Inwijdingsschool ODV – Les 6 – Geestelijk beleven en goddelijke kracht

image_pdf

7 februari 1956

Ik moet tot mijn spijt constateren, dat wij maar met een betrekkelijk klein gezelschap zijn. Wij zullen dus trachten een tussengevoegde les te geven, die aangepast is aan de behoefte van de aanwezigen.

Geestelijk beleven.

Oorspronkelijk had ik verder willen gaan met mijn beschouwingen omtrent het leven in uw wereld en de wijze, waarop men dit het beste doet. Want ik geloof echter dat ik op het ogenblik verstandiger doe mijn betoogtrant wat te wijzigen. In deze kleine kring, zoals wij hier aanwezig zijn, is het grootste deel overheersend in streven naar geestelijke bewustwording. Ik ken er een behoorlijk aantal onder, die op dit gebied zelf dan ook enige ervaring hebben. Ik kan dus – naar ik meen – wat verder gaan op een ander terrein zonder de eenvoud uit het oog te verliezen.

Ons geestelijk beleven kent dezelfde realiteiten als het stoffelijk bestaan. Het is moeilijk voor de stofmens zich dit te realiseren, maar degenen, die – hetzij bij uittredingen, hetzij door geestelijk contact – de geestelijke sferen als werkelijkheid hebben ervaren, zullen met mij ongetwijfeld eens zijn, dat ook voor de stofmens reeds de geestelijke wereld en de wereld van de gedachte even reëel is als de wereld op zich.

Dit betekent dat wij geen tweeërlei maatstaven mogen aanleggen voor onze gedachten en onze daden. Wat wij onszelf in gedachten toestaan, kunnen wij onszelf dan ook wel in daden toestaan. In het bewustzijn blijft dit dezelfde kracht.

Omgekeerd datgene, wat wij stoffelijk trachten te bereiken, moeten wij ook geestelijk na durven streven. Het is niet gemakkelijk te komen tot een absolute eenheid van denken en handelen. Toch is deze eenheid een noodzakelijkheid, willen wij kunnen komen tot een grote geestelijke bereiking, zoals iedere mens zijn geestelijke bereiking heeft, zoals iedere mens zijn eigen controles a.h.w. leert kennen, zodra hij rijp genoeg is om een voortdurend contact met de geestenwereld op te nemen. Zo heeft ook elke mens een rem gekregen. Een rem, die gebonden is aan de realiteit van het ogenblik.

Men maakt nl. een verschil tussen de innerlijke en de uiterlijke werkelijkheid. De innerlijke werkelijkheid nu is meer reëel dan de uiterlijke, waar zij meer blijvend is.

Wanneer iemand in de geest leeft, zijn er een aantal handelingen en daden, waartoe hij niet zal overgaan, zoals ook handelingen en daden, die hij zich wel zal permitteren, dit in tegenstelling meestal met veel wat stoffelijk gebruikelijk is. Door dit geschil tussen stof en geest komt vaak een innerlijke tegenstrijdigheid tot stand. Men kan niet geestelijk ijveren en toch lichamelijk lui zijn. Men kan niet geestelijk vol zijn van licht en gelijktijdig een zekere bekrompenheid op aarde bezitten, men kan niet eenzijdig stoffelijk handelen, zolang men aan de wereld gebonden is en toch gelijktijdig de stof geheel loslaten, wanneer men in de geest komt.

Voor sommigen klinkt het ideaal: stofmens zijn in de stof, gelijktijdig geest zijn in de geest en zo twee levens tegelijk leven. Zij vergeten echter dat er één bindende factor is: de innerlijke persoonlijkheid. De kracht dus, die u werkelijk innerlijk “ik” is. Dit “ik” is voor beide vormen van leven en bestaan hetzelfde.

Tot zover is dit, meen ik, duidelijk?

Dan zullen wij nu een ogenblik trachten vanuit het gedachteleven de werkelijkheid op aarde te gaan benaderen.

In de gedachten kan een mens zich vaak zeer veel dingen permitteren, die hij zichzelf stoffelijk weigert. Menigeen droomt en schept voor zichzelf een schijnwereldje, waarin geheel andere waarden naar voren treden, dan voor hem in het stoffelijk leven merkbaar en voelbaar worden.

Dit is natuurlijk een zeker misbruik, want die gedachte-impulsen kunnen vaak de geest blijven beheersen. Ook nadat het lichaam te ruste is gegaan en de geest eigenlijk haar vrijheid zou moeten genieten.

Het is noodzakelijk dat wij stoffelijk denkende reëel blijven, u zult het woord reëel erg veel moeten horen in dit betoog. Wij moeten ons baseren op de werkelijkheid, op dat wat nu bestaat. Gij kunt niet in uw droom aan iets geloven, wat gij in werkelijkheid verwerpt. Gij moogt stoffelijk niets loochenen, waarin gij innerlijk gelooft. Gij moogt stoffelijk geen onwaarheid juist of praktisch achten, terwijl zij gelijktijdig door u innerlijk en geestelijk wordt veracht. Wij moeten op aarde trachten te leven precies, zoals wij zijn, niet zoals wij zouden willen zijn.

Dit klinkt voor velen misschien erg pessimistisch. Want wanneer je niet mag leven, zoals je zou willen zijn, zeggen zij, waar blijven dan de idealen?

Dat wat gij zijt, is hetgeen gij beleeft. Deze twee zijn één wanneer gij nu tracht beter te zijn. Zonder eerst deze verbeteringen geheel stoffelijk en geestelijk in daden, dromen en geestelijke belevingen te verwerkelijken, dan zult gij daardoor een tweestrijdigheid in uzelf scheppen.

De gedachten, hun dromen, de idealen misschien worden allen door de stoffelijke werkelijkheid geketend. Is er conflict, dan ontstaat er innerlijke onvrede.

Omgekeerd, wanneer gedachten en dromen zichzelf vrijheden toekennen, daden en handelingen doen stellen in dromen, in ieder geval buiten het stoffelijk wezen om, die stoffelijk niet als reëel worden erkend, dan worden stoffelijk verlangen, of stoffelijke angst sterk gesimuleerd, dat hierdoor alleen reeds een nieuwe strijd tussen stof en geest begint. Dat wij dit ten allen tijde moeten vermijden is duidelijk.

Men zal ons misschien voorwerpen, dat wij zo vaak terecht komen op het gebruik van zekere magische krachten etc., zoals in de laatste tijd bv. het onderwerp: uittreding.

Zo ik echter reeds de vorige maal heb opgemerkt, hebben wij getracht u daartoe op te voeden. Degenen, die daarvoor geschikt waren in deze kring, waren te lui, degenen, die er niet direct geschikt voor waren, hebben op de duur de moed verloren.

Ik ben ervan overtuigd dat bv. de bewuste uittreding voor u allen mogelijk is. Ik weet echter ook dat zij u niet mogelijk zal zijn, zolang er geen hechte eenheid van leven en denken in u bestaat.

