Inwijdingsschool ODV – Les 14 – Persoonlijke tijdsconstante

image_pdf

6 november 1956

Ik hoop dat ik u een niet al te grote teleurstelling bezorg, maar op deze avond zijn wij helaas niet in staat om het gebruikelijke programma te handhaven. Onze vriend Elsmeier heeft op het ogenblik elders werk te doen dat wij nog gewichtiger vinden dan deze bijeenkomst.

De heersende toestand op het ogenblik in verschillende delen van de wereld, betekent voor ons een zeer grote belasting van de krachten die wij op kunnen brengen. Vandaar dat wij – voorlopig althans – waarschijnlijk met een beperkter sprekerscorps dan normaal zullen moeten werken.

Persoonlijke tijdsconstante.

Ik zou voorstellen, laten wij vandaag eens filosofisch worden. Dan heb ik hier en daar zo interesse bemerkt voor de tweeledigheid van de mogelijkheden. Er werd ook veel gepraat over een tijdsconstante, dan zouden wij van daaruit verder kunnen gaan, het is maar een vraag.

Nu beginnen wij te stellen dat er altijd een tijdsconstante zijn moet, maar deze is persoonlijk. Wat kan een persoonlijke tijdsconstante betekenen? Iemand een idee?

  • De tijdslijn waarin je zelf leeft?

Ja. Je persoonlijke tijdsconstante is de hoeveelheid van je ervaring, gedeeld door het totaal van je waarneming. Raar, hè? Als zij het mij vroeger hadden verteld, had ik ook gezegd: Jullie zijn getikt, hoor. Ik zal het heel simpel zeggen. Ik heb een bepaald bewustzijn. Ik heb een bepaalde hoeveelheid ervaring. Wanneer ik mijn bewustzijn deel door mijn ervaring, dan krijg ik mijn tijdsconstante. Nl. het aantal begripsmomenten dat ik uit bewustwording doormaak.

Dit houdt in, dat op het ogenblik dat ik mij bewust word van het totaal van het Al, mijn bewustzijn gelijk is aan het totale Zijnde. Dus mijn totale bewustzijn is gelijk aan mijn totale ervaring. Dan is de tijdsconstante die voor een persoonlijkheid mogelijk is maximaal één. Over het algemeen echter is ons begrip, of bewustzijn, kleiner dan het totaal van de wereld waarin wij leven. Zo zal dus altijd de tijdsconstante kleiner zijn dan één.

Dit houdt in dat wat wij “tijd” noemen, in werkelijkheid de factor van onvolledigheid is, die in het totaal van ons wereldweten voorkomt. Het is daarom zo aardig, omdat je daarmede wel het begrip krijgt van de variabiliteit van je tijdservaren.

U weet wel, zoals de boerenjongen tegen het boerenmeisje zei, toen zij vrijden langs de dijk: “Tjonge, tjonge, tjonge, is het al zo donker? Ik dacht dat wij pas zaten?”

Daartegen die mijnheer op kantoor, die van plan is om direct uit te gaan, die zit om kwart voor vijf te kijken en denkt: “Nu nog een kwartiertje.” Dan kijkt hij na twee minuten weer, dan denkt hij weer: “Hè, nu nog 13 minuten. Ik dacht dat er al een uur voorbij was.”

Het is relativiteit. Die wordt ons weer duidelijk, wanneer wij ons realiseren wat er gebeurt wanneer je je concentreert op iets. Zolang wij ons concentreren op iets in de wereld buiten ons, is de activiteit van ons bewustzijn vergroot. Maar zolang wij ons bezig houden met iets wat slechts in ons bestaat, verkleinen wij ons bewustzijn van de wereld.

Hierdoor krijgen wij dan een mogelijkheid – ik hoop maar dat ik duidelijk ben, ik ben geen Elsmeier en ik zal het ook wel nooit worden – daardoor krijgen wij dus het verschijnsel dat mijn tijdservaren, zoals dat op de wereld bestaat, direct gerelateerd is met de wijze waarop ik mijn wereld beleef.

De volgende conclusie is dan al heel simpel.

Het is voor mij onmogelijk te komen tot een tijdsconstante nul. Want een tijdsconstante nul zou betekenen: het uitschakelen van één van beide gebieden van beleving, ofwel van het totaal van mijn bewustzijn, ofwel het totaal van mijn wereld.

Een werkelijke eeuwigheid, waarin tijd dus niet bestaat, is slechts mogelijk binnen het Goddelijke, waar wereld en bewustzijn één zijn. Nu gaan wij toch lekker even een kleine afwijking maken.

Wij hebben gesproken over een vierde dimensie. Wat kan een vierde dimensie voor ons zijn in verband met hetgeen wij hebben besproken.

  • Een verruimd bewustzijn?

Een verruimd bewustzijn, wat wil dat zeggen? Dat op het ogenblik dat wij vierdimensionaal kunnen beleven, dus onze wereld vierdimensionaal kennen, en bovendien in staat zijn de waarden van deze vier dimensies binnen ons bewustzijn te verwerken, onze eigen tijdswaardering verandert. Ik hoor een zucht.

  • Gebrek aan adem.

Nu moet je eens opletten. Nu krijgen wij een heel aardig dingetje.

U heeft allemaal wel eens gehoord dat er fakirs zijn die langer leven dan iemand kan verwachten te leven. Iedereen zegt dat het een sprookje is. Maar stel nu eens een keer dat zo iemand – bv. een geestelijke sfeer als vierde dimensie – dus een reeks bewustzijnsinvloeden die buiten deze onmiddellijke wereld liggen, maar er wel mee direct verband houden, mee gaat beleven. Wat gebeurt dan?

Dan verandert zijn tijdswaardering voor zijn bewustzijn.

Nu krijgen wij nog een leuk punt.

Hoe reageert uw lichaam? Weet u dat? Dat veroudert niet uit zichzelf, dat zou u misschien denken, je lichaam wordt ouder door je gedachten.

Ik hoor het hier al als volkomen juist bevestigen.

Dan vloeit hieruit voort, dat elke verandering in mijn eigen tijdsbewustzijn, dus de verandering van relatief tijdservaren t.o.v. de wereld, voor mij een verandering betekent van levensduur. Dat houdt dus ook in, dat naarmate ik beperkter ben in mijn interesse, naarmate ik beperkter ben in mijn leven en beleven, ik mijn eigen leven verkort, hoe kleiner ik mijn wereld maak.

En dat was dat voorbeeld van daarnet ook. Die ambtenaar, wiens klok niet loopt, die beleeft geestelijk op dat ogenblik eigenlijk een andere dimensie. D.w.z. in zijn voorstellingsvermogen beleeft hij tijdsmomenten en betrekt die in het heden, die in de toekomst liggen. Vandaar dat zijn eigen bewustzijn op dat ogenblik meer omvat dan het normale en dus zijn tijd in verhouding veel meer bevat en gelijktijdig langzamer gaat dan op aarde.

Wat kunnen wij daaruit concluderen? Dat degene die langer leeft op aarde gelijktijdig ook het totaal van zijn bewustzijn en ervaringen vermeerdert.

Kunt u nog meekomen? Ja? Ik weet het niet. Zo half en half, zo hier en daar. Daar zit er eentje te denken: “Daar moet ik eerst over denken!”

  • Ik kan er niet met meekomen.

Dat dacht ik al.

  • Tenminste, wanneer ik het ga toetsen aan dingen en persoonlijkheden uit de praktijk…..

Er is één ding waarover wij het zeker eens zullen zijn. Wanneer ik alle dingen die waar zijn, ga toetsen aan mijn omgeving, dan blijkt dat, zo wij onze omgeving als maatstaf nemen, geen van de waarheden deugt, maar het kan ook omgekeerd zijn. Nl. dat onze omgeving eigenlijk niet deugt, maar dat kun je moeilijk zeggen, want dan ben je er zelf ook bij.

Wij gaan proberen om het nog eens eventjes duidelijker te bekijken. Naarmate mijn interessegebied groter is, dus mijn bewustzijn meer gelijktijdig omvat, heb ik a.h.w. een groter gedeelte van het Al in mijzelf. Dat is duidelijk, ja? Dit grote gedeelte van het Al geeft mij een overzicht over méér, dan iemand met een kleiner deel van het Al in zich.

Wanneer ik met mijn groter gedeelte van het Al in mijzelf dit bezie, zie ik dus meer dan degene die een klein gedeelte heeft in hetzelfde tijdsmoment. Aangenomen dat wij hier de aarde, met zijn tijd, op het ogenblik als objectief en niet als relatief stellen.

Nu betekent verder het feit dat ik verschillende dingen waar moet nemen om te leven, moet ik een bepaalde reeks van waarnemingen hebben, die weer mijn stoffelijk functioneren en denken verder bepalen en regelen. Wanneer ik nu een overzicht heb, dan zie ik met minder kracht hetzelfde. Waar ik dit als één moment ervaar, zal ik dus hetgeen voor een ander een jaar betekent, ook weer zien in één minuut. Maar waar de inhoud van mijn overzien gelijk is aan het beleven van een jaar van die ander, is volgens aardetijd – aangenomen dat die ander bij het gemiddelde van de aarde behoort – voor de aarde een jaar.

D.w.z. dat ik voor elk normaal jaar dat de mens zou leven, door mijn bewustzijn dat dit verwerkt als de kracht en de krachtinspanning van een minuut, zoveel minuten leef als er in een aardejaar gaan. Kunt u het nu volgen?

  • Neen.

Aardig stuntje is dat, hè? Ik ben heus niet bang dat jullie nou plotseling allemaal 900 jaar worden. Er zijn er enkelen bij die een rijpe leeftijd zullen bereiken, maar of dat nu Methusalem… Ja, wat is nu eigenlijk het vrouwelijke van Methusalem? Methusala?……Lastig.

U zult dat dus nog niet kunnen bereiken. Maar je zou dit kunnen bereiken door een nieuwe dimensie toe te voegen aan je bewustzijn. Maar waarop rust nu onze kennis van een dimensie?

Zolang een afmeting voor u niet reëel is, heeft zij voor u geen waarde. Alleen wat u als realiteit ervaart, is voor uw bewustzijn van werkelijke invloed.

Dus om een vierde dimensie te beleven, moet ik de methode vinden om die vierde dimensie voor mij reëel te maken. Nu kun je op twee manieren te werk gaan.

Je kunt het gaan bekijken vanuit een geestelijk standpunt. Dan zeg je: “Ik voel de vierde dimensie aan en laat door dit aanvoelen mijn werkelijkheid zo vervormen dat de door mij aangevoelde waarden voor mij kenbaar worden in hetgeen ik beleef.”

Maar dat is niet redelijk en dus vanuit menselijk standpunt niet reëel. Wanneer je dat doet, dan zeggen zij dat je gek bent. Dat moet je dus omdraaien. Wat ga je dan zeggen?

Wanneer ik weet waarop ik moet letten, dan kan ik misschien leren het te zien. Nu ga ik het dus vanuit redelijk standpunt benaderen. Dan ga ik voor mijzelf het volgende zeggen: “Ik weet dat de vierde dimensie een uitbreiding is van het driedimensionale, waardoor de eigenschappen die ook in het driedimensionale kenbaar worden, maar daarin verborgen liggen, nu openlijk kenbaar zullen zijn.

Mooie zin, hè? Kunt u mij volgen ook?

Dan volgt daaruit de conclusie: “Ik dien mij te trainen om ook hetgeen wat voor mij niet aanschouwelijk is, of niet direct zintuiglijk kenbaar, mee te waarderen in alles wat ik ontmoet en wat ik zie.” Verder zeggen wij: “Wanneer ik op deze wijze mij aanwen bepaalde waarden te waarderen en voortdurend mee te waarderen, zal op de duur in mij zich een faculteit ontwikkelen, een bepaalde afdeling a.h.w. van mijn denken en waarnemingsvermogen, dat automatisch deze waarden afzonderlijk van andere waarden gaat waarnemen en waarderen”

Ja, hier wordt al gezegd: telepathie bijvoorbeeld. Gedachte is realiteit. Stel je voortdurend in op de realiteit en gedachte, en je leert ze waar te nemen als een werkelijkheid, terwijl zij voor een ander niet kenbaar is. Alleen is dat wel erg lastig, hoor, want dan zijn gedachten niet meer tolvrij. En als je dan op de publieke tribune gaat zitten van de Tweede Kamer, dan hoor je dus heel wat anders dan je zou moeten horen en bekijk je de zaak volkomen anders. Vandaar dat een Tweede Kamer in een land van telepaten een onmogelijkheid zou zijn.

  • Men moet het van bovenuit eigenlijk in kunnen schouwen. Dat moet je leren. Ik hoop dat ik het goed zeg.

Ja, u zegt het heel goed. Ik zal proberen om het van mijn kant ook te zeggen.

Op het ogenblik dat ik een tafel zie en ik zie deze tafel niet alleen als een vorm, staand in het niets, maar ook als een uitsparing in een andere materie, dan zie ik vierdimensionaal.

Het is natuurlijk erg simpel, hoor. In werkelijkheid is het een beetje ingewikkelder. Maar daar heeft u een voorbeeld dat leidt tot het vierdimensionaal denken.

Wanneer je nu op die manier verder gaat, dan ga je relaties zien tussen de tafel als drie dimensionaal beeld en de uitsparing in de vierdimensionale ruimte, waarvoor zij staat. Begrijpt u? Daar krijg je het aardige en lastige tegelijk.

Nu heb ik dat gezegd over een tafel. Maar nu gaan wij het op een andere manier bekijken.

Nu heb ik een mens. Als ik nu een mens bekijk, wat zie ik dan eigenlijk? Zijn vel en wat hij erom heen heeft hangen. Maar in werkelijkheid zit er binnen die begrenzing een reeks waarden en ook daarbuiten. Wat er buiten is, noemen wij de uitstraling, of de aura. Maar je zou ook kunnen zeggen: De aura is de werkelijkheid van de mens, die het ledige – geestelijk gezien – van de stof omsluit.

En ik kan ook weer zeggen: De werkelijkheid van de organen en de weefsels wordt omsloten door het schijnbare van de gestalte.

Een menselijk lichaam kan functioneren wanneer alle verbindingen in elkaar zitten en alle organen aanwezig zijn. Maar de onderlinge plaatsing daarvan, die is op de duur zo gegroeid. Maar je zou alle eigenschappen van het menselijke lichaam op een andere manier kunnen onderbrengen. Dus de gestalte is maar een verschijningsvorm die niet bepalend is voor het functioneren van de mensen, ook al denken sommigen van wel.

Kijk, dan ga je verhoudingen zien. Je kunt bv. in de mensen kijken naar de organen, dus in de gestalte. Wij hebben de medische wetenschap bij de hand die kan getuigen. Welke van de dokters is het wel eens opgevallen dat er zo’n aardig blond skeletje achter zo’n  X-stralenscherm stond? Dat zie je voor of nadat je in de doorlichting kijkt, maar een geraamte blijft een geraamte en een paar longen blijft een paar longen. Waar of niet?

Nu, dan heb je daar de binnenkant gezien. Dan vallen de uiterlijke verschijnselen weg. Er blijven wel individuele eigenschappen over, het zijn niet meer de uiterlijke, maar de innerlijke waarden. En je ziet de zaak anders en je waardeert ze anders.

Dus geestelijk gezien voor een vierde dimensie is het niet zo belangrijk dat je de binnenkant van die mens ziet. Maar wel, dat je hem ziet als een soort van stoffelijke leegte, die staat temidden van zijn uitstraling, die zijn werkelijke wezen uitmaakt.

De aura is de volledigheid. Want in die aura ligt uiteindelijk het totaal van indrukken vast die in het lichaam eventueel gedeeltelijk vaststelbaar zijn.

  • Dus de aura liegt nooit?

Dat is dan ook ongeveer het enige aan de mens wat nooit liegt.

Dus hier is een realiteit uitgedrukt die tegenover het schijnbare staat. Zie je dus die aura van die mensen, dan leef je dus vierdimensionaal. Maar stel je nu voor dat u die aura zou zien en begrijpen, zoals u op het ogenblik een mens ziet met zijn gebaren, zijn uitdrukking, zijn woorden en gesprekken enz. Wat krijg je dan?

Een totaal ander wereldbeeld met geheel andere waarderingen. En dan ziet u in die aura veel meer dan u ziet in een jaar van samen bestaan.

  • Dan ben ik wel nieuwsgierig hoe het zich gedraagt als u nu bv. in een geleend lichaam zit? Wie zijn aura is er dan? Die van het medium, of van uzelf?

 Hutsepot.

  • Dat lijkt mij ook zo, ja.

Waarbij wij geen van beiden liegen, maar waarbij men wel de moeite moet doen om ze uit elkaar te houden.

  • Dus vloeien die twee aura’s dan in elkaar?

Ja, dat bewijst u ermee dat u goed ziet. Maar iemand die minder goed ziet, ziet ze niet achter elkaar, maar die ziet ze als iets wat over elkaar heen gaat. Dan zeggen zij: De aura van het medium is iets onvollediger geworden en wordt oversluierd door een andere uitstraling.

  • In werkelijkheid is het niet zo.

Neen, natuurlijk niet. Maar ja, laten wij nu eens eerlijk zijn? Wat is werkelijkheid?

  • Wat voor mij de werkelijkheid is?

Juist. U drukt dat heel goed uit. De werkelijkheid is onze persoonlijke opvatting van het bestaande, uitgedrukt in de termen van ons persoonlijk bewustzijn.

Als het over definities gaat, kun je met mij praten.

Wanneer ik stel dat ik dat vierdimensionale bereikt heb, dan kan ik makkelijk verdergaan. Maar om het te bereiken, moet ik beginnen met een wetenschap, wil ik het tenminste redelijk gaan bereiken.

Wanneer ik mij voortdurend bezig hou met de mogelijkheid van de aura, van een uitstraling, dan moet ik niet denken dat ik die aura zo ineens plotseling klaar en helder met al zijn verschillen zie. Het kan wel, maar dan is het meestal iets wat je je vroeger al verworven hebt en wat je nu soms – dankzij hulp van anderen uit uw vierde dimensies en niet uit de drie – scherp ontwikkelt en waarvan u zich dan plotseling bewust wordt.

Over het algemeen begint het vaag. Je zegt: “Hè, het is net of ik voel.” Je zegt nooit in het begin: “Ik zie een soort uitstraling.” Daar heb je het begin.

Leer dat nu scherper differentiëren. Niet alleen: “Ik voel het aan als prettig”, of niet: ” juist of onjuist”, maar leer er bovendien nog in te zien: licht en donker, goed en kwaad. Wanneer je die verschillen hebt, dan kom je nl. tot een waardering die je uit moet gaan drukken in gehoor- of gezichtswaarde. Dan krijg je dat idee van: “Ik zie!”

  • Ik neem waar.

Ja, dat is de beste uitdrukking. “Ik neem waar” is de realiteit. De uitdrukking is: “Ik zie, of ik hoor!”

Daardoor ga ik dus associëren met bepaalde bestaande zintuigen. Hierdoor wordt het mij mogelijk binnen een bewustzijntje, redelijk bewustzijn, dat gebaseerd is op de stoffelijke zintuigen, een voor mij nog niet aanvaardbaar verder gebied mee te begrijpen en te verwerken. Stoffelijk, hoor.

Wanneer ik dat klaar speel, krijg ik dus voortdurend een groter sensitiviteit. Ik weet niet waarom ze geen gevoeligheid zeggen, dat vinden zij zeker niet zo mooi klinken. Je wordt dus steeds gevoeliger voor die dingen. Of – als je het anders wilt zeggen – je neemt de dingen steeds juister waar.

Nu kan een mens nooit veel verder gaan dan dat. Want op het ogenblik dat je je gaat baseren op de werkelijkheid en daarbij je normale zintuiglijke waarnemingen dus achterstelt, dan ga je je gedragen als iemand die niet meer rationeel, of redelijk handelt volgens het bewustzijn van de doorsnee.

M.a.w.: dan kun je wel heel erg wijs zijn, maar dan sta je op een gegeven ogenblik voor de keuze: of kluizenaar te worden, of in een gekkenhuis terecht te komen. Misschien, als je dan heel er handig bent, wordt je een clown.

Weet u, een grote clown is heel vaak iemand die de waarheid omtrent de mensen naar voren brengt, op zo’n manier dat zij het met hun eigen zintuigen wel zien, maar van zichzelf niet geloven.

Op deze manier krijg je dus de mogelijkheid om de vierde dimensie te verwerken in jezelf. Dit betekent een verandering van je eigen tijdswaardering.

Iemand die de vierde dimensie kent, kan bv. uren stilzitten en niets doen. Dan vraagt men: “Hoe kan dat nu?” Dan zegt zo’n iemand: “Ja, maar ik beleef zoveel.” Dat kun je je niet voorstellen. Toch kan diezelfde persoon soms in ontstellend korte tijd veel meer doen dan u. Dat komt, omdat de tijdsconstante van die persoonlijkheid veranderd is en waar zij variabel wordt vanuit uw standpunt, nl. het ogenblik dat geestelijk geleefd wordt, of vierdimensionaal, en het ogenblik dat men uit dit gebied, tijdelijk door noodzaak van de gemeenschap gedreven, weer driedimensionaal werkt en waarneemt, daar krijgt u dan – gezien de energie, die van de vier dimensies altijd in de persoon bestaat – die snelle afwisseling tussen niets doen en hardlopen.

Ik zou zeggen dat het voor mijn doen een tamelijk diep betoog is.

  • Een heel goed betoog, Waarom zegt u erbij: Voor mijn doen?

Dat zal ik u precies vertellen. Omdat ik meestal de clown ben.

  • De clown schijn.

Dank u, dat is een compliment. Maar laten wij maar rustig zeggen ”ben”. Want uiteindelijk kijken zij naar mij op om mijn grapjes, dan om wat ik weet. Toch zeg ik met een grapje misschien veel meer…..

  • Neen, dat vind ik niet….

U niet misschien, u kent mij te lang. Maar een vreemde hoort wel mijn grapjes, maar niet de inhoud. Later komt het grapje in de herinnering en dan breekt de inhoud door.

Dus wij kunnen zeggen: mijn grapjes zijn esoterische waarheden met tijdsontsteking. Ja, soms zelfs zou je kunnen zeggen: esoterische lering op afbetaling. Want als zij zich zo’n grapje vaak herinneren, dan ontdekken zij meestal steeds weer nieuwe achtergronden en krijgen zij uiteindelijk een steeds beter beeld.

  • Dus u versleutelt het?

Ja, maar dan klinkt het alsof ik een inwijder ben. Och, zoals vanavond kom ik er misschien een beetje dichterbij. Ieder heeft zijn eigen functie. Weet u wat ik nu ben?

Ik ben het vierdimensionale zodanig driedimensionaal uitgedrukt, dat de meesten er slechts twee dimensies van zien.

Weet u, ik zal u een aardig ezelsbruggetje leren over die tijd. Dat kunt u onthouden.

Er is een tijd, dat je tijd hebt. Hoe meer je de tijd hebt, hoe minder tijd je hebt. Want wie de tijd heeft, verbruikt de tijd en realiseert zich de tijd, waardoor de tijd zelf minder wordt, maar langer schijnt. Zo volbrengt men meer in minder tijd, wanneer men de tijd heeft.

Als u het niet goed begrijpt, dan moet u het maar eens bestuderen.

  • De mensen die het het drukst hebben, hebben de meeste tijd.

Ja, dat berust dus op je eigen waardering van de tijd.

  • Dus mensen die het druk hebben, hebben altijd weer wat tijd over voor wat anders?

Natuurlijk, hoe minder je aan de tijd denkt, hoe meer tijd je hebt. Maar hoe meer je aan de tijd denkt, hoe minder je denkt de tijd te hebben. Hoe minder je denkt de tijd te hebben, hoe meer je je bezig houdt met wat je in die tijd moet doen. Hoe meer je je bezig houdt met wat je moet doen, hoe minder je doet.

Och, waarom zou ik eigenlijk niet wijsgerig worden? Ik heb mijn les gegeven en ik hoop dat hij goed was. Als ik dan nog even door mag babbelen, doe ik dat dan maar op mijn eigen manier.

Kijk eens, wij hebben het nu over tijd en dimensies gehad. Maar als wij die dingen nu simpel gaan uitdrukken, dan kunnen wij eigenlijk gaan zeggen: dat het voorstellingsvermogen van de mens zijn prestatievermogen bepaalt.

M.a.w.: hoe meer je denkt over wat je moet doen, hoe meer moeite het je zal kosten om te doen, wat je denkt te moeten doen. Wat is dus de enige oplossing?

Er niet over na te denken wat je moet doen, maar op het ogenblik dat de wenselijkheid zich openbaart iets te doen, het te volbrengen, zodat je weer volkomen vrij bent voor een volgende beleving. Daar falen de meeste mensen.

Want het is zo: wanneer je iets doet op het ogenblik dat je meent het te moeten doen, zijn er ongetwijfeld ook consequenties, maar die zijn er niet veel.  Maar als je na gaat denken over die consequenties, dan realiseer je je veel meer consequenties dan er in feite ooit zouden kunnen zijn. Want je gaat alle mogelijkheden gezamenlijk te schouwen, terwijl slechts één van die mogelijkheden werkelijk gerealiseerd kan worden. Met het gevolg dat je niet tot de daadstelling komt, of een onvolledige daadstelling. En als je niet tot de daadstelling komt, dan heeft dat meer consequenties dan het stellen van de daad zelf.

Wanneer je een daad gedeeltelijk stelt, zou noch de wereld, noch jijzelf vrede kunnen vinden met de resultaten, zodat jezelf niet de consequenties kunt aanvaarden, maar evenmin de wereld de consequenties van u gedeeltelijke daad wil accepteren. Hoe onvollediger je de dingen doet, hoe groter het conflict dat je schept tussen de wereld en jezelf.

Eigenlijk aardig, als je het zo bekijkt. De meeste mensen die denken dat van mij niet, maar ik ben eigenlijk ook nog filosoof. Klein beetje.

Ik denk wel eens: waarom zouden de meeste mensen zo bang zijn  voor een daad? Waarom zouden er zoveel mensen een daad willen stellen, alleen maar om te ontvluchten aan het bewustzijn dat zij iets anders zouden willen doen.

  • De meeste mensen kijken naar de andere mensen en hun daden stellen.

Per slot van rekening, dat is nu de wereld. Iedere mens probeert het leven van een ander te leiden, waardoor hij in zijn eigen leven tekort komt. Men laat zich in het leven te leiden door wat men zegt.

Weet u wat het eigenaardige is? Een wereld die voor een fait accompli staat, sputtert wel, maar die neemt het. Maar wanneer je de wereld gaat vragen, of laat merken dat je iets zou willen doen, waarmee zij het niet eens is, dan neemt zij het niet. Dus wat is de grote kunst?

  • Vreugde te geven.

Ja, dat natuurlijk ook. Maar m.i. is de grootste kunst in de eerste plaats de dingen te doen, zoals je persoonlijk voelt ze te moeten doen.

Wanneer je doet, wat je moet doen, volgens je beste weten, dan heb je vrede met jezelf. Dan heb je dus de vreugde in het leven. Je hebt geen vreugde in de dingen die je soms doet….

Laten wij een voorbeeld nemen. Je moet iemand opereren. Die operatie zelf is zeker geen vreugde. Integendeel. Maar het is een vreugde dat je het volbrengen kunt. En het is een vreugde, wanneer je het goed volbracht hebt. Er is wel vreugde bij, maar de daad zelf is niet één met de vreugde. De vreugde is de reactie die in jezelf ontstaat aan de hand van de daad.

  • Het kan wel nuttig zijn wanneer je een ander mens van een groot leed kunt bevrijden.

Goed, maar dan is het, zoals uzelf zegt, het feit dat je het kunt, niet het feit dat je het doet. Maar het feit dat je het doet, brengt je tot de realisatie dat je het kunt. Een beetje spits misschien, maar het is toch waar. Wat dat betreft, zou ik willen zeggen: tussen vreugde en smart en daadstelling en daadonthouding moeten wij wel degelijk een verschil gemaakt hebben.

Vreugde en smart zijn de dingen in ons. De daden zijn de dingen buiten ons, het is onze reactie op de wereld, terwijl leed of vreugde de reacties zijn op ons eigen ervaren binnen onszelf. Vandaar dat het zo moeilijk is om iemand werkelijk vreugde te geven.

  • Dat ligt aan de waardering.

Juist, dus de persoon zelf schenkt zich de vreugde. Wat wij doen, is slechts de anderen in een zodanige toestand brengen, dat hij de vreugde in zich kan vinden en ervaren. Dus geestelijk aanvaarden.

Dat is weer dus een kwesties met vier dimensies.

Maar kom, ik heb genoeg gefilosofeerd. Als je nog wat meer wilt hebben, dan vertel je het maar en anders gaan wij sluiten.

  • Wij hadden het over daadstelling. Wanneer je de impuls hebt een daad te stellen, blijft nog de vraag, of zij op deze manier goed of kwaad zal zijn. Dit is ook weer een moeilijkheid.

Eigenlijk niet. De impuls tot daadstelling op zichzelf kan van buitenaf komen, maar dan moet er in het “Ik” een bevestiging zijn van die daadstelling, een volledige goedkeuring, wil zij vanuit het “Ik” volledig verantwoord zijn.

  • Het is dus zo, dat de impuls ontstaat door de gedachte van de geest opgevangen uit de kosmos, dus dat de geest de indruk geeft, waardoor de impulsen ontstaan.

Erg mooi gezegd, maar ik ben het er niet mee eens. U zult toch niet met mij eens zijn, dat uw idee om een kopje te drinken een daadstelling is die uit de geest voortgekomen is.

  • Neen, dat bedoel ik niet.

Ik bedoel, het verschil tussen daad en daad en dat is fout.

  • Ik bedoel de geestelijke daad.

Ja, ja, ja, maar er is geen geestelijke daad. Er is de daad en er is het bewustzijn waaruit de daad voortvloeit.

  • Maar er moet toch eerst een gedachte zijn, waaruit de daad kan voortkomen?

Nou, als ik vrouwen zo zie, dan zou ik zeggen, dat er heel veel vrouwen zijn die eerst de daad stellen en dan pas denken. Niet om hatelijk te zijn.

  • Waarom zegt u dat nu van vrouwen?

Dat zal ik u vertellen: omdat de vrouw nl. de eigenaardigheid heeft, die de man niet heeft, om zonder gedachten haar innerlijke toestand om te zetten in een daad en ze daarna in de gedachte te rationaliseren.

  • Maar je krijgt toch dat je later gaat denken: het was niet goed. Dat had je zo of zo moeten doen.

Later gaat zij heel vaak denken: wat heb ik eigenlijk gedaan?

  • Zij kan dus geen daad doen, voordat er eerst de gedachte was?

Neen, u bekijkt het verkeerd. U zegt: de daad kan er niet zijn voor de gedachte er was en nu stelt u hier gedachte identiek met bewustzijn. Maar dat is niet waar.

  • Neen, dat doe ik niet.

Dan bent u in uw redenering fout, dat kan niet anders. Want wat is de gedachte? De gedachte is een opeenvolgende reeks van beelden uit het bewustzijn, waardoor een voorstelling nauw omschreven wordt gevormd, die al dan niet in werkelijkheid kan worden omgezet.

  • Nu praat u over vrouwen met 100% vrouwelijke hormonen, naar er zijn er ook met 51%.

Ja, dat ben ik met u eens. Dus de beïnvloeding van de hersenen door interne secreties speelt hier inderdaad een stoffelijke rol, dat ben ik met u eens.

Het is misschien niet netjes dat ik de vrouw heb aangevallen enz.

  • Laten wij dan zeggen dat er vrouwen zijn met 98%. U heeft uiteindelijk alleen maar een feit geconstateerd.

Het gaat hier eigenlijk om het volgende:

Een bewustzijn omvat een totaliteit van waarden. Uit deze totaliteit van waarden kan ik een reactieveld krijgen die een onmiddellijke daadstelling wordt, zonder dat ik mijzelf het verband tussen het in mij als weten aanwezig in de daad voor mijzelf bewust kent. De daad komt altijd uit de persoonlijkheid. Maar zij kan gesteld worden onmiddellijk uit de totale persoonlijkheid, zonder een bewustzijn van rede van de daad, haar oorzaak, en zij kan gesteld worden aan de hand van een zgn. rationeel proces, waarbij uit het bewustzijn de indrukken worden vergaard en samengebracht tot één geheel. Die de al of niet wenselijkheid van de daad plus de wijze waarop zij wordt volbracht dan verder stipuleren.

  • Daar zit zo vaak de moeilijkheid in. Je denkt soms: dit moet ik doen, dit is goed en dan wordt je er weer door iets anders afgebracht.

Ja, dan moet je altijd veel rekenen. Wanneer je denkt voor jezelf: doen zonder meer, dan moet je al een voorstelling hebben van de daad. M.a.w. hier is reeds een gedachteproces gaande. Want anders denk je niet: doen of niet doen, dan doe je.

Nu kan dit proces een gedeelte niet doordringen tot je directe bewustzijn. Dus de drijfveren tot de daad zijn onderbewust. In een dergelijk geval blijkt je onderbewustzijn gebaseerd op je eigen leven en werkelijke drijfveren en niet op wat je denkt te zijn.

Alleen is het beroerde: stel je je daad op basis daarvan, dan zul je er genoegen mee moeten nemen ook voor de wereld te schijnen wat je werkelijk bent, niet wat je graag wilt blijken. Wanneer je deze consequentie dus hebt, dan moet je je daad gaan rationaliseren en dan betekent dit dat je je daad en daadmogelijkheid gaat aanpassen aan de wereld om je heen. Maar dan is het niet meer jouw daad, maar de daad van de wereld.

D.w.z.: in feite is die daad minder juist. Maar wanneer je nu erg veel waarde voor jezelf hecht aan wat de wereld van je denkt,  geeft zij toch meer vrede dan de eerste daad, die op zichzelf juister zou zijn.

  • Ja, je moet rekening houden met je fatsoen.

Weet u wat fatsoen is?

Fatsoen is het pleister op de façade, waarachter de mens zijn werkelijke wezen verbergt.

Onder ons gezegd en gezwegen, vertelt u het maar eens eerlijk: bent u fatsoenlijk?

  • Neen

Als u zegt: “Ik ben het niet”, dan heeft u een groot voordeel.

Weet u waarom? Dat zal ik u vertellen.

Fatsoen is afgeleid van vorm, het is daar een synoniem voor. Wanneer u dus zegt dat u niet fatsoenlijk bent, dan erkent u uw eigen vorm boven de vorm die de wereld u oplegt. Gefeliciteerd.

  • Maar een mens is toch veranderlijk in zijn vorm?

Als ik zie hoeveel moeite zij zich geven om hun vorm weer tot het oude figuur terug te dwingen, vooral als zij 50 zijn en zij denken aan hun 18de jaar, dan zou ik zeggen: de vorm van de mens is veranderlijk.

Maar ik zou zeggen: de uiterlijke vorm van de mens is wel veranderlijk, dus de wijze waarop hij zich voordoet, maar de werkelijke vorm van de mens niet.  De werkelijke vorm van de mens berust op waarden die veel tijdlozer zijn dan de wereld. De werkelijke vorm wordt grotendeels bepaald door je geest. Je fatsoen door de mode van de tijd. Dus zouden wij kunnen zeggen, dat je werkelijke vorm reëler is dan je uiterlijke vorm, of je fatsoen.

Wij zijn wel erg filosofisch, maar zijn wij nu onder de hand door dat probleempje heen? Enigszins? Laten wij het dan nog even goed stellen.

Je moet nooit denken: wat moet ik doen voor de wereld en wat verwacht de wereld van mij, dat ik doe? Je moet voor jezelf zeggen: wat is mijn eerste impuls? Dan ga je niet zeggen: hoe kan ik dat veranderen? Maar dan ga je zeggen: kan ik die eerste impuls volgen volgens mijn eigen idee in de wereld, ja of neen?

Zeg je neen, dan zeg je: neen, dat gaat niet door, heel eenvoudig. Zeg je ja: dan doe je dat.

Dat zeg ik hierom: Op het ogenblik dat je voor jezelf het gevoel hebt dat die daad niet past bij je huidige omstandigheden, bij de wereld waarin je leeft, dan zal die in jezelf een strijd doen ontbranden en die wilt u vermijden. Daarom onthoudt u zich van de daad en als die daadimpuls dus onderdrukt wordt, wat krijgen wij dan?

  • Complexen?

Neen. Dan krijgen wij, juist omdat je niet het complex dat uit strijd voortkomt. Dat krijg je, wanneer je je daad alleen stelt aan de hand van de uiterlijke omstandigheden. Want in een dergelijk geval zoek je naar een vervangingswaarde die wel aanvaardbaar is.

Als je iets half doet, dan heb je er geen vrede mee. Maar wanneer je iets helemaal niet doet en je moet het toch uiten, dan zoek je een uiting die voor je eigen innerlijke drijfveren aanvaardbaar is en die toch past bij de omstandigheden, waarin je volgens je besef en bewustzijn in de wereld bestaat. Dan vermijdt je het complex.

Complexen komen niet voort uit niet-handelen, maar zij komen voort uit ten halve handelen, verkeerd handelen e.d. Gedachte kan ook een handeling zijn. Iemand die de droom stelt i.p.v. de werkelijkheid.

Waarom? Omdat hij zijn handeling zo projecteert, dat zij nooit voor hemzelf volkomen en reëel wordt. De onvolledigheid van hetgeen hij in zich draagt, vormt het complex. Maar zet hij de opkomende impuls terzijde als niet aanvaardbaar, dan komt de volgende impuls tot een daadstelling op een wijze die meer aanvaardbaar is. Dan zal men op de duur die ene impuls vinden die precies past en bij de eigen persoonlijkheid en bij de eigen wereld, wanneer deze wordt omgezet in een daad, is die daad vervangen voor het totaal van niet beleefbare waarden en daadimpulsen, die voor die tijd bestonden.

Nu hoop ik maar niet dat ik de psychiaters in het haar krijg, of beter gezegd het haar van het medium? Maar ik geloof dat ik hier dan toch wel een paar punten heb aangesneden.

Ik zou zeggen: als je erover nadenkt, dan kun je misschien toch wel een paar problemen uit de weg ruimen en met die problemen – onder ons gezegd – ook zo wel eens een paar van die pijntjes, … Wie heeft gedacht dat ik zo halverwege nog eens psychiatrisch zou dokteren? Ik heb er ook geen figuur voor? Weet je dat?

Wat is de voornaamste eigenschap die een dokter moet hebben die aan geestesziekten werkt? Die moet een sympathiek uiterlijk hebben. Die moet vertrouwen inboezemen.

Maar het gekke is, dat zij iemand meer vertrouwen om zijn uiterlijk dan om zijn innerlijke waarden. Vandaar dat zij mij waarschijnlijk voor geen halfje vertrouwd zouden hebben.

Ik vind dat het nu zo welletjes wordt. Ik weet niet of jullie er ook zo over denken….. Ik zou zeggen: het spijt mij erg dat de anderen niet gekomen zijn, maar onze Elsmeier is nog voortdurend bezig met transportmoeilijkheden zo tussen duister en licht.

Ieder heeft zo zijn eigen werk. Nu hebben zij tegen mij gezegd: “Jo, voor die anderen dingen ben jij toch niet zo erg bruikbaar, ga jij maar naar die inwijdingsschool toe….. Toen heb ik gezegd: “Ja, ik wil het best doen, als ik van jullie zoveel mogelijk steun krijg.” En die heb ik gehad. Daarom ben ik erg tevreden, niet met mijzelf, maar met de resultaten die ik vanavond heb gekregen. Ik hoop dat u het ook bent. En als je het niet bent, maak je ruzie met Elsmeier en niet met mij. Afgesproken?

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf