Inwijdingsschool ODV – Les 16 – Alter ego en persoonlijke werkelijkheid

image_pdf

2  januari 1957

Het alter ego.

Wij zullen dan allereerst proberen de vele onduidelijke punten van de vorige maal toe te lichten. Daarna zullen wij weer verder gaan.

U merkt dat de normale sprekers nog niet allen aanwezig zijn. Maar waar ook de normale toehoorders allen niet aanwezig zijn, wilt u er deze keer dan wel overheen stappen?

  • Onder magisch werken zijn een paar punten behandeld, waarbij A wordt opgemerkt, dat de persoonlijkheid op andere vlakken haar evenbeeld zal hebben en dat men moet trachten hieraan zoveel mogelijk belangrijke capaciteiten toe te schrijven, die men zelf niet bezit.

Een betere formulering zou misschien zijn: meent niet te bezitten. Volgens ons denken is de mens een oneindigheid binnen de oneindigheid. Dat wil zeggen: een volledig en afgerond geheel. Wanneer wij nu het menselijk leven, wat u kent, het geestelijk deel, dat wij kennen, in het kort formuleren, dan komen wij steeds weer tot de vergelijking van een driehoek, een drie-eenheid.

Nu kan met een beetje goede wil een driehoek worden gezien als een segment van een cirkel. D.w.z. dat ons bewustzijn een segment van de totale cirkel van ons wezen is. Ons wezen bevindt zich dus op andere plaatsen evenzeer, maar waar elke bewustzijnssfeer weer een begrenzing van het wezen met zich brengt, zal onze hele cirkel dus bestaan uit een hele reeks van segmenten.

Deze segmenten zijn qua waarde allen ongeveer gelijk, qua afmeting kunnen zij iets verschillen.

Wanneer ik dus nu een tekort heb voor mijzelf en ik zeg bv.: ik ben niet moedig genoeg en ik ben niet verstandig genoeg, ik ben niet verdraagzaam genoeg, dan is het dus logisch aan te nemen dat in de volmaaktheid van mijn wezen in deze cirkel, elders in mijn ego dus, deze eigenschappen wel aanwezig zijn.

Mij realiseren dat de begrenzingen van mijn leven uiteindelijk slechts waangrenzen zijn, dus dingen voortkomend uit mijn voorstellingsvermogen en niet uit de werkelijkheid, is voor mij praktisch onmogelijk.

Ik stel mij dus voor dat die andere delen van mijn persoonlijkheid evenbeelden van mijn eigen wezen zijn. Daardoor krijg ik nl. een voorstellingsmogelijkheid. Want het eigenaardige is: ik kan mij zelf voorstellen in een andere positie, maar niet als een ander wezen.

Daardoor ga ik mijn “ik” dus projecteren. Ik projecteer het echter in een ander vlak, want in deze wereld is dit “ik” voor mij niet kenbaar. Ik realiseer mij dat alle eigenschappen, die voor mij kenbaar of voorstelbaar zijn, elders in dat gebied aanwezig moeten zijn. lk schrijf nu aan een van deze door mij voorgestelde evenbeelden – alter ego’s – alle eigenschappen toe die ik zelf niet heb. Ik stel mij verder voor dat een voortdurend contact tussen dit alter ego en mijzelf bestaat. Zo heb ik voor mijzelf het gevoel, dat voortdurend vanuit een andere wereld een compensatie van mijn eigen gebreken plaatsvindt.

Dat deze in feite uit een ander deel van mijn eigen wezen voortkomt, hoeft voor mij verder niet belangrijk te zijn. Het gaat mij hier om een voorstelling, waaraan ik mij vast kan grijpen, waarmee ik kan werken.

Hoe meer ik met deze voorstellingen werk, hoe meer ik ook de indruk krijg dat deze begeerde eigenschappen aan mij toevloeien, dat ik gesteund word.

Dit betekent dat ik eigenschappen binnen mijn wezen ook in mijn huidige vorm steeds sterker ga realiseren. Maar een voortdurende realisatie betekent ook een langzaam maar zeker vervlechten van deze verlangde eigenschappen met mijn eigen bewuste persoonlijkheid.

Dat wil dus zeggen, dat ik dus zelf bewust en beheerst en niet alleen meer als compensatie datgene bezit wat ik mij aan eigenschappen wens.

  • Dus wij moeten daar zelf ook naartoe werken?

Er is eens gezegd: dat niemand iets verwerven kan, indien hij zich niet de moeite geeft het ook werkelijk te verlangen. Een werkelijk verlangen houdt een daadwerkelijk streven in.

  • In punt B wordt gezegd, dat bij elk pogen om te werken volgens de wetten van de magie men zichzelf dient uit te schakelen. Bij het vorige punt schakel je jezelf juist in.

Neen, ook daar schakel je jezelf uit. Want je doet geen beroep op waarden in jezelf, maar op waarden die buiten het gekende geprojecteerd zijn.

Voor jou bestaan zij dus buiten je wezen. Op het ogenblik dat ik mij, binnen de wetten van de magie werkende, concentreer op mijzelf, krijg ik een werking naar binnen toe. Een werking naar binnen toe kan desnoods binnen mij een verandering betekenen, maar nooit buiten mij.

De wet van de magie betekent echter juist de verwezenlijking van bepaalde krachten, binnen mij, buiten mij. Op het ogenblik dat ik mijzelf dus belangrijker zie en meer in ogenschouw neem dan mijn omwereld en omgeving, zal de werking binnen mij plaatsvinden, waardoor het magisch verschijnsel buiten mij – waar het toch om gaat: de herconditionering van omstandigheden buiten mij – niet plaats kan vinden.

Als het u iets te vaag is, proberen wij het nog eens simpel te vertellen.

U zit in een klein vertrek en wil een bal werpen, u heeft in dat vertrek een venster. Die bal kunt u dus naar buiten werpen. Wilt u dan een bepaald doel raken, dan moet u zich echter ook niet concentreren op wat er binnen de kamer is, maar op hetgeen u door de vensteropening van de wereld buiten kunt zien. Zou u die bal binnen gooien, dan zou hij niet buiten terecht kunnen komen door een toeval.

Het gebeuren is dan onbeheerst, en wordt niet door u geredigeerd – of gedirigeerd. Zou u binnen de kamer die bal eenvoudig tegen de wanden gooien, dan is het helemaal niet onmogelijk dat de bal in zijn weerkaatsen u als herinnering aan het onmogelijke van uw streven een paar flinke builen bezorgt.

Wanneer ik, als magiër werkende, mij nu concentreer op mijzelf, dan kijk ik a.h.w. niet door het raam. Ik ben dan geheel op mijn innerlijke wereld gericht. Het resultaat is dat ik dus nooit op deze wijze in staat zal zijn om in de wereld buiten mij op een redelijk juiste wijze te mikken.

Wanneer ik dus met al mijn krachten – de bal – in de buitenwereld zou werpen, dan zou het resultaat door mij niet te berekenen, te overzien of te verwachten zijn. Maar wanneer ik mij nu in ga spannen om door het raam te zien,  realiseer ik mij: “Zo ziet het er uit, zo is het geplaatst, zover reiken mijn vermogens, dus zo moet ik mijn bal daarheen werpen, dan kan ik dat doel – wanneer ik althans enige bekwaamheid heb – met betrekkelijk grote zekerheid raken. M.a.w., dan kan ik dus het effect dat ik van de wereld buiten mij verlang, inderdaad verwerkelijken.

Daar ligt nu het verschil. Op het ogenblik dat ik tijdens een magische proef mij te veel met mijzelf bezighoud, leid ik een groot gedeelte van mijn krachten af binnen mijn wezen. Hoe sterker ik betrokken blijf bij de magische handeling, hoe minder kans er dus is dat mijn streven in de wereld buiten mij weerkaatst wordt.

  • Er wordt ook gezegd: de voorstelling van een wezen, of kracht, binnen u is voldoende om dit wezen, of deze kracht, voor u tot een realiteit te maken.

Inderdaad, wat is voor een mens bepalend? De werkelijkheid buiten hem? Of de werkelijkheid binnen hem?

  • In hem.

Juist, wat buiten u ligt moet door u eerst gewaardeerd worden. Nu is het dus in feite zo, dat wanneer ik een voorstelling zeer sterk in mij draag, deze dus voor mij tot een realiteit wordt in de wereld buiten mij. Wanneer die realiteit niet geheel met de feiten strookt, dan zal ik zelfs in mijn voorstellingsvermogen bepaalde waarderingen van de wereld wijzigen. Vanuit die buitenwereld gezien zal ik dus meerdere irrealiteiten scheppen om deze in mij levende realiteit te kunnen handhaven.

Wanneer ik mij zeer sterk voorstel dat iets bestaat, bestaat het dus voor mij werkelijk en volledig. De conclusie is: wanneer ik ergens werkelijk in geloof, bestaat het. Maar ik ga verder: kan ik mij iets voorstellen dat niet bestaanbaar is binnen het Al? Wie weet hier een antwoord op?

  • Neen.

Dus wij kunnen ons niets voorstellen dat niet bestaanbaar is. M.a.w., zelfs het meest waanzinnige beeld dat ik mij voorstel, is ergens in de Schepping een werkelijkheid. Wanneer ik nu voor mijzelf dit wezen in mijn wereld creëer, dan roep ik dit a.h.w. op. Zo breng ik dus een deel van de kosmische werkelijkheid, dat normalerwijze geen deel van de door mij ervaren werkelijkheid is, binnen mijn eigen werkelijkheid. Het enige gevaar dat hieraan voor mij verbonden blijft, is: dat ik niet meer in staat zal zijn deze tweede werkelijkheid uit mijn bewustzijn uit te schakelen op het ogenblik dat zij voor mij niet meer wenselijk is.