Dit is noodzakelijk, zelfs al bereikt gij dat slechts één dag, één kort ogenblik. Eerst moeten wij een eenheid zijn tussen stoffelijke daad en geestelijke gesteldheid voor door u de innerlijke rust kan worden gevonden die de geest vrijelijk doet uitgaan vanuit het stoflichaam zonder te vrezen daarvan voorgoed te worden gescheiden.

Nu wil ik aannemen dat gij op een gegeven moment deze eenheid zult weten te bereiken. Dan staan wij echter nog steeds tegenover de buitenwereld, die door één van u zo-even als klankbord werd betiteld. De buitenwereld kent zijn oordelen, zijn krachten. De buitenwereld beïnvloedt ons. Wij kunnen niet anders dan die invloed ondergaan.

Wanneer wij echter in die invloed zouden ondergaan, zouden wij terugvallen tot een deel der massa, zonder bewust zelfstandig denken. Ofschoon het bij geestelijk minder ontwikkelden soms lijkt die richting uit te gaan, kunnen wij vaststellen dat de eigen persoonlijkheid toch steeds blijft overheersen, ook in het gedrag tegenover de buitenwereld.

De persoonlijkheid is daarom belangrijker voor u dan de wereld buiten u. Deze wereld buiten u nu, zal u vele regels opleggen, vele wetten voorschrijven. Zij zal voortdurend trachten u in haar richting te voeren. Zal trachten u te vertellen, hoe gij denken en handelen moet. Zij zal trachten u te vertellen, wat gij geloven moet en wat gij goed of kwaad moet vinden.

Begrijpelijkerwijze nemen wij aan, dat gij als geestelijk denkend mens deze dingen van u af zult zetten. Gij zijt dan uzelf. Als zodanig oordeelt en beoordeelt gij ook zelf, denkt gij zelf en handelt gij zelf. Gij kunt echter uzelf niet geheel van die buitenwereld afsluiten. Die wereld blijft ten allen tijde die invloed op u uitoefenen.

Om nu op de juiste wijze de eigen persoonlijkheid in en tegenover die wereld te kunnen uiten, is het voor ons noodzakelijk dat we in de eerste plaats onze houding tegenover die buitenwereld bepalen, dit op een zodanige wijze, zodat indien niet van een directe harmonie toch van een vrede met deze buitenwereld kan worden gesproken.

Wanneer wij realisten willen zijn, moeten wij beseffen, dat wij de wereld niet zonder meer naast ons neer kunnen leggen, wij kunnen niet zonder meer tegen die wereld ingaan. Wie dat doet maakt zichzelf tot slachtoffer van de wereld buiten hem. Hij zal daardoor misschien een geestelijke bewustwording doormaken, maar in vele gevallen zal men daardoor een valse zelfbevrediging vinden, die geestelijk leidt tot het ervaren van een groot gemis.

Wij moeten leven met de wereld. Om met die wereld te leven, moeten wij voor onszelf nauwkeurig omschrijven, wat daarin voor ons uitbaar is. Dit uitbaar behoeft echter niet het geheel te zijn van ons gedachteleven. Wel kunnen wij zeggen dat ons gedachteleven ten hoogste een extensie mag zijn van hetgeen wij stoffelijk uiten.

Op deze wijze levende vindt men in zichzelf een zekere eenvoud terug. Zolang een mens voortdurend blijft streven naar een steeds complexer differentiatie tussen denk- en daadleven, tussen geestelijk bestaan en stoffelijke noodzaak, zal zijn reactie op elke waarheid, die in de wereld bestaat ook groter en complexer worden.

Naarmate de mens deze dingen echter simpeler en eenvoudiger aanneemt, zal voor hem ook het leven eenvoudiger worden, want zijn denken wordt eenvoudig. Bij de mensheid kan een woord vele betekenissen hebben. Ook één van de vragers heeft ons daarop attent gemaakt. Wij weten echter, dat een zin, die gesproken is, precies zo staat, als zij bedoeld is. Kunnen wij dit niet weten, dan heerst er verwarring. Het leven geeft ons vaak menige sleutel in de hand tot stoffelijke en geestelijke bereiking. Het geeft ons de mogelijkheid tot geestelijke en stoffelijke bevrediging, tot het verwerven van krachten op geestelijk en stoffelijk gebied.

Deze dingen worden echter nooit in complexe samenstelling of zin gegeven. De Goddelijke waarheid, waaruit al deze dingen voortspruiten, is eenvoudig. De eenvoud is, zo zegt men op aarde, het kenmerk van het ware. Ik zou daaraan toe willen voegen dat de eenvoud van geestelijk beleven het kenmerk is van de geestelijk bewuste mens.

Hoe meer wij gaan betogen en gaan beredeneren, hoe meer wij krampachtig gaan trachten in een bepaalde richting te overwegen en te mediteren, terwijl wij gelijktijdig met aarzeling en innerlijke tegenstrijdigheid behept zijn, hoe moeilijker het ons wordt de werelden van stof en geest op de juiste wijze te ervaren. Wij moeten dus eenvoudig zijn.

Hoe eenvoudiger, hoe simpeler ons eigen denken is, hoe groter onze mogelijkheden worden. Hoe sterker wij ons richten in onze eenvoud op de dingen, die geest of stof ons als mogelijkheid bieden, hoe beter we ons bewust daarvan zullen worden en hoe sterker dit bewustzijn tot uiting komt.

Het is een feit, dat op velen het leven in een dergelijke toestand de indruk maakt van eigengereidheid. Menigeen meent hierin een verachting voor de wereld te herkennen. Niets is echter minder waar.

Wanneer gij voor uzelf een toestand van eenvoudig streven en denken bereikt, zult gij ervaren, dat gij nog wel vaak tegen uzelf te strijden hebt, maar dat de wereld met haar leringen en gebeurtenissen, haar zorgen en vreugden, zowel als de wereld van de geest voor ons eenvoudig geworden zijn: wij zoeken geen bijbedoelingen meer. Wij nemen de dingen, zoals zij bedoeld zijn, rechtuit en zonder aarzeling.

Zeker, wij zullen ook dan nog fouten maken. Wanneer ik op deze wijze in uw wereld zou moeten leven, ben ik ervan overtuigd, dat ik ook nog menige fout zal maken.

Maar zelfs in mijn fouten zou ik de waarheid dichter nabij komen, dan een ander in zijn schijnbaar juiste oplossing van het probleem. Wanneer wij eenvoudig, simpel en overtuigd de geestelijke toestand trachten te bereiken vanuit de stof, wanneer wij op een eenvoudige wijze al hetgeen aanvaarden, wat geestelijk en stoffelijk tot stand kan worden gebracht, dan vinden wij mogelijkheden, die schijnbaar voor ons in stof en geest gesloten waren.

Het is waar – zonder meer – dat een mens met een intens geloof over de wateren kan wandelen, door het vuur kan gaan en zich in de lucht kan verheffen, dit alleen door zijn geloof.

