Is de mens meer als een dier?

uit de cursus ‘De mens in al zijn aspecten’ (hoofdstuk 10) – juli 1972

Is de mens meer als een dier?

Waarom noemen wij een mens een wezen dat meer is dan een dier? Misschien omdat wij kunnen lachen en kunnen huilen, zonder dat wij daarvoor een regelrechte aanleiding hebben.
Men zegt: een mens is bewuster. Ach, als men zo kijkt naar het gedrag van de doorsnee‑mens, dan vraagt men zich af of dat juist is. Men zegt: de mens is eeuwiger. Maar wij zien incarnaties uit de dierenwereld in de mensenwereld. Waar ligt het verschil? Ik geloof dat wij moeten begrijpen dat het belangrijke van het mens‑zijn op de wereld hoofdzakelijk is gelegen in het conflict tussen twee werelden: de geestelijke wereld in ons (de wereld van de eigen projectie, van de persoonlijke beleving en erkenning) en daartegenover de wereld van de feiten, de wereld van de stoffelijke kwaliteiten. Kortom, de wereld van het onafwendbare. In dit conflict leeft de mens met de feiten dank zij zijn illusies. Hij schept een wereld, die eigenlijk niet bepaald goed is maar hij geeft er, juist door zijn idealen en denkbeelden, iets eeuwigs, iets belangrijks aan. Het is alsof de mens onbewust iets van de zuiver stoffelijke wereld, iets van de natuurlijke gang van zaken transmuteert tot iets dat eens van een hogere orde kan zijn.
Hoe een mens wordt geboren, ach, u weet het allemaal. Hoe een mens leeft, wij hebben er rijkelijk over gesproken. Zelfs het sterven, de bewustwording, de inwijding, wij hebben ze alle genoemd. Maar mens-zijn heeft voor de geest toch weer een andere klank en betekenis dan het voor u kan hebben. Het is dit aspect waaraan ik, nu wij aan het eind van deze reeks lezingen staan, even de aandacht zou willen wijden.
Een mens leeft in een stoffelijke wereld. Die wereld stelt hem wetten en beperkingen. Voor u tikt de klok omdat de tijd verdergaat. Voor ons is het anders. Maar het is wel eens goed te worden geconfronteerd met conflicten, die je niet uit de weg kunt gaan, waarvoor je niet kunt wegvluchten. Het is wel eens goed een dwang achter je te weten. Voor ons lijkt het mens‑zijn soms een fantastisch goede, fantastisch vrije school.
Wanneer wij als mens worden geboren op de wereld, dan hebben wij natuurlijk als geest daarmee een vaste bedoeling. Wij hebben dus onze plannen. Die plannen lopen meestal verkeerd uit, laat mij dat maar eerlijk toegeven. Er zijn maar heel weinig geesten, die zo weten te incarneren dat zij van hun leven datgene maken wat zij er werkelijk in zochten. Maar aan de andere kant, juist het verschil tussen de keuze die wij maken en de resultaten die daarin voor ons kenbaar worden, betekent voor ons leren. Wij zien waar wij de zaak toch verkeerd hebben gewaardeerd. Wij zien wáárom wij de zaak verkeerd hebben gewaardeerd. Als je dan als geest terugkijkt op een mensenleven, dan kom je tot de conclusie dat het een leven was vol onmetelijke rijkdommen. Rijkdommen, die je lang niet altijd zo hebt gewaardeerd.
Ik kan mij voorstellen dat mensen een werkelijke zielsverwantschap hebben. Maar wat denk je daar als mens aan, als achter de krant een ongeschoren gezicht zit te geeuwen. Het zijn de kleine dingen van het leven waarmee je soms uitdrukking kunt geven aan alles wat er in je leeft; al is het maar het schikken van bloemen, het timmeren van een tafeltje, het vormen van een vaasje of iets dergelijks. Als wij dan zien hoe die kleine dingen geestelijk kunnen uitgroeien tot iets buitengewoon belangrijks, iets waarin wij een innerlijke harmonie hebben uitgedrukt, iets waarin wij ‑ zonder het te begrijpen – ergens de relatie met het eeuwige hebben aangestipt, dan zeggen we: Ja, het is wonderlijk goed om als mens te leven. Het lijkt mij goed dit punt nog even naar voor te brengen.
Heel veel mensen zeggen: Ach, ik wilde dat ik er maar van af was. Geef mij de eeuwige zaligheid maar, dan mogen zij hier op aarde hun rommel opruimen .of niet, precies zoals zij willen. Maar terugkijkend op wat het leven is geweest, dan blijkt dat alles zijn zin, zijn betekenis heeft gehad. Er is geen zinledigheid. Er zijn teleurstellingen, natuurlijk. Je verliest dingen waarvan je meende dat je ze toch eerlijk had verdiend. Je wordt opzij gezet voor anderen, terwijl je weet dat je beter bent. Je ziet op een gegeven ogenblik een leegte ontstaan waar je meende nu juist een vervulling te vinden. Er zijn altijd weer conflicten. Maar die conflicten komen dan voort ‑ en dat besef je als geest zoveel te beter ‑ uit een verkeerde waardering van je wereld. Je hebt altijd gedacht: de wereld moet antwoord geven op mij. Terwijl je in feite zelf antwoord moet geven op de wereld.
Dat geldt ook in de geest. Zolang wij in de geest verwachten dat wij antwoord krijgen op al datgene wat wij zijn, blijven wij in een en dezelfde sfeer. Dan kunnen wij niet evolueren; we kunnen niet verdergaan. Maar op het ogenblik dat wij leren antwoord te geven op alles wat ons maar uit die wereld bereikt, ontworstelen wij ons langzaam maar zeker aan onze beperkingen.
Het is gemakkelijk genoeg tegen een mens te zeggen: Leef er maar op los, het geeft niet. Het wonderlijke is dat deze raad, die je niet moogt en niet kunt geven, ergens vaak nog waar is ook. Want het belang van de dingen ligt niet in het vervullen van een plicht. Die plicht kan alleen bestaan indien je haar zelf voelt, indien zij deel is van jezelf en dan maak je jezelf waar door plichtgetrouw te zijn. Het is niet zo dat je in het leven een afspraak maakt en haar moet nakomen. Je denkt dat misschien en dan is het voor jou noodzakelijk. Op zichzelf zijn al die facetten van het leven niet belangrijk. Als we nadenken over alles wat we op school moeten leren en wat we meemaken in het contact met de medemensen, in een werkkring, in een huwelijk en dergelijk, dan zeggen we: Ach, dat is eigenlijk allemaal overbodig!
Dat zie je als mens, geloof ik, niet zo gemakkelijk. Je bent te zeer vervlochten met al je denkbeelden, je opvattingen, je gevoelens van plicht t.a.v. dit en van dat. Op zich zijn ze helemaal niet van belang. Belangrijk is alleen dat je waar maakt wat je innerlijk voelt als juist, dat je beantwoordt aan hetgeen je bent. Als je dat kunt, dan heb je geestelijk de top wel bereikt. Dan is een mensenleven niet meer alleen een reeks gebeurtenissen, die langzaam verbleekt tot enkele schijnbaar onbelangrijke fragmenten, die als het enige dat nog betekenis heeft boven in de herinnering blijft drijven, zoals het topje van de ijsberg; het grootste gedeelte verdwijnt onder het oppervlak. En dan komt er een ogenblik dat je zegt: Mijn leven is een eenheid geweest.
U leeft als mens. U heeft relaties met de medemensen. Die relaties kunnen genegenheidsrelaties zijn. Dat kunnen relaties zijn waarbij verantwoordelijkheid een rol speelt. Het kunnen relaties zijn waarbij een belangengemeenschap de werkelijke verhoudingen bepaalt. Maar in al die relaties ontmoet u een ander. U ontmoet die ander echter niet op zo’n manier dat u kunt selecteren wat u in de ander wel of niet bevalt. U moet hem nemen zoals hij is. Of het nu een directeur is, een secretaresse, of het je man of je vrouw is, of het je kinderen zijn, je vrienden, je buren, je moet hen nemen zoals ze zijn. Daardoor zie je en beleef je meer in een mens. Indien het telkens zo mooi uitgekozen zou kunnen worden, dan zou het niet alleen maar een ontzettend taaie en saaie wereld worden, het zou bovenal een nutteloze wereld zijn.
Elke keer weer, als ik in de geest kijk naar degenen die aan onze kant komen, ontdek ik hoezeer zij eigenlijk hebben geleerd van wat zij ergerlijk of onverwacht noemden. Terwijl datgene wat volgens hen juist en goed was, over het algemeen langzaam wegdrijft als een walmwolkje of een rookkringetje uit de een of andere sigaret.
Waarom zou je die mens ‘mens’ noemen? Ik geloof dat je kunt zeggen: De mens is eerst werkelijk mens omdat zijn relaties met zijn wereld en de daaruit voortvloeiende geestelijke openbaringen en ontplooiingen in deze vorm op aarde de hoogste top van geestelijk bereiken mogelijk maken. Daarmee hebben we al veel gezegd. Maar laat ons nog eens kijken naar de mens.
Als je die mens wilt kritiseren, is dat reuze gemakkelijk. Politiek b.v. zou men kunnen omschrijven als datgene wat bij de meeste mensen de werkelijkheidszin in de weg staat. Godsdienst als het zelfbedrog, waardoor zij hun eigen minderwaardigheid voor zichzelf trachten te verhullen. Hun ideaal is over het algemeen een droom, die zij dromen omdat zij in de werkelijkheid weinig bereiken. Dat is allemaal volkomen waar, niet alleen maar ten dele waar. Als je dat geestelijk onderzoekt, is dat praktisch de gehele werkelijkheid, een paar zeer onbelangrijke of in verhouding zeer geringe facetten buiten beschouwing gelaten. Maar als je die kritiek uitoefent, dan moet je ook zeggen: Aan de andere kant is die mens juist met zijn droomwerelden, zijn idealen, zijn politiek, zijn godsdienst bezig om een geestelijke wereld naar zijn stoffelijk bestaan te trekken. Hij zoekt niet de werkelijkheid van de materie. Hij zoekt een geestelijke werkelijkheid, die in hem ligt en die hij tot uiting wil brengen. Ik heb bij geen enkele andere levensvorm op aarde ditzelfde aspect van leven ontdekt. Volgens mij maakt dit de mens op aarde inderdaad uniek.
Wat is voor de mens het belangrijkst? Vanuit geestelijk standpunt natuurlijk in de eerste plaats harmonie. Maar hoe druk je harmonie uit? Voor sommige mensen is harmonie iets dat behoort in een tweepersoonsbed. Bij anderen behoort het in een zangkoor, in de kerk, in een theater of misschien alleen maar rond een schaakbord. Je zou het misschien niet zeggen de laatste tijd, maar zelfs dat is mogelijk. Anders gezegd, harmonie is datgene waarin je een ander kunt ontmoeten op basis van gelijkwaardigheid waarbij een gemeenschappelijk belang, een gemeenschappelijk doel of een gemeenschappelijk denken het ‘ik’ tijdelijk onbelangrijker maakt.
Dit is altijd weer de meest wonderbaarlijke beleving, die denkbaar is. Niet dat je die harmonie als zodanig registreert. Als u dadelijk weggaat, dan zegt u niet: O, wij zijn harmonisch geweest hetzij met de geest, hetzij met elkaar of desnoods met een kopje koffie dat wij hebben gedronken. Maar vaak heeft u een gevoel: ik ben ontspannen, ik heb mij wel ingespannen maar het heeft mijn vermoeidheid weggenomen. Kijk, dat is nu wat harmonie in feite betekent. Het is een ontspanning; een absoluut wegvallen van allerhande verwrongen en gespannen indrukken, denkbeelden en emoties in jezelf. Daarvoor in de plaats komt dan de relaxatie, waardoor je niet alleen waarlijk jezelf bent, maar je ook jezelf beleeft. Men zou dus kunnen zeggen: Voor een mens is het zeer belangrijk dat hij leert zich op de juiste wijze te ontspannen. Want juist in dit absoluut ontspannen‑zijn is hij waarlijk zichzelf. Hij wordt niet meer gedreven. Zolang u wordt gedreven door welk denkbeeld dan ook, bent u niet waarlijk uzelf. Of het nu Schopenhauer, Nietzsche of Marx is of misschien het Evangelie of de Koran, als u wordt gedreven door die dingen, bent u uzelf niet. Als u ontspannen bent, dan ziet u uzelf zoals u bent, dan beleeft u uzelf zoals u bent. En wat meer is, dan kunt u ook de wereld aanvaarden zoals ze is. Het is dan niet meer noodzakelijk om allerhande waanbeelden op te bouwen, waardoor de wereld nog enigszins aan uw denken en aan uw behoeven schijnt te beantwoorden; dan kunt u aanvaarden wat er is. Waar u ook met mensen of zelfs met omstandigheden te maken heeft, onthoudt u dit alstublieft. Het kan voor uw leven zeer belangrijk zijn, indien u in staat bent om uzelf te zien zoals u bent en de wereld te aanvaarden zoals zij is. Dan is er harmonie mogelijk met bijna alles op de wereld. Dan kunt ,u alle dingen begrijpen. Er zijn uitingen die u zult afkeuren. Maar u gaat begrijpen wat de beweegredenen zijn, wat de emotionele achtergronden zijn, wat de denkbeelden zijn en wat de gedachtewereld is van zo’n mens. Daarmee krijgt u het werkelijke contact met het leven.
Een bekende van mij heeft een hele tijd gewerkt in wat u  de duistere sferen noemt. Wat bleek het belangrijkste aspect van die duisternis te zijn?
In de eerste plaats: Het is opvallend een ingespannen trachten een waanbeeld in stand te houden. Deze wezens durven zich eenvoudig niet te ontspannen want dan zou de waarheid tot hen kunnen doordringen; en die waarheid kunnen zij niet aanvaarden.
In de tweede plaats: Contacten worden alleen gemaakt, indien ze een bevestiging betekenen van wat je zelf wilt zijn. Het is alsof je alleen met een andere wilt praten als hij “ja” zegt op alles wat jij voorstelt. Zelf ben je heel graag bereid om de ander gelijk te geven in zijn opvattingen en voorstellingen, ofschoon je weet dat het niet juist is.
In de derde plaats: Op het ogenblik dat ontspanning ‑ hoe dan ook ‑ in die duistere sfeer intreedt, blijkt dat er plotseling harmonieën mogelijk zijn met alles wat in het licht leeft. Verder blijkt dat het tot stand brengen van een kleine ontspanning in een ziel, die zelfs in een betrekkelijk diep‑duistere sfeer leeft, vaak voldoende is om deze zonder meer tot het licht te brengen.
Dit geldt in de duisternis, maar zal het dan niet gelden in uw wereld? O, uw wereld is niet duister, zeker niet. Zij is ook niet licht. Zij is a.h.w. het trefpunt van verschillende gedachtewerelden. Maar als u zich weet te ontspannen, dan is harmonie mogelijk; en pas in harmonie betreedt u de werkelijkheid.
Wat zou er voor een mens verder nog belangrijk kunnen zijn in zijn moeizame worsteling tussen geboorte en dood? Heel vaak zegt de mens: een doel. Ja. Men moet inderdaad wel iets hebben dat belangrijk is. U moet kiezen tussen de zeer vele mogelijkheden, die er voor u bestaan. Er is altijd wel één mogelijkheid, die het meest beantwoordt aan wat u bent. Maar dan blijven er nog vele dingen onvervuld. Vergeet u één ding niet: U kunt misschien goed rekenen, goed zingen, goed acteren, goed schaatsen. Als u nu boekhouder wordt, dan blijft de rest erbij hangen; misschien nog een paar liefhebberijen, die nooit tot volle ontplooiing zullen komen. Dan heb je altijd het gevoel: ik had misschien toch wat anders moeten doen. Ik had aan het toneel moeten gaan. Ik had operazanger of operazangeres moeten worden. Kijk, als u dat gaat denken, dan bent u al fout.
Als u een doel kiest in het leven, dan is dat een voorlopig doel. U kunt nooit zeggen: het ogenblik, dat ik dit besluit, zal ik tot aan mijn dood dit en dat doen of zus of zo zijn. U kunt alleen zeggen: Op dit ogenblik is dit voor mij het belangrijkst en dus maak ik het waar. Dan is al het andere onbelangrijk omdat ik mijzelf vervul. Elke keer, als ik het gevoel heb “dit is mij teveel of dit wordt te lastig of te zwaar”, ga ik zitten en zeg ik: Ach, dat geeft allemaal niet. Laten wij maar eens kijken wat het is en wat ervan komt. In die ontspanning zult u dan misschien uw doel veranderen, maar dat is ook niet belangrijk.
Onder mensen is het gebruikelijk dat iemand probeert aan de top te komen. Nu weet niemand waarvan dat dan wel de top is. De. een wil hoogleraar worden, de ander predikant, bisschop of paus. Weer een ander wil tenminste zijn naam in het boek der geschiedkundig belangrijke figuren gegrift zien. Maar wat heb je eraan? Wat heb je dan werkelijk bereikt? Als u een groot leraar bent en u bent zelf het eigenlijk niet helemaal eens met al wat u probeert te onderwijzen, u kunt niet het begrip, de harmonie opbrengen met degenen aan wie u lering geeft, dan zult u waarschijnlijk alleen maar onvolledige kennis overdragen en indirect u later verantwoordelijk kunnen gevoelen voor de gevolgen van de misverstanden, die u zelf tot stand heeft gebracht.
Als u paus bent, dan denkt u misschien onfeilbaar te zijn. Aan onze kant blijkt dan dat het niet waar is en u zit alweer in de fijngemaakte aardappelpuree.
Als u Gods Woord predikt en u komt tot de ontdekking hoezeer u uzelf en anderen vaak heeft bedrogen, dan is dat ook een heel pijnlijke beleving.
Als u de grootste man van deze tijd heet te zijn en u komt tot de ontdekking dat al die grootheid in feite niets anders is dan komedie, dan voelt u zich in elkaar vallen als een opgeblazen ballon waarin iemand een speld steekt. En wat houdt u dan nog over? Maar indien u elke keer als u voelt: dit is juist, dit is goed, dit is waar, zegt: dan streef ik naar dit doel tot het ogenblik dat ik voel: ik kan niet verder, dan zal ik weer gaan overwegen, dan zal ik afstand nemen van al die dingen. Ik zal kijken naar mijzelf, naar de wereld en mij afvragen: wat is er nog meer in mij? Dan kiest u voortdurend weer datgene wat in die fase van leven, in dat ogenblik van bestaan werkelijk bij u past.
Word ook niet bitter en maak u niet al te druk over alle regels en reglementen, die er op de wereld bestaan. Natuurlijk, het is zo. Die man had voorrang moeten geven. En dat u alimentatie moet betalen of die zelf niet krijgt, is een pijnlijke situatie. Dat die mensen daar de moed hebben om dergelijke zedenloze taferelen tentoon te spreiden, is voor u inderdaad niet te dragen. Maar het is toch alleen maar voor u! Wat kunt u voor een ander doen?
De tijd, dat men sprak over de onzedelijkheid van vrouwen, die zich met een badkoetsje naar het water lieten rijden en dan in badkostuums, die hun vormen deden vermoeden, in het water spartelden, is allang voorbij. En toch, hoeveel heren met overigens alle menselijke eigenschappen en kwaliteiten, compleet met lorgnet en hoge hoed zouden een beroerte hebben gekregen, indien zij één ogenblik het, misschien voor een enkele dag, zonnige Scheveningse strand zouden kunnen bezoeken. Alle waarden veranderen. Wat voor mij waar is vandaag, is voor een ander niet noodzakelijk ook waar. Laat mij dan mijn waarheid leven en mij niet druk maken over de waarheid van anderen; die kan ik toch niet controleren. Ik kan er hoogstens kennis van nemen en mij afvragen of ik misschien ergens iets van die waarheid toch wel kan erkennen als deel van mijn waarheid.
Ik moet zoeken naar een synthese tussen die dingen. Het hele men­selijke leven is het voortdurend zoeken naar een synthese tussen al die verschillende invloeden en waarden, die gezamenlijk het menselijk leven bepalen. Synthese tussen geestelijke en stoffelijke invloeden. Synthese tussen menselijke regels en innerlijke waarheid. Synthese ook tussen de doelgerichtheid die de wereld van je vraagt en de werkelijke gericht­heid en roeping, die je in jezelf erkent. Je moet deze dingen tot een harmonische eenheid brengen. Dat kun je alleen, indien je eerst zelf harmonisch wordt.
Wie de mensheid van vandaag bekijkt, heeft wel eens de neiging om wat minachtend de schouders op te halen. Daar is dan deze wereld met haar grote problemen, met de dreigende oorlogen, met de milieuvervui­ling en alle andere dingen, waarmee kleine groepen voortdurend de gro­te massa om de oren plegen te kletsen. Maar kunt u dan niet begrijpen dat het misschien voor die ene man daar belangrijker is dat al zijn duifjes terugkomen op zijn duivenplat dan dat de wereld de atoomproeven staakt? En dat die ander het veel belangrijker vindt dat hij op z’n tijd een biertje kan krijgen dan dat de milieuvervuiling wordt opgeheven? Het is maar een waardering van belangrijkheid. Je kunt elkaar geen be­langrijkheden aanpraten, ook al denk je dat je dat kunt.
Overal zijn er mensen in deze tijd, die zich beroepen op de zwijgen­de meerderheid. De zwijgende meerderheid bestaat niet! Haar enig kenmerk is dat zij zwijgt, niet dat zij een mening heeft. Waarom zou je jezelf be­driegen? Waarom zou je denken dat de gehele wereld zo ontzettend sociaal bewogen moet zijn? Dat de wereld zo politiek geïnteresseerd moet zijn? Dat de gehele wereld zo godsdienstig gedreven moet zijn door innerlijk licht, innerlijke waarheden en Pinkstervuur? Het is niet zo. Misschien dat u die dingen kent? Maak ze dan waar! Beroep u niet op anderen. Doe de dingen vanuit uzelf. Leef uw eigen persoonlijk leven.
Wie waarlijk mens wil zijn, ook in de geestelijke zin van het woord, zal moeten beantwoorden aan hetgeen er in hem of haar leeft. Hij zal dit moeten doen op een wijze, waardoor hij anderen niet aantast. Niemand kan ‑ als u mij een paar termen toestaat ‑ in deze tijd anderen onderwerpen aan zijn inzichten zonder gelijktijdig fascistisch te denken en naar alle mid­delen te grijpen om zijn wil door te zetten. Het is niet belangrijk dat dit gebeurt. Belangrijk is het dat u zelf bewust wordt.
Als de gehele wereld voorbij gaat en er geer mens meer is, dan nog zullen in de sferen, ja, in de eeuwigheid de waarden van het mens‑zijn weerspiegeld blijven; die kunnen niet vernietigd worden. Het is niet de vorm, die de dingen maakt. Het is de achtergrond, het besef dat eruit ontstaat dat een werkelijke betekenis heeft. Ik geloof dat het wel eens goed is dat de mens begrijpt dat ook in zijn eigen leven het conflict alleen maar een middel is om zich van zichzelf bewust te worden en zijn houding, zijn doel, zijn gerichtheid opnieuw te bepalen.
In deze reeks lezingen hebben wij zoveel mogelijk regels gesteld: De punten, waaraan ik u nog wil herinneren zijn:

  1. Mens‑zijn is een coconfase in de geestelijke ontwikkeling.
  2. De werkelijkheid begint voor de mens vaak eerst als hij zijn mens‑zijn beziet als een persoonlijk bestaan.
  3. Uw verantwoordelijkheden tegenover anderen bepaalt u zelf en voelt u als in u bestaand. U kunt geen andere verantwoordelijkheden dan deze werkelijk aanvaarden en dragen. Doe dit dan ook niet.
  4. Elke mens ‑ pas geboren of bijna dood, wijs of dwaas, ge­kleurd of blank ‑ is een mens. Dit bepaalt zijn waarde, niet de uiterlijkheid. Dit geldt ook voor u in uw relatie tot anderen.
  5. Slechts de mens, die in staat is zo nu en dan ook eens te rusten, alle conflicten te vergeten, zichzelf te beschouwen en zich af te vragen: wat is voor mij persoonlijk op dit moment goed en belangrijk, zal ware bewustwording putten uit een menselijk bestaan.

Dan volgen hier nog een paar algemene opmerkingen: Het geheel van het menselijk leven is zodanig persoonlijk, dat u het nooit volledig met een ander kunt delen. U kunt proberen het te delen, maar u komt nooit tot een totale versmelting; die is alleen geestelijk mogelijk. Maak u dan op de wereld geen illusies en laat datgene wat u in de geest zult ervaren, maar over aan dat wat u zult erkennen als u bent overgegaan.
Denk ook niet dat u de wereld kunt verbeteren; u kunt niet eens uzelf goed verbeteren. U kunt uzelf misschien wat meer aanpassen aan wat u innerlijk als juist erkent en ervaart, dat is alles. Daarvan wordt u heus niet beter in de termen, die de wereld wat dat betreft pleegt te gebruiken. De wereld kunt u ook niet veranderen. De wereld is een speelbal van kosmische invloeden, menselijke misverstanden, waandenkbeelden en krachten der natuur. U kunt die niet beheersen, ook als u alles geeft om dat toch te proberen. Het is zinloos de wereld te willen veranderen, maar het is zinrijk in de wereld de harmonie van leven in uzelf en vanuit uzelf zo sterk mogelijk tot uitdrukking te brengen.
Alle termen van leven, zoals jeugd en ouderdom, worden gemeten met maatstaven die niet reëel zijn. Iemand kan 100 jaar oud zijn en toch in zijn denken nog een kind. Iemand kan 15 jaar oud zijn en in zijn geest (zijn denken) ouder zijn dan 100 jaar.
De uiterlijke dingen gebruiken wij alleen maar om een gemeenschappelijke uitdrukking te vinden, niet om waarden te bepalen. Laten wij dat ook niet vergeten.
Zonde en misdaad zijn waarden, die worden geschapen op het ogenblik dat een eenzijdigheid het leven beheerst; vaak een eenzijdigheid die mee door macht wordt uitgedrukt. Op het ogenblik dat er geen macht is, dat er geen streven is naar wederkerige beheersing, is er geen zonde en geen misdaad. Dit moge vreemd klinken, maar het is een feit dat de z.g. psychische ziekten, die een deel van de mensheid hebben aangetast, het resultaat zijn van de maatschappij waarin die mensen leven, niet van hun persoonlijke conflicten zonder meer.
Begrijp anderen en begrijp ook uzelf. Indien een relatie met een ander in de huidige vorm niet acceptabel is of niet kan worden voortgezet, verander dan die verhouding voor zover u wilt en kunt. Houd verder altijd rekening met het feit dat u uw eigen normen moet handhaven waar dit noodzakelijk en onvermijdelijk is. Sluit geen compromis tegen uw gevoel in maar probeer wel u zo weinig mogelijk aan anderen op te leggen. Doe dat alleen indien het onvermijdelijk wordt; en dan alleen voor de tijd, waarin het noodzakelijk en onvermijdelijk blijkt te zijn. Wees altijd bereid ongelijk te erkennen. Wees altijd bereid een ander de mogelijkheid te geven zichzelf te ontplooien.
Hiermee hebben wij eigenlijk alle problemen van het menselijk leven wel opgesomd. Of je nu wordt geboren, of je jong bent en als kind leert in de wereld, of je droomt van wat je in de maatschappij zult worden, of je worstelt om een plaats te vinden in de maatschappij of misschien meent al iets te hebben bereikt en langzaam maar zeker alles wat je had bereikt, toch weer ziet tanen en droog en dor worden, het ligt allemaal in deze regels. Met deze regels kan een mens mens zijn. Als wij deze reeks toespraken over de mens en de facetten van zijn bestaan gaan besluiten, dan geloof ik dat wij dit moeten doen met de opmerkingen:

Mens-zijn betekent in de eerste plaats ook jezelf de kans geven om jezelf te zijn; jezelf de kans geven ook om te spelen en te lachen, om plezier te maken. Wie zichzelf ongelukkig maakt ter wille van een hiernamaals, die is ‘ongelukkig omdat het hiernamaals daarvoor niet de beloning geeft, die hij meent te mogen verwachten. Hij komt dan vaak in het duister terecht. Ontzeg u op de wereld alleen die dingen, waarvan u weet dat ze niet voor u passen, niet juist zijn, om welke reden dan ook.
Wees gelukkig wanneer u kunt. Wees vrolijk, lach! Maar lach met anderen en niet om anderen. Dat is de essentie van uw mens-zijn. In deze dingen vindt u het zaad voor een geestelijke grootheid, die alle tijd kan overwinnen.
De mens, zoals hij op aarde voorkomt, is een schimmig voorbij flitsend deeltje; een facet van een werkelijk en onveranderlijk ‘ik’ dat kosmisch bestaat en dat voortdurend zichzelf herontdekt. Wij spreken over ‘mens’ maar wij spreken in feite over ‘eeuwigheid’, uitgedrukt in een vorm, die conflict mogelijk maakt. Laten wij dan het conflict niet beschouwen als absoluut verwerpelijk, maar laten wij begrijpen dat het conflict alleen dan aanvaardbaar is, indien het voor onszelf aanvaardbaar is en wij daarmee gelijktijdig niet anderen een conflict opdringen omdat wij dit toevallig aangenaam vinden.
Ik denk dat ik hiermee het wezen van de mens voor een laatste keer nog enigszins in woorden heb kunnen vangen. Ik dank u voor de aandacht, gegeven gedurende deze lezingen, ook de aandacht die u heeft besteed aan de kennisneming van deze lezingen en beëindig hiermee deze bijdrage en de cursus.

Vragen

In dit tweede deel krijgt u de gelegenheid om uwerzijds punten van belang aan te stippen of vragen te stellen.
  • De vorige spreker had het over de waarde van het mens‑zijn in de sferen. Want kan het mens‑zijn nog voor waarde hebben in de sferen?

Ongeveer dezelfde waarde, die schoolonderwijs heeft als je in de maatschappij komt en je dus niet meer naar school behoeft te gaan.

  • Aan de andere zijde leer je toch ook altijd?

In de sferen leer je ook. Je hebt echter een basiskennis nodig. Als mij de vraag wordt gesteld wat de betekenis van het mens‑zijn in de sferen nog kan inhouden, dan moet ik allereerst constateren dat de mens, als hij op aarde is, daar enorm veel ervaringen opdoet. Hij leert dus vele dingen, die hij in de sferen op die wijze niet kan leren. Hij heeft daardoor een basiskennis, waardoor hij harmonisch kan zijn met andere krachten. Hij kan dan in de sferen verdergaan. Maar op het ogenblik dat je geen enkel begrip, geen ervaring, geen punt van overeenstemming hebt met een andere entiteit ‑ hoeveel hoger die eventueel ook staat ‑ kun je daarmee geen contact krijgen. Dan is het zelfs niet mogelijk van die ander lering te ontvangen. Dan is het ook niet mogelijk waarlijk harmonisch te leven met degenen, die in je eigen sfeer bestaan. Er ontstaat een isolement dat je praktisch alleen kunt ontvluchten door terug te gaan naar de wereld of door de gehele geestelijke sfeer te verwerpen en daardoor in dat isolement terecht te komen dat wij ‘de duisternis’ plegen te noemen. Het zal u duidelijk zijn dat het mens‑zijn, hoewel op zichzelf maar een enkele fase in een totale ontwikkeling, vanuit geestelijk standpunt wel zeer belangrijk is; niet om datgene wat men als mens bereikt, maar om datgene wat je ervaart. Want het is deze ervaring, waardoor je be­grip krijgt voor de wezensinhoud van anderen en zo de mogelijkheid ge­wint tot een verdergaande geestelijke ontplooiing.

  • Een mens denkt zijn mede‑mens te helpen, maar dat doet hij meestal faliekant verkeerd.

Als wij hier het thema medemenselijkheid aansnijden, dan valt ons op dat over het algemeen de mens, die een ander wil helpen uit mede­ menselijke gevoelens, daarbij geen rekening houdt met die ander. Dat communicatie noodzakelijk is tussen mens en mens, zal niemand ont­kennen. Maar een ware communicatie kan immers alleen dan ontstaan, indien wij elkaar erkennen als afzonderlijke waarden met een eigen in­houd, een eigen wil, een eigen betekenis. Vele mensen die anderen hel­pen, vergeten dit. En als zij dan iemand helpen, doen zij voor die ander wat zij misschien zelf gedaan zouden hebben in die omstandigheden, maar beschouwd vanuit het eigen leven, eigen relaties, eigen geestelijke achtergronden. Het resultaat is dan vaak dat, wat voor henzelf inder­daad goed zou zijn geweest, voor de ander volkomen verkeerd is. Mogelijk kunnen wij hier een voorbeeld geven, dat dicht bij uw eigen stoffelijke werkelijkheid ligt:
Er is een verkeersongeluk gebeurd. Iemand ligt daar op de grond. De eerste gedachte van sommige mensen is: laten wij hem opnemen en een beetje gemakkelijker neerleggen. Maar zij hebben geen kennis van het menselijk lichaam. Zij kunnen niet constateren in hoeverre er b.v. een ruggengraatkwetsuur is, of misschien gebroken ribben, die gevaarlijk kunnen zijn. Kortom, zij weten niet precies wat zij doen maar hebben het gevoel: als ik zo op straat zou liggen, dan zou ik het toch erg prettig vinden, als iemand mij eerst het wat gemakkelijker maakte en mij dan redelijk zou toedekken. Dat zij daarmee het leven van de ander in gevaar brengen, komt niet in hen op omdat zij niet kijken naar wat die ander mankeert en geen poging doen eerst te begrijpen wat de toe­stand van de ander is. Ik meen dat, als je alleen maar over de mogelijkheden nadenkt, veel van dergelijke vergissingen dan niet zouden voorkomen. Zo is het in het gehele leven. Als je iemand wilt helpen, dan is dat best. Maar dan moet je de ander helpen volgens zíjn noden, zijn behoeften, zijn persoonlijkheid, niet volgens je eigen normen of je denkbeelden alleen. Het is beter iemand niet te helpen dan hem alleen te helpen volgens je eigen visie zonder rekening te houden met die ander. In deze zin is medemenselijkheid een woord geworden dat heel vaak wordt misbruikt voor een doordrijverij, waarmee men anderen de eigen waarden opdringt zonder zich af te vragen wat de betekenis daarvan voor die anderen zou kunnen zijn.  Er bestaat ook nog zoiets als een aansprakelijkheidsgevoel in het leven. Als er nu mensen zijn, die op een gegeven ogenblik elkaar misbruiken, zet dan die verantwoordelijkheid zich voort in de sferen? Als je beseft dat je ergens iets kunt voorkomen, dan zul je dus je moeten afvragen:
a. Is het voor de ander belangrijk dat ik dit voorkom?
b. Beschik ik over de middelen om dit te voorkomen?
c. Wat is de handelwijze, waarmee ik voor anderen zowel als voor mijzelf een zo gering mogelijke schade of mogelijkheid tot schade veroorzaak?

Het zal u duidelijk zijn, dat de verantwoordelijkheid, die wij be­seffen tegenover een ander te hebben, een emotie is. Het is een denk­beeld en als zodanig speelt dit ook een rol na de overgang. Maar de juistheid van het denkbeeld is daarmee niet aangetoond. Het is daarom belangrijk dat wij ons in het gevoel verantwoordelijk te zijn voor an­deren ook afvragen of deze verantwoordelijkheid werkelijk door ons wordt beseft, op welke wijze wij deze beseffen en over welke middelen wij be­schikken om haar te dragen. Heel veel mensen zijn geneigd een verant­woordelijkheid op zich te nemen, terwijl zij in feite niet over voldoen­de middelen beschikken. Zij willen iemand redden, maar zij hebben geen middelen om die ander werkelijk te redden. Het resultaat is dat zij zich moeilijkheden en gevaren veroorzaken, terwijl zij in wezen de toestand van de ander eerder verergeren dan verbeteren. Ook hier moet dus wel gelden: Realiseer u eerst of de verantwoordelijkheid, die u spontaan misschien op een gegeven moment gevoelt, een werkelijke verantwoordelijkheid is en vraag u af hoe ver uw mogelijkheden reiken om ook de beperking van de gevoelde verantwoordelijkheid te beseffen. Eerst in dat geval kunt u de werkelijke verantwoordelijkheid aanvaarden en dragen.

  • Kunt u iets zeggen over het gezegde ‘Geef en u zal gegeven worden. Wat wordt gegeven?

Als u al deze dingen beziet en u vraagt zich dan ook nog af waarom eens is gezegd ‘Geef en u zal gegeven worden’, dan realiseert u zich misschien niet voldoende wat uw eigen relatie met de wereld is. Die wereld is voor u zoals u haar beleeft en ziet; iets wat maar ten dele kan worden beheerst, inderdaad. Maar het is ook een wereld, waarmee u zelf door wat u bent en wat u doet, uw verhoudingen bepaalt. De relatie met de wereld kan er een zijn, waarbij u de wereld geeft. Nu moet u niet verwachten dat die wereld precies hetzelfde zal terug­geven. Het is geen ongewenst verjaarspresent, dat de ronde maakt. Maar als u geeft, dan zal dit geven zelf al een fysieke en psychische bevrediging schenken. Met andere woorden, u kunt het leven door deze achtergrond van gevoelens gemakkelijker aan. U heeft dus een besef van die wereld waardoor u ook gemakkelijker begrijpt wat die wereld u ook voortdurend aanbiedt. Want de wereld biedt u veel, maar u schuift het meestal opzij. Soms misschien uit verkeerd begrepen gevoeligheid omdat u meent dat u het niet moogt aannemen of andere redenen heeft om het af te wijzen. Als men gegeven heeft, dan is men ook meer bereid te nemen. De relatie, die er tussen het ‘ik’ en de wereld bestaat, be­rust op wederkerigheid. Als ik geef, zal mij ook gegeven worden. Dat ‘gegeven worden’ is dus niet van dezelfde orde van grootte als het geven. Het kan zijn dat u iemand een aalmoes geeft, die u kunt missen. Dan heeft u hoogstens de bevrediging en verder niets. Het kan ook zijn dat u iets geeft wat eigenlijk verder gaat dan uw middelen en mogelijkheden. Dan zal de wereld het u vaak mogelijk ma­ken om iets wat u graag zou willen hebben of wat u nodig heeft maar wat u normaal niet kunt krijgen, op een bijzonder voordelige of onver­wachte wijze te verwerven. Er is een oorzaak‑en‑gevolgrelatie, die niet gebaseerd is op de menselijke waardering van de gift of van het ontvangene, maar waarbij wel de innerlijke graad van belangrijkheid bepalend is voor de reacties, die u uit de wereld ontvangt. Dus: ‘geef en u zal gegeven worden’ is in deze volledig juist.

  • Hoe kun je iemand troosten, die haar man heeft verloren en daar helemaal niet overheen kan komen?

Hier komt een vraag, die voor mij eerlijk gezegd moeilijk te be­antwoorden is: Hoe kun je iemand troosten, die haar man heeft verlo­ren en haast ontroostbaar is?
In de eerste plaats: Je leeft zelf en dat moet je ook de ander pro­beren duidelijk te maken. Je bent niet afhankelijk van een andere per­soon. Je hebt verplichtingen tegenover jezelf, tegenover de wereld. Innerlijk ken je die wel en als je ze probeert te ontwijken, dan is dat eerder een zwakte dan een deugd.
In de tweede plaats: Vele mensen treuren over wat zij hebben ver­loren, omdat zij bang zijn voor datgene wat de wereld nog voor hen in petto heeft. Begrijp heel goed dat je niet bang moet zijn voor het le­ven dat komt, want je kunt het toch niet vermijden. Je kunt het alleen voor jezelf disharmonisch of harmonisch maken. Kies voor harmonie.
In de derde plaats: Realiseer je dat het voortdurend blijven treuren over een verlies, een vorm van zelfzucht is, want je treurt niet over degene, die is heengegaan maar over het feit dat de rela­tie, die je kende met die persoon, nu niet meer zo bestaat. Als je deze zelfzucht aflegt, is de mogelijkheid veel groter dat er een geeste­lijk rapport ontstaat en je een werkelijk contactevoelt, zij het nu op geestelijke basis, zoals dat stoffelijk heeft bestaan.
Dit zijn de drie punten, die ik persoonlijk naar voren zou brengen.
Wij moeten echter goed begrijpen: er zijn mensen, die zich niet willen laten troosten omdat hun leed voor hen gelijktijdig een recht betekent dat zij op de wereld hebben. Er zijn mensen, die ziek zijn en niet genezen willen worden omdat hun ziekte voor hen een weg is, waardoor zij de moeilijkheden op aarde ontwijken. Deze dingen bestaan nu eenmaal. Wij kunnen ze niet goedkeuren. Maar als iemand wil treuren en niet bereid is te begrijpen wat wij zeggen, wat wij bedoelen, wat wij doen, dan moeten we de ander ook het recht laten te treuren, zelfs indien zo iemand daaraan te gronde zal gaan. Want wij hebben niet het recht een geest, die in de stof leeft op welke wijze dan ook, het opdoen van ervaringen, welke voor die geest belangrijk schijnen te zijn, onmogelijk te maken. Wij kunnen slechts trachten om vanuit ons eigen besef voor die ander zoveel mogelijk harmonie op de wereld te scheppen, mits de ander dit kan begrijpen en aanvaarden.

  • U had het erover dat we door stoffelijke ervaring tot het geeste­lijke kunnen komen. Is dat ook de reden dat wij op een gegeven moment vastlopen in het geestelijke en nogmaals proberen op aarde terug te ko­men om meer ervaring op te doen?

Hier krijgen we dan weer een heel bekend thema. Wij kunnen in de ma­terie het hoogst geestelijke bereiken juist door het materiële. Indien wij dat niet bereiken, komen wij dan op aarde terug om dat wél te doen? Ik ben bang dat dat niet zo is. Althans voor het merendeel van de incarnerenden. Als wij nl. beseffen dat ons leven onvolledig is, dan hebben wij toch een basis waarop wij geestelijk verder kunnen gaan. Maar in vele gevallen weigeren wij onze eigen tekorten te erkennen. En door het eigen tekortschieten terzijde te werpen, moeten wij dan proberen op de een of andere manier een vervanging te vinden voor de geestelijke contacten. Het resultaat is dat wij onze eigen tekorten ontwijken; en dat doen we dan meestal door het afwijzen van elke indruk die dit zou kunnen benadrukken, waardoor de terugkeer naar de wereld voor ons meestal het enig mogelijke is.

  • Dus als men zich daarvan bewust is, komt men hier niet meer terug?

Degene, die zich bewust is van de tekortkomingen die in de materie zijn ontstaan, weet dus ‑ zij het negatief ‑ wat hij had moeten doen. Daardoor kan hij ervaringen of uitstralingen die daarmee in verband staan als harmonisch erkennen, aanvaarden en zelfs teruggeven. Dit betekent dus dat een contact mogelijk is dat in feite gelijk is aan wat er in een perfect leven bereikt zou kunnen worden. En dat impliceert weer dat dan geen terugkeer naar de aarde noodzakelijk is, maar een verdere geestelijke ontwikkeling zonder meer mogelijk is. Wij moeten er echter rekening mee houden dat juist deze erkenning van eigen tekortschieten voor de meeste entiteiten niet geheel bereikbaar is. Dat is dan ook de oorzaak van hun meerdere incarnaties in de stof.

  • Hoe is het met het stimuleren van het ‘ik’ in deze zin: als men druk met iets bezig is of als men ergens in verdiept is, dan vergeet men zichzelf. Is dat een goede zijde of niet een goede zijde?

Een mooie vraag. Is het goed of niet goed om jezelf te vergeten? Je kunt wat je werkelijk bent, niet vergeten. Je kunt alleen vergeten dit als tegenstelling tot de wereld te zien. Maar alles, waarin je je verdiept, waarin je opgaat, is tenslotte een verlengstuk van het ‘ik’. Het zijn de eigen ervaringen, het zijn de gedachten die daarbij een rol spelen. Op deze wijze word je je bewust van de verdere inhoud van het ‘ik’. Je verliest je ‘ik’ niet, maar je gaat je ‘ik’ a.h.w. onpersoonlijker beleven en daardoor juister. Je neemt feiten op als deel van het ‘ik’, die je zonder een dergelijke te grote geboeidheid ‑ zoals men dat op aarde pleegt te zeggen ‑ nimmer zou bereiken. Dus opgaan in anderen, in iets anders, is op zichzelf gunstig. Hiermee bereik je dus een aantal ervaringen als deel van het ‘ik’, die spon­taan en zonder waarneming of beoordeling worden geabsorbeerd in het ‘ik’, daarin worden verwerkt en als een harmonisch deel van het geheel kunnen functioneren, terwijl de tegenstellingen die vaak ontstaan, als wij toch nog een afstand leggen tussen “dit ben ik en dat is een ander”, niet meer kunnen voorkomen en als zodanig bepaalde disharmonieën, bepaalde problemen kunnen worden vermeden;

  • Ik vraag mij wel eens het volgende af: Er zijn op aarde vele rijken en vele beschavingen geweest, die allemaal een ideaal hebben gekend, een doel nagestreefd. Is dat niet zoiets als een gouden draad, die door de gehele menselijke geschiedenis loopt? Is dat wat je in de goede zin van het woord ‘algemeen menselijk’ zou kunnen noemen? Hebben zij allen een en hetzelfde soort ideaal nagestreefd of wisselde dat met iedere bescha­ving en met ieder rijk?

Ja, heeft de mens een soort ideaal, dat als een gouden draad door alle beschavingen heen loopt? Als wij kijken naar de uiterlijkheden, dan moeten wij dat natuurlijk ontkennen. Er zijn grote verschillen tussen deze beschavingen. Als wij kijken naar datgene wat vanaf het begin der mensheid tot op het heden een grote rol heeft gespeeld, dan blijkt het voor de mens vooral te zijn: het zoeken om een voor hem aanvaardbare relatie met het leven, het bestaan en zijn wereld te verkrijgen. Of hij dat doet mid­dels bepaalde machtsbeelden, zelfverheffing of door altruïsme onder leiding van grote geestelijke Meesters of misschien zelfs misleid door anderen, blijkt veel minder ter zake te doen dan men op het eerste gezicht zou zeggen. In al die gevallen zoekt de mens te zijn, betekenis te hebben om daardoor zichzelf en zijn leven te kunnen aanvaarden. Indien hem dat niet mogelijk is door zijn kennis, zijn begrip van de innerlijke waarden alleen, dan projecteert hij delen van zichzelf naar buiten toe en geeft daar namen aan (soms van idealen, soms van goden) en tracht zo met deze geprojecteerde krachten dan toch tot een balans te komen, waardoor zijn leven aanvaardbaar wordt. Indien u mij vraagt, of er een gouden draad loopt door alle be­schavingen, dan zou ik zeggen: ja. De menselijke behoefte gelukkig te zijn en het menselijk besef dat je dat nooit alleen kunt zijn.

  • Ik kom tot deze vraag omdat diep in ons de Goddelijk Vonk een stukje van de grote Schepper is, dus moeten wij ergens allemaal het­zelfde zijn, alleen de buitenkant verschilt.

Dit is een beetje simpel geredeneerd. Als wij allen filmbeelden van dezelfde projector zijn en het licht van de projector blijft con­stant, dan is de projectie die wij veroorzaken steeds een andere. Wij verschillen wel degelijk van elkaar; soms in details, soms in to­tale opzet; Maar wij zijn allen tezamen nodig om de film, die men kos­mos noemt, te projecteren op het doek der bewustwording. Commentaar?

  • Ik zou niet durven. Ik weet er te weinig van af.

Daar haalt u iets typisch menselijks aan. Ik zou het een gouden draad willen noemen, die door alle beschavingen loopt; maar ik zou het toch ook wel een typisch menselijke eigenschap willen noemen. De meeste mensen spreken met de meeste deskundigheid over de dingen, waarvan zij niets afweten. Pas de mensen, die beseffen dat zij ergens niet voldoende van afweten, komen soms tot een beperkte maar belang­rijke kennis van hetgeen zij dan gaan onderzoeken. Onkunde plus verwaandheid zijn de oorzaak van de meeste menselijke dwaasheden en voor het grootste gedeelte van de menselijke ellende.

  • Is dit hetzelfde dat een Chinese wijsgeer zei: “Hij, die denkt dat hij wijs is, hij is niet wijs.”

Dit is een bekend gezegde, dat onze vriend Henri wel anders pleegt uit te drukken: “Een wijze is alleen hij, die zijn eigen dwaasheid beseft. Maar wie zich wijs noemt, beseft zijn dwaasheid niet en is dus dwaas. .”

  • Wilt u dit eens belichten? Ik begrijp het namelijk niet: ‘Werpt niet uw parelen voor de zwijnen enz.’ Er zit iets hoogmoedigs in.

Als je het doet, is het een dwaasheid en geen hoogmoed. Parelen, dus kostbaarheden, moet je ook daar brengen waar zij worden gewaardeerd. Als je naar de varkens gaat, dan is het verstandiger ze wat maïs te geven dan parelen. Zij zullen beide proberen te eten, maar de maïs bekomt ze beter. Zo is het ook met de mensen. Er zijn mensen, die geen begrip hebben voor b.v. filosofische betogen of kosmische wijs­heden. Dan kunt u die mensen iets anders geven wat hen misschien beter bekomt.

Afsluiting

Wij hebben u deze maal de gelegenheid gegeven om nog vragen te stel­len en discussiepunten naar voor te brengen. Ik heb in het begin, toen er samenhang was, mijn best gedaan de beantwoording zodanig in te kleden om een sluitend geheel te krijgen. Met de laatste vragen was mij dat he­laas niet goed mogelijk. Maar het was belangrijk voor u dat u voor een laatste maal uw reacties op onze betogen nog even duidelijk heeft kunnen maken. Want de betekenis van dit alles wordt door u bepaald.
U bent mens. En datgene, wat voor u harmonisch is, wat door u kan worden aanvaard en beleefd, is het enige waar het voor u op aan komt. Later komt er een tijd dat u misschien veel van hetgeen wij u hebben gezegd, in een geheel ander licht zult zien, maar daarover behoeft u zich thans geen zorgen te maken. Nu, gaat het er om dat u mens bent zo goed, zo gelukkig, zo aangenaam mogelijk en dat u gelijktijdig daarbij een zo groot mogelijke harmonie vindt zowel met uw eigen wereld als met de andere werelden, waarmee voor u een contact ‑ bewust of onbewust ‑ bestaat.
Het geheel van onze studie van de mens ‑ overigens op uw verzoek begonnen ‑ heeft ons gevoerd door dwaaltuinen van menselijke denkbeelden. Wij hebben heel wat uitspraken gedaan, die voor sommigen misschien minder aanvaardbaar zullen zijn. Wij hebben daarnaast waarheden als koeien verteld. En dan zegt iedereen: ja, dat heb ik ook wel zo gedacht. Het gaat er niet alleen om wat u denkt, het gaat er om wat u diep in u voelt. Zo min als het er om gaat of ik of mijn collega’s het allemaal netjes hebben uitgedrukt. Het gaat er om of` u het heeft begrepen. Dit begrip heeft ‑ voor zo ver ik dit kan nagaan ‑ bij velen van u voor verscheidene van onze lezingen wel bestaan. Dat lijkt mij belangrijk.
Ik wil u hier herinneren aan onze voorlaatste les, die ging over het ontwaken van de mens; de bewustwording en inwijding, die in de materie mogelijk zijn. U leeft nl. in een tijd dat het wakker‑worden wordt gesteund door vele krachten; maar ontwaken doet u zelf. Misschien vindt u in het vele dat wij u hebben gebracht, ergens die sleutel, die uw dromen kan verbreken en u kan doen ontwaken tot de werkelijkheid, waarin men in uw wereld dient te vertoeven.
Ik zal u dit keer niet vragen of u nog een meditatie‑onderwerp wilt geven; er wordt meer dan genoeg gemediteerd. Al deze bespiegelingen ‑ hoe schoon of hoe fraai ze ook moge zijn ‑ komen toch altijd weer neer op een en hetzelfde punt. Je leeft, je bent mens, dus moet je leven.
‘Leven’ wil zeggen: schuw niet het beleven. Vlucht niet weg voor de praktijk in de theorie. ‘Leven’ wil zeggen: besef wat je bent en maak waar wat je bent.
Het leven betekent: één enkel zeer klein facet van een kosmisch-goddelijke totaliteit gestalte geven op een zo harmonische wijze, dat je zelf daardoor het kosmisch gehalte kunt ervaren en je verbinding daarmee bewuster en steeds vollediger voor jezelf kunt constateren.
Wij danken u voor de aandacht, die u ons heeft gegeven. Onzerzijds menen wij u menig denkbeeld te hebben gepresenteerd, dat die aandacht waardig was. Zijn wij naar uw denken soms tekort geschoten, vergeef het ons. Wij hebben gewerkt met onze middelen, zo goed wij konden. Indien u meent, dat sommige dingen te hoog voor u zijn, trek u er niets van aan. Want naarmate u zich minder klein voelt, zult u geestelijk groter worden en meer contact kunnen opnemen met hogere waarheid. En dan zijn onze waarheden misschien maar zeer klein.