Inzicht en zelfkennis

uit de cursus ‘Inzicht -1’ (hoofdstuk 1)- oktober 1962

Inleiding

Inzicht kan een mens niet krijgen. Hij kan het slechts verwerven. Ons bewust van dit feit, zullen wij dan ook trachten om gedurende deze cursus zoveel mogelijk een afgerond geheel van feiten, proeven en mogelijkheden voor u te scheppen, waarin u voor uzelf kunt zoeken en waaruit u voor uzelf conclusies kunt trekken.

Wij kunnen aan het begin van deze cursus niet zeggen, welke de omstandigheden aan het einde zullen zijn. Toch zijn wij ervan overtuigd, dat u gediend zult zijn met een zo kort en zo duidelijk mogelijke formulering van de feiten. Dit houdt in, dat in de loop van deze cursus verschillende onderwerpen zullen moeten worden aangesneden, die meestal enigszins als “taboe” worden beschouwd. Ik hoop dat u daartegen geen bezwaren zult hebben. Ook dit is noodzakelijk, wanneer de mens inzicht wil krijgen in zichzelf en in zijn relaties tot het Al.
Wij gaan dan nu onmiddellijk over tot de

Zelfkennis

Zelfkennis zal voor elke mens, die in de stof leeft, beperkt moeten blijven tot datgene, wat door zijn stoffelijke redelijke vermogens begrepen en verwerkt kan worden. Een absolute zelfkennis is praktisch onmogelijk.

Een groot gedeelte van het “ik” kan verder worden onderscheiden in twee delen. Ten eerste hebben wij te maken met de persoonlijkheidsprojectie, de bewuste voorstelling van het “ik” en al hetgeen daaraan is verbonden, ten tweede hebben wij te maken met het z.g. onderbewuste “ik”, waarin een groot aantal dwang-, groeps‑ ja, zelfs angstverschijnselen voorkomen, die elk een beslissende invloed hebben op het menselijk denken.

In deze eerste les wil ik trachten u duidelijk te maken, welke invloeden onderbewust op u inwerken, welke fouten daardoor dikwijls worden gemaakt en verder zou ik daarbij willen wijzen op enkele mogelijkheden van geestelijke ontwikkeling.

Het menselijk ras als geheel heeft een lange vormingsperiode doorgemaakt. In deze periode zijn elementen van zuiver dierlijk bestaan terug te vinden. En dit zuiver dierlijk bestaan heeft in het begin van de mens een gejaagde, later een jager gemaakt. Deze instincten zijn blijven bestaan. Het ontwikkelen van een groter herinneringsvermogen en daarmee ten slotte een redeneringsvermogen heeft de mens voor raadselen in de natuur geplaatst en voor de noodzaak die raadselen voor zichzelf op te lossen. Daarbij heeft hij in vele gevallen teruggegrepen naar oude principes en nog vaker naar de oude en instinctief geërfde ervaringen van zijn voorouders.

Wanneer wij het begin van de Bijbel lezen, dan vallen ons de woorden op: “Het worde licht.” Als wij vrome mensen horen spreken, dan spreken zij van het goddelijk Licht. In onze groepen spreken wij eveneens over kosmisch licht, over lichte sferen, over opgaan tot het licht. Dit heeft een betekenis.

Het duister was vroeger voor de mens gevaarlijk. Juist in de tijd dat het duister was, wanneer de grote roofdieren uitgingen, was hij niet in staat zich voldoende te oriënteren. Hij kon niet zien welke vijanden rond hem waren. Hij bezat in die eerste tijd vooral ook niet de bescherming van het vuur en was dus doodongelukkig. Het duister was voor hem een periode van verhoogd gevaar en verhoogde angst. En gezien de vele slachtoffers, die ongetwijfeld in het begin onder de voorouders van de mens zijn gevallen, mogen wij aannemen dat die afschuw van het duister is overgeërfd in allen die bestaan.

Wanneer wij spreken van het licht, dan spreken wij in feite van datgene wat voor ons aanvaardbaar is. Wij spreken van veiligheid, wij spreken van de mogelijkheid om zelf jager te zijn in plaats van de gejaagde. ‘Het is goed zich dit te realiseren. Want wij zijn geneigd om dat alles abstract te beschouwen zonder te beseffen, hoe in het eigen wezen altijd weer de achtergronden liggen, welke voor allen, die redelijk denken, ja in de hoogste bewustwording en filosofie, te herleiden zijn tot dingen van zuiver dierlijke geaardheid.

Ik heb dit voorbeeld van het licht genomen om u duidelijk te maken dat bijvoorbeeld het onderscheid goed ‑ kwaad ook op dezelfde basis berust. Goed is datgene wat aanvaardbaar is; kwaad datgene wat niet aanvaardbaar is.

Wij spreken verder bij de mens al heel snel over de noodzaak van trouw, van aanvaarding, van gezag en gezagsverhoudingen. Ieder van u heeft op zijn wijze daarmede te maken, want uw hele leven wordt daardoor bepaald. De behoefte aan gezag en het afschuiven van verantwoordelijkheid, het besef zwakker te zijn, voerde in de oude gemeenschappen tot het aanvaarden van een leider. Die leider (het stamhoofd) was door zijn kracht en bekwaamheid de meerdere der anderen. Zo is het element, dat wij in onszelf het Goddelijke noemen, voor zeer velen een beeld, geassocieerd met de oude natuurdrang en daardoor tot een element van geweld geworden, van absolute, dictatoriale overheersing enerzijds en anderzijds van een bescherming, zonder welke men meent niet te kunnen leven.

In het menselijk leven spelen verder dierlijke elementen een rol, welke hij pleegt te ontkennen. Ik doel hierbij o.m. op de honger, op de voortplantingsdrang, kortom, de seksuele elementen. U moet goed begrijpen, dat ik het woord “seksueel” hier in een zeer uitgebreide zin gebruik. Voor de mens betekende het voortbrengen van nageslacht zekerheid. Hij beantwoordde daardoor aan zijn bestemming en vergrootte er de kracht en de sterkte van zijn kleine gemeenschap door. Ook in de tijden dat de oude verhoudingen niet meer golden en dat meer mensen in vele gevallen een onverantwoordelijke last voor de gemeenschap betekenden, hield men aan deze oude tendensen vast. Men noemt dit zijn moraal; in feite grijpt men terug naar bepaalde overgeërfde instincten en feiten.

Opvallend is verder dat de mens zijn verhouding tot het AL en tot de mensheid over het algemeen op God afschuift. Hij stelt: God zegt mij, dat ik dit of dat moet doen; of: dat het verboden is. In heel veel gevallen gaat het hier niet om een maatregel, die op natuurlijke wijze uit zijn eigen bestaan voortvloeit, maar om een maatregel die voor hem sociaal of door machtsverhoudingen belangrijk is. Hieruit vloeit voort dat een zeer groot gedeelte van de religieuze wetten in feite behoeftewetten zijn en dat het Gods-element alleen een associatie is. Het afwenden van verantwoordelijkheid enerzijds en het scheppen van een zware pressie anderzijds.