Natuurlijk één enkele keer zal ook die persoon falen, zal ook hij onzeker, gestoord zijn, maar hij zal daadwerkelijk bewijzen, dat ook voor hem deze mogelijkheden bestaan.

Geloof is een ervaren zonder meer. Een waar geloof is één van de moeilijkste dingen, die men bereiken kan. Want wat menigeen een diep geloof noemt, is in feite niets anders dan een zelfverblinding, laten wij dus goed begrijpen dat het geloof zonder meer voor ons niet de juiste weg kan zijn. Het geloof moet gebaseerd zijn op de rede. Het moet uit ons bewustzijn voortkomen. Maar wij moeten na redelijk overleg en overwegen van de mogelijkheden in ons geloof eenvoudiger a.h.w. rechtlijniger oplossingen aanvaarden. Wij moeten ons dan hieraan houden en niet verder zoeken in nevenmogelijkheden, voor deze zich ongezocht aan ons openbaren.

Indien het levensverschijnsel tot ons komt uit de wereld, zij het uit de wereld van de geest of van de stof, dan betekent het een noodzaak tot correctie van ons denken tot nu toe. Wij zullen dan niet twee waarheden kennen, maar het bewustzijn van waarheid, dat in ons leeft, licht wijzigen, opdat het ook de nieuwe omstandigheden en toestanden dekt. Het blijft eenvoudig. Degenen, die dit begrijpen en verwerken kunnen, zullen voor zich lichtende geestelijke kracht kunnen putten, zoveel zij wensen. Wat meer is, zij zullen zeer vaak als compensatie voor stoffelijk gemis geestelijke vrijheden ervaren, die hen op de duur tot openbaringen worden. Waarden, die hen in een volledig nieuw beleven een stimulans zijn, zowel voor de stoffelijke verwerkelijking van sommige dingen, als voor het doordringen steeds verder in de geestelijke mogelijkheden van anderen.

Wanneer wij, zoals gij hier tezamen zijt, wilt zoeken naar waarheid en geestelijk licht, zou ik u bij deze bijeenkomst deze raad willen geven:

Probeer een probleem, of meerdere problemen, zo gij wenst, terug te brengen tot de meest simpele geestelijke term. Geef uzelf daarop het voor u meest aanvaardbare antwoord. Natuurlijk na eerst geestelijk bezien te hebben of dat voor u redelijk aanvaardbaar kan zijn. Dit zonder u er om te bekommeren van de consequenties daarvan voor het probleem zelf zich aan u voelbaar presenteert. Gij zult op deze wijze een innerlijke zekerheid vinden, die voor opbouw en bewustwording een gezonde basis vormt.

Dit is voldoende. Ik ga nu het woord overgeven aan de tweede spreker, die ongetwijfeld ook op zijn wijze veel te bieden heeft.

Ik hoop de volgende keer verder te kunnen gaan met mijn onderwerp, waar ik het de vorige keer af heb moeten breken.

Goddelijke Kracht.

Er zijn veel dingen in de wereld, die ons altijd weer wonderlijk lijken, en een pleidooi voor eenvoud is daarom niet altijd zo eenvoudig te verwerkelijken. Toch zijn er dingen, die wij nooit kunnen verloochenen en nooit kunnen vergeten. Eén daarvan is de Goddelijke Kracht die Zich in en rond ons voortdurend openbaart. Ik zou u over het Goddelijke willen spreken, maar dan uit een standpunt dat in andere kringen niet zozeer naar voren komt.

God is het grote Ongekende voor ons, maar wij mogen toch zeker voor onszelf beginnen met vast te stellen, wat God niet is. En dan blijkt dat wat wij als eigenschappen voor God overhouden, noodzakelijkerwijs abstract is. Wij weten van God niets. Zelfs niet, of Hij bestaat. Alleen is er in ons een drang, om dit altijd weer aan te nemen en te geloven. Wij hebben behoefte aan God.

De God Die wij ons bouwen, is dan ook altijd weer een weerspiegeling van ons eigen verlangen, ons eigen begeren en denken. Wat is eigenlijk het meest typische dat onze God altijd uit zal munten in een paar eigenschappen, waaraan wij allen schijnbaar steeds weer een behoefte voelen?

Onze God is een God van Liefde. Onze God is een Wreker. Onze God is barmhartig. Onze God is rechtvaardig. Waarom?

Wij zoeken een God van Liefde, omdat wij zonder een kosmische liefde ons een continuering van het bestaan door een God niet aanvaardbaar voor kunnen stellen. Dan zou het leven geen doel hebben. Dan zouden wij zinloze slaven zijn, dan zouden wij de slaven zijn van een wrede, ongekende macht, die zijn cynisch spel met ons drijft. Daarom zoeken wij een God van Liefde. Wij zoeken echter ook een God der Wrake. Een God, let wel, Die Zich niet speciaal op ons wreekt, maar voor ons wraak neemt, waar wij dit zelf niet kunnen. Een God ook van barmhartigheid. Want wij weten zelf wel, dat wij falen. Een God van rechtvaardigheid, omdat wij weten, voelen en ervaren dat in elke wereld opnieuw de rechtvaardigheid ver te zoeken is. Dit volgens ons eigen bewustzijn, terwijl wij toch niet aan kunnen nemen, dat de wereld geheel onredelijk en onevenwichtig is.

Wanneer ik deze beweegredenen zo ontleed, waar zij ons er toe leiden onze God bepaalde eigenschappen en kwaliteiten te geven, kan ik van daar uit natuurlijk zeggen, hoe de doorsneemens zich zijn God denkt. De doorsnee mens denkt zich zijn God als een persoonlijk voorrecht, dat speciaal op hem gericht zijn schreden leidt en beoordeelt.

Ik meen dat u het tot zover volledig met mij eens zult zijn?

Ik geloof dus zoals iedereen in een God die persoonlijk is. Maar wanneer dat waar is dat die God wordt opgebouwd uit mijn persoonlijkheid – althans op de manier, waarop ik Hem aanvaard – dan volgt hieruit onmiddellijk, dat die God in mij leeft, dat die God slechts een Deel is van mijzelf. Ik zou dus kunnen zeggen, dat de Goden, Die de mensen op aarde vereren, of de God, Die de mensen op aarde vereren slechts een deel van hun eigen wezen zijn. Zo goed overigens als het kwaad, of de duivel, die zij vrezen, evenzeer een deel van henzelf is.

Wij kunnen dus niet aannemen, dat de God, Die wij kennen in zal grijpen in ons lot, waar Hij slechts een Deel van ons wezen is, en als zodanig slechts aan ons wezen leiding kan geven, zonder direct in te grijpen.

Na deze in vele oren waarschijnlijk zeer ketterse verklaring kan ik dan nu ook mijn eigen standpunt gaan uiten.