Wanneer u dus wenst een God te bezitten en met die God te converseren, kunt u zover gaan, dat u zich een beeld van een God opbouwt dat regelmatig bij u komt.

U kunt nog verder gaan. U kunt het zelfs zover brengen dat dit beeld ook voor anderen min of meer kenbaar wordt. Uiteindelijk kan het zelfs als een realiteit naast u staan, kenbaar voor iedereen.

Maar het zal alleen met u tezamen kenbaar zijn en door uw geloof. Op het ogenblik dat u er niet meer in gelooft, dat u zich dus realiseert dat dit slechts een schijnbeeld is en u er niet meer heen wendt, verdwijnt het weer.

  • Als anderen wensen dat het verdwijnt, zoals in de krankzinnigenverpleging?

Het is misschien eigenaardig, maar zeker is dat verplegers daarin zelden zullen slagen langs de normale weg van de gedachtekrachten. Wel kunnen zij dit doen door een persoon te conditioneren. D.w.z. door aan de erkenning en verschijningen van het beeld onaangename associaties te verbinden.

Dit zien wij bij verschillende shock-kuren, waarbij een lichamelijke reactie tegen het geestelijke verschijnsel wordt ingezet. Het beeld valt dan weg, omdat het gevreesde gevolgen heeft. Verdringing dus.

In andere gevallen kunnen wij door redenering de werkelijkheid van het beeld op de duur aantasten. Dat gaat het beste wanneer wij de oorzaak van het beeld vinden. Wanneer wij het beeld kunnen aantonen in de bron direct verbonden te zijn met waarden in het eigen leven, dan valt de distinctie – dit beeld naast mij en ik – weg en  wordt men ervan  bewust: het stamt uit mij.

Hierdoor ontstaat dan een vereenzelvigingsproces, waarbij denken en beleven langzaam weer naar het voor mensen normale terugvloeit.

Genezen is dus wel mogelijk, maar wij kunnen nooit zuiver en alleen door onze wilskracht krankzinnigen genezen. Onze wil is niet in staat om het beeld te zien en te omvatten, zoals het leeft in de krankzinnigen. Dat is daar juist het grote probleem.

Het is gemakkelijk genoeg te zeggen: “Ik heb ongeveer een visie op hetgeen zich afspeelt binnen deze gedachtewereld, dus ik ga condities daarin scheppen, waarbij de verwerkelijking van dat beeld binnen dit  “ik” steeds moeilijker wordt.”

Men kan dit vaak goed doen door middel van van een therapie, waarbij tevens de lichamelijke omstandigheden zich wijzigen. Maar dat neemt niet weg dat dit beeld als zodanig slechts zeer oppervlakkig benaderd wordt. De kern raken wij dus niet. Wij kunnen misschien de oorsprong van het beeld vinden, wij kunnen er heel veel associaties mee ontdekken. Wij kunnen het tijdens de verpleging misschien in de vorm vernietigen. Maar wat wij niet kunnen is, een voorstelling krijgen van de juiste vorm en betekenis daarvan binnen en voor de patiënt. Dat blijft onbenaderbaar.

  • Hier staat dat als wij zo’n wezen voor onszelf tot werkelijkheid maken, dit zoveel mogelijk harmonisch zal zijn, meestal  met ons eigen wezen. Is dit niet het geval, dan zal juist door deze scherpe voorstelling, die in twee delen voor ons positief en voor ons negatief uiteen valt, zodra zij in de Goddelijke kracht wordt geplaatst, een evenwichtsverstoring wekken.

Wat is voor ons de Goddelijke kracht? Het voor ons positieve in ons leven en streven. Wanneer wij vandaar uitgaan, wordt de bedoeling reeds duidelijk kenbaar. Op het ogenblik dat ik mij een dergelijk wezen voorstel en dit niet in overeenstemming is met het voor mij positieve, het voor mij aanvaardbare, zal ik bewust – of onbewust – een deel van dit wezen verwerpen. Ik krijg dan een splitsing van deze kracht in twee wezens die met elkaar in strijd zijn.

Neem maar een heel simpel voorbeeld dat wij vinden in de godsdienst.

Eenieder heeft een geleide geest, maar deze geleidegeest beantwoordde niet aan de voorstelling van goedheid en volmaaktheid die men religieus had. Anderzijds beantwoorden bepaalde daaruit voorkomende impulsen zeer zeker niet aan de voorstelling van het stoffelijk en geestelijk aanvaardbare, zoals men dit op grond van de godsdienst had.

Zo ontstond een splitsing van de persoonlijke geleidegeest in engelbewaarder en duivel.

Diezelfde splitsing zult u dus bewerkstelligen, wanneer uw voorstelling niet voldoende harmonisch is met uw eigen wezen en uw eigen wereldomgeving. U komt dan tot een oordeel over dit wezen.

In dit oordeel zal het voor u uiteen vallen tot een tweeheid, die voortdurend in strijd zijnde een voortdurend wisselende beïnvloeding van uw wezen zal betekenen.

Dit betekent voor u een verstoring van innerlijke vrede en harmonie. Daardoor ontstaat een innerlijk krachtverlies. Om over de rest nog maar niet te spreken.

  • Ik had gedacht dat God uiteindelijk positief en negatief was?

Feitelijk ongetwijfeld. Bij de magie gaan wij echter uit van praktische waarden en van wetten, zoals deze voor ons gelden.

Uitgaande van het kosmische kunnen wij natuurlijk zeggen: God is alles en in alles. Alle dingen zijn steeds uitingen van God, deel van God. In God bestaat er geen positief en geen negatief, slechts het Zijn.

Van ons standpunt uit zal, zowel al het positieve als het negatieve in God aanwezig zijn, maar positief en negatief berusten op ons oordeel.

Nu kunnen wij niet meer werkelijk leven en streven in een wereld waarin voor ons geen doel meer bestaat. Leven en streven zijn voor ons God, niet de kosmische totaliteit, doch slechts een gedeeltelijke projectie van het totale kosmische wezen dat voor ons positief is.

Wij spreken dan ook alleen over Goddelijk licht, wanneer wij de kracht en de invloed bedoelen die voor ons in dit aspect van het geheel kenbaar is.

  • Dus doen wij er goed aan geen krachten op roepen, of te erkennen, waarvan onze voorstelling onvolledig is. Het is voor ons noodzakelijk ons een voorstelling te maken, zowel van hun eigenschappen en mogelijkheden als van hun gestalte?

Daar kan ik u een aardig voorbeeld van geven. Er bestaat een demon, Asjmodai genaamd, ook Asmodeus. Hij is de tegenpool van het erkend Goddelijke. Een vorst van de duisternis.

Wanneer wij ons deze in het totaal van zijn wezen voor kunnen stellen, dan is hij voor ons negatief. Dus zullen wij nooit trachten met deze kracht te gaan werken. Maar nu zijn er o.a. in de Rheinland-Pfalz, monniken geweest die dit wezen slechts onvolledig overzagen. Zij dachten dat op de negatieve, dus negatieve werking van dit wezen, een uitzondering kon worden verkregen. Vandaar dat zij kwamen tot een duivelsverering, waarbij zij trachtten om de demon, het negatieve – hier door Asjmodai vertegenwoordigd – zo tevreden te stellen en dat hij hen uit zou schakelen uit het negativistische streven dat zijn wezen kenmerkt.

Oorspronkelijk was dus hun bedoeling eenvoudiger zo tot God te komen. Maar indien zij zich het wezen van Asjmodai in volledige zin zouden hebben gerealiseerd, dan zouden zij ook begrepen hebben dat juist de vorst van de onderwereld nooit licht kan tolereren. Elke verering van deze kracht brengt dus reeds op zichzelf een negativering van elk redelijk streven, van alles wat waarlijk leven en bestaan voor een mens moeten betekenen.

Alle verval dat in de duivelsverering naar voren is gekomen, zoals de zwarte mis en een geheel teloor gaan van alle moraal en verantwoordelijkheidsbesef, alle verslaafdheid, is uiteindelijk naar voren gekomen door een niet begrijpen van een kracht, die in wezen en streven negatief is t.o.v. deze wereld.  Een dergelijke kracht dient daarom te worden genegeerd.

Misschien klinkt dat eigenaardig. Maar je zou het bv. algebraïsch kunnen zeggen. Dan is het simpeler. Wanneer men u daar vraagt wat is min maal min, dan zegt u reeds het eerste beste kind : dat is plus.

Wanneer ik een negatieve invloed negeer, dan zal juist door deze negatie haar invloed voor mij positief verschijnen. Zij zal door mij dan ook als zodanig verwerkt worden en dus een stimulans zijn voor mijn positief streven. Maar op het ogenblik dat ik mij positief tegen een negatieve stroming richt, schep ik een tegenstelling. Het resultaat is dan negatief, nooit positief.

  • Uiteindelijk zouden wij toch onze krachten daar boven moeten kunnen stellen?

U zou alleen, wanneer u zelf buitengewoon sterk zou zijn, ten koste van uw kracht die andere kracht negligable kunnen maken, maar u zou ze nooit teniet kunnen doen. Zolang je strijdt, houd je ook tegenstanders. De strijdvaardigheid in zichzelf betekent reeds het wekken van de vijandschap in anderen.

Wanneer u  dit kunt begrijpen, zult u ook kunnen begrijpen, waarom het in vele gevallen beter is om niet strijdvaardig en actief te zijn tegenover ongewenste waarden, maar deze eenvoudig te laten rusten en alleen de resultaten daarvan binnen het eigen streven zo positief mogelijk te gebruiken.

Dat klinkt velen op deze aarde ongetwijfeld als ketterij in het oor. Maar toch is het een feit. Wanneer u een voorbeeld wilt hebben: kijkt u dan maar eens naar de drankbestrijding. Op het ogenblik dat wij eenvoudig het drankgebruik negeren, dus ook alle verschijnselen daarvan uit ons bewustzijn omtrent onze omgeving bannen, dan zullen wij het verkrijgen van een bevredigende roes uit onze omgeving bannen en zonder haar op zich onbereikbaar te maken. Door anderen zou dan de dronkenschap niet meer aanvaard worden. Het negatief staan t.o.v. het misbruik geeft enerzijds de mogelijkheid tot het genieten van alcohol binnen het redelijke, het neemt anderzijds de verbodsprikkel weg. Al het verbodene trekt ons nu eenmaal met verdubbelde krachten aan.

Op deze wijze krijgen wij dus juist door de negatie een mooie aanvaardbare en zelfs nuttige regeling. Maar in de Verenigde Staten meende men indertijd alles droog te moeten leggen. Wat was het resultaat? Dat nooit meer mensen grotere kwantiteiten van slechtere alcohol hebben gebruikt dan juist in die tijd.

Hier was dus de actieve bestrijding een wekken van negatieve waarden in geheel het volk. Zet dit voorbeeld nu eens om in waarden die gelden voor uzelf, dan zult u zeker ontdekken waarom wij het negatieve het beste negeren.

Een ander voorbeeld: Er zijn mensen die een zeker gebrek hebben, een remming, waardoor zij stotteren, of zij maken eigenaardige gewoontegebaren. Zij zijn ongewoon verlegen, of brutaal. Wanneer je daarop gaat letten, dan vererger je daarmee de kwaal.

Op het ogenblik dat zij je niet interesseert, waardoor je het verschijnsel negeert en het geheel aanvaardt als normaal, zie je het verschijnsel aanmerkelijk afnemen.

Hierop bestaat slechts één uitzondering: De kwaal zal hierdoor kunnen verergeren, wanneer zij een uiting is van agressiviteit t.o.v. de wereld en dus een wekken van belangstelling beoogt. Dus zijn andere waarden mede van invloed en ontstaat door het negeren uiteindelijk misschien een frustratie. Maar dan dwingt de toename van het verschijnsel ons het geheel uit ons bewustzijn te bannen.

Voor ons is dus in alle gevallen het negeren van het negatieve winst. Voor de veroorzakende personen, die eerlijk zijn in het verschijnsel, is het ook winst. Alleen voor degenen die in zich negatief streven, is deze houding van ons een verlies. Want zij kunnen door onze negatie immers de verstoring van de normale gang van zaken, die wij wensen, niet meer bereiken? Dit is voor ons dan echter het enig acceptabele. Enfin. Ik laat het hier dan maar bij.

  • Werkt de echte magiër dus alleen met persoonlijkheden die hijzelf schept? Of werkt hij ook met entiteiten die in het Al bestaan?

De personen die hij zichzelf schept, zijn replica van entiteiten die in het Al bestaan. Hij zal dus altijd uiteindelijk werken met bestaande krachten. Maar het is een feit dat de magiër uiteindelijk meestal werkt met krachten, omtrent welke hij een zuiver beeld heeft verkregen.

Die zijn dus eigenlijk een beetje gestandaardiseerd. Net zoals tegenwoordig vele van uw filmsterren. Er zijn tegenwoordig veel filmsterren die op elkaar lijken als twee postzegels van een dubbeltje. Zo heeft men reeds vroeger in de magie langzamerhand een geformaliseerd beeld van de demonen verkregen.

Dit algemeen aanvaarde beeld wordt door de doorsnee magiër dan ook gebruikt. Hierbij blijkt dus dat hij werkt met entiteiten van wie het beeld op aarde – juist of niet – gestandaardiseerd is.

De entiteit op zichzelf is in ieder geval werkelijk, de voorstelling die van de entiteit bestaat, is bij de magiër persoonlijk. Meestal een beeld dat ontstaat aan de hand van algemeen bekende richtlijnen, maar bovendien in zich een meer persoonlijke aanvulling draagt. Daarmee kunnen wij dus zeggen: dat het beeld wel zelfgeschapen is, maar toch werktuigelijk is voor wel bestaande krachten of entiteiten in het Al, die zich dan ook daarin geheel of gedeeltelijk kunnen openbaren.

  • Hier verderop staat dan nog: Dus doen wij er goed aan, geen geestelijke krachten aan te roepen die wij niet kennen.

Natuurlijk. Hoe vaak wordt men niet verleid, vooral wanneer men pas in de magie begint te praktiseren, nu maar eens even een oude formule te gebruiken. Wanneer dan daarin een naam staat die wij niet kennen, gebruiken wij die dan toch maar, want het hoort er nu eenmaal bij.

Maar als je dan bv. – zoals in de oude Arabische magie Rey es Shektar roept – een hoofd van de djinni – dan is deze gestalte voor ons schrikwekkend, wij kennen haar niet, wij gebruiken die formule. Stel dat voor ons deze figuur door onze verhoogde sensitiviteit zeer reëel, maar niet voor ons draaglijk of aanvaardbaar gesteld wordt. Dan zijn wij niet meer in staat daar tegenop te komen. Het beeld beheerst ons dan in plaats dat wij het beeld beheersen. Dan kan het wel eens gebeuren dat juist daardoor een macht uit een andere wereld – ik zeg opzettelijk hier niet “Demon”- in zijn ware gestalte krachten in en machten over ons verkrijgt. Dit kan dan voor ons vanuit een menselijk standpunt negatief – dus voor ons wezen en streven  -vernietigend zijn. Zoiets kunnen wij niet riskeren.

  • Dus wij kunnen wel buiten onszelf een persoonlijkheid creëren die goed is?

Zeer zeker. Wij kunnen onverschillig wat wij ook wensen voor onszelf zo creëren, omdat hetgeen wij creëren ergens in het Al altijd zijn evenbeeld wel vindt.  Mits onze instelling zuiver genoeg is – dus de intentie die met dit beeld wordt omkleed zuiver is – zullen wij deze intentie ook weer zuiver verkrijgen, in harmonie met dat deel van de kosmos dat wij in gedachten voor onszelf verwerkelijken en zo in onze wereld verwerkelijken, ofschoon de oorzakelijke kracht dus in onze wereld niet reëel heet te zijn.

  • Voor welke doeleinden kan men dit dan doen?

Voor praktisch elk doeleinde. Wil je er mee gaan spelen, dan kun je je zelfs een paar natuurgeesten aanschaffen om je kopje thee, of koffie naar je mond te brengen en desnoods nog je sokken voor je stoppen ook.

Dat klinkt misschien dwaas, maar zelfs dit valt binnen de mogelijkheden.

Je kunt ook proberen een groot gedeelte van het volk zo te beheersen, of om zieken te genezen. Je kunt misschien zo bovennatuurlijke gebeurtenissen plaats doen vinden. Waarom zou je niet door de lucht vliegen? Dus nog meer dan de Tibetanen doen.

De Long-gumpa’s hebben daar – zo men zegt – een gang gevonden zo licht en snel, dat zij in het schrijden zelfs geen grasblad buigen.

Waarom zou je je met voldoende krachten niet zelfs boven de wereld verheffen en rustig zwevende op 2 of 2½ m hoogte door de straten gaan?

Dit alles is mogelijk. Onthoud één ding: alleen wanneer wij er een bepaald doel mee nastreven is het de moeite waard.

  • U bedoelt het genezen van mensen?

O.a. het is een mogelijkheid. Ik had ook het doden van mensen kunnen noemen, want ook dat is een mogelijkheid. Maar dat is meestal zwarte magie, u vraagt naar de mogelijkheden en ik heb u er enkele opgenoemd.

  • Vele mensen concentreren in deze tijden zich op het goede om zo de wereld te verbeteren. Dat is dan toch ook hetzelfde?

Ja, maar heeft dat denken een brandpunt?

  • Dat moet je wel hebben. De één noemt het zo en de ander zus.

Je moet dus allereerst een gezamenlijk brandpunt hebben. U spreekt van een gezamenlijke tijd, maar dat is niet zo heel erg belangrijk. Indien men een gezamenlijk brandpunt heeft, acht ik het heel wel mogelijk dat men daar iets mee bereikt voor anderen.

De wetten van de magie zeggen: dat alles wat je voor anderen doet, indirect ook voor jezelf is gedaan.

  • Uit het verslag vernam ik dat de magiër elke kracht die hij in het Goddelijke stelt, ongeacht haar wereld of dimensionale verhoudingen, gedeeltelijk realiseren kan in zijn eigen wereld. Mijn vraag is nu: dan kan de magiër dus nooit werken met een kracht die geheel en ten volle geopenbaard wordt in de wereld waarin hijzelf leeft?

Waar wij werken met een kracht, die hetzij door weerkaatsing, hetzij onmiddellijk haar bron vindt in een andere wereld – dus een ander dan het door ons erkende vlak – moet altijd een deel van die kracht in de andere wereld blijven bestaan en kan dus nooit het geheel bij ons kenbaar worden. De werking zelf stelt als voorwaarde, het aanwezig zijn van deze kracht, of een deel daarvan in die andere wereld.

Zij kan dus in onze wereld nooit geheel en concreet geuit worden.

Op het ogenblik dat dit het geval zou zijn, zou die kracht immers in de andere wereld niet meer bestaan? Hiermee valt dan het voor de magie vooropgestelde, de wisselwerking tussen twee werelden, weg.

