt stellen. Op het ogenblik dat u zich houdt bij het vertrouwde, loopt u vast. U blijft zichzelf gelijk. Er komen geen nieuwe indrukken meer van het leven, dus ook geen nieuwe reactie op het leven.

Geen reactie betekent: een stilstand van leven. Alles loopt vast in een sjablone, uw denken vermindert, omdat het in een dergelijke toestand reeds eenzijdiger nadruk gaat leggen op de heersende factoren.

Deze aanmerkelijke bewustzijnsvernauwing leidt uiteindelijk tot een automatisch leven, waarbij van bewustzijn enz. – als voorheen omschreven – geen sprake meer kan zijn. Men ondergaat slechts, men beleeft niet meer.

Indien men naar bewustzijn streeft, zal men dus voortdurend het nieuwe moeten zoeken. Niet het nieuwe in de daad, of in het verwerpen van het oude, maar in het aanvullen van het beeld van het oude met tot dan toe niet opgemerkte beelden en feiten.

Nu heeft men wel eens gezegd dat het voor een mens, die op aarde leeft, zo moeilijk is om steeds weer iets nieuws te zoeken.

Als vergelijking hiervoor: Stel u een film voor.

De eerste keer dat u de film ziet, ondergaat u deze haast kritiekloos. De tweede keer beziet u hem. De derde keer bekritiseert u hem. De vierde keer gaat u op details letten, die u de vorige keren nog waren ontgaan. De vijfde keer gaat u zich realiseren waar er hiaten schuilen. De zesde keer begrijpt u, waarom die hiaten er zijn enz. U kunt die film honderd keren draaien en nog steeds is het voor u mogelijk iets nieuws bewust op te merken, wanneer u zich de moeite daarvoor getroost.

Elke normale levenshandeling heeft nog meer aspecten dan een hele film, omdat in het leven een aantal kleine varianten ongeregeld bij elke daad en handeling voorkomen, die in een film nu eenmaal niet kunnen bestaan. Ondanks alle schijnbare gelijkvormigheid is het dus steeds weer mogelijk er iets bij te leren. Daarom zou ik het zo willen stellen:

Eenieder die naar inwijding streeft, is nieuwsgierig in de goede zin van het woord. Hij wil steeds het nieuwe ervaren.

Wat voor consequenties heeft een dergelijke nieuwsgierigheid voor de mens in zijn leven en bewustzijn? Door voortdurend te zoeken naar nieuwe waarden en dingen, wordt de mens steeds meer getrokken tot een veelheid van dingen.

Hij bouwt natuurlijk de hoofdpunten van leven en streven verder. Maar hij gaat steeds meer omvattend denken en steeds meer factoren zien als werkzaam in zijn leven. Als resultaat zal een dergelijke mens steeds jong blijven. Tenminste geestelijk. Want voor die mens is er zoveel te doen, zoveel te vinden, zoveel te ontdekken, dat hij eenvoudig de tijd niet heeft om met denken en geest vast te lopen in één spoor.

Oud-zijn is eigenlijk geestelijk gezien nog slechts in één richting kunnen denken.

Nu weet ik dat in mijn bewustzijn een aantal waarden schuilen – zoals bij haast iedere mens of geest – die niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid. Want elk wezen dat een bewustzijn heeft, wordt door in het wezen bestaande voorkeuren en vooroordelen geleid tot een mis representeren van de waarden, zoals die werkelijk ontvangen worden. Wij liegen voortdurend een klein beetje ten opzichte van onszelf.

Een ingewijde liegt even hard tegen zichzelf als ieder andere. Maar met één verschil: dat hij voortdurend tracht de leugen te ontdekken en deze gevonden hebbende, tracht zich dit te realiseren waarom hij deze voor zich beleeft of uitspreekt.

Deze vraag: waarom de leugen tegen mijzelf? Is één van de beste methoden om kennis van en inzicht in het “ik” te verwerven. De ingewijde zal verder te allen tijde bereid zijn om in het “ik” vastliggende waarden tijdelijk terzijde te stellen. Wanneer een nieuwe wereld zich openbaart, waarvan men iets kan begrijpen, dan zet de ingewijde alle reeds bereikte oordelen, zijn kennis en studiën tijdelijk terzijde en ondergaat deze nieuwe wereld, deze nieuwe gebeurtenis, dit nieuwe beleven.

Daarna – dus ná het beleven – bestaat voor hem dan de mogelijkheid om weer terug te keren tot zijn eigen overtuigingen en kennis en dan een oordeel te vellen omtrent de waarden van het nieuwe gebeuren of beleven. Dit oordeel velt hij slechts ten opzichte van de verhouding tussen zijn “ik” en de nieuwe factoren.

Het bewustzijn van een mens wordt zeer sterk geremd. Er zijn zoveel punten in het bewustzijn, waar de mensen kunstmatig blind zijn, dat van de doorsneemens kan worden gezegd dat hij ongeveer een tiende beleeft van hetgeen er rond hem gebeurt.

Kan de mens zijn bewustzijn ten opzichte van wat er rond hem gebeurt vergroten en zo ja, is dit nodig, noodzakelijk of slechts menselijk? Wanneer de mens weet dat hij weinig ziet van de werkelijkheid rond hem, dan zal hij trachten om tenminste steeds weer een ander deel van de werkelijkheid te zien. Hij komt door gewoonte dan tot een aanvullen van het beeld.

Een dergelijk aanvullen van niet-bewust geziene factoren op erkende waarden, zien wij reeds bij het normale visuele ervan van de mens. Het is zelfs zo, dat wanneer u een bepaald iets ziet, u andere waarden onmiddellijk daarbij ziet.

U kunt hetzelfde geestelijk bereiken. Maar als uw geestelijk reageren gebaseerd is op een zo waar mogelijk denken ten opzichte van de dingen, die u dan beleeft, zult u met deze waarheid elke nieuwe waarneming aanvullen.

Uw gezichtsvermogen van de geest wordt dus zuiverder en groter. Wel wordt de conclusie die u trekt uit de dingen, steeds belangrijker en komt zij steeds meer de werkelijkheid nabij.