Als bewust levende kan ik God niet kennen. Wanneer ik al een voorstelling van God heb, kom ik tot de conclusie, dat Hij uiteindelijk het beeld is van trekken, verlangens of eigenschappen binnen mijn eigen persoonlijkheid. Wat mag ik dan als God aannemen? Alleen maar het leven, meer niet. Het leven, vooral het geestelijk leven, is een onverklaarbare kracht. Het Licht, zoals wij ook wel zeggen. Wat voor eigenschappen het heeft, weet ik niet, en kunnen wij niet weten.

Wij weten alleen maar, dat God de essentie is van het een of ander onbekende. Een essentie, die voor ons noodzakelijk is.

Wanneer ik dus streef naar het leven, de essentie van het leven wel te verstaan, het bewustzijn, het ervaren, de innerlijke vrede ook en de innerlijke harmonie, dan streef ik automatisch ook naar God.

Het lijkt mij dus niet noodzakelijk, God als een vooropgezet doel in ons leven te stellen. Wanneer wij doen oprecht, is dat natuurlijk goed. Maar wanneer wij het niet doen, is het alleen maar kwaad wanneer wij menen dat er inderdaad een God bestaat, Die wij ons als doel moeten stellen. Zo kom ik dan vanzelf tot het kernstuk, de hoofdgedachte van mijn betoog.

Het is niet noodzakelijk om aan God te geloven, maar het is wel noodzakelijk om met God te leven. Hoe leef ik nu het beste met God? Door te beantwoorden aan alles, wat er in mijn eigen leven bestaat. Dus mijn leven, mijn eigen leven, maar ook alle andere levens, want ik kan die beschouwen als deel van dezelfde levensessence, die ook in mij bestaat, hetzelfde leven dus die ik heilig kan achten.

De beste godsdienstige leer zou je in een paar woorden uit kunnen drukken: alle leven is heilig, alle geluk is heilig, alle leed moet verdreven of overwonnen werden. Wijzelf moeten ons wezen vervullen in dit leven. Niet daarbuiten.

Wat is het leven? Het ogenblik, waarop wij bestaan? Elk ogenblik dat wij bestaan, openbaart zich voor ons een nieuwe God en een nieuwe wereld. Elk ogenblik verandert er iets zo geleidelijk vaak dat wij het haast niet bemerken. Wij zien haast niet dat het verandert, maar toch gebeurt het. Wij leven eigenlijk van moment tot moment.

De God, Die wij vereren, leeft ook per moment, bij de gratie van de levende kracht, die in ons bestaat, plus waarschijnlijk de gratie van ons eigen leven, ervaren en denken, maar wie is zich daarvan bewust? Zo gezien leven de meeste mensen haast zonder God. Want aan God denken, of je tot God wenden, doe je in doorsnee maar weinig. Het leven als belangrijk en heilig te beschouwen, doe je meestal nog veel minder. Men denkt over die dingen heel weinig na.

Dit betekent, dat je bewustzijn dus slechts voor een heel klein deeltje van je levenstijd, onverschillig in welke sfeer en voor slechts een zeer klein aantal momenten in een afgesloten reeks van momenten, zoals bv. het menselijke leven, aan God gewijd zijn.

Toch lijkt het mij noodzakelijk om in het leven veel tijd aan je God te wijden. Ik wil niet zeggen, dat je voortdurend over God moet nadenken, maar je moet je voortdurend bewust zijn, of van de God in jezelf, of indien je wat verder bent, van het leven in en rond je. Met dat bewustzijn kun je dan langzaamaan iets gaan begrijpen, van wat leven en sferen je openbaren. Dan kun je iets meer van de zin van het leven gaan beseffen. Er is geen wreedheid in het leven, geen straf en geen vloek, geen ban, er is alleen maar: het leven. Er is ook geen vreugde, geen heerlijkheid, geen grote verheffing, of bewustwording dan het leven zelf.

Dit zijn alleen de waarden, die wij in het leven leggen. Wij scheppen niet het leven zelf. Maar wat wij wel scheppen zijn alle uitingen daarvan. Conclusie: wij schepselen, zijn het, die de Schepping maken. Wij schepselen, zijn het, die Gods Schepping uiten en bouwen.

Voor de grote, onbekende macht, God, zal die vormgeving ongetwijfeld van weinig belang zijn. Ten hoogste de uiting van een deel van Zijn wezen, de realisatie van het leven in een speelse uiting van bestaan door een paar mensen en geesten, door een paar sterren en planeten, maar voor ons is het erg belangrijk, wat wij maken van het leven.

Wij kunnen nooit iets van het leven maken door zo maar zonder meer wat waarden erbij te gaan stellen. God, engelbewaarders, geleiders en meesters zijn allemaal heel mooi, maar wat is eigenlijk hun betekenis?

Wanneer wij daarover de betekenis van het leven zelf vergeten, dan is de taak van de mens van seconde tot seconde intens te leven en te bestaan. Geen ogenblik te vergeten, wie en wat hij is. Geen ogenblik te vergeten wat op dit ogenblik zijn doel is. Leven is bewust zijn. Er mag geen ogenblik zijn, dat wij door ons onbekende krachten worden gejaagd of gedreven, want zo verliezen wij een deel van het leven. En elk deel, dat wij van het bewuste leven verliezen, verliezen wij ook van onze God. Ja, van het Vreemde en Onbekende Dat ons geschapen heeft.

Onze intensiteit van leven is eigenlijk de graad van onze eenheid met God. Dit werd vroeger op andere wijze uitgedrukt, dan tegenwoordig. Wij vinden tegenwoordig vele methoden en vormen om hiertoe terug te keren. Elk voor zich moet hierin zijn eigen weg vinden. Dat is begrijpelijk, maar wat wij allen gemeen moeten hebben, of het nu nonnen in een klooster zijn, of de liefdespriesteressen van een oude tempel, wanneer wij werkelijk iets willen bereiken, moeten wij ons voortdurend, elke seconde bewust zijn van wat wij doen en ook van het waarom.

Ik geloof dat de wijsgeer die eens zei: “Onze God heeft drie namen. Wie, Waarom en Waarheen”, gelijk had.

Want God is ‘Wie?’ De grote vraag. God is het ‘Waarom?’ De reden van dingen. God is ook ‘Hoe?’ Middel en rede.

Er blijft ons niets anders over. Wij bestaan in onze wereld en alles is voortdurend een vraag voor ons. Die vraag zullen wij kunnen beantwoorden. Wanneer wij iets van dat leven missen, wanneer wij één ogenblikje vergeten, één zijn met het leven zelf, is er geen antwoord. De ideale wijze dus om God te dienen of, beter gezegd, het leven te dienen en daarin de onkenbare macht die er achter verborgen is te allen tijde, hetzij geestelijk, hetzij stoffelijk, actief te zijn.

Men zegt wel eens dat rust noodzakelijk is, maar een werkelijke rust bestaat er niet. Wanneer “rust” betekent een stilstand van actie, betekent het gelijktijdig een verlies van een deel van het leven, een kort ogenblik van absolute dood. Het is beter om te leven als een slecht mens, dan te leven in steriele en onnutte onthouding. Het is beter te leven als een dwalende geest, dan verdroomd te rusten in een verstarde hemel.

