Inzicht

uit de cursus ‘Inzicht 2’ (hoofdstuk 1) – oktober 1963

Het begrip inzicht wordt al te veel verward met het begrip kennis. Kennis en inzicht zijn echter twee waarden, die niet van elkaar afhankelijk zijn en niet onmiddellijk met elkaar in verband behoeven te staan. Het beginsel, waarop alle inzicht is gebaseerd, kunnen wij kort in enkele punten uitdrukken.

In de eerste plaats: alle waarderingen – positief en negatief – zijn persoonlijk en betekenen nimmer een definitieve waardebepaling in kosmische zin. Positiviteit en negativiteit van streven of denken kan dus alleen worden bepaald van uit ons eigen standpunt of denken.

In de tweede plaats: alle waarden, die in de kosmos optreden, zijn bipolair. Ze hebben twee polen, die a.h.w. de einden van de werking of van de kracht zelf definiëren. Een eenvoudig voorbeeld:
Licht kan niet bestaan zonder duister. Licht – duister als zodanig is een totaal dat een trilling omschrijft. Is deze trilling aanwezig, dan wordt zij beëindigd door duister (afwezigheid van trilling) en licht (volledigheid van trilling). De kracht waarin de trilling plaatsvindt, is het eigenlijke wezen van het totale verschijnsel.

Als wij dit stellen, is men geneigd te vragen naar de indeling. Men zegt: Hoe moeten wij dan de verschillen tussen licht en duister gradueel indelen? Dit is niet mogelijk. Elke indeling is wederom een willekeurige. Zij vloeit voort uit onszelf en ons denken en kan als zodanig nooit bepalend zijn voor de eigenschappen van het geheel dat wij beschouwen; slechts onze benadering wordt erdoor bepaald. Wanneer ik licht ken, dan zal het wezen van het totale licht mij tevens duidelijk maken wat het totale duister is. Beide eigenschappen zijn geheel gelijk, met dit verschil dat licht absolute trilling, duisternis absolute niet‑trilling of stasis is.

Wanneer u te maken krijgt met een bepaald begrip in uw eigen wereld, dan zult u ontdekken dat er heel veel benaderingen mogelijk zijn. Elk van die benaderingen kan men redelijk verantwoorden. Elk van die benaderingen geeft een ander resultaat. Zolang het feit zelf kenbaar is, zal het deel uitmaken van een bipolair geheel. Wanneer ik het verschijnsel niet interpreteer maar registreer, kan ik aan de hand van het vastgestelde ook weten wat het door mij niet gekende tegendeel inhoudt en betekent.

Hier is dus de spiegeling van waarden betekenend geworden voor erkenning en inzicht. Want elke kennis van een fenomeen of een toestand op zichzelf doet mij de werking en de samenhang niet begrijpen. Heb ik echter enige kennis van één der absolute punten of kan ik mij daarvan een nog zo beperkte voorstelling maken, dan kan ik mij ook het tegendeel voorstellen door een negatie te scheppen voor elk punt, dat daarin door mij als positief wordt erkend en omgekeerd. Het resultaat is, dat ik inzicht krijg niet in het verschijnsel maar in de krachtsverhouding waarbinnen het verschijnsel zich afspeelt. Hiermede heb ik een aanduiding gekregen voor de mogelijkheden, waarbinnen het verschijnsel begrensd is. Ik heb daarnaast een begrip gekregen voor al datgene wat kan bestaan, ook wanneer het niet onmiddellijk kenbaar is. En in vele gevallen zal ik ontdekken dat t.o.v. mijzelf beide tegendelen een gelijke werking uitoefenen. Dit laatste vergt, naar ik meen, een nadere verklaring.

Wanneer ik een bepaalde kracht mentaal gebruik en deze kracht is de factor X verwijderd van mijn normaal bestaan, dan kan deze kracht gelijkelijk voor mij geuit en erkend worden door een zuiver materiële reactie of handeling, die eveneens de factor X is verwijderd van mijn normaal bestaan. U moet dit punt eens overwegen.

De grote basis van het Al is evenwicht. Een evenwicht, dat niet inhoudt – let wel – een stilstand, maar een gelijk blijven van totale waarden bij een verwisseling van deelwaarden. Zolang wij kunnen uitgaan van de gedachte, dat het heelal zichzelf gelijk blijft – ook al wisselen binnen dit Al de waarden en betekenissen – dan komen wij vanzelf tot een inzicht in de wet van compensatie. De wet van compensatie nl. stelt niet slechts dat wat op punt A gebeurt op punt B zijn tegendeel moet vinden, maar het gaat verder.

Wanneer ik weet dat een verschijnsel optreedt, dan weet ik dat gelijktijdig het tegendeel bestaat. Wanneer ik het tegendeel erken, dan kan ik ook de reacties die optreden en de verschuivingen van waarden berekenen, daarbij voor mijzelf voortdurend stellend, dat het geheel der door mij erkende waarden gelijk zal blijven.

Hier heb ik een factor eraan toegevoegd, die niet geheel betrouwbaar is, nl. de door mij erkende waarden. Het totaal der waarden ligt hoger en is groter. Toch kunnen wij ons op deze wijze een zeer vergaand begrip van toestanden verwerven; wij kunnen op deze wijze ook een goed begrip voor onze eigen persoonlijkheid krijgen. Ik geef u een voorbeeld.

Revolutie. Revolutie is opstandigheid, omwenteling. Dan moet daartegenover staan: slaafsheid en een statische vorm. Wanneer wij zien dat opstandigheid zich ergens openbaart, dan kunnen wij ervan overtuigd zijn, dat elders slaafsheid aanwezig is. De opstandigheid kan de slaafsheid niet overwinnen en omgekeerd kan de slaafsheid de opstandigheid niet overwinnen. Zo wij beide punten hebben erkend, weten wij dus wat het middelpunt is, waar de krachten elkaar opheffen. Wij kunnen dan zeggen: De revolutie komt tot stilstand op een bepaald punt. De slaafsheid neemt af en komt ook tot stilstand op een bepaald punt. Dan is de werking, die wij hebben te verwachten: een minder slaafse, maar toch zeker gebonden maatschappij, denkwijze of systeemvorm.

Nu dit alles is gesteld, kunnen wij de kern van onze cursus aansnijden. U hebt in u bepaalde reacties op de buitenwereld, u hebt bepaalde opvattingen en daarnaast een aantal onderdrukte waarden, verlangens, denkbeelden en schrikbeelden. Het één verklaart altijd het ander. Uw feitelijke houding ligt altijd in het middelpunt tussen uw mogelijkheden en uw angsten, kortom, uw duistere elementen. Een mens, die geen angst kent en absoluut onbevreesd is, zal niet vooruitkomen. Een mens die absoluut bevreesd is voor alle dingen, zal evenmin vooruitkomen. In beide gevallen hebben wij nl. een zekere stasis. Een mens echter, die bevreesd is maar tegenover zijn vrees het begrip moed kan stellen, heeft het streven gevonden.

Het streven is voor de mens in deze dagen van buitengewoon groot belang, omdat alles wat hij materieel nastreeft een geestelijke weerslag heeft. Wanneer u streeft naar een wegvallen van elke angst en elke pressie op materieel vlak, dan schept u diezelfde waarde gelijktijdig op geestelijk vlak. Tracht u dit punt geestelijk te bereiken, dan zult u ontdekken dat een materiële nood daaruit voortvloeit. Als u bang bent voor uw leven, voor uw wijze van denken en bestaan, dan zult u proberen uzelf te verwerpen of afstand te doen van uzelf. U kunt daarin nimmer slagen; want hetgeen u innerlijk (dus mentaal of geestelijk) bent en hetgeen u stoffelijk bent, houdt elkaar in evenwicht. Het één kan niet zonder het ander bestaan. En daarmee hebben we een belangrijk punt bereikt.

Het is mogelijk voor elk menselijk probleem een bipolaire waarde te vinden, die niets te maken heeft met de stoffelijke uiting en met het geestelijk tegendeel ervan, maar die bepaalt in welke richting ons streven zich beweegt. Ik geef ook hiervan duidelijkheidshalve een voorbeeld.

Een mens zoekt naar saamhorigheid in stoffelijke zin. Gelijktijdig verwerpt hij de wijze waarop hij deze zoekt en voelt zich geestelijk eenzaam. Nu kan men zeggen, dat deze mens met zichzelf in strijd is; en zolang deze strijd niet in zijn ware betekenis wordt begrepen, zal de mens daardoor onevenwichtig en vaak ongelukkig zijn. Zodra de mens echter begrijpt, dat het hier niet gaat om een vorm van zelfbeleving of zelfuiting in de geest of in de stof en daarentegen een degout heeft van hetgeen hij daarvoor doet, zal hij zeggen: “Kijk, ik streef naar harmonie.” En dan zal hij ontdekken dat de gehele scala van harmonische mogelijkheden, die liggen tussen de uitersten van enerzijds een vorm van bevrediging, anderzijds een vorm van zelfverwerping, het hem dus mogelijk maakt een evenwicht te scheppen, waarbij hij niet meer alleen een bepaald uiterste van uit zichzelf uitbeeldt maar het geheel van het harmonisch beleven, dat voor hem belangrijk is, in zijn leven tot uitdrukking brengt. Zodra dit totaal harmonisch beleven optreedt, is er een eenheid ontstaan, waarbij alle factoren elkaar aanvullen. En dit elkaar aanvullen impliceert weer, dat deze mens dus – bevrijd van de spanningen op dit terrein – ook andere tweepolige waarden in zijn leven met elkaar in overeenstemming kan brengen.

Dit is een enkel voorbeeld, ik zou er meer kunnen geven. Het zal u echter uit dit alles duidelijk zijn geworden, dat het begrip inzicht niet in de eerste plaats kennis vraagt. Het vraagt geen wetenschap. Het vraagt slechts een aanvaarden van een bepaalde toestand en dan het je realiseren dat een absoluut tegengestelde toestand – meestal op ander vlak – daarvan het complement (de aanvulling) vormt.

Na dit te hebben gesteld, kunnen wij nu enkele punten bezien, die bij deze reeks lezingen ongetwijfeld een hoofdrol zullen spelen.

Dan begin ik in de eerste plaats met de geest van de mens, die is gebaseerd op twee factoren. De geest zelf bestaat nl. uit de ervaren harmonie met het Goddelijke (door u vaak vertaald als de sfeer, waartoe men geestelijk behoort) en anderzijds de erkenning van het stoffelijk leven.

Deze beide omschrijven het totaal van de menselijke geest. Elke factor in uw wezen, die met bewustzijn of zelfs onderbewustzijn en bovenbewustzijn te maken heeft, ligt daarin besloten. Men mag deze factoren dus niet tegenover elkaar stellen. Men zegt: Bewustzijn en onderbewustzijn zijn tegengestelden. Dat is onjuist. Bewustzijn en niet‑bewustzijn zijn de polen, daartussen ligt: bewustwording.

Maar spreek ik over de menselijke geest, dan moet ik beseffen dat elke bewustzijnsfase – vanaf het direct erkennen en redelijk denken tot de harmonische waarde toe, die alleen geestelijk bestaat en stoffelijk nimmer redelijk kan worden gerealiseerd – één geheel vormen. Dit is het “ik”, het leefbare ego. Het totaal van deze twee punten omschrijft voor de geest haar eigen activiteit. Ten opzichte van andere waarden, die er in de kosmos bestaan (bv. de geestelijke waarden van een andere mens maar ook het totale lot van een bepaalde wereld, de invloed van meer kosmische krachten of zelfs microkosmische gebeurtenissen), zal de mens als geest een bepaalde richting hebben.

Bipolariteit kan nimmer worden voorgesteld als iets dat alomvattend is. Het beste beeld dat ik u ervan kan geven is een staaf, waarbij de twee einden kenbaar – bv. door een knop of ornament – zijn afgesloten, een zuil die aan twee kanten een kapiteel draagt, een speelkaart die aan twee kanten hetzelfde beeld vertoont. Er is voor de geest geen boven en geen beneden. Laten we dat goed begrijpen. Zij is als geheel. Maar als geheel neemt zij t.o.v. het andere een plaats in. Er is voor haar dus een richting van streven en van niet‑streven. Er is voor haar een erkenning (de richting, waarin zij zich a.h.w. beweegt, waarin zij zich uitbreidt) en een niet‑erkenning (de aangrenzende werelden, die voor haar onkenbaar blijven).

Hiermee heb ik u misschien een wat zware opdracht gesteld, want ik ben mij ervan bewust dat mijn formulering, hoewel volledig juist, niet voor allen even eenvoudig te begrijpen is. Wij moeten echter uitgaan van het standpunt, dat de mens, die wil beseffen, ook zal trachten zich een voorstelling te maken. Voor de mens bestaat er nl. geen bewustzijn zonder voorstelling. Waar geen voorstelling is, is geen realisatie mogelijk. Alleen gevoel kan zonder voorstelling worden gerealiseerd. Maar dit betekent gelijktijdig, dat gevoelswaarden nimmer aan visuele of menselijk waarneembare waarden gebonden zijn, maar een geheel eigen scala kennen.

Hoe moeilijk het dus voor u is om dit alles te ontcijferen, ik zou u toch willen verzoeken daaraan aandacht te besteden. Want een mens, die in deze tijd leeft als geest, heeft zijn eigen gerichtheid; en deze gerichtheid wordt bepaald door het geestelijk doel dat in hem ligt; of zo ge wilt: door zijn hoogst geestelijk bereiken en zijn uiting in de materie ofwel zijn stoffelijk bereiken in overeenstemming met de geest.

Voor de geest zal geen enkele waarde in de materie tellen, die niet met de geest harmonisch is. Door onze gerichtheid hebben wij te midden van een wereld, waarin vele invloeden optreden, een zeer beperkte mogelijkheid van bereiken. Wij kunnen alleen voorwaarts gaan in die richting, waarin ons hoogst geestelijk bewustzijn ons a.h.w. drijft. Wij kunnen daarbij dit bewustzijn niet, zoals men veelal aanneemt, onbeperkt uitbreiden. Waar het geestelijk bewustzijn wordt uitgebreid moet de stoffelijke ervaring worden uitgebreid; en zelfs dan vindt geen absolute uitbreiding plaats, maar eerder een verplaatsing van eigen bewustzijnsmogelijkheid.

Wij kunnen het ook wat eenvoudiger formuleren. Op het ogenblik dat de mens in zich een besef draagt en dit besef tot uiting brengt, heeft hij gelijktijdig een impuls geschapen, die zijn hoogste besef vergroot. Is het hoogste besef vergroot, dan zal er wederom een impuls voor stoffelijke uiting ontstaan. Zo lijkt de ontwikkeling van de mens voor ons denken op de slinger van een pendule, die telkenmale een maximale uitslag naar de ene nodig heeft en terug zwenkend naar de andere zijde pas het uurwerk in beweging stelt. Tussen de uitersten leeft u. Alles, wat in de gang tussen deze uitersten optreedt, is op zichzelf niet belangrijk. Het is slechts het momentum, waarmee voor ons het nu belangrijke punt wordt gerealiseerd of niet wordt gerealiseerd.

Een moderne mens zal zich trachten te realiseren ondanks de maatschappij of dankzij de maatschappij. Twee mogelijkheden. Probeert men zich te realiseren dankzij de maatschappij, dan blijkt echter dat de gerichtheid van de maatschappelijke ontwikkeling niet volledig identiek is of parallel loopt met de eigen ontwikkeling. Op het ogenblik, dat men die maatschappij volledig verwerpt, blijkt dat men – door a.h.w. een kruis te maken van de maatschappelijke ontwikkelingen, die men met de eigen ontwikkeling wil doorkruisen – eveneens voor zich de onmogelijkheid heeft geschapen om juist te reageren. De houding in de moderne tijd is dan ook wanneer ze juist is noch sociaal noch asociaal. Zij is heel gewoon een persoonlijke, met een erkennen der sociale ontwikkeling. En dus zal elke reactie op een verschijnsel in de maatschappij eveneens een persoonlijke blijven.

Deze persoonlijke reactie is dus nooit van belang voor hetgeen wij in wereld bereiken. Men denkt dit wel, maar dat is niet waar. Het is slechts voor het momentum dat wij innerlijk bereiken (dus voor het geheel van ons wezen) van belang, dat wij in onze ontwikkeling de impuls wereld of maatschappij nimmer als een remming maar zoveel mogelijk als een stimulerende werking leren beschouwen. Ons wezen, zeker als mens in de stof, dient te worden gestimuleerd door de waarden van onze wereld, zonder dat de eigen gerichtheid van dit wezen daarvan volledig afhankelijk is.

De menselijke geest is moeilijk te omschrijven. Wanneer ik zeg: Ze is een trilling, is dat slechts ten dele waar; ze is ook een kracht. En behalve een kracht en een trilling is zij bovendien nog materie in alle schakeringen van zuiver materiële energie tot vastgevormde materie toe. Ik kan daaraan niet ontkomen. En binnen deze tegenstellingen bestaat er iets, dat wij ego noemen. Dat dit ego vele waarden omvat, is interessant en soms voor een begrip van ons eigen wezen belangrijk. Maar voor ons inzicht in eigen persoonlijkheid en voor ons inzicht in de wereld waarin wij leven, is dit alles niet van belang.

Ik heb een kracht. Wanneer ik die kracht stoffelijk niet uit, dan kan ik haar geestelijk niet uiten. Wanneer ik haar geestelijk niet uit, kan ik haar stoffelijk niet uiten. Voor mijn persoonlijkheid is het dus noodzakelijk, dat ik elke kracht, die ik geestelijk bezit of erken, eveneens in de materie tot uiting breng, bezit of erken.

Nu wij hebben gesproken van de geest, zullen wij ook moeten spreken van de wereld.

Een wereld bestaat altijd uit twee waarden: de feiten en de gedachten; of zo men wilt: de waarheid en de waan. Men meent vaak dat men deze van elkander kan scheiden; dat men de waarheid kan kennen en gelijktijdig de waan kan ontkennen. Dit is niet mogelijk. De wereld, waarin wij leven, strekt zich immers uit tussen de thans gerealiseerde toestand (de werkelijkheid) en onze interpretatie daarvan (de schijntoestand, die wij ons voorstellen). Wanneer wij één van deze waarden terzijde stellen, leven wij niet meer in die wereld en hebben wij als persoonlijkheid, noch voor onze geestelijke bewustwording, noch voor ons stoffelijk bewustzijn en ervaren iets te gewinnen uit die wereld. Slechts een aanvaarding van de wereld in haar twee facetten (werkelijkheid en waan) schept de mogelijkheid om met die wereld te werken, om er iets wijzer van te worden. En dat betekent dus ook, dat je een wereld, zoals je die kent en beleeft, moet proberen te scheiden in datgene wat je denkt van die wereld en datgene wat je erkent van die wereld.

Dit is moeilijk. Maar door de tegenstellingen (het feit, dat ik direct ken en ervaar en het denkbeeld dat ik in mij draag) tegenover elkaar te zetten, ontstaat er wederom een ruimte, waarin mijn handelingsmogelijkheden zijn gelegen. Ik kan nimmer alleen op de werkelijkheid reageren of handelen. Een werkelijkheid onderga je of onderga je niet. Alleen aan de hand van een waan kan ik niet werken, omdat deze waan – niet in overeenstemming zijnde met de werkelijkheid – mij dan tot een absolute vervreemding van alle feiten voert. Zodra ik echter mijn waan, mijn illusie, mijn begoocheling erken als mijn drijfveer bij mijn aanvaarding en verwerking der werkelijkheid, realiseer ik mij echter ook wie en wat ik ben en wat ik doe. Dat laatste wekt een kleine reactie. “Wie en wat ik doe.”

Een mens leeft nimmer alleen. U denkt dat misschien. U voelt zich misschien eenzaam. Maar in uw wereld bestaat er voor u altijd een tegendeel. Dit tegendeel is niet een persoonlijkheid, maar het is a.h.w. een functie. Om het heel eenvoudig te zeggen: De mensheid kan alleen bestaan, doordat zij bestaat uit twee polen: man en vrouw. Maar op het ogenblik dat men één van de polen ontkent, bestaat het menselijk ras niet voort. Het bestaan van de polen op zichzelf geeft geen definitie van de perfecte mens (de perfecte hermafrodiet, zoals men wel zegt), maar geeft steeds weer het aanzijn aan man of vrouw. De begrenzing mensheid binnen de polariteit der seksen blijft zichzelf gelijk; en door deze polariteit is het menselijk leven en daarmede de menselijke bewustwording mogelijk. Op het ogenblik, dat wij één van die factoren ontkennen, ontkennen wij dus in feite het menselijk leven.

Ditzelfde geldt overal. Wanneer men in een wereld de illusie of de waan terzijde stelt om alleen de werkelijkheid te aanvaarden, dan heeft men a.h.w. het vruchtbaarmakend element uitgeschakeld uit zijn bestaan. Waan en werkelijkheid moeten beide zo goed mogelijk beseft worden, maar gezamenlijk dienen ze niet om te komen tot absolute werkelijkheid of absolute waan, maar tot een actie die ons wezen tot uitdrukking brengt; die onze innerlijke voorstelling a.h.w. ent op de werkelijkheid en daaruit een nieuwe werkelijkheid, maar ook een nieuwe waan geboren doet worden.

Nu we de wereld hebben gehad, moeten wij komen tot een derde en – wat deze inleiding betreft – laatste deel van het betoog, nl. God.

De tegenstelling tussen God en niet‑God of God en duivel beheerst een groot deel van het denken van menig mens. En ook zijn emotioneel leven is over het algemeen – of hij dit toegeeft of niet – gebaseerd op die twee punten.

God is het absolute zijn ofwel de bevestiging van bestaan.
Duivel of niet‑God is de absolute chaos, de ontkenning van bestaan.

Wanneer wij deze beiden tegenover elkaar stellen, ontstaat er dus voor ons de mogelijkheid om een vorming enerzijds te bereiken, maar ook om niet‑gewenste vorming teniet te doen. Menigeen vergeet dat de demon van heden de God van morgen kan zijn en omgekeerd. Want het is wat wij willen bereiken, dat bepaalt hoe en op welke wijze wij God zien, aanvaarden en voor onszelf verwezenlijken. Er is zelfs een eis, die wij hier absoluut mogen stellen: wat voor ons in de verhouding God – wereld God – mens belangrijk is, is nimmer het wezen Gods of het wezen van de mens, maar de relatie tussen beiden, die ons de ontplooiing van onze mogelijkheden geeft.

Elk geloof beweert u iets te kunnen geven, dat u niet hebt; u een zekerheid te verschaffen, die voor u niet bestaat. Op zichzelf is dit van uit menselijk standpunt bezien praktisch imaginair. De verhoudingen tussen goed en kwaad, beloning en straf maken een belangrijk deel uit van elke godsdienst. Begrijp goed dat dit een uitdrukking is van het menselijke. God is voor de mens identiek met loon, met verwerving. Wanneer ik wil verwerven, moet ik dus naar God toe. En datgene wat mij de verwerving verzekert, is God. Geen absolute God, ofschoon er één bestaat, maar die is onkenbaar. Maar een God, die door onszelf wordt bepaald; en een duivel, een duisternis, die ook door onszelf wordt bepaald. Hoe vager beiden zijn, des te gemakkelijker men als mens leeft en zichzelf vervult. Aan de andere kant: hoe scherper beide tegenstellingen zijn gedefinieerd, des te gemakkelijker voor de mens het onttrekken van krachten aan wat hij het Goddelijke noemt, maar wat in feite slechts de realisatie is van zijn harmonische binding met het Al mogelijk wordt. En daarom zullen wij in onze wereld niet met God kunnen afrekenen en zullen wij Hem ook niet kunnen verklaren de Enige te zijn.

Er is één God; maar geen enkele God is de enig ware God. Wij zoeken naar datgene wat ons in staat stelt onszelf te zijn tussen stof en geest op een zodanig harmonische wijze, dat onze persoonlijkheid een ontwikkeling ondergaat en gelijktijdig in geest en stof het element evenwicht of vrede meestal afwisselend tot stand komt. Zo zal een inzicht in jezelf en in de wereld ongetwijfeld niet stilstaan bij een erkenning van een vage God. Wat ik God noem is niets anders dan de bevestiging van mijn erkend streven, niet van mijn niet‑erkend streven. Wat ik demon noem is al datgene wat mijn erkend streven tegenhoudt.

Zodra ik heb erkend, dat ik zelf bipolair ben en dat ik als zodanig twee factoren van belang gelijktijdig bezit, waarbinnen mijn ego kan bestaan, zal ik een begrenzing God – duivel niet meer zien als een nadelige beïnvloeding van uit de kosmos, maar zal ik beide beïnvloedingen kunnen aanvaarden; en zelfs beseffen dat ik uit beide krachten kan putten, indien ik in mijzelf de evenwichtigheid maar in stand weet te houden. Niet wat God is of wat de duivel is of mij aandoet is belangrijk, deze dingen zijn in feite weer een deel van de waan en hier en daar een deel ook van de werkelijkheid.

Neen, belangrijk is de wijze waarop ik – uit wat ik God of demon noem – voor mijzelf de kracht trek om de uitersten van mijn wezen voortdurend aan mijzelf te bewijzen en gelijktijdig in de speelruimte daartussen mijzelf tot uitdrukking te brengen.

Ik meen hiermede een inleiding te hebben gegeven op het totaal van een cursus, die in deze tijd inzicht wil brengen. Ik hoop, dat men zich de moeite zal getroosten om deze formuleringen na te gaan. Ze zijn niet zo ingewikkeld als u denkt, maar ze zijn soms in strijd met wat u zou willen denken. Onthoud, dat uw verzet tegen hetgeen door mij werd gesteld een bewijs is, dat het in u aanwezig is. Hetzelfde geldt voor een vreugdige erkenning ervan. Slechts wanneer het u onverschillig laat, maakt het geen deel uit van uw wezen en kan het rustig terzijde worden gelegd.

Esoterisch – exoterisch

Een tegenstelling, die bij heel veel mensen de indruk wekt oppervlakkig te zijn tegenover innerlijk verdiept. Maar als wij ons realiseren wat de kern der esoterie is, zullen wij onze zienswijzen hieromtrent geloof ik wel moeten wijzigen. Want waarlijk esoterisch streven is streven naar bewust zijn van jezelf, naar een zelfkennis, waarin je jezelf begrijpt; en ik geloof niet, dat je dit kunt doen zonder gelijktijdig ook jezelf te uiten in de waarheid van je eigen wezen, zodat het exoterisch geheel alleen verantwoord kan bestaan op esoterische grondslag, maar een esoterisch bereiken alleen op basis van een exoterische beleving, een waarneming of een uitdrukking op verantwoorde wijze tot stand komt.

Nu heeft men in de esoterie zeer vele leerstellingen. Wij worden bv. geconfronteerd met systemen als die der theosofie, de rozenkruisers leer, de kabbalistische levensstellingen. Wij zien de brahmaanse opvattingen en al deze tezamen, nog aangevuld met Chinese en natuurlijk ook andere leerstellingen, vormen een verwarrend geheel.

Wanneer wij bij een Rozenkruiser komen, dan zal hij zeggen: “Mijn weg is de enig juiste.” Komen wij terecht bij een Theosoof, dan zegt hij: “Onze waarheid is de grootste.” Een Antroposoof zegt: “Neen, wij hebben de waarheid groter en levender gemaakt.”

Deze wijze van denken en realiseren, juist wanneer het ook de innerlijke waarden betreft, is dus altijd afhankelijk van het systeem, dat men volgt. En kan men zich volgens een systeem innerlijk bewustworden? Het is misschien gevaarlijk daarop te ver in te gaan. Maar op het gevaar af, dat sommigen van u zich verontwaardigd tot mij zullen richten, wil ik toch enkele beschouwingen hierover geven.

In de eerste plaats: De loop van de ziel is er één die gaat van het hoogste licht, afdalend tot het diepste duister en weer stijgend tot het hoogste licht. Daarbij passeert zij verschillende sferen, waarin zij al dan niet bewust is. (Dat is een stelling van de Rozenkruisers.)

Maar is deze kringloop op zichzelf voldoende? Kan men niet evengoed of zelfs juister zeggen: Er zijn fasen in ons bestaan die wij beseffen. Er zijn fasen in ons bestaan die wij ondergaan. En er zijn fasen in ons bestaan die wij innerlijk aanvoelen. En al deze fasen zullen doormaken; en wel van God tot demon en van demon tot God. Dan moet mijn wezen God en demon mede omvatten, zelfs indien mijn wezen zelf zich daarvan niet bewust is. Want ik kan niet in verschillende bewustzijnsvormen door het Al reizen zonder dat mijn totaal wezen deze inderdaad bezit.

En daarmede is de stelling, dat dit de werkelijke kringloop van de ziel is, al tenietgedaan. Want ik reis niet buiten mijzelf, ik reis in mijzelf. Steeds nieuwe aspecten van beleving, van denken en van realisatie worden deel van mijn persoonlijkheid. De taal die de wereld rond mij tot mij spreekt, is steeds een andere. Soms versta ik haar, soms versta ik haar niet. Maar ik kan haar verstaan, omdat ik deel ben van een groot geheel, waarin elke taal voor mij begrijpelijk moet zijn. Zo is onze innerlijke bewustwording niets anders dan een leren van talen. Maar zelfs indien ik alle talen ken, blijft mijn cirkelgang verdergaan. Ik zal nog steeds van het hoogste licht afdalen naar het diepste duister en omgekeerd; en dit kan niet de bedoeling zijn van ons leven. Het is niet zo, dat de eindbestemming van ons bestaan alleen maar een voortdurend gaan door de sferen kan zijn. En daarom is dit esoterisch inzicht op zichzelf niet voldoende. Alleen indien het een doel vervult in de buitenwereld, kunnen wij zeggen: Ja wanneer er een relatie wordt opgebouwd, die niet afhankelijk is van hetgeen in onszelf is bevat, zal ons wezen zich op de duur vervullen in alle werelden. En zodra wij het brandpunt worden, waarin alle werelden samenkomen, behoeven wij niet meer te stijgen.

De esoterische bewustwording is niet het afscheid nemen van werelden, maar het is het samenvoegen van alle werelden in het eigen “ik” tot één geheel, waarbij dan de kringloop inderdaad wegvalt.

Wat dus de Rozenkruiser omschrijft in dit deel van zijn stellingen – want er zijn er natuurlijk veel meer – is in feite een weergeven van het Rad des Levens. En dan wordt juist gezegd, dat de mens op zijn weg naar het leven altijd hemel en hel passeert.

Gaan wij naar de Theosofen, dan ontdekken wij dat hun stelling eerder voert tot de erkenning van de Spiraal des Levens, waarbij een voortdurende herhaling van invloeden ons innerlijk rijper maakt en elk beleven vollediger, intenser en juister wordt, totdat wij afstand kunnen doen van alle dingen.

Maar een spiraal is ook niet alleen de weg waarlangs wij reizen. Het is ons wezen, waarin wij dus in een kringloop voortdurend hetzelfde opmerken en zo komen tot een middelpunt. Maar zolang dat middelpunt ons niet een aanrakingspunt geeft met alle gebeuren, dat ooit ergens op die spiraal ons leven heeft beroerd, hebben wij nog geen rustpunt gevonden. Integendeel, wij springen a.h.w. omhoog en beginnen een uitlopende en uitwaaierende spiraal om wederom terug te keren tot het middelpunt. In plaats van een eenvoudige kringloop op het Rad, hebben wij nu een meer gecompliceerde gekregen, waarbij elke fase van bewustwording dus vele levens kan omvatten (of althans kan voeren tot de bereiking van het middelpunt) en ons dan kan terugvoeren.

Als wij nu zeggen, dat de Rozenkruisers gelijk hebben, maar dat elke fase vele levens kan omvatten, dan hebben wij hetzelfde gesteld wat sommige Theosofen kunnen stellen. En zo zijn wij dus met deze esoterie niet veel verder gekomen. Wij hebben nu wel verschillende systemen geleerd, waarmee wij de innerlijke bewustwording kunnen beschouwen, maar zijn wij daardoor innerlijk ook bewuster geworden? En daarmee geloof ik, dat wij de esoterie alleen mogen beschouwen, niet als de tegenstelling of de aanvulling van het exoterische, maar als onverbrekelijk daarmee verbonden.

Wanneer je in je leven als mens of als geest op een gegeven ogenblik uitgrijpt in je wereld en je beleeft, je onderzoekt, je ervaart, dan gaat van daaruit ongetwijfeld een bewustwording beginnen. Want er is iets nieuws in ons leven gekomen. Maar dat nieuwe element wijzigt a.h.w. elk standpunt dat wij innerlijk moeten innemen. Wij kunnen niet zeggen: Wij gaan lichamelijk iets beleven of wij gaan in een sfeer iets doen, maar dit is nu uiterlijk en ons innerlijk wordt daardoor niet beroerd. Dan is het zinloos en zijn wij alleen maar een speelbal; en dan heeft dat voor ons esoterisch, noch exoterisch enige betekenis. Maar op het ogenblik, dat wij onze emotie, onze realisatie, ons wezen a.h.w. wegschenken in de wereld, ontstaat er een uiting. En deze uiting betekent gelijktijdig de verinnerlijking van vele dingen, die wij tot op dat ogenblik niet beseften. Ons innerlijk wezen wordt groter, wordt uitgebreider, het wordt ruimer. En zo zul je eigenlijk als eerste conclusie in dit onderwerp moeten stellen:

Alleen de mens, die leert steeds ruimer te denken op elk terrein en toch te beantwoorden aan datgene wat hij innerlijk als juist erkent, kan een esoterische bewustwording doormaken aan de hand van de exoterische, de naar buiten gerichte impulsen en tendensen, die van hem uitgaan. En daarmee komt dan een zeer praktische oplossing naar voren.

Wanneer ik leef, zoals ik ben, zal ik nooit rijper worden. Ik moet mij dus altijd iets méér leven dan ik bewust ben. Het klein beetje méér, dat ik naar buiten richt, betekent de vergroting van mijn innerlijke bewustwording.

Nu zult u denken, dat dit door de vorige spreker ook reeds en fraaier is geformuleerd. Maar ik geloof, dat de mogelijkheid om als mens alleen van het innerlijk uit te gaan zeer beperkt is. Hoe kun je je als mens met je volheid van denken afzonderen in een zodanige contemplatie, dat je de gehele wereld uitschakelt en dan zonder meer dat isolement verlaten om terug te keren in de volheid van het leven en daar het erkende te openbaren? Voor een mens is dat niet dragelijk. Daarom geloof ik niet, dat een mens van het innerlijk naar buiten toe moet gaan.

Ik weet dat er veel systemen zijn, waarbij men dit probeert te bewijzen. Wij vinden dit in verschillende vormen van yoga. Yoga begint met te stellen, dat wij het lichaam moeten opbouwen tot een juiste harmonie van stromingen, opdat innerlijke rust voor meditatie wordt gevonden en aan de hand van een opbouwende reeks meditaties en contemplaties de mens zijn innerlijk moet beseffen. Maar als het innerlijk beseft is, wat dan? Als wij daarbij stilstaan of als wij dit alleen maar maken tot basis voor een overwicht op de wereld, hebben wij niets bereikt. Neen, ik geloof dat het exoterische voor de mens vaak belangrijker is dan het esoterische, omdat een ieder, die tracht enigszins verantwoord en bewust te leven, die innerlijke waarde vanzelf wel zal verwerven. Maar degene, die innerlijke waarde nastreeft en bereikt, zal niet automatisch deze innerlijke bereikingen omzetten in de praktijk. En zo geloof ik te mogen stellen: begin met de uiting. Wacht niet tot de innerlijke rijping tot stand is gekomen.

Er zullen vele dingen zijn, die u in deze wereld kunt bereiken en volbrengen, indien u alleen maar iets meer doet en iets meer tot stand probeert te brengen dan u voor uzelf mogelijk acht. En maak u daarbij dan a.u.b. ook niet afhankelijk van anderen. Presteer niet wat een ander van u verlangt; presteer datgene wat ge innerlijk als juist ervaart, maar presteer het dan net iets vollediger, iets juister dan u meende dat mogelijk zou zijn. Want door steeds meer van onszelf aan de wereld te geven, dwingen wij de wereld om steeds meer aan ons terug te geven. Door steeds intenser deel te hebben aan de wereld volgens ons innerlijk, versterken wij alle invloeden, die in ons wezen ontstaan (ook bewustzijnsinvloeden), die ons innerlijk doen rijpen. Wij vinden door a.h.w. in de wereld uit te gaan de formulering, waardoor wij ons innerlijk redelijk op een voor ons hoger peil kunnen vastleggen.

En zo, vrienden, blijken esoterisch en exoterisch onverbrekelijk met elkaar verbonden te zijn; en wat meer is: juist in een wereld, waarin het buiten het “ik” staande voor het leven als het uwe zo bepalend is, zal het naar buiten toe handelen vaak beslissend zijn voor het innerlijk bereiken. Wij kunnen eenvoudige voorbeelden geven waarin dit misschien duidelijk wordt.

Er zijn wonderdokters, die wat gekleurde suiker en een beetje water nemen. Zij mengen dat tot een drank en geven dit aan een patiënt, waarvan zij de ziekte niet volledig beseffen. De patiënt wordt door de arts gebracht tot de aanvaarding van de genezende werking. Een suggestief proces. De patiënt reageert op het medicijn. Door dergelijke medicijnen worden evenveel of meer mensen genezen dan door patentmiddelen. Waarom? Omdat de arts niet alleen maar het medicijn geeft. Hij geeft iets meer; hij geeft een vertrouwen dat groter is dan wat hij zelf bezit. Hij schenkt een zekerheid, die verdergaat dan zijn eigene. En wanneer hij dit volledig doet, dan zal hij niet alleen zien dat zijn patiënt geneest, maar hij zal zich ook realiseren hoe deze wisselwerking tussen hem en zijn patiënt ontstaat.

Het resultaat is duidelijk. Hij begrijpt de relatie tussen hem en zijn patiënt beter aan de hand van dit misschien experimenteel gegeven drankje. Hij zal zich dus ook realiseren, dat zijn innerlijke waarde t.o.v. de buitenwereld niet alleen wordt bepaald door zijn feitelijke kennis of mogelijkheden, maar voor een groot gedeelte door de zekerheid, die hij t.o.v. die buitenwereld schijnt te bezitten. En dit houdt weer in dat hij, in de plaats van zijn innerlijke onzekerheden op den duur bepaalde opvattingen, bepaalde zekerheden gaat stellen, die niet in feite bestaan. Hij bouwt zich a.h.w. traptreden uit de lucht, die hij een ogenblik zo bevriest, dat hij ze kan bestijgen. En zo stijgt hij feitelijk hoger dan hij zou kunnen, indien hij zich alleen aan het verantwoorde en redelijke had gehouden.

Op dezelfde wijze kan de mens, die naar buiten toe dus dat klein beetje meer geeft dan hij denkt te bezitten, dat beetje meer moed dan hij weet te hebben, of een klein beetje meer zekerheid geeft, die hij in zichzelf nog niet bezit, daardoor een relatie doen ontstaan met de wereld, die het hem innerlijk mogelijk maakt naar een hoger besef, een hoger begrip te grijpen.

Nu zal menigeen zeggen: Dit grenst aan bedrog. Gebaseerd op uw feitelijke werkelijkheid zal het ongetwijfeld waar zijn. Maar let wel, ik heb u niet gezegd dat ge de gehele wereld een dergelijke relatie mag opleggen.

Ik heb u slechts gezegd dat, waar in u de erkenning is dat dit goed zou zijn, u moet proberen de verwerkelijking tot stand te brengen; en dan daarbij niet moet uitgaan van wat in de buitenwereld mogelijk is, maar van iets meer dan uzelf mogelijk acht. Zo bereikt u en niet anders. En daarbij is geen bedrog. Want de relatie, die u schept tussen uzelf en het Al, bepaalt vaak de verwerkelijking van datgene wat u onmogelijk hebt geacht. Deze verwerkelijking van het schijnbaar onmogelijke maakt voor u de realisatie van het Hogere nu zeker. Het is niet meer een vaag zoeken in een schemerlicht, maar het is het fel omlijnd erkennen en lichtend omschreven: dit is een waarheid; dit is mijn relatie met de wereld.

Zo heeft men dus uit de schijnbare brutaliteit, die men exoterisch tot stand bracht voor zichzelf, een esoterisch bewustzijn verworven, waaruit een nieuwe zekerheid groeit. Deze zekerheid brengt ons tot een verder ingrijpen in onze wereld; niet met een opleggen van onze persoonlijkheid, maar door het stellen van steeds hogere condities en waarden, steeds grotere zekerheden in ons contact met de mensen om ons heen. En dan blijkt, dat deze exoterische wereld, deze buiten ons liggende of naar buiten tredende wereld, alleen maar de weerkaatsing is van datgene wat wij in ons bezitten.

U kunt een grote bol hebben. Of die bol nu zo klein, is of zo groot, zij blijft een bol. Zij blijft de precieze weergave van de andere. Elke mathematische structuur die voor de grote bol geldt, geldt voor de kleine en omgekeerd. Zeg nu, dat wij met onze wereld een kleine bol zijn. Maar in ons en voor ons gelden alle wetten, die voor de kosmos (de grote bol) gelden.

De esoterie zegt nu dat ik mijn innerlijke wet moet ontdekken. Maar in mijzelf heb ik geen vergelijkingsmogelijkheid. Ik kan niet constateren of mijn gestelde waarden juist zijn. Op het ogenblik dat ik echter die wet toepas op de grote bol buiten mij, zal mij blijken, of mijn berekening juist is of niet. Want nu blijkt buiten mij wel degelijk wat er geschiedt.

Als ik niet zeker ben van de formule, dan stel ik een uitkomst, die volgens mij waarschijnlijk is, en ik test haar. Is ze juist, dan kan ik vaak doordat ik de uitkomst bezit verklaren waarom het zo is. Je kunt nooit beginnen met een stelling en aan de hand daarvan de feiten verklaren zonder tegen jezelf te liegen. Maar je kunt altijd beginnen met de feiten samen te nemen en deze tot een verklaring van jezelf te maken.

Zo vreemd als het moge lijken, er zijn stellingen, die schijnbaar vertroebelend werken. Ik denk hier bv. aan de bij de christenen nogal geliefde Bijbelexegese. Ga ik uit van de bijbel zelf, dan is de exegese vertroebelend. Zij neemt de waarde van de bijbel zelf weg. Hetzelfde is het geval bij alle andere heilige geschriften. Maar heb ik een exegese en werk ik vandaar naar de Bijbeltekst toe, dan ontdek ik aan de hand van de onjuiste of de beperkte uitleg vaak de volle betekenis van dat deeltje bijbel of heilig boek, dat ik eigenlijk wil leren kennen. Van buitenaf benader ik het innerlijk voor mij meest juist.

En nu dit alles zo’n beetje is omschreven, graag uw aandacht voor wat esoterie.
Wanneer ik mijzelf ken als eindig, zo is deze erkenning alleen een vaststelling van een oneindigheid. Maar ik kan de eindigheid van mijn wezen wel stellen, doch niet voor mijzelf doorvoelen en doorleven. Er zal mij altijd de twijfel blijven, of ik voortbesta of niet. Zoals ik uit de schijnbare zinloosheid van mijn leven altijd toch weer de vraag krijg, of het toch geen zin had, zo zal het totaal van mijn leven in wezen door mij worden aangevoeld als een oneindigheid, die een voor mij nog niet besefte of nog niet verklaarbare zinrijkheid bezit. En juist door het erkennen van die oneindigheid wordt de tijd voor mij zo belangrijk. Want de tijd is een begrenzing, die ik terzijde wil stellen. Soms kan een flitsende gedachte een onmetelijkheid van tijd overspannen, die met de tijd als een breukdeel van de kleinste tijdeenheid wordt gemeten. Ziedaar, ik kan dus de grenzen van mijn wereld overbruggen.

Maar als ik geen besef heb van tijd, kan ik geen eeuwigheid beseffen. Juist de beperking van ons wezen voert ons tot de erkenning van oneindigheid. En het verwezenlijken van die oneindigheid betekent voor ons slechts het steeds meer terzijde stellen of soms wegverklaren van onze beperkingen.

Daarom willen wij onszelf leren kennen, niet beseffende dat onze oneindigheid inhoudt dat er in het “ik” altijd nieuwe elementen blijven. Volledig zal ik mijzelf nimmer kunnen kennen. Maar wel zal ik voor mijzelf de begrenzingen van een beperkt ik‑besef terzijde kunnen stellen.

In plaats van de ommuurde kleine vesting “ik”, waarin ik leef, kan ik in een grote vrije wereld staan, die mij voortdurend nieuwe avonturen geeft. Ik ontdek dat er in mijzelf gevaren schuilen. Niet alleen vruchtbare dalen maar ook grote en gevaarlijke bergen, die je moeilijk beklimt en diepe ravijnen die haast bodemloos lijken. In dit geheel vrijelijk gaan betekent, dat ik de gevaren van mijn wezen kan verwaarlozen; ik kan er omheen gaan. Zolang ik ze niet vrees maar erken, is de gehele kosmos, heel het zijnde mijn tuin van avontuur. En alles wat ik erken, bestaat in mij. Geen blad aan een boom, geen zuchtje van een ruisende wind, geen enkele zonnestraal die door een bladerdak breekt, of zij leeft in mij. En zo verrijk ik mijzelf. Niet alleen maar doordat ik voor mijzelf een wereld ben of wordt, maar doordat ik de relatie begrijp, die tussen mij en al het zijnde bestaat. Ik, de kleine bol, ben de exacte replica van de grote bol. En zo ken ik mijzelf.

Maar als ik dan wil uitgaan buiten de grenzen van het door mij gekende, verlies ik mijn eigen wezen uit het oog. Want er komt een ogenblik, dat ik een grens overschrijd in mijn zelfonderzoek, waarbij al het menselijke, waarop ik als mens heb gebouwd, al het geestelijke dat behoort tot mijn sfeer, wegvalt en er alleen overblijft de eenzaamheid. Het vreemde zweven in hoge luchten, waarbij je een hele wereld overziet, maar haar niet meer kan bereiken. En deze eenzaamheid moet ik vermijden. Daarom moet ik zorgen, dat ik de dingen leer kennen, die mij later kunnen beroeren bij mijn innerlijk onderzoek. Ik mag niet alle grenzen terzijde stellen, voordat ik heb erkend dat deze grenzenloosheid een feit is. En waar mijn wezen zekere begrenzingen kent, zal ik die moeten handhaven in mijn innerlijk onderzoek.

Waarlijk, de esoterie is niets anders dan het erkennen van de begrenzingen, die er werkelijk voor je wezen bestaan en het handhaven daarvan bij je innerlijk onderzoek, terwijl je gelijktijdig tracht in je werkelijk bestaan die grenzen te verzwakken of althans te verruimen.

En de exoterie? Alles wat er in mij leeft, zoekt een uitweg. Die uitweg is niet altijd de juiste. Het kan zijn dat ik in mij een gevoel van waarde heb of van verzet, of misschien de behoefte tot een erkenning en dat ik deze niet kan vinden op een wijze die mij bevredigt. Dan grijp ik naar een methode, die – in feite evenmin bevredigend – voor mij de illusie schept, dat ik toch belangrijk ben. Deze uiting op zichzelf heeft gevolgen. Door die gevolgen zal ik erkennen waar ik onjuist ben geweest. Ik moet echter naar buiten toe leven. Want als ik voor mijn buitenwereld dood ben, als de delen van mijn wezen, die ik belangrijk acht, de gevoelens die mijn wezen bewegen, eenvoudig moeten worden onderdrukt en uitgeschakeld zonder meer, wat blijft mij dan over?

De mens, die naar buiten toe moet leven, moet niet alleen de formele openbaring zoeken. De formele openbaring is evengoed de rite van een bepaalde godsdienst; het is de wassing van een Boeddhabeeld; het is een sacramentele bijeenkomst in een kerk; het is misschien de dans die men voor de goden opvoert; het is de overpeinzing misschien, waarbij men gezamenlijk met klokjes klepelt.

Deze dingen zijn een uiting, maar ze zijn geformaliseerd. Zij zijn niet mijn wezen, mijn werkelijkheid. Op het ogenblik dat mijn wezen erin ligt, is mijn sacrament niet slechts een rite en een formule, het is een openbaring.

Dan is de reiniging van het grote beeld van Boeddha plotseling het herontstaan van de lichtende Boeddha, als gestalte voor iedereen kenbaar.

Dan wordt de dans tot een ontrukt‑zijn aan de wereld; niet alleen in geestelijke zin, maar dan kunnen de voeten in de lucht treden als zij willen, dan kunnen de dansers als vlinders ronddartelen, onbegrepen, vrij geworden van hun binding aan de wereld. Waar het hele wezen erin zit, waar de weg wordt gezocht waarin het formele, het rituele plaats maakt voor de persoonlijke uiting, daar leeft men werkelijk en daar geeft men aan alles, wat men naar buiten toe richt, de innerlijke betekenis ten volle. En zo zal de mens alles wat hij naar buiten toe richt met zijn hele wezen achter moeten staan, wil hij tot een werkelijk resultaat, een werkelijke bereiking komen.

Mensen menen soms dat je rijk bent als je geld hebt of als je gezondheid of liefde hebt. Maar wat is de rijkdom dan die ge daaruit put? Is het niet het gebruik dat ge van uw geld maakt, het gebruik van uw gezondheid en het gebruik zelfs van uw liefde, zo ge die bezit, het richten daarvan op een wijze, die u edeler, sterker en groter maakt, die iets buiten u tot stand brengt en waarvan u kunt zeggen: “Ziet, dit aanvaard ik met mijn hele wezen,” die de betekenis eraan geeft?

Op een onbewoond eiland kunt ge zitten met alle juwelen, met alle geld van de wereld en verdorsten en verhongeren, omdat er geen bron is, omdat er geen boom staat, waaraan een enkele kokosnoot hangt. Uw geld is alleen maar relatief. Gij kunt zo gezond zijn als ge wilt, maar als geen mens u erkent, leeft ge ongelukkig. Ge kunt dodelijk ziek zijn, maar u gesteund wetend door allen die u lief hebben rond u, door de relatie met de wereld, zult ge gelukkig kunnen zijn. Dit te beseffen in de buiten ons liggende wereld (en niet alleen te beseffen maar ook van uit onszelf tot stand te brengen) is een van de belangrijkste aspecten van het menselijk leven.

Indien gij in de tijd, waarin ge nu leeft, alleen moet afgaan op de formaliteit, alleen op datgene wat is gesteld, dan zijt ge niets waard, dan hebt ge niets wat u innerlijk rijk maakt. Dan blijven er alleen maar de hopeloze hiaten, die u voor uzelf niet kunt aanvullen en de innerlijke problemen en onredelijkheden en onduidelijkheden buiten u. Uw tijd en uw wereld geven u a.h.w. aan in welk milieu u zich moet uiten, maar ze scheppen niet de regels volgens de welke u zich moet uiten. Uiting van het innerlijk is belangrijk. En dan niet in een bandeloosheid, waarbij men plotseling alle innerlijke gevoelens op de wereld loslaat zonder te denken aan een gevolg, maar waarbij men tracht volgens zijn eigen innerlijk begrip van goed en van juist, het zo goed, zo volledig mogelijk te doen. Net iets méér te doen dan mogelijk lijkt. Zo schept ge de verruiming van de wereld rond u.

Als ge tussen mensen zit en ge hebt met die mensen geen werkelijk contact, wat kunt ge doen? Wanneer ge een rol speelt op een toneel of in de society en u gelooft er zelf niet in, wie zal erin geloven? Begin in uzelf te geloven. Begrijp, dat u als mens, als geest, belangrijk bent voor het hele Al. En vraag uzelf af: Wat kan ik nu goed? Wat is juist voor mij om te doen? Wat beantwoordt aan mijn wezen, aan mijn verlangen en brengt gelijktijdig in de wereld buiten mij iets tot stand, dat waardevol is? Als mensen zo denken, dan kunnen zij dus afwijken van al het gestelde zonder innerlijk of uiterlijk armer te worden. Integendeel, zij worden rijker, zij worden wijzer. Uw gehele esoterische bewustwording is niet afhankelijk van hetgeen gij niet doet, maar van hetgeen gij doet. Ze is niet afhankelijk van hetgeen gij verwerpt, maar van hetgeen gij aanvaardt.

De gehele esoterie is niets anders dan een poging om het “ik” te benaderen. En het “ik” kun je alleen bewust en positief benaderen, indien je uitgaat van het lichte, van het sterke, van het goede, dat in je leeft.

In uw tijd zijn veel dingen schijnbaar negatief. Er zijn veel krachten, waartegen ge u misschien machteloos meent. Er zijn veel dingen, die u onmogelijk noemt. Maar zijn ze werkelijk onmogelijk in uw denken? Zijn zij werkelijk zo onmogelijk? Bent u machteloos en gebonden, als u meent? Moet u alleen maar in verzet komen tegen de wereld, of kunt u in die wereld iets vinden wat belangrijk is? Kunt u iets tot uiting brengen wat voor uw wezen belangrijk is?

Deze vragen dient ge te stellen. Niet: hoe kan ik mij verzetten tegen het kwade? Neen; wat kan ik zelf uiten, dat ik erken als het goede. Niet: wat voor wijsheid kan ik innerlijk bereiken, opdat ik in deze wereld goed leef? Maar: hoe kan ik in deze wereld zo leven, dat ik innerlijk wijzer en sterker word? Dat is de benadering die deze tijd vergeet.

Men kan materialistisch zijn door de geest uit te schakelen; en op dat ogenblik gaat de mens teloor. Men kan vergeestelijken en de materie uitschakelen; en de mens hangt eenzaam in de ruimte zonder zich te kunnen verplaatsen, zonder te kunnen stijgen of te kunnen dalen, langzaam verblind door zijn eigen afzondering. Maar de mens, die beseft hoe sterk en machtig hij in wezen is, die begrijpt dat hij altijd nog meer kan doen dan hij doet, die begrijpt dat wanneer zijn wezen zegt: Dit is goed, dit is juist, dit zie ik als een aanvulling van mijn wezen, van mijn beleven en mijn persoonlijkheid, deze mens bezit innerlijk en uiterlijk de krachten, die hij nu misschien dromend verlangt.

Dan, vrienden, is de tegenstelling tussen esoterie en exoterie opgeheven. Dan is de innerlijke en uiterlijke wereld tot eenheid geworden. Dan kan deze wereld door haar innerlijk besef van wat moet zijn, de moed vinden om het uiterlijk waar te maken. En waarmakende wat zij als juist heeft aangevoeld, groeit zij innerlijk naar een volgend punt van beheersing, van begrip en bereiking.

En zo, vrienden, is dit dan van mijn zijde eveneens een poging geweest om u in te leiden in de belangrijke begrippen van deze tijd. Er zal binnenkort worden gesproken over de juiste leefregels voor deze tijd. Er zal u ongetwijfeld worden verteld wat de juiste verhoudingen zijn op allerhande terrein. Maar hoe kunt ge dit benaderen, hoe kunt ge dit begrijpen, indien ge niet eerst beseft, hoezeer die eenheid, die wisselwerking in u bestaat tussen innerlijk en uiterlijk, tussen innerlijk besef en uiting en hoe beide gelijkelijk moeten voortkomen uit een innerlijk erkende noodzaak om de tijd te overbruggen en om de eeuwigheid, die men in zichzelf beseft, waar te maken?

En dat betekent, vrienden, dat ik mijn onderwerp heb beëindigd. Ik mag nog een paar zinnen geven, die los staan van het geheel. Kleine zinnen, die voor mij persoonlijk enige betekenis hebben en waarin ik iets van een grotere waarheid gevoel. Ge zou kunnen zeggen, dat ik probeer mijn esoterisch begrip naar buiten te brengen om exoterisch te manifesteren wat in mij leeft.

In de gouden sleutels van licht, die de poort der wijsheid versluiten, vloeit de kracht, die wij nodig hebben om onze weg tot de poort te vinden.
Uit de band van eeuwigheid, die ons omringt, putten wij steeds weer het leven dat wij nodig hebben om de beperktheid van het leven te overwinnen.
Uit de eindigheid van onze gedachten en daden, uit de eindigheid van onze werelden putten wij de kracht om naar het oneindige te streven.

En meer waar dan ooit klinkt ook heden weer de oude spreuk:

Ziet, gij uit het onzichtbare geboren, gij zijt een zon en ge gaat langs de hemelen.
Ziet, gij brengt voort; en voortbrengend wordt de wereld geboren.
En zo ge heengaat, zal uw wereld heengaan, doch wilt gij uw wereld behouden, trek zuiver uw baan.
Keer terug, o kind van licht, tot het lichte, wanneer ge u verzadigd hebt aan uw wereld.
Keer terug, o held der helden, wanneer ge overwonnen hebt al wat u op uw weg bedreigt.
Keer terug gij, die de sleutelen der oneindigheid in uw wezen draagt, wanneer ge hebt geleerd het slot te vinden dat u nu nog scheidt van uw werkelijke bestemming.

Het zijn deze woorden, vrienden, die mij in het verleden hebben gedragen. Het zijn deze woorden, die ik nu nog leef.

Ik ben een kind van het licht, zoals gij zijt kinderen van het licht. En door te trachten mijn juiste baan te gaan en de wereld, die ik schep – of het met een woord is of met een daad of met een gedachte – in stand te houden, totdat ik één daarmee ben geworden en haar besef, kan ik steeds weer stijgen.

Ik geloof dat deze zin ook voor u betekenis heeft, opdat ook gij, kinderen van het licht, uw macht moet beseffen. Beseffen dat gij de sleutels van het oneindige in u draagt; maar tevens dat ge eerst moet leren uw eigen wereld te scheppen, uw lichtende baan te gaan rond die wereld, totdat gij haar erkent voor haar volle waarde.

Ik hoop dat u mij niet kwalijk neemt dat ik deze woorden hieraan toevoeg. Zij leken mij een redelijk besluit voor deze eerste bijeenkomst van uw groep. Waarbij ik mede de hoop uitspreek nog een paar malen met u te mogen spreken in het verder verloop der cursus. Nu echter, vrienden, dank voor uw aandacht, kracht bij uw zoeken naar waarheid en inzicht en zegen op uw pad.