Ik wil verder nog opmerken, dat oorspronkelijk een huwelijksverhouding tussen twee mensen zelden voorkwam. Wel bestond een algemeen seksueel verkeer in de gemeenschap en door toeneiging werden tijdelijk paren gevormd, die soms ‑ dat geef ik graag toe ‑ een lange tijd, ja, zelfs tot de dood samen bleven. Maar er was hier geen enkele dwang of drang; het ging hier om de mens zelf. Later bleek het noodzakelijk eenheden te scheppen, waarmee men kon rekenen; en zo ontstond dus eerst het polygame huwelijk en tenslotte het monogame huwelijk.

Deze waarden zijn met de mens vergroeid, maar dat wil nog niet zeggen dat zij voortvloeien uit zijn persoonlijkheid.

Nu ik u deze voorbeelden heb gegeven, kom ik onmiddellijk met mijn eerste stelling.

In de doorsnee‑mens bestaat een innerlijk verzet tegen al die wet­ten, regels en beperkingen, welke niet voortvloeien uit de erfmassa plus ‑ en dat is een factor die ik nog niet heb genoemd ‑ zijn geestelijke noodzaken. Wanneer gij uzelf eerlijk beschouwt, dan zult u in vele gevallen neigingen ontdekken die u onaangenaam vindt. Of u zult worden geconfronteerd met innerlijk bestaande toestanden, die u vreest aan anderen voor te leggen. Negen van de tien mensen zullen onmiddellijk uitroepen en dus de gemeenschappelijke en niet de persoonlijke maatstaf gebruikend: “Dit is duis­ter, dit is kwaad.” Zij bedoelen: Dit is onaanvaardbaar. Bijgevolg zullen zij deze delen van hun persoonlijkheid negeren of niet voldoende onderzoe­ken. Het is echter noodzakelijk dat men ook hierin een inzicht krijgt. Want zelfkennis kan nimmer alleen een hoog geestelijk of een laag stoffelijk element betreffen. Zeker is, dat zelfkennis niet alleen bereikt kan worden door de geprojecteerde persoonlijkheid.

En daarmee kom ik aan een tweede punt: nl. de persoonlijkheidsprojectie.

Elke mens heeft een voorstelling van zichzelf. Die voorstelling is zelden juist. Zij is gebaseerd op datgene, wat hij wil zijn plus de reactie van de anderen op deze voorstelling, zoals hij die aan de wereld presenteert. Hier is dus geen sprake van het tonen van het werkelijke wezen, van de werkelijke persoonlijkheid. Er is sprake van een schijn die men ophoudt en van een waardering van zichzelf door die schijn plus de reactie, welke op die schijn volgt, in de buitenwereld.

De mens, die van deze persoonlijkheidsprojectie uitgaat, ziet elke keer weer a.h.w. de grond onder zijn voeten wegbrokkelen. Wanneer hij geestelijk wil streven, wordt hij geconfronteerd met iets, wat z.i. in zijn persoonlijkheid absoluut niet past en hij vraagt zich af, hoe dat nu mogelijk is? En wanneer hij gelovig is, vraagt hij zich af, waarom God hem heeft verlaten. Vasthouden aan de voor hem belangrijke punten van innerlijk bewustzijn en innerlijk denken wordt eveneens bemoeilijkt, want hij heeft geen vertrouwen meer in hetgeen in hem bestaat en wat wel degelijk waar kan zijn, omdat zijn persoonlijkheidsprojectie gefaald heeft en hij niet in staat is zich te heroriënteren.

Het zal u duidelijk zijn, dat het verschil tussen wat wij tegenover de buitenwereld willen zijn of zelfs móéten zijn en datgene, wat wij werkelijk in onszelf zijn, moet worden erkend. En daarbij mogen wij geen enkele vraag ontwijken. We zullen tot de conclusie komen, dat de ware toestanden en verhoudingen in de mens heel anders liggen dan men algemeen pleegt te stellen of aanneemt. We zullen daarbij zelfs tot de conclusie moeten komen, dat vele psychologische verklaringen niet volledig juist waren. Want ook deze gingen uit van een bepaald patroon, van een gemeenschapspatroon. Maar de mens staat voor zichzelf. Hij is in zekere zin uniek door de geest die in hem woont. Gelijktijdig echter is hij deel van een massa door het lichaam dat hij bezit.

Nu ik deze twee punten ‑ zij het summier ‑ heb aangeduid, moet ik ingaan op de achtergrond van het menselijk leven, zoals deze voortvloeit uit de maatschappij.

Iedereen weet dat het maatschappelijk leven en de maatschappelijke normen er alleen zijn om er uiterlijk aan te beantwoorden, terwijl, men in het geheim daarvan vaak in zeer sterke mate pleegt af te wijken. Op het ogenblik dat ik deze uiterlijke wereld aanvaard als een rechtvaardige, een goddelijke noodzaak, ontstaat er een conflict. Een conflict met de werkelijkheid die ik beleef; en deze werkelijkheid kan ik niet verdragen. Ik ga rationaliseren; d.w.z. redenen bedenken die onwaar zijn, of redenen geven die niet bestaan. Verder zal ik trachten een compensatie te vinden, wat gemakkelijk genoeg is.

Wij vinden bij de mens heel veel voorbeelden van het z.g. sublimeren van angsten, van bepaalde drang-, honger- en behoefteverschijnselen. Onthoud dit: De sublimatie hiervan komt altijd voort uit het onvermogen om de werkelijkheid te verwerken en te aanvaarden. Een sublimatie is een vervangingsmiddel, niet een machtsmiddel, zoals menigeen meent. In verband hiermede is het aardig even te wijzen op de neiging, die men bv. heeft om seksuele krachten te sublimeren; d.w.z. over te brengen naar een hoger niveau. Wij kennen dit systeem in verschillende esoterische scholen en heel veel mensen maken hiervan gebruik uit meer of minder bewust magische overwegingen of ook godsdienstige en zelfs maatschappelijke. De feitelijke toestand ligt enigszins anders.

Wanneer ik iets moet sublimeren om iets te bereiken dat uit mijzelf niet zonder meer voortvloeit, dan ontstaat in mij een onevenwichtigheid. Ik kan deze wel tijdelijk opheffen door haar te sublimeren. Maar wanneer ik afwijk van het persoonlijk stoffelijke en het persoonlijk geestelijke patroon dat mijn wezen uitmaakt, dan zal ik ten alle tijden en zelfs door de sublimatie falen. Dit is voor menigeen een moeilijk punt. Ik wijs hierop, omdat zeer veel mensen zich aanpraten dat zij bepaalde dingen in hun leven moeten sublimeren, op een hoger plan stellen. Maar dat hoger plan is ten dele imaginair.

Een mens maakt deel uit van de natuur en de natuurkrachten. En in het natuurlijk bestaan put hij uit deze krachten. Elk misbruik, zowel door overdaad als door tekort wordt door de natuur gestraft met een vermindering van de kracht, die de mens uit de natuur ontvangt en opneemt. Dit is niet alleen t.o.v. de lichamelijke gesteldheid waar, maar eveneens t.o.v. de geestelijke. Een zeker aantal impulsen is nu eenmaal noodzakelijk. Wanneer wij weten waarom wij sublimeren, dan kan het bewust kennen van die reden en het eerlijk erkennen daarvan ons helpen om die onevenwichtigheid op te sporen.

