Inwijdingsschool ODV – Les 19 – Puntjes op de i, resultaten, waan en werkelijkheid

image_pdf

2 april 1957

Even de puntjes op de i.

Na het ultimatum dat wij de vorige keer hebben moeten stellen, moeten wij het nu eerst iets langzamer aan gaan doen, want voor wij verder gaan, moeten wij eigenlijk eerst weten, waar wij aan toe zijn.

Allereerst wil ik u in de gelegenheid stellen vragen naar voren te brengen over hetgeen de vorige maal is besproken.

In de tweede plaats zullen wij aandacht moeten schenken aan de gedeeltelijke resultaten die zo hier en daar al behaald zijn. Om echter te voorkomen dat u daaraan nu te veel tijd zou gaan besteden, wil ik eerst een paar dingen zeggen over de resultaten van de opgelegde oefeningen.

Zoals reeds een vorige maal werd gezegd, kunt u niet verwachten volledige resultaten reeds te behalen in zo’n korte tijd. Ongetwijfeld hebben sommigen onder u gedeeltelijke resultaten. Deze zijn tevens afhankelijk van uw eigen persoonlijkheid, dus van uw eigen wijze van denken, van leven en ook uw eigen behoeften, angsten en begeerten spelen mede een rol bij de wijze waarop u bepaalde resultaten zult kunnen verwerkelijken.

Van degenen die geen zuiver inzicht hebben in de betekenis van de behaalde resultaten, zou ik gaarne horen welke uitleg zij nog verlangen. Hieraan mag ik nog toevoegen dat wij met tevredenheid hebben vast gesteld, dat meerderen onder u werkelijk ernstig geëxperimenteerd hebben. Wat meer is, dat deze ernstige experimenten ook tot – zij het nog gedeeltelijke – resultaten geleid hebben.

Hiermede willen wij dan degenen die werkelijk ernstig zich hiermede bezig gehouden hebben een pluim op de hoed steken. Wij van onze kant zullen natuurlijk alle het mogelijke doen om u tot verdere en betere resultaten te helpen komen.

Bespreking van de verkregen resultaten.

  • Het zien van licht. Ongeveer 8 maanden geleden zag ik vaak helblauw, zoals een zomerlucht kan zijn. Nu is het meer een stralenbundel, met daarin de diverse kleuren van de regenboog, soms vaag, soms duidelijk. Het heeft niet de vorm van een regenboog, maar komt uit één hoek vallen. De stralen eindigen dan in de kleuren van de regenboog.

Indien u dit voor uzelf kunt verwerkelijken, heeft u hiermede het volgende bewezen.

In de eerste plaats: dat uw eigen voorstellingsvermogen – het auto-suggestieve proces – het u mogelijk maakt voor uw eigen werkelijkheid een andere werkelijkheid in de plaats te stellen, die in vorm en plaats bepaald is.

Dit blijkt duidelijk o.m. uit het beeld van een vallende stralenbundel, die alleen aan het einde in de stralen en kleuren van de regenboog uiteen valt. Overigens meen ik aan te mogen nemen dat de kleurenschaal in zijn overgangen niet volledig is.

  • De hoofdkleuren zijn er wel allemaal.

Hieruit blijkt dat u met deze ervaringen een reeks mogelijkheden voor uzelf aanboort. Elke kleur op zich bevat een bepaalde mogelijkheid van beleven. Zij behoort uiteindelijk ook te staan voor een innerlijke gesteldheid. Zolang u alleen deze stralenbundel ziet eindigen in de kleuren van de regenboog, zonder elk van de kleuren ook afzonderlijk te beleven, bent u nog niet gekomen tot een persoonlijk deel hebben aan de werking van één van de stralen.

Conclusie: U heeft een begin gemaakt. Van hier zult u komen tot een beleven van elk van de kleuren afzonderlijk, voor u kenbaar als bepaalde emoties. Eerst indien u dit heeft doorgemaakt, zult u de gehele betekenis van het nu gekende beeld geheel kunnen verwerken.

  • Geen licht gezien. Wel resultaat bij mediteren over de tijd. Enkele malen achtereen zag ik “tijd” als iets eerst vloeiend, daarna vast, waarin gebeurtenissen dan staan, zoals de waarden in ons 3-dimensionale systeem. Op een ander punt leek de tijd mij een dimensie van ruimte. Het hoe weet ik niet meer. Ook een alomvattendheid, zodat alles in de tijd is. Men spreekt wel over wereld-ether, waarbij alles in die ether is. Op deze manier doordringt de tijd alle dingen. Ook voert de tijd schijnbaar, op een of andere vreemde manier, in combinatie met het ruimtelijke tot de eigen beleving in de ruimte.

In de eerste plaats heeft u dus een ervaren van het zgn. bevroren tijdsmoment. Dit is een verschijnsel dat niet in een andere wereld ligt. Het is een zuiver psychische kwestie. Deze kan dan ook langs een zuiver psychologische weg reeds beredeneerd en verklaard worden. Zij komt op aarde nl. wel meer voor, o.a. bij shocktoestanden.

Het eerste deel van het beleven is dus een al of niet bewust door de wil opgelegde realisatie van een moment. De voorstelling van het moment gaat dan gepaard met een beeld dat niet zuiver reëel is.

  • Inderdaad, dit was merkbaar.

Het tweede punt is belangrijker. Het bewijst dat u uit de meditatie leert. Ik zou hier iets over tijd willen zeggen; indien u dit toestaat.

Uw beeld: Tijd is als wereld-ether, is maar een wijze van voorstelling.

Wij weten echter dat een beleven zonder tijd niet mogelijk is. M.a.w. de tijd schuilt in uzelf. De tijd en de beleving daarvan is dan ook geheel aangepast aan de wijze waarop u uw wereld beleeft. Het feit dat u hier het beleven als bepalend ziet in verband met de tijd, maakt ons duidelijk dat u reeds aanvoelt, doch u nog niet geheel realiseert de noodzaak van een opeenvolging van momenten voor uzelf, wilt u kunnen leven.

Tijd is een waarde die voor ons inherent is aan leven, want leven wil zeggen: bewustzijn. Maar een bewustzijn kan nooit bevroren zijn, zoals u bv. het moment in de tijd hebt gezien. Een dergelijke “bevriezing” is alleen mogelijk t.o.v. buiten ons staande waarden. Maar wanneer wij een bevroren tijdsmoment beschouwen, beleven wij voor onszelf toch een gehele tijdsduur, kenbaar in een reeks van emoties, verbonden met het nu voor ons vaststaande beeld, die zich in u afspelen. De tijd draait dus wel voort, maar nu alleen in jezelf. U zou dus als verklaring, voor de gevoelens en ervaringen tot op heden, kunnen gebruiken, het feit dat tijd een belevingsfactor is, die wanneer u in harmonie met uw wereld bent, het gebeuren daarin ongeveer synchroon doet lopen met uw eigen leven.

De gebeurtenis in de wereld loopt dan parallel met uw mogelijkheid om deze gebeurtenis oppervlakkig te verwerken. Op het ogenblik dat u persoonlijk uw tijdsbeleven en uw tijdswaarde verandert, verandert door het nu niet meer harmonisch, of slechts in trap-harmonisch zijn – dus met grote verschillen, ondanks aanklinken – de waarde van het gebeuren in de buitenwereld t.o.v. uw eigen beleven.

Uw eigen tijd versnelt, of vertraagt zich. Daaruit zal blijken dat het bevriezen van de tijd in feite een grote versnelling is van het eigen beleven door verkorting van de belevingsmomenten met realisatiemogelijkheid.

Hierdoor lijkt de wereld buiten u dan star, ofschoon zij voor zich nog normaal, doch voor u in een tempo zo traag dat het haast niet waarneembaar is, haar gebeuren en leven volbrengt.

Ik meen dat het voor u nu iets moeilijker is geworden, omdat u zich geconcentreerd heeft op begrip “tijd!” alleen als een dimensie. Maar dan ziet u tijd als een overal aanwezige factor. Dit geldt wel voor de wereld als geheel, voor zover zij kenbaar is, waar deze een gemeenschappelijke tijdsnorm heeft. Maar juist voor u is dit niet waar. Daarom deze uitleg.

Voor u – en voor iedere bewuste mens, of geest – is tijd alleen een meting van hetgeen u beleeft. Wanneer u niet beleeft, bestaat er voor u geen tijd. Het beleven van tijd houdt dus een waarnemen van waarden buiten het “ik” in, plus een vergelijken van deze waarden met waarden binnen het “ik”.

Wanneer ik nu de belevingsfrequentie in het “ik” verhoog, dan blijft de reeks belevingsmogelijkheden buiten het “ik” gelijk. Dit laatste kan ik niet beïnvloeden.

Wanneer ik nu de belevingsfrequentie in het “ik” verhoog, dan blijft de wereld buiten mij nog steeds in tempo, vorm e.d. gelijk. Ik kan dit niet beïnvloeden. Dan bevriest de buitenwereld dus voor mij en kan ik in één beeld een reeks van emoties doorlopen, die normaal een veel langere tijd zouden vergen en daarom niet bij een beleven, of in een moment van de buiten mij liggende tijdswaarde gerealiseerd of samengevat zouden kunnen worden. Het resultaat is dus dat het eigen beleven langzaam maar zeker kan voeren naar een willekeurige versnelling van het eigen tijdsbeleven, waardoor uw mogelijkheden tot juiste en ware realisatie van de waarden in de wereld rond u veel groter worden, terwijl voor die dan uw prestatie en vermogen in tijd aanmerkelijk wordt opgevoerd.

Verder wordt het mogelijk om het eigen beleven tegenover de buitenwereld zo te vertragen, dat onaangename ogenblikken zeer snel voorbij gaan, zodat u hierdoor minder beroerd zult worden dan normaal is.

Omgekeerd kan het aangename of belangrijke intenser worden doorgemaakt, zodat de tijd van de wereld dan voor u a.h.w. kan worden uitgerekt als een stuk elastiek. Daardoor kunt u dan in dit moment van wereldse tijd zeer veel meer dan normaal beleven en waarnemen. Duidelijk?

U moet mij niet kwalijk nemen dat ik hierop zo ver ben ingegaan, maar tijd is zeer belangrijk en alle ervaring daarmede is voor ons al even belangrijk. Ik denk trouwens dat er met “de tijd” wel meerderen ervaringen zullen hebben opgedaan.

  • Voor mij een film die plotseling stilstaat en dan een soort lantaarnplaatje wordt.

Weer hetzelfde: Een bevroren tijdsmoment, uitgedrukt in een ander beeld.

Bevroren is een met uw aarde vergelijkende term, die door ons daarvoor vaak wordt gebruikt. Aardig is het overigens voor u dat twee personen een bepaald soort ervaring, onafhankelijk van elkaar, in verschillende beelden bevestigen.

Voor de aanwezigen is dit misschien vooral belangrijk, waar het aanduidt dat de gedachteprocessen en dus ook de realisatiemogelijkheden van alle mensen bij allen ongeveer gelijk zullen liggen, wanneer de gelijke premissen aanwezig zijn.

  • Ik had een gevoel alsof ik mijzelf voor een kort ogenblik zag zitten en dus buiten mijzelf stond.

Dit zou een begin van uittreding kunnen zijn. Het berust op een tijdelijk jezelf losmaken van je stoffelijke persoonlijkheid. Nu kan dit gebeuren onder verschillende condities.

Een van de meest voorkomende oorzaken, indien het verschijnsel niet beheerst wordt, is een zekere tegenzin tegen het leven, of bepaalde nu optredende omstandigheden daarvan. Daardoor distantieert men zich a.h.w. automatisch van zijn lichamelijk bestaan en komt zo tot een waarneming van zich en eventueel als staande buiten zichzelf. Het kan ook wel optreden bv. bij het horen van muziek. Maar ook daar hebben wij toch te maken met dezelfde grondslag, de grondslag op zich doet er voor ons niet zo heel veel toe. De vraag is: of je de capaciteiten hebt om het te gaan gebruiken.

Wanneer je nu alleen maar naar jezelf blijft kijken, dan lijkt het een soort van Narcissuscomplex. Maar wanneer je de zelfbeschouwing kunt veranderen in een beschouwen van je omgeving, dan zul je ontdekken dat ook deze omgeving geheel anders toont. Zij bestaat uit een reeks van scènes, die als een verlicht toneel vanuit het donker worden beschouwd. Scènes die elk apart gecentreerd zijn. Je wordt hierbij niet meer beperkt door muren, andere begrenzingen, maar je bent wel beperkt tot een bepaald gezichtsveld. Je kunt niet meer tegelijk zien dan dat. Rond het beeld, wat je ziet, blijft altijd iets wat nog het meeste op duisternis lijkt. Heeft u die ervaring eenmaal gehad, dan zult u leren hoe u dit kunt gebruiken om waarnemingen te doen en op de duur zelfs langs geestelijke weg waar te nemen en te helpen.

  • Voor mij was er tijdens de meditatie geen beleving. Maar wel ging het automatisch over om kleuren zien. Hoofdzakelijk geel dat door elkaar warrelde, maar waaruit geen vast beeld kwam. Het had verschillende nuances, ging wel eens over in groen of wit. Een paarsachtige achtergrond werd soms helemaal verdrongen die soms ook het geel verdrong. Verder is het opvallend dat ik veel meer kon doen per dag. Dat is trouwens gebleven. Meer dan ik ooit gedaan heb; het lukt allemaal en ik heb overal tijd voor.

Klaarblijkelijk bent u in de meditatie zelf dus nog niet tot de realisatie in staat. Maar wat u niet bewust verwerkt, verwerkt u toch wel onderbewust. De kleurbeelden, die u noemt, zijn voor deze toestanden kentekenend.

Wanneer u alleen over geel zou spreken zonder een achtergrond, dan zou het voor mij een vraag worden, in hoeverre dit een reëel ervaren is. Het zien van goud of geel is over het algemeen een aanduiding van een beleven van geestelijke krachten zonder meer. Maar nu maakt u de opmerking omtrent een paarse achtergrond.

Paars is een wat sombere, heel vaak aardgebonden kleur. Zij heeft één ondergrond van geestelijk beleven dat niet geheel vrij blijft van fanatisme. Zo toont het in de kleursamenstelling een mystiek geloven en aanvoelen aan, gepaard gaande met een meer praktisch en wetenschappelijk streven.

Dat zijn de achtergronden, waartegen uw kleuren worden geprojecteerd, die aangeven de veranderlijkheid van innerlijke gesteldheid en ervaringen.

Het is opvallend dat groen – een aanvaardings- maar tevens levenskleur – afwisselt met wit, een reinigende, maar tevens een waarheidskleur. Dit alles komende uit goud, kleur voor positieve geestelijke kracht. Hierbij geeft u dus in deze kleuren uw eigen persoonlijkheid weer, plus haar gesteldheid.

Het is begrijpelijk dat dit beleven op zichzelf zeer onvolledig is.

Het zal zeker nog intensifiëring en verandering in beleving moeten ondergaan, het is een begin, maar nog geen bereiken. Daarnaast uw opmerking dat u zo veel meer tijd heeft. Dat is eigenlijk toch wel heel eenvoudig.

Wanneer u door een meditatie over tijd tot het bewustzijn komt dat er tijd genoeg voor u is, is er ook werkelijk tijd genoeg. U zegt dat alles vlot gaat. Dat is niet geheel waar. Het lijkt u of alles vlot gaat, omdat u minder gejaagd, gemakkelijker en tevens juister kunt reageren t.o.v. de buitenwereld. Veel juister dan u tot nu toe doet. Het resultaat is voor u het idee dat u tijd overhoudt. In feite heeft u alleen sneller, accurater en beter gereageerd en gewerkt dan anders.

Ik mag overigens opmerken dat u in uw verslag één factor verwaarloosd hebt, nl.: dat eigen aanvoelen en intuïtie, zij het vaak nog naar half gerealiseerd, inderdaad mede, vooral in de laatste weken, een rol heeft gespeeld. Hierdoor heeft u misschien onbewust vaak de juiste keuze gedaan, zowel van woord en argumenten als van de plaatsen waarheen u zich op een bepaald tijdstip hebt begeven. Naar ik meen, zult u dit laatste bij enig nadenken ook kunnen bevestigen.

  • Ik heb getracht mij te verplaatsen, zoals was afgesproken. Dit is niet geheel gelukt. Bij navraag bleken wel enkele punten ongeveer overeenstemmend gezien te zijn, nl. planten. Het waren rozetten. Dit bleek waar te zijn, maar ik zag ze groter dan in werkelijkheid. Een andere plant daarnaast was ook niet geheel juist. Het leek er wel veel op. Bij een mij instellen op de persoon had ik de indruk van een nevelsluier. Daarin werd een openingetje gemaakt. Geen scheur, maar een gaatje. Ik keek daar door, het werd steeds groter, maar elke keer wanneer mijn gedachten afdwaalden, ging het dicht. Concentreerde ik mij weer, dan zag ik weer die planten.

Wij hebben reeds de vorige maal, bij het aanbevelen van deze proeven, erop gewezen dat u niet onmiddellijk alles reëel zult kunnen zien. Ik kan wat dat betreft ook aan enkele anderen, die hiermede niet naar voren zijn gekomen, wel zeggen dat ook hun experimenten al wel een klein deel van waarheid hadden.

Men moet het volgende goed onthouden: bij uittreden, of waarnemen op afstand, ligt de werkelijkheid als onmiddellijk begrensd door de fantasie. U moet dit altijd heel goed onthouden. Wat wij dus trachten te zien in de oefening, wordt door concentratie, plus een waarde die op zich volgens uw wereld fantasie is zoveel mogelijk in harmonie gebracht met de in uw wereld bestaande werkelijkheid, zodat in het op zich fantastische, beeldelementen van die werkelijkheid doorklinken. Hierdoor zal op de duur een steeds grotere gelijkenis kunnen ontstaan tussen het fantasiebeeld en de voor u werkelijk bestaande waarden en toestanden.

Deze processen zijn op zich buitengewoon interessant, maar zij vragen een gehele reeks van proefnemingen om tot een enigszins verantwoord oordeel te kunnen komen omtrent enig resultaat.

Uw voorstelling van een nevel is slechts uw eigen realisatie van de noodzaak tot concentratie. De nevel is dan ook tevens een symbool van afsluiting tot uw werkelijke wereld en geeft de begrenzing aan, die volgens uw bewustzijn bestaat tussen de waarde die u wilt gaan waarnemen en uzelf. De concentratie is voor u een soort wapen, waarmee u deze nevel dus kunt doorbreken. U ziet dan het beeld als een zich vergrotende cirkel. Dit alles komt voort uit uw eigen denken. Dat uw resultaten slechts ten dele juist zijn en uw beeld in grootte onevenredig is, is mij heel begrijpelijk.

Het feit dat u niet lichamelijk waarneemt en dus de normale maatstaven mist, vooral bij incidenteel en fragmentarisch waarnemen, zult u soms grote dingen als klein, kleine dingen als groot inschatten.

Dit is echter nu nog niet belangrijk. Groot en klein zou ik voorlopig nog maar buiten beschouwing laten. Zoek naar grondvormen en kentekenen die te onderscheiden zijn. Voor u persoonlijk wil ik hier nog een raad geven:

Hou er rekening mee: dat zowel vertragings- als versnellingsverschijnselen op kunnen treden, zodat het waargenomen beeld juist, wanneer u nog niet voldoende beheersing heeft, een compositie is, waarin fragmenten van toekomst en verleden gepaard worden met de waarden die voor uw wereld werkelijk zijn op dit ogenblik. Hierdoor ontstaan verschuivingen die het beeld bij een nagaan schijnbaar verwarren. Ofschoon dit in feite natuurlijk niet zo is. Maar u heeft nog niet geleerd de fragmenten van een compositiebeeld juist te onderscheiden en op waarde te sorteren.

Vrienden, wij moeten deze dingen allen zo nuchter mogelijk blijven beschouwen. Het is natuurlijk heel aardig u te feliciteren met uw successen, maar daar komen wij niet verder mee. Het is noodzakelijk op deze wijze deze dingen te gaan leren, wilt u verder komen.

Dit komt niet van mij. Deze noodzaak is vastgesteld door onze hogere leiders.

Er moeten bepaalde stimuli zijn in uzelf. Daaronder behoort ook het vermogen tot het richten van deze fantastische beelden, het uitoefenen van suggestie op uzelf, autosuggestie, omdat juist deze waarden de gewenste resultaten mogelijk maken.

U moet niet denken dat het nu al magie is die u hier leert. Dat komt misschien veel later. Dit is pas een begintrap, waaruit mogelijkerwijze later een beheersen van de magie geboren zou kunnen worden.

  • Ik kom met mediteren niet zover dat ik iets heb gezien. Alleen heb ik een ogenblik het gevoel gehad, dat mijn gedachten volkomen stilstonden. Verder enige keren de niet te remmen neiging de oogballen naar de hersens te draaien. Dat werd soms pijnlijk, waarop ik schrok en zei: het is afgelopen; en ik begon iets anders te doen.

Ik kan begrijpen dat u dit heeft teruggehouden om verder te gaan. Deze verdraaiing van de oogballen is iets wat meer voorkomt. Wij zien het bij trance, of semi-trancetoestand. Hetzelfde verschijnsel zien wij ook bij catatonische shock e.d. Hierbij richt de mens zich naar binnen toe.

Uw meditatie bracht dus klaarblijkelijk in de eerste plaats een zelfbeschouwing met zich. Deze werd gerealiseerd, niet door een stilzetten van de tijd buiten u, maar van de tijd en het ervaren in u. Vandaar dat uw gedachten “stilstaan”. Gelijktijdig krijgt u ook lichamelijk de impuls slechts in uzelf te kijken. De oogballen draaien dan, zich schuin omhoog richtend, waarbij de lijnen getrokken uit de pupillen, elkaar dan raken boven de neuswortels op het voorhoofd.

Misschien vindt u het aardig te weten dat dit een van de oefeningen is die ook door verschillende yogi’s worden gebruikt. Vooral wanneer zij willen komen tot zelfbeschouwing. Bij u blijken dus impulsen aanwezig te zijn, die in de eerste plaats tot een zelfanalyse, een zelfbeschouwing, moeten leiden.

Hieruit kunnen wij dan verder concluderen. In de eerste plaats bestaat er bij u een innerlijke onzekerheid, waardoor een zelfanalyse, een zelf-kennen voor u een eerste noodzaak is. U kunt deze echter niet redelijk bereiken, wel kunt u komen tot een zelfervaring.

Dit gaat gepaard met lichamelijke reacties. Voor u is tot nu het stoffelijk en geestelijk bestaan dus niet te scheiden in voorstellingsvermogen.

Hieruit volgt: dat u bij deze oefeningen zult moeten trachten vooral door het veelvuldige, doch niet langdurige, oefenen de lichte reacties minder pijnlijk en abrupt te maken. Dan zult u in deze stilstand van gedachten moeten leren ervaren.

Wanneer dit paart aan meditatie-oefeningen, waarvan wij er zo dadelijk wel weer enigen op zullen geven, dan zult u verder ontdekken dat dit voor u een innerlijke verandering meebrengt, die lichamelijk weerkaatst wordt. Hierdoor kan uw lichamelijke conditie, o.a. vermoeidheid, gunstiger worden. Dit geldt dus voor u persoonlijk.

Ik zou mij dus door verschijnselen bij deze oefeningen zeker niet af laten schrikken, als ik u was. Wel zou ik rekening houden met het feit dat, zodra de toestand absoluut pijnlijk wordt – dit kan voorkomen worden – een onderbreking nodig is. Ik zou u willen raden u een ogenblik geheel te ontspannen, bij voorkeur even te gaan liggen, zo mogelijk zonder te veel knellende banden om het lichaam, waarbij u enkele malen eerst diep ademhaalt, waarbij u tenminste vijf minuten rust. Ga een minuut of vijf een dutje doen. Dit is – gezien uw conditie – voor u raadzaam en zal juist dan eerder deze oefeningen voor u doen worden tot een bron van extra krachten.

  • Ik heb in een droom iemand ontmoet op een begrafenis die al 40 jaar dood was. Is dat werkelijk?

Dat is mogelijk, maar kunt u het zich als een werkelijkheid realiseren?

  • De begrafenis was helemaal net echt en net zo.

Bent u zich ervan bewust dat een dergelijke waarneming alleen kan liggen boven de grens van het stoffelijke?

  • Ja, de persoon die ik ontmoette was mijn zuster, die mij een mededeling deed die op waarheid berust.

Ik zou u dan de raad willen geven, indien een dergelijk beeld weer op zou treden, dat de begeleidende omstandigheden, het beeld, minder belangrijk te zien. De vormen hebben veel minder te betekenen dan de mededeling, boodschap, of inhoud, die uit het beeld volgt. De boodschap is voor u nu reeds wel belangrijk, maar uit de verdere beelden zou ik, als ik u was, nog maar niet te veel gevolgtrekkingen maken.

Deze ontwikkeling kan bij beheersing leiden tot een soort van helderziendheid. De boodschap moet u altijd weer op waarheid testen. Dat is belangrijk. Het kan wel eens voorkomen dat zij niet berust op waarheid. Op de duur zult u wel leren zien hoe er bepaalde relaties bestaan tussen de beelden die u ziet en de waarde van de “boodschappen”.

Hou u zich hieraan voorlopig maar. Later kunt u dan wel leren onderscheid te maken tussen hetgeen werkelijk uit andere sferen komt en wat uw onderbewustzijn daarbij voegt.

Zo vrienden, wij hebben hieraan vandaag dan heel wat tijd besteed. Maar wij hebben dit zeker niet zonder redenen gedaan. Het is voor ons nl. noodzakelijk dat wij juist door deze oefeningen – degenen die ervaringen hebben gehad, zullen dit eerder en meer met mij eens zijn, dan degenen die dit nog niet kennen – een zekere beheersing verkrijgen.

Wij zullen op een gegeven ogenblik in deze kring niet meer verder kunnen gaan, tenzij eerst een zeker bewustzijn omtrent de werkelijkheid van het paranormale is bereikt. Er bestaat natuurlijk voor u geen enkele verplichting om elke keer weer, als in een openbare biecht, precies te vertellen wat u allemaal heeft ontdekt en doorgemaakt.

Ik heb echter, zoals u bemerkt hebt, verklaringen gegeven met daarbij zo nodig persoonlijke raad. Wanneer u meent dat uw eigen ervaringen niet juist zijn, of niet geheel begrepen worden, dan kunt u deze ook de volgende keer voorbrengen.

Zou u zover komen, dat u leert de grens tussen de werkelijkheid in en de werkelijkheid buiten het bewuste te overschrijden, dan komt voor ons de mogelijkheid om ook de andere werelden, waarover wij zo vaak en zo veel gesproken hebben, meer reëel te benaderen. Vandaag zullen wij hier niet verder op doorgaan, er zijn er nog enkele punten te bespreken.

In de eerste plaats moet het u duidelijk zijn dat wij niet het onherstelbaar vernietigde in de stof zonder meer langs geestelijke weg weer op kunnen bouwen. Dit geldt zowel voor ziekteverschijnselen als voor alle andere waarden. Ik zeg dit niet om u af te schrikken, maar alleen om de werkelijke toestand meer duidelijk te maken.

Voorbeeld: lk heb een stoel verbrijzeld. Dan kan ik ook langs geestelijke weg de splinters niet meer geheel samenvoegen tot hetzelfde geheel dat eens was. Ik heb een stoel, waarin een breuk dreigt te ontstaan. Dan kan ik wel de samenhang van het hout daar zó verstevigen, dat de breuk niet voorkomt en het gevaar is alsof het nooit is geweest.

Ik heb een mens met een organische aandoening. Ik kan deze door gebruik van geestelijke krachten overwinnen. Ik heb iemand bij wie het weefsel zodanig is aangetast, dat een deel ervan dan wel van geaardheid geheel is veranderd, dan wel vernietigd. Ik kan hier het weefsel niet door geestelijke krachten genezen. In de gunstigste gevallen kan ik het zieke weefsel geheel afscheiden van de andere weefsels dan wel – vooral aan de buitenkant van het lichaam – dit geldt dus voor interne organen lang niet zo sterk – langzaam maar zeker door gestimuleerde opbouw van nieuwe cellen en gelijktijdige afbraak van de oude tot een vervanging op langere termijn komen.

Dit beeld zal u duidelijk maken dat er beperkingen bestaan, waaraan wij ook niet door geestelijke krachten kunnen ontkomen. Deze beperkingen worden ons zowel opgelegd door de zgn. realiteit als door onze eigen vermogens. De zgn. realiteit is voor ons de bepaling van ons werkelijk bestaan.

Wij kunnen dit wel tijdelijk verwerpen, wij kunnen gaan zeggen dat er rond ons vele andere werelden zijn, maar wij kunnen toch niet geheel aan de beïnvloeding en beperkingen van onze eigen wereld ontkomen, onverschillig waar en hoe wij leven.

Wie zich dit realiseert, zal ook begrijpen dat het noodzakelijk is bepaalde bezwaren te verdragen. In je eigen wereld kunnen toestanden bestaan die erg smartelijk voor je zijn, of tenminste minder prettig. Toch zal het niet altijd mogelijk zijn dit te voorkomen, of te herstellen. In dergelijke gevallen kunnen wij alleen de zaak veranderen of wijzigen, door alle geestelijke krachten die in ons zijn in eenmaal te uiten in een grootste krachtuiting.

Voorbeeld. Ik heb een batterij met een zekere lading. Zij kan dus een bepaalde stroom afgeven bij een bepaalde spanning over een bepaalde tijd.

Nu kan ik die batterij zichzelf in een sterke vonk doen ontladen. Dan heb ik een vermogen, waarmee ik bepaalde structuren zou kunnen veranderen, metalen doen smelten en aan elkaar kunnen lassen. Maar heb ik dit gedaan, dan is de batterij leeg. Voor zij dan weer voldoende geladen is, duurt het in verhouding tot de werkzaamheid zeer lang.

Voor een mens betekent het: dat een dergelijke krachtuiting in een mensenleven meestal niet herhaald kan worden, tenzij men verbonden is met krachten van zeer hoge waarden, waaruit kan worden geput.

De batterij kan echter met dezelfde hoeveelheid energie uren, ja, misschien dagen lang bv. een lamp laten branden. De lamp kan dan voor ons veel nuttiger en gewichtiger blijken dan het herstellen van die ene fout, waarbij wij dan verder in het donker rond moeten tasten.

Zo zal altijd bij een gebruik van geestelijke krachten de noodzaak bestaan te overleggen, in hoeverre voor ons hier de mogelijkheid bestaat om zonder grote schade een schijnbaar wonder te doen en of de krachten, die het schijnbare wonder vraagt, werkelijk ook in overeenstemming zijn met het nut dat deze inspanning af zal werpen.

Volgend punt. Wanneer een mens leeft in de werkelijkheid van de wereld buiten hem, zal hij daardoor sterk gelimiteerd worden in zijn persoonlijke belevingen. Alleen de wereld van de fantasie, van het volgens de wereld buiten u niet gerijmde, zal u in staat kunnen stellen uw eigen wezen geheel uit te drukken. De wereld van de fantasie zal zeker altijd vele werkelijkheidscomponenten in zich dragen, maar op een voor de buitenwereld aanvaardbare wijze. We zullen dus de fantasie moeten beschouwen als een middel de krachten in ons bestaan vrij te maken. Wij komen door de fantastische gedachte, de fantastische handeling, tot een vrijmaken van onze eigen persoonlijkheid en zo tot een realisatiemogelijkheid voor alle krachten die in ons leven.

Het is niet voor niets dat wij de laatste tijd sterk de nadruk leggen op het denken; niet alleen hier, maar ook in andere bijeenkomsten.

Daarnaast hebben wij meerdere malen geprobeerd – niet alleen in dit jaar, maar ook in vorige jaren – u in zekere mate tot een auto-suggestieve wijze van denken te brengen.

Nu lijkt het u misschien gevaarlijk, of onverstandig uw eigen werkelijkheid gedeeltelijk overboord te gooien. Want, zo zegt men, je gaat zo gauw in een wereld leven die helemaal niet meer reëel is.

Daartegenover zou ik willen stellen: dat ook huidige wereld door u maar zeer ten dele reëel wordt beleefd. Het is echter voor u noodzakelijk dat u zo volledig mogelijk uzelf bent. Dat u een zo groot mogelijke eenheid van uw wezen bereikt met zo weinig mogelijk innerlijke strijd. De auto-suggestieve processen zijn juist hier een groot hulpmiddel.

Suggestie in elke vorm is een aanvaardbaar middel om doeleinden te bereiken, of lichamelijk, zowel als ander gebied, indien deze zonder dit niet, of bijna niet, gerealiseerd kan worden.

Zelfsuggestie betekent: wanneer wij weten wat wij hanteren, een wapen in onze handen, waarmede wij ons kunnen verdedigen tegen een werkelijkheid, een verdeeldheid in onszelf, kortom, tegen alle problemen die het leven brengt.

Daarnaast kan deze suggestie tevens door haar invloed op heel ons bestaan en wezen – een zowel stoffelijke, geestelijke als mentale beïnvloeding – u een bron zijn tot een verscherpen van uw vermogens op een of meer gebieden.

Hierdoor zal uw werkelijkheid verschuiven in waarde en zult u deel gaan hebben in andere werelden, die hier en op dit ogenblik even reëel zijn als uw eigen wereld, maar normalerwijze geheel aan uw aandacht ontsnappen.

Dit zijn beginselstellingen. Deze te stellen wordt op een gegeven ogenblik onvermijdelijk. Er komt een ogenblik dat je moet gaan zeggen: met weten en kennis alleen, met een gezellig praatje, al staat dit op een nog zo hoog peil, kom je niet meer verder. Komt er een ogenblik dat uzelf de hand aan de ploeg moet slaan en zelf mede moet gaan werken.

Daarom is het dat wij de vorige maal voor een voortzetting zekere condities hebben gesteld. Wij moeten een bepaald deel van werkelijke ervaringen en mogelijkheden bij u hebben, willen wij in staat zijn deze scholing verder voort te zetten met een goed resultaat.

Het spreken op meerdere vlakken tegelijk, het in het gesprokene verbergen van sleutels e.d. – gedurende een begin-, een inleidingsperiode – is goed, maar er komt een ogenblik dat dit betekent: onduidelijk worden en zo voor degenen die deze sleutels niet kennen, de onmogelijkheid scheppen om verder te komen. Dit lijkt mij onrechtvaardig.

Ik spreek hier zeker niet alleen voor mijzelf, maar deel deze mening geheel met onze vriend Elsmeier. Zo zult u de noodzaak begrijpen van hetgeen wij op het ogenblik moeten doen. Wanneer ik dan nu ook u enkele meditaties zal voorleggen, die u voor zich, doch niet precies zo mag herhalen – het zijn voorbeelden, die door u niet zonder meer slaafs nagevolgd mogen worden – dan doe ik dit in de hoop dat u hierdoor tot een persoonlijk ervaren en een persoonlijk beleven komt.

Ik hoop dat de suggestieve werkingen u althans enigszins vrij zullen maken van uw uiterlijke werkelijkheid en daardoor u vatbaarder zullen maken voor belevingen die liggen op een ander vlak.

Indien u dit alles duidelijk is, zal ik u nu enige methoden van mediteren demonstreren.

U heeft gemediteerd over de tijd. Dit was echter nog niet voldoende. De tijdswaarde en inhoud begint hier en daar reeds begrip te ontmoeten, maar zij is nog niet door allen voldoende gerealiseerd om deze realisatie voldoende bruikbaar te maken en waardevol.

Tijd.

Het begin van alle tijd is rust. Onder rust, vrede en stilstand, kan er geen juiste waardering van tijd bestaan. Dit is onmogelijk. Wij beginnen dus met de gedachte: Rust.

Een grote vrede. De hele wereld is leeg. Er zijn geen wolken, geen sterren en geen maan. Er blijft slechte een vaag zilverachtig licht dat heel de wereld doortintelt. Al wat is, rust, verstart als in slaap.

In de verstarring, in dit licht als zilver, begint met een steeds grotere regelmaat en frequentie een vonk te springen. Alleen naar een gouden vonk in het zilveren licht. Sneller, sneller, sneller ….

Op het laatst is de frequentie zo groot, dat het lijkt of heel het zilveren vlak door een regen van goud wordt overstroomd. Het is levend vuur.

In de vonken blijkt nu een verandering van onze omgeving te liggen. Het ervaren en daarmede de tijd wordt sneller en steeds sneller….

Nu wordt al het zilver verdreven. Heel het vlak is goud. In het goud wervelen steeds vervloeiende vormen.

Wijzelf echter zijn nog steeds onberoerd. Hebben wij ons ook dit als een beeld voor ogen gebracht, dan gaan wij weer verder.

In het wervelen van vormen strekken wij, zelf buiten het scherm van licht staande, de hand uit. Wij wijzen één van die vormen aan. Deze vorm is nu vast, klaar en duidelijk. Al het verdere blijft veranderen.

Wij beschouwen deze ene vorm nu aandachtig en goed. Het kan een mens zijn, of een boom, of een berg. Het geeft niet. Nu laten wij deze vorm vrij, maar treden gelijktijdig zelf in het gulden licht.

Nu zullen wij zien dat heel de wereld normaal rond is, levend en bewegend, behalve het ene punt dat wij uit de tijd hebben genomen. Hier rond ligt voor ons een schemering, waarin lichtflitsen voortdurende vormveranderingen bemantelen, tot het ogenblik dat ook deze vorm zich stabiliseert.

Dan staan wij in een wereld…. Wij bezien deze wereld en zeggen tegen onszelf: “Tijd bestaat voor mij alleen, wanneer ik in het vlak treed.” Treed ik daarbuiten, dan kan ik zien hoe de Goddelijke krachten als een gouden regen de illusie van tijd scheppen in het bestaande.

Kunt u zich aan de hand hiervan de methode van mediteren zo voorstellen? Dit is een meditatie die niet aan woorden gebonden is, maar zijn werking ontleent aan het vormen van beelden. Dat wij de beelden voorop stellen, zal u duidelijk zijn. Immers heeft het visuele voor de doorsneemens meer werkelijkheidswaarde en brengt zo grotere inhouden met zich als bv. het zuiver auditieve of de gedachte.

Wanneer wij dus met een meditatie ons instellen op een visueel beleven, zullen wij intenser en duidelijker indruk verwerven, dan op andere wijze met gelijke moeite verworven kan worden.

Dus: niet met onszelf, of tegen onszelf spreken, maar een beeld opbouwen dat steeds meer werkelijk wordt.

Naast de meditatie over tijd die u, naar ik hoop nog enkele malen zult willen volbrengen, zal ik u nu nog nieuwe meditaties opgeven. Deze keer daarvoor een meditatie over:

“De zeven Lichamen van de Mens”, of: “De zeven Sferen of Werelden.”

Deze waarden zijn identiek. Elk van de zeven werelden, lichamen, of sferen, is in feite een bewustzijnstoestand. Wij gaan ons nu voorstellen dat wij een kern zien van licht. Daaromheen een glazen, althans doorzichtige, bol. De kern blijft zichtbaar, er omheen ligt een ring van glans. Daaromheen komt een bol van matglas. Men ziet het licht, maar niet meer de kern. Een volgend sluit hier omheen, zodat het licht minder hel wordt….

Zo gaan wij verder, tot wij eenvoudig zijn gekomen tot een bol, waarin weliswaar het licht nog leeft, maar waaraan je dit van buiten niet meer kunt zien. Dit wordt dus bereikt door achtereenvolgens zeven verschillende lagen rond de vlam te leggen.

Is dit beeld duidelijk vastgelegd, dan zeggen wij tot onszelf: Dit ben ik op dit ogenblik… Wij gaan daarop naar de bol toe en trachten schaal na schaal te breken, zodat het licht wat duidelijker voor ons zichtbaar zal worden en uiteindelijk zonder omhulsels weer voor ons zal liggen.

Wanneer u op deze wijze ernstig mediteert, zult u hierbij waarschijnlijk meemaken dat de vlam een andere vorm en tint, ja, zelfs grootte heeft wanneer u de schalen hebt gebroken, die zij bezat in uw voorstellingsvermogen, toen u begon het geheel op te bouwen.

Zeg tot uzelf nu: Dit beeld is werkelijkheid. Want wat ik hier in gedachten doe, kan ik ook werkelijk doen. Ik kan mij ontdoen van elk voertuig achtereenvolgens en zo komen tot een helder bewustzijn en beleven op elk vlak dat in mij schuilt. Met deze zelfbeschouwing eindigen wij dan….

  • Mogen, of moeten wij anders mediteren?

Ik zou het op prijs stellen wanneer u zou trachten deze beelden persoonlijk te variëren. Ik heb uiteindelijk hier betrekkelijk algemeen een benaderingsmethode aangegeven. Maar wanneer ik over een stille wereld spreek, dan kunt u misschien u beter voorstellen en dus beter gebruiken een maanlandschap, of een bevroren zee enz.  Een duinenrij is ook al bruikbaar. Wij maken het tot een werveling waarin de duinen op een ogenblik alle processen van eeuwen kunnen gaan tonen en dan weer vervloeien tot hun vaste vorm als hier omschreven.

Er zijn hier honderden mogelijkheden, ieder zoekt voor zichzelf een beeld waarin hij, of zij, meent deze meditatie visueel het sterkste uit te kunnen drukken.

Belangrijk is hier het “zien”. Waarmee u dit bereikt, maakt minder uit.

De hoofdzaak is dat u uit uzelf een beeld zoekt, wat u zo vast houden kunt en waaraan de gestelde processen, als in de voorbeelden gegeven, kunnen worden opgelegd. Het moet voor u zo werkelijk mogelijk zijn.

Heeft u dat, ga dan wel nauwkeurig de procedures na die ik omschreven heb aan de hand van uw eigen beeld. Dit is de beste methode. Een vast beeld geven voor allen is zeer moeilijk, want alle mediteren moet uiteindelijk voor een goed resultaat individueel blijven.

Op het ogenblik zijn wij nog niet zo ver dat ik elk van u een afzonderlijk onderwerp moet gaan geven. Een algemeen onderwerp is nog voldoende. Zelfs wanneer u getrouw tracht het door mij gegeven beeld te volgen, zult u nog uw persoonlijke uitwerking gebruiken. Het is dus verstandiger ook het punt van uitgang reeds onmiddellijk in overeenstemming met de eigen persoonlijkheid te kiezen.

Uittreden of waarnemen op andere plaatsen.

Dan nog de oefening voor uittreden, of waarnemen op andere plaatsen. De laatste maal hebben de meesten die het experiment volbrachten, getracht bloemen, planten etc. waar te nemen. Voor deze maal het volgende:

U gaat iets tellen, een verhouding vaststellen.

Voorbeeld: Een vriend heeft een gemetselde schoorsteen. Stelt u zich deze voor, begrens een stukje en tel hoeveel stenen daarin liggen. Tel bloemen in een vaas, stoelen in een kamer e.d. Vul uw waarnemingen desnoods aan met een schetsje van het waargenomene. Bij die schoorsteen telt u de stenen en geeft in een tekeningetje bv. aan waar u geteld heeft.

Let niet op de vormen, wel op de getallen. Vormverschillen doen niet ter zake. Maar bestaat de door u getekende hoek niet, dan was uw waarneming geheel fout. Bestaat echter dit vlak – zij het wat anders dat u meende dat het was – controleer dan het aantal stenen. Blijft u bij bloemen, tel hoeveel er in de vaas staan, maar let niet te veel op de soort. Tel desnoods het aantal schilderijen dat aan de wand hangt, of de kleedjes die op de vloer liggen.

Het compenseren van het nuchtere tellen en de reële getallen met de waarde, die in deze fantasiewereld – want dat is het nog steeds – geborgen is, zal u waarschijnlijk weer iets dichter brengen tot een overeenstemming van fantasie en werkelijkheid. Hierdoor zult u in staat zijn steeds meer details juist te verwerken en dus als werkelijkheid af te lezen, zonder zelf ter plaatse aanwezig te zijn.

Hierbij zullen wij het voor heden dan laten.

Waan en werkelijkheid.

In het eerste deel hebben wij de peultjes opgeschept. Zo u wilt, kunt u nu verder bepalen wat er op tafel komt. Niemand?

Ik wil eigenlijk met u spreken over: Waan en werkelijkheid.

Ik begin altijd graag met de zaken te omschrijven zoals ik het zie. Ik zou dan zeggen: werkelijkheid is datgene wat in zijn wezen waar is. Waar is al wat onveranderlijk is door alle tijden, zichzelf steeds trouw blijft en niet gewijzigd wordt of worden kan.

Zo, nu weten wij wat werkelijkheid is. Maar wat is waan? Waan is elk verschijnsel dat, al of niet gebaseerd op de werkelijkheid, ons een voorstelling geeft die niet of niet geheel waar is.

Wanneer je de werkelijkheid moet zoeken, dan heb je eigenlijk nergens houvast. Je kunt zeggen: De werkelijkheid bestaat in mij. Maar dan loop je gevaar dingen voor waan uit te schelden, die voor jou nog wel degelijk een tastbaar en voelbaar doel van je werkelijkheid zijn.

M.a.w.: Wij kunnen ons nooit vasthouden aan de werkelijkheid die absoluut waar is. Wij beginnen dus al met iets als werkelijkheid te aanvaarden, dat in feite reeds een deel waan inhoudt. Dat deel waan komt dan vaak uit ons eigen onbegrip voort.

Onze werkelijkheid zou je dan kunnen omschrijven: een deel van de waarheid plus een waan die in de plaats treedt voor dat deel van de waarheid dat wij nog niet erkend hebben. Om deze werkelijkheid kunnen wij niet heen. Ons bewustzijn maakt het ons niet mogelijk de gehele waarheid te accepteren.

Wij hebben een grondslag. Die grondslag mogen wij niet zonder meer verlaten. Wij moeten dus beginnen met steeds voor onszelf vast te stellen wat voor ons werkelijk is.

Dit beeld van een werkelijkheid gaan wij dan ontdoen van alle bijkomstigheden. Logisch, want hoeveel van je werkelijkheid wordt niet tot waan, juist door de versiering die je er zelf aan vastknoopt?

Denk maar eens aan jezelf. Misschien denk je wel: wat ben ik een mooie jongen. Maar als je denkt aan het geraamte dat onder alles schuilt, wanneer je je verder realiseert dat een ander wel een heel ander oordeel over je kan hebben dan het oordeel dat je over jezelf uitspreekt, dan zou je moeten zeggen: Ik vind mijzelf een knappe jongen. Dan spreek je tenminste de waarheid. Dat zou dus reëel zijn.  Aan te nemen dat een ander het zonder meer daarmee eens zal zijn, is dan natuurlijk weer een grote waan.

Denk nu na: Ik heb een werkelijkheid nodig. Deze werkelijkheid moet ik trachten terug te brengen tot een soort geraamte van mijn eigen wereld.

Je hebt bepaalde dingen nodig. Een mens op aarde heeft voor een werkelijkheid in de eerste plaats een bewustzijn van zijn bestaan nodig. In de tweede plaats een doel in zijn leven. Of dat doel echt is of niet, of het waar is of niet, maakt niets uit. Voor jezelf heb je een doel nodig.

Verder heeft de mens behoefte aan liefde en genegenheid. Dit wordt dan tevens uitdrukbaar als een soort geborgenheid en vormt een soort toevlucht tegenover de wereld. Verder heeft hij een zekere hoeveelheid bewustzijn omtrent goed en kwaad nodig, dus een oordeel over zijn wereld.

Zonder dit alles kan voor een mens geen werkelijke werkelijkheid bestaan.

Hebben wij deze werkelijkheid eenmaal, dan weten wij voor onszelf dat onze interpretatie van al deze waarden nooit volledig waar kan zijn. Want als ik angsten heb, zal ik mijzelf voor gaan praten dat ik niet bang ben, maar dat de wereld het wenselijk, of noodzakelijk maakt dat ik doe, alsof ik bang ben.

In de tweede plaats zal ik liefde en genegenheid niet zien als iets wat ik moet verdienen, als iets waarop ik recht heb, of iets wat een gave is. Ik kan mijzelf niet veroorloven de zuivere waarheid hieromtrent te erkennen, omdat dan de geborgenheid, die ik zoek, te veel wegvalt.

De geborgenheid moet ik mijzelf ook scheppen, want in mijn wereld bestaat geen werkelijke toevlucht, waarin ik vluchten kan voor het geweld van de wereld. Ik moet mij dus in gedachten iets scheppen, wat mij schijnbaar – alleen voor mijn eigen bewustzijn – beschermt tegen die wereld.

Daarnaast heb ik natuurlijk ook verdere waan. Dit zou ik het beste kunnen vergelijken met een reeks van dromen. Al deze dromen zijn gebaseerd op mijn beeld van de werkelijkheid. Zij zijn er een extensie van, een uitbreiding.

Aan de andere kant toont de waan een geheel ander beeld van de werkelijkheid, zelfs mijn werkelijkheid, toe zou laten. De dagdromen, gedachten van: als ik nu eens enz., zijn dus wel zuiver waan. Maar in die waan gaat weer de werkelijkheid van je eigen wezen schuil.

Zo zou je kunnen zeggen dat naast de werkelijkheid die wij moeten aanvaarden en waarin wij leven – dus, voor ons werkelijk en waar is – een waan kennen, waarin wij de waarheid omtrent ons eigen wezen uiten en voor onszelf tegelijk verbergen.

Vragen

  • Is waan de verkeerde voorstelling die je je van iets kunt maken?

Dat kan ook wel waan zijn. Hoe weet u dat u een verkeerde voorstelling ergens van heeft?

  • Dat neem ik aan.

Inderdaad. Maar ook de voorstelling die een ander van iets heeft, hoeft geen werkelijkheid te zijn. Zelfs wanneer de voorstelling verkeerd is, blijft zij deel van uw persoonlijke werkelijkheid die, zoals wij reeds hebben vastgesteld, een deel waan inhoudt.

  • Hoe bewuster je bent, hoe minder waan je zult kennen?

Een lastige verklaring. Hoe bewuster je bent, hoe meer waan je zult bezitten t.o.v. de werkelijkheid waarin je leeft. Maar hoe meer waarheid ook in die waan geborgen zal zijn, omdat je uit de waan die je hebt omtrent de werkelijkheid in jouw vorm, meer de waarheid erkent en zo de werkelijkheid van je eigen wereld beter kunt beschouwen door de dromen die je hebt, ofschoon deze in zich nog onwerkelijk zijn.

Ingewikkeld, maar geen gezwam in de ruimte hoor. Ik zal het eenvoudiger uitleggen.

Mijn wereld en de werkelijkheid van die wereld – dit houdt, als gezegd, voor mij een deel van waan in – kennen voor mij bepaalde normen.

Ik moet mij houden aan de beleving van de werkelijkheid of pseudo werkelijkheid, op dezelfde wijze als degenen met wie ik leef en contact heb.

Contact betekent het uitwisselen van bewustzijnsfasen enz. Zij moeten die werkelijkheid ook kunnen zien, waar anders geen werkelijk contact mogelijk is. Wanneer je nu bewuster wordt, verwijder je je van deze algemeen aanvaarde werkelijkheid. Maar waar je met het leven en beleven nog aan je wereld gebonden bent, kun je niet zeggen dat je de nieuwe werkelijkheid reeds gewonnen hebt. Integendeel. Wat je aan bewustzijn hebt opgebouwd, berust nog op de gemeenschappelijke aanvaarde wereld, maar is tevens reeds een oordeel over die wereld.

  • Je wordt bewuster in waan.

Alle bewustwording is eenzijdig. Waar een veelzijdige bewustwording een onmogelijkheid is voor het beperkte intellect dat wij thans nog bezitten. In deze eenzijdigheid wil de bewustwording in een richting zeggen: een vergroting van de waan in alle andere richtingen.

Nu is er natuurlijk één ding wat ik nooit mag doen. Mijn waan stellen in plaats van de werkelijkheid waarin ik nog leef. Zelfs wanneer ik erken dat in deze werkelijkheid veel onwaarheden schuil gaan en dat zij dus lang zo reëel niet is als anderen denken, kan ik mijzelf nooit permitteren mijn waarheid in de plaats te stellen in waardering en beleving voor de waarheid van anderen, daardoor zou ik mij afzonderen van anderen. M.a.w. ik zonder mijzelf van de wereld af.

Wat is mijn wereld? Mijn enige mogelijkheid tot bewustwording. Op het ogenblik dat ik mij afsluit van mijn eigen wereld en daar zonder meer een andere wereld voor in de plaats tracht te stellen, beneem ik mijzelf de mogelijkheid om verder bewust te worden.

Dat betekent dat er een soort geestelijk intellect ontstaat, waarbij dezelfde ideeën zonder tegenstellingen steeds weer met elkaar geconfronteerd zullen worden, al zal daaruit op de duur een uitermate onvruchtbaar stelsel origineren, dat noch met de werkelijkheid, noch met de beleefde waan, meer enig verband heeft.

Dat is dan alleen nog maar een dazen in de ruimte. Vandaar dat wij de scheiding tussen waan en werkelijkheid m.i. het beste zo kunnen stellen:

Ik weet dat er buiten hetgeen ik thans werkelijkheid noem, iets bestaat dat absoluut waar of werkelijk is. Ik zal proberen dit steeds te erkennen in mijn eigen wereld, zowel als in hetgeen dat, vanuit mijn eigen zicht, thans nog waan is. Ik kan zelfs om die waarheid te erkennen, mijzelf tijdelijk onttrekken aan die eigen wereld. Zo kan ik in een toestand, waar mijn eigen “ik” een uitbreiding van de waan toelaat, zoeken naar verdere waarheden. Die waarheden kunnen pas voor mij werkelijk waar zijn, wanneer ik ze ook terug kan vinden in de wereld die thans mijn werkelijkheid uitmaakt.

  • Maar de werkelijkheid heeft toch vele facetten. Ieder mens beziet het toch van zijn kant?

Dat ben ik met u eens. Maar wil die mens blijven, dan zal hij aan zijn eigen bekijken van de werkelijkheid steeds weer moeten verbinden een zelfbeperking, die hem in zijn aanvaarden van de werkelijkheid niet verder doet gaan dan voor zijn eigen wereld aanvaardbaar is.

  • Maar de werkelijkheid van een ander kan evenveel waarheid hebben als de andere werkelijkheid van weer een ander, voor die persoon dan.

Maar ga je zo redeneren, dan kom je op een gevaarlijk terrein. Tenminste wanneer je daarop consequent verder wilt gaan. Op het ogenblik dat ik zeg: “Wat een ander denkt, is even waar als wat ik zeg, of het kan even waar zijn”, dan breng ik mijzelf in een zeer moeilijk parket. Ik kan niemand meer be- of veroordelen. Ik kan zelfs mijn eigen handelingen tegenover anderen niet rechtvaardigen, aanvaarden of verwerpen, waar elke lijn dan immers wegvalt.

Ik heb u zo-even reeds gezegd: Een van de eerste noodzaken voor leven als een mens is een  doel….. Zou ik nu zo gaan denken, dan kan ik mijzelf geen doel meer stellen, omdat mijn eigen denkbeelden immers dan alleen in mijzelf waarde hebben. Maar buiten mij worden zij bedreigd en afgewezen door wat waar kan zijn in de visie van anderen.

Hierdoor word ik dan van haast alle handelen teruggehouden, maar het handelen als uitdrukking van eigen denken en eigen wereldrealisatie is het enige middel in de stoffelijke of vormkennende geestelijke werelden, om mij te handhaven en de waarheid van mijn denkbeelden te toetsen aan de waarheid van de kosmos die buiten mij bestaat en die ik, naar ik meen, in mij erkend heb.

Ik moet voor mijzelf dus te allen tijde zorgen, dat ik de mogelijkheid behoud een doel te stellen en dit in mijn wereld actief na te streven. Dit neemt niet weg dat u toch tolerant kunt blijven denken, wanneer u zich realiseert: voor een ander heeft mijn waarheid een even grote waarde als voor mij.

Als je het zo stelt, stel je ook dat jij een waarheid hebt, terwijl voor de ander iets waar kan schijnen vanuit zijn standpunt. Maak je dit onderscheid scherp, dan is een verwerkelijken van jouw waarheid je doel. Je tracht dan die ander op de duur deel te doen hebben aan jouw waarheid.

  • Ik dacht dat dat tegen de waarheid was?

De verdraagzaamheid, zoals wij die zien, houdt in dat je begint met te proberen een ander te begrijpen. Dat je zoveel mogelijk alles zult tolereren in een ander, wat niet geheel en lijnrecht in strijd is met wat goed is volgens jou.

Voorbeeld: Een ander mag mij rustig eens een stevige opduvel geven. Daar kan ik wel tegen.

Maar als ze een hondje slaan, of een katje verdrinken, kan ik dat niet tolereren, want dat is volgens mij werkelijk slecht. Waarbij dus, of u dit nu toe wilt geven of niet, uw doelstelling u wel degelijk op bepaalde ogenblikken, ondanks alle verdraagzaamheid, in zal doen grijpen, ondanks hetgeen anderen misschien aanvaardbaar, redelijk en goed achten.

Wij kunnen natuurlijk trachten een ander een inzicht te geven vanuit ons standpunt, waarom hetgeen hij doet aan dat hondje, of katje, verkeerd is. Wij kunnen die ander misschien duidelijk maken waarom hij vanuit ons standpunt verkeerd doet. Maar het is de vraag, of wij hem zullen kunnen bewegen ons standpunt nu ook te aanvaarden in plaats van zijn eigen standpunt. Daar zitten dus nogal wat moeilijkheden aan vast.

  • Maar zoals bij de kannibalen is dat toch wel gelukt?

Tenminste zij hebben het zo ver gebracht, dat de kannibalen niet meer spraken over het eten van mensen, maar over een heerlijk maaltje “Long Pig”. De fout die op dat gebied maar al te vaak wordt gemaakt, is dat men eigen leef- en zienswijze de enige juiste acht en niet wil nagaan hoever de ander vanuit zijn eigen standpunt en zienswijze iets naar voren kan brengen ten voordele van zijn gewoonten en leefwijze.

Doen wij dit, dan hoeven wij nog niet te zeggen dat wij fout zijn of dat ons doel slecht is, maar wij zullen dan trachten ons zien zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met wat voor die ander goed is.

  • Wanneer wij nu uitgaan van het standpunt: dat het enig werkelijke in ons het goddelijke is, dan hebben wij een vast punt. Dat is toch de waarheid?

Theoretisch geheel juist. Wanneer ik zeg: “In mij leeft God en Die is waar”, terwijl ik niet precies weet wat God is, dan ben ik nog net zover als voordien.

  • Een beeld vormen van God is natuurlijk fout. Maar wij kunnen ook aannemen dat God alleen maar Kracht is.

Maar dan heb je nog een beeld. Want het begrip Kracht brengt nog een omschreven voorstelling van mee zich. Een voorstelling van uiting vormt dan een beeld. Wij kunnen niet komen tot een juiste voorstelling van God. Want de enig juiste voorstelling die wij ons zouden kunnen maken van God, die nog acceptabel kan zijn, omschrijft niet het gevoel: nl. een niets, waarin potentieel alle waarden behouden zijn. Zelfs die is niet voorstelbaar, ten hoogste aan te voelen. Dan kom je in een moeilijk parket. Want een dergelijk aanvoelen kun je niet rationaliseren. Dus kun je het voor jezelf niet redelijk in je eigen wereld uitdrukken.

Bovendien is het daarbij nog erg gevaarlijk voor ons om ons, buiten het zuiver theoretische, te baseren op en uit te gaan vanuit het Goddelijke.

Hoe kan ik Parijs vanaf de Eiffeltoren gaan beoordelen, wanneer ik geen 5 voet van de grond kan komen. Dat gaat nu eenmaal niet.

Daarom geloof ik dat wij zoveel mogelijk moeten blijven bij de werkelijkheid die wij hebben, ook al weten wij dat een deel van die werkelijkheid zeker later zal blijken een waan te zijn. Maar voor ons is het tenminste nu nog reëel.

Ik kan de waan gebruiken om een vergelijking te maken tussen wat in mij mogelijk en voorstelbaar is en hetgeen buiten mij reëel is, of voor mij zo schijnt te zijn. Ik kan de waan dus gebruiken om tot een beoordelen vanuit mijzelf te komen van mijn werkelijkheid. Een beoordeling van mijn werkelijkheid houdt een streven in om mijn werkelijkheid aan te passen aan hetgeen wenselijk is, volgens het oordeel dat ik heb uitgesproken.

Daaruit volgt dat mijn waan in feite wanneer ik ze bewust leer gebruiken – vooral in het begin – niet veel meer is dan een correctie van het beeld van de werkelijkheid.

Zolang ik uit de waan maar steeds weer naar mijn werkelijkheid terugkeer, is de waan voor mij een hulpmiddel, dat mij in de zgn. werkelijkheid meer ware dingen zal doen zien.

Hieruit vloeit dan – althans voor mij – voort, dat op een gegeven ogenblik waan en werkelijkheid elkaar zo intens zullen raken, dat er geen sprake meer kan zijn voor ons van een absolute scheiding van waan en werkelijkheid.

De waan die wij hebben omtrent de wereld waarin wij leven, of wel het deel van onze zgn. werkelijkheid, dat niet eeuwig en reëel is, vloeit automatisch over in onze voorstelling van wat mogelijk zou zijn, dus: de waan. Waan, die niet weer in de werkelijkheid afleesbaar is. Wel wordt de waan uitgedrukt in beelden die verwant zijn aan die werkelijkheid.

Dan kom ik tot een eigenaardige conclusie: voor degene die in staat is in zijn eigen werkelijkheid te blijven leven, is de waan niets meer of minder dan een uitbreiding van de mogelijkheden, die de tot nu toe ervaren werkelijkheid in zich bergt. Dus: wie erin slaagt met beide voeten op de grond te blijven, kan de waan een vergroting betekenen van de mogelijkheden, die werkelijkheid reeds in zich bergt, maar die hij alleen uit die werkelijkheid niet zal kunnen realiseren.

  • Het is alleen een beetje een gevaarlijke weg.

Neen, ik zie deze niet als gevaarlijk. Tenzij je de werkelijkheid verliest.

  • En als je fouten maakt, is het dan niet erg?

Iemand die fouten maakt, leert. Wie geen fouten maakt wordt meestal eigenwijs.

  • Maar wie de werkelijkheid verliest, heeft dat niet in de gaten, want die denkt immers dat het waarheid is?

Tot op zekere hoogte. Degene die zich in die waanbeelden verliest, komt op een gegeven ogenblik met zijn eigen wereld in conflict, want hij kan de werkelijkheid, waarin hij met de mensheid gemeenschappelijk leeft, niet ontgaan. Hij is aan een stoffelijke werkelijkheid gebonden, die hij geestelijk niet ontgaan kan, tenzij onder zeer bijzondere condities en omstandigheden, die slechts zeer zelden voor kunnen komen.

Normaal blijf je gebonden aan oorzaak en gevolg, zoals deze in jouw wereld tot uiting komen. Op het ogenblik dat je in een waan leeft, stel je daden die niet meer in overeenstemming zijn met die werkelijkheid en dus geheel onverwachte gevolgen in die werkelijkheid met zich brengen. Dit is niet te ontgaan.

Hierin ligt een vanzelf volgende correctie vanuit het ervaren. Degene die zich onbewust in de waan begeeft, brengt daardoor een strijd met eigen werkelijkheid en wereld teweeg, die hem uiteindelijk zal doen lijden en daardoor uiteindelijk, ofwel de waan zal gaan prijs geven, dan wel geheel ook metterdaad buiten alle werkelijkheid zal doen staan.

Staat hij buiten de werkelijkheid, dan krijg je een steriel baantje. Ik hoop dat ik niemand met de vergelijking kwets, maar er zijn mensen die steeds zo hoog zweven, dat je met geen mogelijkheid iets van ze gedaan kunt krijgen dat enig werkelijk nut heeft.

Wat meer is, deze mensen leven zozeer in hun eigen wereld, dat de betekenis van iets in de normale wereld, de thans geldende werkelijkheid, geheel aan hen voorbij gaat. Elke keer dat er een gevolg van hun eigen leefwijze op zal treden, zullen zij dit niet aanvaarden, dat voor zichzelf gaan rationaliseren met de Wil Gods of een noodlot dat hen achtervolgt.

Dit laatste met de bijvoeging: dat het een karma is, een resultaat van vroegere levens. Dat zijn ongelukkig mensen, zij zoeken steeds naar houvast. Vinden het nooit, omdat zij steeds proberen op wolken te lopen, terwijl zij nog lang geen engelen zijn.

Over het gevaar van de waan nog het volgende:
Degene die bewust gebruik maakt van de waan, doet niet veel anders dan een uitvinder of de samenstellers in de parfumfabricage. Ook daar voeg je een aantal elementen bij elkaar, waarvan je niet precies weet wat zij zullen doen. Maar omdat je weet wat je steeds bijeen voegt, zul je in staat zijn de gunstige resultaten te herhalen en te behouden, terwijl je ongunstige resultaten voortaan zult kunnen vermijden en voorkomen. Je komt dus tot een vermijden van alle factoren die onaanvaardbaar of onaangenaam zijn, terwijl je de resultaten die begeerlijk zijn, steeds weer voor jezelf zult kunnen realiseren.

Je kunt de waan dus gebruiken als iets wat je in je werkelijkheid mengt om bepaalde vermogens te bereiken. Ook al gebruik je de waan onbewust, neemt dit toch niet weg dat op het ogenblik dat je de waan de overhand geeft, deze tijdelijk voor jou als een werkelijkheid zal zijn.

Nu zegt men dat dit een gevaar is. Als gevaar kan dit nooit bestaan, zolang ik mij bewust blijf van het feit dat ik mij slechts in een schijnbare werkelijkheid bevind, die ik op elk ogenblik kan verlaten.

Daarom is dit volgens mij niet gevaarlijk, mits het maar geheel bewust wordt gedaan.

Iemand die bewust fantaseert is niet gevaarlijk, vaak amusant. Maar hij weet nog altijd wat de werkelijkheid is. Degene die gedreven wordt door bv. een drang om belangrijk, gewichtig, te zijn en dan gaat fantaseren, kan brokken maken.

Het gevaar van de waan begint eerst dan, wanneer je haar zonder onderzoek en zonder voorbehoud accepteert. Gebruik je haar als een tegenwicht tegen de werkelijkheid, vergroot je het aantal vergelijkingsmogelijkheden dat je hebt. Dan heb je dus niets anders gedaan dan bewust te werken met capaciteiten die je in je draagt.

Neem bv. autosuggestie. Een heel eigenaardig verschijnsel. Hebt u wel eens iemand gezien die werkelijk bang was? Ja? Is het u dan niet opgevallen dat iemand die werkelijk bang is, veel harder kan lopen, veel verder kan springen, veel zwaardere gewichten kan dragen enz.?

M.a.w. wanneer angst hem doet vergeten wat hij denkt niet te kunnen, dan kan hij meer dan anders.

Wanneer ik nu mijzelf aan ga praten dat ik iets kan, tot ik geloof in mijzelf, dan zal dit, mits het binnen het redelijke blijft, mijn vermogen tot prestatie kunnen verhogen, naargelang mijn geloof.

Wat is er dan gebeurd? In de suggestie heb ik iets gesteld dat volgens de redelijke begrippen van mijn wereld alleen maar een waan is: dat ik meer kan, dan ik kan. Maar door het geloof hieraan heb ik deze waan in mijn eigen wereld ten dele tot werkelijkheid gemaakt, waardoor een meer prestatie in de werkelijkheid een resultaat is van de waan die ik mijzelf heb opgelegd.

Indien ik mijzelf deze waan regelmatig en bewust opleg, verkrijg ik hierdoor het vermogen op de juiste ogenblik dan meer te presteren dan normaal, om daardoor de resultaten te behalen die volgens mij noodzakelijk of wenselijk zijn voor mijn verdere ontwikkeling in mijn eigen werkelijkheid.

Noemt u dat nog gevaarlijk? Neen, zegt u. Ja, en toch zit er een gevaar aan vast: dat je meent dat er geen grenzen bestaan aan hetgeen je langs deze weg kunt bereiken.

  • U heeft gezegd: redelijk. Dit is niet redelijk meer.

In onze wereld niet. Maar in een waanwereld kan het werkelijk redelijk zijn. Ik heb het woord redelijk dan ook alleen gebruikt om de reactie te bepalen in mijn eigen “werkelijke” wereld, dus in de algemeen aanvaarde werkelijkheid.

In een waanwereld is echter de algemeen aanvaarde werkelijkheid niet meer werkelijk. Als zodanig zou redelijk geredeneerd een proces, dat van 1 tot 50 normaal verder kan gaan, ook verder moeten kunnen gaan van 50 – 100, indien ik geen beperkingen erken. Dit is echter op dit gebied niet waar. De prestatie kan dan nl. wel eens te groot worden voor hetgeen deze moet volbrengen. Het suggestieve proces in mijzelf kan ik bovendien niet omdraaien.

Wanneer ik de suggestie prijs geef, sta ik onmiddellijk weer helemaal in de werkelijkheid. In genoemde vergelijking heb ik, wanneer ik tot 50 kom, mijn werkelijke mogelijke maximum prestatie bereikt. Door een versterking van de suggestie kan ik tijdelijk misschien nog komen tot een prestatie die veel hoger is. Maar dit gaat dan niet meer door een gebruik van mijn lichamelijke en geestelijke krachten, maar op kosten van de bron hiervan. Het is krampachtig pogen dan, waarbij de vermeerdering van krachten niet meer redelijk beheerst kan worden. Vandaar het beeld van een sprong naar 100 zonder tussenliggende trappen.

Heb ik die sprong eenmaal gedaan, dan is zelfs de bron van mijn vermogen aangetast en sta ik dus in het beste geval weer waar ik eens ben begonnen, maar meestal val ik nog verder terug.

De kunst, vooral bij zelfsuggestie, de gevaren te ontlopen, ligt dus in het feit dat ik nooit boven een in mijn wereld aanvaard maximum zal trachten te gaan. Wel ga ik boven het voor mij in die wereld aanvaarde maximum. Ik stel mij dus niet voor dat ik bv. 600 kg kan tillen met één hand. Dat is niet meer normaal. Maar wanneer ik onder normale condities 25 kg kan tillen, kan ik dit zonder bezwaar door suggestie opvoeren tot 50 kg. Dit heeft dan geen lichamelijke bezwaren.

Wanneer ik normaal over 100 meter 20 seconden loop, dan kan ik het zover brengen dat ik in deze tijd 150, zelfs 200 meter loop. Maar ik zal nooit in deze tijd één km af kunnen leggen. Als je dat nu maar in de gaten houdt, kun je door een suggestief proces, dus waar nodig, eigen prestatie gaan vergroten. Het gevaar is gelegen in het feit dat je de grenzen, opgelegd door je eigen wezen, voorbij zou willen gaan. Daarom is het noodzakelijk ook steeds weer tot het normale peil van prestatie terug te keren en het autosuggestieve proces niet te gebruiken als een vermeerdering van de normale prestatie, maar alleen als een tijdelijke vermeerdering daarvan, wanneer dit werkelijk noodzakelijk is.

Hierdoor blijf je bewust gebonden aan de voor jou normale waarden en kom je dus niet zo snel in de verleiding boven het voor jou mogelijke uit te willen, dus, zelfs om iemand anders te helpen. Wel periodiek, maar niet continu toepassen. Een continu leven op een dergelijk hoog peil van krachtverbruik betekent een overbelasting van stoffelijke en redelijke processen, waarbij het denken gelijk zal blijven bij een vermeerdering van prestatie. Hierdoor is een realisatie van de werkelijke toestand moeilijker en zul je in de verleiding komen een volgende keer weer de eigen prestatie te verhogen op de manier waarop je dit reeds eerder hebt gedaan. Je bent je er dan niet meer van bewust dat dit wel redelijk schijnt, maar dat het eigen wezen hier grenzen stelt, die slechts met zeer grote moeiten en kosten zijn te overschrijden.

Wat betreft autosuggestie heb je verder nog dit:
Een helderziende, die zichzelf instelt, gebruikt ook hier een proces van autosuggestie. Dat weten zij misschien zelf wel niet, in feite doen zij het. Zij suggereren zich dat zij op dit ogenblik in staat zullen zijn, of in staat gesteld zullen worden bv., contact te krijgen met een geestelijke leider. Ergens realiseren zij zich dit voor zichzelf, ongeacht het feit dat de waargenomen geestelijke geleider zowel reëel als waan kan zijn. Wat voor de praktijk overigens geen verschil maakt, dus, voor de uitkomst. Het enige verschil, haast niet waarneembaar, zal zijn: dat de gedachte “geleidegeest” alleen maar een doel van je eigen persoonlijkheid is – denk aan de Scheingestalt – terwijl in het andere geval een reële persoonlijkheid optreedt.

Zelfs de voorstelling omtrent vorm e.d. van de laatste, zal slechts ten dele werkelijk zijn, dus, ten dele waan. Het autosuggestief proces, dat op zich dus als het opbouwen van een zekere waan beschouwd kan worden, maakt het voor de helderziende echter mogelijk dingen waar te nemen, vast te stellen, weer te geven, aan te duiden, of te beschrijven, die krachtens het meegedeelde vaak blijken werkelijk te zijn, te zijn geweest, of te zullen worden in deze werkelijke wereld.

Uit de waan wordt dus ook hier weer werkelijkheid geboren. Nu kan er echter ook het volgende gebeuren:

Een medium of helderziende krijgt een soort van geestelijke hoogmoedswaanzin. Dan wordt gezocht naar meer dan werkelijk en realiseerbaar aanwezig is. Hierbij krijgen wij het substitueren van gezochte waan voor een in de werkelijkheid omzetbare waan.

Dat leidt tot de grofste blunders die er maar gemaakt kunnen worden, is aanleiding tot de vreemdste uitspraken enz.

  • Superwaan.

Ik geloof niet dat iets meer waan dan waan kan zijn. Want zou iets meer waan dan waan zijn, dan zou waan meer werkelijk zijn dan meer waan. Heus waar, hoor. Het begrip “super” zou ik hier liever niet toepassen. Wel kun je zeggen: waan kan optreden in verschillende trappen, waarvan sommigen met de werkelijkheid verenigbaar zijn en dan in de werkelijkheid geheel, of gedeeltelijk, realiseerbaar worden.

Andere trappen van waan zijn met de werkelijkheid niet meer te vereenzelvigen, of overeen te brengen. Een poging om zo toch in de werkelijkheid te realiseren, doet je dan in strijd komen de werkelijkheid en zo tot mistoestanden, misbaksels en onzinnige resultaten leiden.

  • Waan uit gedachtebeelden alleen opgebouwd, kan het nooit langer uithouden.

Daarover kun je van mening verschillen.  De mijne is: dat iemand die hiermee werkt, het net zo lang vol kan houden als er nog dwazen zijn die er achteraan lopen. Ik ben het echter met u eens, dat personen die hiermee werken, door de wijze van opereren, in het onwerkelijke voor zich zoveel problemen in de zgn. werkelijke wereld voor zich veroorzaken, dat een overbelasting van het “ik” ontstaat, die eigen ondergang, of tenminste versnelde aftakeling zeker meebrengt. En dat is meer een gevolg van een psychologische kwestie.

Wanneer je innerlijke zekerheid in strijd komt met je uiterlijke werkelijkheid, dan vreet je jezelf op. Hetzij van ellende, hetzij van woede.

Nog iets: men heeft u hier aangeraden om autosuggestie te gebruiken. Van mijn kant gezien is dit zo. Wanneer je de autosuggestie gebruikt om dingen die werkelijk zijn voor jezelf mogelijk te maken, terwijl je alles wat optreedt in de zelf opgelegde waan, voortdurend weer blijft toetsen aan de werkelijkheid, dan kun je m.i. niet ver fout lopen. Pas op het ogenblik dat je de vergelijking met de werkelijkheid nalaat, zul je in de verleiding komen om de waan als een werkelijkheid zonder meer te aanvaarden. Dat wordt gevaarlijk.

  • Is het nodig dat de mens in geborgenheid leeft?

Nodig is het niet. Theoretisch zou de mens zonder geborgenheid kunnen leven, maar zijn hele toekomst en bewustzijn brengt met zich, dat er min of meer een zoeken naar geborgenheid zal blijven. Dat is ook begrijpelijk. Het menselijke bewustzijn – hierbij gerekend dus stoffelijk bewustzijn – wordt in de periode voor de geboorte betrekkelijk sterk beïnvloed. Bij de geboorte ontstaat er voor het dan aanwezige bewustzijn een zeer scherp contrast tussen de geborgenheid in het moederlichaam en de brute wereld erbuiten.

Dit betekent dat praktisch elke mens, meisje of jongen, een soort van moedercomplex zal hebben. Geborgenheid wil voor hen zeggen: een soort van prenatale geborgenheid, een terugkeer tot de zekerheid in de moeder.

De zekerheid van bestaan, die in deze eerste periode aanwezig was, hield in: verzorging met voedsel, zuurstof, gedempte emoties, kortom, alles wat nodig was. De emoties brachten een sfeer op zijn minst van aanvaarding, veelal ook een soort verwachting. Hierdoor werd het wezen in een bepaalde sfeer tot eerste vorming gebracht.

Die eerste vorming blijft als waarde in de mens bestaan. Wanneer het leven buiten nu heel erg attractief zou zijn en geheel andere waarden op de voorgrond zou brengen, dan vinden wij mensen die streven naar het tegenovergestelde en de geborgenheid dan verwerpen. Dit komt, omdat  het  gebonden zijn, dat het ervaren in de prenatale periode met zich bracht, voor hen niet meer te aanvaarden is, waar zij zelf willen beleven.

De doorsneemens zegt wel zelf te willen leven, maar beperkt dit onbewust tot een leven zonder te grote weerstanden. Waar de weerstand is, zoekt hij naar een houvast. Dit houvast moet dan een zekerheid betekenen, een vlucht in de geborgenheid.

U moet maar eens opletten: wanneer iemand in grote angst bewusteloos wordt, zal het lichaam vaak wel de embryonale houding aannemen. Dat komt meer voor dan u misschien denkt. Met bewusteloosheid denk ik hier niet aan de vrouwelijke vapeurs. Dat is alleen maar een demonstratieve uiting van onbewustzijn, die veroorzaakt wordt om de onbewust, of onbewust gegeven krenkingen van anderen te wraken. Tegenwoordig komt dat overigens niet zoveel meer voor. Tegenwoordig bokst de vrouw, vroeger viel zij flauw. De resultaten blijven hetzelfde.

Wat zien wij eigenaardig genoeg? De vrouw zoekt veelal haar geborgenheid bij de man. Waarom? Omdat de man het sterke geslacht is voor haar, zodat de vrouw in staat is een deel van haar dan aan de man over te dragen en daardoor zichzelf te onttrekken aan de verplichtingen, die het leven nu eenmaal zo nu en dan oplegt.

Waarom zoekt de man dan de vrouw, psychologisch gezien? Omdat de vrouw voor de man het beeld van de moeder betekent, als zodanig zal zij hem bij het behoud van de verantwoordelijkheden emotioneel een uitlaat verschaffen, waardoor hij mismoedigheid en geluksgevoel kan uiten, zonder daardoor het verlangde beeld van sterke mannelijkheid tegenover de buitenwereld te verliezen.

Deze geborgenheid is haast altijd een noodzaak. Juist uit de prenatale toestand en de geborgenheid die in het gezin behoort te bestaan gedurende de jeugd, de bescherming die men later bij bepaalde instanties, of vrienden vindt, is het voor de mens steeds wenselijk zijn eigen verantwoordingen ergens aan een ander over te kunnen geven.

Wanneer dit voor de volwassen mens niet meer mogelijk is en in het eigen leven alles niet meer zo gemakkelijk is, zoekt men een laatste uitvlucht: de religieuze weg. Waarbij men dan aan een dan niet reële persoonlijkheid verantwoording, lasten en schulden overdraagt, wanneer men die voor zichzelf niet meer kan aanvaarden.

Ik geloof dat uit dit korte betoog u wel duidelijk wordt, dat het zoeken naar geborgenheid het gehele leven doortrekt. Eigenaardig genoeg is het vaak zelfs meer de behoefte aan geborgenheid, dan de angst die de mens ertoe brengt zich in wijsgerige bespiegelingen te begeven, zich in religieuze overpeinzingen te storten.

De mens zoekt geen rationalisatie van zijn eigen bestaan. Het is jammer, maar waar. Elke mens die reëel zou willen leven, zou noch kunnen zijn wat hij verlangt te zijn, noch kunnen doen wat hij verlangt te doen.

Hij wil deze verlangens echter niet ontkennen. De begeerten zijn voor de mens vaak nog sterker dan angst op dit terrein. Om de angsten die de begeerten uiteindelijk in hun uitwerking en betekenis verminderen weg te werken, zoekt de mens weer naar een geborgenheid, die dan voor hen de basis wordt vanwaar hij in de wereld uitgaat om te handelen.

Wordt dit nog erger, dan krijgen wij te maken met mensen die zich terugtrekken in de een of andere dogmatische stelling, waaruit zij als piraten in de wereld trekken om met een verwaarlozing van eigen dogma’s de wereld te brandschatten en daarna weer in de geestelijke geborgenheid van hun dogma en de rechtvaardiging van het dogma terug te keren en daar met enkele symbolische handelingen de schuld verder over te dragen aan een ander.

Vaak weet de mens niet wat hij doet en welke gevolgen dit zal hebben. Wanneer de mens aan het begin van elke handeling de consequenties daarvan zou kunnen overzien, zou hij schrikken. Dat is dan maar goed ook dat de mens niet kan zien welke gevolgen er aan elke kleine handeling, aan elk besluit vaak kan zitten. Anders zou hij misschien wel nooit durven iets te doen, of te besluiten. Dit, terwijl naast de onaangename gevolgen de resultaten van een besluit, of handeling, toch zeker draagbaar zijn en naast vreugde en smart zeker vaak een grote bewustwordingsmogelijkheid geven.

← vorige tekst
overzicht
volgende tekst →
image_pdf