Op deze wijze kunnen wij dus langzaam maar zeker ontkomen aan een deel van de waan en gelijktijdig een groter gedeelte van ons eigen bewustzijn juist uitdrukken op de wereld.

Dit, ondanks de niet geheel perfecte instrumenten die men tot uiting en waarneming heeft.

Ik wil u het volgende voorstellen als mogelijkheid:

Wanneer u gewend bent bepaalde dingen te zien, of bepaalde dingen te horen, trachten dan één of twee keer per dag details daaraan op te merken, die u tot nog toe als vanzelfsprekend hebt aangenomen. U zult ontdekken dat hierdoor het beeld, dat u zich heeft gevormd van voorwerp, toestand, geluid enz. in u verandert, het krijgt meer betekenis voor u.

Wanneer u nu merkt dat deze methode bij u werkt en u heeft het enige tijd gedaan, probeert u zich dan te oefenen in het gelijktijdig meer zien en naderhand u het waargenomene te herinneren. Een kleine training van het geheugen dus. Maar dan met wederom de nadruk op hetgeen dat niet conform is aan het beeld, dat u zich over het beeld geestelijk en stoffelijk van het beeld maakt.

Leer kijken en luisteren naar de kleine afwijkingen, in plaats van naar de normale verschijnselen. Wie op een dergelijke wijze zijn bewustzijn traint, zal langzaam maar zeker een meer omvattend beeld krijgen, niet alleen van de wereld, maar ook van de vele krachten die daarin haast ongemerkt werkzaam zijn.

Dit beeld is de basis waarop men verder kan bouwen, zoals ik in volgende uiteenzettingen hoop duidelijk te maken.

Bewustwording.

Daar ben ik dan weer eens bij de mensen aangekomen en moet nu hier iets gaan vertellen over bewustwording.

Wat een bewustzijn is, heeft ongetwijfeld onze vriend u zo-even al duidelijk genoeg uiteengezet.

Het bewustzijn wordt niet alleen bepaald door de wijze van waarnemen, maar ook door het richten van de belangstelling.

De mens leeft op deze wereld van u in een meer dimensionale ruimte. Hij is,….. wordt daar beperkt door al hetgeen wat, naar hij meent, tot zijn eigen wereld behoort. Elke mens heeft een scala van waarnemingen. Deze scala beperkt hem tot een reeks van indrukken, die gelijktijdig verwerkt kunnen worden.

Wanneer een mens nu op een gegeven ogenblik – neen, dat zeg ik niet goed, ik kan het Hollands nog niet goed vinden.

  • Wij kunnen u goed verstaan.

Och ja, dat geloof ik. Maar wanneer ik niet goed begin, dan wordt het koeterwaals voor velen.

Onthoud dit: de mens kan in doorsnee drie dimensies als vaststaande in zijn eigen wezen verwerken en begrijpen. Alle fenomenen vanuit andere dimensionale verhoudingen worden door hem als een gebeuren in zijn eigen wereld gezien.

Dit, omdat hij dit dan als een vierde dimensie ziet. Voor de mens heet dat dan: tijd. Die goede oude Vader tijd bestaat uit vele onderdelen. Een hele machine van tenminste 4 dimensies.

Het bewustzijn van de mens maakt het hem niet mogelijk dit te begrijpen, te overzien en te verwerken binnen het menselijk bestaan, maar er komt een ogenblik dat hij, één dimensie uitschakelende, een andere dimensie als een vaste waarde waarneemt.

Wanneer zijn bewustzijn het hem mogelijk maakt om dit te verwerken, dan kan deze mens zeer veel beleven op een andere manier dan de doorsneemens. Dan wordt hij paranormaal.

Wanneer hij echter geen wereld kan verwerken, die in waarde zo zeer afwijkt van hetgeen door hem als het normale werd ervaren, dan brengt hem dit in, een Füror, hij wordt “tobsüchtig”. Deze waarde komt voort uit voor hem reële waarden, die in de wereld van de anderen echter niet aanwezig zijn.

Wanneer een krankzinnige een plant ziet lopen, of ziet veranderen in een levend wezen, dan neemt hij in werkelijkheid iets waar van een andere dimensie dan de gebruikelijke. Hij kan deze waarden echter niet vereenzelvigen met de reacties, waaraan hij gewoon is en die behoren tot zijn eigen wereld. Hierdoor is hij dan ook niet meer in staat zijn eigen leven normaal te beleven.

Wanneer wij begrijpen, dat onze eigen wereld wordt doortrokken door voor ons vreemde verschijnselen, die stammen uit meestal voor ons niet apart kenbare dimensies. Hij begrijpt het niet.

Wel kunnen wij uit zijn reacties en waan echter vele dingen leren kennen, die ons deze wereld buiten de onze nader brengt. Wij kunnen het menselijk bewustzijn stellen als A. Dan stellen wij zijn waarnemingsvermogen als B. De wereld als X.

Wij komen dan tot de eigenaardige conclusie, dat wanneer B zichzelf gelijk blijft, X x B altijd A zal zijn. Maar wordt B nu B + 1 , dan wordt de resultante van deze + 1 x X niet meer A + 1 X, maar wordt A + 1 X – A.  Kunt u mij volgen?

Je kunt het misschien ook wel in een paar woorden vastleggen:

Verandering van waarnemings- en dus voorstellingsvermogen, brengt ons een veranderen van beleven, dat gelijk is aan het waargenomene min de voorstellingswereld. Het resultaat kunnen wij noemen A1 – A = X, ofwel de wereld in ons bewustzijn, maar X staat eigenlijk voor het onbekende buiten ons.

Wanneer de mens leert waarnemen, dan zien wij het volgende:

A is ons leven. A 1 = A + B, ofwel: leven plus waarneming. Het zich bewust worden. Het beleven is echter het verschil tussen het leven en de bewustwording.