Neem nu bv. eens een God: Hermes. Neem aan dat hij in een andere wereld bestaat, bv. de olympische wereld. Ik ga mij deze figuur concretiseren. Op het ogenblik dat ik hem niet meer als verschijnsel of verschijning, maar als mens binnen deze wereld stel, onttrekt hij zich aan mijn beheersing. Want hij is immers nu geheel mens geworden? Dat is punt één. Er bestaat dus geen aanrakingsvlak tussen ons meer in een andere wereld.

In de tweede plaats bestaat hij niet meer in die andere wereld en bezit dus ook de capaciteiten van die andere wereld niet meer. Hierdoor valt de mogelijke verwerkelijking, die het doel was van mijn concretiseren, waarschijnlijk weg. Zeker in ieder geval zover het mijn magisch werken betreft.

Hieruit blijkt u, meen ik wel, dat een volledig concretisering in uw eigen wereld het magisch aspect weg doet vallen en daarvoor in de plaats stelt, die niet meer beheerst kan worden noch door innerlijke harmonie noch door uiterlijke werkingen.

  • Je moet dus wel heel precies weten wat de dingen zijn en wat je ermee doet?

Weten wat je ermee doet, is zelfs nog belangrijker dan weten waar je ze vandaan haalt. Wanneer wij geen doel hebben, dan komen er ongelukken van.

Voorbeeld: u steekt een lucifer aan om iemand vuur te geven, u weet niet precies hoe of waar. U houdt dus dat vlammetje zomaar ergens. Dan kunt u brandschade aan kleding krijgen, maar ook geschroeide zitvlakken, of beblaarde neuzen, het feit dat gij de lucifer aansteekt op zich is niet voldoende. Zij moet gebruikt worden om bv. een sigaret, kaars of gasvlam aan te steken. Dus daar waar het vuur ook werkelijk nodig hebben.

Doet men dat niet, dan verspilt men op zijn minst de lucifer. Past men de kracht van de lucifer willekeurig zomaar ergens toe, dan bestaat ook de kans dat men er een hele stadswijk mee in de as legt. Zoiets kan vanuit mijn standpunt nooit positief zijn.

Je hoeft dus niet precies te weten hoe een lucifer in elkaar zit, maar je moet wel weten, dat het een lucifer is en hoe en waar je hem gebruiken moet.

Nu er geen vragen meer zijn, lijkt het mij wel aardig om een ogenblikje verder te gaan met verschillende stellingen en leringen. Hierbij wil ik uitgaan van verschillende regels, die ook onze vriend Elsmeier u reeds heeft voorgesteld.

Voor u zijn er op de wereld – en ook voor mij – onvergelijkbare waarden. D.w.z.: één en hetzelfde punt kan voor bv. drie verschillende personen ook drie verschillende concretiseringen hebben. Het zal dus door de één anders worden uitgedrukt dan door de ander. Het wezen is voortdurend gelijkelijk in de kosmos uitgedrukt. Maar het is onmogelijk de formules, waarin het door A, B en C wordt geconcretiseerd, als onderling vergelijkbare waarden te beschouwen. Het kennen berust dus op een wel zeer persoonlijk omschrijvingsvermogen.

Het is goed dat wij hiermede rekening leren houden. Want het relatieve in alle waarneming en in alle definitie kan ons, indien wij het beseffen, goed ten stade komen wanneer wij gaan bewegen op een meerdimensionaal vlak.

Het meer dimensionale vlak brengt met zich mee een reeks van associaties in het niet direct kenbare. Indien ik dit zo stel, betekent het dat elk meerdimensionaal beleven en werken in feite afhankelijk is van het persoonlijke raakpunt, dat wij vinden met de buiten onze eigen wereld liggende dimensies. Zo zal dan elk beleven, elk werken, ja, zelfs elk waarnemen op een meerdimensionaal vlak afhankelijk zijn van de persoonlijke instelling.

Hieruit volgt: dat ik mij nooit baseren kan op de benaderingen van een ander bij het zoeken naar bepaalde belevingen, die de normale wereld te boven gaan. Slechts vanuit het “ik” is een realisatie mogelijk.

Vanuit het “ik” realiserende wordt voor mij een deel werkelijkheid, dat door een ander niet zo kan worden ervaren, omdat zijn associatie met die werkelijkheid nu eenmaal een andere is.

Als u dit alles heeft begrepen, gaan wij het omzetten voor ons in een paar punten.

Tijd, tijdsverschuiving en tijds overzicht effecten als een meerdimensionaal beleven moeten te allen tijde onmiddellijk afhankelijk worden gesteld van de persoonlijkheid zelf en de persoonlijke tijdsconstante.

Het tweede punt is: elke associatie in het meerdimensionale vlak is afhankelijk van de stoffelijke waarden waaruit zij plaatsvindt, doch wel afhankelijk van de conceptie van de mogelijke associaties tussen wereld en het meerdimensionale.

  • Daar moet ik eerst eens over denken.

Dan moeten wij dit dus voor u vereenvoudigen. Uw wereld is voor iedereen gelijk. D.w.z. dat men meent dat ieder ander volledig gelijkelijk alle waarden ziet en ondergaat als men dit zelf doet. De verschillen van gevoelsbeleving worden toegeschreven aan verschil van persoonlijkheid en niet aan het mogelijk bestaan van andere waarden in de wereld.

Dit betekent dat vanuit uw standpunt uw wereld een concrete wereld genoemd kan worden. Volgens het hieruit voortvloeiende zou het dus waar moeten zijn, dat als A, gezeten in een bepaalde autobus op een bepaalde plaats gedurende een bepaald deel van de route, een occulte ervaring heeft die een contact betekent met een bepaald gebied, een ander theoretisch bij een gelijke instelling op gelijke plaats en onder gelijke omstandigheden, de gelijke ervaring zou moeten hebben.

Eigenaardig is hier niet alleen sprake van concrete waarden. De stemming, die bij A opkomt in die autobus, kan bij u misschien wel in een trein, een vliegtuig, of een vissersbootje opkomen,

Op het ogenblik dat het ervaringsmoment dezelfde waarden bereikt, krijgen wij dan ook dezelfde belevingsmogelijkheid, maar waar de beleving in het meerdimensionale vlak dan wordt gecombineerd met een andere stoffelijke toestand, zal de uitdrukking, de impressie ervan te allen tijde een andere zijn.

In de autobus kan B echter niet tot een gelijke belevingsmogelijkheid komen. Wanneer u dit nu begrijpt, kunt u met een beetje nalezen die eerste zin ook wel snappen.

  • De ene persoon beleeft zijn wereld en de andere zijn wereld. Er zijn dus verschillende werelden?

Neen. Dit is onder deze omstandigheden niet aanvaardbaar. Wij moeten, als beperkte wezens, aannemen dat ergens in onze wereld een vaste waarde is. Deze vaste waarde moeten wij zoeken in de wereld die voor ons het duidelijkst en het zuiverst kenbaar is. Dit, opdat ons begrip daarvan zoveel omvattend en zo duidelijk mogelijk zij.

Dit houdt in, dat de wereld, waarin wij bewust leven, voor ons het vaste punt is, van waaruit onze belevingen en associaties plaats moeten vinden.

Dit houdt dus ook in, dat wanneer wij gaan spreken over verschillende werelden, de stoffelijke wereld A en de stoffelijke wereld B, wij een scheiding teweeg gaan brengen tussen de werelden A en B, die voor geen van de beide personen, gezien hun werkelijkheidspunt, aanvaardbaar kan zijn.

Ik mag dus niet zeggen dat de wereld van deze beiden anders is. Maar dat de realisatie, van toestanden binnen deze wereld i.v.m. realisaties van andere werelden, anders is.

Dan kan ik zeggen: dat zowel plaats binnen deze reëel genoemde wereld als omstandigheden, als drukte en stilte e.d., plus hun eigen instelling, bepalend zijn voor het punt dat in andere werelden gerealiseerd wordt, zodat dus op grond hiervan, vanuit verschillende plaatsen, door geheel verschillende personen een bepaald punt in de meerdimensionale wereld gerealiseerd kan worden. Dit ondanks het feit dat hun benadering hiervan een geheel verschillende is.

  • Dus weer: relativiteit?

Ja en neen, het wordt gevaarlijk hier teveel op terug te komen, want dan verwarren wij de zaak. Zeg het liever zo:

Elk punt in het meerdimensionale wordt omringd door een reeks van convergerende paden, die vanuit verschillende punten in de reële wereld een benadering van hetzelfde punt mogelijk maken.

De sleutel voor elk pad bestaat hierbij dan uit een combinatie van persoonlijk beleven – dus gevoelsbeleving plus plaats, dus omstandigheden en krachten.

Om het dus simpel te zeggen: de sleutel tot de meerdimensionale werelden draag je gedeeltelijk in jezelf, maar alleen de waarde in jezelf is toch niet geheel voldoende. Er moeten uiterlijke omstandigheden bijkomen om een bepaald resultaat in de meerdimensionale werelden mogelijk te maken.

Nu gaan wij nog een ander puntje afdoen.

Wanneer ik de meerdimensionale wereld zie t.o.v. mijn eigen wereld, dan kan ik haar als volgt uitdrukken:

De meerdimensionale wereld, genoemd Z, bestaat uit B = bekende wereld plus X = de ongekende waarde.

Dit vertalende kom ik tot de conclusie, dat ik voor B het beste kan zeggen: de door mij bewust als reëel aanvaarde wereld; dat ik voor X kan zeggen: het totaal van mijn innerlijke eigenschappen, in zoverre zij niet onmiddellijk en bewust met de wereld verweven zijn, terwijl ik voor Z moet zeggen: een aspect van mijn wezen dat binnen de wereld die ik ken, kenbaar en aanvaardbaar is.

Nu kom ik tot de conclusie: dat elk meer dimensionaal beleven een werkelijkheidsbeleving is binnen mijn eigen persoonlijkheid door mijn eigen persoonlijkheid, evenwel liggende buiten de grenzen van mijn normaal bewustzijn.

Waar het ligt buiten de grenzen van mijn normaal bewustzijn, zal het evenzeer liggen buiten de grenzen van mijn redelijk vermogen. Elk betrekken van mijn redelijke vermogens op de meerdimensionale wereld zal stuiten op het schijnbaar onredelijke van de meerdimensionale ruimte t.o.v. de door mij gekende wereld.

Schijnbaar onredelijke, omdat er in feite natuurlijk noch het redelijke noch het onredelijke bestaat. Want rede is alleen de motor waarmee je iets meet. Maar je kunt nooit de kwaliteit van een stof gaan bepalen aan de hand van het aantal meters dat er op de rol zit. Natuurlijk komt dat wel voor.

Er zijn bv. mensen die de geestelijke waarde van een dominee af meten aan de lengte van zijn preken. Iets wat natuurlijk t.o.v. de werkelijkheid maar al te vaak een bittere zaak wordt.

Zo meet men vaak de kwaliteit van een staatsman aan de uitkeringen die hij het volk doet. Iets, wat al evenzeer een foutieve methode is.

In feite bestaat dus de meerdimensionale wereld, die voor een magisch werken noodzakelijk is, uit een onredelijke additie op onze redelijke wereld.

  • Je moet – als ik het goed begrijp – dus eerst jezelf kennen, voor je iets kunt gaan doen. Maar hoe weet je nu dat je jezelf kent?

Volledige zelfkennis is iets, waar wij allen naar streven. Maar algehele zelfkennis komt uiteindelijk gelijk met een identificatie van het “ik” met het Goddelijke als deel daarvan. Maar een zelfkennis, zoals men dit in onze werelden beschouwt, moet m.i. omschreven worden met een zo juist en aanvaardbaar mogelijk beeld hebben van het “Ik” binnen de waarden van je eigen wereld. Dit is zeker noodzakelijk.

Wij moeten het punt van uitgang kunnen omschrijven. Toch gaat het mij daar op het ogenblik niet om. Voor mij gaat het er nu vooral om, dat op het ogenblik dat wij de aspecten van de meerdimensionale wereld kunnen leren kennen, bereiken of daarin gaan werken, wij te allen tijde komen tot een onredelijk element in ons handelen en denken volgens onze eigen wereld. Dat is dan de kern van alle magie.

Alle magie is schijnbaar onredelijk. Niet alleen dat zij ons stellingen brengt die niet door de rede ondersteund kunnen worden, maar zelfs in haar benadering daarvan is zij schijnbaar irrationeel.

Zij gaat dus zonder kenbare samenhang te werk. Haar hele bereiken berust op een identificeren van bepaalde beelden en klanken met andere identificaties, omschrijvingen van waarden, die geen redelijke bestaansnorm kennen.

Toch moeten wij met de magie leren werken. Daarom is het wel in de eerste plaats noodzakelijk, dat wij goed begrijpen dat werken met de waarden van de magie eigenlijk steeds een uitgrijpen is in de waarden van een meerdimensionaal vlak.

Wij zullen dus bij de weerkaatsing van deze werkingen nooit af mogen gaan bij een beoordelen van de werkingen en uiteindelijke resultaten op ons redelijk oordeel, noch ons gebonden achten aan de redelijke  mogelijkheden.

Wij zullen hier de volgende keer een beschouwing even vast knopen over de mogelijke reden en waarden die wij dan moeten gebruiken. Want als het redelijke wegvalt, wat zullen wij dan nodig hebben?

  • Er is dus altijd een verrassend element in de magische werking?

Ja. Het verrassende moment in de magie is eigenlijk dit:

Wanneer bij de magiër zijn magie niet lukt, denkt hij dat hij gek is. Wanneer zij wel lukt, denkt hij dat de wereld gek is.

Dat is het meest verrassende element, omdat ook in de magiër, ondanks eigen geloof, gevoel en het uiterlijk dat hij de wereld toont, een voortdurende twijfel zal blijven bestaan aan het uiteindelijke resultaat van zijn werk.

Het bereiken daarvan is dan ook voortdurend voor de magiër ontstellend, zij het dat hij op de duur natuurlijk leert deze ontsteltenis gemakkelijk te verwerken. Het is toch altijd enigszins ontstellend voor hem, terwijl een falen – door twijfel aan eigen weten en waarden – zo mogelijk nog veel ontstellender is. In beide gevallen wordt iets verstoord.

In het eerste geval zijn aanblik en aanvaarden van een redelijke en rationele wereld, die door zijn eigen ingrijpen nu plotseling blijkt ook voor hem irrationele aspecten te hebben.

In het andere geval is het het beeld van het eigen “ik” dat misschien nog harder en scherper wordt verstoord. Dit staat weer in verband met een wisselwerking tussen de uit het meerdimensionale vlak weerkaatste werking en de magiër zelf. Bij een falen zal hij de invloed hiervan natuurlijk veel pittiger ondergaan.

Eigenlijk zijn al deze dingen goed voor een volgende keer.

De persoonlijke werkelijkheid.

U heeft nu zelf de keuze hoe en waarmee wij verder gaan.

  • Over de mogelijkheden van de magie en haar evt. gebruik.

Dat is eigenlijk nog niet helemaal juist gezegd. Ik voel echter wel zo ongeveer aan waar u heen wilt gaan. Ik vang hier nl. een verwarde massa van gedachten op. Ik meen dat het hier dan in feite gaat over de persoonlijke realiteit en de mogelijkheid hieruit bepaalde werkingen in de wereld te stellen.

  • Ja.

Dan moeten wij wel allereerst beginnen met even na te denken over de persoonlijke realiteit. Ik heb nl. altijd een persoonlijke werkelijkheid. Deze ligt niet – ook al denk ik misschien zelf vaak van wel – geheel binnen het redelijke.

Mijn waarnemingen van de verschijnselen in de wereld zijn wel volgens mij mogelijk, maar ik baseer mijn schijnbaar redelijk oordeel en besluiten op een reeks van in mijzelf vastliggende waarden. Waarden, waarvoor ik in de wereld vaak noch enig bewijs, noch enige reden heb.

Er zijn veel mensen die hun handelingen in de wereld en hun oordeel over de wereld baseren op een begrip van eigen meerderwaardigheid tegenover de andere individuen in die wereld. In feite is daar meestal heel weinig reden voor.

Laten wij dus maar beginnen met vast te stellen dat een persoonlijke realiteit nooit een geheel redelijke realiteit is.

Dit is wel erg belangrijk, want het begrip “rede” brengt voor ons met zich mede, het “beredeneren”. D.w.z. het met redenen redelijk beleggen van feiten, handelingen e.d. In de magie is een dergelijke redelijkheid al geheel niet mogelijk.

De magische werkingen betreffen wel in de eerste plaats onze persoonlijkheid. In onze persoonlijkheid zijn nu eenmaal bepaalde onredelijke elementen mee verwerkt. Denk naar eens aan uw gevoelsleven. Hoe vaak is dat niet meer geheel overzienbaar, laat staan redelijk en geheel met redenen en bewijzen beleefbaar.

Nu moet ik in de magie vanuit mijn eigen wezen een andere wereld gaan benaderen, die redelijk voor mij geheel niet kan bestaan. Zij is voor mij niet direct kenbaar, zij gehoorzaamt niet aan wetten die ik ken, of kan begrijpen, of slechts ten delen aan wetten die ik ken.

Ik kan haar gedrag en relatie niet berekenen aan waarden die voor mij bekend en begrijpelijk zijn. Hier heb ik dus helemaal geen redelijke elementen meer.

Dan houdt dit in, dat mijn magie te allen tijde onredelijk is. Dat is dan het punt dat u wel het meeste heeft beredeneerd. De vraag wordt dan: Hoe kan ik de onredelijkheid – schijnbare onredelijkheid – in overeenstemming brengen met een redelijk streven en werken in onze eigen wereld? Want dat laatste is toch wel voor ons noodzakelijk.

Alle redelijk kenbare waarde is slechts een voor mij kenbaar en beheersbaar deel van de werkelijkheid.

Indien ik nu op deze manier mijn wezen en werken ga bekijken, zeg ik: In mij leven dus een aantal waarden, die door mij niet, of niet volledig beheerst worden en dientengevolge dus in mijn wereld geen vaste, of vaststelbare, waarde hebben. Daaronder zijn mijn gevoelens en alle waarnemingen die niet zintuiglijk en continu door mij gebeuren.

Daaruit volgt dat ik mij bij magische werkingen en procedures nooit kan baseren op de dingen die ik ken, volgens mijn verstand. Zij ligt buiten de capaciteiten van mijn verstandelijke vermogens. Ik kan haar wel benaderen in haar proces, of in haar procedure. Zelfs langs de redelijke weg.

Ik kan vaststellen: deze en gene waarden zijn ermee verknoopt. Maar ik kan dat nooit doen op een wijze die toelaat dit vast te stellen. Dus is het dit, dat dat veroorzaakt.

Magie brengt mij allereerst tot de vaststelling dat een bepaald complex van handelingen en incantaties een bepaald gevolg hebben en vaak zal hebben, indien mijn gevoelsinhoud gelijk blijft t.o.v. de waarden die ik aanroep.

  • Kunnen wij die niet ervaren?

Neen, die kunt u juist niet ervaren. Dat is nu juist de grote moeilijkheid.

  • Dus een kwestie van vertrouwen?

Neen. Het is ook niet een kwestie van vertrouwen. Het beeld dat ik maak van de invloed waarmee ik werk, ontstaat voor mij uit in mij aanwezige voorstellingen. Een fantasie voor mijn part. Een beeld, waarvoor ik dus redelijk geheel geen aanleiding heb, of heel weinig. Het is een beeld dat groeit uit mijn gevoelens, uit mijn weten, kortom, uit alles tezamen. Het is een conglomeraat van in mij bestaande waarden en dingen die ik geleerd heb, maar op een wijze, waarvoor ik geen enkele redelijke verklaring heb. Aardig, hè?

Dat is dus een beeld dat ik bij een meer redelijke benadering van de magie dus zomaar als een axioma aan moet nemen.

  • Je moet eerst maar bereid zijn om dat te doen.

Als je niet bereidt bent om te doen, kun je ook niet komen tot een magisch werken. Dat is het logische gevolg.

Ik wil het zelfs nog wat sterker uitdrukken:

Elke mens die zich in zijn leven alleen op het redelijke wil baseren, zal niet eens als mens kunnen leven, het menselijk element in ons leven en beleven ligt juist in het gedeeltelijk onredelijke, dat boven de rede uitgrijpende aan de rede een inhoud geeft, die wij zonder dat nooit zouden kunnen verwerven.

Wij gaan nu verder en vragen: Hoe kan ik die magie gaan gebruiken?

In de eerste plaats moet ik natuurlijk een doel hebben. Dat doel zal onredelijk zijn. Wanneer ik een zuiver redelijk doel kies, dan loop ik al vast. Want dan kan ik het beter en gemakkelijker normaal bereiken. Alles wat redelijk is voor mij, kan ik dus gemakkelijker langs een normale weg bereiken dan langs de weg van de magie.

Wij mogen dus nooit denken dat de magie een soort verkort weggetje is om resultaten gemakkelijker te bereiken, die wij ook op andere manier zouden kunnen bereiken. Want via de weg van de magie kosten zij ons in verhouding veel meer. De kostprijs wordt te groot en ons streven geeft ons dus geen resultaat. Dan gaat je geestelijke balans op de duur zo aan het zwaaien, dat je op de duur failliet gaat. Wij stellen nu: mijn doel ligt buiten het redelijke. Mijn magisch werken is dus steeds gericht op het bereiken van iets, wat normaal onbereikbaar lijkt.

Voorbeeld: Wanneer ik dus een genezing tracht te bereiken langs de magisch weg, dan volbreng ik iets dat redelijkerwijze niet zo, zeker niet op deze wijze in dit tempo en met deze resultaten te bereiken is.

Nu heeft een mens hoofdpijn. Ik wil hem daar langs magisch weg afhelpen. Geen magnetiseren of zo, maar zuiver de magische weg. Dan is dit redelijkerwijze niet mogelijk. Voor die hoofdpijn zijn er oorzaken, die liggen in het zenuwstelsel, oververmoeidheid, of oorzaken die zuiver lichamelijk zijn. Redelijk kan ik vaak deze oorzaak niet eens kennen.

In ieder geval kan ik niet redelijk verklaren dat ik zonder enig kenbaar contact deze waarden om zal zetten, om dit redelijk toch mogelijk te maken, moet er allereerst tussen de ander en mijzelf een zekere sympathie bestaan.

Ik benader dus vanuit mijzelf die andere persoon. Dit is voor mij niet redelijk, want indien ik dit goed doe, verloochen ik tijdelijk hiermee een deel van mijn eigen “ik”. Nu tracht ik in mijzelf te veranderen wat eigenlijk binnen die ander veranderd zou moeten worden. Ik induceer dus bepaalde wijzigingen in die ander. Toch zijn dat wijzigingen die ik in mijzelf niet eens als noodzakelijk, of mogelijk, ken of erken. Ik ga automatisch corrigeren.

Het ontleden van de oorzaken geschiedt dus onbewust en is niet redelijk. De factoren die verbeterd moeten worden, verbeter ik al evenzeer onbewust door middel van een concentratie in mijzelf.  Ik projecteer het geheel van de in mij liggende en ten dele onbewuste waarden op een vlak dat boven het stoffelijke ligt.

In dit stoffelijke vind ik een raakpunt met de persoon in kwestie. Zo induceer ik langs deze indirecte weg de in mij bestaande stromingen in het lichaam van mijn patiënt.

De veranderingen die daarin plaatsvinden, zorgen er dan voor dat de hoofdpijn op de duur geheel is weggenomen. Doe ik het goed, dan zal de verlichting van de pijn haast ogenblikkelijk zijn. Doe ik dit slecht, dan is er geen praktisch resultaat. Door dit onredelijke wordt het voor ons steeds moeilijker.

U bent allen verstandige mensen. U leeft in uw eigen wereld en hebt met de omstandigheden daarin nu eenmaal te leven. Aan de andere kant moet u magiër zijn, dus werken met waarden die voor die wereld niet bestaan. Misschien zelfs voor die wereld geheel niet aanvaardbaar en onredelijk zijn.

Dat is heel gevaarlijk. Je kunt nu wel magiër worden en die wereld opzij gooien, want dan word je een eigenaardig iemand, die misschien wel rondloopt met punthoed en gewaad vol manen in de wereld, maar er zeker niet meer in past. Je hebt dan geen werkelijk contact meer met die wereld. Dan kun je op de duur voor die wereld ook niets meer doen. Dus om met resultaat te kunnen werken, moet je ook in contact blijven met je wereld.

Aan de andere kant moet je in staat zijn om met irrealiteiten te werken.

Nu zou u misschien zeggen: Los het dan op door aan de buitenkant normaal te blijven en van binnen abnormaal te zijn. Zo zijn de meeste mensen, dus dat valt toch niet op. Dan kan ik met een gerichte abnormaliteit iets bereiken.

Op het ogenblik dat ik magisch werk, mag ik een dergelijke scheiding niet kennen, want anders loop ik vast. Ik moet mijn magisch werk met geheel mijn wezen doen. Dus kun je nooit ontkomen aan een volledig redelijk leven. Maar je kunt geen volledig onredelijk leven accepteren. Welke oplossing zou u dan suggereren?

  • Redelijk leven. Dat je, wanneer het nodig is, jezelf uit moet schakelen. Zeggen: ik zie in dat ik op dit punt onredelijk moet zijn.

Of u het nu inziet of niet, dat bent u toch wel, nietwaar? Maar u zou dat dan redelijk vast moeten stellen. Dat is haast niet mogelijk, want je kunt moeilijk aan de ene kant redelijk blijven en aan de andere kant bewust en redelijk – onredelijk worden.

Wanneer je de onredelijkheid eenmaal als een noodzaak aanneemt voor een klein deel van je werken, je denken, of je doen, dan zul je – bewust of niet – een steeds groter deel van je leven in het onredelijke gaan betrekken. Je zult dan het redelijke element in je leven steeds verkleinen. Daaraan ontkom je niet. Dus moeten wij iets anders doen.

  • Wij moeten beginnen voor onszelf iets te rationaliseren. Nl. het onredelijke element in ons zelf?

Hoe kan ik dat doen? In de eerste plaats moet ik er natuurlijk een doel voor vinden. Wij moeten in de eerste plaats wel een voor ons aanvaardbare reden hebben voor het onredelijke. Deze rede moet ik dus voor mijzelf wel heel erg nauwkeurig weten te omschrijven. Je kunt het natuurlijk wel wat vager stellen en bv. gaan zeggen: Ik zoek het magisch onredelijke voor het welzijn van de mensheid. Maar dat is fout. Het klinkt heel mooi. Maar wat is nu eigenlijk het welzijn van de mensheid?

Je zou bij een dergelijke vage reden dus verder moeten gaan en voor jezelf heel duidelijk maken: dat is volgens mij het welzijn van de mensheid, of dat wil ik gaan doen om de mens te helpen.

Je neemt dat doel zo klein en zo duidelijk omschreven als mogelijk. Je mag je daarbij niet af gaan vragen: wat betekent dit in het leven van die mensen?

Je moet alleen maar vaststellen: volgens mijn vaste overtuiging, als dat redelijk en goed is, bevordert dit het welzijn van de mensen. Dat was dan het eerste punt.

Ik moet natuurlijk verder gaan, want met een doel alleen kom ik ook nog niet zo erg ver. Dat doel kan wel zo ver van de bestaande werkelijkheid afliggen, dat ik mijzelf afvraag: “Tjonge, tjonge, hoe kan ik dit nu redelijk als mogelijk aanvaarden en er dus redelijk overtuigd naar gaan streven?”

Ik moet voor mijzelf dus een reeks van regels gaan scheppen, die het voor mij ook redelijk aanvaardbaar maken, dat dit doel verwerkelijkt kan worden. Daarbij kan ik de middelen buiten beschouwing laten. Dan komen wij terecht in het redelijk onredelijke, nl. in het geloof.

  • In het vertrouwen.

Niet in het vertrouwen. In het geloof. Vertrouwen kun je veel dingen buiten je, tot je buurman toe. Dat vertrouwen kan beschaamd worden. Een werkelijk geloof niet, want een geloof is een waarde die leeft in jezelf, onafhankelijk van buiten je staande gebeurtenissen en omstandigheden.

Het is dus iets anders. Wat is geloof? Geloof is het aanvaarden van een axioma. Het accepteren van een stelling zonder bewijs, omdat zij je, krachtens je eigen leven en ervaring, aanvaardbaar schijnt en onontbeerlijk lijkt.

Van dat punt redenerende ga ik nu voor mijzelf een reeks van stelregels en wetten opbouwen, plus verklaringen, die voor mij binnen het logisch streven redelijk zijn. Er zijn hele wetenschappen op dergelijke, op zich onbewijsbare of vage, voorstellingen opgebouwd. Denk maar eens aan de theologie.