De maatschappelijke verhoudingen zullen het vaak niet mogelijk maken de werkelijke behoefte volledig uit te leven, onverschillig op welk terrein. Men is gebonden aan de gemeenschap, aan een bepaalde werkkring en al wat daarbij behoort. Maar, vrienden, men kan wel – en dit is belangrijk – de onevenwichtigheid erkennende, deze compenseren, zonder daarbij te grijpen naar de op zelfverheffing berustende ideeën, dat men iets hogers tot stand brengt. Voor zelfkennis moet de mens uitgaan van het standpunt, dat hij stof én geest is. Niet dat hij stof is en geest moet worden, of dat hij als geest in de stof alleen stoffelijk moet leven.

Nu ik deze – voor menigeen misschien wat onaangename – punten heb aangeroerd, wil ik ook even spreken over een bepaalde geestelijke achtergrond.

Wanneer u hier op aarde komt, bent u niet alleen maar mens, eenvoudig om het menselijk bestaan door te maken. U bent hier, omdat uw geest aanvulling zoekt voor bepaalde tekorten of herstel van bepaalde onevenwichtigheden, die zij in zichzelf heeft aangevoeld of erkend. Aangevoeld, wanneer ze redelijk onbewust is; erkend, wanneer zij tot de meer lichtende sferen behoort.

De geest heeft dus met haar incarnatie een zeer bepaald doel. Dit doel vergt een aantal ervaringen. Ervaringen, die ten dele niet worden beheerst door de mens en ten dele wel. Voor de geest is het zuiver natuurlijke leven, dat voor de stof het meest juist zou zijn, niet aanvaardbaar. De vervulling van haar eigen doel eist, dat zij zich in een bepaalde richting specialiseert. Zij doet dit door in het menselijk leven de nadruk te leggen op zekere aspecten van het bestaan. In sommige gevallen zijn deze zelfs in strijd met wat wij het gezonde instinct, de uitwerking van de erfmassa, mogen noemen. Maar wanneer de geest op deze wijze op u inwerkt, schept zij daarbij bepaalde lichamelijke onevenwichtigheden. En het zoeken naar een compensatiefactor in de stof betekent zonder meer reeds een compenseren “in de zin van de geest.”

Indien u dus met zelfonderzoek wilt beginnen, zou ik u allereerst willen raden om uw eigen stoffelijk wezen na te gaan, zonder zelfbedrog, zonder een poging u vast te klampen aan een gouden licht of een hoogte te zien, die u in feite nog niet ziet, zonder u bezig te houden met sferen, die op het ogenblik op zijn minst genomen irreëel schijnen of – zo ze al een zekere realiteit bezitten – toch een zeer beperkt deel van uw leven uitmaken. Ga uit van uw zuiver stoffelijk wezen en de daarin optredende onevenwichtigheden. Begrijp verder, dat een groot gedeelte van wat de mens zijn meer edele gedachten en neigingen noemt, eveneens te herleiden zijn tot behoefte-elementen. Het is heel wel mogelijk, dat u zo goed bent voor uw medemensen, omdat u waardering nodig hebt. Wanneer dit het geval is, dan moet u heel goed beseffen, dat uw goeddoen voortkomt uit een gevoel ’niet-deel-te-zijn’’ van de gemeenschap. De oplossing daarvoor is: niet méér goed te doen maar iets minder goed te doen en zelf te zoeken naar een weg, waardoor u dat gevoel van eenheid met de mensheid wel kunt verkrijgen:

U zult ontdekken, dat uw afkeuring van anderen in vele gevallen een poging is uzelf te verontschuldigen; of – wat nog erger is – om het voortzetten van een zeker zelfbedrog mogelijk te maken. Daarom is het ook belangrijk, dat gij uw kritiek op de wereld en op de mensen onderzoekt. Zelfkennis, die deze kritiek geheel terzijde stelt, kan nimmer een ware zelfkennis zijn, want de relatie tussen u en de wereld komt juist in uw kritiek en aanvaarding t.o.v. die wereld sterk tot uiting.

U bent ‑ geestelijk gezien ‑ geboren uit de grote Eenheid, de kosmische Eenheid. Dat is een feit. Ik kan u dat niet bewijzen. De behoefte, deze Eenheid zo sterk mogelijk en zo blijvend mogelijk te erkennen, wordt door elke geest ook meegenomen in de stof en daar helaas vaak geperverteerd ‑ ik kan het niet anders noemen ‑ door te behoren tot een groep of tot een stam, ja, zelfs tot een bepaalde beperkte gemeenschap. Wanneer u innerlijk vaststelt, dat het behoren tot een kleine groep voor u uitermate belangrijk is, dan moet u zich ook afvragen, of u juist daardoor misschien bepaalde verplichtingen, die uw gevoel van eenheid en harmonie in u heeft gelegd, tracht te compenseren. Blijkt er van zo’n compensatie sprake te zijn, dan is het zaak te onderzoeken, of niet een andere en meer juiste vorm van leven en denken mogelijk is.

De kwestie van het zelfonderzoek heeft vele en soms zelfs vele onprettige nevenverschijnselen. Wanneer wij uitgaan van het “ik” en wij willen dat “ik” ontleden, dan zullen wij – zeker wanneer wij mens zijn – meestal een maatstaf nemen, die buiten ons ligt. Maar wanneer ik mijzelf ga vergelijken met iets, dat ik slechts onvoldoende ken – want uw medemens kent u meestal redelijk, misschien ook gevoelsmatig maar nimmer volledig – dan legt u valse maatstaven aan. U kunt zich een ideaal stellen; dat is iets anders. Maar een ideaal is geen maat, waarmee u uw streven meet. Het is slechts een doel, dat u zich voorstelt te bereiken.
De verwarring, die in de mens heerst, wanneer hij zijn ideaal als maatstaf gebruikt, brengt hem tot een absoluut gevoel van onvermogen en minderwaardigheid. Waar dit gevoel ontstaat, zal hij trachten dit te compenseren door heerszucht of door ziekelijkheid, door een nederigheid, waarop men zichzelf dan toch weer verheft. Deze dingen zijn schadelijk. Wij moeten tot een volledig eerlijke beleving van het “ik” komen. Alleen op die manier is voortgang in geestelijke zin, het bereiken van een juiste harmonie en een inniger contact met de oneindigheid, ook in menselijke zin, mogelijk.

De geest zelf, puttend uit de kosmische kracht, hanteert haar bewustzijn in wat wij verschillende werelden plegen te noemen. In feite kan worden gesteld dat zij contacten heeft; en dat deze contacten meer persoonlijk tot uitdrukking komen, dus meer persoonlijke of zelfs menselijke eigenschappen vertonen, naarmate de sfeer, waarin de indruk wordt opgedaan, lager ligt. Zo kan het verschil van sfeer dus ook worden uitgedrukt als een vermindering van het erkennen van eenheid en harmonie. In elke wereld is men actief. Maar slechts in de wereld, die men kent en beleeft, zal de geest impulsen opdoen. Zo goed als de mens impulsief is (d.w.z. door zijn instincten en gevoelens wordt geregeerd), zo zal ook de geest in deze lagere sferen en niveau’s impulsief zijn. Haar reacties zijn dus niet altijd volledig betrouwbaar. Wij moeten dit beseffen, omdat wij anders worden geconfronteerd met plotselinge veranderingen, die geen vast doel beogen. Het leven op aarde betekent voor de geest het nastreven van één nauw omschreven doel. En dat betekent dat wij alles, wat wij van de geest of uit de geest ervaren en wat niet gelijktijdig dit doel bevordert, terzijde mogen stellen en bij de analyse van het “ik” voorlopig mogen beschouwen als onbelangrijke, van buiten komende beïnvloeding.

