Inwijdingsschool ODV – Les 01 – Verschillende wegen, elementalen en magie

image_pdf

6 september 1955

Verschillende wegen.

Wanneer wij gezamenlijk gaan zoeken naar inwijding, dan zal het ons duidelijk zijn, dat bij de inwijding een keuze noodzakelijk is. Er bestaan verschillende wegen, die allen gelijkelijk kunnen leiden tot de hoogste bewustwording. De mens moet voor zichzelf goed weten, welke weg hij kiest. Want u heeft allen uw eigen karakter, uw eigen leven, uw eigen gewoonten. Wij kunnen nooit komen tot een werkelijke inwijding, wanneer wij niet in staat zijn om ons leven, ons normale dagelijkse leven, tot basis te maken van de inwijdingsgedachte en het proces der verschillende bewustwordingen.

De eerste bewustwordingen zijn bij de meesten reeds lang ontwaakt en hebben u dan ook een ander wereldbeeld gegeven dan de doorsneemens heeft. Deze fase kunnen wij dus licht aanstippen, om daarna over te gaan tot het belangrijke punt der keuze.

Wij moeten er ons van bewust zijn dat, wanneer wij inwijding zoeken, er een ongeteld aantal wegen bestaat. Wij moeten echter ook beseffen dat uit dit onnoemelijke grote aantal van mogelijkheden, er voor ons persoonlijk maar enkele werkelijk geschikt zijn.

Alle wegen leiden tot een groot onbekend “Iets”. Wij noemen dit: God, het Goddelijke.

Wij mogen ons echter nooit voorstellen dat wij daaromtrent iets weten. Wij moeten ook niet verwachten dat wij dat kunnen gaan omschrijven, of redelijk bepalen. God is en blijft voor ons het Raadsel, dat langzaam maar zeker zich voor ons meer en meer ontsluieren zal. Maar naarmate ons bewustzijn hoger stijgt, naarmate wij dieper kunnen doordringen in het totaal van alle levende Kracht, zullen wij ook ontdekken, dat de middelen der rede ons steeds meer doen falen om uitdrukking te geven aan het beleven, dat in ons toch een werkelijkheid wordt, die al het andere overtreft.

Wij zoeken God. Maar wat is er noodzakelijk om die God te vinden?

In de eerste plaats hebben wij innerlijke zekerheid nodig. U kunt het “geloof” of “vertrouwen” noemen, u kunt het ook een andere naam geven. Maar onthoudt u één ding: wanneer u niet overtuigd bent dat u iets bereiken kunt, zult u niets bereiken. Het is noodzakelijk dat er in u de zekerheid ligt, dat er een weg voor u ligt naar een hoger bestemming en een groter doel.

Wanneer u dat heeft, dan is er een tweede factor al evenzeer belangrijk: Moed. Want het is lastig om te breken met de oude sleur. Het is moeilijk om je aan te stellen als een dwaas in de ogen van anderen. Het is moeilijk om de conventies te verachten of de redelijke argumenten die je niet beantwoorden kunt, omdat je, innerlijk wetend, met de rede niet kunt redetwisten hierover.

De redelijke argumenten ondanks alles te misachten en de weg te gaan, die je voelt, dat de jouwe is. Dat is geen gemakkelijke taak.

Gelooft u mij, dat vraagt werkelijk moed. De bekende moed der overtuiging, der innerlijke overtuiging.

Dan hebben wij nog iets nodig. Dat kan ik het best omschrijven met een Duits woord. Dat zegt het m.i. in klank beter dan het Hollandse woord. Het Hollandse woord “uithoudingsvermogen”, Ausdauer.

U moet niet bang zijn om perioden van dorheid en droogte door te maken. Geestelijk en zelfs in het stoffelijke leven. Ook dit behoort tot de gang der inwijding. Het hoe en waarom, dat zullen wij misschien later nog kunnen bespreken. Maar ik verzoek u eerst deze verschillende punten dus goed te overwegen en desnoods een paar keer te bestuderen.

Inwijding zoeken betekent: een strijd aanvaarden. Een strijd tegen jezelf in zekere zin. Tegen de wereldvoorstelling die in je leeft. Want wat je denkt dat de wereld is en wat je aanvoelt, hoe dat de wereld kan zijn, zijn twee verschillende dingen. Je bent geneigd om aan de uiterlijke vorm vast te houden.

Maar goed, ik neem aan dat u dit alles zult overwegen. Wanneer u tot het besluit komt om verder te gaan, dan staan wij voor het grote probleem van de keuze. Dat zult u ook begrijpen. Je kunt uiteindelijk niet verwachten dat een dokter, een advocaat, een handelsman, een huisvrouw precies dezelfde mogelijkheden hebben, of zelfs maar dezelfde denkprocessen. Door uw geaardheid, uw denken, de wijze waarop u zich uitdrukt of inleeft in verschillende dingen, heeft u een eigen persoonlijke denkrichting, een eigen terminologie zelfs, een eigen benadering van de problemen.

Het is noodzakelijk dat u begint met eerst vast te stellen: Hoe denk ik? Dat lijkt u misschien erg moeilijk, maar in feite is dat een betrekkelijk eenvoudig iets.

Ik wil u verschillende benaderingsmethoden geven als voorbeeld. Ik zeg helemaal niet dat u ze gebruiken moet.

Wetenschappelijk denken: Dan moet ik uitgaan van de feiten. Zodra ik van veronderstellingen uitga, dan voel ik mij wankelmoedig. Maar op de basis van feiten kan ik voor mijzelf een aantal theorieën bouwen, die mij in staat stellen boven de werkelijkheid uit te gaan. Dus a.h.w. te vlieden in toekomstige mogelijkheden. Vanuit deze toekomstige mogelijkheden ga ik dan terugschouwen naar het heden. Die ontwikkeling is mogelijk. Dan krijg ik dat en dat. Hoe staat de zaak er dan nu voor? Dan heb ik de eerste fase van mijn inwijding bereikt. Dan heb ik nl. mij gerealiseerd hoe de wereld is en kan ik juist door mijn zuiverder zien van de wereld – in mijn verbeelding heb ik een standpunt ingenomen, dat mij a.h.w. apart stelt van die wereld – heb ik dus door dit overzicht de mogelijkheid voor mijzelf een objectiever oordeel te vormen over de dingen. In deze objectiviteit kan ik dan ook mijzelf objectiever gaan beschouwen. Naarmate ik de wereld rond mij meer objectief bezie, zal ik het beeld dat die wereld van mij heeft ook objectiever zien. Ik zal dat minder trachten te versluieren.

Wanneer ik dan weet wat ikzelf ben, komt de volgende inwijdingsfase. Daar zullen wij later over spreken. Wij hebben nog heel wat te doen wat later besproken wordt. Daar kan ik nu eenmaal niets aan doen. Maar wij hebben dan ook nog wel een paar maanden voor de boeg.