Theologie is op vele punten reeds een betrekkelijk exacte wetenschap. Zij werkt met vaste waarden, indelingen e.d. Maar deze hebben alleen waarde en geldigheid, wanneer wij de onbewijsbare grondstellingen als juist aannemen.

Om het onredelijke voor onszelf toch wel enigszins redelijk te kunnen verantwoorden, hebben wij dus een bepaald geloof nodig. Een geloof dat het ons mogelijk maakt ons einddoel te rationaliseren, plus alle middelen die volgens ons besef tot dit besef, tot dit einddoel kunnen leiden. Dit alles moet binnen ons bewustzijn dus wetmatig en ordelijk uitgedrukt zijn.

Deze uitdrukking moet verder zoveel mogelijk in overeenstemming zijn met onze eigen wereld en onze eigen ervaring. Dan eerst vinden wij de kracht het onredelijke element in onszelf in te schakelen, zonder daardoor het contact met onze wereld, met het redelijke bestaan op ons eigen vlak, te verliezen.

  • Het gaat er dus om, om binnen je eigen wereld het onredelijke redelijk aanvaardbaar te maken.

Ja, dat is niet zo moeilijk als u denkt, want de ene heeft de gewoonte bepaalde dingen, die volgens zijn redelijk besef niet goed zijn, voor zich zo zeer goed te praten dat hij meent geheel verantwoord te zijn, wanneer hij deze dingen goed noemt en van anderen goed wil vinden. Dus een voortdurend verstellen van de redelijk gemiddelde waarden.

Wanneer de mens dit reeds in zijn eigen leven voortdurend kan doen, kan hij dit dus wel degelijk doen terwille van een magisch feit. Maar men moet daar een doel bij hebben. Dat is ook hier belangrijk. Hebben wij een doel etc., dan moeten wij de middelen gaan scheppen.

Met het scheppen van die middelen komen wij terecht bij het scheppen van een “Scheingestalt”. Een beeld dat ons totale streven verpersoonlijkt, verduidelijkt en vertaalt, maar gelijktijdig voor ons omschrijfbaar en kenbaar wordt.

Dat kan heel goed betekenen dat het beeld van uw magisch werk voor u een engel is met grote, witte vleugels op de rug. Maar de figuur kan misschien ook een Duitse professor zijn, of een klein gebocheld mannetje. Het beeld dat u zo verkrijgt, is voor u belangrijk. Niet om het beeld zelf, maar om de inhoud die daarin wordt uitgedrukt. De gehele argumentatie ligt daarin, de algehele uitdrukking van al deze onredelijke factoren in uw eigen wezen.

Wanneer u dit nu kunt aanvaarden, dit kunt voelen als een overtuiging, een voortdurende steun en hulp, wat is dan het eigenaardige? Dat de onredelijke impulsen, waaruit de materie bestaat, binnen het redelijke vlak realiseerbaar en verwerkelijkt kan worden. Eerst door een opbouw voor mijzelf te scheppen, die met het redelijke van mijn wereld niet vloekt, ofschoon zij op zich onredelijke elementen bevat, kan  ik komen tot handelingen die redelijk aanvaardbaar zijn en blijven, ofschoon zij het activeren betekenen van krachten die op zich binnen mijn wereld onredelijk en dus eigenlijk niet aanvaardbaar zijn.

U zult opgemerkt hebben dat ik hier spreek over krachten. Maar deze worden voorgesteld door die “Scheingestalt”, een figuur of wezen. Deze of dit is voor ons een uitdrukkingsmiddel en symbool tegelijk. Dus het symbool van ons werk, waarbij alle opvattingen en overtuigingen die wij daarover hebben, worden uitgedrukt in een figuur. Dat kan dan voor de één een lichtende ster zijn en voor de ander een inktvis en voor de volgende een dominee, een pastoor, een rabbi, een spreker van onze Orde, een God de Vader, of een Zeus. Dat maakt heel weinig uit.

  • Deze met kracht beladen voorstelling moet ik mij dus opbouwen. Hoe bouw ik deze op en hoe voorzie ik deze van kracht? Moet ik dat doen zoals de eerste spreker die het had over toestanden van conditionering? Doe je dat het beste door ontspanning – lichamelijk? Moeten wij het vaak doen? Is het fixeren van het beeld van meer waarde dan de duur?

Ik zal een simpel voorbeeld geven. U weet allen iets af van heiligenverering? Het is nu in veel katholieke gezinnen de gewoonte  aan de kinderen reeds vroeg heiligenplaatjes te geven. Het kind wordt dan geleerd een klein schietgebedje te zeggen tot die heilige, elke keer dat er iets niet goed is.

U weet wel: “O, heilige Antonius, beste vriend, dat ik mijn …… zo en zo ….. vind”, het gebed en het plaatje, plus het geloof, plus het voortdurend aanroepen van een beeld, scheppen op de duur een zodanige conditionering dat het beeld, onverschillig of het reëel heeft bestaan of niet, voor de persoon in kwestie een absolute werkelijkheid wordt.

Wat meer is: door middel van het schietgebed ontstaat een onmiddellijke invloed temidden van de psyche. Dit kan worden uitgebreid door vergroting van de intensiteit van de verering. Ook dit vinden wij weer bij de katholieken in vorm van de zgn. novenen.

Een novene bestaat uit een 9-daags voortdurend gebed voor één en hetzelfde doel, waarbij een bepaalde heilige wordt genomen die men dan vraagt snel het gewenste te helpen verwerkelijken.

Dus herhaling plus grotere intensiteit.

Die intensiteit neemt gedurende de novene steeds toe, waar de verwerkelijkingsverwachtingen liggen aan het einde van de periode. Wanneer wij dit voor onszelf willen gaan gebruiken, dan is de moeilijkheid wel allereerst het beeld. Wij kiezen dat meestal betrekkelijk willekeurig.

Neem desnoods een vijfpuntige ster. Maar stelt u die dan niet voor als een leeg vlak, een ledig wezen, maar als een levend wezen. Een driedimensionale ster, die licht uitstraalt e.d. Maak daar desnoods een prentje van. Kijk er naar en wen u eraan te zeggen: “Teken van de ster, help mij.” Wen je eraan. Dan wordt op de duur die ster voor u een reëel, levend wezen.

Dit gaat zo ver dat op de duur alleen reeds de herinnering aan deze ster in u de mogelijkheid schept tot het gebruiken van eigenschappen, die normalerwijze meestal in het onderbewustzijn verborgen blijven.

Het allereerste voordeel is: je vergroot je eigen bewuste kunnen door een stimulans in te schakelen vanuit het voorstellingsvermogen, die je je eigen capaciteiten beter en vollediger doet gebruiken. Ik heb echter het totaal van mijn wezen in dit beeld vereenzelvigd.

Wanneer ik die ster op ga roepen, dan heb daarin de krachtgevende figuur. Ik moet mijzelf dan alleen nog maar suggereren – dat is eigenlijk niet helemaal juist, maar er komen toch auto-suggestieve processen bij te pas – dat dit wezen van de ster met alle licht mij benadert en doordringt. Dat probeer ik bij voorkeur in een zekere ontspanning te doen. Hierbij komen echter ook psychologische waarden mee in het geding.

Voor de één zal dan ook de meest passende houding een knielen zijn, voor de andere een geheel ontspannen neerliggen, voor de derde misschien weer een bepaalde activiteit. Maar het moet iets zijn, waardoor u zich dan normaal bereid voelt dit licht op te vangen. Als het goed is, moet de suggestie dan zover gaan dat het u is, of het licht – evenals fel zonlicht –  uw huid prikkelt.

Heb je het zover gebracht, dan heb je een onmiddellijk en actief contact met een kracht.

Ik heb gezegd: ster. Deze ster is het symbool van groepswerk en bereikt als zodanig dus vele invloeden, maar elk ander prentje is even goed. U zou het zelfs kunnen doen met de figuur van Popeye, the sailor man. Wij moeten nu eenmaal de voorstelling hebben. Op zichzelf doet zij dan verder minder ter zake, het is de wijze waarop zij met ons werkt die het belangrijkste is. Het feit dat zij voor mij leeft, mij onmiddellijk te hulp komt, mijn overtuiging dat dit zo is, zijn de punten waar het om gaat.

  • Hoe bouw ik zo’n voorstelling op? Onder welke condities doe ik dit het beste?

Door eerst voor jezelf een mogelijk aanvaardbaar beeld maken. Je gaat dus eerst maar eens puzzelen: “Hoe zou dat er nu wel uit kunnen zien?” U zult ontdekken dat u dan tot meerdere mogelijke voorstellingen komt. Misschien wel 20.

U zult ook merken dat u, wanneer u dat hele rijtje van vorderingen nagaat, er bepaalde bij zijn die in denken naar voren komen. Daar zit dus een sterkere mogelijkheid tot associatie in dan in de andere beelden.

Wij houden ons dus aan het beeld, of de beelden, die het sterkste naar voren komen. Dat is een haast automatisch selectief proces. Met dit beeld, of beelden, gaan wij dan werken. Wij proberen deze beelden ook in onze omgeving uit te drukken. Wanneer je bv. kunt tekenen, probeer het dan eens uit te tekenen en hang het ergens op waar je het zo nu en dan ziet, ook al is de tekening nog zo onbeholpen. Dat hindert niet. Het voornaamste is dat je eraan herinnerd wordt. Je moet voortdurend aan dat beeld kunnen denken. Draag het desnoods bij je in je zak met een klein formuletje erbij. op een stukje papier.

Eigenlijk is het heel eenvoudig. Dan kun je heel rustig tegen jezelf zeggen dat je eigenlijk wel een beetje gek doet. Dat hindert niet.

Probeer niet voor jezelf te gaan redeneren: “Dat is nu wel in de ogen van anderen wat vreemd, maar….” Geef rustig toe dat je een beetje eigenaardig doet. Dat hindert ook niet, als je maar voor jezelf voortdurend zegt: “Maar hiermede kan ik dan toch maar iets bereiken”, of op zijn minst: “Ik zal voor mijzelf trachten bewijzen dat ik er iets mee bereiken kan”. Dan raakt u langzaam maar zeker aan deze invloed gewend.

Hoe u die associatie verkrijgt? Dat gebeurt onbewust. Daar hoeft u dus niet eens bewust aan te werken. U identificeert nl. het beeld altijd weer met het doel dat u zich stelt, terwijl u zichzelf altijd weer tijdelijk met het doel identificeert.

  • Dat is logisch. Voor mij heeft het wat onaangename gevolgen. Vroeger had ik vrij aardige gaven op dit gebied. Vanaf het ogenblik dat ik getracht heb deze zaak redelijk te benaderen, was dit alles “natuurlijk” weg. Het ligt natuurlijk op een ander vlak, maar je verlangt er toch altijd weer naar om deze dingen terug te krijgen. Dat was de reden van deze vragen.

Dan zal ik dit nog maar een beetje aanvullen. U zegt: Ik heb dat verloren. Dat is niet waar.

Uw pogen om hetgeen gevoelsmatig bij u ontstond redelijk te begrijpen en te rationaliseren, heeft bij u een rem geschapen, die alles terug houdt wat niet redelijk aanvaardbaar meer zou zijn.

Wat is dus op het ogenblik de feitelijke toestand? U bezit nog precies hetzelfde wat u vroeger had. Het zal zelfs in zekere zin iets meer ontwikkeld zijn. Maar uw bewustzijn weigert op het ogenblik nog deze dingen te aanvaarden.

Hoe dat komt? Doordat het zoeken naar een redelijke weg alle niet redelijke elementen doet verwerpen. Maar wanneer u langs een redelijke weg weer tot een aanvaarden van het niet redelijke kunt komen, zult u dankzij het feit dat er een redelijke dus beheerste aanvaarding is, komen tot de mogelijkheid geheel volgens wens en beheerst dezelfde capaciteiten te gebruiken die u thans meent te hebben verloren.

  • Inderdaad, het is moeilijk.

Weet u, met die dingen gaat het net als met het beklimmen van een berg. In het begin denk je: “Het wordt een gezellige wandeling.” Dan moet je werkelijk gaan klauteren en dat kost je dan menige zweetdruppel. Daarna komt er een ogenblik dat je meent in levensgevaar te verkeren.  Dan vraag je je af: “Stort zo dadelijk mijn hele wereld niet ineen?” Dan heb je nog een tijdje dat je denkt: “Het is zo droog, zo taai en vermoeiend dat verder  gaan. Is die top het nu wel waard?”

Degenen onder u die wel aan bergsport hebben gedaan, weten ook dat op een gegeven ogenblik het net is of de top binnen je bereik komt. Dan gaat alles opeens weer veel gemakkelijker.

Zo valt elke ontwikkeling uiteen in bepaalde perioden. In het begin innerlijke vrede, aanvaarding en alles wat daarmee samen gaat. Dan de ernstige arbeid. Het onmogelijke valt hierbij weg. Toch heb je dan nog enig houvast. Maar dan komt er een tijd dat je ontwikkeling haast verticaal omhoog gaat. Daarvan merk je zelf nooit veel voor het voorbij is.

In deze periode heb je al je krachten nodig om jezelf te handhaven. Dan vallen alle verschijnselen voor je weg.

Dan komt het ogenblik dat je je iets van je eigen toestand realiseert. Dan komen je gaven en mogelijkheden voor een ogenblik terug, maar vraag je je af: “Wanneer ik de rede ook maar even loslaat, ben ik dan niet helemaal verpletterd?”

Kom je ook daar doorheen, dan volgt de periode dat je bewust sprongen omhoog gaat en zie je in dat alle lijden en zweten en zwoegen de moeite waard is geweest. Want in plaats van alleen maar een klein deel van je wereld te zien, zie je nu een groot stuk van je wereld, vol van schoonheid, die je er eerst toch niet in gezien hebt.

Nu zegt u: “Ik geloof het graag.” Daar achter denkt u: “Ik wilde dat ik er alvast bovenop stond.”

  • Ja.

Dat hindert niet, u moet denken: al deze fasen hebben hun nut, ieder wordt op zijn tijd beproefd, soms heel zwaar zelfs. Maar het moeilijkste wordt het wel bij een geestelijke ontwikkeling. Je hebt dan een richting. Je kunt dus je moeilijkheden niet meer omzeilen. Je moet er doorheen, je moet ervaren en verwerken, je kunt niet anders.

Laten wij eerlijk zijn. Is niet juist het aanvaarden en beleven van alle dingen de belangrijkste factor voor normaliteit?

  • Inderdaad.

Wij kunnen alleen door onze aanvaarding normaal zijn. Wat dat betreft is er wel een heel groot gedeelte van de mensheid dat door substitueren van waarden, of op een andere manier, een groot deel van eigen strijd en moeilijkheden weg wil projecteren, waardoor een groot deel van de wereld op het ogenblik zijn peil van normaliteit sterk verliest, waar wij deze kunnen behouden. Dat op zich lijkt mij de moeite wel  waard.

Niets ernstigs meer om over te praten? Dan zullen wij met raadseltjes beginnen.

Wie ben ik? Ik heb geleerd de gestalte van anderen als masker te gebruiken, omdat mijn eigen gestalte zozeer de lach wekt enz. Nu weet u het wel.

Zullen wij de ernst voor een ogenblik vaarwel zeggen. Nu kunnen wij natuurlijk in de stijl van deze tijd blijven. Dat wil dan zeggen dat de meeste mensen met een zwaar door olie gesmeerde spijsvertering door het leven gaan, de laatste oud jaarlijkse alcoholdampen uitademend met een lichte verbittering tegen de weer beginnende werkdag. Ik geloof wel dat dit juist geformuleerd is. Vindt u het pessimistisch? Weet u, wat een pessimist is?

Een pessimist is iemand met een kaal hoofd, die een haarmiddel koopt omdat het toch niet helpt.

Een optimist is iemand die zijn laatste twee haren nat staat te maken om een scheiding te leggen.

De oliebol. Zij is als een staatsman. Aan de buitenkant geolied, glibberig, doch met suiker bestrooid, opdat de zoetheid eenieder in het oog valle. Aan de binnenkant misschien half gaar, maar aan de buitenkant ongetwijfeld aantrekkelijk. Wanneer je teveel oliebollen krijgt, word je er kotsmisselijk van. Hetzelfde van staatslieden.

Bisschopswijn. Deze kunnen wij vergelijken met idealisme. Een enkele slok is hartverwarmend. Enkele slokken meer doen je het leven in rozige stemming zien en aanvaarden. Iets teveel ervan en het schijnt dat heel de wereld zal ondergaan in de mismoedigheid waarin je zelf verkeert.

Er zijn mensen die de tijd meten met klokslagen. Er zijn mensen die de tijd doorbrengen met kwinkslagen. Er zijn mensen die hun eigen onbekwaamheid verbergen achter aanslagen op anderen.

Wij kunnen dus wel vaststellen dat de slagvaardigheid op deze wereld van zeer groot belang is. Vooral op oud en nieuw komt dit wel zeer sterk tot uiting. Met sidderende ontroering wacht eenieder elke klokslag af en realiseert zich niet dat elke slag die wordt geslagen een afslag van een paar seconden betekent voor zijn leven. Zodat uiteindelijk het vieren van de jaarwisseling een soort afslag van de tijd is, waarbij de mensheid het feit viert dat zij door de tijd in deze vorm wordt afgeslacht. Het feit dat zij deze ‘slacht’ viert, is ons een bewijs dat de mensheid meent en hoopt te kunnen slagen in het leven, ondanks alle slagen en tegenslagen voor de laatste slag in hun leven geslagen heeft. Vandaar dat de klokslagen op Nieuwjaar voor mij een symbool zijn van de hoop die in iedere mens leeft, dat hij een keer in zijn leven nog eens een flinke slag zal kunnen slaan. Heeft u nog een paar punten?

  • Vuurwerk.

Vuurwerk is als vele mensen die door de mensheid worden gezien als zeer goed, of zeer wijs. Veel lawaai, weinig licht en daarna: stank en duisternis

  • Een portret.

Een portret is een vleiend evenbeeld in twee dimensies van een driedimensionaal persoon, die zich miskend voelt in het tweedimensionale beeld.

Geen onderwerpen meer? Dan hoop ik alleen maar dat u mij geen moordportret zult vinden.

  • Als wij dat wel doen?

Dan vind ik – laat ik nu even terug keren tot mijn ware beeld – dat ik als een mooi portret met mijn maskerade aardig in mijn hemd ben gezet en rest mij slechts voortaan mijn en uw beeld zo mooi te tekenen, dat u de tekening leert verkiezen voor al wat er achter dat beeld zou kunnen schuilen.

  • Dat was geen verrassing, hoor.

Neen. Ongetwijfeld was dat geen ver-assing, ook geen vergassing, noch een vergissing, of een verrassing. Ofschoon dit even terugvallen in mijn oude stijl een ver-assing betekent van het beeld dat ik zo zorgvuldig probeerde op te bouwen, kunnen wij toch wel zeggen dat u heeft aangevoeld wie er aan het woord was, zodat er van een verrassing geen sprake is, u kunt dan ook niet verwachten dat ik over deze herkenning in zak en as zit.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf