Jeugd en ouderdom

uit de cursus ‘Levensproblemen van de moderne mens’ 1955

Nadat wij de vorige maal a.h.w. inleidend hebben gesproken over de jeugdproblemen, zullen wij nu ernstig verdergaan met een van de grootste problemen die er in de menselijke samenleving bestaat, dus zeker ook in uw moderne tijd, nl. de grote tegenstelling: jeugd en ouderdom. De jeugd die naar de toekomst streeft en de ouderdom die ‑ vaak onbewust ‑ terugkijkt naar het verleden. Om goed te begrijpen waaruit deze conflicten voortspruiten, moeten wij allereerst even zuiver stoffelijk de jeugd gaan bekijken.

De jeugd bevindt zich in een voortdurende toestand van wat ik bij ouderen “opwinding” zou noemen, hooggespannen sterke vitaliteit. Het gedachteleven nog niet vermoeid door duizenden indrukken van het dagelijks bestaan, nog niet belemmerd door allerhande zorgen en psychische remmingen denkt, fantaseert en ontwerpt zich een beeld van een wereld in de toekomst. De lichaamskracht die over het algemeen rond de 20‑jarige leeftijd haar hoogtepunt bereikt, is zodanig dat zij een uitlaat vergt. De jeugd kan eenvoudig niet rustig, bedaard en bezadigd zijn zoals een oudere dat is. Komen die verschijnselen toch voor, dan kunnen wij er wel zeker van zijn dat er iets mis is, dan klopt er iets niet. Dan heeft de jeugd of geen levenskracht genoeg, of zij draagt een masker tegenover de ouderen en komt dan waarschijnlijk in het verborgene tot buitensporigheden. Wij zullen deze nevengevallen een ogenblik uitschakelen.

Het lichaam vergt uitbundigheid, arbeid, bezigheid. Het lichaam vraagt ook ‑ juist doordat het kracht heeft, voorstellingsvermogen en fantasie ‑ een betere, een meer aan het “ik” aangepaste omgeving dan mogelijk zou zijn door het aanvaarden van de oude standaard. De jeugd is dus een revolutionair element. Dat zal zij wel altijd blijven.

Ik wil u niet vermoeien met een opsomming van verschil in interne secretie tussen jeugd en ouderdom. Ik wil u ook niet vermoeien met een beschrijving van verdere lichamelijke processen. Geestelijk heeft de jeugd ‑ meer nog dan de mens die zijn ervaring op aarde reeds grotendeels heeft opgedaan ‑ de drang om zich te uiten, te scheppen, zichzelf te zijn. 0ok dit element noopt de jeugd voortdurend zich te verzetten tegen alles wat de ik‑heid, de persoonlijkheid zou benauwen, zou vastleggen aan bepaalde regels.

De jeugd is zeer zeker ‑ in de eerste plaats door haar gebrek aan ervaring ‑ over het algemeen onbarmhartig. Zij is hard en meestal rechtuit. De ouderdom daarentegen bevindt zich in een lichamelijke toestand die doorgaans reeds gebrek aan vitaliteit vertoont. Men is voor zijn jaren misschien nog heel erg fiks en flink, maar er mankeert iets aan: de drang tot vernieuwing, de drang om voortdurend verder te gaan, de drang om stoffelijk nog iets te scheppen, te bezitten of te uiten. Slechts enkele lichamelijke functies kunnen tamelijk lang voortgaan. Het resultaat: een oververmoeid lichaam dat rust vraagt, dat in elke verandering van waarden of toestanden in de omgeving een extra belasting ziet die beter vermeden kan worden.

Is de jeugd revolutionair, de ouderdom is ‑ zelfs indien zij zichzelf revolutionair acht ‑ over het algemeen zeer behoudend en conservatief. Geestelijk is het voor de ouderdom nog veel moeilijker zich aan te passen aan de jeugd dan lichamelijk. Want degenen die een leven achter zich hebben, hebben gedurende jaren en jaren hele reeksen ervaringen moeten verwerken. Er zijn vele episoden in hun leven die zij zich liever niet herinneren. En deze herinneringen worden weggedrukt door het psychisch blok, de psychische remmingen, enz. De ouderen hebben, gedreven door de noodzaak van de maatschappij, in een bepaald spoor geleefd. Zij zijn voor een groot gedeelte gewoontemensen geworden en kunnen daaruit niet zo gemakkelijk meer losbreken. Zij hebben opvattingen in hun jeugd opgedaan, sedert het 35ste tot 40e jaar niet meer veranderd. Zij nemen wel oppervlakkig vernieuwingen aan maar de kern blijft in hun bewustzijn gelijk. Het is begrijpelijk dat als deze twee factoren tegenover elkaar komen te staan, daaruit conflicten moeten rijzen. En ook deze conflicten beheersen uw moderne tijd in zeer grote mate.

De jeugd, de jongeren hebben geen vrede meer met wat de oude revolutionairen voor hen hebben verworven. De ouderen die in de strijd groot zijn geworden en vol innerlijke vreugde hun bereiking beschouwen, kunnen niet begrijpen dat de jeugd voor al datgene wat zij dan toch tenslotte tot stand hebben gebracht, zo onverschillig is. De jongeren denken scherp na en binden zich niet aan voorstellingen van orthodoxie, religie en geloof zoals die in de ouderen leven. Zij willen hun eigen weg gaan en kunnen zo maar niet voetstoots aannemen wat de ouderen met hun wijsheid voor hen hebben bereikt. Resultaat: ook het goede dat de ouderen tot stand hebben gebracht, ontmoet bij de jeugd verzet. Zij begrijpen elkaar niet erg goed, die oudjes en die jongeren.

De jongeren streven wel degelijk naar een verbetering. Maar de ouderen zien daarin afbraak, een verandering van door hen hooggewaardeerde waarden. Zij voelen zich a.h.w. in een hoek gedrukt en weigeren zich op non‑actief te laten stellen. Zij verdedigen zich met hand en tand tegen de aanstormende jeugd.

In uw maatschappij is praktisch elke staatsman oud, zoals reeds is gezegd. Welaan, deze oude staatsman tracht te handhaven wat z.i. goed is. Hij speelt het spel der wereldpolitiek op zijn wijze. Hij mag misschien een groot man zijn en in staat om voor zijn land enorm veel te doen maar hij zal nooit geheel de steun der jeugd verwerven.

Zo is elk land ‑ ik zou haast zeggen elke familie ‑ in twee kampen gedeeld: de jeugd en de ouderdom. Dat is niet erg indien beide kampen elkaar verstaan. Want de jeugd ‑ onervaren als ze is ‑ zou te snel vooruit gaan, te grote risico’s nemen en te veel verliezen lijden. De ouderdom zou dan een goede rem zijn. Hij zou in het aarzelend meegaan met wat de jongeren trachten te bereiken door ervaring plus behoudzucht de goede elementen kunnen vastleggen die reeds verworven werden en deze ook weer voortzetten voor een komende generatie. Daartegenover zou de jeugd met enig begrip voor de ouderen, met respect voor degenen die een leven lang hebben gestreden en geleefd, tot een voorzichtiger oordelen over die ouderen kunnen komen. Een oordelen dat rechtvaardiger is, maar helaas zien wij deze beide toestanden slechts zelden optreden.

Wat zien wij dan wel? De jeugd die ondanks de ouderen haar eigen weg tracht te gaan, uitroepend: wat hebben de ouderen ons dan gegeven behalve oorlog en oorlogsdreiging, de hopeloosheid van de maatschappij waarin je niet meer vooruit kunt komen. De ouderen roepen daarentegen: de jeugd die zo slap is, zo lusteloos, die zich alleen maar bezighoudt met straatschenderijen. De twee partijen begrijpen elkaar niet.

In sommige gevallen zeggen de ouderen: nu goed, de wereld is een wereld van de jeugd, laten wij de jeugd alles geven wat zij nodig heeft. Zij vergeten één ding: de jeugd vraagt van de ouderdom geen gaven. Zij eist wat zij meent dat haar recht is. En het is niet het recht van de jeugd om die dingen te eisen. Laat het hen dan zelf verwerven. Ook dit is vergeten.

Wij zien op het ogenblik dat de jeugd aan de ouderdom eisen stelt die niet meer gerechtvaardigd zijn. Maar die toestand werd veroorzaakt doordat de ouderen voortdurend hebben toegegeven aan de jeugd. Hen meer en meer hebben willen doen genieten van het leven en hen zorgelozer door hun leertijd in het menselijk bestaan heen wilden helpen.

Zo staan de twee partijen dan tegenover elkaar en zij kunnen elkaar niet begrijpen. De ouderdom begrijpt niet dat wat als gave onverplicht werd gegeven nu door de jeugd wordt geëist. De jeugd kan niet begrijpen dat wat eens werd gegeven en wat als een goed recht werd beschouwd nu plotseling wordt teruggenomen. Zij begrijpen niet waarom de ouderen het ene ogenblik roepen “de wapens neer” en het volgende ogenblik “hoera” roepen wanneer zij de jeugd weer in een leger tezamen willen brengen voor geweld en doodslag. Het is of het een of het ander. Beide dingen kan de jeugd niet begrijpen. De jeugd denkt over het algemeen maar één kant uit, sterk en gericht. De ouderen ‑ in een meer diffuus denken – begrijpen deze gerichtheid zelden.

Met dit beeld van de wereld voor ogen zullen wij na onze analyse van de moeilijkheden van de jeugd ons nu een ogenblik moeten wijden aan de moeilijkheden van de ouderdom.

De mensen van uw eigen tijd worden steeds ouder. Het leeftijdsgemiddelde gaat omhoog. Maar de jeugd staat te dringen om de posities. Men moet die ouderen op een gegeven ogenblik uitschakelen. Een ander wil ook zijn kans. Een ander wil ook directeur zijn, ambtenaar. Een ander wil ook een plaats hebben waar hij zijn brood kan verdienen. En zo wordt dus een groot gedeelte van de ouderen een soort werkloosheid opgelegd. Men doet graag een beroep op hen, indien het zo eens nodig is. Maar zij moeten goed begrijpen ‑ vindt de jongere wereld ‑ dat het alleen maar voor noodhulp is. En de ouderen dachten nog wel voor de wereld onmisbaar te zijn. Daardoor stort zo vaak een deel van je wereld ineen als je ouder wordt en als je ziet dat al datgene waarvan je meende dat het zo belangrijk was, nu zo onbelangrijk wordt. Als je ziet dat alles waaraan je je beste krachten hebt gewijd en gegeven nu anders is dan je je het ooit had voorgesteld.

Daar komt nog bij, hoe ouder de mens wordt hoe meer van zijn eigen omgeving en leeftijd wegvalt. Mensen die je dierbaar zijn, gaan heen. Banden met het verleden worden vaak zeer abrupt verbroken. Je gaat je eenzaam voelen. Die eenzame mensen, die ouderen zoeken dan heel vaak contact met de jeugd omdat zij toch ook zo graag willen leven. Zij proberen zich te gedragen alsof de ouderdom voor hen nog veraf ligt. Zij begrijpen niet dat zij een belachelijk schouwspel zijn in de ogen van de jeugd. Een man van 50, 60 jaar die zich gedraagt als een cavalier van 25 is voor de jongeren een belachelijk iemand. Een vrouw van 50 à 60 jaar die probeert te doen alsof zij nog een meisje is, is ridicuul en achter haar rug voortdurend een voorwerp van spot. Zij willen het niet weten maar zij begrijpen het wel. Daardoor lijkt het of steeds meer de banden wegvallen die hen met de wereld hebben verbonden. Zij zoeken naar een houvast.

Ja, en dan komen de financiële zorgen. Het geld wordt steeds minder waard. Het pensioentje blijft gelijk en de prijzen gaan omhoog. Je geld valt langzaam maar zeker weg. Alles wat je vroeger toen je jong was, hebt gedroomd over je oude dag, blijkt eigenlijk een beetje belachelijk, want het is heel anders geworden. Je voelt je teleurgesteld.

Wordt zo’n ouder mens eenzaam, dan gaat hij zich afvragen: mag ik dit nu wel en mag ik dat nog wel? Hij gaat zich afvragen: hoe zal het dadelijk zijn, wanneer zal ik sterven? Hij wordt bang voor de dood. Hij gaat erover denken. Hij zoekt naar de raadselen van het leven. Hij werpt zich neer in gebed tot God in de een of andere kerk en tracht te ijveren voor alles wat goed heet – of dat nu een kwestie van zeden en moraal is of dat het een kwestie is van geloof, van prediking – hij werpt zich erop, die mens. Want hij zoekt niet alleen meer houvast in het leven maar ook houvast in een voortbestaan, in een andere wereld.

Arme, oude mens! Als hij maar zou begrijpen wat de waarheid is: dat hij zichzelf moet zijn, zijn eigen leeftijd te zijn en de jeugd haar gang moet laten gaan. Als hij rustig terzijde zou kunnen staan met een zekerheid dat er een voortbestaan is en dit aanvaarden, zonder zich af te vragen hoe hij gelukkig zou kunnen zijn. Arme, oude mens! Hij kan het niet bevatten. Je bent wel oud, maar je voelt je niet oud. Je kunt je niet voorstellen dat er zoveel jaren in zo korte tijd voorbij zijn gegaan. In vele gevallen word je dan geconfronteerd met de zeer jonge mensen, met de kinderen nog. Dan zoek je in die kinderen om jezelf terug te vinden. En als dat niet gaat, ga je ze haten omdat zij je herinneren aan alles wat je zelf hebt verloren.

Wij weten het heel goed, vrienden: deze dingen die ik hier uitspreek zal geen mens onder de ouderen voor zichzelf erkennen, maar het is de waarheid. Een waarheid die wij steeds weer zien. De mens zoekt in de jeugd naar zichzelf. Wanneer hij niets vindt, wanneer hij zich uitgeworpen vindt, krijgt hij er een haat tegen. Dan gaat hij nurks proberen zich te verheffen door de criticaster te spelen en zich groter te maken tegenover de jeugd. Dan horen wij de verhalen van “mijn tijd…” en “toen ik nog…”.

Denkt gij dat de jeugd dat kan accepteren of begrijpen? Wat weet de jeugd van een leven dat geen toekomst meer ziet? Wat weet de jeugd van een leven dat zijn volheid heeft genoten en nog slechts kan terugzien op een ‑ misschien ‑ gelukkig en rijp beleven? De jeugd bevat dat niet. De jeugd denkt alleen maar aan vooruitgang. Is het dan een wonder dat er tussen deze beide waarden in het menselijk leven een voortdurend conflict bestaat?

Gelukkig kunnen wij echter ook vaststellen dat de ouderdom in enkele gevallen de jeugd begrijpt. Want wij mogen nooit van de jeugd verwachten dat zij de ouderdom zal begrijpen. De ouderdom moet in de jeugd het streven zien naar toekomst. Zij zal het misschien niet eens zijn met de middelen die de jeugd daarvoor wil gebruiken, met de doelstellingen die de jeugd verkondigt. Zij zal zich misschien gechoqueerd voelen over de vrijheden die de jeugd voor zich neemt. Maar indien de oudere begrijpt en wil accepteren dat de jeugd anders is, dan kan die oudere ‑ juist doordat hij zoveel weet van wat de jeugd nog voor zichzelf moet ontdekken ‑ aan de jeugd een zekere leiding geven. Niet door hen terug te houden, maar door hen te wijzen op een mogelijkheid om verder te gaan die goed is, die geluk en vrede brengt.

Zo kunnen de ouderen voor de wereld een grote zegen betekenen. Betekenen zij een zegen voor de jeugd, dan zal de jeugd de ouderdom vereren alsof het iets bijzonders zou zijn. Zij zal voortdurend samenkomen om eerbied en hulde te betuigen aan iemand, die het leven heeft overwonnen. Niet omdat de jeugd de ouderdom begrijpt, maar omdat zij in die ouderdom iets ziet wat zij zelf zou willen bereiken. De jeugd zegt dan: als mijn leven zover is gevorderd dan zou ik ook zo in de wereld willen staan. En daarom komt zij en betuigt zij haar hulde.

Voor de jeugd is het ouder worden een proces dat zij niet begrijpt. Men spreekt weleens over de wreedheid van mensen die hun ouders in een tehuis voor ouden van dagen onderbrengen terwijl het eigenlijk wel anders kon. Men beschuldigt de jeugd van wreedheid als zij haar eigen leven leeft en zich niet al te veel gelegen laat liggen aan de ouderen die nu toevallig ouders of familieleden zijn, maar die verder voor hun leventje toch eigenlijk van zo weinig betekenis zijn. Men is zo gauw geneigd te zeggen dat de jeugd wreed of gevoelloos is. Ik geloof dat wij het anders moeten zien.

Ik denk dat de jeugd (de jongeren) nog niet in staat is zich voor te stellen dat zij zelf eens oud zal worden. Precies als degenen die nu oud zijn ook een tijd hebben gehad dat zij er niet aan dachten dat zij eens als gezapige ouderen door de wereld zouden gaan, zoekend naar een klein beetje vreugde, een klein beetje deelneming. Zij wijzen de ouderen uit, uit hun maatschappij, uit hun wereld. Niet omdat zij harteloos of gevoelloos zijn maar omdat de ouderen in hun ouderdom hebben gefaald. Zij zijn niet in staat geweest zichzelf te veredelen opdat zij leiders, werkelijke leiders voor de jeugd konden zijn. Zij hebben geweigerd de jeugd de vrijheid te laten om zelf te leven en alleen hun ervaring ter beschikking te stellen, opdat ‑ onopgemerkt ‑ aan de jeugd iets goeds zou kunnen worden gegeven.

U ziet, een groot gedeelte van dit onderwerp is eigenlijk een wijzen op gevoelsproblemen. De werkelijke problemen zijn zo groot niet. Want ach, ouder worden met al de gebreken die er mogelijk bijkomen, is een proces dat iedereen kent, wat iedereen verwacht. Wat men misschien niet prettig vindt maar waarmee men zich tenslotte zal moeten verzoenen. Het ouder worden van het lichaam zegt niets, indien de geest jong blijft en niet slechts het lichaam een kunstmatige jeugd tracht terug te winnen. Dan zal ouderdom een zekere vreugde geven om het vele dat werd bereikt, om het vele dat voorbij is. Slechts indien de ouderdom het ouder worden niet kan aanvaarden op geestelijke grondslag, omdat men in het leven geen geestelijk houvast heeft kunnen vinden en moet teruggrijpen naar lichamelijke waarden, aanzien en gezag, dan is de ouderdom een tragedie. Ik zou in dit onderwerp niet volledig zijn indien ik niet zou wijzen op een ander soort ouderdom. Niet van mensen maar van instellingen en instituten.

Er zijn kerken, die zich beroepen op hun ouderdom. Dat wil zeggen dat zij gebaseerd zijn op een denken dat heden ten dage niet of slechts ten dele bestaat. Indien die kerk werkelijk zo oud is als zij zegt te zijn – ook vandaag nog in haar denken, streven – dan wordt zij niet meer aanvaard door deze tijd. En als zij zich voortdurend heeft aangepast aan de eisen van haar tijd zal zij nooit meer de grondslagen precies gelijk kunnen uiten als in haar groei‑ en bloeiperiode. Wie dit niet begrijpt, zal zich verwonderen over de continuïteit van kerken die hun leerstellingen honderden jaren lang verkondigen, schijnbaar zonder enige verandering. Maar wie nauwkeuriger toeschouwt, ziet dat elke kerk die zo lang bestaat eigenlijk eeuwig jong is. Eeuwig jong omdat zij zich voortdurend tracht aan te passen bij de mensheid.

Nu kennen wij in kerken, genootschappen, regeringsvormen, enz. – net als bij ouderdom – twee soorten. Wij kennen de soort die de ontwikkeling van het heden ziet en vooruit maatregelen neemt. Haar plannen tekent voor een toekomst en deze niet op de huidige mens maar op de toekomstige ontwikkeling baseert. Het is een feit dat een dergelijke kerk over het algemeen in ledental niet zo groot zal zijn want zij zal a.h.w. geestelijk steeds vooruit blijven. Zij zal steeds weer in staat zijn de jongere generatie op te vangen en een basis te geven.

Terwijl de kerk verder gaat, blijft de mens op een bepaald moment staan. Zo’n kerk is niet oud. Als zij zich durft beroepen op het feit dat ze al zoveel duizend jaar bestaat, dan kunnen wij zeggen: dat is niet waar, je hebt je steeds verjongd. Bij elke nieuwe generatie die wordt geboren, wordt uit jou weer een nieuwe vorm van kerk geboren die weer tracht voor te zijn, die een vernieuwing, een bewustwording betekent.

De andere soort zijn degenen die wanhopig vasthouden aan het oude. Die proberen met wetten en dogma’s een omheining te timmeren om hun gelovigen, opdat ze toch vooral de wereld met haar ontwikkelingen niet zullen zien. Maar die daarin niet slagen en langzaam ledig en hol worden. Die misschien nog vele gelovigen tellen in naam maar weinig in werkelijkheid,

Zo is het ook met regeringsvormen. Een regering die zich baseert op het heden is te laat, want zij zal altijd een wassend verzet tegenover zich vinden in de groeiende jeugd. Zij moet klaar zijn voor morgen, reeds nu. Zij moet zich niet baseren op wat vandaag kan gebeuren en moet worden gedaan. Neen, op wat er morgen nodig zal zijn. Faalt zij, dan zal zij ten onder gaan. Dan zal de jeugd haar vorm langzaam maar voortdurend vernietigen of veranderen totdat er van de oude instelling niets overblijft.

Een regering daarentegen die weet te zorgen voor de komende tijd, zal altijd een gelukkig, werkzaam, nijver en bloeiend land kennen. Zij zal altijd een slag vooruit blijven en daardoor trouwe burgers hebben. Dat betekent meer dan ik u kan zeggen. Dat betekent hetzelfde als voor een gezin kinderen te hebben die boven alles en door dik en dun hun vader en moeder trouw blijven.

Zowel instellingen als mensen verouderen. En zoals de ouderen zich tegen al de nieuwlichterij van de jongeren verzetten, zo verzetten de oude instellingen – ik bedoel hiermee de soort die hol en leeg wordt – zich met hand en tand tegen alles wat nieuw is. Zij trachten zo nodig met geweld het nieuwe te onderdrukken en uit te roeien. Zij zaaien liever dood en verderf dan te erkennen dat zijzelf een fout hebben gemaakt. Ook die problemen staan in de wereld. Problemen die zich overal uiten.

Eens tekende men (Washington) de artikelen die de grondwet der Verenigde Staten zouden zijn. Er is niet veel meer van overgebleven, ook al beroemt men zich erop. Men beroemt zich nog heden ten dage op de Act of Constitution. Wat betekent zij werkelijk? Iets dat meer en meer wordt ondermijnd. Van de vrijheid is alleen overgebleven dat de staat – omdat het nu eenmaal noodzakelijk is ‑ gedeeltelijk de controle heeft gegrepen. Maar omdat die staat zich nog teveel door deze grondslagen gebonden acht om eerlijk en oprecht te zijn. Anderzijds hebben particuliere groepen – ik denk hier zowel aan concerns en trusts als aan arbeidersgroeperingen – het gezag overgenomen. Wij zien de vrijheid steeds verminderen. Men moet met zijn tijd meegaan, ook daar. Een grondwet die vandaag aan de dag nog goed genoeg is om te bestaan, moet worden gehandhaafd en niet worden ontdaan door allerhande besluiten van congressen en achterbakse geheimhoudingen.

Omgekeerd is het nog niet zo lang geleden dat een aantal revolutionairen trachtte in Rusland een beter leven te scheppen. Ze hebben veel misdaan, maar ook veel gedaan en veel tot stand gebracht. Zij zijn echter verstard. Zij houden zich vast aan beginselen die heden ten dage niet meer waar kunnen zijn. Zij houden zich vast aan voorstellingen die absoluut irreëel zijn en daardoor vernietigen zij datgene wat zij zelf hebben opgebouwd. Het is treurig dit te zien omdat er altijd slachtoffers vallen.

Elke strijd tussen jong en oud ontaardt tenslotte in geweld, een geweld van woorden of van handelingen. Als het een kwestie is van staatsvormen of van religieuze vormen dan is dit geweld wreder, hartstochtelijker dan iets anders. Het kent geen respect omdat de ouderdom de jeugd niet begrijpt. Men mag van de jeugd van het jonge niet vergen dat het begrijpt wat de ouderdom werkelijk is en betekent, want zij beginnen pas te leven. Zij moeten hun ervaring van leven op deze wereld vol van allerlei zorgen en problemen nog beginnen. Zij moeten nog zoeken naar een doel, naar vrede. Maar de ouderen kunnen dit hebben bereikt. De ouderen moeten de jeugd begrijpen.

Jeugd en ouderdom zijn beide noodzakelijk om in deze wereld tot een ontwikkeling te komen. Indien deze wereld zou worden ontdaan van het stabiliserend element van de ouderdom, zou zij heel gauw in vlammen opgaan. Dan zou er niet veel overblijven, juist omdat de jeugd hard en meedogenloos is. Maar als er geen jeugd zou zijn, als er niet het jeugdig streven naar vernieuwing zou zijn, dan zou die wereld ook allang zijn ondergegaan. Dan zou zij zijn ingesluimerd en in een steeds intricater sociaal stelsel zichzelf hebben gewurgd.

Ook de ouderdom heeft wel degelijk een taak, een grote taak. Pas als zij dat beseft, kan zij haar werkelijke plaats in de samenleving innemen. Het is haar taak om a.h.w. onopvallend voor de jeugd de gelegenheid te scheppen om zich uit eigen motieven in de juiste richting te bewegen.

Men heeft wel eens gezegd: een jong mens is een krijgsman, een oud mens een politicus. Al mogen wij niet generaliseren, er is iets van waar. De oudere mens moet politiek zijn. Hij moet de krachten in de juiste richting leiden. De jonge mens is het die de hinderpalen moet verwijderen.

Het is niet de taak van de ouderen om de vrede op aarde te handhaven. Het is hun taak om een zodanig doel te stellen voor de strijdkracht van de jongeren dat de mensheid in de wereld – de wereld van de geest zowel als de wereld van de stof – zal zijn gebaat met alle pogingen van de jeugd om zichzelf te worden en zichzelf te realiseren in haar wereld.

De jeugd met haar eeuwig “waarom”, met haar verdergaan, met haar “cynisch zijn” met betrekking tot alles wat die oudjes vertellen, weet niet dat zij zich dan laat leiden. Maar zij is blij indien zij die leiding krijgt. Want de ouderen hebben waarschijnlijk wel geleerd te luisteren. Maar de jonge mens moet zich zo nu en dan eens kunnen uitspreken, moet kunnen redeneren en debatteren. Een goed debater zegt zelf weinig. Maar door het weinige dat hij zegt, geeft hij leiding aan de woorden van zijn tegenstander. Daarom wint hij.

De jeugd kan niet verwachten te winnen van de wijsheid van de ouderdom. Laten wij dat vooropstellen. Maar zij kan wel winnen als de ouderdom zich hult in de mantel van onfeilbaarheid.

De jeugd die zich tegen de ouderdom kan uitspreken ‑ eerder om zichzelf duidelijk te maken wat het probleem is, dan om iets mee te delen ‑ en die daar dan een medelevend en begrijpend antwoord vindt, is gelukkig. Want zij zal niet alleen een doel in haar leven vinden, maar ook vrede. Zij zal haar strijdkracht ten goede richten.

De grote geschillen tussen oud en jong zijn het, die de middengroep – degenen die de wereld eigenlijk draaiende houden – de gelegenheid geeft om te leven en te werken. De stimulerende jeugd die stuwt en voortdrijft en niet toelaat dat men vastroest. De ouderdom die – de jeugd leiding gevend ‑ zorgt dat er nog juist adem genoeg overblijft voor degenen die in werkelijkheid moeten leven en werken om het doel te bereiken: n.l. een tijdlang nog juist een stap vóór te kunnen blijven op de jeugd tot het ogenblik dat de jeugd hun taak overneemt. En indien zij dit zelf begrijpen en zich dan beperken tot het leidinggeven in plaats van zich te verzetten tegen de jeugd – die zichzelf als een actieve factor tracht te handhaven – dan geloof ik dat de wereld er beter door wordt.

Masker

Een masker is de onbeweeglijke uiterlijkheid waarachter het werkelijke leven zich verbergt. En uiterlijkheden van de mensen zijn niet hun werkelijkheden. De dierlijkheden van de geest zijn niet de werkelijkheid van de geest. En het beeld dat men zich van God maakt, is niet de werkelijkheid van God.

Een masker verbergt veel van hetgeen wij willen verbergen. Het verbergt ook veel van wat anders niet te dragen en onaanvaardbaar zou zijn. De veelheid der dingen die wij kunnen beleven en doorleven en waaruit wij iets kunnen maken, wordt bepaald door het masker dat wij dragen. Het is niet dwaas een masker te dragen zolang men zelf weet dat men er een draagt en zolang men dit masker niet gebruikt om anderen daarmee bewust te misleiden en te bedriegen.

Elk mens heeft recht op een zekere maskering van de werkelijkheid. Zoals de geest recht heeft ‑ tot op zekere hoogte ‑ om dat masker te gebruiken waardoor zij haar doel het gemakkelijkst kan bereiken, mits zij daardoor een ander geen schade berokkent.

Laten wij onthouden dat het grootste masker dat er bestaat het beeld is dat wij ons van God maken. Maar als God Zijn masker zou afzetten, zouden wij niet kunnen leven in het bewustzijn van zijn wezen. Wij zouden Hem niet meer kunnen aanvaarden. Nu maakt het masker het ons mogelijk dichterbij te komen en ons te gewennen aan een werkelijkheid die later wordt onthuld.

Maar er is altijd het ogenblik waarop alle maskerade voorbij is. Er is het ogenblik dat het feest en de treurspelen ophouden en de mens, de God of de geest naar voren moet treden zoals hij is. Dat is het ogenblik van démasqué.

Dat ogenblik van démasqué is niet te vermijden. En daarom moeten wij er zorgvuldig voor waken dat onze maskers niet iets verbergen waardoor anderen schrikken of haten. Wij moeten ervoor zorgen, dat ons masker voorbereidt op de werkelijkheid van ons wezen, niet dat het de werkelijkheid van ons wezen blijvend verbergt. Want wie zijn masker wil dragen als het démasqué begint, wordt uitgesloten uit de gemeenschap. Hij doolt in duisternis.

Laat ons ook niet trachten anderen te ontmaskeren. Dat is niet onze taak. Maar laat ons wel trachten te begrijpen dat achter hun uiterlijkheden iets anders leeft dan wij zien en beseffen. Dit zal bijdragen tot een werkelijk menswaardig, menselijk en Godwaardig bestaan waarin de Goddelijke werkelijkheid voor de mens steeds dichterbij komt en waarin hij gelijktijdig leert dat de onbelangrijkheid soms belangrijk is door de mogelijkheid die zij schept.