Inzicht in gedachtewereld van de geloofswaarden

image_pdf

8 mei 1962

De kring, die zich met esoterie bezighoudt, wordt altijd weer voor grote reeksen van problemen gesteld. Men ontmoet n.l. altijd weer een reeks van sterke tegenstellingen en incongruenties tussen eigen wezen en de filosofieën, de gedachten en soms ook de waarnemingen en belevingen, die het ik zozeer treffen. Ik zou gaarne de achtergrond daarvan met u nagaan, in de hoop hierdoor zowel de mogelijkheid tot zelfkennis te bevorderen, als ook u een inzicht te geven in een gedachtewereld, waarin bepaalde geloofswaarden een zeer belangrijke rol spelen.

De gedachtegang van de oude mensheid heeft ons gevoerd tot een reeks van vastgelegde systemen. Het Egypte, uit Griekenland, zelfs uit China en Indië zijn de denkbeelden Europa binnengestroomd en zij hebben daar langzaam maar zeker gestalte gegeven aan een noodlotsfilosofie, waarbij de mens alleen het innerlijk ik nog bereiken en beleven kan. Al het andere is a.h.w. in de handen van machtige wetgevers, van onverbrekelijke en harde wetmatigheden.

Wanneer we willen uitgaan van het Oosters denken, zoals velen doen, dan zullen wij m.i. allereerst de achtergrond daarvan moeten beseffen. Maar kan een westerling de ware oosterse gedachte zonder meer volgen? Naar ik meen, moet elk oosters denken, elke inwijdingsgedachte uit het verleden, getransponeerd worden naar het heden toe want alleen de stelling, alleen de filosofie, ja zelfs de beleving, die past bij het heden, kan voor de mens zelfkennis bevorderen, kan hem een zeker houvast bezorgen, waardoor hij zich opricht, wanneer hij door omstandigheden misschien meent zijn levensdoel niet te zullen bereiken.

Bij mijn pogen hiertoe zou ik dan allereerst willen uitgaan van de gedachte aan het Licht, aan het kosmisch Licht, dat zoals u weet de basis is van negen van de tien oosterse stellingen en inwijdingen. Wij kunnen het Licht eventueel aanvullen met voorstellingen waarin het tijdselement een rol speelt, maar dit laatste is al meer westers. Laat ons daarom allereerst beginnen met het Licht.

Het gulden licht wordt uit het Niet geborgen.

En uit het Niet spreidt het zijn vlerken uit,

omsluitend werelden en sterren. Het licht is leven, tinteling en kracht.

En om zichzelf te kennen heeft het het duister voortgebracht.”

Dit is een heel wijde interpretatie van een oosterse gedachte. Het Niet, dat is voor ons allemaal, naar ik meen, redelijk aanvaardbaar.  De gedachte, dat het licht alles doorleeft en alles doortintelt echter, maakt het voor ons erg moeilijk nog een differentiatie te vinden.

Want zoals hier de leraar (de leerstelling) zegt; om zichzelf te kennen heeft het licht het duister voortgebracht. En daarmee staan wij direct in een conflict. Want het duister is voor ons niet aanvaardbaar. Wij zoeken op onze innerlijke weg alleen het lichte, alleen het levende, alleen het goede. Wij zullen bij ons zoeken naar innerlijke waarheid geneigd zijn de nadruk te leggen op al het lichte, het levende, het goede. En alles wat duister is, alles wat minder kracht heeft, dat zullen wij ofwel bestrijden, danwel verwaarlozen.

Maar licht en duister zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden, in ons eigen wezen zowel als in de kosmos zelf. Een bestrijden van het duister is een bestrijden van ons eigen wezen. Gelukkig dat de oplossing hiervoor ook gegeven wordt. Men gaat daarbij uit van de ordening, van de bewustwording; men gaat daarbij vooral uit (een typisch oosters denken) van de klok van het noodlot, een tijd die de plaats van de mens bepaalt. Ik heb getracht ook dit om te zetten in een westers begrip en ik kom dan tot het volgende:

Het licht is mijn leven; het duister is de rust, de tijd die mij noopt tot daadloosheid. Want het duister niet erkennen, niet beleven, betekent ondergaan. Maar het duister erkennen en toch wachten op de dag, in de nacht de krachten tezamen garen, waaruit de dag zo dadelijk de daden geboren doet worden, is de wijsheid

Hier wordt het innerlijk wezen dus aangemoedigd om het duister (wat in het eigen leven voortspruit uit het bestaan) te beschouwen als een rustperiode, als een ontspanning. Het is op zichzelf niet belangrijk, maar zo komt hier duidelijk tot uiting wij moeten het aanvaarden. En in het duister moeten wij de krachten vergaren, waarmee wij dus zo dadelijk, wanneer het goddelijk licht voor ons weer kenbaar wordt, wanneer wij dat kunnen uiten, het lichte kunnen manifesteren buiten onszelf. Een stelling, die in deze vorm althans, voor het westen dunkt mij nog acceptabel moet zijn.

Nu ga ik een paar stellingen aanhalen, die voor een deel uit de sferen stammen. Ik hoop daarmede duidelijk te maken, dat duister en licht voor ons dus waarden zijn, die voor de zelfkennis (zeer in het bijzonder zelfs voor de zelfkennis en de innerlijke ontwikkeling) van belang zijn.

Wanneer ik in mijzelf zoek mijzelf te kennen, dan zal ik het kwaad, dat in mij leeft, altijd kennen. Ik kan het slechts goed heten of verwerpen. Ontkennen kan ik echter het lagere of het duister in mijzelf nimmer. Wanneer ik dit n.l. doe, vervreemd ik mij van mijn eigen leven, mijn eigen wezen en mijn eigen werkelijkheid, Ik doe er dus goed aan de erkenning van het duister te nemen als een eenvoudige vaststelling. Zo liggen de feiten, zo is mijn wezen.

Wanneer ik in het duister van mijn innerlijk op een gegeven ogenblik niet kan komen tot een erkennen van het licht, dan zal ik proberen dat duister te gebruiken als rustpunt. Want degene, die met het duister worstelt, slaapt wanneer het licht komt. In christelijke zin vinden wij dit terug in de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden. De wijze maagden doven het licht in hun lamp en wachten tot de bruidegom komt. De dwaze maagden daarentegen laten de olie opbranden en verspillen zo a.h.w. al het licht, dat hun gegeven is. Wanneer de bruidegom komt, bezitten zij geen licht meer. Zij zijn duister, zij slapen. Deze gedachtegang dus, die ook in het christendom voorkomt, mogen wij vanuit esoterisch standpunt toch wel als volgt vertalen:

Het heeft geen zin, alleen vanuit mijzelf en tegen mijn wezen en leven in strijdende, het goede desalniettemin te doen. En het heeft geen zin, wanneer in mij het duister is en rond mij geen contact met hogere krachten, te worstelen en te strijden en desalniettemin ergens een schrede vooruit te doen.

O, dat is een ketterse stelling, dat weet ik, maar het is een stelling, die juist is. Want wanneer de kracht en het leven, dat in mij is, wanneer het licht, dat in mij is, gespaard blijft tot het ogenblik, dat ik het contact met het Hogere ken, dat ik het voor een ogenblik ervaar, dan zal ik vanuit mijzelf door die kracht en door dit licht a.h.w. de eenheid met het Hogere bereiken.

Maar wanneer ik niet meer het vermogen heb mijzelf in harmonie te brengen met hogere waarden, wanneer ik uitgeput ben in een betrekkelijk nutteloze strijd, dan zal ik niet de bewustwording, de realisatie, de zelfonthulling kunnen doormaken, die voor mij toch eigenlijk op dat ogenblik mogelijk en noodzakelijk zouden zijn.

Put u niet uit in uw strijd tegen het duister. En wanneer het duister het enige is, wat rond u leeft, leef dan liever in rust en stilte, wachtend op het ogenblik, dat uw krachten werkelijk ten goede kunnen worden gebruikt.

Men heeft al deze gedachtegangen uit het Oosten geïmporteerd naar Europa. Men heeft ze omgeven met zeer veel buitenissige uitdrukkingen, ontnomen aan het Sanskriet; uitdrukkingen, die uit het Chinees, uit het Japans voortkomen; wij vinden daarnaast allerhande uitdrukkingen, ontleend aan oude godsdiensten. Maar wat hebben wij aan een mantel van wenende woorden, van alles omhullende wenende begrippen? Zij geven ons hoogstens de mogelijkheid om het ten halve begrepen woord uit te leggen volgens onze eigen inzichten, maar zij maakt het ons niet mogelijk de waarheid van de lering, de waarheid die tot bewustwording moet leiden, te begrijpen en te verwerkelijken.

Er zijn zeer vele van die leerdichten, die in de oudheid geschreven werden, waarvan men zeggen kan, dat zij in deze dagen niet meer passen. Maar ook hier vragen Wij ons in de sferen af of dit juist is. Een van onze denkers en filosofen antwoordt: “Op het ogenblik dat de mens weigert mens te zijn, zal hij de voordelen van het menszijn verliezen, zonder zich daarom boven zijn menselijke beperkingen te kunnen verheffen. Op het ogenblik dat de geest tracht alleen te leven in het hogere Licht en niet meer wil erkennen, wat zij waarlijk is, verwerft zij voor zichzelf het onbegrepene, dat tot duisternis wordt. Ga uit van wat gij zijt.”

En onmiddellijk daarop zegt hij ons: “De geest gaat haar bewustwording in golven. Niet alleen ras na ras, maar zelfs planeet na, planeet ondergaat de invloeden der bewustwording en wordt geleid tot hogere waarden door geestelijke meesters, door goddelijke openbaringen. Een ieder zal zelf moeten streven, maar hij kan dit nimmer doen buiten de golf, waartoe hij behoort. Hij kan zich niet onttrekken aan de reeks van bewustwordingen, waarin hij nu eenmaal is opgenomen. Een ieder, die tracht dit te ververpen, zich te verwijderen van datgene, wat hij in feite is, zal de geestelijke krachten en leiding niet meer ervaren. Hij zal daarentegen voortdurend valse voorstellingen omtrent zichzelf bouwen. Daarom is het beter als eenvoudige geest (en voor u dus als eenvoudig mens) te leven volgens die regels en wetten, die in uw eigen wereld of sfeer geluk en vrede betekenen en de juiste harmonie met uw; medemensen, dan uit te grijpen naar het hogere.”

Het antwoord is duidelijk en ik geloof niet, dat er veel aan behoeft te worden toegevoegd. Wij leven in onze wereld, in onze sfeer. Onze zelfkennis kan niet gebaseerd zijn op iets, wat wij later zullen worden of wat wij eens geveest zijn. Zij kan ook niet voortkomen uit iets, wat de mensheid zich als ideaal stelt of iets wat de mensheid eens in het verleden geveest is. Zij kan slechts voortkomen uit de ontwikkelingsgang, waartoe die mensheid behoort.

En dan is er geen groot verschil tussen de mens van het verleden en de mens van heden. Iemand, die naar zelfkennis streeft, zal dat moeten erkennen. Hij zal moeten uitgaan van het standpunt, dat hij niet te maken heeft met een wezen, dat met cultuur, met grotere wijsheid, inniger geloof e.d. zich verheven heeft boven het verleden. Hij moet begrijpen, dat hij altijd iemand is, die slechts de grondeigenschappen van het ras waartoe hij behoort, van de planeet waarop hij leeft, heeft uitgebreid met enkele t.o.v. het geheel misschien niet eens zo belangrijke nieuwe vaststellingen of ervaringen.

Natuurlijk is het pijnlijk toe te geven, dat de mensheid zo weinig is vooruitgegaan. Maar vooruitgang is uiterlijk. Maar wat hebben wij aan alle uiterlijke verschijnselen? Wat is er voor verschil tussen de innerlijke belasting, die voortkomt uit een moord of een ontkenning van alle waarheid en alle Goddelijkheid in een verleden, waarin de mensen in holen woonden, of in een moderne tijd, waarin de mensen in wolkenkrabbers leven? Het wapen of de methode, die maken niet het verschil uit. Het is slechts de innerlijke relatie, waaruit de ware bewustwording kan ontstaan en die ook de werkelijke schade of de werkelijke stimulans kan betekenen voor het innerlijk Ik.

Daarom wordt dus gesteld; Ga bij elk zoeken naar een innerlijke waarheid en een innerlijke ontwikkeling niet uit van uw tijd, maar ga uit van het ras en de wereld. Gij zijt deel van het ras, gij leeft op die wereld. En in de eigenschappen, die daaraan inherent zijn, zult ge uw persoonlijkheid moeten uitdrukken, of gij die wilt erkennen of niet.

Zoek uw wijsheid dan ook niet in de sonoor klinkende zinnen, die betrekkelijk ledig blijvend soms de mensen vertellen dat het allemaal wel in orde komt. Dat is een fout, die menigeen maakt. Gehypnotiseerd door de schoonheid van zijn stellingen, door de ingewikkelde lering die hij volgt, vergeet hij dat hij zelf leeft; dat hij het is, die bewust moet worden. Zo ontstaat dan voor de mens waan. Wat wij nodig hebben is werkelijkheid. Werkelijkheid is contact met het Eeuwige.

En nu kan men dit op 1000 en 1 verschillende manieren uitdrukken. Men kan spreken over de weg door de sferen, die is vastgelegd. Men kan spreken over de tocht van grote Geest tot grote Geest, tot men tenslotte zelf zijn weg kan vinden binnen het Goddelijke. Men kan gaan spreken over de vele woningen, die in het huis des Vaders zijn. Maar zijn deze dingen dan werkelijk zo belangrijk?

Voor een mens waarschijnlijk wel. Iedereen grijpt weer terug naar het mystieke en naar het onbegrepene. Het is niet voor niets, dat juist de openbaringen van Johannes zo’n grote rol spelen in menig geloof en in menig esoterisch genootschap. En de mensen beseffen zelf niet, waarmee ze geconfronteerd worden.

Toch vinden wij hier de oude krachten, de oude beelden, die voortkomen uit de godenleer van een verleden. Hier zijn de wachters van Babylon, hier zijn de diergoden van Egypte; hier zijn de godsverbeeldingen, die later duivelen werden. Zodat wij met enig geduld lezende ontdekken, dat sommige beschrijvingen eigenlijk eerder passen bij bv. een Asmodeus dan bij een rechterlijke God.

“Een wezen was op de troon gezeten en daar rond zag ik 4 dieren.” 4 dieren zijn o.m. attributen van Belzephon, van de latere Asmodeus of Asmodai, een God die later door de Joden tot duivel werd gemaakt (een Kananitische godheid) en Belzebub, die waarschijnlijk een verbastering of een afleiding is van Belzephon. Men begrijpt niet waarmee men geconfronteerd wordt, anders zou men sidderen. Dan zou men zeggen: “Hier is een verbeelding gegeven, die heel anders ligt dan wij plegen te denken.” De oplossing van het raadsel is een andere dan de meest gedegen uitleggers durven stellen. Dat is het onbegrepene, het mystieke, dat de mens zo vaak trekt. Maar is er in feite voor de innerlijke ontwikkeling niet eerder behoefte aan klaarheid, aan licht, aan helderheid, aan inzicht?

Mensen beroepen zich zo graag op gezag. “Ja, maar dat zeggen toch de antroposofen; en dat heeft de stichtster van de theosofie gezegd; en dat staat in de Bijbel? en dat is uit het Evangelie; en dat is uit een later gevonden geschrift, dat stamt uit Jezus’ tijd.” Hebben wij behoefte aan een dergelijke ondersteuning van hetgeen wij geloven, van wat wij denken?

Kunnen wij, aan de hand van een dergelijke innerlijke beleving, ooit verder komen? Volgens mijn bescheiden inzicht: neen, wanneer wij ons beroepen op al deze geschriften en structuren, omdat wij niet zeker genoeg in onszelf zijn, dan mankeert er ergens iets, dan hebben wij het contact met het licht niet gevonden, dat noodzakelijk is. Dan mogen wij dus de esoterie ontdoen van haar vele stellingen, haar vele studies en haar herleiden tot haar werkelijke wezen.

Esoterie is het erkennen van het ware ik, waardoor men in harmonie gekomen met de kosmische werkelijkheid zijn gehele wezen als bestaande in en buiten tijd beseft en in eenheid met het totaal der schepping (of van een groot deel daarvan) goddelijke waarden kan ondergaan en begrijpen. Het is het innerlijk pad, langs hetwelk men de goddelijke Kracht vindt.

Dan mogen wij nu rustig terugkeren tot de beginstelling, tot de wij vertaalde regels, waarmee ik mijn betoog ben begonnen. “Er is licht. En om zichzelf te kennen, heeft het licht het duister voortgebracht.” Het licht dat met zijn gulden vlerken het Al omvat, heeft om zichzelf te begrenzen, te kennen en te doortekenen, het duister geschapen. Wij, wezens van de schepping, wij zijn wezens van licht en duister. Het duister is voor ons het chaotische, het onbegrepene. Wanneer wij de nadruk leggen op het duister in ons eigen wezen, dan zullen wij nimmer het werkelijke licht kunnen vinden. Wie alleen het duister in zijn eigen bestaan zoekt te erkennen, zal voortdurend gefrustreerd worden, wanneer hij zoekt een hoger begrip te gewinnen. Het is noodzakelijk om uit te gaan van het licht, de innerlijke ontmoeting met het licht, de innerlijke band, die wij voelen met de lichtende Kracht der schepping zelf. Zo mag ik u dan als een kern van esoterisch denken nu het volgende voorleggen: Er zijn ogenblikken, dat ik of u dit nu besef of niet besef, de zin ervan versta of niet versta in contact kom met een hogere Kracht en een hogere wereld. Soms spreekt zij in mij en wordt zij in mij tot een zorgvuldig bewaard geheim, een sleutel waarmee ik kan binnengaan in een rijkere, een meer omvattende wereld. In andere gevallen zie ik a.h.w. buiten mij geprojecteerd de krachten van waarheid, van licht. Ik zie verschijnselen en verschijningen, die ik niet geheel besef. Ik ontmoet in het leven altijd het licht. Maar het licht dient erkend te worden.

Wanneer ik in mijzelf een openbaring vind, wanneer ik buiten mijzelf een nieuw verschijnsel mag gadeslaan, wanneer ik vanuit mijzelf misschien nieuwe krachten en een nieuwe werkelijkheid mag ontdekken en ik kan daarop geen antwoord geven, dan zijn deze dingen voor mij volkomen waardeloos. Al krijg ik in mij als innerlijk weten duizend sleutels, wanneer ik niet in staat ben om die sleutels zelf te gebruiken en te hanteren met mijn kracht, zo kan hij mij nimmer de poort openen tot een andere, een wijdere wereld of een grotere werkelijkheid. Wanneer ik uitga van de kracht in mijzelf en het licht, dat in en rond mij zich steeds manifesteert, dan wordt het esoterisch pad een pad, dat ik niet voortdurend kan gaan. Er zal een voortdurende wisselwerking zijn, waarbij nu eens de krachten van de geest in mij sterk opvlammen, het licht, de verlichting, de bewustwording met felle schreden voorwaarts gaan en dan weer een periode van aarzeling, van pauze of van stilstand. En dit is natuurlijk. Want het licht en het duister bestaan beide en afwisselend zal ik ze ondergaan. Dan zal ook in mijn innerlijk de noodzaak voortdurend weer geboren worden om te rusten, om rust te kennen, om de stilte te aanvaarden.

Een mens, die in zich een bepaald bewustzijn bereikt, zal misschien lange tijd blijven staan op een en hetzelfde vlak. Hij zal dit soms als smartelijk ervaren. Zoals een kind, wachtend op de morgen waarop het feest zal beginnen, de nacht onmetelijk lang vindt. Maar wil het kind het feest waarlijk genieten, dan zal het moeten rusten. Wil de mens, na de periode van stilstand, werkelijk het licht kunnen verwerken, werkelijk nieuwe inzichten en nieuwe krachten daaruit gewinnen, dan zal hij de kunst moeten verstaan van het rusten. Elk innerlijk bewust worden mag dan ook met de oude termen worden omschreven als een voortdurende wisseling van leven en dood een voortdurende heropstanding van krachten, die wij reeds gedoofd achten, een voortdurend herboren worden van waarheden, die naar wij meenden reeds waren vastgeroest en gefixeerd en nu plotseling een nieuwe gedaante en een nieuwe gestalte krijgen.

Wij moeten dit kunnen aanvaarden, want er bestaat geen vaste esoterische weg, er is licht.  Dat licht mogen wij omschrijven zoals wij willen. Wij kunnen het toch niet uitdrukken in zijn werkelijkheid. Dit licht ontmoet regelmatig ons wezen. Wanneer dit licht ons wezen beroert, zullen wij daarop een antwoord moeten geven. Zijn wij niet bereid of niet in staat het antwoord te geven, dan zal het licht verdergaan en zal hernieuwd de duisternis over ons komen. Het is alsof het geestelijk ik voortdurend onderworpen is aan dag en nacht. De nacht is steeds weer de periode van bezinning, van rust. De dag is de periode van arbeid, van innerlijke erkenning.

Richt uzelf altijd op hetgeen inspiratief als een innerlijke zekerheid in u ontwaakt. Vooral wanneer die innerlijke zekerheid niet in direct verband staat met eigen materiele verhoudingen en eigenschappen. En wanneer die gedachte komt, probeer haar in uzelf te ontmoeten, tegemoet te gaan. Zeg dan: “Hier is mijn wezen, mijn levenskracht. Wat kan ik ermee doen?” In de mens wordt de wijsheid geboren uit de Vader, Die is het licht uit de eeuwigheid. Maar ook uit de Moeder, die is de levenskracht vanuit de mens zelf. Zonder beiden kan in het ik geen waar licht geboren worden.

Wij spreken graag over God als een bepaalde kwaliteit. Wij roepen uit; God is Liefde. Voor ons kan dat heel waar zijn. Maar wanneer wij God alleen en zonder enige verdere beperking of bepaling als Liefde beschouwen, dan komt er het ogenblik, dat de God die zich tot ons richt het Licht dat tot ons komt, niet aanvaardbaar is. Wij zijn geneigd onze ogen te sluiten, als wij ons t.o.v. het eeuwige en de waarde van het eeuwige een te sterke en te gebonden en omschreven opvatting hebben eigen gemaakt. Daarom mogen wij ten hoogste erkennen: Nu is God voor mij als kracht en als werking liefde en rechtvaardigheid. Maar we mogen nimmer zeggen: Dit is God.

Zo mogen wij ook nimmer van onszelf zeggen; Wij zijn een wezen, waardoor God Zijn licht, Zijn kracht of Zijn rechtvaardigheid zal uitdrukken. Wij moeten slechts zeggen: Waar het licht ons wezen beroert, zal het ons inzicht geven in de innerlijke waarheid omtrent ons wezen, in de waarheid van de kosmische, de onbegrensde en eeuwige Wereld. Daarnaast zal het ons – ook daarvan kunnen wij overtuigd zijn – de mogelijkheid geven en de innerlijk bestaande waarden ook uiterlijk uit te drukken.

Dit laatste zal menig esotericus wat dwaas voorkomen. Maar hoe wilt ge als mens leven, zijnde stof en geest, wanneer niet stof en geest gelijkelijk delen in elke bewustwording, in elke erkenning? Hoe wilt ge waarlijk uzelf zijn, eerlijk leven, rechtvaardig leven, wanneer ge steeds weer delen van uw eigen wezen ontkent?

Dit,  was het eerste deel van mijn betoog. Ik wil u na deze poging om veel ingewikkelde oosterse leringen een zeer eenvoudig en westers gewaad aan te trekken, nu confronteren met enkele gedachten en waarheden, die niet zozeer te ontworstelen zijn aan hun eigen tijd en beperking. Ik wil er echter gaarne commentaren bijgeven, die het mogelijk zullen maken gezien het voorgaande toch het geheel in te passen in uw eigen werkelijkheid.

“Wanneer ik leef, zal ik slechts leven door wat ik erken. Zelfs een God, Die niet erkent, is gestorven. of Hij sluimert. En wie kent het verschil tussen dood en sluimer, wanneer de tijd ophoudt? Daarom is het goed te weten, dat men is, dat men leeft, dat men ervaart. De God, Die reist in het flitsende licht en neerdaalt in het heilige der hoge torens, spreekt met Zijn stem tot de mens. Maar de mens verstaat Hem niet. De God, Die de blauwe mantel draagt en het lichtend zwaard. Hij spreekt tot de mensen in de zachtheid van de middag. Hij huivert in de beslotenheid van de tempelhallen, Hij spreekt  tot de mensen en zij verstaan Hem niet.

De godin, Die komt met het rijzen van de morgen, Die Haar zegel legt op de sluimering van de nacht, Zij gaat door alle hallen, Zij betreedt de zeven ruimten en Zij spreekt van Haar waarheid. De mensen ondergaan Haar, maar zij beseffen Haar niet. Want de waarheid der goden, gesproken met de stem der goden, wordt door de mens gevreesd of ontkend.

Zolang de mens slechts de waarheid der mensen en de gedachten der mensen wil spreken, zolang zal de stem, der goden niet worden verstaan.”

Zoals sommigen van u misschien begrepen hebben is dit Perzisch-Babylonisch. De hoge torens zijn de ziggoerats, de tempeltorens. De tempelhallen, de 7 ruimten, omschrijven de voorstelling van de kosmos, die men daar heeft.

Wanneer God tot ons spreekt uit Zijn toorn, dan wezen wij Hem, maar wij begrijpen niet, waarom Hij toornig is. En wij geven een reden voor Zijn toorn vanuit ons eigen begrip. En daarom begrijpen wij niet wat God zegt. Wanneer God tot ons spreekt met de stem van de wijsheid, dan vinden wij Hem overal, waar bezinning is. Hij spreekt tot ons als stilte of als rust, maar de rust doet ons onaangenaam aan. Want wij kunnen de stilte van de bezinning niet dragen, omdat zij te eindeloos is. Daarom verstaan wij God niet, wanneer Hij ons spreekt van Zijn werkelijkheid, van Zijn werkelijk bestaan, Zijn rijk, Zijn eeuwigheid.

En zelfs, wanneer God tot ons zou spreken in de termen van de godin, die gelijktijdig recht is en Liefde, die is dood en geboorte, dan verstaan wij Hem niet. Wij worden er door beroerd, wij leven a.h.w. wel naar die wetten, maar we begrijpen ze niet.

Deze vertaling maakt duidelijk, dat de mens eerst moet leren niet aan zich te denken, wanneer hij het Goddelijke wil ontvangen en begrijpen, vóór hij verstaan kan wat God zegt. Iemand, die Gods gezegden a.h.w., Gods uitspraken, Zijn tekens, direct op zichzelf betrekt, zal in vele gevallen Hem niet waarlijk kunnen begrijpen. Daarop komt het neer.

En dan vinden wij de voortzetting van die gedachte in een omschrijving van een uittreding.

Ik heb gezegd tot mijn lichaam: “Rust op de knieën van Osiris.” En ik heb gezegd tot mijn Ba: “Ga en zoek.” En tot mijn Ka heb ik gezegd: “Ga tot de hallen des wetens en leid dit, uw voertuig.”

Dat is dus een begin. Eenvoudig gezegd; Ik heb mijn levenslichaam, mijn astraal voertuig uitgezonden, maar ik heb kosmische wijsheid gezocht. Ik heb dus eerst de kosmos, de ware wet der harmonie a.h.w., gezocht en daardoor de juiste richting gegeven aan mijn uittreding. En dan volgt hier een beschrijving, die behoort tot een bepaalde inwijdingslectuur:

“En ziet, in de hallen des wetens zag ik mijn lot omschreven maar de andere rollen kon ik niet openen.” (Ik kan inzicht krijgen in mijn eigen lot; maar ik kan niet het werkelijk wezen van anderen of hun lot werkelijk doorgronden.)

En daarin lezende zag ik dat ik moest gaan tot boven de vlakte. Boven de vlakte gekomen nu stond tegenover mij een machtig leger. Vele wagens hadden zij en hun vanen waren ontelbaar. En ik onderging hen, maar ik ben niet van mijn plaats gegaan. Want ik wist dat wijken dwaas is. En ziet, zij zijn gekomen tot voor mijn voeten. Doch toen ik voorwaarts schreed, zijn zij teruggegaan. En ik heb gezegd tot hem, die rust op de knieën van Osiris (het eigen lichaam dus); Schrijf. “De legerscharen zullen Egypte benaderen, maar zij zullen de kronen niet zien en zij zullen wijken voor het geweld van de God.” (Dus waarschijnlijk voor de legers van Farao.)

En zo ben ik verder gegaan. En ik wilde gaan tot op de toppen der hoge bergen, maar ik werd gevangen in het graf. (een toespeling waarschijnlijk op de rots graven.) Toen ik terug wilde gaan, was er geen uitweg. En de angst zeide mij; “Gij kunt niet voortgaan. Hier zult gij omkomen.” En mijn wezen zeide tot mij; “Sta op uit Osiris armen en treed in uw lichaam, maar ik ben voortgegaan. En ziet, toen ik niet aarzelde, was er een licht. En de aarde verteerde voor het licht en zij ontstond achter mij. En ik kwam in een land van volheid. En op een groot meer zag ik de vogels wieken, die zijn de vogels der goden. (Een typisch verweven hier dus van ik zou haast zeggen geografische gegeven: het zou hier over het Victoriameer kunnen gaan bv, en de inwijdingsgedachte.) En ik keerde terug, zeggende: “Nu weet ik.” Doch toen ik tot mijn lichaam zei “verhef u en sta op”, was er rond mij een gloed van vuur. En ik vreesde dit vuur zeer en het dreigde mij te verteren. Toen echter zei ik tot mijzelf; “Kan Osiris verzengd worden door de zon?” En zie, ik schreed door het vuur en het was mij als een koelte.

En zo ben ik gegaan door de hallen der goden, (waarschijnlijk de elementen dus) en heb ik gekend de bloei (het ontstaan waarschijnlijk) van de grote wijsheid (vermoedelijk het hermetisch geheim). En in mijzelf wist ik; Dit alles is mij gegeven. Nu ben ik ontwaakt. Doch wat ik heb aanschouwd is mijn wezen, niet dat wat voor u staat.

De gedachtegang, die hier wordt gevolgd, is duidelijk. Wanneer men op een gegeven ogenblik niet verder kan, wanneer men staat tegenover een overmacht, dan dient men te beseffen dat men allereerst moet standhouden. Op het esoterisch pad bestaat geen weg terug. Op het pad van inwijding evenmin. Er bestaat slechts voortgaan of een nederlaag lijden.

De rust, de bezinning, doet beseffen dat het leger stilstaat, dat de berg niet instort, enz. enz. In de bezinning komt het bewustzijn, dat men voort moet gaan. En pas door dit voortgaan wordt het resultaat bereikt. In casus de vaststelling van legerscharen, die wijken; de vaststelling van het licht, dat uit het “ik” voortkomt en de aarde verteert (dus het feit, dat men door de rots kan schrijden waarschijnlijk), en uiteindelijk het besef dat iemand, die met de Goden in contact is gekomen, soms zijn wereld als onaangenaam, als een soort hellevuur kan ervaren. Maar zodra hij beseft, dat hem dit niet deren kan, dan is het als een aangename koelte. Dan verliest het zijn kwaliteiten en kunnen wij daarin veel gewinnen.

Voor degene, die het esoterisch pad wil gaan, betekent dit in zeer nuchtere en hedendaagse termen alleen dit: Wanneer u op een gegeven ogenblik in uw innerlijk leven, in uw eigen bestaan, wordt geconfronteerd met dingen, die u niet onmiddellijk kunt thuisbrengen, met impulsen, inspiraties of krachten, demonisch of lichtend, waarvan u niet weet wat zij zijn, vlucht niet weg maar ga ook niet voorwaarts. Bezin u eerst op datgene, wat ge a.h.w. ziet, wat ge ontvangt. Pas wanneer ge het hebt vastgesteld, kunt ge verdergaan.

Besef ook dat de geest, die bewust is, nimmer haar wereld kan ververpen. Zij zal haar moeten benaderen vanuit haar eigen en nieuw inzicht. En dan kan ze die aarde wel degelijk hanteren en al wat erop is.

En ten laatste: Denk niet dat er een inwijding bestaat of een innerlijk pad, dat u bij een waarheid brengt, die ver buiten de menselijke ligt, zonder dat er kentekenen van zullen zijn in uw eigen bestaan. Wanneer ge iets innerlijk hebt bereikt, dan is dit in u vastgelegd. En het is niet meer het wezen MENS zonder meer dat leeft. Neen, het is de ingewijde (dus het hoogste bewustzijn, dat in u bereikt is), dat leeft door de mens.

Dit laatste zou men zich vooral eigen moeten maken. Dit mag men nooit vergeten. Want menigeen zal niet begrijpen, waarom hij aan de ene kant innerlijk volkomen verlicht denkt en handelt en aan de andere kant schijnbaar menselijk faalt. Het hoogste bewustzijn in u moet leven. Slechts wanneer dit in u leeft en niet meer de stoffelijke mens, die ge eigenlijk zijt kunt gij juist en in alle aspecten van menselijk zijn en geestelijk bestaan de waarheid leren kennen. Ik besluit met een laatste punt, een laatste citaat.

“Herrezen is zij uit de zelfgezochte ondergang. Het ouderdom is zij tot jeugd geworden.

Verheug u wel, mijn ziel, want zo gij neerdaalt zult gij wel verjongd teruggaan en vervullen

weer uw weg.”

 Het is een laat Egyptische mysticus, die dit schrijft, die verschillende Griekse invloeden heeft ondergaan. De gedachtegang is als volgt, er komt een ogenblik, dat men meent: Nu is het afgelopen, ik kan niet verder. Dan moet men dit niet verder kunnen niet zien als iets, wat bestreden moet worden. Men moet het aanvaarden. Men moet ook niet zeggen: “Nu moeten anderen eens iets gaan doen” of zo. Men moet zich niet gaan beroepen op de één of andere leerstelling.

Men moet zeggen: “Goed; ik ben klaarblijkelijk aan het einde van een cyclus. Ik aanvaard dit.” In die aanvaarding n.l. wordt men herboren. Het is een loutering. Het is een proces als dat van de Phoenix, die zichzelf verteert, maar ook verjongd herrijst. Want de mens komt steeds weer op een punt, waar een zekere loutering noodzakelijk is; waar hij a.h.w. alle geestelijke bereiking en daarmee verweven voorstellingen moet achterlaten. Waar hij al zijn stoffelijke opvattingen en bereikingen moet herzien. Maar wanneer die herziening heeft plaats gevonden, wanneer hij die innerlijke vernieuwing, die verandering, kan accepteren, dan kan hij wederom zijn weg verdergaan.

En in deze gedachtegang (ik heb ze niet geciteerd, dat zou te lang worden) wordt de weg van de mens voorgesteld als een spiraalvormige vlucht, waarbij men, uitgaande van de onderwereld en in het begin steeds daartoe kerende ook weer, op den duur het menselijk leven verlaat en doordringt in de werelden der sterren. En daar wordt dan gesproken over de 49 sferen. Hier is zeer duidelijk dus een gedachte van de zeven maal zeven, een invloed die ook in Griekenland, dank zij de mathematica, dus is binnengedrongen. Of wij nu zeven maal zeven keren rond moeten gaan of een keer, is eigenlijk niet belangrijk. Belangrijk is wel, dat wij in geest zowel als in stof een ogenblik zullen bereiken, dat wij zelfs bij ons beste esoterisch innerlijk streven, ons zoeken naar de grootste zelfkennis en innerlijke waarheid, ons eerst moeten ontdoen van de ontstane ballast. Dat wij eerst moeten terugkeren tot een eenvoudiger begrip. Dat wij ons eigen werkelijke wezen beter moeten realiseren, voordat wij voort kunnen gaan met onze ontwikkeling.

Want, en daarmee wil ik dan mijn betoog besluiten, ook in de inwijding is leven voortdurend afscheid nemen van het dierbaar verleden en een voortdurend moedig de onbekende toekomst tegemoet schrijden. Tot het ogenblik dat alle tijd is overwonnen en wij alles bezitten, wat wij meenden achter te laten en alles verworven hebben, wat ons nu nog vaak als een onbekende, begeerlijke waarde of zelfs een onbekende dreiging voor ogen staat. Ik hoop dat ik door mijn betoog ertoe heb bijgedragen de begrippen in de esoterie eenvoudiger te maken; verwarring door sterk oosters denken verder te voorkomen en gelijktijdig u duidelijk te maken hoe uw innerlijke weg zich dient af te spelen.

0-0-0-0-0-0-0-0

De mysteriën van de Doolhof

Dit is een onderwerp, dat hoofdzakelijk in de middeleeuwse gedachtegang nog al eens werd gebruikt, maar dat naar mijn persoonlijk inzicht een volledig juiste weergave van de situatie, waarin wij ons bevinden, wanneer wij leven in een sfeer, die vormen kent of in een wereld, die vormen kent. Deze doolhof dan wordt als volgt beschreven: Er is een uitgang, maar deze te vinden is moeilijk. Want wie binnengaat kan niet meer terugkeren. Bevindt men zich in de gangen, dan kan men gaan waarheen men wil, maar nimmer meer kan men de doolhof verlaten.

Zij nu, die voortgaan, zullen in elk pad (ook in een pad, dat dood loopt) aanwijzingen vinden, die zij moeten begrijpen en combineren. Wanneer zij alles, wat zij in hun dooltochten hebben gecombineerd, tezamen voegen, dan weten zij wat de structuur is van de doolhof zelf. Er zijn echter gevaren. Want de doolhof is niet slechts een weg, waardoor men wandelt. Het is niet slechts de speelse tuin, waarin de zachte muziek het speelse dolen der zoekenden begeleidt.

Er zijn voortdurend weer gangen, die uitlopen op vreemde valkuilen, op vreemde wezens, waar dodelijke structuren en constructies de niet oplettende bezoeker kunnen verpletteren en doden. Er is in die doolhof uiteindelijk slechts één ware uitgang. Het laatste deel van de weg is voor ieder gelijk. Tot die weg kan men komen langs ongeteld vele paden. Sommige paden gaan door grote gevaren; andere daarentegen zijn zoet en rustig en speels en de beschouwer kan zich verlustigen met de voorstellingen, die de eentonigheid van groene wanden afwisselen.

Deze gedachte, dit beeld dan van een doolhof, is gebaseerd op het denkbeeld, dat de structuur van het Al mathematisch en evenwichtig juist moet zijn. Er kan geen onevenwichtigheid bestaan. Er kan in de doolhof zelf ook geen onevenwichtigheid bestaan. Alles is een formule. Het hele Al kan tot een formule herleid worden en zo kan ook het zoeken naar God een formule worden. maar het vinden van die formule is afhankelijk van hetgeen men leert, terwijl men voortgaat.