Wanneer ik weet dat er een verschil is en dit zich door mij automatisch uit, dan kan ik trachten die beiden van elkaar te,….. aftrekken, ja…….subtrahieren. Mijn beleven af te trekken van wat ik bewust zie en waarneem. Dan begrijp ik dat mijn eigenlijk beleven voor mij toch weer gelijk aan A is. Ik wil echter een steeds groter beleven hebben, om daardoor mijn bewustzijn groter te maken.

In dit geval is het beter voor mij, wanneer ik leven en beleven niet van elkaar ga aftrekken om de waarheid zo beperkt in mij te zien, maar beiden ga optellen.

Bewust worden is het voor mij dus, wanneer ik waarneem en beleef A 1 + X. Dit is 2 + B. Is deze wijzen van berekenen voor u nog duidelijk?

Wat ik zie in dit geval is een wereld, die wel buiten mij bestaat, maar ook binnen mij als mogelijkheid aanwezig is. Wanneer wij het ons bekende deel van X in onszelf realiseren, kunnen wij dus veilig zeggen, dat wij onze bewustwording verdubbelen. Terwijl de waarde van het onbekende buiten ons bepaalt en daarom voor ons gelijk blijft.

Wanneer mijn bewustzijn dubbel zo groot wordt door het opnemen van het bekende Al-geheel, dan ken ik meer van de waarheid en is ten opzichte van mij het onbekende verkleind.

Wanneer ik het onbekende in verhouding tot mijn wezen kleiner maak, dan kan ik in mijn bewustzijn alle mogelijkheden leren kennen van wat in mij is, plus van een deel dat buiten mij is.

Wat moet ik gaan doen om mijzelf alles volkomen duidelijk te gaan maken?

Ik kan mijn bewustzijn geheel gaan richten op de wereld. Wat zie ik? Schijnbaar verandert zich nu, maar niet voor dit, het schijnbaar eeuwige van mijn wereld.

Wanneer ik dit echter realiseer, dan zal ook hiervan weer een deel overgaan in mijn bewustzijn. Heb ik dus eenmaal die eerste verdubbeling van mijn bewustzijn tegenover de wereld bereikt, dan kan ik zeggen dat de volgende fase van bewustwording voor mij betekent: 3 x A = ½X. Dat kunt u ook nog begrijpen?

Wanneer ik dan het volgende herhaal, dan kom ik tot 6 A -1/4 X en zo kan ik altijd weer verdergaan. Ik kan het onbekende, dat buiten mij bestaat, niet geheel elimineren. Heb ik dat gedaan, dan word ik God en dat kan niet. Je blijft jezelf. Dan is er niets meer wat je niet weet, of kunt doen. Dat is niet mogelijk voor ons. Maar wij willen dat dan ook niet. Wij willen niet God worden. Wij willen proberen om als mens en als geest te leren weten wat wij zelf zijn.

Dit kan ik praktisch wel bereiken, want wanneer X ten opzichte van A steeds kleiner wordt, kan ik zeggen dat binnen mijn bewustzijn mijn eigen wezen steeds beter en duidelijker omschreven is.

Dit, waar mijn wezen als massa van waarheid zoveel groter is geworden dan de X buiten mijn bewustzijn. Is X voor ons een vierde van X normaal, dan hebben wij de hoogste ontwikkeling bereikt die voor ons mogelijk is in de lagere lichtende sferen.

In het Zomerland is ½X de hoogste trap van de ingewijde onder de mensheid. Wij kunnen zeggen dat een verdubbeling van A X onaangetast laat. Een verdrievoudiging van A vermindert echter A evenredig vanuit ons standpunt.

Nu zult u zeker wel zeggen: Waarom al deze ingewikkelde materie? Maar dat wordt klaar en duidelijk, wanneer uzelf A een klein beetje inspant.

Het is niet zwaar, maar wel lastig. Want, zoals u hier zit zou u kunnen voelen – op zijn echt Hollands met de klompen – waar ik heen wil.

Wanneer u het aan kunt voelen, dan moet daarvoor een reden in u zijn. Een bewustzijn. U moet iets hebben begrepen, wat u zich niet gerealiseerd hebt. Anders is het onmogelijk dat u kunt zeggen: Ik voel waar hij heen wil.

Het is alleen maar lastig jezelf af te vragen: Ja, maar waarom voel ik dat dan? Wat is dan daarvan de reden? Laten wij het hem maar zeggen, dat is eenvoudiger. Dat was met de jeugd vroeger ook zo. De jonge mensen hebben van de lieve God een stel hersenen meegekregen…. En wat doen zij er mee? Kakelen als kippen..…zo gaat het altijd weer.

Het is niet ernstig. Maar …..voor iemand die leraar wil zijn, is het niet prettig wanneer hij honderd keer vertelt wat hij weet en gevonden heeft, wat ervoor grootse dingen in het leven zijn en de jeugd zegt: Jawohl, Herr Lehrer. Vertelt u ons dat de volgende keer nog maar eens. Je kunt vragen: Waarom groeit een boom? Dan zeggen zij: Omdat wij hout nodig hebben. Dan zeg je: Denk na! Dit is niet alles. Er moet een kracht zijn die deze boom laat groeien. Er moet een kern zijn, een zaadje, waar die boom uit voortkomt. Er moet meer zijn, een aarde en nog meer. Dit alles samen geeft ons dan het beeld: de boom. Daarna komt pas, waar je het voor kan gebruiken.

De mensen zeggen het meestal anders om: Wat heb ik eraan?

Dat nu juist kan een ingewijde zich niet veroorloven. Die kan niet alleen kijken: wat is het resultaat? Maar moet vragen: wat is de oorzaak?

Wanneer een bioloog een zaadje heeft, dan kan hij er iets mee doen en dan verandert de hele boom. Wat er uit voort komt is anders geworden.

Zo is het ook met elke mens die er bewust naar streeft dit alles te beseffen. Dat is het grootste bewustzijn dat maar mogelijk is voor de mens.

Men moet de oorzaak ook van dat: ‘ik voel aan waar hij heen wil’, vinden.

En heeft men de kern van de zaak. Misschien is het dan uiteindelijk des “Pudels Kern”

Wanneer u dat bemerkt, laat u de zaak voor wat zij is en citeer Götz von Berlichingen.

Maar wanneer je de kern gevonden hebt van een nog zo klein gebeuren en je hebt dat begrepen, dan kent u de oorzaak. Voortaan erkent u de kern dan reeds voor het gebeuren er is en kunt dan uw persoonlijkheid uiten, door in de kern de zaak af te buigen, zoals u dit wenst. De uitkomst zal u met vallen en opstaan, met proefnemingen en mislukkingen precies aantonen waar u gefaald hebt.

Wanneer je van elk falen de kern weer hebt gevonden, dan behoeft u een volgende keer op die wijze niet meer te falen. Dan vindt u meestal wel weer heel gauw een andere manier om te falen.

Ik heb niet veel meer te zeggen. Maar de bewustwording waar elke mens naar streeft, is gelegen in het vinden van de kern van de verschillen. Je moet weten waar het verschil in gelegen is, waarom iets anders is.  Het is niet zo heel moeilijk om zoiets te ontdekken.

Wanneer u een boom ziet die scheef gegroeid is, dan zult u tegen uzelf zeggen: er moet een oorzaak zijn dat deze boom scheef groeide. U kijkt bv. wat is de hier heersende wind? Aha, daar hebben wij het gevonden.

De wind dus. Deze doet de boom buigen. Ik kan mijn maatregelen treffen. De mens, die normaal zou denken, vraagt zich steeds weer af: Wat is er gaande? Wat is er gebeurd?

Het verschil kunt u altijd wel vaststellen; ook wanneer het moeilijk te definiëren is. Maar u kunt het trachten te omschrijven. Daarna zegt men: Hier heb ik het normale, daar is de afwijking.

Wat kan deze afwijking in juist deze richting voortbrengen? Vind ik: het is die invloed, dan kan ik ook de volgende maal, wanneer zoiets begint, zorgen dat het niet gebeurt. Misschien kan ik zelfs door hulp en het wegnemen van de oorzaak bijvoorbeeld een vergroeide boom weer een beetje recht krijgen.

Dat zeggen wij nu alleen van een boom of zo. Maar de ingewijde past het ook toe op zichzelf. Hij vraagt zich af: Welke invloeden zijn er werkzaam dat ik, als mens, op deze wijze verschil van mijn medemensen? Heeft hij dat gevonden, dan kan hij zichzelf en zijn medemensen helpen. Zichzelf en de mensen verbeteren en doen groeien op de juiste wijze. Is dit eenmaal volbracht, dan heeft de ingewijde het hoogste bereikt. Dan wordt zijn X wel niet kleiner, maar de vaststelling van het verschil tussen X en A is het begin van alle grote bewustwording, en leidt tot de werkelijk grootste ingewijden die niet meer op aarde rondwandelen.

De draad van Ariadne.

De eigenschap van de draad van Ariadne was – zoals wij allen weten – dat zij eenieder op het punt van uitgang terug kon brengen. Maar zij was niet te gebruiken voor een breiwerkje. Maar ook wij hebben vaak een draad van Ariadne nodig.

De mens begint te denken over raadselen en geheimen en komt in een doolhof terecht. Een doolhof, waarin nog gevaarlijker wezens schuilen dan een Minotaurus.

Het monster van Minos verslond velen. Maar het was tenminste een menselijk monster. Het doodde, en daarmee was de zaak afgelopen.

Maar wanneer wij, met ons denken, voortdurend verder achter het geheim aanjagen, dan worden wij door onze springende gedachten zo vaak afgeleid. Wij slaan nu eens links, dan weer eens rechts af en uiteindelijk weten wij niet meer vanwaar wij zijn uitgegaan. Wij zijn zelfs vaak vergeten wat eigenlijk ons doel is. Dan bevinden wij ons in een heel grote verwarring en blijven vaak jaren lang ronddolen, gevangen in onze eigen waangedachten.

Het is duidelijk dat het voor ons niet wenselijk is ons voortdurend aan de waan over te geven. Meer nog: het is evenzeer begrijpelijk, dat wij er niet zonder onderzoek komen. Wij kunnen eenvoudig niet zonder het onderzoeken. Anders zouden wij stil blijven staan. De hele wereld rond ons is een doolhof van geheimen. Maar zoals Ariadne haar draadkluwen schonk aan de held, die uittrok om het monster te doden, zo hebben wij, toen wij in het leven uit zijn gegaan, ook een draad meegekregen. Draad, die wij kunnen gebruiken voor onze eigen doeleinden, maar om steeds terug te keren tot onszelf.

Het mag u misschien vreemd klinken dat deze draad kan worden uitgedrukt in een paar woorden. Het zijn deze woorden en het begrip daarachter die ons onmiddellijk kunnen terugvoeren tot elk punt van uitgang.

Wanneer ons denken te verward wordt door de raadselen, dan vragen wij onszelf af: wat denk ik dat ik ben? Dan zijn wij altijd weer terug daar waar wij begonnen zijn.

Want zoals eens het monster niet gevaarlijk was door zijn monsterlijkheid, maar door de offers die het eiste en kreeg, zo is de wereld niet gevaarlijk omdat zij ons kan verslinden, maar omdat zij offers van ons vraagt, die wij eigenlijk niet kunnen brengen.

Wij zijn de kern en het middelpunt van de wereld voor onszelf. Elke vraag die wij ons stellen, elk probleem dat wij kennen, voert ons onmiddellijk terug tot ons eigen wezen. Zodat het goed is, dat u uw draad van Ariadne altijd bij u hebt.

De vraag: wat denk ik dat ik ben? Brengt u altijd weer tot een realisatie van uw ogenblikkelijke werkelijkheid. En ieder mens moet in deze werkelijkheid leven. Elk mens moet in deze werkelijkheid voortgaan, opdat hij vanuit dit, wat voor hem waar is, kan komen tot een groter begrip van werkelijkheid en waarheid en hij de grote doolhof van het leven langzaam maar zeker kan overwinnen en kennen als zichzelf.

De psychologie van de geest, van het geestelijk denken.

De vorige keer hebben wij de aspecten van de psychologie in het bijzonder van het menselijk denken behandeld.

Nu zal ik trachten u iets van de psychologie van de geest, van het geestelijk denken bij te brengen.

Wanneer wij alle waarden, die de mens tot zelfbegoocheling aanzetten, wegnemen, dan blijft over: het beeld van zijn stoffelijke werkelijkheid plus zijn geest.

De stoffelijke wereld kan echter voor de geest weinig betekenen. Hij kent geen drijfveren van drang en emotie. Hij is rustig.

Hoe reageert echter dan de geest? De geest kunnen wij in het verdere verloop van dit verhaal voorstellen als een mens.

Die geest leeft in een wereld waarin al zijn ervaringen zijn opgebouwd uit emoties. Emoties, die hij met vormwaarde, verbonden uit het menselijk leven, heeft gekregen.

Dit zal misschien wederom sommigen van u vreemd klinken. Maar de geest moet aan het stoffelijke beeld zijn wereldbeeld ontlenen, voor het leven dat hij doet.

Wat beleeft hij? De ontroering en de emotie, die in de mens ontstaat als resultaat van de drang, drift en angst, die zo kort, deftig en grondig als waarden werden vernietigd in het betoog van de vorige keer.

De geest ontleent zijn ervaren dus niet aan de waanvoorstellingen die de stof kent. Maar hij heeft zijn eigen wereldbeeld op dezelfde waarden gebaseerd.

De mens heeft een geloof nodig, omdat hij van zichzelf niet genoeg weet. Hij zoekt een toevlucht, om te ontkomen aan het eigen begrip van onvolkomenheid en kleinheid. Het is begrijpelijk dat deze emotie, sterker dan iets anders, de geest beheerst.

De geest heeft nog meer dan de stofmens behoefte aan een geloof. Haar geloof betekent voor hem de projectie van het eigen leven in het eeuwige, van waaruit hij dan zijn eigen volwaardigheid bevestigd ziet.

Wanneer deze geest gelooft, brengt dit geloof met zich mede, dat hij ook een voorstelling moet hebben van de toestanden en waarden in zijn eigen wereld. Duidelijk en logisch?

Dan volgt hieruit onmiddellijk, dat de geest altijd zal leven in een wereld die niet beheerst wordt door wat men werkelijkheid noemt, maar in een wereld die is opgebouwd uit zijn eigen geloven en weten. Dit stellende als beginsel, kunnen wij hier aan toevoegen: dat elke geest dus leeft in zijn eigen wereld en in deze eigen wereld tot uiting tracht te brengen wat hij gelooft, waar hij als tegenstelling tot dit geloof alles zal ervaren wat in zijn wezen, “ik-heid” strijdig is met het geloof.

Wanneer zich dit geloof aan gelijkwaardigheid binnen het Goddelijke openbaart in een hemelvoorstelling, zo moet hij noodzakelijkerwijze daaronder een hel scheppen voor anderen, ook wanneer hij deze zelf niet zal betreden. Hij voelt in zich de noodzaak tot het kennen van tegendelen.

Wij kunnen dan zeggen, dat de wereld van de geest is opgebouwd uit het ervarene en het geloof. Hij uit zich als het onervaren echter ook gedeeltelijk, wat als eigen onvolkomenheid wordt ervaren.

Zo bouwt de geest niet alleen voor zich een wereld op, maar hij bouwt een in delen gesplitste wereld op, waarin de genoemde waarden parallel naast elkaar voortgaan. Hij is dus in wezen gelijk aan de mens, die ook zijn eigen beleven kent en zijn leven dat hij ten opzichte van de buitenwereld voert.

De geest, die zich als een lichtende geest in een hemel voelt, kan desondanks voor zichzelf in een hel vertoeven. Want de beperktheid van zijn hemel kan nieuw ervaren voor hem onmogelijk maken.

Een geest zal om aan deze beperking van zijn sfeer – of dit nu een hemel is, of iets anders – te ontkomen, beginnen met zijn interesses en aandacht te richten op één enkel punt.

Men noemt dit richten van aandacht door de geest: zijn werk. Dit werk is in feite een poging om te ontvluchten aan het beeld van eigen onvolkomenheid tegenover de Schepper. Het betekent dus het zoeken van een compensatie in het “ik” voor hetgeen, wat in het eigen wezen als niet goed, als slecht, of onvolmaakt, ervaren wordt.

Alle werkzaamheden van de geest, of deze nu volgens de mensen ten goede, of ten kwade zijn, zullen een poging betekenen om zichzelf te rehabiliteren in eigen ogen.

Hieruit vloeit voort, dat de werkzaamheid van de geest een uiting is van haar onvolmaaktheid en dat de wijze, waarop hij een doel, of doelstelling kiest een uiting is van datgene wat hij in zich als een onvolmaakt en onvolledig iets voelt.

Hij leeft onder dezelfde misvattingen als vele mensen in vele gevallen. Want ook de geest, die eigen onvolmaaktheid voelt, tracht deze vaak te compenseren door anderen te dwingen, of te bewegen hem als goed of volmaakt aan te nemen.

Het resultaat is: dat vele geesten zichzelf maskeren als iets anders dan zij zijn; daarbij volkomen gelijk handelende met de doorsneemens.

Nu wordt hij echter, ondanks dit alles, in zijn eigen sfeer voortdurend weer getrokken tot het volmaakte, naar het Goddelijke, dat hij in zich als mogelijkheid voelt. Zoals de mens in al zijn voorstellingsvermogen voortdurende het machtige evenbeeld van zichzelf opbouwt om zichzelf te dromen als God en gelijktijdig te leven als een mens, die die God dient.

Wanneer de geest dit doet, komt er een ogenblik dat zijn wereld voor hem niet meer aanvaardbaar is. Wij spreken hiervan als het overgaan naar een hogere sfeer, ofwel het sterven – wij laten ook bij ons nog een voertuig achter – in eigen wereld.

Voor de geest is het proces vaak erger in zekere zin dan het sterven van de mens. Want de mens is behoudzuchtig, de geest niet. De geest wil onmiddellijk actief in de nieuwe wereld zijn waarden en waardigheid actief uiten, overtuigend anderen daarvan in kennis stellen.

Dit is hem echter niet mogelijk gedurende de eerste periode, die hij in een nieuwe sfeer vertoeft, en is hij praktisch machteloos. Hij moet eerst leren het nieuwe medium, waarin hij leeft te regeren, zijn nieuwe wereld te kennen, de gebruiken en wetten daarvan weten te hanteren, voordat hij daarin werkzaam kan zijn.

Zo vindt hij enerzijds de bevrediging van een nieuwe wereld, die verder tegemoet komt aan hetgeen er als wens in hem leeft; aan de andere kant de moeilijkheid tot uiting. Het resultaat hiervan is, dat degenen die zich uiten – ik wil dit niet zeggen voor de vormloze sferen waar de toestand anders is – zich hoofdzakelijk tot de mensen uiten, veelal degenen zijn die nog niet lang bewust in die sfeer vertoeven. Wanneer zij op aarde reeds lang gestorven zijn, kunnen wij vaak aannemen dat er een lange periode ligt tussen hun bewustwording in deze sfeer en de overgang van de aarde.

Kan het u interesseren? Ik zou u niet willen vervelen. Neemt u mij de vraag dus niet kwalijk, want ik heb zo mijn eigen ijdelheid. Die ijdelheid, die misschien de geest van de mens heeft geërfd, maar waarschijnlijker voordien weer de mens van de geest namelijk.

Ik heb getracht u te tonen, dat de jonge geest zich hoofdzakelijk ontwikkelende uit. Waarom? Deze geest zoekt nog naar een persoonlijke erkenning van zijn waarde.

Naarmate hij rijper wordt in zijn wereld, zal het werk meer hoofdzaak worden en niet meer de zelfuiting. Want het werk wordt ervaren als de aanvullende factor voor de gebreken in het “ik”. Men heeft dan niet meer de behoefte het “ik” als meerderwaardig tot uiting te brengen. Men is overtuigd, dat men meer waard is dan vele anderen, maar evenzeer overtuigd, dat men het werk nodig heeft om te komen tot een groter bewustzijn, tot een duidelijker omschrijving van het eigen wezen, tot een duidelijker erkenning van de functie van het eigen “ik” in het Al, in het grote Bestaan.

De geest, die wat ouder is, wordt dan ook eerder tot persoonlijk leider, tot geleide geest en helper van andere geesten, die met hem harmonisch zijn, zowel in de eigen sfeer als andere sferen. Ook wel op aarde, maar zelden. De aarde is ook een sfeer: stofsfeer.

Wanneer die geest als geleider optreedt bij een harmonisch iemand, dan is het eigenaardige dat de geleider over het algemeen een compensatie zoekt van eigen tekorten en gebreken in degene die hij leidt. Vaak ongeveer als een ouder, die zijn kind alles wil geven wat hij zelf niet heeft gehad.

Zo wenst de geleider in degene, die hij geleidt, zo mogelijk al datgene op te wekken wat hij zelf niet volbracht, of zelf niet kon volbrengen.

Als resultaat zal een geleide geest, die tot een lichtend erkennen is gekomen, over het algemeen trachten degene die hij geleidt, verder te brengen dan hij zelf ooit gevorderd is.

Dit leidt op een bepaald ogenblik tot een remming. Men kan niet veel meer geven. Men is dan heel vaak niet geneigd de eigen onvolmaaktheid te erkennen. Maar wordt in deze periode de geest, die men zo ver heeft gebracht, vrij, dan zien wij een omkeren van de verhouding. Dit is één van de eigenaardigste staaltjes van het denken en redeneren, zoals een geest dat doet.

Men zegt: ik heb deze altijd geleid, dus ik leid deze nog. De andere geest is zich ervan bewust, dat zij niet meer geleid wordt, maar laat zich schijnbaar geleiden in de richting waarin zijzelf wenst te gaan. Dit is het vrouwelijk element in de geest. Want de geest in zich is seksloos en wat dit betreft ook drangloos. Hij benadert de perfecte hermafrodiet. Hij is nog niet zelfbarend, omdat hij nog niet tot rijpheid is gekomen en een vol bewustzijn van zijn eigen wezen.

Op het ogenblik dat de geest dit bereikt, kan hij zich a.h.w. voortplanten, de geest kan uit zich krachten – uiterlijk aan hem gelijk – voortbrengen en in de wereld stellen, de geest voelt dit scheppende vermogen aan.

Heeft hij dit echter bereikt, dan leeft hij ook geestelijk, gezien in de wereld van de volwassenen, degenen die onttrokken zijn aan het onmiddellijke contact met de aarde en aardverwante sferen.

Datgene wat hij uit zich voortbrengt, blijft echter in onmiddellijk contact met de originerende kracht. Deze gaat van hem uit en brengt als minder bewustzijn hernieuwd levende kracht in de lagere sferen.

In deze lagere sfeer reproduceert het voortgebrachte dan, zover dit mogelijk is binnen de sfeer en haar beperkingen, het wezen waaruit hij voortkwam.

Hierdoor verwerft de voortbrengende geest opnieuw kennis omtrent de mogelijkheden in de werelden, waarin hij reeds zijn huidig bewustzijn heeft. Daaruit leert hij dat een geestelijk, bestaan bv. zonder een stoffelijke wereld, niet mogelijk is. Hij kent het bestaan als eenheid, maar ook als tegenstelling.

In deze fase komt over het algemeen – en wanneer ik nu het woord hanteer, moet ik voorgeven, wat ook aan mij door anderen geleerd is – vindt hij, dat zijn eigen uiting een volmaaktheid in die sfeer de splitsing zo duidelijk kenbaar maakt, dat hij door het vergelijken van zijn eigen wezen met de tegengestelde stoffelijke stromingen komt tot het kennen van de kracht waaruit hij voort kwam.

Hij weigert in het begin meestal deze krachten in zich te erkennen. Het duurt meestal lang voor hij ertoe kan komen deze kracht als waarheid te zien. Want, deze kracht betekent eliminatie van het handelen van het “ik” en het ondergaan van het “ik” in een daadloosheid, waarin het “ik” slechts uiting blijft van de in het “ik” originerende kracht.

Daar heeft u een klein betoog, dat u ongetwijfeld wat lichter in de oren gevallen is dan van de vorige maal, ofschoon het er onmiddellijk mee samenhangt.

Want wanneer men zich realiseert, dat het verloop van stoffelijke en geestelijke dingen, ondanks alle verschillen, zoveel parallel gaande verschijnselen vertoont, zal men ongetwijfeld het eens kunnen zijn met een oud wijsgeer, die zei: “Elk leven is een verdeeld zijn tegen zichzelf.” Verdeeld zijn tegen jezelf betekent: dat hoe groter de tegenstelling die in je bestaat, hoe groter ook het bewustzijn zal zijn dat je omtrent jezelf zult kunnen verwerven, maar daarvoor is het noodzakelijk dat men zich deze tegenstellingen ook als zodanig realiseert.

Nu mag ik misschien toch nog een ogenblik terugkeren tot het stoffelijke?

U bestaat ook uit twee waarden en al uw leven en ervaren is op deze tegenstelling gebaseerd. Wij kunnen u ruw de grondslagen voorhouden van uw eigen bestaan in stoffelijke zin. Wij kunnen u wonderlijk schoon schetsen, hoe het is met uw geestelijk bestaan. Maar u hebt daaraan heel weinig wanneer gij niet in uw eigen leven durft te zoeken naar de tegenstellingen. Je moet niet bang zijn wanneer er in u twee krachten zijn die een verschillende kracht uitdrijven.

Wel moet gij weten dat men zich niet aan één van deze krachten mag overgeven. Men mag echter wel deze krachten voortdurend en gelijktijdig beleven. Zo dit niet mogelijk is, hen beurtelings in zo snel mogelijke afwisseling beleven. Want, zegt men u wel, dat de ervaring de beste leermeester is, zo geloof ik toch dat het volgende duidelijker kan worden genoemd:

De mens is zijn eigen leermeester, want door eigen fouten straft hij zichzelf voor erkende dwaasheden. In het erkennen van eigen dwaasheid bestaat de wijsheid van elke mens. Degene die zich dit realiseert, weet dat de grootste wijsheid bestaat in het erkennen van eigen dwaasheden. Deze zal ongetwijfeld niet tot zichzelf zeggen: “Ik ben een dwaas”, hij zal slechts zeggen: “Ziet, hier heb ik dwaas gehandeld”. Hoe meer hij weet waarin de dwaasheid van het handelen schuilt, hoe groter zijn wijsheid, zijn begrip van het leven en van zichzelf.

Hoe groter deze beiden, hoe sneller een dergelijke geest of mens zich in een geestelijke wereld aan kan passen en komen tot een grote bewustwording, waarbij het geestelijk werkzaam zijn sneller voert tot het daadloze. Het moeilijkst misschien dat het bestaan ons zelfs nog in de geestelijke wereld te aanvaarden geeft.

Hier eindigt mijn betoogje. Als u hier iets over te zeggen of te vragen heeft, dan wil ik u nog zeer graag van dienst zijn.

  • Zou u nog een voorbeeld willen geven van tegenstellingen?

Er zijn zeer veel soorten tegenstellingen, maar eigenlijk had ik met het laatste antwoord gegeven op een vraag die in één van u leefde. Eén van de schoonste waarheden die in het Al bestaat, voor de wijze die naar waarheid zoekt, is het vaak de dwaas die de sleutel aandraagt. Maar positief en negatief zijn stempels die wij hebben opgedrukt aan waarden in het Al om zo van elkaar te scheiden. Wanneer die waarden in ons aanwezig zijn en wij ze beurtelings beleven, ofwel gelijktijdig beleven, dan zijn deze dus in ons in harmonie, waar zij gelijkelijk ontwikkeld een tegenwicht tegenover elkaar vormen, zo ons de mogelijkheid gevende tot zelfkennis en zelfontwikkeling.

  • Wanneer het positieve het negatieve erkent, dan zijn zij gelijkwaardig?

Sta mij toe dat ik u wederom antwoord met een citaat. “Zij, die het snelste en het heftigst strijden met elkaar, kunnen de beste vrienden worden, waar zij elkaar het beste kennen. Dan gaat hun wezen geheel in elkaar op.” Hoe meer dus de in het “ik” liggende tegengestelde principes zich van elkaar bewust worden, hoe meer zij zullen strijden om zich te uiten.

“Maar hoe meer zij strijden om zich te uiten, hoe meer zij het evenwicht vergroten dat tussen beiden bestaat, de strijd die in ons woedt, is het bewustzijn, waaruit wij leven. Nu vindt u ongetwijfeld dat ik u te veel antwoord met geleende woorden.

  • Dit wilde ik juist van u horen, ook voor de anderen.

Dan ben ik blij dat u het goedkeurt. Maar laten wij niet vergeten dat de dove vaak scherper hoort dan de horende, omdat de dove horen wil en de horende vergeet te luisteren.

Ik heb u nu bezig gehouden met wat kleine citaten zo er tussendoor. Maar ik geloof dat een dergelijk, overigens prettig, spel ons niet te lang bezig moet houden.

  • Ik zou willen vragen of het niet mogelijk is bv. de volgende avond de lezing over het “Menselijk Denken” voort te zetten. Ik heb het idee dat wij daarvan veel kunnen leren.

Men zegt bij ons wel eens: “De dokter had het beste voor met zijn patiënt.” Hij gaf hem 100 pillen. De ziekte was verdwenen, maar zo was het leven van de patiënt ook heen gegaan!

Misschien vindt u de Broeders van de Orde geen goede dokters, omdat zij met kleine dosis ingeven en hopen dat de mensheid zelf zo een zekere homeopathische werking zal veroorzaken. Wanneer het tijd wordt, zult u ongetwijfeld over dit onderwerp meer horen.

Maar uiteindelijk gaat het er niet om in hoeverre de mens bestaat uit complexen, problemen en stoffelijke drijfveren. Het maakt uiteindelijk weinig uit. Want al weet u wat daar voor waan schuilt en alle drijven in uw wezen, leeft gij daarom minder? “Zoals de boer zei tegen de dichter: “Uw woorden zijn schoon, o heer, maar uw goud lokt mij meer.”

Alle theorieën en waarheid omtrent het leven zijn schoon. Maar wat ons uiteindelijk lokt in ons werkelijk bestaan is het leven, met al zijn fouten en al zijn voordelen. Wij willen hoogstens naar het goede streven en hopen het goede te bereiken. U zou mij haast verleiden om een monoloog over het leven te houden.

  • Doet u dat.

Zo snel is mijn tong niet, of het antwoord volgt sneller.

Men zegt ons dat het leven waan is. Maar deze waan is zo reëel voor ons dat zij leven is. Leven dat wij ervaren, is althans – voor ons – geen waan. Zo leven wij. En moge ons leven niet werkelijk zijn voor anderen, voor ons die het beleven, is het van het grootste gewicht en het grootste belang.

Wanneer men ons zegt dat ons paleis een hut is, dat ons kasteel een moeras vormt en onze tuinen een mestvaalt zijn, zo hoeft ons dat niet te deren, zolang zij voor ons blijven wat zij altijd waren.

“Leven is een grote kunst.” Het is een kunst om gelijkmoedig te zijn in het leven en dit is noodzakelijk, wil men op een redelijke wijze aan de taken en plichten van het leven tegemoet kunnen komen. Gelijkmoedig kunnen wij nooit zijn, wanneer wij ons verknuffelen door de woorden van anderen die ons elk ideaalbeeld uit handen slaan.

Wij mogen de waarheid weten wanneer wij voor onze hut iets beters kunnen vinden, ook al is het geen paleis. Maar als onze hut een hut blijft, laat ons dan dromen dat het een paleis is en wij zullen gelukkig zijn. Men heeft eens geschreven en het wordt op het toneel gezegd door een Deense prins die ook een monoloog hield over het leven. Hij beschouwde het restant van een menselijk bestaan en zei: “Zijn of niet zijn, dat is de vraag”.

Men vindt dit schoon en waar. Maar het is dwaas. Want zijn of niet-zijn is geen vraag. Wanneer ik mij deze vraag stel, geef ik aan dat ik in deze toestand van het niet-zijn door mijn handeling tot niet-zijnde wordt, zal zijn, want ik kan niet ondergaan.

De gedachten aan mij persoonlijk, mijn bloed, mijn leven, mijn stof, blijven voortbestaan, de gedachten die ik denk, zullen niet sterven. Ik weet niet wie ze horen zal, of spreken zal. Ik weet niet of mijn lichaam eens zal groeien als een forse boom, of als een nederige netel. Maar ik weet wel dat alles van mij zal voortbestaan. Het is voor ons niet de vraag om te zijn, of niet te zijn. Wij leven.

De vraag is: het leven te aanvaarden, of niet te aanvaarden.

Wanneer gij ooit deze “Hamlet” ziet en op het toneel zijn retorische vraag hoort stellen, nadat de doodgravers zijn weggegaan, zeg dan tot uzelf: “Moet ik het leven aanvaarden of verwerpen.” Maar men kan het leven niet verwerpen. Men kan alleen deze fase van het leven verwerpen. Maar is dat wel verstandig?

Wanneer u het leven afbreekt, zal het zich toch natuurlijk voortzetten. Het gaat verder en bij u weet niemand waarheen het leidt. Uiteindelijk kent niemand het einde.

Zoals gij zegt dat je niet kunt zien door de poorten van de dood, zo kunnen wij zeggen dat je niet kunt zien tot in de kern van God.

De dood lijkt u duisternis, God lijkt ons licht. Dat is het verschil. Maar wij zullen voortleven.

Hebben wij dan niet de taak dit leven zo te ontwikkelen dat het ook in ons een opeenvolgende reeks van natuurlijke ontwikkelingen is? Zo weinig mogelijk ingrijpen in de normale gang, die ons uiteindelijk toch door de hemelse krachten wordt opgelegd. Niet wij hebben de wereld geschapen, zij het door ons begeren en ons weten.

Wij hebben van hetgeen ons gegeven werd deze wereld gemaakt. Maar de wereld was er al. Wij hebben geen sferen geschapen, al zijn het onze gedachten die die sferen bekleden met zekere eigenschappen. De sferen zijn er. Wij hebben onszelf niet gemaakt. Ook al zien wij onszelf vaak anders dan wij zijn. De kern van ons leven hebben wij zeker niet voortgebracht. Toch gaat het om de kern en niet om de uiterlijkheden.

Het is verstandig om het leven te leven zoals het goed is volgens je bewustzijn en je denken. Het is dwaasheid om jezelf de vraag te stellen: “Zal ik nu zijn, of niet zijn?” Maar het is nog dwazer om te zeggen: “Dit kan ik niet dragen en dat kan ik niet aanvaarden.”

Het is vaak heel moeilijk om iets te antwoorden. Maar je kunt het niet verwerpen als je een deel van de natuurlijke gebeurtenissen, die tot je leven behoren, verwerpt, dan zul je die in een andere wereld moeten beleven.

Leven is een ervaren in continuïteit. Dat kun je niet onderbreken. Daarom is het beter om hier te aanvaarden waar wij nog dragen kunnen, dan te moeten aanvaarden waar het ons ondragelijk zal zijn.

Ik geloof niet in de onderwereld met de duizend verschillende holen. Ik geloof niet in de draken en de demonen, in de grot der pijlen of andere martelingen. Ik geloof wel in het ongeluk dat wij onszelf kunnen bezorgen, door het leven niet te erkennen als het enige waardevolle en al het andere slechts als begeleidend verschijnsel.

Wij moeten het leven dragen, of wij nu willen of niet. Wanneer wij het niet willen, dan wordt het ons tot een kruis. Wanneer wij het aanvaarden, zal het ons een voortdurende bewustwording en een uiteindelijke vreugde zijn.

Dit was dan een kleine alleenspraak over het leven.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf