Inzicht in kosmische ordening en wetten

image_pdf

21 januari 1963

Wanneer ik zeg ‘inzicht’, dan bedoel ik daarmee dat het gaat om een begrip van samenhangen, want het hele Al als zodanig is evenwichtig. Maar die evenwichtigheid van het Al komt in de delen daarvan niet zo direct kenbaar tot uiting. We vinden op gelijke wijze overal wetten en wetmatigheden, die schijnbaar uitzonderingen kennen of toelaten, maar die over het gehele Al beschouwd wel toepasselijk zijn. Wanneer wij dus werkelijk willen begrijpen wat er gebeurt, dan kunnen we ons niet beperken tot de wereld of tot de mensheid. We moeten dan trachten het gehele Al te overzien en a.h.w. de regels, de wetten, de verhoudingen, de condities uit het gehele Al trachten te beseffen. Want alleen als u dit doet, bent u in staat om in uw eigen wereld niet alleen te handelen volgens een daar kenbare kosmische wet maar ook te begrijpen, hoe oorzaak en gevolg b.v. een wisselwerking kan zijn, die grote delen van de ruimte schijnt over te slaan, hoe schijnbaar onbelangrijke dingen enorme gevolgen kunnen hebben en schijnbaar ontstellend grote gebeurtenissen tenslotte niets tot resultaat hebben. Laten we dan allereerst beginnen u een idee te geven van de kosmos als geheel.

De kosmos bestaat in feite – althans van ons uit gezien – uit twee grote heelallen. Er zijn er mogelijkerwijze meer, ik heb getallen horen noemen tot 63 toe, maar deze getallen zijn voor ons niet belangrijk. Het gaat om ons heelal en wat zich daarin afspeelt. Nu blijkt dit heelal te bestaan uit een grote hoeveelheid energie, optredende in verschillende vormen. Van die energie gaat regelmatig een zeer klein percentage verloren. Dit is haast niet te bewijzen, omdat dat soms in de tienduizendste, soms in de miljoenste deeltjes loopt. Waarheen die energie gaat, weet niemand. Maar wanneer we nu het Al bezien als een model, dan kunnen we het ons voorstellen als twee halve bollen, die op één punt zijn verbonden door een membraan. We hebben dus hier een bol en we hebben daar een bol en ertussen een membraan. Dit membraan laat energie door en wel in beide richtingen; maar slechts indien er een zekere overspanning is. Die vorm van het Al is aan de ene kant het gevormde Al – dat is dus materie in een staat van ontwikkeling, die voert tot stasis, tot absolute rust – aan de andere kant hebben wij duisternis. Die duisternis ontwikkelt zich tot chaos; en uit de chaos kan – wanneer er een absolute rust ontstaat in dat andere deel van ons heelal – plotseling een explosie plaatsvinden. Dan dooft het licht uit waar stasis is bereikt en begint de vorming aan de andere kant. Wat dit betreft, moeten we er rekening mee houden dat een deel van alle krachten die worden ontwikkeld d.w.z. energie, die van vorm verandert, overgaat naar een ander deel van het Al en dat de evenwichtigheden en onevenwichtigheden van dit heelal in de vorming van een komend heelal worden weerspiegeld.

Dit is voor ons verder niet van zo groot belang, maar we moeten toch ook weten dat er dingen zijn,  die dus niet terugkeren; want dan zouden we gaan spreken over oorzaak en gevolg en zouden we de vraag kunnen krijgen: “Maar als er nu eens een einde komt aan dit heelal, waar blijven dan de gevolgen van de oorzaken, die er zijn? Dat alles is niet afgerekend”. Het is heel eenvoudig: dat wordt voortgezet in dat andere heelal, dat bovendien vanuit dit standpunt gezien – om het nog eens aardig te zeggen – niet de materie, die hier bestaat, kan vormen maar hoogstens antimaterie; dus materie, die de materie van uw gekend heelal afstoot en eventueel vernietigt.

Nu we dit hebben gesteld, komen we tot het tweede punt: De ontwikkeling van het Al vindt plaats vanuit de toestand chaos. Er is ruimte. Die ruimte kun je niet omschrijven. Die ruimte is ook tijdloos; en in die tijdloze ruimte komt energie binnen, hoe weten we niet. We nemen aan via het membraan, waardoor uit het andere heelal, het spiegelbeeld van dit heelal, energie wordt toegevoerd. Is die energie groot genoeg, dan ontstaat voor het eerst beweging. Waar beweging ontstaat, ontstaan explosies. Explosies resulteren in sterrennevels. Sterrennevels kennen ook weer hun eigen onevenwichtigheden, welke resulteren in sterren enz. Het scheppingsmoment is niet in tijd te meten. En wat de vorming van een dergelijk heelal betreft – dus de mogelijkheid voor chaos om actief te worden – durf ik zelfs niet bij benadering een aantal miljoenen jaren te noemen, het zou waarschijnlijk in de triljoenen jaren lopen. Wat echter voor ons wel belangrijk is, is dit:
In die vorming is er steeds sprake van een onevenwichtigheid. Elke onevenwichtigheid resulteert in een splitsing. Elke splitsing op zichzelf resulteert in een tegenstelling. Elke tegenstelling schept een scala van mogelijkheden; en in elke reeks tegenstellingen is altijd een evenwicht of middelpunt, waarin een fusie, een weer samenkomen van beide krachten – van beide tegenstellingen – mogelijk is.

We hebben hier dus het heelal nog steeds een klein beetje bezien vanuit een menselijk standpunt. Maar nu komt de vraag: Wat is tijd?
Een mens kan zich een heelal zonder tijd niet voorstellen. En toch komt er een ogenblik, dat hij afstand en tijd met elkaar a.h.w. verbindt. U spreekt over de afstand van de ene ster tot de andere niet meer in meters maar in lichtjaren, in jaren van beweging dus. Nu is een jaar van beweging relatief. We kunnen nu wel zeggen, dat licht een absolute snelheid heeft, maar dat heeft nog niemand bewezen. We komen dus op een ogenblik zover, dat we zeggen dat tijd in feite ook afstand is. Maar als tijd afstand is en we kunnen aannemen dat het licht variabel zou zijn, dan kunnen we ook nog stellen dat alles in het Al gelijktijdig wordt gevormd, maar niet gelijktijdig beleefbaar is. En dan hebben we hier voor een mens een heel typisch beeld van het Al gekregen: Hij bevindt zich op één vast punt in de ruimte, hij is gelijk met alles, wat er rond hem gebeurt, met alles wat er is ontstaan, maar door zijn plaats ontvangt zijn bewustzijn het licht van de sterren op verschillende tijdstippen; niet gelijktijdig maar achtereenvolgens. Dit is voor ons heel erg belangrijk, omdat het het concept ‘tijd’ beter helpt bepalen in overeenstemming met de structuur van het heelal.

Wanneer ons een invloed bereikt, dan wordt zij ervaren. Zouden alle invloeden ons gelijktijdig bereiken, dan zouden we dus kunnen zeggen: Er bestaat niets meer; zij heffen dan elkaar in ons op. Maar omdat de afstand van onze wegen tot de verschillende andere krachten of mogelijkheden different is, bereiken hun invloeden ons niet gelijktijdig maar als het ware achtereenvolgens. Daarbij is het mogelijk dat hun invloeden elkaar soms kruisen of elkaar  opheffen.
Voor een mens klinkt dat nu een beetje vreemd. Hij zegt. Ja, maar mijn leven is toch wat anders dan een opeenvolgende reeks belevingen? Dat is waar, als men denkt in de termijn van een enkel menselijk leven. Zou men het beschouwen in het licht van een totale reeks incarnaties en bewustzijnsvlakken, dan zou het er al anders uitzien.
We behoeven ons daarover echter niet druk te maken. Want wanneer wij zeggen ‘aarde’, dan zeggen wij dus ook: een punt, waarbij de tijdsillusie, voor zover deze is gebonden aan gebeuren – dus niet aan een omwentelingsmaatstaf alleen – kan voortkomen uit verschillende krachten, die achtereenvolgens de aarde bereiken, ofschoon ze gelijktijdig bestaan.

Dan kom ik tot het volgende punt. Het is wel zeer belangrijk, dat u dat goed begrijpt.
Alle krachten in het Al, alles wat er bestaat, is op de een of andere manier bezield. Bij een naspeuren ervan ontdekken wij, dat de bezielende kracht in feite overal identiek is. Verder nemen wij aan – we weten het dus niet zeker – dat deze kracht ook nog die andere heelallen, die er ergens kunnen bestaan, zou omvatten. We noemen die kracht ‘God’. We zeggen: “God is in alle dingen”. Dat is volledig waar. Maar we kunnen niet zeggen, dat God in alle dingen gelijk is. Per slot van rekening, als we God vergelijken met water, dan is het dus mogelijk dat er ergens een bak staat, die 200 l. bevat; ergens anders staat er één die maar 50 l. bevat; elders bestaat er een kleintje, die maar één dl. bevat. Er zijn dus zeer grote verschillen van inhoud mogelijk. Nu moeten we goed onthouden, dat de structuur van het Al als zodanig evenwichtig is. Wanneer we het Al dus op een willekeurige manier zouden delen in twee helften, dan zullen die helften t.o.v. elkaar steeds gelijkwaardig zijn. Maar de verdeling van de totale goddelijke energie in die twee helften kan geheel anders zijn. Want de ene heeft – laten we zeggen – 500 maal één dl. en de andere heeft maar één vat van 50 1. En dit verschil nu kan bepalend zijn voor de inwerkingen, die in de kosmos bestaan. Want de energie, die uitgaat van een actief zijnde 500 dl. is natuurlijk veel groter dan van één dl. Zouden 500 dl. nu volkomen gelijk zijn in hun energie-uiting, dan zouden ze ook een grote macht zijn, net zo groot als b.v. 50 l. Maar op het ogenblik, dat er een paar dl. zijn, die zich eens anders richten, heeft de grotere inhoud de grootste invloed.

Nu hoort u allemaal spreken over de invloed van de sterren; en u hoort spreken over de invloed van een bepaald sterrenteken of sterrenbeeld. U zult zich wel eens afvragen: Hoe komt dat? Wel, wanneer wij het heelal bezien, dan zijn er ongeveer 72 krachten – we schakelen dus de 9 hoofdkrachten in het middelpunt uit – aan de rand, die zo groot en zo sterk zijn – al bestaan ze vaak uit zeer verschillende aantallen eenheden (dus bij de ene kan het weer 500 keer één dl. maar bij de andere kan het 50 l. zijn, bij wijze van spreken) – dat zij t.o.v. het Al een vaste straling vertonen. Die stralingen geven de eigenschappen van de bezitters weer; d.w.z. als water een bepaalde kleur heeft, dan heeft de energie die het uitstraalt dus ook een bepaalde kleur. Elk zwakker wezen, dat in een geconcentreerde straling van een groter deel komt te staan, neemt daarvan tijdelijk de kleur aan. Maar nu het typische, wanneer b.v. een wezen van één liter onder de invloed komt van 50 l. die een rode kleur hebben en daardoor dus ook rood wordt, dan moet er gelijktijdig ergens anders 50 l. zijn, die terugvalt op de oorspronkelijke kleur. Als het dus wit was, voordat wit in de invloed van rood kwam, dan moet er dus elders ook die liter wit ontstaan.

We zitten hier dan heel dicht bij een wetmatigheid. Het is een kwestie van oorzaak en gevolg, zeggen de mensen wel eens. Maar in feite is het eerder een kwestie van evenwicht. Wij kunnen alle factoren in de schepping wel verschuiven, maar hun totale waarde nooit veranderen. Dit moet u goed onthouden. Daaruit blijkt, dat voor zover het ons betreft, alles eeuwig is.
Dan blijkt verder, dat alle beweging op zichzelf nog lang geen ontwikkeling kan betekenen of lang niet iets van bewustwording inhoudt. Neen, het is juist zo dat alleen daar, waar een beweging een zodanig exces vertoont – dus een teveel – dat zij haar vaste banen wijzigt of kan wijzigen, er sprake is van een beleving of een bewustzijn. Wanneer dus een ster normaal actief is, kan zij leven geven aan een planeet; maar gelijktijdig kan zij ook invloed uitoefenen op andere sterren. Ze kan misschien – wanneer ze groot en sterk genoeg is – een gedeelte van de ruimte domineren. Maar zij kan dit als persoonlijkheid alleen zolang doen als zij energie kan afgeven en uit zichzelf nieuwe energie putten om zichzelf gelijk te blijven. Er komt een ogenblik, dat die energie er niet meer is. Dan zal die ster misschien de ster blijven, maar haar invloed is niet meer wisselend; zij is volkomen gelijk. En dan zal alles binnen die gelijkblijvende invloed verstarren; er is nog wel beweging, maar die is zo vast en mechanisch geworden, dat wordt gesproken van evenwichtigheid of stasis.

Nu bevindt men zich op het ogenblik in het Al in een fase van z.g. omstelling. Men zegt: De aarde komt binnen de invloedssfeer van Aquarius. Dat is natuurlijk van uit astrologisch standpunt juist, maar kosmisch gezien ligt de zaak iets anders.
Een deel van de spiraalnevel – en wel speciaal die arm, waarbij de aarde hoort; men noemt het geheel het melkwegstelsel – beweegt zich op het ogenblik in een nieuw invloedsgebied. En dat wil zeggen, dat aan de andere kant van diezelfde sterrennevel -melkwegstelsel – een andere arm invloeden moet ondergaan, die de aarde op het ogenblik nog ondergaat. Dus wat dáár een begin is, wordt hier verlaten; het is een draaimolen. In beide gevallen zal een exces aan energie aanwezig zijn; in beide gevallen is dus een reactie mogelijk. Maar als A anders reageert dan B, moet er worden gecompenseerd. Elke compensatie, die voortvloeit uit eigen actie, is niet alleen maar een oorzaak- en gevolgwerking  – want die is ook kosmisch – maar zij kan onder omstandigheden zijn wat men noemt: het noodlot; want u kunt niet bepalen wat er in die andere arm van het melkwegstelsel gebeurt. U bent er niet mee verbonden en u weet er niets van af. Maar op het ogenblik dat daar een variatie plaatsvindt, zal wat men noemt de natuur of het noodlot of God of de wet van evenwicht ingrijpen en hier een gelijksoortige variatie doen ontstaan. Een klein bewustzijn kan zich hieraan niet onttrekken. Een vol bewustzijn kan zich in voertuiglijke vorm niet aan de gevolgen onttrekken, maar het kan wel zijn bewustzijn daarvan distantiëren.

Ik heb hierop in het bijzonder de nadruk gelegd om u duidelijk te maken dat een kosmische wet niet alleen maar een wet is, die slechts voor een mens geldt. Zij geldt altijd voor het gehele Al. Dat wil zelfs zeggen, dat zij geldt voor sferen. Wanneer wij te maken hebben met een duistere en een lichte sfeer en er is meer bewustzijn in de lichte sfeer, dan maakt dat niets uit. Maar wanneer er meer kracht zou zijn in de lichte sfeer, dan zou een deel van die lichte sfeer moeten reverteren tot duister.
Het zijn deze processen, die men overigens ook innerlijk doormaakt. Want wanneer je bewustzijn in een bepaalde sfeer zo groot is geworden, dat die sfeer in jou a.h.w. tot stasis wordt, dan ga je al het andere verwerpen. Je erkent dus geen tegenstellingen meer. Op dat ogenblik vraagt de tegenstelling je aandacht en verliest de sfeer haar kleur; ze wordt kleurloos, ze heeft niets meer te bieden. Je drijft een ogenblik in een zee van verveling en van daaruit kom je dan hetzij tot een nieuwe incarnatie, hetzij tot een bewustwording in een andere sfeer. Deze dingen zijn dus werkelijk wel belangrijk.

Nu moeten we nog weer verdergaan. We kunnen ons het Al niet slechts als een bol voorstellen. Men doet het wel graag en bij voorkeur nog als een bol, die zich uitzet in de ruimte: een zich uitbreidend of een vliedend heelal. Ook dat is niet waar. Want wat wij ruimte noemen, is in feite een zekere veldstructuur; d.w.z. het verschijnsel ruimte kun je zien als een soort blaas in iets anders. Als je een fietsband oppompt, dan zit daarin lucht; en door die lucht is er veerkrachtige ruimte. Op dezelfde manier is het met zo’n heelal.
Wanneer dat Al zich dus uitzet, ontstaan er spanningen. Naarmate een heelal zich verder uitzet, ontstaan er dus grotere ruimtelijke spanningen binnen dit Al. Die ruimtelijke spanningen worden gecompenseerd door de niet-ruimtelijke spanning, die er omheen staan. Het is heel moeilijk om dat te zeggen. Stelt u zich nu maar voor, dat uw ruimte ergens in een blok is gelegen – noem het Zijn; blok is in feite een gedachtekracht – dan is uw heelal een soort luchtbelletje in een gedachte. Het klinkt gek, maar als u de structuur wilt bezien, dan komt het daarop toch wel neer. Dit betekent, dat op een gegeven ogenblik de innerlijke spanning van een heelal zo groot is, dat het niet anders meer kan doen dan door de tegendruk, die het heeft gewekt, zijn eigen spanning veranderen. En dan komt er een ogenblik dat het membraan tussen – zeg maar – een materie Al en een antimaterie-Al wordt doorbroken. Een terugvallen van het Al is automatisch het gevolg. Gebeurt dit met te grote snelheid, te grote spanning, dan is het resultaat een ogenblik van stasis en onmiddellijk daarna duisternis.
We mogen er dus ook niet op rekenen, dat iets van de bewegingen die wij zien blijvend is of eeuwig. Beweging is altijd een tijdgebonden verschijnsel, dat afhankelijk is van ruimtelijke toestand plus snelheid. Hier heeft u dan een heel kort en natuurlijk wat onvolledig beeld van de structuur van het Al.
Ik wil nu alle bijzonderheden maar verder opzij zetten, want anders raken we te ver van huis.  De structuur van het heelal resulteert voor ons bewuste wezen in een aantal verschijnselen:

  1. Leven is slechts mogelijk binnen een toenemend grote reeks tegenstellingen.
  2. Beleven is slechts mogelijk, wanneer er een voortdurende vernieuwing plaatsvindt, dan wel voortdurend nieuwe mogelijkheden ontstaan. Op het ogenblik, dat alles gelijkblijvend is, kan niet meer van beleven worden gesproken.
  3. Tijd kan alleen ontstaan door de t.o.v. ons standpunt zich onevenwichtig ontwikkelende spanningen in het Al, waardoor voor ons achtereenvolgende ervaringen van verschillende tegenstellingen mogelijk zijn.
  4. Bewustwording is mogelijk door de tegenstellingen in elkaar en dus ook in het eigen ‘ik’ te zien als variabele maatstaven, die vaste wetten met zich brengen.

Verder betekent het heelal krachtens zijn structuur voor ons nog de noodzaak om het bewustzijn voortdurend te verplaatsen in een vorm van tijdgebondenheid. Als het bewustzijn eeuwig is – en dat nemen wij dus aan – dan kan dat bewustzijn niet ergens in een Niets vertoeven. Ik weet wel, dat men zich soms Bardo voorstelt als het Niet, maar dat kan het niet zijn; in het Niet is geen bewustzijn mogelijk. Dus: een voortdurende opeenvolging van sferen. En – nogmaals – aan die sferen en aan die tocht door de sferen kan voor ons geen einde komen, tenzij wij zelf de tegendelen – dus de tegenstellingen, waarbinnen wij leven – tot eenheid kunnen brengen. Op zo’n ogenblik blussen we zo’n wereld a.h.w. uit. Datgene, wat er buiten bestaat: het evenwicht tussen het grote heelal van heden en het wordend heelal van morgen – materie en antimaterie – is voor ons het goddelijk evenwicht, waaruit wij bestaan en wordt voor ons gekentekend in oude boeddhistische termen als: de Dag en de nacht van Brahman.

We hebben nu dus gesteld, wat het voor ons betekent. Maar aan die betekenissen zonder meer hebben we niets, want dat we leven, weten we wel; en we zullen misschien eens leren beseffen hoe we leven, maar op het ogenblik hebben we behoefte aan een wet.
Nu zijn we geneigd o.m. te stellen: Er is een wet van harmonie. Alles heeft een zekere vorm van samenwerking en samenklank. Natuurlijk. Want het gehele heelal is in feite als een perfecte grote machine, waarin elk radje het andere precies moet aanvullen. Op het ogenblik, dat dat niet meer mogelijk is, is er onevenwichtigheid en onevenwichtigheid betekent vernietiging. Maar de wet van evenwicht en de wet van harmonie – twee facetten eigenlijk van hetzelfde – openbaren zich ook aan ons. Nu zouden wij dus kunnen zeggen: Wanneer ik met iemand harmonisch ben op mijn manier, dan is dat goed. En wanneer ik met iemand niet harmonisch ben op mijn manier, dan is dat niet goed. De vraag is echter, of die harmonie mogelijk is? Want vergeet u niet, u bent niet alleen gebonden aan uw eigen wil maar ook aan de mogelijkheden die elders ontstaan en de mogelijkheden, die u elders schept door uw handelingen.
Nu blijkt in de praktijk die regel van harmonie dus als volgt te kunnen worden vertaald:

Alles, wat ik doe, vindt elders zijn weerkaatsing. Alles, wat elders heeft bestaan of bestaat, heeft op mijn wezen invloed en wel in sterkere mate naar gelang mijn huidig bestaand ‘ik’ een grotere tegenstelling is van het andere of van het vroegere.
In de tijd kan de mens werken als zijn eigen tegenstelling, zodat een leven in het verleden en een leven in de toekomst elkaar volledig kunnen compenseren. Is dit eenmaal het geval, zo zal het werkelijk bewustzijn daaruit resulteren en dus niet zijn het bewustzijn van het laatste leven of van het vroegste leven maar precies tussen die twee in. Dat is het punt, waarin alle verschijnselen binnen het ‘ik’ evenwichtig worden. Dat is dus de persoonlijkheid, die je herneemt of tracht te hernemen, wanneer je in de hoogste sfeer bent. Dan kies je dus uit honderd incarnaties die ene, waarin je eerste leven en je laatste leven perfecte tegenstellingen zijn geworden.
Dit brengt in je leven verder met zich mee, dat het zoeken naar evenwicht nimmer alleen van het ‘ik’ afhankelijk is en dat het zoeken naar harmonie weliswaar van het eigen ‘ik’ dient uit te gaan maar nimmer zeker kan zijn van een beantwoording en er ook nimmer zeker van kan zijn dat het juist is. U kunt hier dus niet spreken van goed of kwaad. U kunt proberen harmonisch te zijn met de medemens, met een systeem, met een gedachte, met een geest en dan blijkt dat, wat u ook doet, die werkelijke harmonie niet te bereiken is. U zult dan misschien denken, dat het aan u ligt. Het ligt niet aan u en het ligt niet aan de ander, maar het ligt doodgewoon hieraan: Om deze harmonie tot stand te brengen moet er elders in een gebied, waarover u geen controle heeft, zoveel veranderen dat die verandering meer tijd en meer belevingsmomenten vergt dan u aanvaardbaar acht.

En dan krijgen we hier de hele kwestie:
De wet van harmonie berust op het bestaan van tegenstellingen en daar, waar een volledige compensatie door de tegenstellingen wordt gevonden, ontstaat het punt van harmonie altijd in het rustpunt tussen beide.
De wet van evenwicht impliceert, dat ons bestaan plus al onze handelingen – ook de handelingen die wij stellen uit een vrije wil en een vrij bewustzijn – elders in het Al worden gecompenseerd. Het houdt in, dat wij niet volledig onze wil kunnen doorzetten en niet de door ons gewenste gevolgen altijd kunnen bereiken, omdat elders in het Al ook veranderingen moeten plaatsvinden. En die veranderingen behoeven niet plaats te vinden volgens de door ons gekende of gestelde tijdsscala.

De wet van oorzaak en gevolg lijkt zo simpel: U doet iets en het resultaat ervan bereikt u. De mensen hebben al heel gauw ontdekt, dat dat niet helemaal juist was, omdat men in een leven soms wel een werkelijk slecht mens kon zijn en toch al het goede verwerven. Om die onrechtvaardigheid te omzeilen hebben ze een uitleg gezocht: nl. ofwel de wrekende godheid, de hel in het hiernamaals, dan wel het karma: het optreden van de gevolgen in een volgend bestaan. Van menselijk standpunt gezien is het heel aardig, maar het is niet volledig juist; want oorzaken en gevolgen zijn niet alleen dingen die van ons uitgaan.
U bent op het ogenblik hier op aarde. Maar u bent in deze vorm het gevolg van een handeling van anderen. En u bent zelf weer de oorzaak voor het bestaan of voor veranderingen in het bestaan van weer anderen. Er is dus een absolute keten. Die keten nu beantwoordt niet aan wat wij noemen: redelijkheid of evenredigheid. Zij beantwoordt alleen aan kosmische evenwichtigheid. Met ons eigen bewustzijn kunnen we heel veel doen om oorzaak en gevolg voor ons meer aanvaardbaar te maken; want het is onze eigen instelling, die de waarde, welke we hechten aan het gebeuren, voor het grootste gedeelte bepaalt. Laten we het maar heel eenvoudig nemen: Iemand, die bang is voor pijn, vindt het verschrikkelijk als hij een klap krijgt. Een masochist vindt het juist heel erg prettig, als hij een klap krijgt. Een verschil van instelling. En nu wil ik dus helemaal geen vergelijking maken met wat men hier noemt een abnormale pijn, honger e.d., maar er zijn mogelijkheden ons eigen wezen zo om te stellen, dat oorzaak en gevolg op ons bewustzijn geen invloed hebben.

Dat betekent dat wij de verantwoordelijkheid dragen voor de kleine oorzaken en gevolgen, die erkennen en daarmee ook innerlijk afrekenen; en dat wij tegenover het grotere gebeuren een instelling hebben van ‘dit is voor mij noodzakelijk en dus is het goed. En wat goed is, is aangenaam, dus vind ik het prettig’. Het klinkt een beetje als zelfhypnose, maar het is toch praktisch de enige oplossing.

Dat de aarde bestaat, is veroorzaakt door de zon en een andere ster. Dat de aarde leeft, wordt veroorzaakt door de zonnestraling plus de acties enz. Dat u leeft en de vorm waarin u leeft, wordt bepaald door de elementaire samenstelling van de zon en die van de aarde; dus de omzettingssystemen die mogelijk waren, de vormen van half-eiwitten die er konden bestaan enz. Al deze dingen hebben invloed op u, of u dat nu erkent of niet. Daarom moet u goed onthouden:
Oorzaak en gevolg gelden voor de mens in het kleine. In het kleine zijn oorzaak en gevolg kenbaar, omdat ze in één leven en vaak praktisch onmiddellijk optreden. Dit betreft niet alleen de zuiver stoffelijke oorzaak- en gevolgreacties, maar ook de z.g. geestelijke; d.w.z. er kan dus van een niet redelijk vlak uit een reactie volgen; een direct gevolg dus van iets, dat u doet of denkt. Maar dat betreft alleen het kleine. In de grote oorzaak- en gevolgverhouding bent u gebonden aan de zich voortdurende herstellende en wisselende evenwichtsverhoudingen van het grote heelal. Als er vandaag of morgen een wereldoorlog komt, dan kan het zijn dat zo’n wereldoorlog ontstaat, niet alleen omdat de mensen dat willen of dat er niets tegen te doen is, maar ook omdat er elders in het Al een vrede is gesloten, die zo hecht is, dat alleen een absolute oorlog als tegenstelling kan bestaan. Een beetje dwaas gezegd en precies zo loopt het niet, maar het is een voorbeeld dat u misschien begrijpt.

Dan hebben we verder in de kosmos te maken met de z.g. kringloopwetten. Dat wil zeggen: een verschijnsel, dat eenmaal is opgetreden, zal zich in vaste cycli herhalen, waarbij haar inwerking kan plaatsvinden op andere materie, volgens een ander bewustzijn of een andere scala, maar het verschijnsel op zichzelf beschouwd gelijk is. Ik kan bij wijze van spreken door een natuurgebeuren de ene keer een liter water aan de kook brengen en de volgende keer een hele zee, maar het verschijnsel en de oorzaak blijven gelijk. En dit voert ons tot het idee van de spiraal der gebeurtenissen.
De spiraal der gebeurtenissen houdt dit in: wat eenmaal heeft bestaan, wordt door de verplaatsing van evenwicht in het Al steeds weer verschoven.
Die verschuiving kan plaatsvinden in een kleine kring en ze kan plaatsvinden in een grote kring, maar eens zal dat verschijnsel weer binnen ons kenvermogen komen; dus voor ons weer bewust bestaan. Voor onszelf betekent dit, dat er kan worden gesproken van een eeuwige herhaling van invloeden, maar ons eigen bewustzijn verandert. Omdat ons bewustzijn verandert, zullen de beïnvloedingen en mogelijkheden voor ons in elk leven, in elke sfeer voortdurend weer gelijk kunnen zijn, terwijl onze realisatie daarvan en hetgeen wij ermee doen, steeds veranderen. Op het ogenblik, dat wij erkennen deel te zijn van een geheel – dus die hele spiraal a.h.w. overzien – reageren wij niet meer op invloeden van buitenaf. Dat is het ogenblik, dat de mens ‘perfecte bereiking’ noemt, omdat hij dan niet meer bestaat in dit heelal – en waarschijnlijk zelfs niet meer in dat andere heelal, dat weten we niet zeker – maar zijn bewustzijn, nu rustend, bestaat wel voort. Dit is de toestand, die dicht komt bij hetgeen men in bepaalde vormen van Boeddhisme en Hindoeïsme Nirwana noemt.

Dit zijn allemaal conclusies, die heel wat verder voeren dan u denkt. Om dit duidelijk te maken wil ik één voorbeeld geven:
Wij hebben de wereld. Die wereld bevindt zich onder de toenemende invloed van Aquarius. Die invloed van Aquarius betekent o.m. een grotere ruimheid van leven en denken, een groter gemeenschapsgevoel dat niet is gebaseerd op noodzaak of wet maar op de innerlijke behoefte. Het betekent verder, dat de wereld een groot gedeelte van haar oude ideeën en instellingen afschudt. Aquarius is nl. in vele opzichten zelfs ook technisch een vernieuwer. Op het ogenblik dat dit gebeurt, is er een andere planeet, die onder een andere invloed komt. Laat ons een voorbeeld nemen: hij komt onder de invloed van de Leeuw (Leo). Nu is Leo heerszuchtig en kan negatief zelfs naar het tirannieke neigen, dat weet u ook. Stel nu eens dat, dat tirannieke in die andere wereld, die op het ogenblik in de kosmische verhoudingen de balans met uw eigen wereld heeft, niet geheel wordt doorgezet. Dan is er hier geen sprake van een absoluut resultaat; de uitstraling vergt dus dat het resultaat op aarde minder absoluut is. Je zou denken aan Aquarius met één wereldfederatie, met mensen die geen wetten meer kennen, maar eigenlijk alleen bij onderlinge afspraak en regeling leven. Dat is echter niet mogelijk. Er komen beperkingen.

Nu staat er in die andere wereld een dictator op. Misschien dat het ook de een of andere schilder of behanger is, die illusies krijgt; of een journalist die gangster wordt. Die dingen komen voor. Daardoor ontstaat dáár een kern van negatieve verstoring. De edelmoedigheid van Leo wordt benepen in zijn heerszucht, het tirannieke krijgt de overhand. Dan zal gelijktijdig op aarde, zonder dat daar iemand de directe oorzaak van is, een werking ontstaan, waardoor men meer algemeen moet denken, waardoor men vrijer moet zijn. Dat kan niet anders, anders wordt het evenwicht verstoord. En dat uit zich dus ook in de harmonieën voor de mensen. Dat kleine gebeuren op die andere planeet in een heel ander zonnestelsel, onmetelijk ver hiervandaan, kan ten gevolge hebben dat Jansen en Pietersen, buren die altijd vijanden waren, nu ineens vrienden worden. Ze weten zelf niet waarom. Ze zeggen: “Nu ja, het is dwaas” en ze weten niet eens waarom, ze zeggen “het is dwaas”. “Het is dwaas om vijanden te zijn. Laten we nu een beetje ruimdenkend zijn. Kom, geef elkaar de hand.” Hieruit blijkt dus, vrienden, dat die mensen anders zullen leven; en wel zonder dat hun eigen vrije wil daarmee onmiddellijk iets te maken heeft.

Maar nu de manier, waarop ze het beleven. Wanneer Jansen of Pietersen ieder voor zich zegt: “Wat ben ik een goed mens, dat ik die ander nu vergeef, dat ik goede vrienden met hem wil zijn”, dan is voor hem persoonlijk de zaak negatief. De vriendschap kost hem zeer veel, maar hij bereikt er niets mee. Maar het kan ook omgekeerd zijn, het kan dus zijn dat ze zeggen: “Wat zijn we eigenlijk dom geweest. Waarom was die vijandschap er?” Dan gaan ze dat voor zichzelf rationaliseren. Ze gaan dus voor zichzelf uitzoeken waarom ze vijandig waren. Van de inwerking van buitenaf weten ze niets. Ze krijgen echter een beter inzicht in hun eigen gedragspatroon. Ze weten dus zelf beter wat wel en wat niet aanvaardbaar is voor hun eigen bewustzijn. En het is deze ervaring, die hun innerlijk wezen verandert. Hun bewustzijn verandert en daardoor hun benadering van de wereld. In dit opzicht zijn ze vrij, in het andere opzicht zijn ze voor een groot gedeelte gebonden aan de verschuiving in de kosmos.

Dan heb ik niet zo erg veel meer te zeggen. Ik wil echter nog ingaan op de kwestie van de  incarnatiereeks, omdat we daar een soortgelijk verschijnsel zien.
Ik heb u reeds gezegd, dat een begin- en een eindfase van een bestaan elkaar a.h.w. moeten opheffen, ze moeten gelijkwaardig en tevens tegengesteld zijn. Op dat ogenblik is wat men noemt de levenscirkel volledig gesloten. Nu houdt dat ook in, dat elke onevenwichtigheid, die in een vorige incarnatie bestond bij een mens dus moet worden gecompenseerd. Maar hoe? Dat hoe is nu juist het typische. De mens kan instinctief of bewust of misschien geestelijk proberen bewust dat verleden -de storing die hij daaruit aanvoelt – uit de weg te ruimen. Maar hij kan dat niet, tenzij ook de mogelijkheden van anderen – het geheel verleden en het geheel toekomst – elkaar dus op gelijke wijze ontmoeten. En daardoor zal het vaak gebeuren, dat iemand geen directe z.g. reële, dus in zijn eigen wereld reële compensatie kan vinden voor iets, dat in het verleden is gebeurd. Hij kan dat natuurlijk opvangen door zijn bewustzijn.
De manier, waarop hij leeft en reageert, kan dat voor een groot gedeelte innerlijk herstellen. Aan de buitenkant zal hij zijn doel nooit volledig kunnen bereiken.
In andere gevallen zal de wereld een compensatie afdwingen, omdat het met de verhoudingen van tijdstippen en van tijdswaarden noodzakelijk is geworden en de mens dus gemakkelijker bewust kan worden en gemakkelijker kan compenseren; of hij kan dit onbewust ondergaan. Hij weet dan niet eens, waarom dit gebeurt en hoe het gebeurt, maar het gebeurt; en voor het bewustzijn maakt dit niets uit.

Daaruit mag u nog een laatste conclusie trekken:
Het bewustzijn als zodanig – ofschoon gebaseerd op de energievormen die het Al uitmaken – is niet als een energievorm te beschouwen. Het staat dan ook buiten de waarden die het Al en de sferen in stand houden. Als zodanig is het niet aan de daarin heersende wetten onderworpen. Slechts door de mogelijkheden tot bewustwording kan die afhankelijkheid soms schijnbaar bestaan maar zij is nooit reëel. Het eigen bewustzijn is volledig vrij. Maar de wijze, waarop het bewustzijn tot uiting komt, is gebonden aan de kosmische wetten en is ook  zeer sterk gebonden aan de structurele mogelijkheden van de kosmos als zodanig.
Nu, daar heeft u een aardig brokje. Er zit nog een heleboel aan vast, maar dat hoor ik zo dadelijk wel uit uw vragen. Ik hoop toch wel, dat ik ergens een paar vragen heb aangeroerd, die het u duidelijk maken dat uw positie in het Al nog een heel klein tikje anders is dan u het zich altijd hebt voorgesteld of zoals dat in vele godsdiensten wordt gezegd.

Ik hoop ook dat u zult begrijpen, dat wij wel met kosmische wetten kunnen goochelen, dat we er heel veel mee kunnen doen, maar dat vanuit ons standpunt nooit de volledige werking van de wetten is te overzien, zodat we in oorzaak en gevolg weliswaar oorzaken kunnen scheppen, maar in ons onvermogen oorzaken te scheppen, worden beperkt door de oorzakelijke verhouding die in het Al bestaat.
En zo zijn er meer van die punten. Wanneer u daarover wilt weten en daarover wilt praten, dan zal het mij een groot genoegen zijn na de pauze daarop in te gaan.

Vragen.

  • De wet van evenwicht leidt voor mij tot verwarrende conclusies; b.v. wanneer iemand op deze wereld een goede daad stelt, zou dit voor een ander op een andere ‘wereld’ slechte gevolgen kunnen hebben ter compensatie. Vrede hier betekent oorlog elders. Kunt u dit nog eens toelichten? Ik heb het gevoel dat de wet van evenwicht de basis van onze ethiek aantast.

Dat ben ik – vooral met het laatste – volledig met u eens, tenminste indien u uitgaat van de gevolgen. Maar laten we nu eens een heel eenvoudig voorbeeld nemen: Een man steelt. Hij steelt om daarmee een ander te helpen. Nu is er een politieagent die de dief arresteert. De agent krijgt bevordering, de dief gaat de bak in. Voor de agent: goed; voor de dief: kwaad. Voor de dief ook nog kwaad, want hij kan de ander niet helpen. Dat lijkt ook kwaad te zijn voor die ander. Maar deze wordt nu gedwongen op zichzelf te vertrouwen, hij leert dat inderdaad, dus: goed. En zo liggen goed en kwaad altijd naast elkaar. U kunt nooit iets doen, dat volledig goed of volledig kwaad is. En ik geloof dat, dat de grote misvatting is, waaraan de mensheid laboreert. Men denkt dat men iets zo goed kan maken, dat er geen kwaad meer is, maar men begrijpt niet dat – wanneer je goed te ver doorvoert – het inderdaad alweer kwaad wordt. En juist omdat de mensen dat niet begrijpen, zullen ze die wet van evenwicht altijd verkeerd beschouwen. Want waar het om draait, dat is niet het gevolg elders.

Wanneer er hier vrede is, zal er inderdaad als compensatie elders oorlog zijn; er moet werkzaamheid blijven in het Al, er moet dus een voortdurende tegenstelling zijn. Maar die oorlog elders – die vanuit ons standpunt kwaad is – kan daar juist wel weer iets goeds baren. Dat weten we ook niet. Wanneer wij vrede stichten, omdat wij voelen dat vrede voor ons bewustzijn goed is, dan beantwoorden wij aan de enige maatstaf, die we kunnen hanteren nl. de persoonlijke maatstaf: ons bewustzijn, ons innerlijk ervaren. Want dat is het enige, waarover we baas zijn.

Je kunt proberen iemand te helpen en door die hulp juist de ander misschien in allerhande ellende storten. Dat weet je ook niet. Maar als dat helpen voor jou een behoefte is – het klinkt erg egoïstisch natuurlijk, maar dat is het niet – en je ziet het als het beste, dat je kunt doen en de mogelijkheid, de gelegenheid is er of de intentie, de behoefte, dan doe je dat. Waarom? Omdat je daarmee voor je eigen bewustzijn iets wint, niet omdat je ermee iets voor de wereld wint.
Een mens, die denkt dat hij de wereld kan veranderen, is wel een beetje verwaand, zeker als hij gelooft aan een God. Want dan zegt hij: God heeft de wereld geschapen. Kun je dan zeggen: Nu ga ik Zijn werk verbeteren? Dan kunt u ook zeggen: Dat is Gods wil. Maar dat is een mooie uitvlucht. Neen. Die wereld is goed, zoals zij is. “Zes dagen werkte de Heer. Hij zag dat het goed was. En de zevende dag rustte Hij.”
Als God ziet dat het goed is, dan hebben wij niets meer te doen. Maar wij doen dan ook niet iets voor God of voor de wereld, maar we doen iets voor onszelf, ons persoonlijk bewustzijn, ons innerlijk, datgene wat – met uitzondering van alle dingen die wel gebonden zijn aan de kosmische wetten, de kosmische verhoudingen – onafhankelijk is; wat alleen afhankelijk is van God en dan wel in een vorm, die niet meer overeenstemt met energie zonder meer.  Het ‘ik’ dus, dat kan zijn innerlijke evenwichtigheid vinden. En wanneer die innerlijke evenwichtigheid bestaat, dan is het niet meer nodig, dat vanuit het Goddelijke een compenserende werking op ons wordt uitgeoefend en kunnen wij dus God beseffen, kunnen we ermee identiek zijn, anders niet.

Nu weet ik wel, dat de ethiek inderdaad wordt aangetast. Maar de menselijke ethiek is altijd verkeerd, want zij is gebaseerd op het stelsel, dat wat voor de één goed is, voor de ander ook goed is. Kijkt u eens: Wanneer de één nu suikerziek is en de ander niet en u geeft aan beiden slagroom – slagroom is toch goed – wat is dan het resultaat voor de één en voor de ander? Het goede aan iedereen gelijk met een paplepel toedienen, gaat niet. Wanneer de mensen dat proberen te doen, dan veroorzaken zij daarmede een aantal verstoringen, die misschien elders goede gevolgen hebben, maar die voor henzelf steeds zullen resulteren in steeds groter wordende verwarringen; omdat hetgeen als goed is begonnen, eindigt als kwaad voor het menselijk bewustzijn en daarmee ook vaak voor de menselijke bewustwording.

  • Op vorige bijeenkomsten is gesproken over oorlogsgevaar en de gezamenlijke kracht, die we kunnen ontwikkelen tot positief denken. Hier grijpen we toch ook in?

We proberen in te grijpen. En als ons bewustzijn nu voldoende evenwichtig is – want het is een bewustzijnskwestie; ons denken vloeit voort uit ons bewustzijn, onthoudt u dat en het bewustzijn is onaantastbaar – dan herstellen wij voor onszelf en met elkaar een persoonlijk evenwicht met God en we uiten die God in de wereld. Dat is voor ons goed. Of het voor de wereld als geheel goed is, kunnen we niet zien, we kunnen het aannemen.

  • Dat is toch een desillusie?

Ik geloof het niet, wanneer u goed nadenkt. Want zoveel mensen op aarde zijn altijd bezig iets voor een ander te doen, dat ze er niet toe komen zelf iets te doen. Er zijn zoveel mensen bezig anderen iets te laten doen, dat ze zelf alles nalaten wat ze moeten doen. En dat is nu die verkeerde instelling van de mens: ze willen de wereld verbeteren. Maar je kunt de wereld niet verbeteren, je kunt alleen jezelf verbeteren.

  • Dan verbeter je de wereld toch?

Neen. De wereld verbetert u niet. Want op het ogenblik dat u zichzelf al zoveel hebt verbeterd, dat u innerlijk harmonisch bent, behoort u niet meer tot deze wereld, dan leeft u op een ander vlak waar u dan wel weer past.
Dat zien de mensen niet. Ze denken dat je de mensen als één klas kunt zien. Ze beginnen in de kleuterschool en eindigen allemaal met een doctorsbul of zo iets van een universiteit. Dat is niet waar. De wereld is een klas. En dat wil zeggen, dat wanneer in de eerste klas de kinderen zijn overgegaan – er zijn er een paar blijven zitten – dan begint dezelfde leerstof weer opnieuw. Dat is oorzaak en gevolg. En daarom kun je de wereld nooit verder verbeteren dan het hoogste punt, dat voor die wereld mogelijk is; en daarna begint ze weer aan dezelfde leerstof met misschien andere onderwijzers. Zolang de mensen dat niet begrijpen, zolang ze denken dat ze het in de stoffelijke wereld moeten zoeken en niet in zichzelf, is het fout. En denk nu niet, dat het iets nieuws is, dat heeft u al duizend keer gehoord.

De Boeddha zegt: “Innerlijk ga ik het pad en ik steun mij op de pijlers”. En Jezus zegt: “Het koninkrijk Gods ligt in u”.
Met andere woorden: Uw eigen wezen is de werkelijkheid. Al het andere is een spel van evenwichten.

  • Maar je past jezelf toch aan aan de mogelijkheden?

Je denkt, dat je jezelf naar de mogelijkheden kunt richten en je daaraan kunt aanpassen. In feite is dat niet zo. Want u zult heel veel dingen doen met de beste bedoelingen, die verkeerd uitlopen. U zult soms dingen doen uit zuiver stommiteit, die later blijken juist het enig goede te zijn, dat u had kunnen doen, maar u heeft het nooit kunnen denken.

  • Maar de aanleiding om het te doen, is altijd omdat je denkt dat het goed is. Zo gauw je gaat denken: Het is niet goed, want elders heeft het slechte gevolgen, ontneem je het de basis van het goed doen?

Wanneer ik niet handel, zoals goed is volgens mijn eigen bewustzijn, tast ik mijn wezen aan; dan ben ik niet gelukkig, dan ben ik niet evenwichtig, dan leef ik zelf niet. Daarom moet ik zo leven, dat ik het kan aanvaarden en dat het voor mij goed is. Daaraan kan ik niet ontkomen. Maar wat doet de mens nu? De mens brengt het naar buiten. Hij wil niet toegeven, dat het alleen om hem gaat, want dat klinkt te lelijk. Dus gaat hij zeggen: Ik doe het aan de wereld. Maar hij vergeet één ding: hij kan dit alleen aan de wereld doen, als het beantwoordt aan zijn innerlijk.

  • Maar dat neemt niet weg dat als je goed doet aan de persoon in kwestie, hij ermee gebaat is?

Dat is een opvatting, waarover kan worden gestreden. Het zou ons te ver voeren, als we daarop doorgaan. Maar ik zal u een eenvoudig voorbeeld geven: U wilt een arme donder goed doen. U weet niet, dat hij een drankzuchtige is. U geeft hem fl. 100. De andere gaat een nieuw pak kopen. Hij voelt zich zo chic, dat hij de eerste de beste bar binnenloopt. Hij verzuipt er fl. 50 – ik weet niet, of dat tegenwoordig nog mogelijk is – hij loopt naar buiten en komt onder een sleperswagen.

  • Maar dan doe je geen goed! Dan heb je alleen wat gegeven?

Maar je hebt het gedaan, omdat je dacht die mens daarmee op de been te helpen. Je denkt: Met die fl. 100 kan hij een zaakje beginnen. Hij kan dus weer voort, hij krijgt weer levensmoed.

  • Ja, maar dan ben je genomen geworden!

Dat denkt u.

  • Ja, natuurlijk. Als ik die mens fl. 100 geef om een zaakje te beginnen en hij gaat zich in een kroeg bedrinken, dan ben ik genomen geworden.

Neen. Dan had u uw gift anders moeten inkleden. U hebt echter gegeven volgens uw bewustzijn van wat goed was; u deed het om goed te doen. U zult dan heel vaak zien, dat – wat u doet om goed te doen – anders uitloopt dan u denkt. Dat wil dus zeggen, dat uw begrip van goed niet overeenstemde met het goede – volgens uw opvatting – zoals dat in de wereld bestaat.
Wanneer nu die discrepantie bestaat, kunt u zich zeker wel voorstellen, dat die nog veel verder moet worden doorgevoerd en dat de mens dus moet uitgaan – ook al tast dat dan de moraal aan en alles wat u verder wilt – van het ene standpunt: ik moet zó leven, dat mijn leven voor mij aanvaardbaar en goed is; dat mijn handelen voor mij goed is. Dat is het enige, dat geldt. En dat is het enige dat buiten dit Al ligt. In elke sfeer, in elke wereld zijn de maatstaven, die worden gehanteerd, variabel en is er nooit een absolute zekerheid te vinden. Er is maar één zekerheid en die ligt in jezelf, omdat je zelf buiten de verhouding van het Al staat. Dat heb ik ook in mijn inleiding duidelijk genoeg laten uit komen.

  • Wanneer hier een oorlog elders een vrede doet ontstaan, ben je geneigd te zeggen: Vecht nog wat door, want het wordt gecompenseerd.

Omdat u de verhoudingen verkeerd stelt. U stelt nl. oorlog en vrede in de zin van geweld en geweldloosheid, maar dat is lang niet zeker. Er is een evenwicht. En dat evenwicht bestaat in kosmisch opzicht. Een oorlog is dus een benadering van het chaotische; en vrede is een benadering van de vorming. Dan kan dat chaotische duizend-en-één verschillende gezichten hebben en ook dat vormzoekende. Maar de waarden ervan zullen elkaar steeds moeten compenseren. En zolang u dat niet kunt begrijpen, zult u inderdaad erg abstract gaan denken en zeggen: Als we elders nu maar een beetje oorlog maken, krijgen we hier vrede.  Nu ziet u hoe gevaarlijk het is een voorbeeld te gebruiken, omdat elk voorbeeld dat ik hier gebruik één van een miljoen mogelijkheden is: verhoudingsmogelijkheden, evenwichtsmogelijkheden, compensatiemogelijkheden.

Daarom zou ik zeggen: Denk daar niet aan. Het is uw taak om hier te streven naar datgene, wat voor u goed is, wat in uw wezen en bewustzijn goed is. In dit opzicht is vrede geloof ik wel bijzonder goed en daarom moet u naar vrede streven. Niet omdat die vrede hier de aarde verbetert  – daar weet u niets van, of dat werkelijk waar is – en ook niet omdat die vrede ergens anders oorlog kan betekenen, want dat weet u ook niet zeker. Het enige, dat u zeker kunt weten is: dit is voor mij aanvaardbaar, dit is voor mij goed. En dat betekent, dat u vanuit uzelf – met uw innerlijk bewustzijn dus – moet volbrengen. Dát is de maatstaf. Die maatstaf zult u door vele van mijn collega’s en broeders en ook wel eens door mij hebben horen aanleggen. U hebt horen zeggen: Stel je toch niet zoveel voor van allerhande regels en van morele dogma’s en stellingen. Ga uit van dat, wat voor jezelf goed is. Nu begrijpt u misschien waarom dat is gezegd.

  • Kunnen wij nog van verantwoordelijkheid spreken waar zoveel onbekende invloeden en kosmische wetten ons doen en laten regeren?

Van verantwoordelijkheid tegenover het geheel zou ik niet graag spreken. Maar een mens is altijd verantwoordelijk tegenover zichzelf. Wanneer je meent te hebben gefaald, dan zul je dit als een zeker lijden ervaren; d.w.z. in je bewustzijn ontstaat een zekere onevenwichtigheid; en die compenseer je dan vaak door dingen als leed te gaan zoeken en te ondergaan, waar het helemaal niet nodig is. Met andere woorden: wanneer een mens dus faalt, dan faalt hij niet tegenover de wereld maar tegenover zichzelf; en als gevolg daarvan gaat hij zichzelf bestraffen. Dit is geen psychologie of iets dergelijks, maar het is een logisch gevolg. Ik heb gefaald, ik wil het compenseren. Wat is goed? En dan is het idee van de mens: straf. Dus zoekt hij straf. Maar in die straf vindt hij weer geen vrede met zichzelf. Hij komt tot zoveel van het goede willen hebben; en zo leeft hij dus in een uitermate wankel evenwicht of in een voortdurende onevenwichtigheid. Dat betekent voor het ‘ik’ leed, dus schade en ook vaak verminderde bewustwording. En dat moeten we voorkomen.
Wij zijn tegenover onszelf voor onszelf aansprakelijk. En juist omdat dit zo is, zullen wij bepaalde verantwoordelijkheden in de wereld aanvaarden, die in feite niet kunnen bestaan, omdat we niet de middelen bezitten om die verantwoordelijkheid werkelijk te dragen. Maar we zullen doen alsof. We zullen proberen ze te dragen, omdat we alleen op die manier beantwoorden aan hetgeen ons innerlijk als juist erkent.
U ziet, deze vraag ligt wat de beantwoording betreft feitelijk in dezelfde richting als de vorige.

  • Als we de omstandigheden in ons leven niet zo geheel kunnen beheersen, als sommige stromingen wel eens beloven, is dan een levenshouding van aanvaarding niet het enige alternatief, dat ons rest? En rijst hierbij niet het gevaar fatalistisch te worden, zoals met vele mensen het geval is, die zeggen: “God wil het” en dan a.h.w. passief berusten?

Zolang voor het innerlijk die berusting, die aanvaarding nog aanvaardbaar blijft, ja. Maar wat is het eigenaardige? We zien mensen, die iets fatalistisch aanvaarden, omdat het de wil Gods is, het is zo vastgelegd in de sterren, het is mijn karma, maar die – wanneer het iets te ver gaat – ineens in opstand komen. En juist die opstandigheid is dan het grote gevaar. De aanvaarding door te voeren, zodat men alles aanvaardt, zou goed zijn. Het zou een perfecte evenwichtigheid in het ‘ik’ tot stand brengen. Maar die aanvaarding ligt nu weer boven de mogelijkheden van het doorsnee wezen op het vlak van menselijk bewustzijn. En daarom mag je dat dus niet doen.

Je moet voor jezelf streven, maar je moet erkennen dat onontkoombaarheid bestaat. Je erkent dus, dat je eerst moet bewijzen of iets onontkoombaar is; en dat doe je alleen door te streven. Maar wanneer het ondanks alle streven ontstaat, moet je aanvaarden. Dan pas heb je de juiste houding, die voor je bewustwording de beste is en waardoor je bewust of onbewust de kosmische wetten – het meest juiste dus – in het spel brengt. Dan wordt dat goed en worden de kosmische wetten voor jou iets, waaruit je bewust wordt verrijkt.

Maar door een aanvaarding zonder meer – een bij de pakken gaan neerzitten – ontstaat op den duur een innerlijke revolutie, een onvrede, die dan is gericht tegen de imaginaire God en niet tegen de werkelijke God, die je dit alles aandoet, terwijl ergens in je de vraag rijst, of je het toch niet had kunnen voorkomen. En dat is juist uw onevenwichtigheid.
Naarmate u verder komt en vrijer van de stof komt te staan, speelt de vraag: Had ik niet anders kunnen doen, had ik dit niet kunnen bereiken, had ik dit niet kunnen voorkomen? een grotere rol. En wanneer je dan moet erkennen: Ik heb alle middelen gebruikt, dan ga je vanzelf vaststellen: Hé, dit is een kosmische relatie. Maar zolang je die vaststelling niet hebt, is het een onevenwichtigheid, dan moet je compenseren. Daar komt de reïncarnatienoodzaak voor de mens uit voort. Ik wil niet zeggen, dat die lichamen anders ook niet geboren zouden worden, maar er zou een ander bewustzijn incarneren.

  • Voor de bewuste mens moet dus de wetenschap, dat het tijdperk van Aquarius voor ons een geestelijk prettiger en ruimer klimaat schept, maar het daarentegen in een ander heelal een benepener en vooral gebondener tijdperk inleidt, een onaangename ervaring zijn. Want als we dus streven naar een kosmisch bewustzijn, zijn we ook mede verantwoordelijk voor andere bewustzijnsvormen dan die we alleen hier kennen. Of begrijp ik dat verkeerd?

Ja, dat begrijpt u verkeerd. Nu moet u eens luisteren. Kent u die andere bewustzijnsvormen? Neen. Staan die andere bewustzijnsvormen onder de invloed van Aquarius? Neen. Want als tegenpartner van Aquarius heb ik Leo gesteld, maar het zou evengoed een andere kunnen zijn. Het is dus een andere invloed. Nu moet u het zo stellen:
Voor de vorming van die andere bewustzijnsvorm is de invloed Leo net zo noodzakelijk als voor u de invloed Aquarius. Door dus deze geestelijke vrijheid hier te beleven, benadeelt u de andere niet, omdat daardoor gebondenheid ontstaat. Dit is een kosmische werking. Wanneer hier het bewustzijn van de mensen op Aquarius juist reageert en dáár op Leo juist, dan zullen zij even goed en snel bewust worden en daardoor zich meer vrij maken van een persoonlijk zich gebonden voelen aan omstandigheden, condities, regels, wetten, werelden, die dus niet beantwoorden aan hun persoonlijkheid.

En daar krijgen we nu het springende punt: Wanneer het bewustzijn groot genoeg is, kiest het zich een wereld in overeenstemming met zijn eigen begrip van goed. Het beleeft dus voor zich het goede, het erkent daarnaast de waarde die het niet kan beheersen en komt ten slotte tot rust zeggende: Ik kan niet beheersen, ik kan slechts de kern van alles aanvaarden. En dan hebben we dus: de mens spiegelt God; God spiegelt de mens. En elkander spiegelend, kunnen ze elkander ervaren en in elkaar opgaan. Dat laat u maar weer buiten beschouwing. U denkt, als wij iets doen, beleeft een ander wat anders.
Nu moet u eens luisteren: Als u de koningin zou uitnodigen om hier op visite te komen, zou u dan zeggen: Het is onze schuld, dat ze niet op de kegelclub in Tytsjerksteradiel is geweest, want daar had ze vanavond ook moeten zijn. Daar denkt u toch niet over na, toch is dat ook zo. U kunt toch niet alle dingen gelijk hebben. De vraag is: Wat is voor u noodzakelijk, wat is voor u goed? Laat de andere factoren dan beslissen. Het is niet uw verantwoordelijkheid of uw schuld dat dit gebeurt. Het is kosmisch. Het is een hogere macht, die beslist.
Maar gebruik datgene, wat u wordt gegeven, de mogelijkheid die u wordt gegeven, de bewustwordingsmogelijkheid zo goed mogelijk. Maak gebruik van datgene, wat uit het kosmisch bestel, uit de kosmische ordening u wordt gepresenteerd, wetend dat de kosmische wetten voor u werkzaam zijn en dat uw bewustwording geschiedt aan de hand van die wetten, maar dat u deze wetten zelf niet kunt hanteren of regeren, zomin als u de kosmische verhoudingen zelf kunt dicteren.

  • Maar je hebt ze te ondergaan.

Ja, dat hoeft u natuurlijk niet te doen. Maar als u zo bewust bent, dat u kunt zeggen: Ik behoef ze niet te ondergaan, dus ik weiger ze te ondergaan, dan zou het heel erg dom zijn, als u zich in de positie zou plaatsen waarbij de vraag: ondergaan of niet nog een rol speelt. Per slot van rekening, ik zou het uitermate stom vinden als een professor in de wiskunde zich zou bezighouden met het ontvangen van lessen in a + a = 2a;  en a x a = a2. Op die manier is het dus ook: wanneer u dit ondergaat, vloeit dit voort uit uw bewustzijn. Het is uw bewustzijn, dat bepalend is voor het ondergaan van invloeden en voor de wijze, waarop u ze ondergaat. Want het erkennen van de  mogelijkheid van deze invloed – dus uw plaats binnen het bereik van bepaalde kosmische evenwichtswerkingen en harmonische werkingen – vloeit voort uit uw bewustzijn. Het aanvaarden of het niet aanvaarden daarvan op een bepaalde manier vloeit voort uit uw bewustzijn. Wat die wereld voor u betekent, vloeit voort uit uw bewustzijn. Maar hoe die wereld is, kunt u niet veranderen.
Nu, ik ben blij dat het iets duidelijker is. Soms voel ik me, als we over deze dingen praten, als iemand die in deze tijd probeert buiten vanille ijs te verkopen; de mensen voelen er niet veel voor. Het tast te veel hun heilige huisjes aan, hun idee van waardigheid en aansprakelijkheid tegenover de wereld. Het is nl. veel gemakkelijker om je aansprakelijk te voelen tegenover de wereld dan aansprakelijkheid te aanvaarden, die je tegenover jezelf hebt.

  • Uit uw rede meen ik op te maken dat we meer worden geleefd dan dat we zelf leven, aangezien ons dingen gebeuren waar we totaal geen invloed op kunnen uitoefenen. Ik vind dat enigszins een desillusie.

Heeft u wel eens in een 8-baan gezeten? Wanneer u in een wagentje stapt, is de baan, die u aflegt plus de botsingen die u krijgt te verduren en andere sensaties, vastgelegd. Of u misselijk wordt of niet, ligt aan hetgeen u voor die tijd hebt gegeten. Of u bang bent of niet, is afhankelijk van de wijze, waarop u zelf staat tegenover deze sensaties. En of u een ongeluk krijgt of niet, zal voor een groot gedeelte afhangen van de wijze, waarop u zich in het wagentje gedraagt. De weg is vastgelegd; de wijze waarop de weg wordt afgelegd, heeft u in eigen handen. Als dat voor u een desillusie is, dan geloof ik dat u zich illusies hebt gemaakt. Want wanneer mensen aannemen, dat ze hun eigen weg volledig kunnen bepalen – dus niet alleen innerlijk maar ook uiterlijk – dan gaan ze dus eigenlijk van het standpunt uit; dat zij het te zeggen hebben. Ik kan de zaak veranderen.
Als u nu weet, dat een vlo in vergelijking tot een olifant een ontzettend wezen is vergeleken bij het halve stukje virus, dat een mens in vergelijking tot die olifant is in de kosmos, dan moeten we er toch wel even anders over denken. Als een griepbacil zegt: “Kom,  ik zal die olifant even op de rug nemen en een eind weg dragen”, dan zeg je: Dat beest is gek. Maar de mens zelf wil het leven gaan veranderen? Hij wil de hele kosmos met alle evenwicht, alle verhoudingen eenvoudig gaan veranderen en aanpassen aan zichzelf? Neen. Het bewustzijn, dàt kan veranderen. Het ‘ik’ kan zich door zijn bewustzijn aanpassen aan de werkelijkheid. Men kan langzaam maar zeker groeien tot het begrip van een goddelijke werkelijkheid; iets, dat dit hele Al met al zijn wetten en evenwichtigheden omvat en waarin men een vaste plaats en betekenis heeft. Dan kan het bewustzijn dit beseffen en gelijktijdig geen deel meer nemen aan dat, wat het volbrengt en toch erkennen wat het is en waarom dit wordt volbracht. En dan is er iets bereikt.

Een mens, die zegt: “Ik vind het een desillusie dat wij in zovele opzichten gebonden zijn en zo weinig invloed hebben, doet me denken aan een restaurateur, die zegt: Hé wat vind ik dat nu vervelend. Ik zou de Staalmeesters van Rembrandt een beetje schoon maken en nu vinden ze het helemaal niet goed, dat ik dat ene gezicht een beetje ga veranderen; en toch vind ik dat het veel beter zou staan”. Wie te veel wil veranderen aan de waarde van het leven, ontkent de juistheid van werken van de Schepper van dit alles.

  • Wat je bent, dat heb je toch aan jezelf te danken, aan je karma, aan je oorzaak en gevolg. Dat heb je toch zelf geschapen. En nu gaan er dingen gebeuren, waar je helemaal buiten staat.

Dit geldt voor uw bewustzijn. Uw bewustzijn kiest dus een mogelijkheid tot bezieling in een bepaalde, vastgelegde verhouding van gebeurtenissen. Binnen die vastgelegde verhouding van gebeurtenissen kan de eigen ervaring en de eigen reactie nog een zekere vrijheid hebben. Maar laat ik het nu heel eenvoudig zeggen: Er is hier een vlieg. Die vlieg moet worden doodgeslagen. Nu staat er niet vast, wie uit deze kring dat zal doen. Maar dat ze hier op dit ogenblik doodgeslagen zal worden, staat wel vast. Nu kunt u dierenbeschermer zijn, maar u kunt niet voorkomen dat die vlieg de laan uitgaat. Het is dus niet mogelijk, dat u het gebeuren verandert, maar u kunt uw aandeel en uw bewustzijn t.o.v. het gebeuren wel degelijk wijzigen. En dat is het enige, dat voor u van belang is.

Ik heb hier geprobeerd om het essentiële te behandelen, om een inzicht te geven in de verhoudingen van de kosmos. Dat ik daarmee onwillekeurig een eind afwijk van hetgeen de mensen zo graag denken en dat ik de belangrijkheid van de mens, de vrijheid van de mens, zoals we die beperkt wel degelijk erkennen en zoals wij u die ook leren, buiten beschouwing moet laten, omdat het ‘Grotere’ hier voornamer is en regeert, dat moet u me niet kwalijk nemen. En dat moet u ook niet zien als een desillusie. Dat moet u alleen maar zien als een beschrijving van de motieven van het leven. Wanneer je weet, dat het zo is, dan kun je je daaraan gemakkelijker aanpassen, kun je gemakkelijker leven vanuit je eigen bewustzijn. En wanneer je dat doet, kun je o.m. gemakkelijker beantwoorden aan de vrije invloeden van Aquarius en aan de werkelijke mensenliefde. En dan kun je gemakkelijker de neutrale figuur zijn, die niet de één verwerpt en de ander aanvaardt; en kun je dus gemakkelijker bewust zijn.

  • Maar gelooft u ook niet, dat als de wereld onder de Aquarius invloed komt of zoals ze daarvoor onder de Pisces invloed was, dat tevens het tegenwicht hier op aarde ook net zo goed groeit, zoals het tegenwicht van Pisces, Virgo was? En dat het op de andere planeten net zo goed zal gebeuren?

Ja, dat is natuurlijk wel waar. Nu moet u eens goed luisteren: Er zijn natuurlijk overgangsfasen, er zijn tegenstellingen, ook in deze werelden. Maar het geheel van deze wereld heeft een bepaalde tendens. Die tendens is superieur Aquarius; en dan is er geen evenwicht tussen Aquarius en iets anders. Aquarius domineert het werkelijke gebeuren. En zo is het elders ook. Dat de werkingen in Aquarius alleen binnen tegenstellingen tot uiting komen, vloeit weer voort uit hetgeen we zo even hebben gezegd in de inleiding. Maar die tegenstellingen zijn dus niet in zichzelf evenwichtig, maar kunnen alleen evenwichtig worden door een compenserende werking elders in het Al. Het spijt mij. Ik zou u graag uw zin geven, dat dit op aarde allemaal gebeuren kan.

  • U zegt, dat de invloeden van de sterren ons niet gelijktijdig bereiken, doch stuk voor stuk. Maar is het niet zo, dat de invloed van die sterren reeds lange tijd achtereen uitgezonden wordt, zodat ze ons toch wel degelijk gelijktijdig kunnen bereiken. Of zie ik dat verkeerd?

Dit was een voorbeeld. Wanneer het licht van 10 sterren u gelijktijdig bereikt, dan zal tussen het ogenblik, dat het licht door de ster werd georigineerd een zodanige tijdsafstand liggen, dat – rekening houdende met de uitstraling op één tijdsmoment – altijd een verschillend bereiken plaatsvindt; d.w.z. dat de verhoudingen dus ook wel zullen vastliggen in het licht dat ons bereikt, maar dat we een sleutel moeten gebruiken om de beïnvloeding in de tijd vast te stellen. Maar het was een voorbeeld dat ik gebruikte; ik heb het trouwens ook gezegd.  En dit voorbeeld gebruikte ik om u duidelijk te maken wat tijd is. Met andere woorden, ik heb gezegd: “Wanneer het licht van alle sterren ons gelijktijdig zou bereiken, zou het zich in ons opheffen”. Dat doet het licht van sterren niet die de aarde bereiken. Ik stelde dus een conditie, die niet behoort tot het natuurlijke licht. Wel kan het gelden voor bepaalde geestelijke beïnvloedingen, die ook van de sterren kunnen uitgaan. Ik heb gezegd: “Wanneer het gelijktijdig is, dan is het één moment, meer niet”. Maar wanneer het licht van de ene ster tot de andere ons achtereenvolgens bereikt, dan hebben we achtereenvolgende ervaringen. Dit werd in het voorbeeld gebruikt om duidelijk te maken, dat invloeden gelijktijdig ontstaan en ons achtereenvolgens bereiken en dus voor ons de illusie van tijd of van een opeenvolging scheppen, die in het Al niet feitelijk bestaat.

  • Heb ik goed begrepen, dat de duistere sfeer de lichte ervoor behoedt statisch te worden? Zou u hierover nog iets willen zeggen? Ik heb dit tot mijn spijt niet erg goed begrepen.

Er bestaat geen lichte sfeer en er bestaat geen duistere sfeer. Er bestaan alleen bepaalde werelden. Iemand, die innerlijk bewust licht draagt, draagt dat licht overal waar hij ook komt; dus voor hem is er geen duistere sfeer. En iemand, die duister in zich draagt, kan in de meest lichte wereld zijn, hij leeft toch in het duister. Met andere woorden, hier is het bewustzijn de werking. Licht en duister zijn twee namen, die we gebruiken om tegenstellingen aan te geven. Het ene is dus een actieve uitstraling; het andere is een ontbreken ervan. Het ene is een werking, waarin wel uitstraling maar geen absorptie bestaat; het andere is een wereld, waarin wel absorptie maar geen uitstraling bestaat. Tussen deze tegenstellingen treden vele verschijnselen op. En als zodanig zou een lichte wereld niet zonder een duistere wereld kunnen bestaan. Want op het ogenblik dat er geen absorptie is, zal ook geen straling meer mogelijk zijn; de straling zou zich doden in zichzelf, omdat zij niet kan absorberen. Er zou een explosie komen.

  • Maar in de ontwikkeling moet de duistere sfeer toch eens worden opgeheven? Er is toch een eeuwigdurende ontwikkeling.

Waarde vriend, er was eens een zeewezen met handachtige vinnen, dat op een gegeven ogenblik zei: “waarom zou ik in het water blijven?” en het kroop eruit. Tenslotte is een groot gedeelte van die wezens, een hele stam eruit gekropen; dat werden de amfibieën, waaruit zich de reptielen en later de gewervelde zoogdieren ontwikkelden. En dan kunt u zeggen, dat dus de zee niet meer behoeft te bestaan. Maar het is toch: waar ons bewustzijn is, daar leven wij. Als er geen water was, zou het land niet vruchtbaar zijn en dan zou het geen leven kunnen dragen. Als er geen duistere sfeer zou zijn, zou er geen bewustzijn in een lichte wereld mogelijk zijn. Het is niet noodzakelijk dat er nog iemand leeft, die zich in de duistere sfeer bewust is. Maar duister op zichzelf is eeuwig evenals licht.

  • Ik heb bewustzijn altijd beschouwd als een vorm van energie. Volgens uw uitspraak is het dit niet. Maar wat is bewustzijn dan eigenlijk wel? U zei: “We kunnen voertuiglijk niet ontsnappen aan de werking van het noodlot, maar in het bewustzijn wel. Aan welke wetten is het bewustzijn dan onderworpen? Of is dat nergens van afhankelijk?

Het bewustzijn is alleen afhankelijk van de matrix, waaruit alle bewustzijn ontstaat. Met andere woorden, het bewustzijn is altijd een deel van of identiek met – in zijn beste vorm – de bewuste kracht, die het totaal der energetische verschijnselen zo dirigeert, dat daaruit het Al ontstaat.

  • Is bewustzijn identiek met wat wij de ziel noemen?

Niet helemaal. Het bewustzijn is de vorm, die – zichzelf kennende – ontstaat uit de ziel. Maar zolang dat niet identiek is met de goddelijke werkelijkheid, krijgen we iets, dat we geest noemen. Een geest is een persoonlijk bewustzijn, dat niet volledig past in een realiteit en is dus afhankelijk van de wereld. Maar het bewustzijn zelf, waaruit die geest wordt opgebouwd, is niet afhankelijk van de wereld. Met andere woorden: wanneer het bewustzijn zich wijzigt, wijzigt zich de geest. Het is dus niet zo: Wanneer de geest zich wijzigt, wijzigt zich het bewustzijn. Het bewustzijn vormt zich door de geest. Dan kunnen we dus zeggen, dat de geest de vormuitdrukking van het bewustzijn is, zoals deze zich rond de goddelijke kern ontwikkelt. Maar het bewustzijn is de zelferkenning van de goddelijke kern.
Dus de ziel is. Maar op het ogenblik, dat zij weet wat zij is en dát zij is – twee voorwaarden – is zij een volmaakt bewustzijn en gelijktijdig een volmaakt bewuste functie Gods; vandaar dat men zegt, dat God zich spiegelt in zijn schepping.

  • En dan vervalt het begrip geest?

Neen. Ik heb u juist zitten vertellen, dat het níét vervalt. Ik zeg u juist: De geest is de uitdrukking van het bewustzijn. Het is dus de vorm, die het bewustzijn aanneemt, tot het ogenblik dat het bewustzijn zichzelf heeft erkend; dan is het dus niet meer wat wij noemen ‘geest’, dan is het ziel. En dan zegt u: Is het dan geen geest!

  • Ik bedoel: in die laatste fase vervalt het begrip ‘geest’.

Althans, zoals wij dat kennen, vrijwel.

  • Maar hoe is de verhouding tussen denken en bewustzijn? Want denken is iets, waarvan wij de energie wel kunnen meten.

Het gemiddeld menselijk denken is een krampachtige poging om het eigen bewustzijn voor het ‘ik’ zodanig te bemantelen, dat men denkt meer te zijn dan men ooit kan zijn.

  • Met een encephalograaf kunnen we gedachten zien als een uiting van energie.

U kunt met een encephalograaf de uitwisseling van de z.g. zenuwenergie of zenuwelektriciteit tussen de grote hersencellen volgen. Met andere woorden, u kunt niet het denken volgen, u kunt slechts de celactiviteit, die als resultaat van het denken ontstaat of oorzakelijk is voor de realisatie, vaststellen. En dat is heel iets anders dan het denken zelf.

  • Het verband tussen denken en bewustzijn. Het denken valt dus niet zonder energie. Het valt ook niet onder de wetten van energie?

Pardon, denken is niet meetbaar met een encephalograaf zoals u stelde, want daarmee meet u slechts de zenuwenergie.
Het denken zelf is in stoffelijke zin: het denkspoor of de reeks associaties, ontstaan door achtereenvolgens geactiveerde cellen van de hersenen, waardoor in een vergelijking van feitelijke indrukken en van herinneringsindrukken een conclusie wordt gevormd, die niet uit het bestaande alleen is af te leiden. Dat is denken in stoffelijke zin.
Maar het kan ook iets anders zijn en dan is het niet meer te vereenzelvigen alleen maar met een hersenactiviteit. Denken is dan een poging om voor zichzelf een ervaring te omschrijven of tot uitdrukking te brengen; dan is denken dus een realisatie van hetgeen in het bewustzijn aanwezig is.

  • En daar gaat dus de stimulans tot denken van uit?

Ja, het bewustzijn is bepalend voor de graad van denken plus de capaciteiten, die het denkvermogen, het stoffelijke, dat wel meetbaar is, tenslotte zal bezitten. Uw vraag was eigenlijk al beantwoord.

  • Ik had mij haar onvoldoende gerealiseerd.

Dat is ongetwijfeld een kwestie van bewustzijn, die door het denken kan worden aangevuld.

Dan zullen we nu de avond gaan besluiten. Ik mag dankbaar zijn voor de vragen die u heeft gesteld. We zijn vanavond met een klein gezelschap, maar zoals uit vele vragen is gebleken een tamelijk select gezelschap. U heeft zich nl. het essentiële van het onderwerp gerealiseerd in betrekking tot uw eigen denken. U bent dus niet ingegaan op de eigenlijke vragen van de verhoudingen in het Al, de kosmische wetten enz. Neen, u hebt gezegd: Wat betekent dit alles voor mij? Daarvoor ben ik erg dankbaar. Het bewijst weliswaar dat u een zeer persoonlijke en daarom in het voorstellingsvermogen beperkte benadering van het onderwerp tot stand hebt gebracht, maar aan de andere kant houdt het in, dat u zich probeert te realiseren in hoeverre dit uw eigen leven beroert.

Nu is het natuurlijk heel mooi om de abstracte stellingen te verkondigen, zoals u dat hebt gedaan. Deze stellingen zijn voor u abstract, omdat ze niet behoren tot de feitelijke en waarneembare werkelijkheid. Ze zijn echter de basis ervan. Zoals het fundament, waarop het huis rust, onder de aarde verborgen is, is de kosmische structuur en de wetmatigheden, die daarin optreden de basis van de verschijnselen; ook van uw eigen wereld, van uw eigen bestaan. Ik hoop dan ook, dat u me niet kwalijk neemt, wanneer ik nogmaals wijs op het voor u belangrijke punt:
Er is niets in het Al dat u werkelijk kunt beïnvloeden; zelfs geen medemens, geen geest. U kunt slechts een harmonie scheppen, die ook zonder u zou hebben bestaan, maar dan elders of met een ander. U kunt voor uw bewustzijn een band realiseren, die feitelijk is, ook voordat u zich haar realiseert.
U kunt niets nieuws maken, u kunt niets vernieuwen of veranderen in kosmische zin. Maar u kunt zich bewust worden van nieuwe mogelijkheden; en u kunt door deze nieuwe mogelijkheden uw besef, dus uw plaats in de verhouding, de gelijkblijvende verhouding van het Al, wijzigen.

Voor het aardse bestaan zijn die stellingen natuurlijk niet zo buitengewoon belangrijk. Want geloof me, of u nu zo denkt of anders, het leven gaat door. Of u meent, dat u de wereld kunt verbeteren of niet, de wereld zal haar eigen weg blijven gaan en u zult erin moeten blijven streven – daaraan ontkomt u niet – en uw innerlijk leven – hetzij met rationalisatie of zonder dat – uw bewustzijn, uw innerlijke behoefte tot uiting moeten brengen; anders leeft u niet werkelijk. Maar voor uw geestelijk leven kan het misschien wel veel betekenen.
Vele mensen leggen de nadruk op datgene, wat zij voor anderen doen, opdat zij menen daardoor iets te bereiken. Het is toch wel heel goed dat we beseffen, dat het om ons bewustzijn gaat. Want je zult heel snel proberen iets voor anderen te doen, terwijl je innerlijk en in je bewustzijn niet precies weet, hoe of wat. Dan ga je af op algemene stellingen, op dingen die buiten je staan, omdat het zo mooi klinkt of omdat je het emotioneel ermee eens bent. Maar omdat het eigenlijk te vaag blijft, is er geen realisatie. Je stuurt krachten uit en je krijgt nooit iets terug. Je weet niet eens wat je nu wel of niet doet. Misschien is het dan wel een illusie. En dát, dat zult u nu misschien beseffen, moet worden veranderd. U moet uitgaan van uw bewustzijn; maar dan van uw persoonlijk bewustzijn, van uw ‘ik’, dat werkelijk ‘ik’, dat achter alle dingen verborgen leeft.

Dat ‘ik’ tot uitdrukking te brengen op de juiste manier in stof en in geest, met alles wat erbij komt, dat is uw feitelijke taak. En het is uw enige mogelijkheid om uzelf te zijn. God kunt u alleen beseffen en bereiken, wanneer het bewustzijn en niet hetgeen ergens gebeuren moet, voor u belangrijk is.
Ga uit van dat, wat uw belangrijkste en enig reële punt is: het bewustzijn, dat in u leeft. Laat dit bewustzijn bepalend zijn voor al uw doen en laten. Laat dit bewustzijn en de wijze, waarop het de kosmos concipieert bepalend zijn voor uw ervaren. Probeer niet anders te zijn dan u bent, maar probeer u steeds meer bewust te worden van hetgeen u werkelijk bent.
Als u dat doet, vrienden, dan heeft u volgens mij de juiste weg gekozen, de meest prettige, de meest aangename weg en dan is deze avond voor u tenslotte toch nog een vrolijke avond geweest, omdat het u heeft geholpen de weg van de juiste innerlijke vreugde en de juiste zelfuiting te vinden.

image_pdf