De beschrijver van dit geheel somt ons op wat men onderweg zo al tegenkomt. Hij vertelt ons ondermeer, dat we in het begin voortdurend afbeeldingen zien. We worden geconfronteerd met voorstellingen. We staan ineens voor heiligenbeelden en godsbeelden; er zijn trucfonteintjes; er zijn grotten, waarin het goed is om te rusten, er zijn zelfs kleine vijvers met zwanen, er zijn spiegels, die het eigen Ik vertekenen. Maar overal daartussen vind je eigenlijk kleine aanduidingen. De mens, die deze aanduidingen in het begin goed verstaat, die weet a.h.w. hoe hij moet gaan. Want als hij ontdekt, dat hij steeds voor een Gods-symbool komt te staan, wanneer hij bv. de cirkel volgt en alle wegen die met een cirkel zijn gekend, maar dat hij voor lachspiegels komt te staan en voor demonische beelden of voor rustgrotten, wanneer hij een weg volgt, die met een driehoek is getekend of omgekeerd, dan kan hij voor zichzelf wel uitrekenen, dat de weg met de cirkel gemakkelijker naar de uitgang zal voeren dan de weg, die met een driehoek is getekend. Zo worden dan verschillende symbolen beschreven en elk van die symbolen staat dus kennelijk voor een bepaalde godsdienst of een bepaalde gedachtegang.

De schrijver zelf gaat uit van een alchemistisch denken in zeer christelijke zin. Het is dus duidelijk dat hij het christendom (het kruis) neemt als het juiste symbool dat de weg van de cirkel ook nog wel aardig is; langs de weg van de driehoek kun je er eventueel ook nog komen; maar de weg van de halve maan voert ten verderve. Hier hebben we te maken met een zeker chauvinisme. De voorstelling zelf echter past voor het leven. Wanneer wij in ons leven een bepaalde esoterische gedachtegang volgen, een bepaald geloof hebben, wanneer wie vanuit onszelf wat ook heel vaak voorkomt werken met bepaalde gebeden, met incantaties, met een bepaalde magie, dan zullen wij heus wel ontdekken, dat er aangename of minder aangename gevolgen uit voortkomen. En wanneer wij nu maar eerlijk blijven tegenover onszelf, dan kunnen wij dus zeggen: “Hé, wanneer ik een bepaalde bezwering uitspreek, dan krijg ik een verwrongen beeld van de wereld. Maar wanneer ik een bepaalde heilige aanbid, dan wordt het mij te rustig, dan kom ik niet meer vooruit, dan verlies ik mijn veerkracht. Ga ik echter een andere instelling na, dan komen er steeds voor mij aanvaardbare dingen. Dan is dat dus mijn weg.”

Het geestelijk pad, waar de mensen zo vaak over spreken en waarop ook door de grote leraren steeds de nadruk wordt gelegd (het pad van het gulden midden bv., de weg en de waarheid enz.), die dingen wijzen erop, dat ook de grote leraren begrip hebben voor deze doolhofstructuur. Wanneer ik die doolhof nu vanuit het menselijk standpunt moet gaan bezien, dan zou ik hem als volgt willen omschrijven: Elke mens begint met te denken en te geloven. Hij krijgt een bepaalde instelling mee. Het geloof dat je in je jeugdjaren hebt geleerd, de opvoeding die je hebt gekregen, zijn a.h.w. de deur, waardoor je de doolhof binnengaat. Want in het begin aanvaard je klakkeloos. En wanneer je eenmaal een bepaald geloof hebt gekregen, ben je geconfronteerd met innerlijke problemen t.o.v. God, t.o.v., de juiste vorm van leven en denken. Je kunt niet meer terug. Je kunt die dingen niet meer teniet doen. Je kunt niet meer worden als de kinderen. Je kunt hoogstens net als een kind spontaan blijven, maar dat is ook alles.

Nu krijg je echter voortdurend in je leven z.g. correctieve factoren te verwerken. Wanneer ik dus voortdurend bid tot God en ik krijg maar geen gebedsverhoring, dan kan ik voor mijzelf wel zeggen dat het nutteloos is om te blijven bidden en dan moet ik wat anders gaan beginnen. Blijf ik doorgaan met bidden, dan komt er een ogenblik van wanhoop en dan heb ik geen uitweg meer. Dan verlies ik mijn contact met God en dan sta ik helemaal alleen. Dan kom ik bv. terecht in wat onze schrijver noemt “de hatelijke grotten van duisternis, waarin de wanhoop regeert en demonen rondsluipen”. Mooi gezegd en niet onjuist dunkt me. Hij geeft ons dan ook de raad om elke keer, wanneer we ontdekken, dat een pad niet beantwoordt aan hetgeen we in onszelf als juist erkennen, dat pad te verlaten.

En nu zegt hij daarbij iets heel eigenaardigs; “Er zijn er, die door de wanden gaan.” (Dan moet u niet denken aan een doolhof als die van de Minotaurus. U moet hier denken aan de doolhoven, zoals die in de Middeleeuwen vaak werden aangelegd: grote hagen, manshoog, dicht gevlochten, maar waar je toch heus wel doorheen kunt gaan.) Deze mensen, die door de wanden gaan, zegt hij, dat zijn de tuinlieden. Wij zouden zeggen; de ingewijden. Een ingewijde kan overal komen. Die loopt geen gevaar. Want hij kan, net voordat bij wijze van spreken de dodelijke val moet komen, rustig door de wand gaan en dan gebeurt er niets. Maar wij, zegt hij erbij, wij dolen. En daarom is het altijd goed in de eerste plaats erop te letten, wat wij zelf ervaren. Want de weg, die een ingewijde gaat, kunnen wij niet gaan.

Wanneer je je bezighoudt met de filosofie in de esoterie is dat heel belangrijk. Ik kan dus niet elke weg gaan, die een ingewijde gaat, want ik kan eenvoudig de hinderpalen niet overwinnen, die voor hem eigenlijk niet bestaan. Ik ben gebonden aan het pad, terwijl hij rustig van het ene pad naar het andere wisselt. Ik ben gebonden door mijn bekwaamheden. Op het ogenblik dat ik boven die bekwaamheden uit wil gaan, loop ik vast en zeker in de val.

Dan zegt hij verder; “Er is in mij een stem, die mij steeds zegt waar te gaan. Maar die stem kan liegen.” Bom! Dat is zo iets als: Ze vertellen je de waarheid wel, maar ze vertellen het op zo’n manier, dat je nu net niet weet waar je aan toe bent. (Ja, lacht u er rustig om, maar het komt toch vaak voor.) Dat gebeurt nu zo heel vaak in de esoterie, omdat wij in die esoterie n.l. niet af kunnen gaan op wat ons gezegd wordt. Het is een innerlijke kwestie. Wanneer iemand bv. heel goed kan tegen spinnen of tegen leeuwen of precies weet waar de verborgen springveren zitten van een valbijl of iets anders, nou ja, dan kan hij zon pad rustig gaan. Maar u kunt dat niet, U moet het pad gaan dat voor u bestemd is.

En dan komt hij met een eigenlijk uitermate simpele oplossing. Hij zegt n.l. dit: “De stem in mij kan liegen, want zij spreekt niet slechts naar mijn ervaren, maar naar mijn begeren.” M.a.w. die stem van het geweten, waar ze zoveel ophef van maken, is maar heel beperkt bruikbaar, want die zegt heel vaak dingen, die je graag zou willen i.p.v. dingen, die waar zijn. (Een modern mens zou zeggen: “Het onderbewustzijn is zo’n belangrijk deel van die stem van het geweten, dat je er wel heel voorzichtig mee moet zijn”.)

“Maar ik vind buiten mij altijd een bevestiging of een ontkenning”. (En dat is interessant)

“Want de paden van de doolhof zijn vol met tekens. En indien ik leer de tekens te lezen, die langs die weg staan, zo zal ik kunnen bepalen welk pad voor mij bestemd is. Ga ik dit pad, dan bereik ik eerst het midden van de tuin.”

Dit is ook een typische opvatting, die ongetwijfeld voortkomt uit de structuur, die men daar veelal gebruikte. In het midden had men vaak een prieel of een soort jachthuisje of een rusthuisje of iets anders staan; een attractie dus, met bijzondere mooie beelden ook wel, sommige zelfs mechanisch bewogen. Ik moet naar het midden van die tuin gaan en vanuit dat midden kan ik pas verdergaan.

Hier wordt dus duidelijk, dat je nooit met je esoterische bestreving kunt zeggen;” 0, ik ga eventjes naar de absolute waarheid.” Nee, ik moet eerst naar het rustpunt. En dat zou ik zo willen vertalen: Een mens zal zich steeds moeten baseren op al hetgeen volgens zijn ervaringen in zijn eigen leven, zijn ervaringen uit de wereld, juist is. Hij behoeft zich daarbij helemaal niet te storen aan de voorschriften, die er staan. Hij behoeft zich helemaal niet te storen aan de leringen, die overal worden gegeven. Maar op zijn ervaring moet hij zo eerlijk mogelijk afgaan. En wanneer hij dat goed genoeg doet, dan bereikt hij dus de plaats van rust.

Er is een periode van bezinning nodig. Geen enkele esoterische bewustwording kan zo maar in een tomeloze vaart voortgaan. Wij bereiken het midden van de doolhof, wanneer wij de beschikking hebben over alle gegeven:, die voor ons noodzakelijk zijn om onze weg te vervolgen. Want wat zegt onze vriend? Uit de beelden (hij heeft het dus over de beelden en de tekeningen en spiegels en over weet ik wat nog meer, hij heeft het over allerhande automaten ook en uurwerken) uit al deze dingen die wij ontmoeten, daaruit hebben wie geleerd wat voor ons de weg is.

Nu moeten wij verdergaan. En dan zegt hij dit: “Wanneer wij eenmaal de rust (dat is dus de innerlijke rust) bereikt hebben en in onszelf vrede kennen, zo zullen wij zoeken naar een pad, niet overeenstemmend met datgene, waarlangs wij gekomen zijn, maar dezelfde tekens dragend.”

Stel u dus maar voor, dat er een pleintje is, waar misschien zestien weggetjes of twintig op uitkomen en u bent van een weggetje gekomen met een cirkel en er is er nog een met een cirkel. Dan moogt u nooit meer het oude weggetje weer inslaan, u moet voort. Maar u moet u houden aan uw eigen teken. Dit teken zal u weer verder voeren tot de uitgang. En de uitgang, zo zegt hij, is de vrijheid.

Maar ondertussen loop je de kans dat je draken ontmoet; dat je met boosaardige ridders en met duivels geconfronteerd wordt; enfin, zo’n weg is werkelijk een heel middeleeuws zinnespel.

Ik heb de laatste tijd dat allemaal weer eens bekeken en bestudeerd en ik heb geprobeerd om daaruit de conclusies te trekken, die noodzakelijk zijn. Ik zal ze punt voor punt opsommen.

In de eerste plaats: Ik kan slechts afgaan op oorzaak en gevolg in mijn eigen leven. De weg, die ik ga, wordt gekentekend door de vreugde en de vrede, die ik in mijzelf vind. Elke verkeerde weg brengt verminderde vreugde en brengt onrust, onvrede, disharmonie. Ik moet in mijn leven steeds die weg gaan, die met mijzelf en mijn wereld zo harmonisch mogelijk is.

Ik mag nimmer aan een ander (dat is punt twee) de last der harmonie opleggen. Ik kan niet verwachten dat de wereld harmonie zoekt met mij. Ik moet volgens mijn eigen wezen zo goed mogelijk harmonie zoeken met de wereld.

Dan zegt punt drie: Steeds weer, wanneer ik ontdek dat de weg die ik gekozen heb niet juist is, zal ik terugkeren tot een punt, waarop een andere weg zich voor mij duidelijk openbaart en deze weg beantwoordt aan het teken, dat ik in mijzelf heb gevonden. Wanneer ik dus voor mijzelf heb gevonden, dat in mijn leven bv. alleen maar het helpen van mensen belangrijk is, dan moet ik dus een weg zoeken, waarop dat helpen van mensen kan voortgaan.

Belangrijk is in mijzelf alleen de weg, die ik gevonden heb of het teken, maar niet mijn verdere wezen. Ik moet mijzelf nooit beschouwen als het doel van alle dingen. Ik moet zelfs niet denken dat ik belangrijk ben of zo; of dat ik het enige middel ben, waardoor iets bereikt kan worden. Ik moet mij alleen maar realiseren, dat ik deel ben van een groot geheel, maar dat mijn plaats in dat geheel bepaald wordt door mijn eigen harmonische verhouding met alle dingen.

Wanneer u rust vindt in uzelf en u hebt evenwicht gevonden, bedenk dan, dat dit niet de gehele weg is. Men heeft pas de volledige bewustwording doorgemaakt, wanneer men alle dingen gelijkelijk kent en beschouwt en daarmee één kan zijn. Dit komt in een mensenleven zelden voor.

Wanneer ik uitga van een periode van rust, zo zal ik gedragen door mijn eigen harmonie steeds nieuwe ervaring zoeken en steeds nieuwe gedachten. Hij, die blijft bij hetgeen hij kent, zal nimmer de waarheid bereiken. Slechts hij die wat hij kent uitbreidt en vernieuwt, zal verder kunnen gaan.

Dan verder – en misschien wel heel belangrijk – nog een paar punten; Wanneer het mij mogelijk is soms muren te doorschrijden, bepaalde begrenzingen van mijn leven te vergeten of te veranderen, dan komt er een ogenblik, dat ik een verkeerd pad kan kiezen. Het is beter voort te leven volgens de harmonie, die ik in mijzelf erkend heb, dan in de hoop sneller mijn doel te bereiken een pad te betreden, dat ik nog niet ken. Een ontwikkeling is een geleidelijk proces, nimmer een sprongsgewijze proces. Slechts in het bewustzijn kan een sprongsgewijze verandering optreden, nimmer in het pad of in ons wezen zelf.

En ten laatste? Alles, wat verwarring brengt in u, moet worden opgelost. Deze oplossing kan worden gevonden door u af te vragen; Wat is in harmonie met mijn wezen? En wat kan mijn wezen in betere harmonie brengen met de wereld? Wanneer ik op die twee vragen een antwoord heb gegeven, zal ik ook weten hoe ik aan datgene wat mij verwart, het gevaar dat mij dreigt, kan ontkomen.

Wanneer u geconfronteerd wordt met een dergelijke onrust, is het vaak beter uzelf eerst af te vragen wat de oorzaak daarvan is, hoe u volgens eigen beste weten en kennen en harmonie met uzelf en in harmonie met de wereld voort moet gaan, dan dit aan anderen te wagen. Want de weg, die voor anderen juist is, is niet altijd het pad, dat u past.

Een aardige filosofie, zoals u merkt; een filosofie, die erg bruikbaar is. Nu zult u zich afvragen; Waarom dan nog die doolhofgedachte? Want wij zouden dus kunnen zeggen: Dat is de schepping. Neen, zegt onze schrijver, de doolhof is gelegen in God. En zo ook in ons. Wij zijn zelf de doolhof, waarin wie dolen. Daardoor wordt alles teruggebracht tot een harmonie met jezelf, een persoonlijk harmonisch zijn. En dat persoonlijk harmonisch zijn is nooit afhankelijk van wat je hebt. Het is altijd afhankelijk van datgene, wat je wenst en datgene, wat je bereikt.

De slagzin zou hier moeten zijn: In het leven is het doel niet gelegen in het bereiken maar in het streven. En in de geest wordt de ware vrede nimmer geboren uit het verworvene maar wel uit de poging tot verwerving.

Activiteit is het meest belangrijke voor een mens. Dat geldt zuiver materieel, maar dat geldt ook geestelijk. Niets is belangrijker dan voortdurend actief zijn. Die activiteit kan duizend en een verschillende vormen aannemen, dat weten wij wel. En wat dat betreft kunnen wij er heel wat sprookjes over vertellen. Maar actief moeten wij zijn. Er mag nooit een stilstand zijn. Ik kan mijn activiteiten op zoveel verschillende manieren doen plaatsvinden, als ik zelf maar wil, mits ze harmonisch zijn. Maar er mag geen enkel ogenblik komen, dat ik zeg: “Nu doe ik niets.” Ledigheid is des duivels oorkussen, zegt men wel eens, maar het is eigenlijk nog veel erger. Ledigheid of het niet-actief zijn is het begin van verstarring.

Een aardige vergelijking hierbij: Wanneer u een betrekkelijk zware last moet verder dragen of voortvoeren met een wagen, dan zult u zolang u in beweging bent gemakkelijker verdergaan dan u dit na een rustpauze kunt. De wagen moet eerst weer op gang worden gebracht. U moet uzelf eerst weer aanpassen aan de last, waaraan u reeds gewend was.

Het gehele leven is zo ingedeeld, dat we alles precies kunnen volbrengen, dat we alles precies tot stand kunnen brengen, zoals het noodzakelijk is. Er is geen enkel ogenblik (dat volgt dus ook weer uit het betoog van de doolhof) dat wij zonder hulpmiddelen zijn. Maar de hulpmiddelen worden ons niet gegeven; we moeten ze zoeken. En dan kunnen we ze vinden.

Wij mogen. niet verwachten dat iemand anders ons de weg toont, maar de doolhof zelf tekent onze weg zeer duidelijk af. Wanneer je in jezelf leert beseffen wat voor jou goed is, wat voor jou aanvaardbaar is, wat voor jou nuttig is in verband met de wereld en jezelf, dan heb je gelijktijdig de weg gevonden, die bij wijze van spreken van overweldigend belang is eigenlijk om te komen uit de verwarring van het menszijn naar de vrije bewustwording, waarbij zelfs het geestelijk Ik zich geheel in eeuwigheid (dus tijdloosheid) kan aanpassen aan het Eeuwige.

Hier heb ik u dan een klein beeld gegeven aan de hand van een middeleeuws denker en schrijver. Ik heb dat niet alleen maar gedaan, omdat de goede man zo’n interessant beeld gaf. Want, wij vinden in die middeleeuwse gedachtegangen ook andere dingen. En wij vinden daarbij – vreemd genoeg – een bepaalde vorm, die bijna incantatief is, een vorm van zeggen, waarbij een harmonie wordt uitgedrukt. En zo drukt hij dan op zijn manier de goede weg uit.

Ik heb reeds vroeger gezegd; de man was wat chauvinistisch. Hij was alchemist maar zwaar christelijk en hij was ook – als ik me niet vergis – monnik in zijn leven. Dus hij dacht dat speciaal vanuit “de Christus”. (Denk nu niet, dat dat de enige weg is!) Maar hij geeft dan aan; de zeven wegen. En die zeven wegen geeft hij aan als een soort tegenstelling tot de zeven hoofdzonden, waarover hij later nog een pamflet laat verschijnen (ik meen dat dit in Dijon gepubliceerd is), waarbij hij dan dus de zeven strijdmiddelen tegen de z.g. hoofdzonden of doodzonden geeft.

Die zeven wegen zijn interessant, omdat hier de esoterie (dus de bewustwording), de gedachte en tot op zekere hoogte een magisch of een boeiend element samengaan. En nu had ik zo gedacht om u vanavond dus met die wegen ook te confronteren. Niet alleen met de doolhof, maar ook met de zeven wegen. Vindt u het goed, heeft u er tijd voor? Wij, dan zullen wij proberen op de juiste manier te doen. Dat is niet altijd gemakkelijk, want ik moet de zang vinden, de klank die er in ligt.

Zeven zijn de krachten, waaruit het Al is geboren.

Zeven zijn de lichten, die God heeft gesteld om Zijn wil te uiten.

Zeven zijn de wegen, die voeren uit de verdooldheid van de mens tot de vrijheid van het Vaderhuis. En ik zeg u, deze wegen zijn gekend, en wie de doolhof kent, kent de wegen.

Zo is er de eerste weg. En zij die de eerste weg gaan, zij gaan een weg, die de wereld ontkent. Gelijktijdig gezweept en gedragen door de wereld, zeggen zij de wereld te vermijden en zij worden door de wereld beheerst. Maar in de beheersing van die wereld zullen zij steeds weer zeggen; “niet ik, doch God.” En door te zeggen “niet ik, doch God in mij” zullen zij, gedragen door de kracht die hen voert, voorbijgaan aan de gevaren, die in

trots en ijdelheid hen neer zouden sleuren in de valkuil der duisternis. Zij zullen voorbijgaan aan de dieren en demonen, die dreigen hen aan te vallen. Want het licht Gods beschermt hen. Zij zullen voorbijgaan aan de vijvers, waarin de verlokking sluimert. Zij zullen voorbijgaan aan de beelden en hun oog zal slechts gericht zijn op de hemel. En zo gaande zullen zij zeggen; “Ik ga mijn weg in eenzaamheid.” Maar zij zijn afhankelijk van hen, die met hen gaan. Tot het ogenblik komt, dat zij erkennen: God in mij en mijn wezen zijn één.

En dan gaan zij de laatste schreden en de poort opent zich en zij erkennen de vrijheid.

En er is de tweede weg. De weg van hen, die zoeken de moed en het geweld. Zij gaan, omgord als een krijgsman, door het leven heen. Zij bestrijden allen. Zij strijden voor wat zij noemen recht en voor wat zij begeren als macht. En strijdend zullen zij voortdurend zeggen: “Niet slechts voor mij strijd ik, maar ik strijd voor anderen.” En telkenmale, wanneer zij een ander beschermd hebben, zullen zij een schrede verder gaan. De rode moed zal hen geleiden en de afzichtelijkheid van dood en duister en verderf, die rond hen zijn, kunnen hen niet deren. Want ziet, zij vergeten zichzelf en zij strijden voor anderen. In deze strijd vinden zij vrede. En uit de vrede zullen zij de moed van hun strijd gebruiken om te zeggen: “In het Al is slechts één waarheid. In die waarheid zal ik leven.” Zo gaan zij in moed verder. En ziet, de muren wijken uiteen, de poort ligt voor hen open en zij gaan in in de waarheid.

Zo zijn er de mensen, die de weg gaan van het denken. Zij hullen zich in folianten, zij zitten in verborgen boekerijen en zij schrijven. Maar zodra zij tekenen de gedachten van anderen en hun eigen gedachten daarin verweven, is het of de letters een nieuw spoor vormen. Hun gedachten drijven hen verder. Zij gaan hun weg en zij erkennen waarheid na waarheid. En waarheid na waarheid verwerpen zij. Zo worden uit vele woorden en begrippen uiteindelijk de krachten geboren, die worden tot één woord. En ziet, in één woord vinden zij rust. Dan erkennen zij; dit woord en de kracht des levens en ik zelve zijn één. Zij spreken het woord en ziet, de poort is geopend en zij gaan in tot de vrijheid.

Dan zijn er degenen, die zich wijden aan de mensen. Zij geven zich aan de mensen en zij vragen niet voor zich. Zij zeggen; “Ziet, ik dien de mensheid; en de mensheid dienende wil ik verder gaan.” Zij zien niet naar de weg en zij zien niet naar het doel, maar zij dienen. En dienende worden zij verder gebracht, want telkenmale is hun hulp van node. Als hun hulp van node is en zij helpen, zo zijn zij verder gegaan op het pad. En zo, nog helpend, ontwijken zij door de poort en vragen zich verstomd af: Is dit de weg, die ik gegaan ben?

Maar zij erkennen de vrijheid en zij zijn één in het licht.

En zo zijn de mensen er, die in zich de wijsheid dragen. Zij dragen de volle lasten des levens. Steeds meer laten zij achter zich. Zij verzadigen de demonen met hun woorden, zij verzadigen de mensheid met hun wezen en zij offeren zichzelf steeds weer, zeggende:  Dit is niet van belang. Maar hun wezen zelf, steeds lichter en sneller, gaat voort. De weg wordt lichter en sneller. En zo uiteindelijk als een loper zegevierend binnenkomend na een lange strijd, een melder die de overwinning meldt gaan zij door de poort en zeggen: “Ziet, ik draag het enige, wat mij gebleven is; het licht, dat is de zegepraal.”

Ze gaan er de weg en zij gaan de weg uit de zinnen. En zij leven en zeggen: “Wij leven in de stof.” Maar levend in de stof dienen zij de stof, en in de stof dienen zij hun God. want zij doen het recht, dat het recht is volgens hun ogen. Zij kennen de wet en zij handhaven de wet, zoals dit de wet is voor hun wezen. Zij ervaren de waarheid, die in hen leeft en zij zeggen; “Niet anderen zijn mijn gezag, niet anderen zijn mijn heerser, maar ikzelf ben mijn verantwoordelijkheid.” Zo vormen zij zich beeld na beeld en droom na droom. Uit droom en beeld gaan zij voort, steeds weer zeggende: “ik ben slechts stof”, maar levende reeds in een andere kracht. Tot het ogenblik dat zij ontwaken en zeggen: “Ziet, mijn wereld gaat verder.” En verdergaande gaan zij door een poort. En zij weten: Uit al wat materie is heb ik gevormd de eeuwigheid. Want eeuwigheid en materie zijn één. En zo zijn zij wij in het licht.

Zo zijn zij er, die de geheimen kennen. Zij gaan soms wegen van licht, soms wegen van duisternis. Hun voeten treden daar, waar engelen niet durven gaan. Zij treden door de diepten van de hel en zij gaan door het hoge der hemelen. Maar zij erkennen slechts één ding; zij erkennen de band tussen hen en het levende. En in deze band gaan zij verder. Zij worden dwazen genoemd en zij worden kluizenaars genoemd, zij worden lichtzinnigen genoemd en wijzen. Maar de naam zal hen niet binden, Zij gaan verder. Want in hen leeft  het ene; de band en de harmonie met alle krachten. Uit die band en de harmonie met alle krachten gaan zij door de poort en uit de poort gaan zij in de eeuwigheid. En ziet, zij zijn het, die in het licht de eenheid met het licht vindend zeggen: “Niet slechts geschapen ben ik, maar één met de Schepper schep ik, zoals ik geschapen ben.”

Hier heeft u een kleine poging om die oude zang te doen herleven. Het spijt mij voor u, dat ik het dialect (dat is Frans met een tikje Italiaans hier en daar, het geheel is erg moeilijk) door het medium niet kan representeren, maar ik heb toch mijn best gedaan. Ik heb geprobeerd iets van die sfeer terug te brengen.

Wanneer u die zeven wegen zo bekijkt, wanneer u dus bekijkt de manier, waarop dat wordt gesteld en wordt gebracht, dan kom je onwillekeurig tot de conclusie; die mens moet ergens voor zich een sleutel hebben gevonden. Dan vraag je je af: hoe? ‘t Is een alchemist?; toch heeft hij geen goud gemaakt. Het was misschien een wijsgeer, maar hij was toch uiteindelijk

een monnik. Hij bleef zeer beperkt in zijn eigen denken aan een bepaalde kant, want hij brengt alles, wat wij als grotere wijsheid zien, in latere betogen weer in direct contact met kerkelijke begrippen, Maar wanneer ik nu in het leven van die mens verder ga zoeken, dan vind ik geloof ik ook de bevestiging a.h.w. van de manier, waarop hij zijn doolhof overwint. En dat lijkt mij ook wel belangrijk. Het lijkt mij een aardig iets om mijn betoog mee te beëindigen.

Nu moet u hem zich zo voorstellen; een monnik, wijsgeer, alchemist. Iemand, die bekend is met vele oude wijsheden en misschien wat vreemd staat tegenover bepaalde oosterse wijsheden, die ook tot hem doordringen. Een mens, die probeert voor zichzelf een sleutel te vinden en tracht die aan leerlingen over te dragen. Hij zit dus in zo’n soort laboratorium, een grote kamer met een soort smidse, waar vuur brandt enz. enz. Hij ziet dat allemaal en hij erkent eigenlijk, dat zoveel van zijn proeven nutteloos is. Nu wil hij aan degenen, die met hem werken en zoeken naar het geheim, zijn eigen begrip overdragen. Dat is natuurlijk niet gemakkelijk.

Ik kan u dat niet geheel precies weergeven. Dat moet u mij niet kwalijk nemen, want daar zou ik sfeer voor moeten hebben. Dan zou u ook zo moeten zitten in zo’n middeleeuwse, gewelfde kamer, betrekkelijk groot, met zijn kasten met fiolen aan de ene kant (u weet wel, die buisflessen); en aan de andere kant weer allerhande kistjes en kastjes met geheimzinnige poedertjes, met smeltbekers, met die rossen gloed en al wat erbij hoort. Ik bedoel, dat kan ik u allemaal niet geven en het is misschien zelfs heel erg moeilijk om dit alles precies te vertalen.

Maar zijn sleutel dus zijn persoonlijke sleutel (het kan voor u een andere sleutel zijn), zijn weg om uit die doolhof te geraken was nu deze:

Ik heb een heel leven gezocht en gij denkt, dat ik niet gevonden heb. Maar ik heb een kracht gevonden, die mij vreugdig doet zijn in leven en in sterven.

Gij denkt dat onze arbeid nutteloos is en dat wij het levend water en de steen der wijzen zouden moeten vinden om tot de waarheid door te dringen. Ik ben oud en wat het leven mij geleerd heeft leer ik u. Er is één God. Ik noem die God Vader ik noem Hem Jezus Christus,  ik noem Hem Heilige Geest. En ik noem deze God, omdat mijn God een naam moet hebben.

Ik zoek naar de geheimen der natuur en wat ik ontdek is niet de natuur, maar het is God. Ik streef naar volmaaktheid en rond mij vind ik reeds volmaaktheid. Ik leef en in de levende kracht vind ik voor mijzelf mijn God weer, elk ogenblik. Hij is voor mij in het vuur. Hij is in de smeltkroes, Hij is mijn wezen. En zolang ik mijn God in mij ken, is er het goud. Want ziet, het vuur versmelt in mij, menselijk zijn en hartstocht met lering en begeren, het  versmelt in mij het vuur van ontstaan met de wateren der bereiking. In mij is de demon, die verscheurt en ziet, hij wordt één met de engel, die opvoert. Want één zijn alle dingen en alle krachten voor hem, die de eenheid aanvaardt.

En zo; zeg in de naam van de Vader, Die is de Kracht en de Bron en de Zoon de zoon Jezus Christus, die voor ons geleden heeft; de Heilige Geest, die neerdaalt op ons allen; “Ik weet dat eenheid, dat besef van eenheid en aanvaarding van eenheid de weg is, waardoor ik ga.

De eenheid met God in alle dingen, niet de eenheid met mensen. Mijn leven is de smeltkroes.

De kosmos is het vuur. Maar mijn ziel, versmolten met haar Schepper is de steen der wijzen, waarin de eeuwigheid en het leven en alle macht ligt. Want ik ben met Hem, Die is, ik leef buiten alle leven en ik ben kracht buiten alle kracht. Ik heers, want ik heb de steen der wijzen. En de steen der wijzen is God, die in mij leeft.”

Zoek verder naar het groot geheim, zoek naar het goud, maar zoek naar het goud van Gods  licht en kracht en liefde, zoek naar de steen. Maar de steen, die in u rijpt uit de eenheid met God. En noem Hem dan; uw Christus, uw Vader, uw Geest. Opdat gij een naam hebbend voor uw God zult leven naar de kracht, die gij gevonden hebt.

Dat is de wijsheid van een bijna vergeten alchemist uit Zuid Frankrijk. Ik geloof niet, dat ik daar nog iets aan toe wil voegen.

0-0-0-0-0-0-0-0

Meditatie

Het Pad der Waarheid

 Er is gesproken over de Steen der Wijzen. Er is gesproken over de verschillende krachten, die u op uw weg ontmoet. En er is gesproken over de weg zelf. Laat mij dan voor u spreken en mediteren over het Pad der Waarheid, het verborgen deel dat de Brahmanen zo zelden aan vreemden willen mededelen. Het boek, dat oud is en geschreven in Sanskriet, maar dat zingt over de waarheid van het leven.

De waarheid in het leven is niet wat de wereld lijkt. Ze is wat mijn wezen leeft.

De waarheid in de wereld is niet wat verandert, maar dat wat blijft.

De waarheid in de wereld is niet in de eenheid of in de veelheid, maar in de versmelting van beide.

De kracht van het leven is de waarheid, als het leven wordt aanvaard.

De zin van het bestaan is waarheid en waarheid alleen is de bron, waaruit het bestaan voortduurt.

Gij allen zoekt in uzelf naar waarheid. Maar kunt gij waarheid vinden, die niet ook tevens de uwe is? Ge kunt niet de eeuwige waarheid kennen, maar ge kunt een deel daarvan erkennen in uw wezen en ge kunt daarmee één zijn. Ge kunt niet werelden beheersen of het Al omschrijven, maar ge kunt een kleine maar voor u volkomen uitdrukbare waarheid vinden, die altijd weer innerlijk en in uw verder bestaan voor u de juiste richtlijn is.

Vraag uzelf nimmer af of de waarheid, die ge kent, nu ook de kosmische waarheid is. Vraag u af of ze waar is voor uzelf.

De waarheid is geschapen in het begin. In het begin, toen de goden nog niet waren, toen reeds was de waarheid. Want de waarheid was het beeld van de eerste Kracht, Die uit Zich heeft voortgebracht Zijn gade en Zijn kinderen.

Ge kunt de waarheid zien als bron van alles wat gebeurt. Al wat gebeurt is waar. En zo gij die waarheid kunt leven en zover gij die waarheid kunt leven, leeft gij in een waarheid, die oneindig is.

Gij spreekt vaak uw eigen denkbeelden uit, gij verwerpt en aanvaardt naar uw eigen inzicht.

Maar begrijp wel; dat is geen waarheid. Waarheid is niet wat gij gelooft. Waarheid is dat, wat in uw leven voortdurend een invloed is; dat, wat in uw leven spreekt.

Toen de goden de waarheid erkenden, zo zeiden zij: “De waarheid is gesteld als een heelal over alle goden. En de waarheid beheerst zelfs hem, die alles schept.” En, toen zij de wereldzeeën kenden en zelfs het kwaad en het gif van de wereldslang er uit namen, toen was de waarheid over hen als een hemel. Want als er geen waarheid is, kan niets bestaan.

Ijl en droom zijn alle dingen, die voor de mens belangrijk lijken, zolang hij ze niet verwerkelijkt en vervult. En wat hij vervult en wat vergaat is waardeloos en onwaar. Maar wat hij verwerkelijkt en vervult en wat ín en met hem blijft, wat deel is van zijn wezen en denken voor alle tijd, dat is waar.

Door vele werelden gaat men, door hemelen en onderwereldsferen, maar wat waar is blijft onveranderd. Geen sfeer van hemelse tuinen, geen roes van lotus – ether, kan ooit de waarheid doen sterven; en geen hel en geen pijnen kunnen iets aan de waarheid veranderen.

Daarom, mens, ken in uzelf wat waar is. Want de waarheid in u is als een uitspansel, dat zich uitspant zelfs boven de goden, boven uw beelden en uw krachten. De waarheid is datgene, waarin gij bevat zijt.

Wie de waarheid kent, weet onder welke hemel hij gaat en hij weet door welk licht hij wordt geleid. Hij kent het kloppend hart van het Al en hij ziet hoe achter de goden het leven zelf voortdurend pulseert, nu wordend tot dag en licht, dan wordend tot nacht en sluimering. Maar de waarheid blijft. Want als er geen waarheid bestaat, bestaan er geen goden, dan bestaat er geen wereld, dan bestaat er niets.

De moeder van alle dingen is Maja, want het geboren worden wil zeggen; het ontstaan in waan. Wie immers kan de waarheid beseffen, voor hij ze ondergaat? Maar onderga het leven en zeg tot uzelf: “Dit is mijn waarheid.”

En leef uw waarheid. Want niet zijn wij geboren, niet zijn wij uitgegaan in het Al, nietige vonken lichts in het onbekend duister, om slechts te zijn vuurvliegen, die een nacht lichten om dan te vergaan. Eeuwiger dan de sterren zijn wij. En de kracht, die in ons leeft, is krachtiger dan die der goden. Want wanneer goden sterven in het terugkeren van alle kracht tot hem, die schept, zo zullen wij kunnen lichten indien wij wensen. Want wie de waarheid kent heeft de Hemel boven zich, Die hem behoedt voor alle kracht, hem maakt tot leven en licht en waarheid en zo maakt tot eeuwige. De eeuwige, die schept, die zijn adem uitzendt en terugroept en die in de waarheid van zijn wezen kennend zijn Bron, die Bron nimmer verloochent, maar zich vervult in zijn Bron en Zijn uiting.

Zo ken het Lied der Waarheid, gij meer geborene. Gij meer geborene, herken de Waarheid en de Wijsheid, die ver gaat boven alle wet. En leef waar en waardig. Opdat de waarheid een hemel zij, die u beschermt, opdat de goden u voorbijgaan en de kracht dus levens in u ontwaakt.

Hier is voor mij naar ik meen in gedeeltelijke citaten mijn meditatie bijna ten einde.

Gij, mijne vrienden, hoeft niets te vrezen, wanneer gij waar zijt ook tegen uzelf. Maak uzelf illusies, spiegel uzelf dingen voor, die niet werkelijk zijn en gij zijt gebondenen in de schepping, geketend als slaven aan een noodlot, dat gij niet beheerst.

Maar ken de waarheid in u en ge zijt wij als een koningsadelaar, die uitvliegt in de blauwe hemel, lachend om de wereld beneden zich, zich verheugend in de oneindigheid, die hij aanschouwt. Want wij, die waar durven zijn tegenover onszelf, die eerlijk durven zijn, Wij kunnen de waarheid van het Goddelijke erkennen. En wij kunnen dat vinden, wat blijvend is en niet teloor gaat. Maar ongelukkig zij, die slechts vrede zoeken in hun dromen. Die uit de grote moeder het beeld der begoocheling putten en niet de kracht der waarheid. Die zoeken naar de versuffing van de windloze middag, maar de koelte verwerpen, die hen dwingt om voort te gaan op hun pad.

Laat ons, de waarheid erkennen. Laat ons eerlijk en oprecht zijn, tegenover onszelf voor alle dingen, opdat wij mogen weten: Dit is een band met het Oneindige, die niet teloor gaat. Dit is een waarheid, die ik steeds weer zal willen en zal kunnen leven in elke wereld en sfeer.

Zo immers zullen wij vervullen onze taak om terug te keren tot ons punt van uitgang, onszelf blijvende en toch één zijnde met de Bron van alle dingen, het Scheppend Vermogen, waaruit zelfs de goden zijn voortgekomen.

image_pdf