Leven, dat is de noodzaak. In het leven is God. In het leven vinden wij steeds weer de waarheden terug van deze grote Kracht, van het geheimzinnige Niet. De kracht van de vraag, die schuilt achter alle dingen.

Ik was aan het begin van de bijeenkomst aanwezig en ik hoorde u spreken over een echo.

Ons hele leven is eigenlijk een vraag. Een vraag, die wij richten tot het Onbekende. Wij roepen dan naar de verten: God en het antwoord is, Niet. Vreemd eigenlijk. En toch worden soms gebeden verhoord. Toch is er soms een lichtende Kracht in ons uit hogere sfeer en wij weten niet wie.

Zijn wij gelukkig en gesterkt daarin, er vloeit ons wijdheid toe uit ongekende gebieden, omdat wij leven. Want het leven is een ondeelbare eenheid. Dat tenminste is wel te bewijzen.

Wat het leven is in zijn kern van essentie kunnen wij niet zeggen.

Wij kunnen alleen zeggen dat het een eenheid van ons maakt. Door intens te leven, ons geestelijk en stoffelijk voortdurend bewust te zijn van alle dingen en niet te verdromen, vinden wij voortdurend het antwoord dat het Onbekende geeft op onze innerlijke toestanden, onze vragen en problemen. Dan vinden wij de krachten, die het antwoord zijn op onze  zwakheid. Dan vinden wij het bewustzijn, dat in de plaats treedt van het, voor ons eens zo onbevredigend en dwaas leven.

Laten wij elkaar niet voor de gek houden. Je kunt teer en innig aan je God geloven, je kunt sentimenteel dwaas hangen aan leraren en leerstellingen. Je kunt nuchter leringen opvolgen en leraren aanvaarden, omdat zij voor jou het beste zijn. Maar hoe je het ook doet, is van weinig belang zolang je niet leeft. Van belang is dat je deel bent van het leven. Zolang je deel hebt aan dit leven, zul je steeds weer in aanraking komen met de onbekende Macht tot zij uiteindelijk voor jou haar maskers verliest, en zichzelf aan je openbaart.

Zoals ik u al zei, ik ben misschien erg ketters, maar volgens mij behoef je niet aan een God te geloven. Helemaal niet. Maar je moet wel geloven aan het leven. Want het leven is de realiteit van het Goddelijke, van het Onbekende. Het leven is de werkelijkheid, die ons allen gegeven is en in het leven zullen wij de oplossing moeten vinden voor alle problemen, zelfs voor het probleem: wie zijn wij, wat zijn wij en van waar zijn wij? Dat is de enige weg en het enige middel.

Daarom, wanneer gij weer hoort spreken over God, hoort filosoferen daarover, wanneer gij het hoort benaderen van 1001 kanten, realiseer u dan dat deze dingen alleen belangrijk zijn, wanneer zij de gedachten kunnen leiden in een bepaalde richting. Dus… wanneer zij een bewustzijn wekken voor zekere factoren van het bestaan, maar als dat er niet mee gebeurt, heeft het geen enkel belang. Ons aller belang is gelegen in het leven en het leven is voor ons allen: bewustzijn. Bewustzijn, waardoor wij leren, weten en ervaren.

Daar heeft u dan mijn kort betoogje voor deze avond. Ik hoop dat het u geen teleurstelling is geworden.

Ik zou met groot genoegen ook andere problemen graag met u willen bespreken. Alleen moet ik u dan dit zeggen: “Wanneer ik u spreek, moet u niet verwachten, dat ik u grootscheepse verklaringen geef. Want de meeste fouten worden m.i. gemaakt, wanneer men tracht het onverklaarbare te verklaren.

Ik voor mij ben niet van plan die fout te maken. Tenzij ik door het bewustzijn van degenen, die rond mij zijn, hiertoe genoodzaakt zal worden. Want er zijn nu eenmaal mensen, die niet tevreden zijn, zonder een ingewikkelde verklaring. Er zijn mensen die uitgestippeld moeten hebben, hoe dit of dat precies is. Die willen, bij wijze van spreken, op de liter na weten hoeveel water er is in het Zomerland, en wat voor bomen er groeien, wat voor vruchten er zijn en zo ja of je er eet. Die mensen vragen om een onwaarheid. De waarheid kan daarover in woorden niet gezegd worden. Het is immers alleen maar: ik ben er mij zo of zo van bewust. Zolang ik dit beleef, is het voor mij waar. Zodra ik het niet beleef, is het voor mij ook geen waarheid meer.

Past u dat in uw leven ook toe? Vraag niet naar de bekende, de doodgetreden weg. Vraag niet: wat leeft in u innerlijk? Want wat zijt gij op het ogenblik? Enz., enz. Maar tracht te vragen en te zoeken in de geest op een manier, waardoor gij u meer bewust zijt van uw eigen leven. Dan hebt gij immers het doel bereikt?

Beschouwing over ziel, geest en stof.

  • De voorlaatste voordracht is een analyse gegeven van de psychologie van de mens. U heeft daar lagen aangegeven, een verschil tussen stoffelijke drang, moreel bewustzijn, geloof enz. en daarnaast, of daarboven, de geest. Geest en ziel zijn overigens dubieuze begrippen, waar de waarde ervan verschillen wordt gegeven door verschillende mensen. Nu had ik u willen vragen, kunt u toelichten over lichaam, ziel geest?

U weet misschien, hoe wij de dingen formuleren. Over de ziel kan ik weinig zeggen. De ziel, volgens onze lezing de kern van het wezen, is in zijn wezen onbepaalbaar. Wij kunnen hoogstens zeggen, dat dit het levensprincipe is, wat alle andere uitingsmogelijkheden en verschijningsvormen ook in zich draagt. Daarover kan ik dus weinig vertellen.

Over de geest kan ik al meer zeggen. Wij kunnen van de geest zeggen, dat zij een kracht is. D.w.z., zij is niet aan stoffelijke, of niet-stoffelijke normen, vormen, of grenzen gebonden. Behalve door haar eigen vermogen, dat in kracht wordt uitgedrukt. Zij heeft om te kunnen functioneren een minimum krachtintensiteit; over haar algehele oppervlak nodig. D.w.z. dat de geest begrensd wordt door hetgeen zijzelf kan presteren en voortbrengen. Maar wij zien nu dat deze geest zich bekleedt met niet direct tot haar wezen behorende stofdelen. Dit gebeurt dan fijnstoffelijk.

Wij ontdekken dat dan oermaterie, of fijnste materie, door die geest tot voertuig wordt gemaakt. Een soort lichaam dus. Dit gebeurt meerdere malen. Deze lichamen worden a.h.w. om elkaar opgebouwd.

