Jezus en de kerken

SVGZ – 14 februari 1964

Het lijkt mij n.l. juist om in deze tijd van vaak bijna heethoofdige oecumene bestrevingen, Jezus en zijn leer te confronteren met de kerken, zoals deze nu bestaan. Het zou mogelijk zijn dit eveneens te doen t.a.v. andere leraren en de kerken, die uit hun streven voortkwamen, maar in een christelijke gemeenschap lijkt het mij meer dan voldoende, alleen t.a.v. het genoemde onderwerp bepaalde verschijnselen te signaleren en opmerkingen te maken.

Laat ons beginnen met een recent voorval: Een prinses van het huis van Oranje wordt katholiek. Opeens steekt overal een golf van verontwaardiging op: Hoe heeft men de euvele moed opgebracht, om deze overgang in stilte mogelijk te maken? Men had tenminste daarvan onmiddellijk mededeling moeten doen. Indien men de commentaren beluistert, klinkt daarin iets mee van: dit is toch eigenlijk ongeoorloofde concurrentie.

Ik kan de gevoelens van al deze mensen wel begrijpen: Het is niet prettig een lidmaat van eigen groep te verliezen, dat dan toch in zeer hoog aanzien stond en aan de gehele groep een bijzonder prestige gaf. Ik kan mij ook de gevoelens van de andere kant indenken, die gaarne alles wil doen om een onopvallende overgang mogelijk te maken en zo een mens de mogelijkheid te geven, volgens eigen inzicht en geweten zijn God te dienen, zonder onnodige beïnvloedingen van buitenaf. Maar waar blijft nu de werkelijke gedachte van samengaan? Ik meen, dat Jezus zelf zich over dergelijke dingen niet druk gemaakt zou hebben. Als Zijn leerlingen tot hem komen en vol verontwaardiging uitroepen: Heer, er zijn mensen, die genezen en duivelen uitdrijven in uw naam en de naam van de Vader, zegt Jezus rustig: Wanneer zij dat doen, zullen wij maar hopen, dat zij succes zullen hebben. Laat hen hun gang maar gaan.

Jezus kende geen concurrentie zin, of zelfs maar een begrip van “Mijn waarheid is de enige waarheid!” in de zin, waarin mensen dit plegen te doen. Hij zei: Ik sta voor de enige waarheid. Dit is mijn leven, dit is mijn wezen. Hoe men tot die waarheid komt, hoe men deze wil beleven, hoe men daaruit zal putten, is van geen belang. Is het nu werkelijk zo belangrijk, dat men als lidmaat of gelovige tot een bepaalde kerk behoort? Kan men zonder dit geen christen zijn? Vanuit mijn standpunt blijken die kerken een neiging tot monopolisme te bezitten, die geheel in strijd is met Jezus’ eigen wijze van leven en werken. Zij gaan uit van eigen onfeilbaarheid, de enig juiste interpretatie van een openbaring, die zij alleen bezitten en geven, zij klampen zich krampachtig vast aan “Het Woord” en dan nog bij voorkeur aan het oude testament, ofschoon Jezus t.a.v. dit laatste toch duidelijk heeft verklaard: Ik ben u het einde van het Oud verbond. Ja, deze kerken stellen vaak, dat men buiten hen niet werkelijk zalig kan worden, of zelfs maar waarlijk innerlijk gelukkig zal kunnen zijn.

Ik weet, dat dit wat vreemd zal klinken, maar toch wil ik hier ook vragen: Hoevelen in de kerken klampen zich boven alles vast aan hun waardigheid? Wij moeten n.l. de situatie goed begrijpen, omdat ook dit voor de wereld van heden van het grootste belang kan zijn: Uw eigen moraal, uw wetgeving enz. behoort immers geheel binnen het kader van het christelijk streven? Alles wat nu bestaat, zowel in Nederland als in andere landen, wordt in wezen vaak herleid tot de leer van de Grote Leraar, die eens rond ging in Judea, Galilea, Samaria enz..  Zo zegt men althans. Maar is het werkelijk zo belangrijk, dat iemand tot een bepaalde kerk behoort, dat hij het gezag van bepaalde priesters erkent, op een bepaalde wijze erediensten volgt, leeft en handelt volgens algemeen geldende opvattingen enz.? Of is het alleen maar belangrijk, dat de mens innerlijk de juiste weg gaat? Jezus laat de mens grote eigen verantwoordelijkheden en grote mogelijkheid tot zelf kiezen en beslissen. Jezus neemt de mens misschien onder Zijn hoede. Maar dan toch alleen, wanneer deze mens dit werkelijk wil en onafhankelijk van de wijze, waarop hij leefde, ongeacht de kennis die hij bezit, ongeacht het al dan niet ingrijpen van zijn apostelen of hun opvolgers, de priesters en predikers. Let wel: Jezus erkent bovenal het recht van elke mens zijn eigen weg te gaan. Wanneer een mens afgoden wil aanbidden enz., zo laat Jezus hem rustig zijn gang gaan. Maar één keer is Jezus werkelijk woedend geworden: Toen Hij zag, hoe het geloof van de eenvoudigen geëxploiteerd werd in de voorhof van de tempel.

Arme Jezus: toen was er maar één tempelplein. Dat kon je gemakkelijk leeg vegen. Maar als je dit in deze tijd zou moeten doen, zou je overuren moeten maken, denk ik. Want of men het nu zo wil zien of niet, de kerken van heden krijgen langzaam maar zeker het aanzien van een industrie. Een diensten verlenende industrie weliswaar, maar toch: een bedrijf. Er zijn leningen en hypotheken – kerken en scholen moeten gebouwd worden – en grote kapitalen worden geïnvesteerd in gemeenschapscentra, plechtige gewaden, versieringen, schitterende orgels, of  paramenten van een vaak in deze dagen haast onbetaalbare fijnheid. Jezus bad met zijn discipelen in de woestijn, op een dorpsplein of in een huis, precies zoals dat toevallig uitkwam. Tegen zijn volgelingen zei hij zelfs, dat, zo zij waarlijk in zijn taak deel wilden hebben, niets mochten bezitten, dat zij geen recht hadden om een tempel te stichten, of zelfs maar een 2e paar schoenen mee te nemen voor onderweg. Hij zei hen te gaan en te vertrouwen op de Vader.

Dit vooral schijnt mij het grote verschil toe tussen Jezus’ werk en leer en hetgeen men uit het christendom heeft gemaakt: De kerken van heden zijn in de eerste plaats – of zij dit nu toegeven of niet – materiële organisaties. Zo Jezus al een kerk heeft willen bouwen, was dit zeker een tempel, die uit mensen bestond en niet afhankelijk zou zijn van stenen en sieraden. Verder was Jezus volkomen getrouw aan de wetten van het land en eerde de wetten van de geldende godsdienst. Hij probeerde niet om aan de wetten, die de Romeinse overheersers hadden gesteld, maar iets te veranderen of hun gebruiken aan te tasten. Hij hield zich aan zijn eigen uitspraak: Geef God, wat van God is, maar geef Caesar, wat Caesar behoort.

De kerken van heden zijn echter vaak eerder politieke instellingen en pressiegroepen dan iets anders. Gods naam wordt meer ijdellijk gebruikt om stemmen te winnen voor een bepaalde partij of gaven af te dwingen, dan door de mensen, die vloeken. En dat is toch wel een wat vreemd verschijnsel. De leiders van de kerken beroepen zich op hun nederige dienstbaarheid, maar eisen gelijktijdig gehoor en gehoorzaamheid van allen, op straffe van verdoemenis en ondergang in het hiernamaals en vaak daarnaast acties en pressie, in het verleden zelfs martelingen en dood voor allen, die het zouden wagen deze nederige dienstbaarheid niet gelijktijdig als het hoogste gezag te aanvaarden.

Wat zou Jezus zelf in deze dagen eigenlijk wel gedaan en gezegd hebben? Dit is een wat moeilijke vraag, omdat de Jezus, die wij kennen wel aanmerkelijk verschilt van de Jezus, die u meent te kennen. Uw Jezus kent u uit boeken, predicaties, overleveringen. Hij is een legendarische figuur geworden, een soort God die, zij het met andere bedoelingen, evenals Zeus placht te doen, ter wereld neerdaalde om ergens de supermens te spelen. De Jezus, die wij kennen is een Lichtend wezen, vervuld van een Goddelijk bewustzijn, dat wij niet geheel kunnen doorgronden. Een wezen, dat nimmer boven ons wil staan, maar altijd naast ons plaats neemt, een wezen, dat ons geen wetten geeft, maar raad, een wezen, dat ons vrij laat en juist in een steeds grotere vrijheid tracht te doen komen tot hetzelfde bewustzijn, inzicht en dezelfde kracht, die in deze Jezus reeds bestaat. Het verschil hier tussen maakt het moeilijk om op een voor u geheel aanvaardbare en begrijpelijke manier de gestelde vraag te beantwoorden. Wanneer ik toch een poging waag, moet ik daarbij wel uitgaan van de Jezus die ik ken, niet van de u bekende legende.  Deze Jezus zou ongetwijfeld vragen: Mensen, waarom bouw je geen huizen voor de daklozen, waarom voed je degenen niet, die op aarde nog hongeren, in plaats van een voortdurend bouwen van huizen voor een God, die woont en leeft in alle dingen, die alomtegenwoordig is?

Hij zou gelijk hebben, nietwaar? En deze zelfde Jezus zou vragen: Waarom sticht gij, die u mijn vrienden noemt, toch zoveel partijen? Waarom tracht gij toch steeds weer velen te dwingen in te gaan tot uw kerken, terwijl het u toch geleerd is, dat het Koninkrijk Gods in u is, dat God alleen in uzelf in waarheid gevonden en erkend kan worden?

Ik meen, dat deze Jezus ook aan velen zou moeten vragen: Wie meent gij wel te zijn, gij, die u vermeet wetten te stellen aan anderen en hen te zeggen, hoe te leven en te gedragen. Hoe durft gij dwingen en oordelen, gij die de harten van de mensen niet kent, zoals de Vader ze kent? Want ziet: wat Hij hen geeft, geeft Hij uit zijn weten. Gij echter stelt uwe wetten en regels, gij stelt uw eisen uit uw onwetendheid.

Gelukkig klinken deze woorden niet uit de mond van de erkende Jezus. Want dit zou een schandaal betekenen, een oproer, feller dan al het andere op aarde. Men zou hen misschien zelfs, tot duivel, tot demon verklaren. Want de aarde heeft geen behoefte aan een Jezus, die de mens innerlijk vrij wil maken. Men heeft behoefte aan een Jezus, die aanvult, wat de mensen tekort komen, een Jezus, die macht geeft, die zonden kan vergeven, een Jezus, die als slachtoffer en Verlosser kan dienen, opdat de mens in besef van eigen onvolwaardigheid toch de hoop op een onmiddellijk en volwaardig eeuwig bestaan zal kunnen handhaven. Ja, men  heeft bovenal behoefte aan een Jezus, die een wapen is, de knuppel, waarmee je je tegenstanders in rechtvaardige toorn neer kunt slaan en gelijktijdig de verklaring is van alle lijden, iemand die goed is voor alles, waardoor men zich meerdere kan achten van anderen en het bestaande kan rechtvaardigen.

Een van onze vrienden vertelt wel eens een eigen beleving, die, zo niet een veroordeling vormende van de kerken, toch wel een daarbinnen veel voorkomende mentaliteit uitdrukt: Het speelt in het zuiden van Nederland. De pastoor heeft wat gedronken en ook de fabrikant, die hem zojuist een gebrandschilderd raam heeft aangeboden, is niet geheel nuchter. De fabrikant zegt: Mijnheer pastoor, zonder u zou ik geen winsten maken om dit te doen. En de pastoor antwoordt: Ja, ja. Dit is gode welgevallig. Houdt gij ze maar arm, dan zullen wij ze wel braaf houden. Het was misschien niet zo kwaad bedoeld. Maar het wijst op een mentaliteit, die ook nu nog vaak bestaat, Jezus vraagt echter van de mensen niet, dat zij anderen arm zullen houden of maken, dat zij anderen braaf zullen houden. Hij vergt van zijn volgelingen zelfverloochening en een erkennen van eigen wezen, maar niet een regeren van anderen.

Jezus was misschien volgens de huidige normen van christelijk zijn in bepaalde kringen veel te vrijzinnig. Hij had er geheel geen bezwaar tegen, dat de toch zeer zondige danseres Magdalena – wier beroep veel meer inhield dan tegenwoordig – Hem volgde, met Hem ging, omging met Zijn moeder en leerlingen. Hij aanvaardde zonder meer haar berouw, toen zij eenmaal inzicht had gekregen in Zijn leer en stond zonder meer toe, dat zij ging behoren tot de groep, die steeds rond Hem was. Toch was zij een lichtzinnige vrouw, iemand die zich zelfs in de eerste tijd dat zij Hem zocht, nog voor geld verkocht, een prostituee. Hij sprak echter geen harde woorden tot haar en oordeelde haar niet. Integendeel: Uit alles blijkt, dat hij voor haar een bijzonder zacht plekje had in zijn hart. Waarom? Misschien, omdat Hij zo goed was. Of misschien ook, omdat Hij begreep, dat menselijke wetten geen waarde hebben, indien zij niet uit het innerlijk weten en bewustzijn van de mensen geboren worden.

Jezus sprak lange tijd met een Samaritaanse vrouw die al meerdere mannen had gehad. De discipelen vonden dat niet erg prettig: een vrouw, die licht van zeden was en dan bovendien nog niet eens rechtgelovig, niet waar? Maar Jezus sprak met haar en trok zich van de mensen niets aan. Het ging Hem immers niet om het gedrag van die vrouw: Hem ging het er alleen maar om, dat zij innerlijk wakker zou worden en verder niets. Jezus trok zich ook niets aan. Hij ontmoette een zekere Zacheüs een tollenaar, die, naar men zegt, in een vijgenboom was geklommen om de profeet te zien. Misschien was hij wel zo klein, dat hij anders niets gezien zou hebben. Even bovendien is het zeer wel mogelijk, dat hij dit ook uit veiligheidsoverwegingen heeft gedaan: de tolgaarders van de Romeinen werden beschouwd als landverraders en waren niet bepaald zeer geliefd in het joodse land. Wat doet Jezus nu? Gaat hij een preek houden, om Zacheüs te bekeren? Wel neen, Hij erkent hem, met al zijn fouten en zondigheid, als gelijke en spreekt hem aan: “Zacheüs, kom af, want heden zou ik bij u willen rusten en een maaltijd gebruiken”. En de tollenaar komt af, blij en verbaasd. Jezus maakt geen verwijten, maar behandelt hem eenvoudig als gelijke. Nu begrijpt Zacheüs iets, wat hij misschien nooit heeft geweten, of tenminste vergeten was: dat hij deel is van de mensheid. Daarom maakt hij zijn fouten zoveel mogelijk goed. Niet, omdat er pressie op hem wordt uitgeoefend, of men hem bedreigt met de hel.

Dat is toch wel iets anders dan in vele kerken. Daar bent u natuurlijk wel welkom als zondaar. Maar dan moet u eerst maar eens toegeven, dat u zondaar bent. Genade in overvloed, maar alleen in ruil voor de schuldbelijdenis. Soms lijkt het wel, of het een handel is: voor zoveel pond berouw zoveel ponden genade. Dat is God niet, dat is de weg van Jezus niet. Dat is geen werkelijk levende kracht, maar menselijk vooroordeel, menselijke lust om “beter” te zijn dan anderen. Wanneer wij Jezus op zijn weg volgen, doet Hij nog heel wat meer dingen, die nu onaanvaardbaar zouden zijn. Hij drijft duivelen uit. Dat mag dan nog wel, want duivelen zijn nu eenmaal deel van de religie. Maar hij laat hen ingaan in een kudde zwijnen. En die zijn toch iemands eigendom. Daar had Hij af moeten blijven. Nu liggen die beesten in de afgrond, waardeloos: een eigendom moet heilig zijn. Goed zijn tegen de duivelen, die je uitdrijft op kosten van anderen, is niet aanvaardbaar, nietwaar.

En dan geneest hij bovendien nog zieken. Zelfs ongeneesbare zieken. Dat is vervelend en zou eigenlijk niet toegestaan mogen worden ofschoon Jozef van Arimathea, die arts was, Hem toch volgde en zeer bewonderde in de oude tijd. Hij was immers geen bevoegd geneesheer, hij had daarvoor niet geleerd. Hoe dan kon Hij zo iets doen? Dat behoort alleen bij de bevoegde instanties. Beter dat een mens op wetenschappelijk verantwoorde manier sterft, dan onwetenschappelijk geneest, zo schijnen velen te denken. En zo er al mirakelen moeten gebeuren, dan alleen binnen onze kerk en nergens anders.   Hij doet zelfs dingen, die eenvoudigweg vergeten zijn, omdat men rond het jaar 700 tot de conclusie kwam, dat dit vanuit christelijk standpunt niet aanvaardbaar en bruikbaar was. Want Jezus riep nu wel in de woestijn met enkelen van zijn leerlingen bezweringen uit, maar dat hij bovendien zijn leerlingen leerde dit zelf ook te doen, gaat te ver. Stel je voor, dat alle mensen voor zich zouden gaan bezweren en bidden, nietwaar, of zelfs de brutaliteit zouden hebben, hun ouderlingen en priesters te vragen om resultaten en niet alleen met woorden en plechtigheden genoegen zouden willen nemen. Zelfs de gelijkenissen van Jezus vragen veel uitleg en gepraat, voor zij aanvaardbaar blijken te zijn. Want anders is het alles zo eenvoudig en boven alles moet de leer toch plechtig en waardig zijn. Plechtstatigheid schijnt voor velen een onontbeerlijk deel van het christenzijn.

Toch is de Jezus, die ik ken, geheel geen plechtstatige figuur: Zo hij zich toont, is zijn gestalte die van een jonge man. Er gaat van hem altijd een bijzondere spanning, een bijzondere trilling uit. Maar verder is Hij een mens, die graag lacht, iemand van wie je zou kunnen verwachten, dat hij zo een paar apenstreken uit zou gaan halen. Zeker is Hij iemand met een groot gevoel voor humor, iemand die altijd lacht en blij is en zelfs uit de meest ellendige dingen nog iets goeds weet te maken. Iemand die misschien eens wanhoop heeft gekend, maar deze dan toch zeker heeft overwonnen en daarvoor in de plaats nu de blije vrijheid van een werkelijk leven kent. Indien dit Jezus is, vraag ik mij af, waarom “zijn” kerken altijd zo plechtstatig of vol van rituelen moeten zijn. Is het nu werkelijk nodig, dat Gods Woord altijd op een onechte en wat gezwollen toon wordt verkondigd? Kun je God alleen maar kennen en dienen, wanneer de wierook geurt, belletjes rinkelen en de spreuken met zekere monotonie slaapverwekkend opklinken? Jezus zelf deed het in ieder geval anders. Hij erkende de waarde van ritueel. Dat weten wij zeker. Vooral met de groep van de 144, de 42 en de 12 heeft hij zeker verschillende rituelen gevierd, vooral in de buurt van het meer van Genezareth.

Maar hij deed deze dingen in het verborgene, niet in het openbaar. De Jezus, die ik ken, past in ieder geval niet binnen het vaste keurslijf, waarbinnen men alle christenen heeft willen persen. Wanneer u in deze dagen Jezus wilt volgen, dient u in de eerste plaats toch wel een goed christen te zijn, nietwaar. Maar Jezus begint al meteen te zeggen: Denk er om dat niet wat je bezit werkelijk van jou is, het behoort aan de armen, aan hen, die daaraan behoefte hebben. Begin daar eerst maar eens mee… Zegt u dan misschien, dat dit niet kan, want er moeten nog belastingen betaald worden, uw gezin moet verzorgd zijn, u moet een aardige woning hebben en uw auto kost ook heel wat? Beroept u zich op uw bedrijf en uw stoffelijke aansprakelijkheden en noodzakelijkheden om uw vasthouden aan bezit te rechtvaardigen? De kerk vindt het wel goed: geef maar iets aan de kerk, en het komt in orde. Jezus echter houdt voet bij stuk en zegt: Wie mij volgen wil, moet alles achter laten, alle bezit, alle verplichtingen en alleen mij volgen. Dat wordt pijnlijk, nietwaar?

En nu zijn wij nog niet eens aan de werkelijke leer toe, maar alleen aan de begin voorwaarden. Een waar christen is iemand, die niets werkelijk bezit en geen banden kent buiten de banden met God. Hij mag alles gebruiken, wat de wereld hem geeft. Daartegen bestaat geen bezwaar. Maar eigendom mag hij niet kennen. De ware christen heeft niets, wat hij waarlijk zijn eigendom mag noemen, zorgt niet voor de toekomst, kent geen verplichtingen buiten de verplichtingen tegenover God en door God hem persoonlijk opgelegd. U begrijpt het al: binnen de huidige maatschappij, ja, zelfs binnen de wereld van de gewone mensen is dit niet aanvaardbaar, klinkt dit onmogelijk. En toch wil men vele christenen hebben. Daarom is het wel begrijpelijk, dat men voor de werkelijke leer, het werkelijke leven volgens Jezus’ leringen, iets heeft gesteld, dat er dan wel wat op lijkt en toch alle mensen de gelegenheid geeft om, mits zij een bepaald geestelijk gezag maar erkennen, hun eigen wegen te gaan en hun bovenal gewaardeerde bezittingen veilig te stellen.

Toch zou het goed zijn, als de kerken zich eens af gingen vragen: Zijn wij nu werkelijk christenen? Jezus was geen theoloog. Hij bouwde geen kosmische structuren op met vele argumenten omtrent het hoe en waarom. Hij heeft nooit precies aan iemand willen vertellen, wie en wat de Vader nu eigenlijk is en wat deze nu eigenlijk doet, hoe en waarom deze heeft geschapen enz.. Hij heeft nooit getracht de mens een stoffelijk aanvaardbare voorstelling te geven van het koninkrijk Gods of beschreven, hoe het hemelse Jeruzalem nu wel is gebouwd. Alles wat u daarover wordt voorgehouden, hebben de theologen later bedacht of ontleend aan andere geschriften dan de evangeliën zelf. Toch hanteren vele kerken in naam van Jezus het argument, dat zij deze dingen weten en in staat zijn de mens tot het Koninkrijk Gods en de eeuwige zaligheid te brengen. Om dit te bewijzen goochelen zij met hel, verdoemenis en de hemel op een wijze, die Jezus geheel vreemd is. Wanneer de mensen dit beseffen, wordt het op zijn minst voor deze kerken een beetje lastig, meent u ook niet?

In deze tijden van vernieuwing zal er een einde gaan komen aan deze – neem mij niet kwalijk – goed gemeende onwaarachtigheden. Zeker: een ieder, die een kerk wil aankleven en volgen, moet dit doen. Niemand heeft het recht hem hierom minder te achten of hem hiervan terug te houden. Ook Jezus, in zijn tijd, heeft dit nooit gedaan. Hij heeft de mensen nooit gezegd, dat zij niet ter tempel moesten gaan of niet naar de rabbi moesten luisteren in de plaatselijke kerken en scholen. Hij heeft niemand gezegd, dat hij nu maar niet meer in de schrift moest lezen of de wet moest verwaarlozen. Hij heeft slechts gezegd: Ik ben u het einde van het Oud Verbond en daarnaast: de werkelijke weg, het werkelijke Koninkrijk ligt diep in u.

Als de mensen gaan voelen hoezeer uiterlijkheden onbelangrijk worden – en dat is te verwachten in de komende dagen – zal er ook een ogenblik komen, dat de onwaarachtigheden niet meer aanvaardbaar zijn, dat zij zullen zeggen: Wij hebben er genoeg van. Ik wil hiermee niet zeggen, dat de kerken nu of binnenkort leeg zullen zijn, ofschoon de capaciteit van de kerken altijd weer veel te groot is voor het werkelijke aantal gelovigen. Men acht het tegenwoordig niet juist grote schouwburgen en stadions te bouwen, wanneer men weet, dat zij maar eens in misschien een of meer jaren werkelijk geheel bezet zullen zijn. Toch bouwt men kerken, die slechts bij uitzonderlijke gelegenheden voor 3/4 bezet zijn. Vreemd, nietwaar?

De Jezus, die ik ken, is verder niet de Verlosser, die de mens nu opeens en zonder meer, alleen op basis van aanvaarding, van al zijn verantwoordelijkheden en schulden vrijmaakt. Daarvoor is Hij te groot, te ver gevorderd. De ware christen beseft dit en zoekt geen vrijheid van verantwoordelijkheid of eigen streven en zoeken, maar een Jezus, die hem vrij kan maken van zijn beperkingen. Deze christen, wil geen alles goedmakende en vergetende God boven zich weten, maar zijn erfdeel als godgeschapen wezen aanvaarden. Met deze zowel als degenen, die de onoprechtheden zien als een reden om alle kerksheid te vergeten en zonder- meer hun stoffelijk aangename en rendabele wegen te gaan, zullen de kerken vele moeilijkheden krijgen. Dan zullen deze kerken zich ongetwijfeld op Jezus beroepen, neerknielen en zeggen: Heer Jezus, wij hebben alles voor u gegeven. Zie eens, hoe mooi de altaren zijn, die wij u hebben opgericht, hoe mooi onze kerken zijn, onze orgels. Elke zondag prediken wij in uw naam, Heer, dit alles hebben wij voor u gedaan. Heer, zegen nu ons werk.

Maar wat zal de werkelijke Jezus op deze beden moeten antwoorden? “Uw werk is niet uit de kracht en het rijk van mijn Vader.” Men vergeet dit vaak en meent dan, dat men met bidden Jezus er wel toe kan brengen, om de kerken voortaan vol te laten stromen. Maar Jezus zoekt het werkelijke rijk Gods te verbreiden. En dit Koninkrijk Gods is door ons reeds meerdere malen besproken.

Ik zou daarover iets willen zeggen, dat uit de Jezus, die wij in de sferen kennen, naar voren komt: ik geef het weer in een soort beschrijving, omdat het onmogelijk is de beelden die wij van Hem daarover mogen ontvangen, zonder meer in enkele woorden samen te vatten:

“Het koninkrijk Gods is vrede. In dit rijk is geen dood, omdat het heden steeds het volle leven en de volle belangrijkheid bevat. Het Koninkrijk is de verbondenheid met alle dingen en de waarheid omtrent alle dingen, die steeds meer in jezelf ontwaakt.

Het koninkrijk Gods is het beeld van je eigen wezen, eeuwig en naar waarheid geschilderd, deel van een eeuwigheid, die je nog niet beseft.

Het Koninkrijk is het Licht, dat de mens moet geven, wanneer dit noodzakelijk is. Het is de vreugde, die de mens uit de ogen straalt, alleen reeds, omdat hij leeft. Het is het bewustzijn, dat hij altijd weer kan bereiken, ook al schijnt het vaak, dat hij zal falen.”

Het is Jezus, die dit zegt. Niet ik. Het is niet uw Bijbelse Jezus, maar een meer levende en meer hemelse figuur. Voor Hem is het koninkrijk Gods een innerlijke zaak. Het leven en de verschijnselen van het leven zijn voor Hem uiteindelijk alleen van belang, wanneer zij op die innerlijke zaak zijn gericht. Al het andere is bijkomstig. Jezus maakt zich niet bezorgd over de vraag, hoe het eens zal zijn. Schijnbaar is hij blind voor de gevaren van het leven. Hij slaapt rustig in de boot, terwijl een zware storm opsteekt en woedt. Wanneer de leerlingen Hem wekken met de roep: Heer, wij vergaan, zo kijkt Hij hen met een verbaasde glimlach aan, alsof Hij wil vragen: hoe kan men nu vergaan, wanneer men behoort tot het Koninkrijk Gods. Dan schijnt Hij te beseffen: maar jullie weten dit alles nog niet. Hij beveelt de wind en de wind is stil. Hier uit zich het werkelijke koninkrijk: niets in de wereld is machtig, niets kan je werkelijke schaden, je werkelijk iets doen.

Er is maar één Kracht: de kracht, waaruit je leeft. En deze kracht leeft in alle dingen. Jezus zegt tot de wind: wees stil. Maar Hij zegt het ook ergens tot zijn leerlingen, tot zichzelf. Hij geeft zijn rust weer en zie, de storm valt weg. Het is natuurlijk allemaal te verklaren. Misschien is de storm niet werkelijk teniet gedaan, maar alleen naar elders vertrokken. Wie zal het zeggen na zovele jaren. Maar de rust was het werkelijk belangrijke. Jezus wandelt rustig over de wateren. Waarom zou Hij immers niet? Hij heeft zijn eigen kracht, gaat zijn eigen wegen, niet die van de menselijke opvattingen, de maatschappij. Hij leeft in de materie, is vandaag timmerman, morgen genezer of profeet, overmorgen een eenzame in de woestijn, die terug zoekt naar de innerlijke vrede, die Hem, door zijn liefde voor de mensen, misschien verloren dreigt te gaan. Hij is alle dingen en toch steeds alleen zichzelf. Van deze Jezus vindt men in de kerken niet veel terug, vrienden. Toch zou men Hem ook daar terug moeten kunnen vinden. Maar dan zal men een geheel andere richting in moeten slaan, zolang als de mens zich gaat beroepen op de overheid – in casu Jezus – om datgene te doen, wat Hij zelf wel zou kunnen volbrengen, maar hem teveel offers en moeite kost, geeft hij zichzelf over en wil geleefd worden, een marionet van zijn God zijn. Jezus, bewuste Zoon van een Levende God, had er geen behoefte aan, marionetten rond zich te zien. Zoals hij geen behoefte had aan haat, verwerpen, verwijten. De waarheid wilde Hij zeggen, ook al kan de waarheid soms hard klinken. Maar Hij zei de waarheid, omdat het waarheid was, een deel van Zijn rijk, deel van het rijk van zijn Vader. Deze Jezus zegt zijn volgelingen, dat er in het huis van zijn Vader vele woningen zijn. Daarmee doelt Hij heus niet alleen op de hemelen. Hij doelt evenzeer op het innerlijk van de mensen. Want men kan ook innerlijk zijn God op zovele verschillende manieren vinden. De ene mens vindt zijn God, terwijl zijn handen naarstig bezig zijn, de ander wanneer hij bidt of denkt, weer een ander in de eenzaamheid van de natuur. Soms vindt men zijn God in verschillende gedaanten in al deze dingen. Elke mens vindt zijn God op eigen wijze of kan Hem ergens vinden. Maar God is altijd blijheid, vreugde, levenskracht. God is sterkte in jezelf. Dat is het hele Koninkrijk. Daarom heeft Jezus geheel geen behoefte een op enigerlei wijze beperken van de mensen. Het is dan ook opvallend, dat hij zijn leerlingen nooit iets werkelijk verbiedt. Wel zegt Hij tot hen: wanneer je mij wilt volgen, moet je er rekening mee houden, dat mijn weg zo en zo is.

Judas vergaarde penningen en hoedde de schat met ijver. Ik ken vele mensen, die dit doen in Jezus naam, en dat met de beste bedoelingen. Jezus heeft dit nooit verboden, maar Hij waarschuwde Judas meerdere malen en wees hem erop: Judas, je begeerte zal nog eens je ondergang zijn. Judas stelde dan steeds weer: Maar ik doe het voor u, Heer. Jezus echter antwoordde steeds slechts: Ik zeg u, het zal uw ondergang zijn. Je kunt voor God niets waarlijk bewaren of vergaren in de materie. God leeft niet in gebouwen, God leeft niet voor plechtigheden of in woorden. God leeft in de mens. Wanneer de kerken leger gaan worden, zullen de christenen tot elkander steeds vaker gaan zeggen: wij moeten samenkomen. Wij moeten deze ontkerstening tegengaan. Zij komen dan tot een samenwerking, die men nu oecumene noemt, waarin zij gezamenlijk trachten de mens dichter tot God te brengen. En ik heb respect voor dit streven, maar meen dat dit niet het streven is, dat Jezus van zijn volgelingen wenste.

Jezus wenste niet een zoeken naar zielen, maar een aanvaarden van God. En dat is heel iets anders. Jezus zocht ook niet naar macht. Hij heeft integendeel alle macht afgewezen, ofschoon men hem zelfs de kroon van Judea en zelfs geheel Israël heeft willen geven. Jezus zocht de innerlijke kracht en de innerlijke vrede alleen. Daarom zullen de kerken ook hier, met hun samenwerking en erkenning van broederschap, nog niet slagen in het benaderen van de werkelijke leer, de werkelijke kracht, die de basis is van het werkelijke christendom.

U zult zich nu misschien afvragen, waarom ik spreek over dit alles. Ik wil u iets duidelijk maken, u aantonen, dat de weg, die de christenen in deze dagen nog menen te moeten gaan, niet de juiste is. Er staat geschreven, dat er meer vreugde is over een zondaar, die zich bekeert, dan over duizend rechtvaardigen. Het is dus niet zo belangrijk, dat wij allereerst en bovenal rechtvaardigen zijn. Jezus zoekt de rechtvaardigen niet in de eerste plaats. Ook de kracht van deze nieuwe tijd, die steeds weer komt, zoekt geen rechtvaardigen, maar mensen, die bewust zijn. Al heb je 10.000 malen gefaald, maar een bewustzijn, waardoor je kunt zeggen: tot de waarheid keer ik terug, zonder te eisen of te menen dat ik rechten heb, je zult het koninkrijk Gods waarlijk vinden. Dan pas. Maar vaak eerder dan degenen die in hun rechtvaardigheid menen eisen te kunnen en mogen stellen.

Het koninkrijk Gods ligt niet buiten deze wereld, maar maakt deel uit van alle werkelijkheid. Daarom is pas na deze aanvaarding zonder eisen, gesteld vanuit eigen denken, bewustzijn of zelfwaardering, werkelijke harmonie mogelijk. Het klinkt misschien sommigen onder u in de oren of ik stel, dat het goed is om te zondigen. Natuurlijk zal ik niemand raden tegen zichzelf en eigen bewustzijn de “zonde” te zoeken. Dat zou alleen maar dwaas zijn. Maar zonder het besef van eigen falen, zonder de ervaringen door eigen te kort schieten, zal de mens niet van eigen uiterlijke methoden van denken, van de homofiele wijze van denken en reageren kunnen terugkeren tot de innerlijke en geestelijke waarheid. Dan is het beter, vele malen te falen en deze innerlijke zekerheid te vinden, dan te leven als een rechtvaardige, steeds gefrustreerd en nimmer in staat de waarheid in zich te vinden.

Wat dit betreft, is de gelijkenis van de verloren zoon een zeer interessant voorbeeld: Ik denk, dat er in deze dagen vele mensen zijn, die werkelijk zwaar de p… in zouden hebben, wanneer zij zouden moeten ervaren, dat ondanks hun leven volgens de meest enge wetten en begrippen, het de zondaars zijn, die zich aan vele fouten schuldig maken – en zelfs op zondag voetballen, stel je voor, wat een sacrilegie – degenen zijn voor wie zo dadelijk in figuurlijke zin door de lichtende krachten het gemeste kalf geslacht zal worden. Toch zijn het deze, die het eerst, de waarheid ervaren en het eerst binnen kunnen treden in het koninkrijk Gods. Dat mag je natuurlijk niet al te luid zeggen, want anders zou er in de christelijke wereld opeens een ijver uitbreken voor de zonde. Per slot van rekening: wanneer je weet, dat je er uiteindelijk nog beter van wordt, terwijl het nog leuk is ook, vooruit maar, nietwaar?

Dat is niet aanvaardbaar. Bovendien: waar zou het gezag blijven? Gezag kan alleen bestaan krachtens macht en wetten. Of dit nu een metafysische wet, macht en gezag is, berustend op onbewijsbare stellingen of een meer op werkelijke feiten gebaseerde macht en op werkelijkheid gebaseerde wetten, doet verder niet ter zake. Macht vraagt wet, wet vergt macht.

En Jezus kent geen wet… Dat is het conflict van deze tijd. Niet alleen tussen de kerken en de werkelijke Jezus, maar het verschil tussen Jezus, de kerken en de maatschappij van heden. En daarom ook het grote verschil tussen hen, die zoeken, vanuit zich en in zich werkelijk iets te zijn en hen, die, in rechtvaardigheid en vroomheid, eigen leven en vermogen verteren in onbegrip. In de toekomst zal men dan ook de kerken niet voller kunnen krijgen, tenzij er iets anders ontstaat dan het huidige. Want Jezus en de kerken kunnen één worden. Zelfs Jezus en de niet christelijke kerken en richtingen kunnen één worden. Eenheid met Zen, yoga, moslim en boeddhist is mogelijk, want Hij is ons de weg van de innerlijke bereiking, niet de uiterlijke wet.

Naarmate de tijd verder gaat, zullen de mensen met steeds grotere moeilijkheden in hun geloof worden geconfronteerd. De uiterlijke vormen blijven nog wel gehandhaafd, maar zelfs in deze uiterlijkheid voelt de mens meer en meer eigen onvolkomenheid. De mens, die zichzelf onvolkomen, onvolwaardig weet, koestert al snel wrok tegen anderen. Wanneer men uitroept: dit is zondig, dit is heiligschennis, zo zal dit in de meeste gevallen niet het gevolg zijn van een werkelijk gekwetst zijn in innerlijke zekerheden, in eigen werkelijk geloof. Men reageert vol haat, agressief en onredelijk, omdat men met eigen onvolkomenheden geconfronteerd is. Degenen, die eens te vuur en te zwaard, ja, in martelkelders, anderen wilden bekeren “om tenminste hun zielen te redden”, waren mensen, die angst kenden voor eigen verborgen gedachten en behoeften. Zij wilden hun eigen kracht en waarde bewijzen door anderen te ontwaarden, omdat zij deze benijdden en vreesden.

Het zijn de angstigen van de komende tijd, die de meest getrouwe en meest fervente gelovigen in de kerken zullen zijn. Laat ons dit goed beseffen. Degenen, die deze angsten niet meer kennen, die komen tot een meer persoonlijk leven, een meer persoonlijk waarderen van  eigen mogelijkheden en onvolkomenheden, zullen echter hun bindingen met de kerkelijke sfeer, de dogmatische stelling, al snel gaan verliezen.

Wat zal voor de waarden, die de kerk maatschappelijk ongetwijfeld bezit, in de plaats komen? De mens kan uiteindelijk niet leven zonder een bestemming, een begrip van doel en zin in eigen bestaan. Jezus heeft dit voor ons geformuleerd als een ingaan tot het koninkrijk Gods, maar zou het in deze dagen misschien eerder beschreven hebben als een erkennen van de volle zin en betekenis van eigen wezen, onafhankelijk van al wat je verder voor anderen bent of niet bent.

Dit zal de leidraad zijn voor de komende tijd. Naarmate men van uiterlijkheden en uiterlijke plechtigheden terugkeert tot eigen innerlijke wereld, zal ook de kerk zich wijzigen en opnieuw een belangrijk aandeel in het leven van de mens kunnen hebben: Het is nu eenmaal zo, dat de mens onder gelijkgezinden vaak sneller tot zichzelf inkeert dan te midden van een onverschillige massa. Het is zelfs zo, dat vele mensen, die reeds gevorderd zijn op het pad van de bewustwording, nog te zwak zijn om de eenzaamheid te kunnen dragen en kennen van het waarlijk hoge beleven. Zij zullen dan steun zoeken bij gelijkgestemden, gelijkgezinden. De kerken bieden deze mogelijkheid in wezen reeds nu, maar binden de gelijkgezindheid teveel aan wetten, regels, aanvaardingen enz..

In de toekomst mag de gelijkgestemdheid niet meer door menselijke regels en muggenzifterijen beperkt en bepaald worden, zelfs niet meer voor gedrag en voorschriften bv. ten aanzien van kleding. Want ik heb zo het idee, dat een God, die zelf alles geschapen heeft, met meer genoegen zal zien naar een jong meisje, dat eerlijk bidt in bikini dan naar een kwezel, die, omhuld door vele baaien rokken, gebeden stamelt waarmee zij in wezen eigen vroomheid verheerlijkt. Zolang men dit echter niet begrijpen kan – en velen kunnen dit niet – zal er nooit sprake kunnen zijn van de noodzakelijke eenheid, de eensgezindheid, die geestelijke kracht en contact betekent.

Ik kom nu aan enkele punten, die reeds in de nu komende dagen van belang kunnen zijn:

Er komt een aanmerkelijke verhoging van levenskracht. Deze zal ook het denk- en voorstellingsvermogen van de mens levendiger – zoal niet scherper – maken. De reacties die komen, zullen dus scherper en feller gaan worden, dan in de afgelopen tijd. Daarbij zullen zij bepaald worden door innerlijke waarheid of uiterlijkheden, maar slechts zeer zelden door een even- wichtig samengaan van deze beiden.

Jezus is de kracht, die vooral innerlijke waarheid wil zoeken. Hij is degene, die zoekt naar innerlijke verbondenheid met elke mens, of deze nu zondig is of niet, protestant of eenvoudig niets. Jezus   een verschil tussen een communist, een socialist en een democraat – in wereldzin – want in Nederland is het tegenwoordig naar ik meen, voor een ieder moeilijk hier nog verschillen te vinden. Hij maakt geen verschillen tussen rassen of naties. Hij vraagt alleen het innerlijke contact.

Wanneer de golf van energie weer ontstaat en een mens wil innerlijk opgaan, zo zal hij dit moeten doen buiten de sfeer van het kerkelijke. Niet noodzakelijk buiten de kerk dus, maar buiten de sfeer van kerkelijkheid. Hij zal alleen, in zich, zijn God moeten ontmoeten, zonder voorwaarden te stellen of zich vast te klampen aan woorden en spreuken, moeten erkennen, wie hij is. Wanneer dit gebeurt, zal deze mens antwoord krijgen op zijn vragen. Jezus en vele grote leraren staan daarvoor garant. Zij staan er garant voor, dat de mens die waarlijk eerlijk en met voldoende sterkte in zich zoekt, een antwoord kan krijgen op zijn vragen.

De kracht, die komt en zeker in geestelijk opzicht de tweede helft van dit jaar domineert, lijkt mij dan ook het begin te zijn van een nieuw begrip en beleven bij velen. Zeker zal hieruit echter ook strijd voortkomen. Ook nu is er reeds sprake – al wordt dit niet uitgesproken – van strijd tussen de werkelijke Jezus en de velen, die zich op Hem beroepen. Waarbij opgemerkt zij, dat het doel, waarvoor men zich op Hem pleegt te beroepen, lang niet altijd edel is. Er zijn zelfs mensen, die zeggen: Ik ben wel duurder met mijn waren dan anderen, maar wij zijn broeders in de Heer. Daarom moet je bij mij kopen. De mensen, die innerlijk contact krijgen met het Koninkrijk, zullen zeker moeilijkheden krijgen: met hun kerk, met eigen gewoonten, neigingen en opvattingen en systemen, dit zal evengoed het geval zijn voor hen die spiritistisch denken, of binnen een esoterische groep zijn opgegroeid als voor hen, die tot een erkende kern behoren. De moeilijkheid zal voor hen vooral gelegen zijn in de noodzaak uiterlijkheden opzij te zetten, te erkennen, dat er een alles beheersende en overheersende kracht binnen het Ik schuilt.

Het is mijn bedoeling niet, om hier te profeteren over de komende tijd. In deze dagen schijnen overigens profeteren en profiteren steeds meer synoniemen te worden. Wel kan ik u zeggen – of in herinnering brengen – wat daaromtrent door de grotere meesters en leraren is gezegd:

“Wanneer de kracht van licht wordt uitgestort over de wereld, zo zullen zij, die rijp zijn en zelfs zij, die alleen opstaan zonder werkelijke rijpheid, deze kracht erkennen en daaruit leven. In deze zullen wij het zaad leggen van de tijden, die komen. Want waarlijk is het duister nog sterk, omdat het leeft in de mensen. Doch wanneer het licht inkeert tot de mensen, wordt het duister verdreven. Niet de verachting van de materie, maar de erkenning van een zinrijkheid, die alleen kan bestaan vanuit de geest, is noodzakelijk.”

Men zal dus moeten erkennen, dat al wat buiten het Ik bestaat als recht en plicht onbelangrijk is, in vergelijking met het Licht. Voor u, in de sferen en op aarde, zo stellen deze broeders, zal dit het teken zijn van een verlossing, van ’n terugkeer van het oude Licht, dat u verloren had.

Anderen, die voor ons toch ook nog wel tot de meesters behoren, voegen hieraan dan toe:

 “Wij strijden in deze jaren om de ziel van de mens, want zie: de mens zelf heeft zich gewijd aan onbegrip en duister. Wanneer wij hem kunnen keren in zijn zoeken naar steeds verwarrendere en meer ingewikkelde structuren en denkbeelden, hem terugvoerende tot de eenvoud, die slechts het allernoodzakelijkste erkent, maar dit dan ook geheel volbrengt, zal de mens gered zijn voor een ondergang. Daartoe zullen wij alle middelen gebruiken en geen kracht en middel schuwen: want wie het Licht aanvaardt en in het Licht leeft, zal niet gekrenkt en gekwetst kunnen worden door de krachten, die wij wekken. Wie echter het duister aanvaardt en het Licht blijft uitwijken, kan beter in tijdelijke vorm vernietigd worden, dan in deze zin werkzaam te blijven, zo zich en anderen doemende tot een steeds meer omvattende ondergang.”

Deze uitspraak is misschien wat cryptisch. De meeste van dergelijke uitspraken zijn wat raadselachtig. U moet echter maar denken: wanneer de mensen op aarde spreken, bv. in de eerste of tweede kamer, zijn zij ook zo duidelijk niet.

Waar het op aankomt, is het volgende: de bestaande situatie, de nu heersende toestanden, opvattingen omtrent goed en kwaad, de wetten zelfs, die men uitvaardigt of handhaaft, passen niet meer binnen het heden. De mens staat op de drempel van een nieuwe tijd. Hij kan nu kiezen tussen een steeds meer slaaf worden van uiterlijkheden en uiterlijke wetten, die steeds ingewikkelder en steeds meer alle leven bepalend zullen worden, tot mens zijn in de werkelijke zin van het woord onmogelijk wordt…. of hij kan deze banden, die in het verleden gegroeid zijn, nu breken en vanuit innerlijke kracht en waarheid weer meer persoonlijk gaan leven.

In feite komt het voorgaande er op neer, dat de mens zal moeten kiezen tussen de levende Jezus, de levende God en de steriele bouwsels, die hij nu kerk, god, fatsoen, sociaal denken noemt.

Bedenk hierbij wel, dat de mens uit God is geboren en niet God uit de mens, maar dat de beelden, die de mens zich van zijn God maakt, wel uit de mensen geboren zijn. Zij zijn de minderen van het licht en zullen daarvoor wegsmelten. Wie zijn beelden van recht en God ongeschonden wil bewaren in deze tijden, zal al te vaak moeten ontdekken, dat hij hierdoor het werkelijke Licht, het werkelijke leven uit zijn bestaan heeft gebannen. Voor grote groepen en organisaties wordt dit alles pijnlijk: Voor Jezus is het begrijpelijk en normaal. Maar voor de kerken, de staten, de bonden, de kartels, is dit uitermate pijnlijk. Vanuit hun standpunt dringt de nieuwe invloed, de nieuwe tijd, naar anarchie. Zij kunnen niet meer beseffen dat vrijheid en anarchie twee verschillende dingen zijn. Het is niet de drang tot vernietigen en afbreken, die in deze tijden geboren wordt. Maar degene, die ten koste van alles oude en verdane waarden, gebruiken en toestanden wil handhaven, dwingt tot strijd en vernietiging. Deze ondergang komt niet voort uit het komende Licht, maar uit de eigen verdwazing van deze mensen.  Wat men anarchie wil noemen, is in feite niets anders dan een terugkeer tot een persoonlijk, voor en vanuit zich leven, een opeisen van het recht, eigen aansprakelijkheid te dragen. Het is een terugkeer naar een grotere vrijheid van dienen en bestaan.

De mens op aarde is altijd geneigd – dat ligt nu eenmaal in het menselijke karakter – al wat vreemd is, wat niet strookt met eigen gevoelens, opvattingen en voorstellingen zondermeer af te wijzen en vaak zelfs aan te vallen. Wij zien dit overal. Politiek, ras, bepaalde morele en gedragsnormen zijn vaak de oorzaak van onrecht, strijd, onnodige wreedheid en overbodige agressiviteit. In wezen wijst de mens echter de vreemde meestal af, omdat hij in die ander zichzelf ergens erkent. Zodra men dit beseft, kan men reeds beginnen het koninkrijk binnen te treden. Maar dan zal men moeten beseffen, dat men bv. Joden haat, omdat men hen tot beeld heeft gekozen van eigen zonden en onvolkomenheden. Men zal moeten inzien dat men de Negers haat, omdat zij tot zinnebeeld zijn geworden van eigen fouten. Zoals men zal moeten leren inzien, dat men protestanten of katholieken soms haat, omdat men zelf niet in staat is waarlijk eigen godsdienst te beleven. Maar deze erkenningen moeten voorop staan. Eerst dan is er een mogelijkheid de grotere waarden te beseffen en te beleven.

Haat is het duister, waarin de dwaas vlucht voor het Licht.

Hoe meer men beseft, dat men met eigen staat, kerk of bond in wezen tekort schiet, hoe meer men haat zal prediken tegen allen, die geen organisatie willen erkennen en zich daaraan binden. Men verwijt de ander, dat hij profiteert van het werk van de gemeenschap, dat hij geen recht heeft, eigen bereiken en voordeel voor zichzelf te zoeken. Maar zodra men dit doet met haat, is het een duidelijk kenteken van een begrip van minderwaardigheid en geeft men voor alles blijk van de vrees, dat de ander misschien verstandiger is en juister handelt, dan men zelf doet, al zal men dit niet toegeven. Deze vorm van haat is een probleem, dat in deze tijd sociaal zeer belangrijk wordt, het is het probleem van de mensheid, dat echter in de komende 5 jaren tot de spits gedreven zal worden. Daarom zijn het dergelijke kwesties in de eerste plaats, waarmee de mens innerlijk zal moeten afrekenen.

Ik meen, dat ik nu mijn betoog op de juiste wijze kan gaan besluiten, door nog even terug te keren tot Jezus, zoals wij Hem kennen in de sferen. Want wat wij u nu zeggen met misschien teveel woorden, zegt Hij op zijn eigen wijze:

“Er is maar één God. Zo is de eenvoud de wet, die het Al regeert. Wees eenvoudig, opdat gij uw God zult kunnen begrijpen. Want de Vader heeft u voortgebracht, opdat gij zoudt leren, bewust één te zijn met Hem. Verwerp dan al datgene, wat u verwijdert van de eenvoud en het begrip van eenheid, maar aanvaard alles, wat u dichter brengt tot een begrip van Zijn Kracht. Alle rijkdom, die deel is van de Vader en leeft in zijn Rijk, leeft in u. Zo gij uzelf ontsluit hiervoor, zult gij rijker zijn dan iemand, die geheel de wereld bezit.

Zoek uw kracht in uzelf. Zoek uw kracht in het steeds vereenvoudigen van zowel uzelf als de problemen, die u kwellen. Want zo gij Al steeds weer tot zijn oorsprong herleidt, zult gij ook steeds weer aan het begin de Vader treffen. En Deze is de kracht, waaruit gij leeft. Hij is de vrede, waarin wij bestaan, de harmonie, waaruit het Al is opgebouwd en de zekerheid, die ons meester maakt over onszelf en de tijd.”

Hiermee wil ik dan besluiten, tenzij u vragen heeft. Onthoud echter een ding wel: Ik verwerp niemand, die een kerk aankleeft, maar verwerp slechts een systeem, dat een onredelijke afhankelijkheid aanmoedigt, in plaats de enige werkelijke afhankelijkheid te doen erkennen die voor ons allen en overal bestaat: de afhankelijkheid van het Licht, dat wij in ons kunnen kennen en van de God, die in ons woont.

* U stelt, dat Jezus weinig over het koninkrijk heeft gezegd. Op een vraag antwoordde hij met de regels: bemint God boven alles en uw naaste gelijk uzelf. God echter is zo langzaamaan voor ons een ondenkbaar en onvatbaar wezen geworden. Wat moeten wij dan onder deze liefde voor God verstaan? Het streven naar het grote en het hogere zelf?

Dit is een van de vele schreden op een van de vele wegen, die tot het koninkrijk voeren. God liefhebben is echter zo eenvoudig. Men moet alleen maar beseffen, wat God voor u is. God is uw leven. Als er geen God is, leeft u niet. Heb het leven, dat u beweegt, lief boven alles. Ik bedoel hier natuurlijk niet alleen het stoffelijk bestaan, maar het werkelijke leven, het zijn. Heb God lief, omdat hij voor u het leven zelf is. Heb Hem lief boven alles. Heb uw naaste lief gelijk uzelf, wens ook deze de kracht van leven en dezelfde heiligheid van leven toe, die u voor uzelf opeist en u zult het Koninkrijk Gods beërven, omdat u alles ook hier heeft teruggebracht tot de eenvoudigste waarde, die er denkbaar is: het werkelijke bestaan en de uiting van dit werkelijke bestaan.

* Is het een hier het gevolg van het ander?

Je kunt soms een mens liefhebben en toch God haten. Maar als je God werkelijk liefhebt, kun je de mensen niet meer haten, omdat God ook in hen zich uit, in hen leeft. Stel daarom de liefde voor God primair. Zie God als het leven zelf, de kracht van alle leven. Zie hem en bemin hem als uw eigen leven, wat voor u toch is: de vonk van God, die in u is. Besef verder, dat alle leven een soortgelijke uiting van de goddelijke scheppingskracht moet zijn. Besef dit en u zult zien, dat de werkelijke naastenliefde, de onpersoonlijke naastenliefde, hieruit voortvloeit.

Ik meen echter, dat men niet op de juiste wijze zijn naasten lief kan hebben, zonder ook God lief te hebben, al noem je Hem misschien anders. Je kunt bv. humanist zijn, niet aan een god of een leven na de dood geloven en toch stellen: het leven in zich is heilig. Het zijn zelf reeds vergt een rechtvaardiging ervan. In dit laatste ligt m.i. een liefde voor God, al erkent men Hem misschien niet en formuleert men het anders. Wij spreken nu wel altijd over “God”, omdat dit gebruikelijk is, maar kunnen voor de aanduiding van hetzelfde begrip vele andere termen gebruiken. Zolang de inhoud, die aan het begrip wordt toegekend, maar dezelfde waarde bevat.

Ik hoop, dat het onderwerp aanvaardbaar is geweest en dat de les, die daarin gelegen was, begrijpelijk was: Het heeft geen zin om wetten te breken, omdat het wetten zijn. Maar het is zeer belangrijk, ons innerlijk vrij te maken en deze vrijheid tot uiting te brengen. Als het kan met de wet, in ieder geval met respect voor de wet. Voor ons geldt echter, zoals voor alle andere mensen, dat wij zo mogelijk aan Caesar moeten geven, wat Caesar toekomt, maar zeker niet aan God mogen onthouden, wat van God is; ons leven is van God, niet van Caesar.

ESOTERIE

Het tweede deel van deze avond is gewijd aan esoterie, ofschoon mij dit niet zo goed ligt: Wanneer ik probeer mijn wijsheid op dit gebied uit te drukken, wordt het altijd weer een vergelijking of een verhaaltje. Hier komt het eerste:

Petrus stond verveeld te kijken aan de hemelpoort: ook daar heeft men, ondanks alle dichtheid van verkeer, nog wel eens stille uren. En Petrus maakt lange werkdagen. Hij heeft dan ook eigenlijk pech gehad: er is nu eenmaal maar één hemelsleutelbewaarder, zodat hij moeilijk een vakbond kan vinden, die voor hem een 42-uren week kan afdwingen.

Terwijl hij zo uitkeek over alle wegen, die naar de hemel voeren, zag hij iemand aankomen in een purperen staatsiegewaad. Hij begint dus alvast maar voorbereidselen voor ontvangst te treffen en de toespraak te repeteren, die nu eenmaal bij het ontvangen van voorname zaligen gebruikelijk is.

Na enige tijd keek hij op en kon constateren, dat het gewaad gedrapeerd was rond een amechtig heer, wiens vormen deden denken aan een bundeltje vers gestopte saucijzen. Terwijl hij wat verbaasd naar het daarboven prijkende deegachtige gezicht staarde, sprak de aankomeling: “Petrus, doe de deur open en zeg even, dat ik er ben.” “Neem mij niet kwalijk’’, sprak Petrus, en streek eens over zijn baard. “Met wie heb ik het genoegen?” Waarop de hoogwaardigheidsbekleder begon zijn geestelijke titels op te sommen. “Dat bedoel ik niet” sprak Petrus. “Wie bent u eigenlijk?” “Mijn stoffelijke naam doet niet ter zake. Ik ben gewijd en gekozen tot dienaar van uw meester. Kondig mij aan.” “Tja” zei Petrus,” het spijt mij wel, maar toch moet ik weten, wie u dan voor die wijding en verkiezing bent geweest”. De man gaf eindelijk zijn naam op. Petrus zocht in zijn lijsten, om daarna, wat bedenkelijk te zeggen:

“Tja, het klinkt misschien wat vreemd, maar ik mag u wel binnen laten onder uw eigen naam, maar dan moet u al uw titels, uw rang en de rest voor de poort achterlaten.” En ondertussen stopte hij zijn sleutel alvast wat verder in zijn zak. “Dat gaat niet” sprak de hoogwaardigheidsbekleder. “Deze rang heb ik in de dienst van onze Heer gekregen. Daarvan doe ik geen afstand.” Toen schudde Petrus meewarig zijn hoofd: “tja tja, dat komt hier wel meer voor. Gaat u dan het weggetje daar links naar beneden maar in en klopt u aan de tweede deur links, waar het bordje “Hel” uithangt. Daar vindt u dan wel uw collega’s.. .. .”

Misschien vraagt u zich nu af, wat ik daarmee bedoel. Wel, eenvoudig dit: de meesten onder ons kunnen het bij het zoeken naar geestelijke waarheid nogal ver brengen, zolang zij zichzelf blijven. Maar de meeste mensen – en vele geesten – voelen er meer voor hun uiterlijke waardigheid – al is zij maar schijn – te behouden en zullen daardoor geestelijk stil blijven staan of zelfs aan hun waan ten onder gaan. Volgens mij ligt het kernpunt bij de esoterie eigenlijk in het vermogen alles, wat je eenmaal bereikt hebt, zonder meer achter te laten in een bereidheid steeds weer opnieuw te beginnen, zonder zich door het oude te laten tegenhouden.

Er was eens een zeer waardig en zeergeleerde heer, die meester doctor professor enz. was geweest op aarde. Ook voor hem kwam, als voor ons allen, de tijd, waarop hij de weg naar de hemelpoort moest betreden. Zwaar beladen met zijn geestelijke bagage zwoegde de zeergeleerde voort. Moeizaam, want de weg omhoog is nogal stijl. Hij pufte en zwoegde tot hij, badend in zijn zweet als een soort geleerde in eigen sap, voor de hemelpoort neerzeeg en nog net kon stamelen: “hier ben ik”, waarop Petrus, die hem wel kende, sprak: “Inderdaad. Het staat al op uw kaart in de cartotheek: U mag binnen. Maar pas op het drempeltje.” En met een breed gebaar liet hij de poort openzwaaien. Maar de goede geleerde was zo uitgeput, dat hij met al zijn bagage niet meer dat drempeltje over kon komen. Maar achterlaten wilde hij niets. Vandaar dat hij nog steeds zit te wachten voor de hemelpoort tot hij voldoende uitgerust is, om over het drempeltje te stappen zonder iets achter te laten. Maar de bagage wordt steeds zwaarder. Het ziet er dan ook wel naar uit, dat hij nog even zit.

De les: de meeste mensen zijn zo trots op al, wat zij eens geleerd hebben, dat zij het voor niets meer prijs willen geven. De innerlijke waarheid – het Koninkrijk Gods – is van een zodanige eenvoud, dat wij met al onze kennis vaak zeer moeilijk de drempel van deze grote werkelijkheid kunnen overschrijden. Het is dus verstandiger desnoods de kennis maar eens even te vergeten, of voor nieuwe kennis in te ruilen, want dan kun je tenminste binnentreden.

Er was er eens een man, die zeer wijs was, zeer geleerd. Hij leefde als een heilige. Toen de Heer weer eens op aarde wandelde sprak hij de heilige geleerde aan: Het doet mij een genoegen u zo te zien hier. Waarde vriend, kom. Laat alles achter en volg mij. “Ik kom zo, Heer”, sprak de uitverkorene”, nog even deze stelling uitwerken. En hij verdiepte zich in de taak, waarmee hij bezig was geweest, toen de Heer hem aansprak. Maar toen hij klaar was, was de Heer reeds verder gegaan.

Nu kun je in de esoterie veel doen met stellingen. Maar er komt altijd weer het ogenblik, dat je door iets hogers beroerd wordt. In elk mensenleven komt zo iets voor. Wanneer je je dan niet de tijd gunt, om onmiddellijk de impuls te volgen, is het ogenblik voorbij. En dan keert het zelden terug.

Het Licht komt in het menselijke leven op de meest vreemde ogenblikken en in de meest  vreemde vormen. Wanner je dan het Licht aanvaardt als het komt, zoals het komt, zonder voorbehoud, blijft het bij je. Maar wanneer je probeert het in te passen in je eigen schema’s of meent, dat je best nog eerst even je eigen zaken kunt afhandelen, zul je het verliezen. Neem zelfs geen tijd om u eerst eens waardig op het grote gebeuren voor te bereiden, want anders gaat het u als die mooie dame, die, al was het uiteindelijk het werk van de natuur en niet haar eigen verdienste, op haar schoonheid zeer trots was. Zij bracht dan ook veel tijd door met het verder kunstig en kunstmatig verfraaien van al het schoons, dat de natuur haar geschonken had. Toen ook zij werd uitgenodigd binnen te treden in het rijk van Licht, begon zij onmiddellijk toilet te maken. Zozeer wilde zij zich uiterlijk waardig tonen aan de Heer, haar bewijzen, dat zij nu – al is het 500 jaren geleden, dat zij begon – nog niet klaar is.

Een ingaan tot de waarheid dient men natuurlijk zo waardig mogelijk te doen. Maar ik geloof toch niet, dat het de bedoeling is, dat je eerst jezelf op gaat sieren, om daarna pas in te gaan. Zeer vele mensen zijn voortdurend bezig zichzelf deugdzamer te maken – wat soms slaagt, maar meestal een illusie blijkt te zijn – in de hoop hierdoor eens op waardige wijze de drempel van de dood te kunnen overschrijden, ingewijd te worden of op andere wijze in de grote waarheid opgenomen te worden. Helaas zijn deze vaak zo druk bezig zich voor te bereiden op het Licht, dat komt, dat zij niet eens bemerken, dat het er reeds is, of zelfs reeds voorbij is gegaan. Wat mij er toe verleid om, wanneer ik dan toch al over esoterie moet praten, wat eenvoudige regels en definities te spuien:

  1. Het innerlijk Licht bestaat altijd. Het is dus niet het streven naar het Licht, maar het erkennen van het Licht, dat ons eerste doel moet zijn.
  2. Wanneer wij contact krijgen met het hogere, zijn wij op dat ogenblik voor alle waarden daaruit van het hogere afhankelijk. Wij zullen ons dus aan het hogere over moeten geven, zonder daaraan enige voorwaarde te stellen en het moeten ondergaan, zover het ons beroert, het aanvaardend, ongeacht de betekenis, die het heeft voor ons “normale” leven.
  3. Omdat wij geestelijk gevormd zijn, voor wij de materie als mens kunnen betreden, zal elke mens in de stof de mogelijkheid bezitten, enkele facetten van het goddelijk Licht en andere werelden onmiddellijk te beseffen. Wanneer men echter het bevatten en beseffen ervan wil binden aan stoffelijke rede en materiële begrippen, zal men falen en zo niet de bewustwording voort kunnen zetten, die men voor zijn incarnatie reeds begonnen was.
  4. Ware esoterie is: het bereiken van het Al-besef in jezelf, gepaard gaande met begrip in jezelf voor de absolute gebondenheid met het Al vanuit jezelf.

Misschien zou een ander dit mooier zeggen. Ik echter verval nu eenmaal steeds weer in ver- haaltjes en definities: Ik kan mijn eigen innerlijke waarheid nu eenmaal moeilijk anders uiten. Vergis u echter niet in mijn ernst. Wanneer u kijkt naar een mooie façade, bent u geneigd om maar te vergeten, dat daarachter een bouwvallig huis kan liggen. Zolang men geestelijke en innerlijke waarden alleen beoordeelt aan de hand van uiterlijkheden, is de mogelijkheid van falen groot. Wanneer wij een fraai interieur bewonderen, mogen wij echter ook niet vergeten, dat dit alleen blijvend kan bestaan, wanneer de buitenkant – zoal niet mooi – toch tenminste stevig is. Daarom zou ik esoterisch streven ook nog willen definiëren als:

Gebaseerd op materiële feiten en mogelijkheden ingaan tot jezelf, om de hoogste waarden in het Ik te beseffen en in verband met je materiële basis te uiten.

Vele mensen gaan helaas liever uit van het standpunt: er moet iets voor ons gedaan worden. Ik heb een boer gekend – de grootste ellendeling, die ik in die buurt gekend heb – die steeds gelden besteedde aan het branden van kaarsen en het lezen van missen, om zo zijn geestelijk heil zonder te veel moeite – maar met veel kosten – te verwerven. Mij heeft hij van het erf getrapt, omdat ik eens opmerkte, dat zijn oogst eerder en beter binnen kon worden gehaald, wanneer hij de helft van het geld, dat hij aan kaarsen en missen besteedde, aan ons zou geven om zijn arbeiders wat beter te voeden.

Hij was als zovele mensen in dit opzicht, zo moest ik later ontdekken: men zoekt graag het hogere en edele, maar vergeet, dat dit alleen vanuit het heden, vanuit de materie dus voor u, nu bereikbaar is. Alle esoterie, magie, godsdienst en wat u maar meer wilt, zal dus op de praktijk gebaseerd moeten zijn. Waar de praktijk faalt, zal het streven tot niets voeren. Een praktijk zonder streven kan nog tot erkenning en streven voeren, maar een streven zonder praktijk voert uiteindelijk alleen tot mislukkingen. Vanuit dit standpunt zou u, volgens mij, alle geestelijke leringen moeten bezien. Wat wij altijd weer horen – soms ben ik het er zelfs mee eens – is wel, dat men naar harmonie moet streven. Deze harmonie kun je nooit volgens een enkele vaste methode of manier met alles bereiken. Helaas gaat men vaak uit van het standpunt, dat harmonie alleen mogelijk is aan de hand van een en dezelfde vaste partituur en vergeet, dat dit op den duur zo vervelend wordt, dat de harmonie tot disharmonie wordt. Wij zien dit zelfs bij hen, die de mogelijke gelijkwaardigheid van alle godsdiensten en systemen willen erkennen.

De ware harmonie is niet door een vast schema te volgen met sommigen tot een redelijk samengaan te komen, maar door een voortdurend aanpassen van jezelf tot een zo groot mogelijke eenheid en eenklank te komen met al het leven rond je. Wanneer dit voortkomt uit een innerlijk erkennen van die eenheid, is een dergelijke harmonie een onmiddellijke uitdrukking van het goddelijk principe.

U zult hieruit begrijpen, dat voor mij de mogelijkheid tot variatie van benadering een grote rol speelt. Op het ogenblik, dat de mens begint een vast systeem zonder uitzonderingen te volgen, houdt hij meestal op met werkelijk te denken. Er zijn mensen die nooit goed zullen rekenen uit het hoofd, omdat zij altijd weer bezig zijn met het opdreunen van de tafels van vermenigvuldiging en zonder de vaste volgorde niet in staat zijn, een juist resultaat te bereiken. In de handel plegen dergelijke mensen op de prijs, die zij berekenen iets te leggen, zodat zij dan meestal nog redelijk uitkomen. Maar wanneer het om grotere dingen gaat, is dit toch wel gevaarlijk.

Wij beginnen meestal als een kind met een soort tafels van vermenigvuldiging: de 10 geboden, de goede manieren, de opinie van de baas, de burgemeester en het staatshoofd. Wanneer wij dit alles hebben bestudeerd, menen wij vaak, dat wij nu wel alles weten. Zodra men wordt geconfronteerd met iets, wat niet binnen de regels en meningen is vastgelegd, weet men geen raad meer en poneert gewoon maar een uitkomst, die dan meestal geheel fout is.

Bij het innerlijke pad betekent dit zelfbedrog. Hier heeft men altijd weer te maken met kosmische waarden, die niet geheel vastgelegd kunnen zijn in menselijk denken en menselijke regels alleen. Zelfs de 10 geboden – hoe mooi ook – zijn gemakkelijker te ontduiken, tenzij men beseft, wat zij in wezen betekenen. Meestal bouwt men zich met dergelijke regels een wereldje op, waarin men zelf buitengewoon goed en mooi is en niemand anders deugt. Voor werkelijk belangrijke en goede dingen zal men echter wegvluchten, omdat men meent, dat het kwaad is, met als gevolg, dat men zich van de juiste weg verwijdert.

De mens dient daarom niet te leven naar de uiterlijke regels, maar volgens zijn innerlijk besef en gebruik van innerlijke waarden. Indien hij juist reageert, zal hij ontdekken, dat daaruit God zelf en goddelijke Krachten hem geopenbaard worden. Zoek verder niet naar het hoogste, maar naar het dichtst bij zijnde, dat nu bereikbaar is en een verbetering betekent. Met kleine schreden voorwaarts gaande zal men bereiken en de richting toch niet uit het oog verliezen. Wie te ver wil stappen, breekt zijn nek of komt verkeerd terecht. Wie in het stoffelijk leven betekenis wil hebben, zal moeten begrijpen, dat deze betekenis alleen werkelijk en blijvend bestaat, wanneer zij ook buiten de materie tot uitdrukking komt. Onze werkelijke betekenis zal in geest en stof geuit moeten zijn, vanuit beiden uitdrukking gevende aan de waarheid, die in ons bestaat. Onze deugden zijn over het algemeen geen werkelijke deugden, maar angsten of onvermogen, in een mooi gewaad gestoken en zo voor ons gemakkelijker te verteren. Onze zonden zijn over het algemeen eveneens niet werkelijk, maar eenvoudig dingen, die wij van onszelf niet begrijpen, of menen voor anderen te moeten verbergen.

Wie dus probeert zijn deugden en zonden tegen elkaar af te wegen om een beeld van zijn werkelijke persoonlijkheid te krijgen, zal een geheel verkeerd beeld krijgen, mede ook omdat wij ons vaak verheffen op onze onvolkomenheden en wroeging tonen over dingen, die voor onze werkelijke ontwikkeling toch wel noodzakelijk waren.

Zelfkennis is een langzaam begrijpen van onze beweegredenen, een besef van de oorzaak voor ons handelen. Het is niet ons handelen zelf, dat hierbij in de eerste plaats belangrijk is, doch ons streven. Zolang wij onszelf beoordelen naar ons streven en daarin volharden, zullen wij ook onze handelingen uiteindelijk, ten goede gericht zien.

Wie innerlijk iets belangrijks ervaart of bereikt, vindt hierin niet alleen innerlijke waarden of krachten, maar eveneens iets, wat door eigen wezen naar buiten toe zal treden en kenbaar worden.