Als dit eerste gedeelte duidelijk is, kan ik nu beginnen aan een ander gedeelte van deze les.

Het onderzoek van het “ik” is altijd verstandelijk. Dat wil zeggen, dat een groot aantal factoren in het “ik” kunnen worden erkend. Wij werken in feite met enkele bekende waarden in een formule, waarin meer dan één onbekende voorkomt. Zo is de poging om het innerlijk evenwicht volledig tot stand te brengen en een volledige zelferkenning te bereiken in feite een mathematisch probleem; nl. door voortdurende hergroepering van waarden proberen wij aan het onbekende een vastere gestalte en vorm te geven. Dit vergt onnoemelijk veel tijd en zal vooral in het begin van het zoeken naar werkelijk begrip voor het eigen wezen eerder schaden dan baten. Daarom wil ik u de raad geven bij een volledig eerlijk onderzoek uit te gaan van die factoren, die verstandelijk kunnen worden begrepen. Hierbij is de enige maatstaf uw eigen begrip. Een ander kan u misschien wel een uitleg geven, maar of deze uitleg voor u volledig aannemelijk is, dat is de vraag.

Ga uit van het redelijke en erken daarnaast de gevoelswereld. De gevoelswereld werkt compenserend daar waar het redelijk erkennen tekort schiet. Wees voorzichtig, dat u bepaalde dingen niet gevoel noemt, terwijl ze in feite een onderdrukking van de werkelijkheid of een sublimatie van zuiver erfelijke tendensen der mensheid betekenen.

De gedachte, dat godsdienst en elke relatie met het Hogere berust op de menselijke behoefte zekerheid voor zichzelf te scheppen, zal ongetwijfeld bij u rijzen. Het is een probleem dat u, wanneer u eerlijk bent, eenvoudig niet kunt ontgaan. En daarom moeten wij beseffen, dat er in het menselijk begrip – zelfs in het redelijk begrip van de mens – eigenaardige hiaten voorkomen. Een ervan is zijn onvermogen om de begrensdheid van zijn wezen te erkennen. Hij kan zijn begrenzing in bepaalde eigenschappen, inzichten of strevingen erkennen maar nimmer zijn begrenzing in duur. Het “ik” wordt gezien als continu. Het aanvaarden van een niet-continu zijn van het ”ik” is emotioneel (innerlijk en redelijk) niet aanvaardbaar. Ieder mens weet dat hij moet sterven, maar haast ieder mens zoekt voor zichzelf een verklaring, waardoor hij die dood overwint. Het leven na de dood blijft voor de stoffelijke mens in zeer vele gevallen een raadsel en zijn geloof daaraan en zijn vertrouwen daarop is voor een groot gedeelte een gokje. Dat betekent dus niet, dat dit voortbestaan er niet is. Uit eigen ervaring weet ik, dat dit er is. Maar voor de mens geldt dit niet zo.

Omdat de mens de duur van zijn eigen bestaan niet begrensd kan zien, zoekt hij voor de onvergankelijkheid van zijn wezen in zijn omgeving een bevestiging. Hij doet dit door werken, door het vervaardigen van iets, door het onderwijzen, het doceren. Hij doet dit door in anderen de herinnering aan zijn wezen a.h.w. vast te leggen. Dit is waarschijnlijk de oorzaak geweest voor het ontstaan van de eerste grote beelden van vorsten en helden. Zij wilden, ofschoon zij wel geloofden aan een voortbestaan, de zekerheid hebben dat hun wezen op enigerlei wijze continu zou zijn in hun eigen redelijke en stoffelijke wereld. Een groot gedeelte van uw beweegredenen zal hiermede in verband staan. Besef dit wel.

Wij mogen deze feiten niet ontkennen, omdat zij niet passen in onze denkrichting en ons geloof. Eerlijk zelfonderzoek is noodzakelijk, ook op dit terrein, omdat wij anders niet tot zelfkennis komen.

Maar wij hebben gelukkig iets anders. Wij hebben de afwijking van de door ons redelijk gekende norm aan de hand van ons geloof, van onze godsdienst. En nu blijkt in vele gevallen dat onze behoefte aan continuïteit voor een gedeelte kan worden omgezet in directe werkelijkheid, omdat het geloof waarden schept, die niet redelijk uit ons zouden kunnen voortkomen. Zo ontdekt u bij enig nadenken, dat voor u een tweede wereld bestaat buiten de stoffelijke, die niets met de geest te maken heeft. Het is een aantal van door u ontvangen invloeden en van u uitgestraalde invloeden, die op een voor u niet geheel begrijpelijke manier, zowel uw omgeving als uzelf hebben veranderd. Het feit dat dit bestaat en in uw leven werkzaam is, is aanleiding tot de volgende vraag.

Kan misschien een redelijk begrip worden verkregen van deze eigenaardige relatie, die tussen “ik” en Al bestaat en op deze stoffelijke wereld tot kenbare uitdrukking komt?

Ik meen, dat een ieder dit voor zichzelf moet beantwoorden. Voor mijzelf zou ik deze vraag bevestigend willen beantwoorden op de volgende overweging.

Wanneer ik door het uitzenden van een gedachte, door het uitstralen van een kracht, door het volbrengen van een magisch of ander ritueel in de materie iets verander, zonder dat dit een redelijk kenbare achtergrond heeft, zo moet mijn wezen actief zijn in bepaalde gebieden, welke buiten het redelijke vallen, die door mij niet aan de hand van het verstandelijk denken kunnen worden beheerst. Maar aangezien de verschijnselen wel redelijk vaststelbaar zijn, zal ik – door te erkennen op welke wijze dit in mij wordt ervaren en in mij bestaat en zonder de kracht te kennen die ik hanteer – het verschijnsel redelijk kunnen beheersen. Wanneer men een beheersing krijgt van de onbekende krachten, kan men afstand doen van de behoefte aan een intermediair. Sjamaan, priester, medium, zij zijn niets anders dan bemiddelaars, die voor u iets tot stand moeten brengen, dat u zelf niet meent te kunnen doen. Maar in wezen bezit u al die eigenschappen wel, omdat zij niet stoffelijk kunnen bestaan, zonder gelijktijdig te zijn vastgelegd in de oereigenschappen van het mens-zijn, die weliswaar bij de één scherper, bij de ander minder scherp tot uiting komen, maar altijd aanwezig zijn.

De conclusie is duidelijk. Wanneer u komt tot het ontleden van het “ik”, moet ook het onbegrepene en het onbekende en uw angst daarvoor zowel als uw aanvaarding ervan worden bezien. U zult dan weten wat u beheerst; en omgekeerd, wat u misschien kunt leren beheersen.

Dit tweede deel is dus ook geschikt voor het onderzoek van paranormale kwaliteiten en geestelijke eigenschappen. Er is echter aan deze les nog een derde facet:

Op het ogenblik dat de mens zichzelf tracht te kennen, zal hij, omdat hij nu eenmaal ergens een beeld of een compensatie nodig heeft, die hij verstandelijk niet kan bereiken, zich een beeld scheppen van een macht of van een God, een feitelijk of een imaginair contact met geest of sferen, waaruit hij krachten put. Indien dit het geval is, dient men wel te beseffen, dat die waarden nimmer stabiel zijn. Naarmate het “ik” verandert, zal ook de rationalisatie van dit onbekende veranderen.

Iemand, die zich klemt aan een vast beeld van een God, zal daarmee ongetwijfeld moeilijkheden krijgen; en dan wordt zijn God zijn vijand, i.p.v. de hem aanvullende factor. Wij erkennen altijd bij het zelfonderzoek vele tekorten. Wij zullen deze moeten aanvullen. Daartoe zullen wij de God, die wij in ons beseffen, moeten zien als datgene, wat ons completeert en niet als de onveranderlijke waarde waaraan wij onderdanig zijn.

Dit klinkt demonisch in de oren van een gelovige. Maar wij kunnen niet uitgaan van een kracht buiten ons, onbekend of alleen door openbaringen vastgelegd. Wij moeten uitgaan van dat, wat in onszelf bestaat, in onszelf leeft. Eerst dan kunnen wij onszelf kennen. En eerst wanneer wij onszelf ken­nen, kunnen wij de werkelijke plaats bepalen, waarop wij in de schepping staan. Dan kunnen wij het doel van het stoffelijk leven van geestelijk standpunt uit leren kennen en kunnen wij begrijpen, waarom er in ons een verzet bestaat tegen zovele conventies; anderzijds waarom wij ons aan deze conventies vastklampen, niet beseffende dat wij daarmede onszelf als het ware ten dele doden om aan een geprojecteerd beeld van het “ik” te kunnen vasthouden.

God zal in elk deel van zelferkenning, in elke bewustwording een overheersende rol spelen. Maar dat betekent nog niet dat Hij “God” genoemd behoeft te worden. Er zijn duizend‑en‑één namen en omschrijvingen te vinden, die alle hetzelfde weergeven. Hoe wij het begrip aanduiden, is onbelangrijk. Maar te aanvaarden dat het begrip voor ons steeds verandert, dat is noodzakelijk.

Het voorgaande klinkt koud, nuchter, in vele gevallen niet eens prettig en is niet zo gemakkelijk aanvaardbaar. Maar het ontdekken van jezelf is nimmer een prettige taak. Wanneer je nl. jezelf onderzoekt, zul je steeds weer ontdekken dat, wat je meende te zijn, anders was, mooier naar je eigen idee. De aanvaarding van de werkelijkheid is onvermijdelijk. Eerst wanneer wij aanvaarden wat wij werkelijk zijn, hetzij in een wereld als de uwe of in de sferen, kunnen wij werkelijk iets presteren.

Wanneer wij in onszelf een bepaalde richtlijn hebben ontdekt, een bepaalde noodzaak en een bepaalde behoefte, wanneer wij in ons een gevoel hebben gevonden, dat op enigerlei wijze in onszelf of in de buitenwereld moet worden gemanifesteerd, dan is het onze taak dit te doen. Wij kunnen onszelf niet alleen met de innerlijke beschouwing openbaren. In heel veel gevallen komen we te staan tegenover een beeld, dat innerlijk volledig aanvaardbaar lijkt en volledig waar, maar dat wij in de praktijk liever terzijde schuiven. Onthoud goed, vrienden, dat de praktijk belangrijk is als toetssteen.

Ik wil u een raad geven. Wanneer u in uzelf een bepaalde eigenschap meent te hebben vastgesteld, stel dan uzelf vragen die daarmee samenhangen. De eerste vraag moet bevatten: een vasthouden aan dit principe, ingaande tegen een ander principe en vraag u af welke keuze u zou maken. Stel uzelf een tweede vraag: Vraag u af, of u iets, dat u innerlijk als juist erkent, in de praktijk voor uzelf of voor anderen algemeen aanvaard zou willen zien; en zo niet, waarom niet. Een derde vraag: Vraag u af, waar u meent te falen en waarom. Ga na, in hoeverre de omstandigheden, die het falen of het vermeende falen veroorzaakten, feitelijk door u kunnen worden beheerst. Hebt u desondanks een schuldgevoel, vraag u dan af, of u uw persoonlijkheid niet hebt geprojecteerd met een almacht, een alwetendheid of een alkennis, die ze in feite niet bezit. Op deze wijze zal het u gemakkelijker worden voor uzelf een beslissing te nemen omtrent datgene wat werkelijk deel uitmaakt van het “ik”.

Alle dingen samenvattend wil ik mij nu even terugtrekken in de meer geliefde vaagheid, waarin veel kan worden gezegd, maar ook veel verkeerd kan worden begrepen. Ik hoop dit door het voorgaande te hebben voorkomen.

De basis van ons aller wezen is harmonie. Deze harmonie kan nooit bestaan met iets, dat door ons niet wordt gekend. Het niet-gekende kan met ons in harmonie zijn, maar wij nooit met het niet-gekende. Een harmonie komt steeds voort uit erkenning, uit aanvaarding, uit een begrip van samengaan, uit eenheid. Omdat harmonie voor ons een noodzaak en een behoefte is, ja, zelfs geluk daaruit voortvloeit, moeten wij heel voorzichtig zijn met de manier waarop wij deze harmonie voor onszelf trachten te realiseren.

Alle harmonie moet voortkomen uit geestelijke elementen, maar ze kan nimmer een stoffelijke bevestiging ontberen. Alle stoffelijke uitdrukkingen van eenheid en harmonie zijn waardeloos, als ze niet vergezeld gaan van een geestelijke bevestiging. Hier is de twee-eenheid stof – geest voor u buitengewoon belangrijk. Laat ons daarom in de eerste plaats daar harmonie scheppen, waar ons dit mogelijk is, zonder buiten de voor ons aanvaardbare normen of de normen van ons geprojecteerd ik-beeld te gaan. Schep allereerst harmonie zover u kunt binnen de beperking van wat u schijnt te zijn. Breid daarna die harmonie steeds verder uit op een zodanige wijze dat u meer uzelf zijnde ‑ gelijktijdig een groter contact bezit met de medemens zowel als met het AL.

Laat u er nimmer toe brengen uw zoeken naar harmonie alleen op een bepaald punt te richten. Uw persoonlijke aanvulling en harmonie kan in een enkel punt liggen: een geloofspunt, een lering, een gedachte, een stoffelijke mogelijkheid. Maar wanneer u in het zoeken naar waarheid en zelfkennis uw begrip van harmonie baseert op één bepaald nauw omschreven punt en niet op een principe, dan zult u het uzelf onmogelijk maken om waarlijk harmonie te bereiken. Want door het zich concentreren op één omschreven waarde wordt het totaal van de soortgelijke waarden en mogelijkheden buiten beschouwing gelaten. Eerst wanneer wij in staat zijn het geheel te aanvaarden, kunnen wij de bevestiging daarvan vinden in één punt. Maar dat is wat anders.

Ik wil u erop wijzen, vrienden, dat het zoeken naar harmonie, naar zelfkennis, naar het innerlijk begrip, altijd gepaard gaat met moeilijkheden. Niet de moeilijkheden van een beproeving, maar de grote moeilijkheid, dat u uw wezen voortdurend moet aanpassen om de harmonie te behouden, om de harmonie groter te maken en te bereiken.

Besef wel, dat juist zelfkennis en het streven naar harmonie gezamenlijk zullen resulteren in een vermeerdering van het aantal door het “ik” gestelde daden, een vermindering van aan anderen gestelde eisen en een vermindering van de eigen behoefte aan gezag t.o.v. anderen. Voor het “ik” zou het zeer goed en belangrijk zijn, wanneer het een zo groot mogelijk aantal wezens (mens en geest) als gelijke kon aanvaarden, ongeacht de verschillen in geestelijke bewustwording, stoffelijke ontwikkeling, stand en rijkdom. Want slechts op deze wijze wordt voor het eerst de mogelijkheid geschapen om het “ik” te zien binnen het geheel, waarin het leeft en op den duur ook op de plaats, die het waarlijk inneemt te midden van de schepping.

De werkingen van karma

Men heeft mij verzocht om u heden avond te spreken over de werkingen van het karma. Daarmee moet ik mij dus op het terrein gaan begeven van de incarnatie en de wijze waarop oorzaak en gevolg samenvloeien van leven tot leven. Ik zou dit gaarne willen doen in verschillende beelden; en daarom wil ik u als gelijkenis de geschiedenis van een enkele geest schetsen.

Een geest wordt voor het eerst als mens geboren in een periode van grote keizerrijken, van barbaarsheid, van slaven, van vaste standen en vele goden. Hij leeft daarin allereerst zijn lusten uit, want het dier, dat mens wordt, moet eerst de betekenis van de menselijke gevoelens en de menselijke mogelijkheden leren beseffen. Zo schept die geest voor zich een beeld van verplichtingen; en uit dat beeld van verplichtingen in dat leven volgt voor haar een tekortschieten, maar ook een geven, dat goed is geweest.

En dan incarneert de geest opnieuw. Zij meent nu geleerd te hebben en kiest nu een machtige omgeving. Als prins van den bloede, als veldheer treedt hij wederom op. Vele levens vernietigt hij, omdat hij ze verkeerd acht en vele levens redt en behoudt hij, omdat hij ze waardevol acht. Hij is nog niet volledig beheerst, maar hij is een groot man. Wanneer hij terugkeert naar de geest en de sferen, erkent hij hoe wonderlijk de weg is geweest die hij heeft afgelegd; en hij ziet hoeveel waardevols hij heeft vernietigd en hoeveel nutteloze waarden hij heeft behouden. En zo besluit hij naar een juist oordeel te zoeken.

Hij zoekt naar oordeel in een incarnatie, waarin hij tracht wijsgeer te worden. Maar door de drukte van zijn omgeving en zijn leven, de warrelingen van de krijg rond hem, valt hij steeds weer terug, ook in het oude dat hij reeds heeft beleefd. En zo is hij enerzijds een mens, die zoekt naar wijsheid en die het dichterlijk woord kent, anderzijds een sluw raadsheer, een genieter van het leven en een krijger, die in hoog aanzien staat. En dan besluit hij om afstand van deze dingen te doen en kiest daarom een ander voertuig.

Weer keert hij op de wereld terug en wordt een vrouw. Zij baart kinderen en daardoor leert zij een totaal andere relatie van mens tot mens kennen. Zij meent nu dat dit de oplossing is en incarneert als priesteres. Zij tracht de gehele wereld te uiten en uit te leven in de relatie man – vrouw, moeder – kind, de innige verbondenheid, deze ware erkenning en waardering die zij in een vorige incarnatie leerde. Maar deze vrouw is niet in staat dit te volbrengen. Want de oude drang naar macht, de oude drang naar de stoffelijke genietingen blijven doorspelen en zo ontstaat een nieuwe onevenwichtigheid.

Dan incarneert die mens in de tijd van uw Middeleeuwen en zoekt enerzijds het magisch geheim, de geheime en occulte leringen, anderzijds speelt hij (nu weer in mannelijke vorm] met intriges en politiek. Maar hij ontdekt: ik kom zo niet verder.

Hij incarneert kort daarop weer. Nu wederom als man in een omgeving waarin hij geen macht kan hebben. Eenvoudig gebonden aan het land, in een handwerker familie leeft hij onder het gezag van een grande seigneur. Hij tracht nu zijn wijsheid te brengen aan anderen. In zijn ondergeschiktheid begint hij voor het eerst te beseffen wat waarlijk dienen is. Maar al het andere leeft voort.

Die ziel incarneert weer met haar verkregen wijsheid en met haar inzicht en wordt misschien een gezondene of een ingewijde, die leringen van hoge waarde brengt en in de stof leeft met alle stoffelijke geneugten, die hij zich niet geheel kan ontzeggen. Hij heeft een scherp verstand en weet in krijg en handel even goed zijn rechten te doen gelden als de wijsheid beoefenen. Maar nu komt dit alles voor het eerst in focus. Er wordt een beeld geschapen van het werkelijke “ik”. De oorzaak-en-gevolgwerkingen, die een lange tijd zijn meester zijn geweest, beseft hij nu in de juiste samenhang. En ziet, hij bouwt nu in zichzelf het begrip van een evenwichtig dienen, dat bestaat uit geven en aanvaarden. Hij bouwt het begrip op van een God, Die in hem leeft tot in de materie toe, en van een “ik”, dat zich in die God verheft en die God erkent in alle dingen.

En dan betreedt hij voor het eerst het rijk dat geen grenzen kent. En waarlijk ingewijd in dit leven laat hij veel achter zich, want de stoffelijke genietingen zeggen hem weinig meer; zij hebben slechts zin in het geheel. En de lering, waarop hij eens trots was en de wijsheid, ze zeggen hem niets. Hij weet: zij zijn slechts middelen tot een doel.

Zo heeft hij zichzelf gevormd tot een werktuig, een instrument, dat innerlijke erkenning van een grote rust, van een ware gebondenheid aan het Eeuwige brengt aan de mens; niet als een les of een opdracht of een heerschappij, maar als een eenvoudige dienst in dank gegeven voor het feit dat hij leeft tussen anderen.

Het beeld dat ik u heb geschetst, is het beeld van iemand, die werkelijk heeft geleefd en die in uw dagen weer leeft. Uit dit beeld kunt u voor uzelf de les trekken.

Wanneer een mens een karma heeft, dan zegt hij: Dit is het onontkoombare noodlot dat mijn dagen steeds beheerst en mij in nachten achtervolgt, totdat ten slotte is vervuld wat ik in het verleden zelf heb vastgelegd.

Maar karma werkt niet op deze wijze. Karma is een eigenschap die u bereikt. U bouwt in uzelf een begrip op; een wereld, die steeds groter en machtiger wordt, elke maal weer. En alles wat in die wereld is, bent u, en niet slechts één ding. En alles wat u in die wereld hebt erkend en wat u in de geestelijke sfeer of wereld hebt geleerd, dat is uw geeste­lijke impuls in een leven. Geen slaaf van het noodlot, maar een wezen dat moet erkennen, hoe het is; en in deze erkenning een meesterschap over zichzelf moet verwerven.

Het is niet goed dat een mens slaaf is. En hij, die is gebonden aan het rad van het noodlot, is een slaaf: want die achtervolgen alle gebeurtenissen uit het verleden als dromen, die steeds terugkeren; en de verwekte oorzaken worden onbegrepen gevolgen, die in het leven steeds weer nieuwe onevenwichtigheden en een steeds grotere afstand van de Oneindige tot stand brengen. Maar het werkelijke karma, wanneer het wordt erkend voor wat het is, is de vervulling van uw wezen, dat groeit in vele verschillende fasen als een vrucht, die uit de aarde haar sappen trekt en uit de zon de kracht van haar rijping, tot zij ten slotte zelf vruchtdragend is geworden en zelf kan worden tot een boom. Zo leeft een mens.

En dan zegt men u misschien: “Een wereld van karma, van zo grote wet, leeft voort, ook wanneer u leeft in een andere wereld.”

Het is waar voor hem die slaaf is. Maar als u overgaat en uw geweten is bezwaard met schuld, dan vreest u voor het licht en voor het grote. U vreest de goden of u verwacht duivelen en demonen. Zelfgeschapen is de hel waarin u woont. Verwerpt u die hel en vreest u toch, dan schept u u een nieuwe wereld na wereld. Alle grotten van pijn zijn u, alle demonische werelden herschept u.

Wanneer u tevreden bent met uzelf, maar u beseft niet goed waarom, dan schept ge u hemelen, waarin de schoonste derwisjen u dienen. U schept u hemelen, waarin de kosmische kracht u leert, maar u beseft niet. Want er is één band tussen al het zijnde en uw wezen; en die band kan nimmer liggen in wat u denkt of droomt op één wereld of in één leven of in één bestaan. U denkt gebonden te zijn aan het rad des levens? Maar u bent het rad des levens zelf. En zoals het rad zich wentelt om zijn as, zo wentelt uw bestaan zich om de as van het ware, het kosmische begrip.

Wanneer een mens beseft, hoe alle verschijnselen in feite uit één kracht voortkomen, hoe alle daad, alle oorzaak, alle gevolg, alle gedachten één kracht zijn, dan houden de tegenstellingen op te bestaan, dan groeit uit de onbegrepen wreedheid van het achtervolgend noodlot een innerlijke stilte, een harmonie. En in deze harmonie vindt men dan wat men wel noemt: Nirwana. Niet de wereld van een stille geborgenheid in een oneindige oceaan, maar het levend, tintelend deelhebben aan alle dingen. Wetend, hoe er een scheppende Kracht is en belevend uit alle dingen, tot uzelf kunt ingaan tot die scheppende Kracht.

Mogelijk zijn mijn beelden voor u beelden van romantische vaagheid. Maar zoals gij hier voor mij zit, bent u deel van deze noodlotskring die men voor zichzelf schept.

Er zijn er onder u, die geleefd hebben in het oude Egypte, die gedwaald hebben in de rijke valleien van India. Er zijn er die geleefd hebben toen de pracht van de Inca’s regeerde in de werelden van Zuid‑Amerika en Mexico. Maar dat is voorbij. Het was het boetseren van het beeld, dat u nu bent. De eigenschappen, die u nu bezit, zijn nog steeds geschreven in de natte klei van het onbewuste en ongevormde “ik”:

Nu leeft gij en het verleden spreekt in u. Niet met een ijzeren dwang, maar met de behoefte om al wat u geweest bent wederom te zijn. En er is maar één weg en één wet: dat wat u onbewust eens bent geweest, zult u bewust zijn. Dat wat u onbeheerst bent geweest, zult u beheerst zijn. Dat wat u eens alleen persoonlijk erkende, zal deel moeten worden van de erkenning van een groot geheel, de vreemde kracht, die ligt achter de sluiers van de begoocheling.

Er zijn vele mogelijkheden voor elke mens om in zich iets van het noodlot, van het karma te herkennen. Want in uw leven zijn er angsten; en angst brengt lijden. Uw angst is voortgekomen uit een vroeger bestaan, maar ze is in dit leven bevestigd. U hebt haar a.h.w. zelf gezocht. Zo u haar overwint, bent u vrij. Onderwerpt u zich eraan, uw leven wordt u tot een last.

U hebt vroeger een wijsheid erkend. Zoals het steeds weer gaat, dit begrip en deze wijsheid bloeien in u op. Het is een vreemd stil erkennen dat de mens soms heeft, als u in een onbekende stad komt en het gevoel heeft: hier ben ik thuis, hier heb ik gewoond. Maar die wijsheid is dan niet de enige of de grote. Zij is maar een deel van de wijsheid. Zij is het zaad, waaruit de wijsheid van dit leven moet opkomen en niet slechts het heerlijk bezit der rijkdom, waarmee men zich tot vorsten kan wenden en heersers kan afwijzen.

U hebt uit uw leven van vroeger de eigenschappen behouden, die u misschien nu ziet als zuiver dierlijke instincten; u hebt daaruit overgehouden de angsten die u bezwaren, uw afweer voor sommige dingen en uw aanvaarding van andere zonder reden. Uw sympathieën en uw antipathieën, zij vloeien daaruit voort. Maar zij leven nu in u en nu in dit leven zult u moeten leren ze te beheersen.

Wie vreest en de vrees voor zich niet durft erkennen in haar ware gedaante, is slaaf van het rad. Wie vrees in zich erkent en haar erkennende desondanks de weg gaat, die hij juist acht, overwint de vrees. Hij is meester van het rad.

Wie in zichzelf de begeerte kent en de begeerte ziet als iets, dat onderdrukt of bevredigd moet worden ten koste van alles, is haar slaaf. Maar wie het begeren ziet als de uitdrukking van een vroeger bestaan en het huidig bestaan en weet: hier moet ik door meester over mijzelf te zijn een band herscheppen, misschien een kracht weer opbouwen, die wordt meester.

Wanneer er een tijd is, waarin de duizenden en miljoenen, die dragers zijn van het Grote Licht, zich naar de aarde keren en haar baden in de felle zonneschijn van nieuwe kracht, dan wentelt het rad des levens sneller. En dan zult u u weer moeten afvragen: Kan ik aanvaarden of niet? Ben ik de slaaf van mijn denken of ben ik meester ervan?
En hoe sneller het rad wentelt, des te sneller is de werking van de grote wet, die gij noemt “oorzaak en gevolg”, hoe sneller ook het karma zich voltrekt, maar ook hoe sneller het zich opbouwt. Slechts daar, waar u bewust beleeft, waar u meester bent, vindt u het nieuwe, het goede. Daar vindt u de kracht, die eenheid schept en geen verdeeldheid. Daar vindt u de band, die alle dingen met elkaar verenigt en niet de scherpe scheidslijn, die licht van duister, goed van kwaad, mens van dier, ja, zelfs geest van geest zou kunnen scheiden.

Laat mij u een beeld geven.
Er is een tijd, dat de Broeders zich tot de wereld keren. Dan komen wij tezamen. En velen, die lang geleefd hebben in de sferen, nemen opnieuw een gestalte aan; en zij die in de stof leefden en kunnen verdragen, zij stromen samen.

Dan is er het symbool. De tafels worden opgesteld, de rijpe vruchten der aarde worden geoogst. En terwijl de zang klinkt en de vreugde welt als een stille, onvermoeibare bron, die koelte geeft en verfrissing, houdt men gezamenlijk een maaltijd. En men verheugt zich. Niet omdat men tezamen is in deze vorm, want dit is symbool. Niet om de rijpe vruchten, die de aarde heeft geschonken, zo gaaf, zo wonderbaarlijk vol van de sappen der aarde en het licht van de zon, maar omdat men iets anders deelt. Weg vallen de grenzen. En dan spreekt hoog licht tot laag licht en zij zijn één glans en één gloed. Dan zingt het hoogste lied uit die onbegrepen wereld van rust de stormachtige klanken van een lagere wereld. Dan versmelten de dingen tot eenheid; en uit die eenheid wordt de vreugde tot een vrijheid.

Als zij zo tezamen komen, dan is het de tijd dat men het Hoogste erkent. En omdat de grens is vervaagd, omdat men vrij is van het rad, omdat men Meester is geworden van het noodlot, spreekt de hoogste Kracht. Dan is er geen grens meer en geen verplichting, waarachter de Eeuwige Zich verschuilt. Geen onbegrepen duister, waaruit een vreemde Kracht, de scheppende Godheid, tot leven ademt. Dan is er slechts het zijnde. Het zijnde, dat één is en harmonisch en levend. Dan spreken alle dingen tezamen: de hoge en de lage. Zij gaan uit en nemen alle werelden in zich op en alle wezens.

Daaruit bouwt men dan de kracht om bewustzijn te scheppen op de wereld. Dit is in zekere zin een symbool, dat voor u kan passen; want u hebt uw eigen noodlot, uw eigen karma.

Maar wanneer u, vrienden, durft accepteren wat u bent en u vrijmaakt van de slavernij van uzelf, wanneer u zegt: Niet langer slaaf wil ik zijn, maar meester over mijzelf en alleen erkennend de kracht die mij geschapen heeft, zult u dan niet evenals de Broeders de band scheppen door het symbool, maar eerder nog door uw innerlijk bewustzijn, waardoor elke grens vervaagt en alle leven één wordt; waarbij het hoogste gekend wordt in het laagste en het laagste zichzelf erkent en zich spiegelt in het hoogste, wetend: dit is één, onverbrekelijk en onveranderlijk.

Uw karma, vrienden, uw noodlot, is slechts een spel van door u niet-erkende en niet-beheerste invloeden. Uw levens van het verleden, zij keren weer. En zeker zullen zij u vragen om een bepaald offer, om een zekere strijd; misschien om afstand te doen of om te bezitten. Zij zullen u vragen te spreken of te zwijgen. Maar u moet besluiten en niemand anders.
Niet het noodlot zal beslissen. Niet de gang der gebeurtenissen, die iets onvermijdelijk maakt. Maar het eigen wezen, het innerlijk bewustzijn en de kracht waarmee u uzelf als het ware terzijde zet voor de kosmos en gelijktijdig meester bent over de eigenschappen die u nu bezit. Dat is de voltooiing.

Misschien heeft men u geleerd dat karma de eeuwige wet is; maar het is anders. Wat u karma noemt, is het pad van de rechtvaardigheid. Het pad, dat u onbewust kunt gaan, zonder een doel te bereiken. Maar, dat bewust gegaan, snel voert tot de bron van alle wet en recht.

U ziet karma misschien als iets bitters dat men moet dragen. Maar het karma is de rijpe gave van een groeiend “ik”, dat steeds weidser mogelijkheid opent om eerlijk en bewust erkennend een meester, uw God tot deel van uzelf te maken en – zonder uzelf daarin te verliezen – toch deel te worden van een geheel zonder grens.

Hoe moeilijk is het deze woorden te vinden en daarmede uit te drukken in uw taal, die wat dat betreft zo arm is, wat het leven betekent. Maar men heeft mij gezegd, dat u zoekt naar inzicht en naar de weg, waarop het persoonlijk ego zich ontwikkelt tot eenheid met het kosmisch ego. Daarom waag ik het deze onvoldoende woorden te spreken. Daarom tover ik u wat onvolledige beelden voor.

Bedenk wel, dat u hier bent en kunt aanvaarden of verwerpen, dat kan deel zijn van uw karma. Maar het meesterschap, dat u hierover verwerft, schept geen karma. Het is de bevrijding, waarbij de slaaf wordt tot meester en waarbij de meester zelf zijn eenheid erkent met Meester van alle dingen.

Wanneer een leerling zoekt naar een meester, zo zet hij zich in zijn nabijheid, opdat hij de uitstraling van zijn gedachten moge ondergaan, die hem nederig mogen dienen, waardoor hij de wijsheid van de meester in zich zal kennen. Maar er is geen meester zo groot en zo machtig op aarde, dat hij u alles kan geven wat het verleden u reeds heeft geschonken. Wat voor u noodzakelijk is, is te ontwaken; niet slechts te leren. En daarom, vrienden, zeg ik u dit:

Er is een levende kracht, waarin u gelooft. Er is iets, wat in u vibreert en leeft en werkt, waarvan u zegt: Dit is God, dit is Licht. Luister dan als een leerling naar zijn meester; niet om begrippen te horen, maar om deel te hebben aan de vibratie alleen. En spreek dan niet tot uw meester en zeg hem dan niet: “Los mijn problemen voor mij op.” Want wie slechts van anderen heil verwacht, hij is slaaf. Maar zeg tot uzelf: “Uit al wat uitstraalt, dit vreemde manna dat mij doortrilt, deze kracht als Atmans adem, deze is mijn leermeester en leert mij hoe ik mij moet beheersen. Want in het licht van deze waarheid erken ik wat ik ben. Erkennend wat ik ben, meester wordend van mijzelf, overwin ik het noodlot, mijn karma en de wenteling der dingen, de eeuwige terugkeer van vorm tot vorm en word ik waarlijk mijzelf.”

Meer heb ik u niet te zeggen. Mijn gedachten hebben u omvat. Sommigen van u hebben aangevoeld, wat ik wilde zeggen. Ik heb gegeven. U zult van die gift uw waar bezit moeten maken.

Daarom wens ik u toe, dat de eeuwige trilling in u steeds duidelijker moge spreken, totdat u – uzelf erkennend en uw wezen beheersend – de eeuwige vrede in u mag kennen, waaruit men langzaam met de Broeders opstijgt tot het ogenblik dat geen verdeeldheid meer bestaat.

Ik wens u vrede op uw pad, licht in uw dagen, vreugde in de harten en dat gij sterk moge zijn door de tijd.