De tweede methode is een geheel andere. Je hebt mensen die zich volledig kunnen inleven in het karakter van de ander. Zij kunnen a.h.w. in het wezen van een ander opgaan, tijdelijk die ander worden. Ik wil niet zeggen dat je gaat acteren. Maar je voelt zo volledig met die mensen mee, dat je precies reageert zoals zij onder de omstandigheden. U kent misschien het gevoel, nietwaar? U ziet hoe iemand een tand getrokken wordt en u voelt zelf op dat moment de pijn. Misschien zelfs erger dan die ander. Dat is misschien wel eens voorgekomen. Een ander krijgt een bloedneus en valt flauw.

Het zijn natuurlijke maar kinderachtige voorbeeldjes, maar om u aan te geven wat ik bedoel. Dus: associatie met anderen.

Daardoor kom je op een geheel andere wijze tot een objectiviteit, want doordat je je steeds weer in andere figuren, persoonlijkheden en toestanden kunt indenken, zul je ook in staat zijn je zelf te zien vanuit het standpunt van de anderen.

Het resultaat is dat het beeld van het “ik”, op deze wijze verworven, al evenzeer de objectiviteit benadert als in het eerste geval.

De derde mogelijkheid – en misschien de moeilijkste – is die van regels. Er bestaan een groot aantal wetten in het Al. Wetten, waarover u ongetwijfeld nog veel te horen zult krijgen. Wetten, die stuk voor stuk niet door een mensenhand, zelfs niet door een geest, te verbreken zijn. Een wet, die je eenvoudig niet overschrijden kunt. Het weten dat die wetten bestaan, maakt het je mogelijk de verschillende werkingen van die wetten in verschillende artikelen a.h.w. onder te brengen. Wanneer je dan gaat zien in hoeverre die wetten op je persoonlijkheid werken, blijft er een element over, dat dan de persoonlijkheid is.

Uitgaande van de vaststaande Goddelijke wetten, komen wij zo evenzeer tot een erkennen van het “ik” en dus wederom tot de eerste fase, die noodzakelijk is voor een inwijding. Ik zou zeggen: dat is duidelijk genoeg.

Het is begrijpelijk dat een mens, die zover gekomen is, vaak de moed laat zakken. Want dan zeg je tegen jezelf: “Daar sta ik dan. Wat moet ik dan eigenlijk gaan beginnen. Wat moet ik doen? Ik ben lang zo goed niet als ik dacht; ik ben lang zo sterk niet. Waar ga ik heen?”

Dan zie je voor je verschillende mogelijkheden die bij jouw persoonlijkheid passen. Bv. een pad van afzondering: ik leef naast mijn medemensen, bemoei mij zo weinig mogelijk met hen en ga alleen geestelijk streven. Een weg die zijn voordelen heeft, maar heel veel nadelen. Want door de vervreemding wordt de waan omtrent het “ik” vaak weer zo sterk versterkt, dat wij de eerste inwijdingsfase vergeten; dat wij de realiteit van ons eigen bestaan eigenlijk een beetje gaan  laten verwateren. Het is niet goed meer zoals wij leven. Maar goed, die weg is mogelijk.

Er bestaat een andere weg. Dat is de weg van het materiële zijn: vol in het leven opgaan, als mens en als geest. Voortdurend werken in anderen, met anderen, je niet onttrekken aan de ervaringen, maar er moedig op afgaan en ze overwinnen. Het gevaar van dit pad is, dat men of wel te veel zich laat regeren door de regels der omgeving, of wel in een poging om de omgeving te trotseren, bandeloos wordt.

Beide dingen zijn niet juist. Want men is aan zichzelf voor elke handeling en daad verantwoording schuldig, men moet altijd kunnen zeggen: “Deze ervaring is voor mij nuttig geweest. Ik heb er iets van geleerd, ik ben er rijker door geworden”.

Dan bestaat er nog een weg en die is misschien wel de moeilijkste. Dat is de heerlijke weg der middelmatigheid. Het is een gelijkelijke weg. U kunt uzelf erbij blijven. U behoeft, nadat u ze zelfkennis eenmaal verworven hebt, niet of alleen geestelijk te gaan denken of alleen stoffelijk. U doet het, zoals het uitkomt. Het enige wat u doet, is voortdurend een doel stellen. Dus u wilt steeds meer geestelijk bewust worden en stoffelijk deze bewustwording uiten.

Maar ja, als u zich zo a.h.w. laat drijven op de stroom van het leven, dan vergeet u maar al te vaak dat het doel toch altijd primair moet blijven. U komt niet alleen tot de geestelijke fout, waarbij u zichzelf dus hoger gaat zien dan u bent en daardoor een volkomen valse voorstelling van zaken verwerft. Maar anderzijds gaat u stoffelijke dingen verwerpen of accepteren op een wijze die ongezond is. De gevaren zijn dus groot.

Heeft u echter deze keuze eenmaal gedaan, dan moet u er bij durven stilstaan dat dit niet alleen met één leven afgedaan is.

Wanneer je de inwijding accepteert in een bepaalde richting, dan moet je die inwijding ook durven doorzetten tot het uiterste. Ook wanneer zij voert door de grootst mogelijke eenzaamheid, de grootst mogelijke nood. Ook wanneer zij van u vergt dat gij, verdorstende, de wateren voorbij gaat. Dat is vaak moeilijk.

Echter, wanneer u de moed heeft om dit alles te doen, wanneer u daarnaast probeert steeds meer meester te zijn van uzelf, dan zult u ontdekken dat een tweede graad wordt bereikt. Een graad, waarbij het wezen der dingen volledig tot u gaat spreken. Vandaar tot de volgende inwijding is een, aan ervaringen vaak zeer zware en moeilijke, maar aan de andere kant zeer korte stap.

Hebben wij het nl. zover gebracht, dan kunnen wij betrekkelijk eenvoudig leren, om – wanneer dit nodig is – ook in andere werelden en toestanden onszelf te projecteren en te bestaan.

Ik geloof dat ik daarmede over de inwijdingsgedachte op het ogenblik genoeg heb gezegd. En – althans, wanneer u mij toestaat om dit te doen natuurlijk – zou ik thans een ogenblikje willen besteden aan een…. ja, een soort meditatie misschien wel voor die inwijding.

Eerste vraag: “Wat ben ik?” Rond u is de hele wereld. En alles in die wereld ziet u anders. Voor de ene plant bent u een verpletterend gewicht dat, uit het niet vallend, plotseling alle bloei vernietigt. Voor de ander een koele schaduw die voorbij strijkt. Voor sommige dieren bent u een prooi, voor anderen de dood. Voor sommige mensen, dieren en planten bent u een zegen, bent u een weldoende godheid a.h.w. Voor anderen bent u slechts een extensie van hun eigen wezen, een soort uitbreiding van het “ik” terwijl zij zich volledig één met u voelen. Vergeet niet dat dit niet alleen voor mensen, maar ook soms voor dieren geldt.

Dan zijn er de mensen, voor wie u een absoluut tegendeel bent. De mensen, voor wie u een vijand bent. Hoe u ook leeft, u zult altijd voor sommige schepselen afschuwwekkend en demonisch zijn, voor anderen daarentegen een bevestiging voor al datgene wat zij goed noemen.

Wat bent u dan werkelijk? Iets van al deze dingen. Want alles wat u naar buiten toe kunt uiten, dat leeft in u. Wanneer u dat weet, wanneer u zich dat realiseert, hoe u tegelijk God en duivel bent, dan zult u ook begrijpen dat u niet alleen God of alleen duivel zult kunnen zijn, maar dat u een punt moet vinden, waarbij goed en kwaad tenminste elkaar opheffen, waarbij dus een rust wordt gevonden in de uiting, zodanig groot, dat het geestelijk element de richting bepaalt waarin de evenwichtige uiting zich beweegt.

De vraag: “Hoe leef ik?” Dan kunnen wij natuurlijk gaan spreken over het lichaam; dat is bij u wel erg belangrijk. Wij kunnen gaan spreken over duizenden cellen, opgebouwd uiteindelijk uit verschillende materie door een levensprincipe, dat in enkele chromosomen aanwezig was. Wij kunnen er over gaan spreken hoe uw hele lichaam een voortdurende reeks van chemische, chemo-elektrische, bio-elektrische verschijnselen is, waarin steeds weer prikkels en reflexen, van buiten af ontvangen, tot nieuwe handelingen en reacties leiden. Als je het goed wilt gaan ontleden, dan ben je lichamelijk eigenlijk de meest fantastische, zichzelf in stand houdende machine, die er bestaat. Machine, instrument.

Maar hoe leeft die machine? Een machine leeft alleen wanneer er een bestuurder is, wanneer er iemand is die regeert. Dit is uw bewustzijn. Maar wat is uw bewustzijn? Een samenstelsel van verschillende factoren. U leeft, omdat uw hersenen uiteindelijk richting geven aan het streven van de verschillende organen en deze samenkoppelt in een bepaalde, harmonische tendens. Hoe komt het, dat die hersenen dit kunnen? Aangeboren, zegt u. Ja, maar daar zit meer in. Want een groot gedeelte van uw leven wordt geregeerd door de ervaring. Dus door waarneming en het verwerken van de waarneming. Dit vormt alles tezamen het weten.

Nu zeggen wij: Er is een geest. Maar wat kan die geest anders zijn dan de uitdrukking van dit stoffelijke weten, plus misschien nog ander weten. Het leven is bewustzijn. Hoe meer je je bewust bent van de dingen en hoe intenser je je er van bewust bent, hoe meer je leeft. Hoe meer je leeft echter, hoe groter je kracht wordt.

Hoe groter je krachten zijn, hoe verder je kunt doordringen in de richting van het werkelijke levensprincipe, nl. de Bron van waaruit alle levende kracht komt. Dat is weer identiek met ons doel: het Goddelijke, dat wij trachten te bereiken.

De derde vraag: “Wat kan ik?” Als u zich die vraag gaat stellen, dan denkt u onmiddellijk aan uw eigen bekwaamheden. En meestal daarnaast aan hetgeen u niet kunt. Dat is allemaal gebaseerd op stoffelijke relaties en waarnemingen, op stoffelijke ervaring.

Ik zou u haast willen tarten om precies te weten wat u doet. U verplaatst misschien één enkel steentje. U schopt het weg over de straat. Dan zegt u: O, ik heb door mijn kracht een stukje materie verplaatst. Ja, goed, maar wat zijn de consequenties? Dat steentje treft een mier. Wanneer deze mier zou blijven leven, dan zou daaruit een andere soort mieren voortgekomen zijn. Die mieren zouden misschien de mens het leven erg onaangenaam gemaakt hebben. Of juist, voor de mensheid een reuze zegen betekend hebben. U weet niet wat het is.

De dames spoelen kopjes heel eenvoudig met een beetje warm water. Dat water wordt ergens onttrokken. Misschien is dat beetje, dat u gebruikt, net zoveel dat daardoor een kleine structuurverandering in de aarde plaatsvindt. Misschien is ook het afvalwater, dat wegloopt, net voldoende om ergens een kleine stroming tot stand te brengen en wat dieren te doden, of wat voedsel verder te drijven. Wie weet?

Elke kleinste handeling is vol van consequenties. Consequenties, die je niet kunt overzien vanuit een stoffelijk standpunt.

Daarom kunnen wij ook – laten wij er even bij zeggen – stoffelijk nooit voor de consequenties ten volle verantwoordelijk zijn, maar slechts in zoverre als ons bewustzijn het ons mogelijk maakt deze consequenties te realiseren. Wij hebben dus niet te maken met speculaties, met de werkelijkheid.

Maar wat kan ik dan? Ja, u kunt misschien met één ondoordachte handeling het lot van de gehele wereld wijzigen. Misschien kunt u met al uw krachtsinspanningen nog niet één jota, een titteltje in het verder verloop van bewustwording en wereld veroorzaken. Dat weet u niet. Dat moet u afwachten.

Dus wij kunnen in ieder geval niet weten wat de gevolgen zijn van onze stoffelijke handelingen. Toch legt u daarop de nadruk.

Zijn er dan geen andere factoren? Factoren, die blijvender en misschien meer berekenbaar zijn? Ja, de geest.

Het is zo dat een denkbeeld niet alleen in staat is om buiten u vorm te geven aan bepaalde dingen, maar tevens ook veranderingen tot stand kan brengen in uw eigen lichaam. De gedachte is een scheppend element dat – naarmate de intensiteit der gedachte groter is – de vormgeving zodanig versnelt, dat zij tot een realiseerbare uiting wordt, zelfs in de stoffelijke, in de materiële wereld.

U kunt dus a.h.w. herscheppen. U kunt het geschapene omvormen naar het beeld dat in u leeft.

Wanneer u zich daarvan bewust bent, dan kunt u dus onnoemelijk veel. U kunt alle kwaad delgen, zolang u sterker bent dan het kwaad, uw gedachte van het goed meer omschreven en gevormd is dan het kwade, dat er tegenover staat. U kunt alle fouten en onvolmaaktheden der materie tot volmaaktheid brengen en veranderen, wanneer u zich bewust bent van het goede, zo nauw omschreven en zo intens, dat dit beeld overheerst in uw hele wezen. Dat kunt u allemaal. Maar u kunt nog veel meer.

Men zegt wel eens: er zijn momenten dat ik niet meer denken kan, maar alleen voelen. Dat a.h.w. sensaties niet meer uit te drukken zijn in redelijke begrippen. Akkoord. Maar wij weten ook dat dergelijke niet redelijke sensaties de sterkste indruk maken op geest en stof, u kunt dus buiten de rede om tot ervaringen komen die verder reiken dan elk redelijk element.

U kunt door het aanvoelen a.h.w. het één worden met (zonder begrip te vragen in menselijke termen), één worden tot het hoogste toe met alle Goddelijke Krachten, die er maar bestaan. En uit God wordt alles geboren, tot zelfs de duivel. Die is ook geschapen door God.

Dan is de vierde vraag: “Hoe kan ik dit alles bereiken? Hoe kan ik dit tot werkelijkheid maken?” Begrijpelijkerwijze, alleen wanneer ik mijn streven hierop wil richten. Wanneer ik mijzelf door de intensiteit van mijn gedachten zodanig weet te veranderen, dat ik van mijzelf het perfecte instrument maak ter bereiking van – nu moet ik het woord inwijding weer gebruiken – de inwijding die wij zoeken in de waarheid, de werkelijkheid van het kosmisch bestaan.

Ik geloof, dat ik de beantwoording van die vragen ook duidelijk genoeg heb gegeven. Dan moeten wij daar een paar beschouwingen aan vastknopen.

In de eerste plaats: Wat zijn de invloeden – ook al psychologisch gezien – van een dergelijk leven en streven?

In het begin het strijden, tot uitputting toe. Want wij moeten alle weerstanden gaan overwinnen. In de eerste plaats de weerstand van ons gebruikelijk denken en gaan. Wij moeten ons steeds weer bewust zijn van dingen die wij tot nog toe als vanzelfsprekend hebben genomen. De eerste gevolgen zijn die van een geestelijke vermoeidheid. Die geestelijke vermoeidheid brengt met zich mede een periode, waarin het geestelijke in ons, waar wij naar streven, zich bijna niet openbaart.

Geestelijke honger: de eerste fase die wij kunnen verwachten.

De vraag: “Ben ik nu gek, of is de wereld gek, of wat mankeert er eigenlijk aan de dingen?” En dan? Ineens weer het terugvinden van dingen die je vroeger ook had, maar in een nieuwe vorm, op een nieuw plan met een andere inhoud en met een andere achtergrond.

Het leven krijgt een andere gestalte. Niet uiterlijk, maar uw beleving verandert. Door deze beleving zal uw houding tegenover het leven ook anders worden. Dat betekent dat wij in deze periode te zien krijgen: een periode van overspanning als eerste fase. Want de spanningen van het “ledig zijn” en de schok van het plotseling weer nieuwe intensiteit van leven ervaren, betekent voor ons een periode waarin elke zenuw tot sidderen toe gespannen is, waarbij de gedachten onrustig zijn en flitsend proberen om zoveel mogelijk voedsel binnen te halen. Sommigen onder u hebben die periode gekend.

Daarna krijgen wij de heerlijke rust der verzadiging. Wij hebben contact met waarden, die zo goed zijn voor ons en zo groot dat het ons lijkt of de hele wereld een Tuin van Eden is geworden, een Paradijs. Wij gaan al slaapwandelend aan alle onvolmaaktheden voorbij en wij voelen ons verheven boven de wereld. Het is alsof wij boven de wolken wandelen en de gehele wereld beneden ons zien liggen als “arme, onbewuste mensheid”, enz.

Dan komt de volgende klap. Want: nadat onze siësta – zo kan ik het het beste beschrijven, een middagrust, nadat eenmaal de geestelijke honger verzadigd is – is afgelopen en wij wakker worden, dan ontdekken wij tot onze ontsteltenis dat wij een geheel vals inzicht hebben gehad. Dat wij de wereld nog gezien hebben zoals wij ze vroeger dachten te zien, dat die wereld er anders uitziet.

Dan krijgen wij de periode van werken. Een dankbare periode, omdat een voortdurende uitwisseling van de geestelijke kracht, die je a.h.w. in je voelt komen, die als een kracht je vervult, je nu in staat stelt om werkzaam te zijn. Dankzij die kracht heb je inzicht waar je eerst met vertwijfeling zei: “Hoe is het mogelijk.”

Je voelt je gelukkig, maar langzaam word je moe. In die moeheid zou je neer willen zitten om weer – zoals in die eerste heerlijke periode van rust – al deze volmaaktheid in je zelf te genieten. Niet wetende dat die tijd voorbij is. Want je hebt nieuwe waarden geschapen door je werk.

Je oude voorstelling past al niet meer in deze wereld. Daarom is na de periode van werkzaamheid vaak de teleurstelling weer het eerste wat wij ontmoeten; het ons weer verlaten voelen.

Dan menen wij dat wij de zaak kunnen dwingen. Wij zwepen onszelf op tot grotere prestaties, wij werpen de geest uit tot achter in de kosmos, er is niemand die iets zegt en geen stem die spreekt. Wij dwingen onze geest om het licht te zoeken en wij zien het licht niet meer. Dat kunnen wij ook niet want wij zijn moe. Maar wij voelen die vermoeidheid zelf als een onrecht aan.

Dan krijgen wij weer een periode van troosteloosheid. In die troosteloosheid is de grootste fout die je maken kunt – en die velen maken – dat je dan weer naar de wereld gaat kijken. Dat je gaat zeggen: “Nu, het is toch eigenlijk niets dat leven en wat heb ik mijzelf toch wijs gemaakt?” Met daarachter een heimwee naar iets dat je meent te zijn kwijtgeraakt. Maar het ontwaakt weer, nieuw, beter en sterker, na een periode van rust.

Een inwijdingsgang is niet zo eenvoudig. Het is helemaal niet eenvoudig. Het betekent: een hele hoop moeilijkheden je op de hals halen. Maar het betekent daar tegenover een vrede, een geluk en een inzicht verwerven, die je leven zo vol kunnen maken, zo dankbaar, dat je eigenlijk nog een veel grotere prijs er voor zou willen betalen.

U zult hieruit wel een klein beetje begrepen hebben wat inwijding voor u kan betekenen.

U zult ook begrepen hebben dat het niet zo gemakkelijk is als sommige mensen zich dat voorstellen. Wij kunnen wel een reclame uitschrijven, zo in de zin van een schriftelijke cursus, nietwaar? Wend je tot ons en in 54 lessen maken wij van u een volledig ingewijde. Maar ik ben ervan overtuigd dat het u dan net zo ellendig zal gaan als iemand die in zes weken Frans heeft geleerd en die in Frankrijk komend tot de conclusie komt, dat hij wel Frans kan spreken, maar dat de Fransen hem niet verstaan.

Je moet in die dingen opgaan, je moet er a.h.w. mee leven, willen zij werkelijk wat voor je betekenen, dus bruikbaar zijn. En in deze zin is het dus een zware studie. Een studie, die ongetwijfeld baten oplevert, die daarnaast betekent: heel veel zorg, heel veel moeite.

Nu zult u zelf moeten bepalen, of het u de moeite waard is, want ik zal u nog in de komende tijden onnoemelijk veel vertellen over geheel andere dingen dan het inleidinkje – want eigenlijk is het een inleiding. Maar voor vandaag laat ik het hierbij, om de eenvoudige reden – en die zult u ongetwijfeld billijken – dat de inleiding eerst overwogen moet worden, voordat wij de weg naar de inwijding kunnen gaan.

Daarom geef ik nu het woord over aan een andere spreker, die u kort nog iets zal vertellen over bepaalde elementen die bij de inwijding van belang zijn. Hij zal u iets trachten uit te leggen van de oude opvatting der elementen, waarop die gebaseerd is.

Ik voor mij, ik neem afscheid. Ik hoop eerlijk dat wij elkaar zullen terugzien en dat wij gezamenlijk heel ver zullen komen, maar wanneer u denkt dat u dit niet kunt volbrengen, gaat u dan liever.

Het is niet een kwestie van: kunt u in zo korte tijd zoveel doen, daar gaat het niet om. Wij kunnen desnoods tien mensenlevens hier aan spenderen.

Wanneer u wilt, dan zal er altijd een leraar zijn, dan zal er altijd een inwijder zijn en dan zal het u nooit mankeren aan stof om te bestuderen, of te overdenken om verder te gaan. Maar eerst moet u het besluit zelf nemen en dat stevig overdenken. Dus, wanneer ik u de volgende keer terugzie, dan neem ik aan dat u voor uzelf hebt gezegd: “Ik wil mijn persoonlijke weg naar de inwijding zoeken, ik wil daarvoor deze leiding aanvaarden en ik neem alle consequenties van dat zoeken op de koop toe!”

De elementalen.

In de oude dagen van de mensheid kende de mens vier elementen. Hij sprak van de aarde, water, vuur en lucht en noemde aarzelend daarachter de ether als vijfde en verborgen factor. Sedertdien is de wetenschap van de mensheid met sprongen vooruit gegaan. De mensheid heeft lijsten opgesteld van 92 elementen of meer. Wat minachtend ziet men terug op deze oude verdeling in vier aardse factoren en één daarnaast, die – het Al doordringend – ook op aarde vertegenwoordigd wordt.

Esoterisch is de waarde echter van deze dingen nog niet verloren gegaan. Want in de eerste plaats is daar de aarde. Wat is de aarde in de esoterische zin? Zij is de as van het vuur, de neerslag uit brand. Zij is een overblijfsel waar de levende kracht aan ontnomen is. Aarde is een dood element, omdat daarin de verbranding niet meer plaats vindt.

Maar paart men de aarde met het vuur, dan zien wij de laaiende vlam die uiting van leven betekent.

Echter het vuur is gebonden aan de stof, die verbrandt. Het vuur is gebonden aan de lucht. Het vuur is een verschijnsel van leven. De dood is de aarde, het leven is het vuur.

Het bewustzijn, het weten, de ziel, zij tezamen zijn het element van de lucht. In een wisselend spel weten zij het leven tot stand te brengen. Maar ziet, onbeheerst blijft de vlam, want de lucht kan aanwakkeren of doven, maar zij kan het vuur blussen noch ontsteken. Eerst wanneer het water, het element dat uit hen beiden geboren is, uit lucht en aarde, meespeelt in spel rond het vuur, kan men het vuur bepalen, dienstbaar maken en richten. Tezamen geven zij kracht.

Wie de elementen in hun juiste vormen samenbindt, krijgt een kracht die alle dingen beheerst.

Echter spraken wij van ether, want al deze dingen zijn verschijnselen. Zij bestaan en wij nemen ze waar en hun beeld en zijn wordt naar ons toegebracht, zodat wij weten dat zij bestaan en weten hoe ze te richten. De kracht die ons alle dingen overbrengt, die ons enig contact met alles betekent, is ether.

Ether is de levensadem. Ether is de adem die de ziel verbindt met de stof en haar uitingen. Ether is de kracht die de mens doet zien. Ether is de kracht die het licht van de zon naar de aarde brengt. Geheimzinnige, bindende kracht, die de andere samenvoegt.

Ongetwijfeld zal men in deze dagen dit alles primitief noemen.

Toch vraag ik u: Zou jij leven, indien er in u geen vuur ware? Geen vertering, waarbij de lucht de aarde vreet? Verschijnsel is uw leven, verschijnsel is uw kracht, is uw uiting.

Indien er geen water ware, mede opgenomen in uw wezen en lichaam, hoe zou jij kunnen bestaan, zonder uzelf te verteren in één enkele ademtocht?

Gebouwd zijt gij uit de drie en gezamenlijk doen zij de vierde geboren worden. Dat is het Goddelijke Geheim. Het geheim van de God, die Drie en Eén is. Drieheid in Wezen. Die Eenheid geboren doet worden. Er is één God. Want één God bezielt het Al, één God regeert het Al. Er zijn drie factoren samen die de God tot uiting brengen.

Wat wij God noemen, produceert de ether, het vijfde element.

Het vijfde element is de Goddelijke Kracht die het regeert; is de vreemde vorm der materie, als gij het technisch wilt weten, of wetenschappelijk wilt zien uitgedrukt. Een vreemde, ongevormde materie, die uiteindelijk alle reacties van de materie mogelijk maakt, waaruit de materie wordt opgebouwd en waarin zij zich kan oplossen.

Zo zullen wij moeten denken, zullen wij moeten spreken over vier elementen in ons. Wij herkennen ze. Want in ons is de grondslag: de aarde. Dat is ons leven en onze levenswil. In ons is het vuur: de hartstocht, die de materie tot zich wil trekken. In ons is de lucht: de gedachte. In ons is het water: de rede.

Samen maken zij uit de mens een wezen dat bewustzijn heeft, een wezen dat streven kan. Maar ook geven zij gezamenlijk, deze vier, vorm aan de vijfde, door haar te binden in de levende gestalte van de vier. Want de ether wordt gebonden in de vorm van de levende kracht, de levende uiting, de mens. Zo is de geest gelijk aan de mens en toch meer en minder dan de mens tegelijk.

De krachten, die de mens stoffelijk maken tot de voortdurende strever en zoeker, zijn in de geest in veel mindere mate aanwezig.

Aan de andere kant, waar de krachten spelend en stormend tegen elkaar de mens tegen zichzelf verdelen, kan de geest één blijven.

Zij kan zich aan die strijd onttrekken. Daarom is een wijs woord uit de oudheid ook heden nog waar:

De vier in u verenigde elementen vormen uit het vijfde de éénheid.
Deze éénheid, zich uitend in de vier, brengt de Volmaaktheid.
De volmaaktheid brengt de realisatie van alle zijn.
Dit is de inwijding, die leidt tot de ontsluiering van het grootste geheim: het leven.

Hierbij zullen wij voor heden stilstaan. Ik laat het aan u over om het gesprokene te analyseren, de betekenis – erin verborgen – te zoeken en, zo gij haar begrijpt, uzelf ermee te verrijken.

Magie.

Het magisch principe berust op het kennen en erkennen van wetten, die men op een zodanige wijze in zichzelf beleeft, dat men ze ook hanteren kan. Magie is te scheiden in twee delen, nl. de zelfzuchtige en de onzelfzuchtige magie. Kort ook wel: zwart en wit genoemd.

De mens, die begint met een magische kracht in werking te stellen, zal goed het volgende voor zichzelf volledig te behouden en nooit te vergeten: Wanneer ik magisch werkende onbaatzuchtig mijn krachten uitzend in de wereld buiten mij, dan verkrijg ik vanuit de buitenwereld de weerkaatste kracht en zal dus de zegen van mijn werken zelf volledig ervaren.

Wanneer ik zelfzuchtig mijn krachten richt, richt ik ze op mijzelf. Ik weerkaatst ze in de buitenwereld en zal zelf ledig achter blijven.

Wanneer dus ter enigerlei tijd er onder u zouden zijn, die in zich bepaalde vermogens van magische geaardheid ontdekken, dan moet ik u vooral erop wijzen, dat het zgn. zwart-magisch werken, dus direct en zonder aarzeling ten eigen bate aanwenden van krachten, die aan de rest van de wereld niet, of bijna niet bekend zijn, ten allen tijde een vloek voor het “ik” betekent. Zolang men zelfzuchtig is, ontneemt men zichzelf niet slechts het resultaat, maar evenzeer de kracht, die tot het resultaat aanleiding was.

Zwart-magisch werken betekent: op korte termijn een klein gewin en een groot verlies over een onvoorstelbaar lange periode.

Wit magisch werken betekent: de wereld schenken, in zichzelf vrede vinden en gedragen worden door het goede, dat men in de wereld heeft uitgestraald. Zo een kleine hoeveelheid kracht gevende en daarvoor zeer lange tijd onnoembaar goed terug ontvangen.

Onder magisch werken verstaan wij in de eerste plaats: het werkzaam zijn op de wereld, op de aarde. De magie, die de stof beïnvloedt, die verschijnselen in en met de stof produceert, is uiteindelijk gebaseerd op materiële waarden. Als zodanig valt zij buiten onze beschouwingen.

Het deel van de magie dat geestelijk is, berust op een wisselwerking tussen een mens – materieel en geestelijk – en een wereld die geestelijk boven of beneden hem ligt. De mens die hiermede handelt, werkt, die hierdoor resultaten tracht te bereiken, moet zich goed realiseren, dat de grootte van de krachten die men aan het werk zet, zeer moeilijk te bepalen zijn. Dus altijd voorzichtig zijn.

Niet denken dat men met het kwade werken kan. Dat kunnen alleen de Grootsten.

Er zijn altijd mensen – door alle eeuwen zijn er mensen geweest en ook nu zijn er mensen – die de magie beschouwen als iets dat in je leven van groot belang is. Nu zijn er simpele vormen van magisch werken, die voor iedereen bereikbaar zijn.

Ik wil nu niet spreken over het gebed, alsook een vorm van magisch werken, maar ik zou willen wijzen op het richten en uitzenden van gedachten bv. Want de gedachte uitgezonden in geestelijke zin, vergezeld gaande dus a.h.w. van een hulp vragende impuls, wordt evenredig versterkt.

Wanneer u – neemt u mij de uitdrukking niet kwalijk – maar tegen iemand zegt “barst” en u meent dat, dan (ik zeg niet, dat het in die zin zal gebeuren, helemaal niet), maar dan zult u toch bepaalde aan de mensheid vijandige elementen reeds mede kunnen betrekken in deze verwensing. Wanneer uw reële instelling tegenover de persoon die u verwenst groot genoeg is, dan zullen deze duistere krachten, meer dan u denkt of verwacht, deze verwensing tot werkelijkheid maken. Wees dus voorzichtig met wat u een medemens toewenst.

Het zou natuurlijk heel aardig zijn, nietwaar, als u tegen iemand zou zeggen desnoods zo in stilte: “Zit niet te zeuren, zat je maar op de maan.”

Dat is modern. Vroeger was het in Peperland, tegenwoordig is het de maan, maar dat zou ongetwijfeld aanleiding kunnen zijn tot grote publicaties over het nieuwste succes van de Westerse techniek.

Maar ik geloof toch dat het resultaat schrikbarend en onaangenaam zou zijn.

Als is het niet zo spectaculair was, dan denkt u daar veel gemakkelijker over. Ik moet u echter verzoeken u te realiseren wat één enkele verwensing voor een mens kan betekenen.

U verwenst een mens. Dat is een psychische invloed. Een uitstraling van gedachten en soms een betrekkelijk sterke uitstraling van gedachten. Die kan zo sterk zijn, dat in het denkvermogen van de ander een bepaald normaal spoor wordt gesloten. Dat die ander het slachtoffer wordt van wat men dan noemt zenuwspanningen en neurosen. In werkelijkheid van een onbewust ontvangen shock, die bepaalde normale levensreacties onmogelijk maakt.

Het gebeurt gelukkig niet zo erg veel, maar het kan gebeuren. Daar moet je heel voorzichtig mee zijn.

Een ander, evenzeer magisch, princiepje van de laagste rang is: het iemand goed toewensen. Wanneer je iemand van harte zegent, werkelijk uit je volste hart dankbaar bent, dan straal je ook gedachten uit. Die gedachten versterken het geluks-element in die mens. Het resultaat is dat die mens evenwichtiger, rustiger, met minder angsten en onzekerheid zal reageren. Dan heeft die mens krachtens uw zegen werkelijk geluk, omdat hij door uw gedachten alleen al beter in staat werd gesteld om op het leven te reageren en de omstandigheden van het leven te verwerken en te aanvaarden.

Wij kunnen natuurlijk ook wat verder gaan. Want als één afgesleten zinnetje ooit waarheid is geweest, juist op magisch terrein, dan is het wel het spreukje: dat gedachten krachten zijn”.

Een gedachte is een kracht. Wanneer een gedachte zodanig scherp kan worden geconcentreerd dat zij slechts één punt, één voorwerp kent, dan kan deze gedachte op de duur zoveel kracht geven, dat het voorwerp hierdoor verplaatst wordt, dat hierdoor levitatie plaatsvindt enz.

U moet zich dat echter niet voorstellen als een: nu denk ik, tafel, ga omhoog, en dan gaat die tafel. U moet zich dat anders voorstellen. Die tafel is voor onze gedachte een wand. Er loopt van ons naar die tafel een kanaal. Daar komt steeds meer gedachtekracht in. Die tafel blijft staan. Daar komt steeds meer kracht in. Op een gegeven moment is de spanning, door de uitgezonden gedachten ontstaan, zo groot, dat die tafel niet meer met zijn naar de aarde trekken daar tegenop kan: die tafel rijst. Wanneer mijn gedachten dan dat kanaal willekeurig verlengen, verkorten, enz. zal die tafel die beweging kunnen meemaken.

Dit is een experimentje dat in de westerse wereld niet zo gebruikelijk is als in het Oosten. In het Oosten heeft men wel van die eigenaardige dingen.

Misschien heeft u wel eens gehoord van die bekende Mandarijn, die magiër was. Wanneer hij thee dronk of wijn, dan verhief de kop zich, zonder dat hij hem aanraakte, tot zijn lippen en hij dronk. Wanneer een bediende hem beledigd had, of onachtzaam was geweest, dan keek hij hem aan. Dan dreef hij zo die bediende terug in een vijver, waar hij dan onmiddellijk van bediende veranderde in een diner voor enkele waterbewoners die daar leefden.

Misschien klinkt u dat allemaal wat sprookjesachtig, toch is het waar.

Wij dragen alleen in ons een kracht, die wij het beste “gedachte” kunnen noemen. Want de gedachte is de vorm en bepaalt in de tweede plaats de richting, waarin die kracht wordt aangewend.

Wanneer de kracht van de gedachte sterker is dan de tegenwerkende invloeden, dan zal zij ook ten allen tijde kunnen bereiken, wat zij wenst. Naarmate die invloeden groter zijn, is dus ook de gedachtekracht – daar tegenover te stellen – groter.

Dit principe kunnen wij dan ook gaan toepassen, wanneer – ik weet niet, of u dat wel eens hebt meegemaakt – op een bepaald element (het duistere element in uw omgeving) ineens sterk de nadruk valt. Misschien hebt u het wel eens gezien in een slaapkamer, als u daar ligt, dat het opeens donker wordt. Dat het lijkt of het duister zelf a.h.w. licht heeft gekregen, waardoor een bepaalde hoek zich als een dieper duister gaat afscheiden.

Kent u die ervaring? Dan weet u, dat hier, hetzij beelden uit uw “ik”, hetzij elementen uit een andere sfeer zich a.h.w. in het duister openbaren. Wanneer uw wil sterk genoeg is, dan veegt u met één flits bewuste gedachte deze weg.

Wanneer u in het donker bent, wat de aarde duister noemt, is uw oog normalerwijze niet in staat om daar te zien. Maar u kunt de gevoeligheid van het oog zodanig opvoeren door uw eigen wil, een vergroting a.h.w. van een zekere spanning op die grote hoeveelheid kleine celletjes daar achter het oog, waardoor u dan wanneer er nog maar één partikeltje lichttrilling is, kunt zien.

Er zit geen bovennatuurlijk element in. Maar de magie bestaat niet uit bovennatuurlijke, maar uit het natuurlijke.

Een ander voorbeeld dat, geloof ik, voor sommigen onder u nog echt interessant is, is de kunst om een groot aantal mensen mee te dwingen in een bepaalde gedachtegang. Een onervaren magiër die met suggestieve krachten gaat werken, tracht te overweldigen. Het resultaat is: grote krachtverspilling, uitputting en meestal het onvermogen om meer dan een vliedende illusie te wekken.

Maar de magiër weet dat alles wat uit zijn evenwicht wordt gedrukt, terug zal keren uit dat onevenwicht en – het tegengestelde punt bereikt hebbende – weer door zal slaan.

Dan doet de ware suggestor dat als volgt: hij gebruikt zijn gedachtekracht, plus zijn woorden en gebaren, maar hoofdzakelijk zijn gedachten – u merkt het niet eens dat hij suggestief werkt – om elke keer weer een klein tikje te geven tegen dat denken van u.

U denkt: “Hè, dat is vreemd”. Dan slaat u terug en dan denkt u: “Eigenlijk is dat toch onzin”. Dan geeft hij u, net als u daar bent, weer een tikje. Dan zegt u: “Het klinkt wel raar, maar ja, hij heeft wel gelijk”.

Op het laatst bent u niet meer in staat om goed te redeneren, want de slinger van de ongelovigheid beweegt zich zo snel naar het punt van de absolute gelovigheid en terug, dat u geen oordeel meer hebt. Pas wanneer deze onevenwichtigheid bereikt is en eerst dan, zal de magiër met een plotselinge grote krachtsinspanning zijn illusies opleggen. U bent dan ook absoluut slaaf. U bent absoluut slaaf van de suggestor. U heeft dan geen eigen oordeelkracht meer.

Dat leert u misschien weer een wetje, dat in grote en kleine magische handelingen van kracht blijft:

Om iets groots te bereiken, is het niet noodzakelijk om grootse dingen te verrichten, maar het is wel noodzakelijk om voortdurend op het juiste moment de krachten te richten.

Dan kan een mier zelfs een spoorwegwagen wegdrukken, als zij maar weet hoe. Het duurt een tijd, maar het kan. Dan kan een mens de sterren regeren. Het lijkt haast onmogelijk, maar het  kan.

Juist wanneer wij bezig zijn in de inwijdingsgedachte, dan ben je soms geneigd om te zeggen: “Dat kan ik toch niet; daar ben ik niet sterk genoeg voor”, of, aan de andere kant zegt men: “Ja, maar dat weet ik niet tot stand te brengen. Ik zou het wel kunnen, als ik maar wist hoe.”

Nu moet u dit onthouden: wanneer u aan bewustwording denkt, moet u het magisch principe op uzelf toepassen, opdat uzelf in contact kunt komen met waarden, waar u normalerwijze blind voor bent, nietwaar?

Nu, dat doen wij. Wij beginnen met onszelf elke keer een zetje in de goede richting te geven. Dan blijven wij niet doorstreven, wij geven onszelf een zetje. Wij weten dat wij terugvallen, maar op het moment dat wij terugvallen, constateren wij het. Wij richten ons opnieuw op het goede doel en met een verhevigde beweging gaan wij verder.

Onze uitslag in en goed en kwaad wordt steeds groter, gelijktijdig bewegen wij ons sneller tussen beide uitersten. Daardoor kunnen wij een hoogtepunt bereiken, dat voor ons een beleving, een volmaking, een bevrediging enz. kan betekenen. Hebben wij dat, dan vergeten wij terug te vallen. Dan zijn wij zo – ik zou willen zeggen – geobsedeerd, gebiologeerd door het beleven, dat wij niet meer terugvallen.

In die beleving ontstaat een verandering van waarde voor ons. Het is of het hoogtepuntje, het puntje, waar onze slinger van gedachten hangt, een klein stukje hoger wordt gezet. Dan beginnen wij weer met hetzelfde proces. Wij zeggen niet: “Ik wil deze toestand blijven houden”. Wij zeggen niet: “Ik wil aldoor goed zijn”, maar wij zeggen: “Dat is het doel: het goede. Wanneer ik kwaad ben, zal ik mij dat steeds trachten te realiseren, dan kom ik vanzelf wel weer in het goede terecht.”

Met die wet kunt u in uzelf wonderen doen. Er bestaat nog zo’n bekend spreukje, dat zegt: “De geest is willig, maar het vlees is zwak.” Nu, ik zou het niet graag nazeggen.

Ik zou het zo willen uitdrukken: “De geest is willig, maar de geest weet niet wat hij wil.” Daar komt het vaak op neer.

Dan, wat doet een magiër wanneer hij begint met een bezwering? De magiër zal zich reinigen, d.w.z. zich voorbereiden. Hij doet dit intens. Hij doet dit geestelijk en stoffelijk.

Wanneer wij iets willen gaan bereiken langs de weg van de magie, dan kunnen wij dat ook zo doen. Dan moeten wij ook beginnen met ons stoffelijk en geestelijk voor te bereiden. Alleen stoffelijk helpt niet. Alleen geestelijk helpt ook niet. Beide tegelijk wel. Wij moeten geheel, stof en geest, in een toestand weten te komen van waaruit wij werkelijk ons kunnen gaan richten.

Als u een radiostation wilt ontvangen, of u wilt naar een bepaald station uitzenden, dan zal toch wel het eerste zijn wat u doet, uw apparaat afstellen, nietwaar? Als u gaat telefoneren, dan begint u niet meteen in die hoorn te spreken. Dan vraagt u eerst een nummer aan.

Tegenwoordig draait u dat, dat is geen wonder. Een mens draait dat natuurlijk. Er is zoveel draaierij in de wereld, vooral via de telefoon, dat het wel dwaas zou zijn, wanneer dat nog bij rechtuit spreken bleef.

Dat zijn de wonderen van de techniek. Ja, het is nl. zo, dat naarmate de techniek verder gaat, de menselijke techniek, o.a. van de leugen, daarmede gelijke tred houdt. Als u mij niet gelooft, leest u uw krant maar.

Maar goed, dat is in zekere zin ook een magisch iets, nl. van gelijkblijvende verhoudingen. Indien één van de waarden een bewustzijnswaarde is, die vooruit bepaald kan worden, blijft de verhouding gelijk, dat kan niet veranderen. Maar daar hebben wij het nu niet over.

Dus u gaat niet in die telefoon staan schreeuwen zo ineens. U draait een nummer. Dat doet u, omdat u zeer goed begrijpt dat u niet alles kunt gaan bereiken. U kunt niet alle dingen gelijktijdig gaan verplaatsen of beroeren, of bespreken.

Als u hier komt in dit huis en u wilt het ameublement verhuizen, dan probeert u ook niet om alles gelijk weg te duwen. U moet eerst een keuze maken. Dan zegt u: “Die stoel gaat daarheen en die tafel gaat daarheen.” Of, als je handig bent, zegt u: “Nu ik zal het vaasje wel dragen, anders breekt het.” Dat is geen magie, hoor. Dat is maar de draaierij van de mensen.

Maar wanneer wij dus geestelijk iets gaan doen, dan moeten wij ons ook voorbereiden. Wij moeten weten waar wij heen willen. Als je gaat telefoneren, dan moet je een telefooncel hebben, of een telefoonapparaat.

Wanneer je iets magisch wilt bereiken, moet het apparaat er zijn. Aangezien je maar één apparaat daarvoor hebt, is dat je lichaam. Dat moet je dus a.h.w. klaar maken om te gebruiken.

Als u aan het verhuizen bent en u doet dat met uw goeie pakje aan, dan heeft u veel kans dat het eindigt als werkpak. Dan is het dus in waarde gedaald. Uw geest moet bereid zijn en voorbereid zijn t.a.v. alle optredende factoren in de magische handeling. Dus ik moet mij geestelijk voorbereiden, ik moet mijn denken, mijn bewustzijn een pakje aantrekken, dat past bij hetgeen ik wil bereiken. Wanneer ik dan die voorzorgen heb genomen, dan kan ik ook betrekkelijk zeker zijn dat ik met enig volhouden mijn doel bereiken kan.

Als u telefoneert en de juffrouw zegt tegen u: “In gesprek”, dan kun je twee dingen doen. Dan kun je zeggen: “Ja, het is dringend.” In de hoop, dat de juffrouw onderbreekt. Je zou ook kunnen gaan zeggen: “Dank u”, de hoorn op de haak leggen en na bv. 4 of 5 minuten nog eens een keer bellen.

Dat laatste is verstandiger dan het eerste. Bij het eerste stel je jezelf afhankelijk van andere factoren, waarvan je eigenlijk niet weet hoe zij zijn. Wanneer zo’n juffrouw dan “neen” zegt, heb je grote kans dat je kwaad wordt, de hoorn ophangt en vergeet om te telefoneren, of op een andere manier hetzelfde wil bereiken.

Wanneer u iets met geestkracht probeert te bereiken, een magische handeling, dan kan het zijn dat op een gegeven moment de centrale, het totale samenspel van krachten, zegt: “Dat op dit moment niet”. Dan kun je natuurlijk zeggen: “Ja, maar ik wil een uitzondering gemaakt hebben”. Maar dan valt het meestal tegen. Je kunt geluk hebben. Maar je mag dergelijke dingen nooit op een gokje doen. Je moet dat absoluut zo redelijk, zo zuiver verstandelijk mogelijk, als je dat kunt, doen.

Nu, dan zeg je dus: “Hè, ik kan op het ogenblik niet doordringen. Ik keer terug. Ik weet althans welke toestand ik nodig heb, ik probeer het nog een keer!” Dan zeg je niet: “Mijn instelling was niet goed, of dit mankeerde, of dat”. Want als u opbelt en u draait een verkeerd nummer, dan wordt u dat heus wel duidelijk gemaakt.

Dat is ook weer iets van de techniek, nietwaar? Vroeger hoorde je een verveelde of een opgewekte stem, die zei: “Dat nummer bestaat niet, meneer”. Tegenwoordig hoor je alleen maar: tuut, tuut, tuut. Dat zijn voorbereidselen voor de politiestaat, weet u dat? Als wij vroeger een agent zagen, dan riepen wij ook: tuut. Maar goed, dat zijn maar flauwe aardigheidjes eigenlijk.

Wanneer iets niet kan, dan wordt u dat duidelijk. Zolang u dat niet duidelijk is, blijft u proberen.

Om dan met een gemeenplaats te besluiten, wat in het geestelijk werk nog meer dan in uw stoffelijke wereld geldt, dat de aanhouder wint. Dat kost de aanhouder soms veel kracht, maar hij kan bereiken wat hij zich heeft voor gesteld.

Aangezien u dit nu allemaal weet en misschien van een groot gedeelte zegt: “Het is toch wel oude kost”, wil ik aannemen dat, wanneer een volgende maal de gelegenheid er is om met u te spreken over magische krachten, die je in jezelf kunt gebruiken en de wijze waarop ze gebruikt worden, dat u dan zult zeggen: “Ja, dat was een aardige inleiding de vorige keer, maar nu beginnen wij pas werkelijk.”

Als u nu nog zegt: “Het was een aardig verhaal, er zat toch wel veel nieuws in, daar zaten nieuwe aspecten in”, dan zou ik willen raden: getroost u de moeite om u eerst met deze nieuwe aspecten dan vertrouwd te maken. Want u zult ze ongetwijfeld dan de volgende keer nodig hebben.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf