Is er leiding in het heelal?

image_pdf

9 oktober 1959

Allereerst wil ik u erop wijzen dat wij niet alwetend, of onfeilbaar zijn. Daarom verzoek ik u ook zelfstandig na te denken. Ons onderwerp is: Is er leiding in het heelal?

Ik meen niet, dat een weldenkend mens zal ontkennen dat er regels in het Al bestaan.

De gehele aardse wetenschap is gebaseerd op wetten en regels, plus de daaruit voortkomende verschijnselen.

In de natuur zien wij wetten optreden die het verloop der natuurverschijnselen reguleren, een evenwicht garanderen, etc. Dat een zekere ordening niet te ontkennen valt, neem ik dus als vaststaand aan. De vraag waarover het heden gaat, is niet of er ordening in het Al is, doch of er ergens een kracht – of wezen – bestaat, dat voor deze ordening aansprakelijk is. Een wezen dat, door in te grijpen, die ordening zou kunnen veranderen. De gebruikelijke argumenten in deze zaak dragen veelal een enigszins theologisch karakter. Dit alles, zo zegt men, kan zo maar niet uit het Niet ontstaan zijn. Spreek niet over toeval. In de wereld rond ons, in de regels die wij steeds weer ontmoeten, zouden dan te veel toevalligheden steken om dit aanvaardbaar te maken.

Het is niet redelijk te stellen dat dit alles spontaan ontstond door de onbeheerste werking der natuurkrachten. Wij moeten wel aannemen – zo zegt men – dat ergens een kracht is die zijn wil in deze regels tot uitdrukking heeft gebracht. Dat is dan de Schepper.

Tegen deze argumentatie is nogal het een en ander in te brengen:

  1. Het bestaan van een God zou volgens deze redenering evenzeer een toevalligheid zijn te midden van vele mogelijke toevalligheden, als de ordening en het bestaan der aarde.
  1. Aannemende, dat zich in het heelal vele miljoenen planeten bevinden, gezien verder de vele elementen is het zeker niet verwonderlijk, dat ook bij een willekeurige vorming van het Al ergens een paar planeten voorkomen met juist deze levensmogelijkheden en vormen. Gezien de eigenschappen van straling en elementen kunnen wij zelfs aannemen, dat ongeveer gelijke condities elders in het Al ongeveer gelijke levensvormen hebben voortgebracht. Een God is hierbij niet onontbeerlijk.

Wanneer wij dan toch aan een God willen geloven, moeten wij ons dan ook wel voor ogen stellen, dat dit voor ons evenzeer een kwestie van behoefte is – onzerzijds – als een kwestie van redelijk denken. Ik meen zelfs, dat het bestaan van een God op te bewijzen gronden, niet aanvaardbaar te maken is. Alleen de filosofie kan ons hierbij helpen. Wij zullen gaarne een oogje dichtdrukken t.o. onredelijke argumenten, omdat wij in ons de behoefte gevoelen aan een grotere kracht, waarmede wij in verband staan.

In het esoterische vlak vinden wij menig argument dat ook met behoud van een redelijk denken gebruikt kan worden, om het bestaan van een God tenminste zeer aannemelijk te maken.

  1. Wanneer wij in de geest leven, dan wel in de stof, en ons geheel van de geest bewust worden, weten wij dat wij al eerder geleefd hebben en nog verder leven zullen. Ook vanuit Christelijk standpunt is dit niet zonder meer een ketterse stelling, want ook Jezus roept uit: “Voor Abraham was, was Ik” Later zegt Hij: “Ik ga heen om u een plaats te bereiden”. Hij geeft daarmede duidelijk te kennen dat het leven, dat Hem na de verheerlijking wacht, ook voor Zijn leerlingen zal bestaan. Zowel het voortbestaan als het voorbestaan zijn dus factoren die in het Christelijk geloof zonder meer passen. Wel legt men hierop vaak te weinig nadruk. Door eigen ervaren worden deze dingen echter zekerheden, dus redelijke factoren.
  2. Nu stel ik – uit eigen ervaring sprekende – dat zowel in voorbestaan als voortbestaan, ongeacht het feit dat deze zich afspelen in geheel andere werelden en onder geheel andere condities dan uw huidig leven, dat ook in deze fasen dezelfde psychische wetten blijven regeren, die wij op aarde ten dele hebben leren kennen door de wetenschap.
  3. Gezien de geheel verschillende werelden en condities wordt dan voor mij aannemelijk, dat er ergens een kracht bestaat die deze regels in alle mogelijke werelden gelijkelijk tot uitdrukking brengt. Uit de werelden waarin wij bestaan, vloeit namelijk zonder meer en logischerwijze voort, dat wij:
  4. Ons bewustzijn van een andere wereld behouden.
  5. Op dit bewustzijn een aanpassing aan de nieuwe wereld op kunnen bouwen, dat ons de toegang tot steeds hogere en Lichtere sferen – of werelden – verschaft.
  6. Dat wij op deze wijze een steeds verdergaand overzicht kunnen gewinnen over het geheel, waarbij een onverbrekelijke samengang tussen alle schijnbaar helemaal verschillende gebeurtenissen, werelden en punten ons steeds duidelijker voor ogen komt te staan.

Op grond van deze waarnemingen enerzijds geloven wij dan ook in een God. Wij kunnen niet geloven in een God die slechts een toevalsfactor is. Wanneer God Zelf een toevallig ontstane persoonlijkheid zou zijn, dan valt voor ons de idee, de zin van de Schepping weg. Het behoefte element in ons dwingt ons dan ook deze God te zien als Alomvattende, Bestaande, zowel buiten als in de gekende Schepping. Wij nemen dan ook aan, dat er een God bestaat.

Hiermede zijn wij nog niet tot een oplossing gekomen van de vraag of er leiding is in het heelal.

Ons concept van God maakt dit namelijk niet zonder meer noodzakelijk. Als voorbeeld kan hier de wreedheid in de dierenwereld dienen. Daar geldt immers: Eet, of wordt gegeten, jaag, of wordt gejaagd. Als verder voorbeeld kan gelden, dat alle leven slechts kan voortbestaan ten koste van ander leven. Dit geldt ook voor u, vrienden, zelfs wanneer u vegetarisch leeft. Ook dan zult u door uw voeding het leven, of tenminste de mogelijkheden van voortbestaan en ontstaand leven van de planten aantasten door uw noodzakelijke voeding. Er is dus zeker niet sprake van een liefdevolle God, Die alle dingen zonder meer doet bestaan. Het feit, dat de mens zelf tot grote wreedheden in staat is, als oorlogen e.d., terwijl ook afwijkingen mogelijk zijn als bv. sadisme, pleit ook al niet voor het bestaan van een alomvattende en liefdevolle Godheid. Wij kunnen namelijk deze in de Schepping bestaande eigenschappen vanuit ons standpunt niet verenigen met het Goddelijke. Het is dan ook niet te verwonderen, dat sommige mensen aannemen, dat God wel geschapen heeft, maar sindsdien geen aandacht meer schenkt aan Zijn Schepping. In dit geval zou er dus wel een God bestaan, maar toch geen leiding zijn in het heelal.

Nu is het voor ons heel moeilijk tot het Goddelijke, tot God Zelf door te dringen. U moet dan ook niet van mij verwachten dat ik ga argumenteren vanuit het Goddelijke. Bij een niet kennen van God in Zijn geheel, leidt dit overigens alleen maar tot allerhande misvattingen en onredelijke speculaties, die in dit verband zeker niet verantwoord kunnen worden. Ik zal bij mijn verdere betoog uitgaan van wat wij als geest weten, hopende, dat u hierbij zelf uw stoffelijke ervaringen verder aan zult kunnen passen.

Wanneer wij overgaan vanuit de stof naar de sferen, ontdekken wij, dat daar wezens en personen bestaan die soms wel, soms niet in de stof bestaan hebben. Zij helpen ons, staan ons bij in ons zoeken naar Licht en trachten ons, zij het slechts met zeer zachte drang, te bewegen de juiste richting te kiezen. Indien wij na enige tijd in de sferen vertoefd te hebben een taak willen aanvaarden, ontdekken wij, dat er wijzeren zijn die ons bijstaan in het kiezen van die taak en tevens ook met de vervulling ervan. Wanneer wij eenmaal tot een zelfstandig werken op aarde, of lagere sferen, zijn gekomen, ontdekken wij, dat verklaring voor de raadsels die daar voor ons bestaan, gevonden kan worden door raad te vragen aan hoger bewusten. In de beperking van onze sferen is er dus wel zeer zeker sprake van leiding. Ook wordt ons voortdurend hulp gegeven, indien wij deze begeren.

Deze dingen zijn op uw aarde niet zo gemakkelijk te erkennen. Toch zal elke mens gedurende tenminste een zeer groot deel van zijn leven worden geholpen en bijgestaan – dan wel gehinderd en achtervolgd – door krachten uit een andere wereld. Dezen trachten hem te leiden in hun eigen richting. Ook hier is dus wel degelijk sprake van een contact met andere werelden en mag – zeker waar het de Lichtkrachten betreft – van leiding worden gesproken. Hieruit volgt tevens dat er samenhangen bestaan tussen verschillende werelden, dat deze samenhangen op bewustzijn gebaseerd zijn. Verder ook, dat deze onderlinge beïnvloeding van verschillende werelden en sferen zeker ook in het aardse gebeuren zijn werking niet mist. Ook op aarde bestaat, tenminste in meer beperkte zin, leiding.

Ook dit vormt geen volledig antwoord op onze vragen. Wij dienen nog verder te gaan.

Hiertoe zullen wij ons moeten wenden tot de onderzoekers in de geest – waaronder ik ook mijzelf reken – die trachten de gehele wordingsgeschiedenis van het Al te achterhalen. Daarbij stuiten wij op een hiërarchie. Dit is een opbouw van steeds meer bewuste wezens, die, naarmate wij hoger komen, steeds geringer in aantal zijn, terwijl elk van hen voor zich steeds leiding blijkt te geven aan in verhouding grote gebieden van de kosmos. Wanneer er, zover als wij dit kunnen volgen, sprake is van een logische en verantwoorde hiërarchie, mogen wij m.i. ook aannemen, dat in de gehele kosmos een centraal punt bestaat, van waaruit – middels deze hiërarchie – leiding wordt gegeven aan alle gebeuren, aan alle bewustzijnswaarden en aan alle stoffelijke vormen. Onze ervaringen op dit gebied brengen ons o.m. tot deze vaststelling: Overal waar een groep van gelijk denkenden werkzaam is, wordt een geestelijke leiding gegeven. Deze geestelijke leiding is over het algemeen wel in harmonie met de groep, maar bezit een bewustzijn, dat het bewustzijn van de groep aanmerkelijk overtreft. Ook indien meerdere geesten in het geven van leiding verbonden blijken, zal onder hen altijd weer de meest bewuste de leiding hebben.

Wanneer wij naar de volkeren zien, blijkt, dat zij hun eigen “Scheingestalt” creëren. Dit is een soort ideale figuur, bestaande op het astrale vlak die kan gelden als de uitdrukking van het gemiddelde denken en handelen van dat volk. Wij zien dat deze figuur – en via deze “Scheingestalt” ook het volk – wordt beïnvloed door bewuste entiteiten, die op eigen wijze en in overeenstemming met hun eigen wezen trachten het bewustzijn van het gehele volk te ontwikkelen. Indien wij terug gaan in de geschiedenis der aarde, dan vinden wij bij haar ontstaan een groot aantal entiteiten dat samenwerkt om leven te scheppen. Zij behoren allen tot de zeer Lichtende geesten. Later, wanneer eenmaal leven is ontstaan, gaat elk van hen meer en meer bewust zijn eigen weg. Wij zien hen dan met verschillende vormen en mogelijkheden tot scheppen van bewustzijn experimenteren. Dit blijft voortgaan tot een aantal vormen ontstaat van redelijke bewustzijnsmogelijkheid en grote levensvatbaarheid. De hiervan nu heersende is de mens.

Er is dus nadrukkelijk sprake van een totale leiding voor het lagere bewustzijn. De z.g. instinctieve drang, ja, zelfs het ontstaan van sprongmutaties wordt veroorzaakt door grotendeels geestelijke invloed. Voor de aarde zelf is er in het geheel van haar ontwikkeling voortdurend sprake van geestelijke leiding. Al deze groepen vormende en leidende hogere geesten staan weer onder invloed en leiding van een grotere persoonlijkheid, die bij nadere beschouwing de Heer – of heerser – der aarde blijkt te zijn. Deze is de feitelijke bezieler van de aarde. In zekere zin is dan ook de aarde zijn lichaam. Deze blijkt weer onder invloed van de sterregeest der zon te staan, die op zijn beurt verschillende functies verdeelt onder verschillende planeetgeesten en hen leiding geeft. In de ontwikkelingen bestaan – vanuit menselijk standpunt gezien – zeer grote tijdsverschillen.

T.o.v. de zon zijn deze verschillen niet groter dan de verschillen in een gezin tussen kinderen, die ongeveer een jaar na elkaar geboren worden. Ook hier is sprake van een logisch werkende leiding. Nu blijkt dat de zon weer een kleine en onbelangrijke geest is in een forum van sterren, die tot een zeker deel van de Melkweg behoren: Het randgebied. Ook andere delen van het Melkwegstelsel blijken een soortgelijk forum te vormen. Allen tezamen – inclusief de grotere en sterker vertegenwoordigde geesten uit het middendeel – schijnen zij hun krachten en leiding te ontvangen van een grote persoonlijkheid, die geheel het nevelstelsel omvat en regeert. Ook hier is – zover na te gaan – sprake van een leidinggevende persoonlijkheid, welks beslissingen volvoerd zullen worden door het vrije streven van de ondergeschikte geesten. Aan de onder hem staande geesten wordt een zeer grote wils- en beslissingsvrijheid gelaten. Het nu volgend deel van mijn betoog wordt mij moeilijker. Wij kunnen hier namelijk zelf geen definitieve vaststellingen meer doen. De krachten boven de Heer van het stelsel onttrekken zich aan onze vermogens tot waarneming. Wij gaan bij de volgende stellingen dan ook af op stellingen en leringen die ons op velerlei wijze bereikt hebben, aangevuld met enkele eigen waarnemingen van minder beslissende geaardheid.

De verschillende sterrennevels schijnen – als persoonlijkheid – verantwoording schuldig te zijn aan een persoonlijkheid die niet in een lichaam gedefinieerd kan worden, doch zich klaarblijkelijk bevindt in ongeveer het middelpunt van het huidige Al. Leegte dus. De invloed van deze persoonlijkheid schijnt zich uit te strekken over het gehele Al en zelfs de begrenzingen daarvan vast te stellen. Toch is dit nog niet hetgeen wij God noemen. Wel is deze persoonlijkheid o.i. het vormende en scheppende element van dit heelal. In leringen ontmoeten wij de stelling, dat naast dit heelal nog een aantal andere heelallen bestaan. Men gaat daarbij zelfs zover tot het getal 63 toe. Ik neem aan dat dit mogelijk is. Het is mij niet mogelijk met enige zekerheid te zeggen dat dit definitief zo is. Hoe het ook zij: zeker is wel, dat de kracht die dit heelal regeert, van buiten dit heelal uit zijn krachten ontvangt, beïnvloed wordt en mogelijk geleid wordt.

Een dergelijke verdeling van krachten en entiteiten zien wij vanuit alle sferen en in alle sferen, en wel zonder enig verschil. De bezieler van de aarde bv. heeft niet alleen in de stof van deze wereld zijn betekenis, maar daarnaast is hij ook het middelpunt van alle wezens die op aarde hun bewustwording volbracht hebben, ongeacht de sfeer waarin zij nu vertoeven, tot in zeer hoge sferen toe. Op grond hiervan stel ik, dat – in algemene zin en zover het de wording en de vorming van sterren, planeten, volkeren en rassen betreft – gesproken moet worden over een leiding die uit een bewustzijn voortkomt en alles gelijkelijk zal voeren tot een reeds bepaald doel.

Met het voorgaande heb ik u getracht te tonen waarom wij menen dat er leiding in het heelal is. Ik zou echter tekort schieten, wanneer ik niet nogmaals zou trachten u duidelijk te maken dat dergelijke leiding ook voor u op uw wereld bestaat en het verband waarin deze leiding moet staan t.o.v. het heelal.

In de eerste plaats stel ik, dat de hoogst bewuste wezens de meest perfecte uitvoerders zijn van de impulsen die hen bereiken – ofschoon zij deze zullen verwerkelijken naar eigen inzicht – zodat de hoogste impuls gelijk is aan de beperking van mogelijkheden die voor de lager bewuste entiteiten optreedt. U bent niet vrij in uw leven. In de eerste plaats wordt uw stoffelijk bestaan beperkt door de tijdsfactor. In de tweede plaats wordt u ook door uw stoffelijke vorm in uw mogelijkheden beperkt en nader bepaald. Ook het gedachteleven en het voorstellingsvermogen blijken op de aarde aan bepaalde grenzen gebonden te zijn. Lijkt het u niet redelijk aan te nemen, dat een kosmisch bewust en denkend wezen deze grenzen en beperkingen heeft gesteld? De vrijheid die wij bezitten, hoe groot zij ons ook moge schijnen, is een beperkte. Hoewel wij van deze vrijheid een misbruik kunnen maken, dat tot ontsteltenis noopt – bv. het werpen van atoombommen, het voeren van oorlogen, het laten verhongeren van volkeren – mogen wij niet zeggen dat dit nu ook hogere leiding is. Toch blijkt ook hier, dat steeds weer paal en perk wordt gesteld aan hetgeen wij op deze wijze kunnen bereiken. Wanneer wij te ver gaan, worden wij uitgeblust, ofwel slagen wij niet, ondanks al onze pogingen. De mens kan met zijn zoeken naar nieuwe wapens heel ver gaan, maar er zijn zekere geheimen die hij niet zal kunnen veroveren, tenzij hij eerst als mens evolueert naar een hoger vlak van bewustzijn en beheersing.

Er is een verband tussen al deze dingen aan te tonen. Ik meen dat dit ook voor u aannemelijk verklaard wordt. Naarmate ons bewustzijn, dat – als een persoonlijk bewustzijn – in ons wezen leeft, kleiner is, zullen de factoren van buitenaf voor dit wezen een groter en meer beslissend belang hebben. Kleine en onbelangrijke variaties zullen door dit wezen niet voldoende gewaardeerd worden. Zij gaan onder in een gewoonte. Hoe minder bewustzijn er in ons bestaat, hoe fellere impulsen er voor ons moeten worden geschapen om een verdere bewustwording mogelijk te maken. In de natuur is – voor de lager bewuste wezens – een zekere mate van wreedheid noodzakelijk. Zonder deze wreedheid zouden niet voldoende felle impulsen ontstaan om de ik-bewustwording te bevorderen bij de krachten die deze lagere voertuigen bezielen.

Wat de mens betreft, deze is zich nog slechts zeer onvolledig bewust van zijn eigen mogelijkheden. Wij zien bv. dat men nog steeds spreekt over paranormaal, parapsychologie. Zo tracht men zijn onvermogen te verklaren, eigenschappen te begrijpen en te beheersen, die in feite inherent zijn aan het menselijk bestaan en dan ook feitelijk deel zijn van het huidige menselijke voertuig. Wanneer de mensheid te materialistisch denkt en te zeer beperkt is in haar levensgewoonten, zal haar bewustwording noch het ras verder ontwikkelen, noch de geest de mogelijkheid bieden, tot een verdere zelfopenbaring te komen. Logischerwijze zal de geest die leiding geeft, in deze dagen de mens toestaan elke felle emotie door te maken die hem tot een juister inzicht van zijn eigen toestand in het Al kan brengen. Dat hierbij mensenlevens teloor gaan en menselijk lijden ontstaat, is – vanuit het standpunt van de leider – niet zo belangrijk. Het lijden van de mens, zelfs indien het 100 jaren duurt, is niets vergeleken bij het bestaan van die geest, vergeleken ook bij de eigen bestaansmogelijkheid van de mens.

Een ondergang is voor de mens verschrikkelijk, omdat hij hierin een uitgeblust worden in eigen wereld ziet. Maar de leidende geesten hebben hun invloed door alle sferen heen en zien alleen een voortgaan op een ander vlak. Voor hen is het sterven van een mens van minder belang, dan dit voor u een verhuizing van de ene straat naar een andere betekent, vlak in de buurt. Het is dus logisch dat de leidinggevende krachten niet op deze menselijke impulsen en gedachten zullen letten. Zij zullen alleen aandacht geven aan het resultaat. Het resultaat dat zij wensen te bereiken is een steeds hoger bewustzijn van de krachten die onder hen staan, zodat zij door een gezamenlijk werken daarmede kunnen komen tot een groter en bewuster aandeel in het scheppingsproces.

Dan mogen wij, ongeacht de voor de mens bestaande onaangenaamheden en strijdigheden niet ontkennen dat er leiding bestaat in het heelal. Deze leiding gaat zelfs zover dat zij tot uiting komt in het leven van elke mens afzonderlijk. Wij moeten dan stellen dat elke mens een aantal mogelijkheden krijgt, doch dat elk van die mogelijkheden beperkt zal zijn door een leider. De mens wordt de mogelijkheid geboden juist te kiezen. Hij is aan de hand van eigen gedachten en wensen gerechtigd, elke willekeurige keuze te doen binnen de mogelijkheden die hem gelaten worden.

Hierdoor zal zijn persoonlijke ontwikkeling – individueel en niet als massaproduct – worden bevorderd. Hij zal uiteindelijk niet anders kunnen doen dan op te groeien tot het doel waartoe hij geschapen werd. In de schijnbare doolhof van het leven leiden alle wegen naar hetzelfde punt. Dit is in de geest beter te beoordelen dan in de stof. Wij zien dat men of wel tot een aanvaarding van de Lichtende krachten wordt geleid – die wij voor onszelf nog God noemen – dan wel tot een gehele verwerping daarvan komen. In dit laatste geval zal een verlies van alle bewustzijn – de dood van een ziel – optreden, waarin een herboren plaats vindt. Het uitblussen van alle bewustzijn dat in het wezen gelegen is, kan plaats vinden door eigen wil, handeling en streven. De ziel zelf zal daarna automatisch een hernieuwd bewustwordingsproces beginnen, zodat de kracht waar het om gaat – het deel van de Goddelijke kracht – wederom tot eenheid met de mensheid wordt gevoerd.

Het valt op dat persoonlijkheden – als de mens of het dier – kunnen wisselen van de invloed van de ene lichtende entiteit naar de invloed van een andere entiteit. Klaarblijkelijk is er geen geestelijke indeling in soorten, maar geldt eerder een indeling aan de hand van bewustzijnsnormen. Vergelijkend kunnen wij dus over de Lichtende entiteiten spreken als meester – of juffrouw – van de 1e, 2e, 5e klas enz. Het bewustzijn kan dan worden gezien als een leerling die overgaat naar een volgende klas, wanneer hij in eigen klas voldoende heeft geleerd. Wij zien in de geest dat bepaalde elementen uit het dierlijke leven herboren worden tot een menselijk bestaan. Wij zien anderzijds geesten die mens zijn geweest, gradueren naar een andere grootorde van geestelijk of stoffelijk werken. Hierbij krijgen zij dan een taak die niet meer te vergelijken valt met het menselijke en persoonlijke bestaan, zoals dit op aarde wordt gekend.

Zij zullen dan hun belichaming uiteindelijk kunnen vinden in volkeren, of zelfs in kleinere planeten. Nergens kunnen wij aantonen dat een dergelijk verder gaan ten einde komt. Ik meen wel dat, naarmate kleiner begonnen is, de noodzaak tot stofverwerkelijking in een bereikte toestand minder groot zal zijn. Dit is overigens alleen een mening.

De geest, die nooit mens is geweest, zal als ster moeten leven, omdat daarin een stofervaring kan worden opgedaan. Een mens die reeds als mens en misschien ook in andere vormen reeds aan het stoffelijk scheppingsproces deel had, zal niet de behoefte gevoelen zich als ster te belichamen, ofschoon men een vergelijkbare, of zelfs grotere geestelijke hoogte bereiken kan. De vraag, hoe dit wisselen van grote leiders geschiedt, is voor ons wat verwarrend. Vanuit ons standpunt gezien zouden wij namelijk geneigd zijn te stellen, dat het hierbij vooral gaat om een zeker weten, of bewustzijn. Klaarblijkelijk wordt dit eerder bepaald door een harmonische verhouding tot de leiders.

Wij groeien. Oorspronkelijk reageerden wij misschien op een gebied dat vergeleken kan worden met de toon C. Wij verhogen ons eigen trillingsgetal en zullen alleen nog reageren op G of Gis. Door deze verandering van innerlijke gesteldheid reageren wij niet meer op de eerste invloed en vallen zo automatisch onder een andere persoonlijkheid, een ander deel van het leidende principe. Dit punt is zeer interessant. Het maakt het mij mogelijk te concluderen dat het ons te allen tijde en binnen het eigen wezen mogelijk moet zijn een harmonie te bereiken met onverschillig welke grootorde van Kracht. Dit is niet afhankelijk van het bewustzijn op zich, maar eerder van de wijze waarop wij het leven en de levende krachten kunnen ontvangen en aanvaarden. Al, wat in ons bestaat, is naar mijn inzien een echo van waarden die in hogere krachten reeds lang aanwezig zijn.

Zo-even zei ik u, dat naar mijn inzicht God buiten dit heelal staat. Daarmede wilde ik niet zeggen dat God niet – via de hiërarchie – zelfs in elk kleinste deel van de Schepping bestaat. Wel wilde ik duidelijk maken, dat Hij zich uitstrekt buiten het door ons gekende heelal. Er kunnen dus vele voor ons zelfs niet voorstelbare of bereikbare werelden bestaan, waarin God toch – via een hiërarchie – deel is van elk kleinste wezen, elk kleinste deeltje. Het is voor ons moeilijk ook maar aan te geven waar de Godheid zou kunnen ophouden. Eenvoudigheidshalve zeggen wij dus: God is in alle dingen.

Er zijn bij ons leraren die onderscheid maken tussen het Goddelijk denken en het Goddelijk wezen. Zij stellen: Er zijn zuivere krachten die het Goddelijk wezen uitmaken. Dezen zijn de basis van elke vormgeving, elke trilling, elke straling. Het denken van het Goddelijke uit zich als een deel-bewustzijn, eerst in verschillende grote persoonlijkheden en via hen tot in het kleine.

Het geeft de vorm aan hetgeen in zich reeds bestaat als deel van de Goddelijke kracht. De conclusie die zij verder hieruit trekken is: wanneer God zegt: “Het is genoeg” reverseert Hij Zijn krachten. D.w.z. dat Hij Zijn krachten tot Zich terugtrekt. Dan blijft principieel alles wat is, alle energie en alle massa bestaan, evenzeer alle bewustzijnsmogelijkheden. Zij worden als verschijningsvormen teruggenomen maar blijven als potentie bestaan.

Het bewustzijn dat naast het Goddelijke bewustzijn ontstaan is, kan slechts als een deel van het Goddelijke denken voortbestaan en zal met behoud van eigen waarden tot een deel zijn in de Goddelijke gedachten terugkeren. Volgens hen is het mogelijk alle dingen uit te blussen, maar niet om een eenmaal gewekt bewustzijn teniet te doen, daar het in God en als deel van God altijd moet blijven bestaan. Dit laatste is dus onafhankelijk van het al dan niet in openbaring zijn van het Goddelijk wezen, of een deel daarvan.

  • Kunt u duidelijk maken hoe de strijd tussen licht en duister, teken van het komende Aquariustijdperk, past in dit stelsel van leiding?

De voorstelling van licht en duister is een uiting van persoonlijkheden. Zij vormt vanuit de grotere persoonlijkheid, die licht en duister georigineerd heeft, een begrenzing van de mogelijkheden van de mens. De keuzemogelijkheid van de mens wordt bepaald door deze strijd.

Er is geen sprake van een absolute leiding, maar van een beperkte wilsvrijheid voor de mens. Hoe men echter ook zal kiezen, de geest der mensheid – zowel als de massa der materie die uw wereld vormt – zal te allen tijde ten goede komen aan het scheppende principe. Er is dus – vanuit het grote bewustzijn – niets dat ten onder kan gaan en niets wat als uitzonderlijk en nieuw kan worden opgebouwd. Deze strijd is uitdrukking van de begrensde vrijheid die de mens en de lagere geest bezit. Waar deze vrijheid van keuze voor ons evengoed bestaat als voor u, zijn wij geheel vrij onze invloed op en voor u zo te richten, dat zij de mensheid het naar ons inzicht juiste pad doet kiezen uit de vele mogelijkheden die haar gelaten zijn.

Ik meen dan ook niet, dat deze ommekeer van perioden – de komst van het Aquariustijdperk – moet worden gezien als komende uit het Goddelijke. Zij ontstaat op een veel lagere plaats in de hiërarchie. Een rechtlijnige beïnvloeding zou eventueel kunnen ontstaan door verandering van geaardheid der zielen die incarneren. Hierdoor zou op den duur geheel de mensheid – zoals besproken – dus onder een andere heerser kunnen vallen. Zolang echter twee groepen, afgestemd op verschillende heersers, op één en dezelfde wereld in gelijke vorm bestaan, zullen de invloeden van beide heersers trachten de harmonie van de mens, mét deze heersers en het handelen volgens wat juist is binnen de werking van deze heersers, te bevorderen. Het gevolg daarvan is een strijd. Waar echter de nieuwe periode betekent de toekomst, terwijl het vergane, het verleden, terugvalt, spreken wij van lichte krachten, zodra zij in overeenstemming zijn met de toekomstige ontwikkelingen, terwijl wij de behoudende krachten duister noemen. Men kan dus zeggen dat er niet zozeer sprake is van een strijd tussen licht en duister, dan wel van een strijd tussen progressief on conservatief. Dit laatste is dus niet noodzakelijker een retrograde ontwikkeling. Elke poging om een bereikte top te behouden, is een stilstand van bewustzijn.

Voor het bewustzijn is elke stilstand een relatieve achteruitgang, omdat alle andere ontwikkelingen voort blijven gaan. Voor het bewustzijn wijzigt zich de plaatsing in de kosmos en daarmede de mogelijkheid tot optimale bewustwording in een bepaalde vorm. De gehele strijd waarover ik u sprak, is dus maar een klein en onbelangrijk deel in de gehele ontwikkeling, zoals uw wereld maar klein en onbelangrijk is t.o.v. het heelal, waarin u leeft.

  • Maar dit geldt alleen, wanneer onze wereld niet belangrijk is.

Hoe groot is mijn wereld, sprak de worm en zij stak haar kop uit de appel, waarin zij woonde. Voor u is deze wereld het belangrijkste. Wanneer wij eerlijk zijn, kunt u hoogstens zeggen: Voor mij en mijn ontwikkeling is deze wereld op het ogenblik de belangrijkste. Verder weet ik er niets van. Er zijn andere werelden in het Al, sommige met wezens die hoger ontwikkeld zijn dan uw mensheid, anderen die nog heel wat primitiever zijn, want alle stadia van ontwikkeling zijn in het Al voortdurend aanwezig. Het is t.o.v. de kosmos niet meer dan een korrel zand in een bouwsteen die gebruikt wordt bij de bouw van een heel groot werk. Zo gezien zult u begrijpen dat het niet in de eerste plaats een kosmische God is die in de wereld ingrijpt, eerder is het een bewustwordingsgang in tegenstellingen, uitgedrukt in het streven van twee voor uw en ook voor mijn wereld zeer hoge en grote persoonlijkheden die elk een bepaalde richting van bewustwording voorstaan. Naast elkaar staande als invloeden in uw wereld, veroorzaken zij bij de mens de noodzaak tot kiezen, evenals bij de geest. De strijd die hieruit ontstaat, heeft uiteindelijk alleen het doel, dan wel de progressieven terug te houden van een te ver voortgaan, dan wel de conservatieven te dwingen tot het aanvaarden van een nieuw wereldbeeld. Overigens, licht en duister, zowel als goed en kwaad, zijn in deze zin relatieve begrippen, welke waarde alleen kan worden bepaald vanuit ons eigen standpunt. Onszelf zullen wij haast altijd rekenen onder de krachten van het licht. Voor ons is dit redelijk, al is het alleen maar, omdat wij steeds weer streven naar een groter bewustzijn op onze eigen wijze en dus onszelf wel zeer progressief vinden.

  • De een voelt voor muziek, de ander voor dichtkunst. Heeft dat hier iets mee te maken?

Alleen zeer indirect. Zo-even sprak ik over parapsychologie en het paranormale als een vaststelling van het onderontwikkeld zijn van bepaalde menselijke eigenschappen. Muziek is in de eerste plaats wel een auditieve ontwikkeling. Het voorstellingsvermogen wordt door de sleutel van auditief waargenomen trillingen gestimuleerd, zodat een bepaalde emotie, of een bepaald beeld, kunnen ontstaan. Bij anderen is het noodzakelijk stemmen en begrippen weer te geven, opdat een dergelijk gevoel van harmonie of beleven van gevoelens bereikt zou worden. Dat is dan de dichtkunst. Ook deze dingen wijzen de mens erop, dat de mens nog niet helemaal ontwikkeld is. Zou hij namelijk volledig ontwikkeld zijn, dan zou hij in zich – zonder uiterlijke oorzaken – muziek, dichtkunst, beeldende kunst e.d. doen ontstaan als een beheerste emotiewekker. Langs elke weg zou hij dan tot ontroering en grotere eenheid met lichtende waarden kunnen komen.

Zelfs kunnen wij in verband hiermede stellen dat veel van hetgeen men nu fantasie noemt, in feite een poging is de beperkingen van stoffelijke voorstellingswaarden te ontvluchten en zo een symbolische vereenzelviging met grootgeestelijke waarden te bereiken, waarmede dan inderdaad een tijdelijke eenheid ontstaat. Eerst wanneer dit gepaard gaat met een werkelijke rijkdom voor de geest van stoffelijke vorm en rede, zal de mens ook in andere sferen bewust kunnen zijn en daaruit verdere vruchten voor zijn bewustwording kunnen plukken. Dit werd tot op heden door sommigen benaderd, maar in de huidige cyclus maar door zeer weinigen ooit volledig bereikt. De volgende levenscyclus – Aquarius – is een voorbereiding op een algemeen gebruik van de menselijke kwaliteiten die nu nog paranormaal heten.

  • In het middelpunt van het Al zetelt een bewustzijn. De wetenschap bewijst dat alle sterrengroepen zich van dit punt verwijderen. De boeddhisten zeggen dat dit het in- en uitademen van het Al is.

Om tot vorming te komen moet ook een vorm van bewustzijn reeds aanwezig zijn.

Deze vorming van bewustzijn kan ontstaan door een vergroting van tegenstellingen, zodat een grotere scala van ervaringen ter beschikking komt. Indien dit op één enkel vlak kenbaar wordt, moet het op alle andere vlakken – gezien het voorgaande – worden uitgedrukt. De persoonlijkheid die de ontwikkeling leidt, zal in alle vlakken zich gelijk blijven. Dientengevolge zal elke stuwing een ontwikkeling inhouden, een vergroting van tegenstellingen. Stoffelijk betekent dit een vergroting van afstanden, of liever een vergroting van relatieve tijdswaarden.

Wat wij in de stof zien is niet zozeer het ruimtelijk groeien van het heelal, dan wel een steeds scherper verlopen van de tijdsfactor in de lege ruimten. Het tijdsverschil wordt dan veroorzaakt door een combinatie van beweging, plus verandering van veldwaarden. De buigingshoek van licht speelt hierbij ook een rol, waar zij over kosmische afstanden gezien niet helemaal constant blijft. Het gevolg is, dat een steeds grotere kracht vanuit het middelpunt zal moeten worden uitgeoefend, om de uiteenlopende waarden allen in gelijke mate te beïnvloeden. Er komt een ogenblik dat deze beïnvloeding niet meer voldoende, of zelfs bijna niet meer aanwezig is. Op dit ogenblik wordt elk verschijnsel dat uit de kracht in het middelpunt is voortgekomen, praktisch gecentraliseerd. De aanwezige waarden zullen geen stuwingen meer ervaren, die hen tot tegenstelling maakt. Zij worden nu als massa door elkaar aangetrokken en vallen terug op het middelpunt. De periode van terugval is dan de z.g. nacht van Brahman. In het middelpunt ontstaat een enorme verdichting van energie en partikels die een nieuwe bezieling ervaart. Atman, de wereldkracht, draagt dan de bezieling en schepping over aan Brahma, de Schepper van de tijd, die uit zich de tegenstellingen baart en zo een heelal opnieuw tot stand brengt.

  • Met de radiotelescoop werd vastgesteld, dat in de buurt van Cygni twee spiraalnevels elkaar kruisen. Is dit te vergelijken met een huwelijk?

Een dergelijke kruising is geen feitelijke beroering. Het is eerder een benadering van de wederzijdse invloedssferen. Dit komt niet alleen tussen spiraalnevels voor, maar ook tussen sterren. De vergelijking met een huwelijk is in zoverre aanvaardbaar dat een dergelijke wederkerige inwerking inhoudt, dat hieruit waarden geboren worden. Bij nevels: wervelingen en sterrenreeksen, bij sterren: planeten. Een dergelijk effect bij beide partners, soms echter ook slechts bij één van hen. Indien een bijna uitgebluste ster benaderd wordt door een nog actieve ster, kan zij de overmaat van energie die zij zo ontvangt, omzetten in een hernieuwd eigen leven. De kwaliteiten van de haast uitgedoofde ster worden dan grotendeels door de actieve ster bepaald. Is de geboden kracht te groot, dan ontstaat een nova, waarbij in korte tijd alle, ook de eigen energie wordt uitgestraald, waardoor een dergelijke ster uitdooft. Er zijn dus buiten de geestelijke werkingen ook stoffelijke waarden die de term “huwelijk” wel zeer aanvaardbaar maken. Over de feitelijke wisselwerkingen tussen de grote entiteiten die in een dergelijk huwelijk betrokken zijn, kan ik u niet zo veel zeggen. Wij hebben hierover wel bepaalde meningen, maar deze zijn zo zeer theorie dat ik ze u niet als een zekerheid voor durf te leggen.

  • Is de geestelijke bewustwording van de mens onbeperkt?

Ja, indien de geestelijke ontwikkeling verder gaat dan voor het stoffelijke voertuig volgbaar is, ontstaat een zodanig overwicht van waarden, zodat de stof gedwongen wordt een andere vorm aan te nemen. Wij kunnen dan niet meer sproken van een stofmens, omdat de materie wordt omgezet in straling en energie. Dit is dan besloten binnen een veld door de geest georigineerd, zodat dit alles deel van de persoonlijkheid kan blijven. Wij spreken dan wel van een stoffelijke ten hemel opneming. Feitelijk is er sprake van een totale transmutatie van alle stoffelijke waarden naar een hoger gebied, waarbij andere maatstaven en zelfs andere dimensionale verhoudingen optreden.

  • Noemt u de invloed van de planeten – astrologie – ook leidinggevend?

De invloed van de planeten is niet een leiding geven. De astrologie is een soort ezelsbruggetje, waardoor de mens bepaalde materiële – geen geestelijke – invloeden op zijn eigen wereld kan vaststellen. Deze beïnvloedingen zijn o.m. uit te drukken in verschillen van magnetische velden, stralingen, zwaartekrachtveranderingen – miniem – en enkele andere waarden. Voor de mens vloeit hieruit een beïnvloeding van weefsels, zenuwstelsel en levenskracht voort. Deze zal verschillen naargelang de bouw en endocriene werkingen binnen de verschillende typen. Uit de sterren is dus een waarschuwing voor zekere, zuiver lichamelijke beïnvloeding af te lezen. Wel kan worden gezegd, dat, waar een totale verandering van het stoffelijk voertuig plaats vindt, de geest die een voertuig behoeft, een geaardheid zal bezitten, die ongeveer strookt met de stoffelijke invloed. Vandaar dat bij de geboorte over het algemeen een overeenstemming zal bestaan tussen het lichamelijke type en de geest.

Men meent dat de mysterieplaneten u geestelijk beïnvloeden. Maar wanneer u niet geneigd bent tot bv. mystiek, zal ook geen enkele mysterieplaneet u tot mystiek kunnen dwingen. Wanneer een lichte neiging bestaat, zullen lichamelijke condities worden geschapen die aanleiding kunnen zijn tot psychologische veranderingen. Bij een voldoende neiging van de geest kunnen stoffelijke waarden u dan tijdelijk in een meer geestelijk leven en denken dwingen te gaan. Maar altijd is het de stoffelijke factor die door de planeet wordt beïnvloed. De geest kan dan nog altijd haar eigen bewustzijn doen gelden en zo uiteindelijk bepalen, of zij de invloeden zal gebruiken, ondergaan, of afwijzen. De sterren dwingen even weinig als een richtingaanwijzer van de ANWB.

U kiest. Vergeet dat nooit. De keuzevrijheid bestaat voor u en uw geest geheel binnen de kosmische beperkingen.

Vragen.

  •  Wat is de meest efficiënte gedachte die men naar geesten in duistere sferen uit kan zenden om hen te helpen?

Hier is weinig efficiëntie bij betrokken. Het gaat erom hen te bereiken. Voor hen zou men dan moeten denken aan harmonie en vrede. Zeg tot hen: “Er is Licht, er is vreugde. Ikzelf heb het ook niet zo gemakkelijk, maar ik kan het in God dragen en in Hem vreugde vinden.

Aanvaard het Licht en je zult merken dat het je beter gaat.” Hoe kinderlijk het ook klinkt, dit werkt het beste. Het is namelijk kosmisch, niet door menselijke waarden bepaald. Wat je in jezelf draagt aan Goddelijk Licht, kun je op die manier naar lagere sferen uitstralen.

Verder, herdenk hen die zijn overgegaan, in liefde. Niet: “Ach, wat jammer, dat ik je kwijt ben….” maar: “Je hebt veel voor mij betekend, ik wilde dat ik je nog meer kon geven….” Op deze manier geef je aan alle geest – licht of duister – de grootste impuls tot hoger Licht, de grootste vreugde en de grootste vrede.

  • Wat bedoelt u met “persoonlijke God”? God is toch in alle dingen?

Belangrijk is het, hoe men zich van God bewust wordt. Met de uitdrukking van een persoonlijke God, geven wij dan een zeer beperkte en persoonlijke opvatting van God weer.

Hierin zal de eigen persoonlijkheid en eigen denken alleen in God gereflecteerd worden gezien, met een uitsluiten van andere mogelijkheden en vormen. Ieder stelt zich God op zijn eigen wijze voor. Menigeen zou schrikken wanneer hij zich realiseerde van waar zijn Godsvoorstelling eigenlijk komt. Weet u, dat vele mensen hun God in feite het gezicht geven van een oude dominee, of de hoofdonderwijzer van hun school? Dit is een gedachteassociatie. De doorsneemens heeft er behoefte aan zijn God iets tastbaarder te zien dan een abstractie. Men wil kunnen spreken met zijn God. Daartoe heeft de mens dan een God nodig met een gelaat, met een mond, enz. De voorstelling die zo ontstaat, is wel zeer persoonlijk. Worden deze beelden aan anderen voorgehouden, dan ontstaan vaak zogenaamde afgoden. Men heeft dan in zich het gevoel een zeker recht op juist deze God te hebben: “Onze” God is een sterke God. Dat “onze” is dan al fout. God is kosmisch. Wij kunnen niet zeggen: “Onze” God is de enig ware. Dat impliceert, dat er andere Goden zouden zijn die niet zo goed zijn.

God is in alle dingen. Wij moeten zoveel mogelijk van die persoonlijke God afstand doen. Wanneer wij met onze God willen spreken, zullen wij toch nooit ons tot de kosmische God kunnen wenden. Die is te groot voor ons voorstellingsvermogen. Wat wij dan God noemen, kan heel goed in feite de heerser van de aarde, of de geest van de zon zijn. Het is bovendien lang niet zeker dat u zich bewust kunt zijn van een contact met een hogere God. Maar wie steeds weer streeft naar een bereiken van zijn persoonlijke God, zal steeds meer naar hogere en meer kosmische waarden toegroeien. Eerst wanneer het “Mijn God” plaats maakt in de mens voor een luisteren naar de stem van de kosmische stilte, is er de mogelijkheid dat hij het werkelijk Goddelijke meer gaat benaderen.

  • Bestaat de vrije wil in de zin dat de mens beslissingen kan nemen vrij van karma, milieu, erfelijkheid enz., of is de z.g. vrije wil de resultante van deze factoren?

De resultante van al de genoemde factoren is de remming die in de mens ten overstaan van een vrije wilsuitoefening bestaat. De mens is in staat beslissingen te nemen die ingaan tegen elke erfelijke waarde en zelfs elke maatschappelijke opvatting. Hij zal zelden geneigd zijn dit te doen, daar hij zich de consequenties van dit handelen voor ogen stelt en zich dus genoopt voelt aan de gangbare norm te beantwoorden. Hier geldt hetzelfde als bij karma: Er is sprake van een kracht die de mens in een bepaalde richting dwingt. Hij is vrij er tegen in te gaan. De mens houdt steeds zo sterk rekening met mogelijke consequenties, dat hij de waarde van een persoonlijk vrij zijn wel eens onderschat. Men zal dan ook in vele gevallen uit angst voor gevolgen, of moeite, de beslissing aan anderen overlaten. Dit neemt niet weg, dat in ieder een grotere mogelijkheid tot uitoefening van vrije wilsbeschikking bestaat dan de doorsnee mens ooit gebruikt.

  • Worden misdadigers geboren of gemaakt?

Er bestaan eigenlijk geen geboren misdadigers. Wel bestaan er mensen die door geboorte – erfelijke invloeden bv. – asociaal zijn. Zij zullen zich ontwikkelen in een richting die niet helemaal overeenstemt met het door de maatschappij als aanvaardbaar beschouwde. Deze mensen zijn zonderlingen. Misdadiger wordt men eerst, wanneer men in zijn milieu aan verkeerde invloeden, maar vooral aan bepaalde psychische spanningen wordt blootgesteld.

Daarbij kan worden opgemerkt, dat, naarmate de spanningen groter zijn en het werkelijk bewustzijn kleiner is, de misdadigheid over het algemeen sterker toe zal nemen.

  • Hoe zit het met: “hoe groter geest, hoe groter beest?”

Dit gezegde is niet altijd juist. Wel kan worden gezegd: hoe groter de geest, hoe minder zij zich aan zal trekken van de beperkingen die lagere geesten haar op willen leggen. Zij zal meer handelen in overeenstemming met eigen gedachten en begeerten. Of dit nu ook betekent dat men dan een groter beest is…. Bij een Oscar Wilde zien wij bv. dat lichamelijke afwijkingen, plus esthetische gevoelens voor zijn afwijkingen – beestachtigheden – aansprakelijk kunnen worden gesteld. Maar het oordeel van de massa speelt hier een grotere rol dan de waarde van het werkelijk gebeurde. Tegenover een groot mens die afwijkt, of zelfs het perverse benadert, kunnen wij er velen noemen die hieraan niet lijden. Edison was geen beest.

Schweitzer is zelfs het tegendeel daarvan. Voor Einstein geldt hetzelfde. De geciteerde spreuk gaat in letterlijke zin niet op, omdat het gemiddeld aantal der grote geesten die beest zijn, slechts een zeer klein percentage vormt van alle grote geesten. Dit percentage is zeker niet groter dan dat van de beestmensen in de massa.

Hoge bomen vangen veel wind en wie aan de weg timmert wordt op zijn vingers gekeken.

Wanneer dus een grote geest dergelijke dingen doet, wordt er onmiddellijk over gesproken.

Over de vaak veel grotere beestachtigheden van vele kleinere geesten wordt niet gesproken.

Wel is zeker, dat elke uitbreiding in het positieve een gelijke mogelijkheid tot het negatieve inhoudt, omdat een ontwikkeling altijd in tegenstellingen begrensd is. Wanneer wij dan zien, hoe weinig van de grote mogelijkheid tot negativiteit door de grote geesten gebruik wordt gemaakt, dan geeft ons dit weer hoop voor het menselijke ras. Wij moeten onthouden dat geen enkele ontwikkeling eenzijdig kan zijn, zodra het de geest betreft, wie het goede steeds juister leert kennen, beseft immers ook beter, welk kwaad mogelijk is. Het levensbereik wordt groter en omvat – evenals het Goddelijke – licht en duister. Gerekend vanuit het eigen bewustzijn zal altijd van een zeker evenwicht sprake zijn. Aan de wereld tonen zich echter meestal een enkel, of slechts enkele aspecten.

Hoe groter geest, hoe groter beest, is dan ook alleen juist, indien wij het vertalen als: Hoe verder je komt in geestelijke bereiking, hoe belangrijker ook het stoffelijke voor de mens wordt, maar hoe minder hij zich ook bekommeren zal om de normen die de gemeenschap stelt. Gelijktijdig wordt een grotere beheersing mogelijk.

  • Moet men dan geen rekening houden met de mogelijkheid van bezeten zijn?

Dat kan voorkomen. Elk geval van bezetenheid – of zelfs beïnvloeding van vrienden – kan slechts het resultaat zijn van een aanwezige neiging. Een geest kan u er toe brengen – of dwingen – datgene te doen wat u wel prettig zou vinden, maar niet durfde te doen, of zelfs maar aan u zelf te erkennen. Niets en niemand kan u ertoe brengen iets te doen wat u ziet als werkelijk verkeerd en niet begeerlijk, als slecht en voor uzelf schadelijk of onaanvaardbaar, dan wel iets, wat u onmogelijk acht.

  • Jezus zegt: “Dit is het bloed van Mijn verbond, dat vergoten wordt tot vergeving der zonden”. Hoe moeten wij dit verstaan?

De vertaling is niet juist. De vertaling van de katholieken is hier beter dan die van de Nieuwe Staten vertaling. “Dit is Mijn lichaam, neem en eet, neem en drink, dit is Mijn bloed”, zijn de belangrijke woorden. Jezus treedt hier in de plaats van de aarde: Het druivensap is het bloed der aarde, het brood het lichaam. Vloeistof en vaste stof zijn voor de mens het belangrijkste wat de aarde bieden kan. Jezus doet dit om de mens ervan bewust te maken, dat Hij op dat ogenblik en in Zijn komende lijden de eenheid is van mens met God, eenheid van mensheid onderling, broederband tussen allen, levend en dood. Jezus spreekt niet over vergeving der zonden. Hij spreekt alleen maar over rechtvaardigheid in onderlinge verhoudingen.

Zien wij hier de opvatting dat Jezus eist, dat men in Hem gelooft, voor de zonden vergeven kunnen worden, zo zien wij elders de opvatting dat Petrus de sleutel van de hemelpoort houdt en hem de kracht is gegeven te besluiten over het hiernamaals. “Wie gij zult vergeven, die zij vergeven, doch wiens schuld gij zult houden, die zijn zij gehouden”. Dit laatste is al evenmin waar. Jezus heeft gezegd: “Aan u de verantwoordelijkheden voor dezen, de Mijnen, want Ik moet gaan. Zo zeg Ik u: Wat gij hen zult zeggen, zij hen gezegd, als door Mij. Wat gij hen zult ontzeggen, dat zij hen ontzegd”. Organisatorisch een heel ander iets. De gedachte dat Jezus zonden kan vergeven is een dwaasheid. Hij kan niet eens zonden vergeven. Dat kan zelfs God niet. Jezus kan alleen de weg tonen, langs welke het innerlijk evenwicht kan worden herwonnen.

Hierdoor zal de daad in het verleden gecompenseerd kunnen worden door een daad in het heden. Jezus kan u geen zonden vergeven, wanneer u zelf niet streeft en zelf tracht de gemaakte fout te compenseren. Uit Zijn leer kunt u leren hoe dit te doen. Zo kunt u wel, dank zij Hem het nutteloze lijden dat uit schuldbewustzijn voortkomt, te ontgaan, zeker geestelijk. Nooit kan men ontkomen aan de noodzaak, datgene, wat men volgens eigen bewustzijn verkeerd heeft gedaan, ook weer te herstellen. Jezus leer is er een van daden, niet een van: Geloof en gij zult zalig worden. Wel echter: Zalig zij, die geloven, want wie geloof heeft, zal juist weten te handelen en zo wint hij het Koninkrijk der Hemelen.

  • Krishnamurti beschouwt alle godsdiensten, orden, verenigingen als belemmeringen voor het vinden van de waarheid.

Zij worden zeker een belemmering, wanneer hun stellingen als de alleen juiste, of alleen zaligmakende worden gegeven. Indien wij aannemen dat buiten dit eerste om, godsdiensten, verenigingen, orden en inwijdingsscholen kunnen dienen als een voorbereidend onderwijs, waardoor de mens zelf gemakkelijker zijn eigen streven leert omschrijven en zijn eigen geestelijke houding leert bepalen, hebben zij zeker hun nut. Ik ben het met Krishnamurti eens dat op een bepaald ogenblik de groepering een hinderpaal wordt, wanneer zij je dwingt in een zekere richting te denken. Niet iedereen kan immers zelfstandig denken. Daarom verschil ik in zoverre met hem van mening, dat ik meen: Voor men zelfstandig kan gaan denken en zoeken, moet men eerst leren denken. Dit denken, dit begrijpen van geloofswaarden, dit aanvaarden van het supranormale ook in ons, evenals begrip voor het vele onbekende in ons, vinden wij m.i. het eenvoudigst in de genoemde groepen.

De mens, die niet verder gaat, dan wat hem gegeven wordt en niet zelf streeft, doch meent te voldoen aan elke eis, wanneer hij maar braaf aanvaardt wat hem geleerd wordt, zal nooit het beste en hoogste kunnen bereiken. Vandaar dat u bij ons steeds weer hoort: Denk zelf na, zorg in de eerste plaats steeds er voor jezelf te zijn, zo goed als je kunt. In menig andere groep hoort u hetzelfde. Wanneer u dit beschouwt als het voornaamste, zult u zeker niet het slachtoffer worden van een kerk, of groepering. Het is namelijk niet de kerk, de vereniging, of de orde, die u verraadt, maar uw eigen gemakzucht die u belet om verder te gaan dan hoogst noodzakelijk lijkt in het gegeven kader.

  • Wat verstaat u onder cultuur?

Het vernisje, waardoor een barbaar zich voor kan stellen, beschaving te bezitten.

  • Zullen wij later de verwanten die ons zijn voorgegaan, ontmoeten?

Dat ligt voor het grootste deel aan uzelf. Slechts twee krachten binden ook over het graf, nl. liefde en haat. Wanneer uw verwanten u beminden en u hen ook zelf liefde hebt gegeven, zal niets u van elkaar kunnen scheiden. Dit is een aantrekkingskracht als van twee sterke magneten met verschillende polen. Met haat is het eveneens zo, alleen is dan de intentie een andere. Wanneer u verwanten hebt op de manier van: “Gut, ja, daar is oom Bertus ook nog.

Moet ik daar nu ook nog weer naar toe?” dan zult u hem waarschijnlijk niet ontmoeten. Stel je voor dat twee mensen gehuwd waren en ruzie maakten tot de dood, of de rechter hen scheidt.

Als zij elkaar in het hiernamaals weer zouden ontmoeten, zou hetzelfde spel opnieuw beginnen.

Maar zo is het niet. Wanneer zij elkaar oprecht lief hebben gehad, dan vallen alle verschillen weg die hen verwijderd hebben gehouden. Maar voelden zij niets voor elkaar en speelden alleen stoffelijke factoren een rol, dan zullen zij elkaar niet meer ontmoeten. Op den duur misschien, tezamen met anderen, is dit wel mogelijk. Maar dan draagt deze ontmoeting geen persoonlijk karakter meer.

  • Dus God straft niet. Wij straffen onszelf. Is dat oorzaak en gevolg?

God schept de volmaaktheid. Daarin zijn alle dingen. Wanneer wij daaruit delen kiezen die voor ons niet passen, zullen wij daaronder lijden. Wanneer wij in het Goddelijke verkeerd kiezen, zien wij bv. niet meer het positieve van het leven, maar de meer negatieve elementen. Daardoor hebben wij veel onnodig verdriet. Wij hechten ons aan één enkel ding, of één enkele mens zozeer, dat wij daardoor al het andere verwaarlozen. Maar één enkel ding, of één enkele mens kun je verliezen, de waarden van de wereld nooit. Wanneer je dus in de put zit door zo’n verlies, is het je eigen schuld, niet de schuld van God. God oordeelt niet. Wij oordelen onszelf door een onjuiste plaats in het Al te kiezen en dan in God alleen maar lijden kunnen vinden. God is Licht. Maar stel je voor dat je het licht vreest, bv. omdat het iets over je persoonlijkheid zal onthullen, wat je wenst verborgen te houden, dan zal het Licht, dat voor alle anderen de grootste vreugde en de uiting van volmaaktheid is, voor jou de grootste kwelling worden, omdat je het niet kunt ontgaan. Het Licht heeft daar verder niets meer te doen. Het is je eigen houding die dit bepaalt. Oorzaak en gevolg is een uitdrukking hiervan. In de eerste plaats is oorzaak en gevolg de uitdrukking van een bewustwordingswet, waar wij gedwongen worden verder te gaan, daarbij steeds bouwende op de resultaten van het verleden.

  • Waarmee houden onze overgeganen zich allemaal bezig?

Iedere overgegane leeft in de Zomerlandsfeer nog in een vormenwereld. Die vormen kunnen eenvoudiger veranderen, zijn ook volmaakter, omdat gedachten op de vormen invloed hebben. D.w.z., dat in de laagste Zomerlandsfeer elke stoffelijke functie normaal vervuld kan worden. Ook in de minder donkere, duistere sferen geldt – zij het onaangenamer – hetzelfde. Naarmate men hoger komt, gaan de vormen teloor en wordt de bezigheid meer een harmonisch weerkaatsen van anderen. Dit is meer dan spreken. Men beleeft elkaar zo intens, dat men in staat is de waarden van de andere – zo gewenst – geheel in zich te herscheppen.

  • Zijn er daar scholen?

Voor ieder die leren wil, zijn er daar – net als op aarde – scholen. Voor ieder die onderzoeken wil, zijn er – net als op aarde – de mogelijkheden om te onderzoeken. Begin je eenmaal, dan krijg je contact met wat je vakgenoten zou kunnen noemen, die je helpen om de vorm af te werpen en daarvoor in de plaats de zuivere ervaring en het zuivere onderzoek te bereiken. Het bereiken van een grote bewustwording is altijd mogelijk. Zij is niet noodzakelijk in de lagere zomerlandsfeer, omdat men daar een tijd rusten, of vegeteren kan, voor de behoefte iets te doen je dwingt je in een of andere richting verder te gaan ontwikkelen. Wil je dit, dan bereik je een harmonie met gelijk gestemde krachten, waardoor het je mogelijk wordt alle wetenschap en alle krachten te verwerven die voor een bereiken noodzakelijk zijn. Zo kom je dus verder.

  • Bestaat er in Zomerland de drang om hoger te gaan?

U kunt net zo goed vragen: bestaat er in den Haag neiging om ambtenaar te worden?

Het is zuiver persoonlijk en ligt geheel aan je eigen opvattingen, de mogelijkheden die je hebt, enz. Over het algemeen kunnen wij stellen dat naarmate je meer weet en geestelijk zowel als stoffelijk actiever bent geweest, zul je in de zomerlandsfeer sneller actief worden en van de ter beschikking staande middelen – ook die je van de aarde hebt meegebracht – een ruimer gebruik kunnen maken om zo in harmonie met anderen – meestal hoger staanden – sneller en meer te leren en te bereiken.

  • Wat is het geweten en hoe werkt het?

Een reeks van ingehamerde begrippen, door middel van opvoeding en ervaring vergaard, die de mens zeggen, wat hij wel en wat hij niet mag doen, volgens de ideeën van anderen. In enkele gevallen noemt men ook wel geweten – ofschoon dit niet geheel omschreven is zo – het gevoel van kosmische eenheid, dat je in jezelf kunt dragen en waaruit een kennen volgt van het al dan niet Goddelijk zijn van je handelingen en gedachten volgens jouw levensmogelijkheden en doel.

Hoe het werkt? Het normale geweten werkt door angst. Je bent bv. bang dat God je ziet en zal straffen. Bang misschien ook, dat de buren je zullen snappen. Bang dat anderen ergens achter zullen komen, of dat je voor gek zult komen te staan. Dat is de grote remming die uitgaat van het doorsnee geweten.

Wat de Goddelijke harmonie betreft, geldt iets ander. Je erkent de dingen die gevaarlijk zijn voor je innerlijke rust en innerlijke zuiverheid. Je laat je leiden door de behoefte met je God, of hoger krachten in contact te kunnen blijven. Dit is je zoveel waard, dat je daardoor elke gedachte en daad verwerpt die dit in gevaar kan brengen. Stel je toch een onjuiste daad, dan weet je ook dat die verkeerd is en herstel je ze zo snel mogelijk.

  • Ik dacht dat geweten was een je bewust zijn van het verschil tussen goed en kwaad.

Inderdaad. Maar die maatstaven van goed en kwaad ontstaan over het algemeen door opvoeding en leven. De hogere waarde ervan stelt geen goed en kwaad meer, maar alleen een goed voor mijn contact met God, of schadelijk voor mijn contact met God. Er moet nadrukkelijk verschil worden gemaakt tussen het standaard geweten, dat berust op usances en in de jeugd ingehamerde begrippen en het onveranderlijke innerlijke weten, waardoor men in staat wordt gesteld elke gebeuren dat schadelijk is voor het contact met God te vermijden, of – zo al schade ontstond – deze zo snel en goed mogelijk te herstellen.

  • Maar het woord conscience dan? Dat is medeweten en behoort toch in de laatste categorie?

Volgens de woordontleding wel, in de praktijk meestal niet. Het gaat ons hier niet om het woord, maar om de betekenis voor de mens. Deze laatste heb ik zo scherp mogelijk omschreven, tevens daarbij aanduidende wat meestal voor geweten doorgaat en wat innerlijk weten in feite is.

  • Wat is het doel van het leven? Wat is het doel van een hoger bewustzijn? Waar leidt dit toe?

Het doel van het leven is bewustwording. Bewustwording is een vergroten van de eenheid met het Goddelijke, waardoor de innerlijke vrede wordt gehandhaafd, een absoluut leven en beleven mogelijk wordt, terwijl gelijktijdig de fouten van het ik en daarmede tevens de tegenstand en de ellende van het ik wegvallen. Men zou geneigd zijn te zeggen: Dit leidt tot eeuwige vreugde, maar zelfs dit is niet geheel waar. Vanuit het huidige standpunt streven wij misschien nog naar een eeuwige vreugde. In feite zullen wij uiteindelijk streven naar de absolute evenwichtigheid, waardoor wij één kunnen zijn met het totaal van het geschapene.

Daardoor zullen dan elke invloed en indruk van het totaal geschapene in onszelf als een harmonische invloed kunnen verwerken. Men zegt dat, wanneer dit eenmaal bereikt is, wij opgaan in God. Hoe dit gebeurt en wat het precies is, moet u mij niet vragen, want wanneer ik al zo ver was, zou ik zeker hier niet zitten.

  • Wanneer zielen uit de lagere sferen incarneren, zijn dat dan feitelijk geen geboren misdadigers?

Over het algemeen niet. Hun pogen om uit een lagere sfeer te ontsnappen, brengt in de meeste gevallen een realisatie mee van hetgeen waaraan zij willen ontkomen. Wanneer je nu weet dat je weg loopt voor het egoïsme van anderen – dit is een van de meest pijnlijke feiten in de lagere sferen – zul je toch wel proberen om dergelijke fouten bij jezelf zoveel mogelijk te voorkomen. Dergelijke zielen kunnen dan wel opvattingen huldigen die voor vele mensen te laag en te dierlijk zijn, maar of zij daardoor nu direct misdadigers zullen worden, waag ik toch wel te betwijfelen. Een uitzondering maak ik voor de geesten die – onverschillig uit welke sfeer – bij hun incarnatie zich alleen laten leiden door begeerte-elementen. Zij kiezen dan in feite een begeertewereld. Zij zoeken dan het milieu, waarin de begeerte het meest en gemakkelijkst te verwerkelijken schijnt. Hun hele leven – onder druk van een verkeerde keuze – brengt hen dan in verzet tegen een wereld die hen het begeerde niet – of niet zoals zij dit wensen – toe wil staan.

Hier is dan een zekere misdadigheid van het vroegste ogenblik al aanwezig. Zij is eerder een misdadigheid op zedelijk gebied, dan een misdadigheid volgens het strafrecht. Dergelijke misdadigers leven vaak langs de kant van de wet, zonder ooit werkelijk er mee in strijd te komen.

  • Is zelfverwijt ook iets van het geweten?

Zelfverwijt is over het algemeen een stommiteit die ontstaat doordat je je te zeer bezig houdt met het verleden, i.p.v. in het heden zoveel mogelijk goed te doen naar vermogen.

Zelfverwijt, dat niet wordt omgezet in handelen, heeft geen zin. Wat je gedaan hebt, is immers onherstelbaar? Het is gebeurd. Het erkennen van fouten die in het verleden werden gemaakt, heeft dan ook alleen zin, wanneer wij trachten ze verder te voorkomen en de gevolgen van gemaakte fouten in het heden zo goed mogelijk te herstellen. Wat het laatste betreft, kunnen wij nog opmerken dat het herstel niet altijd aan dezelfde mens, of op dezelfde wijze kan, of moet, gebeuren. Wanneer wij iemand onrecht hebben gedaan, zullen wij dit voor die mens nooit meer kunnen herstellen, ook al proberen wij het. Dan zullen wij de fout herstellen door een ander de gemaakte fout te vergoeden, te handelen t.o. iemand die met de zaak niets te maken heeft, om zo door de daad toch eigen innerlijk evenwicht te herwinnen. Zelfverwijt zonder meer, evenals berouw zonder meer, is een dwaasheid. Indien deze dingen leiden tot praktische resultaten in het heden en de toekomst, hebben zij zin.

image_pdf