U kunt het zich misschien voorstellen: de geest begint met één kerntje. Daarmee heeft zij dan haar primaire gestalte gekregen. Zij is hiermee kenbaar en waarneembaar geworden in haar eigen sfeer. Maar nu gaat zij nog andere stofdeeltjes rond die eerste kern groeperen. Zij verkrijgt hierdoor a.h.w. een zekere stoffelijke verdichting. Deze is nog uitermate vluchtig en door een enkele wilsakte om te groeperen. Maar goed, het is in ieder geval weer een nauwe omschreven vorm.

Door haar samenhang te verhogen, kan zij uiteindelijk zover komen dat zij, wat wij noemen: het astrale lichaam vormt. Ook wel het etherisch dubbel van de mens. Dit is het voertuig van de geest in de lagere sferen. Er is nog één vorm, die lager staat. Dat, is het zgn. begeertelichaam.

Een begeertelichaam is zo sterk materieel, dat het een volledige binding betekent voor de geest. Alle andere lichamen laten de geest nog de mogelijkheid met haar bewustzijn uit te grijpen buiten haar eigen voertuig. In dat laatste, in dat begeertelichaam, kan dat niet. Het beperkt de geest binnen een vaststaande, vooraf bepaalde omvang en reeks van mogelijkheden.

Verder kunnen wij zeggen, dat de geest, naarmate zij zich meer bewust wordt van haar mogelijkheden en capaciteiten over het algemeen minder materie tot zich trekt en dus minder belast is door een vormgeving van zichzelf.

Nu kan ik natuurlijk ook nog gaan spreken over de bewustzijnsgraden. Ik kan vaststellen, dat de geest in zich het vermogen schijnt te bezitten om voortdurend, door innerlijke beweging allerhande indrukken en impulsen vast te houden. Daarmede kan de geest dus denken.

Gezien het feit dat zij haar gedachten op een minimale plaats samen kan brengen, denkt zij sneller en rationeler dan de doorsneemens. Dat dit veld (de geest) deze beweging kent, dat het een beroering een spanning en een uitingsmogelijkheid heeft, is te danken aan de ziel. Aan die ongekende factor, die voor ons de kern van ons wezen blijft vormen.

Bij deze uitleg heb ik mij aan alles gehouden aan de door ons gegeven termen. Elders wisselt men deze begrippen van ziel en geest wel eens om, maar dat weet u wel.

Dan krijgen wij te maken met de stofmens. Van de stofmens kunnen wij zeggen dat hij een stoffelijk voertuig is, grotendeels opgebouwd uit water met bijvoegsels waaruit op zichzelf bestaande cellen zijn gevormd. Deze hebben een eigen leven. Zij zijn samengevat in groepen en deze groepen zijn functioneel omsloten. Een groep cellen vervult dus een bepaalde functie in de opbouw van het wezen ‘mens’.

Nu weten wij dat sommige cellen worden gestimuleerd door afscheidingen die andere cellen produceren. Die stoffen komen tot stand, doordat de betreffende cellen deze uit voedsel en de afbraakproducten van vervangen oude cellen hebben verzameld, of omgezet. Deze groepen cellen noemen wij klieren.

De stimuli, die op deze wijze aan organen en cellen worden gegeven zijn bepalend voor de drijfveren en de behoeften, die deze groepen elk voor zich hebben.

Verder ontdekken wij dat het gehele complex van cellen: de mens, door een supergevoelig stelsel, een netwerk van bijzondere cellen, in staat is zijn handelingen en uitingen te coördineren.

Ja, wat meer is, om indrukken, die eens ondergaan zijn, vast te leggen.

Er is dus een herinneringsvermogen. Door dit herinneringsvermogen kunnen eigen handelingen en daden ook worden gereproduceerd. Het lichaam heeft dus ook een zeker bewustzijn en denkvermogen. Wij kunnen dat bewustzijn dan gaan verdelen in verschillende lagen. Daarbij uitgaande van de standaard, die de moderne mens daarvoor kent. Maar wij kunnen het ook anders gaan bezien. Wij kunnen zeggen, dat het lichaam een voertuig is van de geest, en dat het door zijn eigen kwaliteiten en eigenschappen aan de geest in haar uitingsmogelijkheden beperkingen oplegt.

Verder kunnen wij dan opmerken, dat de geest alleen in staat is in een lichaam goed te leven, wanneer zij voor zichzelf, haar eigen wezen dus, een richting van streven vindt, die in overeenstemming is met de stoffelijke eigenschappen en kwaliteiten van het lichaam.

Wij moeten verder vaststellen dat de geest deel heeft aan de ervaringen, impulsen en uitingen van haar voertuig. Maar dit is niet geheel direct, eerder indirect. D.w.z. dus, dat de realisaties en ervaringen van de geest aanmerkelijk kunnen verschillen van gelijktijdig opgedane realisaties en ervaringen van de stof.

Dit zijn beiden geheel verschillende waarderingen, en worden beleefd met een aanmerkelijk verschil van intensiteit.

De mens als zodanig zou niet kunnen bestaan, evenmin als de geest, wanneer niet als bindend principe de ziel aanwezig is. Want, zo het de geest is, die zin geeft aan het werken van het zenuwstelsel, is het op haar beurt weer de ziel, die de geest kracht en dus de mogelijkheid biedt om met het zenuwstelsel in verbinding zijnde, zich binnen het voertuig te bewegen.

Ik zou zeggen, dat, dit alles redelijk gedefinieerd is.

  • Ik heb u horen spreken over: ziel, geest en stof en over het begeertelichaam, maar welke functie heeft dan het levenslichaam?

Wat u het levenslichaam noemt, is veelal identiek met astraal lichaam plus begeertelichaam. Het is een samenstelling van bepaalde voertuigen van de geest, die gezamenlijk de verbindingen in stand houden met het zenuwstelsel. Het geeft de reacties van het lichaam aan de geest en om gekeerd. Hierdoor vormt het de motorische kracht, beter de drijvende kracht, binnen het lichaam t.a.v. de bewuste uitingen. Men wil het vaak anders rubriceren en tracht daarvan iets bijzonders te maken. Maar bij ontleding blijkt, dat het levenslichaam samengesteld is uit verschillende, fijnstoffelijke voertuigen van de geest. Er gaan er meer in samen, naarmate grotere graad van geestelijk bewustzijn in het stoffelijk leven wordt bereikt. De naam “levenslichaam” dankt het aan het feit, dat het nut, zowel als kracht van leven bepaalt.

Eigenaardig genoeg verliest het levenslichaam bij de geest uiteindelijk zijn eigenschappen en verdwijnt zonder dat daardoor het leven teloor gaat. Waaruit blijkt, dat de benaming “geestelijk” niet geheel juist is.

  • Vult dit levenslichaam dan in de stof niet aan wat door werking, slijtage en anderszins verbruikt wordt? Terwijl het levenslichaam tot taak heeft tijdens de nacht de kracht van de cellen aan te vullen die overdag verbruikt werd.

Een tamelijk boute veronderstelling, want nu vergeet u één ding. Wat het levenslichaam kan doen en vaak – vooral bij de meer bewusten – doet is hoofdzakelijk het aanvullen van de zenuwkracht, die verbruikt wordt. Iets wat het lichaam zelf, overigens op minder rationele wijze, ook tot stand kan brengen, maar het stimuleert of richt deze kracht niet. Het kan slechts door grotere hoeveelheden zenuwkracht aan bepaalde lichaamsdelen te geven daarin een bijzondere werking veroorzaken. Het zich herstellen van de cellen echter is een zuiver lichamelijke functie.

Wanneer het lichaam rust, gebeurt er nl. dit: door gebrek aan energie was niet voldoende mogelijkheid voor het lichaam aanwezig om gelijktijdig voedingsstoffen in voldoende mate aan het spierweefsel toe te voeren en volledig alle afvalstoffen af te voeren.

Deze laatsten blijven dan ten dele in het weefsel aanwezig. Zij worden wel vermoeidheidsstoffen geheten. Dat de vermoeidheid alleen daardoor veroorzaakt wordt, betwijfel ik enigszins. Maar het is zeker, dat de aanwezigheid van deze stoffen voor de cellen een redding van hun groei en hun vernieuwing betekent, evenals een vermindering van hun veerkracht en hun energie. De afscheidingen zijn een normaal resultaat van de overvloed van mogelijkheden voor elk weefsel. Niet noodzakelijkerwijze dus alleen van acties, die van boven worden opgelegd. lk zou dus niet willen zeggen, dat het levenslichaam het lichaam herstelt.

Ik kan mij echter voorstellen, dat die fout wordt gemaakt. En wel, zoals sommige helderzienden hier misschien zelfs kunnen bevestigen, omdat vaak, wanneer de mens slaapt zijn geest rust boven, niet in het lichaam, wanneer die geest rust tenminste.

Daaruit heeft men waarschijnlijk de conclusie getrokken, dat de geest ten opzichte van het lichaam handelt als een soort tanker. Men denkt zo, die geest ligt daar boven het lichaam, heeft kracht bij zich en pompt het natuurlijk vol energie. Dat is niet juist, hoor.

  • Mag ik in aansluiting hierop vragen of het waar is dat elke 7 jaar alle cellen van het stoflichaam vernieuwd zijn?

Dat is niet helemaal waar. Hoe zou het anders staan met die gebitten?

Waarom zouden dan zovelen een vals gebit nodig hebben? Ook je beenderen zouden dan helemaal vernieuwd moeten worden, iets, wat ook niet waar is.

Een beenbreuk bv. zou dan na 7 jaar eigenlijk niet meer zichtbaar hoeven te zijn. Maar wanneer u bij de wetenschap te rade gaat, zal men u zeggen dat een beenbreuk, op het 5de of 6de jaar voorgekomen, op het 50ste of 60ste jaar op röntgenfoto’s nog vast te stellen is.

Hieruit alleen reeds blijkt dat er van een volledige vernieuwing wel geen sprake is. Wat in ongeveer deze periode wel wordt vernieuwd, is het zgn. actieve weefsel. Dus de musculatuur. En wel, doordat versleten cellen worden afgebroken en andere daarvoor worden opgebouwd, alles stukje bij beetje.

Hetzelfde geldt ook over het algemeen voor de organen, maar hier zijn er bepaalde beperkingen bij. Na enige tijd vindt bij de organen nog wel een weefselvernieuwing plaats, maar niet zo intens, dat van een volledige weefselvernieuwing kan worden gesproken. Daardoor worden dan bepaalde acties steeds trager en ontstaat slijtage.

U zult wel begrijpen, dat een dergelijke slijtage niet zou ontstaan, indien er wel van volledige vernieuwing sprake was. Echter zit hier wel een aardigheidje aan vast. Is men wel in staat door middel van het levenslichaam delen, die normalerwijze niet vernieuwd worden te stimuleren, zodat hier toch een weefselvernieuwing optreedt, dan wordt je lichamelijk ook niet ouder.

  • Ik dank u, dat u het hier eenvoudig uiteenzet.

Ik geloof wel, dat dat mijn taak is, vooral na een sprekend pleidooi om de dingen vooral niet ingewikkeld te maken.

  • Wat bestaat er eigenlijk aan de meer geestelijke zijde van wat er nu besproken is? Want het levenslichaam, begeertelichaam en stoflichaam, zijn wij toch niet het geheel?

Nu kan ik 1000 namen gaan geven zonder iets te omschrijven. Ik meen dus het best te doen de lichamen, die de geest kent uit te drukken langs de weg van het vormbewustzijn.

Het geestelijk kernlichaam, dat de eerste bewustwording van de ziel inhoudt, of beter, de eerste geuite bewustwording, is geheel vorm- en materieloos. Dit is nog zuiver kracht.

Wanneer men spreekt over degenen, die in deze wereld terugkomen, zegt men bij ons wel, dat zij leven in de verlaten sfeer boven het licht. Die sfeer is niet verlaten, maar daar is geen entiteit meer kenbaar en slechts één gedachte.

Daaronder krijgen wij het actief handelende “ik”. Hierbij is niet alleen een bepaalde vorm gegeven en zeker bewustzijn toegevoegd, ook uiterlijk, maar hierin vindt bovendien voor het eerst beweging plaats. Hier worden dus trillingen uitgezonden, zij het dan zeer hoge. Hier spreekt men van de bovenste sferen van het licht. Er is nog geen sprake hier van een differentiatie van licht. Het zijn de sferen van het witgouden licht, zegt men wel.

Daaronder begint de geest verschillen te maken. Zij beleeft niet intens en handelt niet intens vanuit haar standpunt, maar neemt contact op met anderen en gaat zichzelf nu bewust als tegenstelling tot anderen uiten.

Hier krijgen wij dan ook de sferen van het kleurige licht, of het lagere licht. Deze rijken tot de hoogste sferen van vorm, die hier onmiddellijk onder liggen. Het licht is nu begrensd en daalt af van een omschreven veld, waarin het licht van verschillende kleuren speelt, tot de lichtende bol en de lichtende zuil, die dan weer de laagste uitingen op dit gebied zijn.

Daaronder vinden wij de sferen van klank. De trilling is lager, het lichtend principe is weer meer diffuus geworden. Het toont echter niet het volle witgouden of zilveren effect, dat in de hoge lichtsfeer bereikt werd.

Wij vinden hier een lichtsoort, die wij het beste als het gewoon gouden licht kunnen omschrijven. Het is een buitengewoon aangenaam licht en wat anders kleurig. Dit is daar de normale uiting van zijn. Daarnaast wordt een reeks trillingen geproduceerd, die wij bij gebrek aan beter dan maar vergelijken met het geluid. Trillingen, die zo zeer geschakeerd zijn, dat zij niet slechts als hoofd- en bijtonen tot uiting komen, maar als reeksen van samengevatte trillingen, die zijn geworden tot stemmings-, begripsuitingen enz.

Dit daalt af tot wij de laagste sfeer hiervan krijgen, waar de geest in staat is, zoals u dat noemt, complete symfonieën van gedachten van zich uit te sturen. Het zijn dus uitermate complexe trillingen die de van geest wil en kan afgeven, of ontvangen.

Daaronder vinden wij de sferen, waarin de vorm komt. Ook hier vinden wij weer de bolvorm, maar nu niet meer lichtend en ongebonden. Meestal gelijktijdig gebonden met de klanksfeer daarboven en de meer gevormde sferen daaronder bolvorm is nu echter niet meer lichtend en doorzichtig, zij doet denken aan een vlam, waar je niet meer doorheen kunt kijken. Deze bol kan a.h.w. zingen. D.w.z. zij kent een licht geluid. Zij heeft een veel grotere scala van uitdrukking tot haar beschikking, dan wij zagen in de geluidssfeer.

Van daaruit krijgen wij de wisselende vorm, waarbij over het algemeen de persoonlijkheid wordt aangeduid door licht, dat in bepaalde vormen wordt gegoten, waarbij naarmate wij lager gaan, wat wij geluidstrilling noemden, steeds sterker als meningsuiting naar voren komt plus – en dit is na al deze hoge sferen voor de eerste keer – een vormscheppend werken in de omgeving.

Daaronder krijgen wij, wat je noemen kunt, de hoogste sfeer van Hoog Zomerland, waarin het bewustzijn uit zichzelf hele werelden schept. Daaronder weer de gemeenschappelijk geschapen werelden, waarbij de onderlinge gedachten dan weer allerhande varianten tot stand brengen.

Daaronder nog het u waarschijnlijk beter bekende eigenlijke Zomerland.

Onder het Zomerland vinden wij vermindering van bewustzijn, waar het bewustzijn van anderen, dat  in het Zomerland zeer scherp was, begint te vervagen.

Zo krijgen wij eerst Schaduwland, dan Nevelland en daaronder de duistere sferen.

In de duistere sferen wordt de persoonlijkheid steeds grover. D.w.z. zij uit zich in steeds sterker vastliggende vormen en sjablonen en schept rond zich sterk vastliggende begrippen, tot zij uiteindelijk voor zichzelf uit haar eigen denkbeelden een gevangenis maakt, waaruit zij maar heel moeilijk uit kan breken. Zo vast heeft zij, zowel op zichzelf als op de haar omringende wereld, het vormprincipe afgedrukt door haar eigen voorstellingen.

Zo, dat is kort en klaar een kleine reeks. Het is aardig om te weten, maar u kunt het beste zeggen dat het interessant is, zonder meer, want je hebt er niet veel aan. Deze dingen bestaan, zij zullen u worden geopenbaard, stuk na stuk, wanneer gij in staat zijt zelf in deze sferen te ervaren. Voordien gebeurt dat toch niet, daar moet je nl. naartoe groeien.

  • Wij hebben verschillende malen gehoord omtrent de echo, welke tot ons komt op onze uitingen in de wereld. Maar hangt deze echo niet af van het klankbord dat de uiting weerkaatst? Zijn in deze echo niet tevens de eigenschappen van het klankbord verwerkt?

Dat laatste is inderdaad waar. Wij kunnen stellen: elke daad wordt voorafgegaan door de gedachte. Elke gedachte is gebaseerd op de ervaring plus de eigenschappen van de persoonlijkheid. Wanneer deze eigenschappen van de persoonlijkheid worden geuit in de wereld, zal die wereld daar inderdaad op reageren volgens haar eigen aard, gesteldheid en omstandigheid. Wij mogen echter niet vergeten, dat de mens hieromtrent reeds in zich een oordeel heeft gevormd, dat bij de beoordeling van de weerklank van de wereld reeds automatisch wordt mede verwerkt, de wijze waarop men zelf tegenover die wereld staat, hier blijft dus ook het beoordelen van de echo geheel gebonden aan de persoonlijkheid en kan niet in onpartijdige waarde worden verbonden aan het klankbord. Want elke voorstelling is reeds gebaseerd op de eigen voorstelling van de wereld plus die mogelijkheden in die wereld enz., zoals men daarvan een voorstelling in zichzelf draagt.

Wij kunnen dus ten opzichte van het beluisteren van deze echo de waarde van het klankbord ongetwijfeld verwaarlozen, waar wij in ons zelfonderzoek en ons beschouwen van hetgeen de wereld ons zegt of aandoet, vanzelf de mogelijkheid vinden om deze wereld – die wij reeds beoordeeld hebben, laat ons dat niet vergeten – mee te verwerken in onze reactie op deze echo.

  • Moeten wij dan toch niet de eigenschappen van het klankbord kunnen kennen? Dit om onderscheid te kunnen maken tussen wat er van het klankbord komt en wat er van onszelf.

Al hetgeen dat tot u komt, is in principe door uzelf veroorzaakt. Het is dus niet noodzakelijk te weten, wat de eigenschappen van het klankbord zijn. Het is slechts noodzakelijk om eigen daad en handeling kennende, zoals ook de eigen impulsen. Dit is natuurlijk aanwezig. Dit plus de reactie die daarop volgt uit de buitenwereld, want dan kunnen wij zeggen: dat is het verschil tussen deze beiden. De wereld buiten mij heeft daarop dus zo gereageerd.

Waar ik in mijzelf bepaalde bestrevingen en doelstellingen ken, die verankerd zijn in het wezen. Dit ook reeds voor wij stoffelijk bestaan, zo kan ik deze mede als maatstaf gebruiken, zodat ik mijn beoordeling van mijzelf aan de hand van deze echo plus mijn oorspronkelijke daadstelling of gedachte reeds automatisch redigeer.

Bij het eerste antwoord heb ik dan ook eerst getracht erop te wijzen dat het klankbord als zodanig onbelangrijk is, en van uit ons standpunt desnoods een fantasmagorie kan zijn.

De wereld is voor ons van geen belang. Het is de reactie van de wereld op onze daad, die voor ons wel van belang is. Hieruit kunnen wij komen tot een kennen van onze persoonlijkheid.

  • Wanneer onze waarneming vergroot wordt, waarom is dan daarmee het bewustzijn van waaruit zij gedaan werd, teniet gedaan?

Bewustzijn gebruiken wij ook in de zin van kennen van de omgeving, dus realisatie. Op het ogenblik dat u in deze wereld leeft, bent u zich van deze wereld bewust. Op het ogenblik dat u overgaat, wordt uw waarnemingsvermogen – over het algemeen althans – aanmerkelijk vergroot. Deze vergroting van waarnemingsvermogen betekent dat vele dingen, die volgens uw bewustzijn in uw oorspronkelijke wereld bestonden, dan blijken ze niet meer te bestaan. Het is dus betrekkelijk eenvoudig.

  • Ik dacht dat dit beide keren sloeg op het leven in de stof.

Het is jammer dat, ofschoon wij vele synoniemen kennen, deze in uiteenzettingen niet altijd gemakkelijk te gebruiken zijn. Ik ben uiteraard gebonden aan een ruime, maar op zich toch beperkte woordenschat.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf