Jezus geheime leer

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 58

24 maart 1957

We zullen vandaag bepaalde punten en aspecten beschouwen uit de geheime leer, zoals Jezus die heeft gegeven en zoals die in het begin van het christendom heeft bestaan

De eenheid met de Vader, d.w.z. het Koninkrijk Gods, is een innerlijke toestand, die onafhankelijk is van leven en wereld. Hierin moet te allen tijde rekening worden gehouden met de daden van de mens. De daad, die gesteld wordt van uit het “ik” ommentwille van het “ik”, is een verloochening van het Koninkrijk Gods. De daad, die gesteld wordt van uit het “ik” terwille Gods dan wel terwille van de wereld, is een daad, die behoort tot het Koninkrijk Gods.

De daadstelling van de mens is belangrijk, niet om haar feitelijke inhoud, maar wel om haar betekenis temidden van het kosmisch geheel. Als zodanig bestaan de volgende regelen voor elke daad, die de mens stelt.

In de eerste plaats: Elke daad, die de waarde van het leven en de vreugde van het leven vermindert, is een daad tegen het Koninkrijk Gods, bevorderlijk voor de chaos en als zodanig een opwekking van het kwaad in de mens.

Elke daad, die gericht is op de erkenning van de vreugden, die God ons heeft gegeven, is een bevestiging van het Koninkrijk Gods, doch geen verheffing van ons eigen wezen tot het Koninkrijk Gods.

De daad, die wordt gesteld van uit het Goddelijke, dat wij in ons kennen, en volvoerd in de wereld als uiting van dat Goddelijke, is een daad, die stamt uit God en alleen door haar wezen onze opname in het Koninkrijk Gods bevestigt.

Waar wij spreken over daden is zeker ook het probleem “schuld” te belichten.

Schuld. Schuldig is een ieder, die ommentwille van zichzelf grotere waarden verwaarloost, achterstelt, dan wel deze tracht dienstig te maken aan zichzelf. Schuld is echter niet gelegen in het stellen van de daad, noch in het opkomen der gedachte. De intentie van de daad, de uitwerking van de gedachte en de vrijwillige beaming daarvan zin schuld.

Schuld kan nooit bestaan tegenover mensen, noch tegenover andere geschapen wezens. De enige schuld, die wij kunnen dragon, is een schuld tegenover onszelf, waar wij het onszelf onmogelijk maken op te gaan in de goddelijke Kracht.

Zonde is de handeling of daad, die de schuld geboren doet worden. De grootste zonden, die op de wereld bestaan, zijn onder te brengen in de rubrieken: Zonden door daadloosheid en zonden door onverschilligheid. Uit onwetendheid kan niet gezondigd worden.

In alle leven loopt een vaste kracht, die richting geeft aan alle daden en bewustwording. Jezus zelf heeft het in zijn leven bewezen. Ook na hem zijn er velen geweest, die een bewijs hebben gegeven van de goddelijke leiding in het menselijk leven. Jezus meende hierover te mogen zeggen;

“Ik word gedragen en gestuwd door een Kracht. Het is niet mijn taak de gevolgen, die deze stuwing heeft in de wereld, te bepalen of te overpeinzen. Wel is het mijn taak te zorgen, dat mijn wezen zich aan deze Kracht houdt en al, wat buiten die Kracht ligt, afwijst. Zo kan ik mens zijn en God. Zo kan ik één zijn met God en mens. Zo kan ik alle werelden kennen en toch besloten zijn in mijzelf.

Bedenk dus, dat in aller leven krachten zijn, die tot bepaalde handelingen aansporen, die bepaalde begeerten en gedachten wekken en omgekeerd ook bepaalde vermogens geven of een terughouding opleggen. Deze krachten zullen wij altijd bevestigen, wanneer de impuls zelve gepaard gaat met ons bewustzijn van goed. Is er geen bewustzijn van goed, dan zal de daad als zodanig óf overbodig zijn óf slecht, dus schuld veroorzakend.”

De eenvoud van het denken is een gave, die niet een ieder bezit. Maar wie de eenvoud van denken voor zichzelf kan vinden, handhaven of bewaren, zal ontdekken, dat de schuld voor hem minder is, dat de eenvoud van denken een rechtlijnig streven toelaat, waarbij geen aarzeling, geen vraag optreedt.

Deze schijnbare eenzijdigheid van het bestaan kan worden gerechtvaardigd door het feit, dat degene, die eenzijdig en eenvoudig God erkent en in het erkennen Gods volgens zijn beste weten Gods wil volbrengt, hiermede deel is van het Koninkrijk Gods en de wijsheid Gods in zich draagt, ook al zal de eenvoud zelve hem beletten zich dit te realiseren. Daarom heeft ook Jezus gezegd in zijn gelijkenissen: “Zalig zijn de eenvoudigen van geest.” Ook de armen hebben een voordeel boven de rijken.

Rijkdom betekent een belasting met stoffelijke zorgen. Alle bezit is een zorg, die Uw tijd vraagt en die haar eigen eisen stelt. Deze eisen nu zijn niet altijd in overeenstemming met hetgeen de Vader vraagt.

Jezus merkt hierbij op: “Wanneer ik van U armoede eis, zo is dit niet, omdat slechts in de armoede het Koninkrijk Gods gevonden kan worden, maar omdat mijn werk mij niet toelaat U te helpen bij het verzorgen Uwer stoffelijke zaken op zodanige wijze, dat gij één kunt zijn met de Vader ondanks het bezit.”

Degenen, die bezitten, geeft Jezus dan de volgende raad, o.a. aan Nicodemus of Thimotheus ,en Ageon, de Griek:

“Gij, die veel bezit, bedenk, dat Uw bezit niet Uw eigendom is. Tijdelijk zijn genietingen de Uwe, die zo dadelijk een ander zullen behoren. Wees daarom dankbaar voor hetgeen U gegeven wordt en schenk het met rijke hand. Want ziet, uit de Vader is het U gegeven en zo gij het geeft aan de anderen, zullen zij U lonen met een rijke interest en de Vader zal U zegenen voor hetgeen gij gedaan hebt. Maar zo gij het bezit slechts Uw eigendom noemt en niet verder denkt, zo zult gij in de beperking van het bezit verliezen het Koninkrijk Gods, verliezen de kracht tot bewustwording en denken; en gebonden aan het bezit, dat U een kluister is geworden niet geestelijk vrij zin om te beleven, wat de Vader U gegeven heeft.” De problemen, die hieruit rijzen, zullen zo dadelijk door een andere spreker nader voor U worden belicht.

Een laatste punt voor deze bijeenkomst. “De Vader heeft geestelijke gaven geschonken aan een ieder, die leeft op de wereld. Evenzo schenkt Hij Zijn gaven aan allen, die leven in één van Zijn werelden, in één van Zijn woningen. In welke woning men ook leeft, de gave is gelijk. Zij is: kracht en bewustzijn. Naarmate men het bewustzijn meer zijn eigen noemt, zal de kracht meer Uw eigen zijn. Naarmate gij de kracht sterker ervaart, zal het bewustzijn meer Uw eigen worden.

De gaven van de Vader zijn echter niet gegeven, opdat ge ze voor Uzelf zult gebruiken. Zowel kracht als bewustzijn worden gegeven als een band, die het geheel van Zijn schepping in eenheid samenbrengt. Daarom leg ik U op: “Heb Uw naasten lief gelijk Uzelf.” Want slechts wie in de liefde voor zijn naaste krachten tot zijn naaste richt, kan de volle waarheid en kracht ervaren, de volle waarheid en kracht ervaart en leeft in anderen, kent het bewustzijn, dat de Vader openbaart binnen elke mens.”

Ik acht het niet mijn taak hier zelf commentaar op te geven. Een van de sprekers, die hier reeds aanwezig is, zal dit voor U doen.

0-0-0-0-0-0-0

Het is eigenlijk een eer, dat ik hier mijn mening, mijn uitleg mag geven over de leringen, die in hun kortheid zo’n grote inhoud hebben. God geeft overal zijn zegeningen. Voor mij is dit er één van.

Wanneer een mens bezit heeft, och, dan zal het bezit zeker een functie hebben in zijn leven. We moeten niet denken, dat een mens zonder bezit kan. Maar het bezit mag niet gezien worden als iets persoonlijks.

Een voorbeeld van de juiste christelijke interpretatie van bezit werd vroeger gevonden in sommige kloosters. In deze kloosters was een grote rijkdom aan documenten. De kostbaarste paramenten waren er voor de altaardienst. Er werd een goede tafel gevoerd. Maar niemand bezat iets voor zichzelf. Had ge een kleed nodig, dan was daar de prior of zijn plaatsvervanger, die U een kleed gaf. Maar niet als eigendom. Wanneer een monnik was uitgegaan en beladen met rijkdommen terugkeerde, wat vooral bij de prediking aan sommige hoven nog wel eens het geval was, dan deelde hij zeker in de vreugde van het nieuw gewonnen bezit. Maar hij moest het eerst afgeven, voordat hij dank zij zijn verwerving, als eerste daarvan gebruik mocht maken. Kijk, hier wordt de gedachte “gemeenschap” dus gesteld boven de gedachte “enkeling.”

Nu is dat in een klooster mogelijk en erg gemakkelijk. Want degenen, die in een klooster gaan, offeren veel, maar zij krijgen veel terug. Geen verantwoording, niet zelf beslissen omtrent bezitten en niet bezitten. Dat wordt voor je gedaan. Daarvoor is de regel van de Orde.

Maar U leeft in de gewone wereld. En daar moogt ge niet het bezit verwerpen. Doch het bezit, dat ge hebt gekregen, dat ge hebt verdiend, verworven, dat is geen bezit van U alleen. Gij zijt er meester over, zoals de prior; de abt meester zijn over het bezit van hun klooster, alleen onderdanig aan de hogere geestelijkheid, de hogere orde.

Gij hebt Uw bezit mede onderworpen aan de wetten en regelen der gemeenschap. Maar het is Uw taak te zorgen dat Uw bezit niet slechts U dient, maar ook vele anderen. Allen, die behoefte hebben en volgens Uw eerlijk, met volledige naastenliefde bezien oordeel recht daarop hebben.

Het christendom kan niet vergen zeker niet in zijn kernleer dat de mens het bezit geheel verwerpt. Het raadt de mens het bezit tot het noodzakelijke te beperken. Maar het dwingt niet. Helaas heeft de heilige Kerk daarvoor later verkeerde interpretaties gebruikt ommentwille van macht en bezit. Maar Jezus zegt niet, dat men zijn weg niet kan volgen, indien men iets bezit. Wel zegt hij, dat men in het leven zijn pad niet kan volgen, indien men beladen is met aardse bezittingen.

Dat heeft ook een reden. Leven in de wereld en zoeken naar God is gebaseerd zijn op de stof. En in die stof kun je komen tot redelijke bewustwording, soms dank zij het bezit. Maar wie met Jezus gaat en hen volgt, is zijn gewijde. Hij heeft deel aan Jezus’ macht. Hij heeft de taak Jezus’ woord te verkonden, ja, Jezus’ wil te volbrengen. En degenen, die dit doen, moeten niet afgeleid worden van dit streven door andere belangen. Zij moeten niet tot roekeloosheid verleid worden, omdat zij een bezit hebben om op terug te grijpen. Al wat zij doen, moet ook voor hun eigen persoonlijkheid van even groot belang zijn.

Daarom verwerpt het christendom het bezit niet. Het respecteert het als een van God gegeven en door God gehandhaafd recht om de eigen bezittingen op aarde volgens eigen oordeel te gebruiken in de zin van Gods wil.

Ja, en nu kan ik er toch niet om heen om even over “schuld” te praten. Kijk eens, in de kerk kennen wij de biecht. Dat is een oorbiecht geworden, omdat de rijken hun schulden niet meer wilden belijden voor de armen. Maar een biecht was een openbare schuldbelijdenis. Een openlijk erkennen, dat men gefaald had. Dit openlijk erkennen in zichzelf door de erkentenis plus de waarde van een publiek oordeel, dat achter U staat, dat Uw fout erkent en U dus zal helpen om niet terug te vallen, zijn voldoende om de schuld weg te vagen.

God is geen wraakzuchtige God. Zijn wetten zin niet gegeven om ons te kwellen, maar om ons tot bewustzijn te brengen, ons te leiden tot Zin wereld, Zijn rijk. En daarom kon Jezus tot de moordenaar aan het kruis zeggen: “Nog heden zult gij met mij zijn.” Daarom kon Jezus een mens genezen alleen door te zeggen: “Uw zonden zijn U vergeven.”

Het vergeven van de schuld wil zeggen; Door een bewustzijn van de schuld de kracht en de werking daarvan verplaatsen van de wereld buiten ons naar de wereld in ons. In ons leeft God en reinigt ons.

Het begrip zonde o, God, wat heb ik niet gepreekt over zondaren, het begrip zonde houdt in een schuld, die niet als schuld wordt erkend. Een daad, die wordt gesteld tegen elk bewustzijn van goed in, dat is zonde.

Als U denkt, dat U onvoldoende eerbied aan God bewust of de mensen schade toevoegt, wanneer U zonder hoofddeksel naar buiten gaat, dan is die daad in zich zonde. Niet om de daad, maar om het bewustzijn, dat er in U mee verknoopt is.

Nu is het eenvoudig te zeggen: “Zondigen kunnen wij niet door de genade Gods, wanneer wij steeds trachten Gods wil te volbrengen.” Dan kunnen wij falen. Falen in onze eigen wereld, falen misschien ook in geestelijk opzicht. Maar een falen, dat niet uit ons willen voortspruit, is schuld noch zonde.

De leer van onze Meester is een logische leer. Zij erkent de eenheid met God en bouwt daaruit haar bewustzijn op. Maar ook haar gebed.

Ik zal misschien in herhalingen vallen, maar het mooiste gebed voor mij is nog steeds het “Onze Vader.” En ik mag het nu ontleden in de werkelijke betekenis, wat niet altijd mogelijk is te doen voor mensen.

Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Hemel is een toestand, geen plaats. Dan kunnen wij zeggen: “Kracht, waaruit wij zijn voortgekomen. Licht, dat leeft in Licht.” Dan zeggen we precies hetzelfde.

Geheiligd zij Uw naam. Geheiligd, onttrokken aan elke kritiek van stoffelijke aard. Onttrokken aan elk oordeel. Aanvaard als werkelijkheid. En wat is de naam? De omschrijving van het Goddelijke, Naam is – en Jezus wist dat ook heel goed – evenzeer het naamcijfer. En het naamcijfer is de uitdrukking van het wezen. Zo zij al, wat Uw lichtend Wezen voor ons omschrift, gevrijwaard van ons denken en oordelen.

Uw Koninkrijk kome. Dat de eenheid met U ook voor ons een werkelijkheid moge worden.

In den hemel (in het kosmische) zowel als op aarde (zowel als in de beperking van ons eigen bestaan.)

Geef ons heden (geef ons in het Nu) ons dagelijks brood. Datgene, wat onze onvolkomenheid behoeft om te kunnen streven naar volkomenheid. Hoe wonderlijk wordt hier Jezus’ leer in een gebed uitgedrukt.

Vergeef ons onze schulden. Je zou kunnen zeggen: “Licht, wis uit in Uw reinigend vuur het falen, waarvan wij ons bewust zijn.”

En leid ons niet in verzoeking. En laat ons door Uw kracht ons steeds bewust zijn van de werkelijkheid, opdat we niet schijn boven werkelijkheid stellen.

Maar verlos ons van het kwade. Maar help ons door dit licht te overwinnen de kracht in onszelf, die schijn verkiest boven werkelijkheid. Opdat we zo deel mogen zijn van Uw wereld in het Nu, dat alle tijd omvat. Zo zij het.

Daar ligt het hele begrip van bezit, van schuld en zonde, het begrip van eenheid en van waarheid, verhuld achter de woorden van een gebed, dat wij u helaas in deze tijd op aarde zo zelden nog bevatten en begrijpen.

Je zou het kunnen aanvullen voor jezelf uit je onvolmaaktheid: “Licht in ons, toon ons in Uw licht het belangrijke van ons wezen en onze wereld. Opdat wij Uw licht zullen vinden in alles, wat rond ons en in ons leeft.”

Ik geloof, dat ik eigenlijk geen goed commentator ben. Maar misschien heeft U kunnen begrijpen al ben ik dan wat afgedwaald hoe de werkelijkheid is van bezit, van waarheid, van zonde en van schuld. In God zin deze dingen niet. In ons zijn ze alleen, wanneer wij God vergeten. Zolang wij met God leven, is al ons beleven steeds weer een “Te Deum laudamus” waard. Loof, loof de Heer der heerscharen

En dan parafraseer ik het: “Want ziet, Hij heeft U het leven geschonken en is U het leven. En in het leven geeft Hij U de waarheid, die het eeuwige leven is.”

Kom, ik zal het woord gaan overgeven aan de volgende spreker. Maar nu ik zo kerks ben geweest, hoop ik, dat er bij U niemand is, die zegt: “Liever Turks dan Paaps.” Want ik kan het niet nalaten. Al is het misschien in de gewoonte toch weer een fout. Maar ik weet niet anders uit te drukken het geluk van mijn bestaan en mijn liefde voor het bestaan.  Dat God met U zij in de band, die altijd daar is.

o-o-o-o-o

Ik ben altijd bang, dat ik de stemming weer verbreek. En toch, ons werken en spreken is nu eenmaal een wisseling van licht en van duister, een wisseling van het begrijpelijke en het onbegrijpelijke en ook een wisseling van het diepgaande en het wat oppervlakkige. En nu spijt het mij, dat ik dat oppervlakkige moet brengen. Maar misschien dat degene, die luistert, toch onder de oppervlakte weer de echo kan vinden van de diepe waarheid, die mij is voorafgegaan.

Ik zei: licht en duister. Hebt U er wel eens over nagedacht, wat licht is en wat duister? 0, zeker, je denkt aan de zon, of je ziet het fluwelig donker van de nacht, dat langzaam maar zeker alle vorm doet verbleken en vervagen, tot je eenzaam achterblijft. Maar is ons dat voldoende?

Licht is weten, is zien, is aanvaarden, aanschouwen. Licht is een vorm van bewustzijn. Licht is niet alleen maar een straling of iets, dat de dingen voor ons kenbaar maakt. Licht is iets, wat in ons leeft.

En duister? Duister is iets, wat wij niet bezitten. Duister is iets, wat te gronde is gegaan.

En zo kun je een heel wereldbeeld gaan opbouwen. Maar als je alleen al begint met naar jezelf te kijken, dan zeg je: “He”, vreemd. Mijn bewustzijn is juist een bewustzijn, doordat ik bepaalde dingen niet bezit en andere wel. In mij ligt natuurlijk de volmaaktheid. Maar die volmaaktheid op zichzelf is niet voldoende. Want die volmaaktheid wordt door mij niet gekend. En daarom is er in mij een spel van licht en duister. Ik zie sommige dingen wel en sommige niet.”

En wat is nu het vreemde van het geval? In het licht kun je handelen. Zodra er volledig duister is, ….denk het Uzelf maar in. U staat in een kamer die volledig afgesloten donker is. U ziet geen hand voor ogen. Wanneer U zich al beweegt, dan is het voorzichtig, aarzelend en tastend. Het is toeval, waar ge terecht zult komen. En ge weet niet, of ge in cirkels loopt of rechtuit.

Zondigen kun je niet in het duister. Duister is geen kwestie van ondergang, of van schuld, of van onbewustzijn. Dat ligt juist in het licht. Het licht is ons gegeven om te leven, om bewust te zijn, om te streven, te kennen, zeker. De hele wereld is ons gegeven. Een wereld, die is opgebouwd uit zoveel verschillende sferen en uit zoveel verschillende mogelijkheden. Vandaag marcheer je met Napoleon. Morgen leef je misschien in een atoomtijdperk. En overmorgen keer je terug tot de primitieve mensen, die hun beschutting nog zoeken in de holen.

Heel de wereld en alle tijd, ze is tot je beschikking. Het licht is er. Werelden van veranderende vormen, vol van wonderlijke schoonheid en afschuwelijke hatelijkheid van demonen. Het astraal gebied, het is het Uwe. Niet slechts nu, maar te allen tijde. Alle tijden zijn de Uwe. Zo is het licht ons gegeven.

Als wij al dat licht nu tegelijk zouden hebben, ach, dan zouden we helemaal niet meer weten, waarheen we zouden moeten gaan. Dan zou de hele wereld één en al schuld zijn. Want je zou geen stap kunnen zetten, of je zou iets verkeerds doen. Ja, en per slot van rekening, wij zijn onvolmaakte wezens.

We moeten zo nu en dan een fout kunnen maken, anders kunnen wij niet leren. Fouten zijn er om te leren. Dus moet er licht zijn op het gebied, waar wijzelf kunnen werken, waar wij ons bewust zijn en waar wij wat volbrengen kunnen. En aan de andere kant moet er duister zijn, waarin het voor ons nog niet helemaal realiseerbare, datgene, wat we nog niet kunnen beheersen en verwerken, tijdelijk verborgen is.

En ja, wanneer je nu door die wereld heenloopt, dan neem je dus een stukje licht en een stukje duister mee. Je wandelt zo gezellig op straat en zegt: “He, het is heerlijk weer vandaag. Wat zingen de vogels mooi” En je ziet misschien toevallig niet die bananenschil voor je, die pijnlijke gevolgen heeft voor je zitvlak. Je hebt één deel gezien en het andere deel was duister. Dat heb je niet gezien. Want je kunt immers niet alles tegelijk zien.

Stelt U nu eens voor, dat het zo gaat in ons hele bestaan, ons hele leven. Licht is er; natuurlijk, overal. Maar er is een deel, dat zich aan ons bewustzijn onttrekt. En dat is duister. Wanneer wij onze aandacht ergens op richten, dan zin wij ook in staat een oordeel te vellen, dan weten wij, waar wij aan toe zijn. Al kennen we niet het geheel, wat we daar kennen is voldoende om voor onszelf te zeggen: “Zo gaan wij streven en zo doen wij het.”

Daar mogen we dan ook niet falen. Daar kunnen we zondigen. Daar kunnen we zeggen; “Ja, nu moet ik eigenlijk die ander helpen, maar….mij niet gezien, hoor. Laat een ander het maar opknappen.” Zonde, nalatigheid. Want ik voel de verplichting om die mens te helpen, dus moet ik die mens helpen.

Maar nu loop ik een volgende keer langs precies hetzelfde plein, in precies dezelfde toestand en ik zie niet; dat die mens hulp nodig heeft. Dan is mijn voorbijgaan zonder enige fout, zonder schuld en zonder zonde. Dan betekent het niets voor mij.

En nu begint U zeker zo’n beetje te begrijpen, waar ik naar toe wil. Je kunt het zo simpel mogelijk stellen: We kunnen alleen maar handelen, zondigen, kortom, iets belijden, iets leren kennen, of iets nalaten of iets niet doen, in de wereld, waarvan wij ons bewustzijn met zijn inhouden. En elke schuld en elke zonde en alles wat er bij hoort reikt alleen maar zover als de gerealiseerde inhoud van de feiten reikt en verder niet.

En dan wandelen wij daar. Half licht? half donker. Wanneer je de mens in zonnig weer op de straat ziet lopen, dan moet je eens kijken. Dan danst om hem heen een schaduw. En naar gelang hij een richting in slaat of de zon verloopt, is het nu een lange schaduw, die een vlak voor hem uitwerpt, dan huppelt er opzij een kort, verwrongen gedrocht mee, dat een soort parodie schijnt te zijn op de eigenaar. Je zou kunnen zeggen: “Wanneer het licht ons bestraalt, dan is ons onbewustzijn iets, wat een schaduw in de wereld werpt. En daardoor zijn bepaalde dingen van die wereld voor ons niet kenbaar.”

Er zijn een heleboel mensen, die trekken zich daar erg veel van aan. Die zeggen: “O, als we nu a.u.b. maar eens alles konden zien. Als ik nu maar eens bv. in hogere sferen kon uittreden, wat zou ik dat graag doen. En o, als ik nu toch die arme zielen in het duister maar kon helpen; wat zou ik het graag ja, heel graag doen.” Dan hebben ze een hele verlanglijst. Het lijkt net Sinterklaas.

Maar realiseren die mensen zich wel, wat ze willen? Zij vragen dingen, die voor hen nog in de schaduw liggen. En als je dat nu ook nog moet gaan opknappen, dan zou je waarschijnlijk door je zoeken in de schaduw heel veel in het licht voorbij kunnen lopen, wat je wel hebt gezien dus wat wel behoort tot je eigen verantwoording en verplichting.

Dat vind ik ook zo aardig, wanneer je die leer van Jezus eens goed nagaat. Ze is zo heerlijk nuchter. Ze zegt: “Denk erom, je eerste verplichting ligt hier op deze wereld, hoor! Wat je kunt doen, dat doe je maar. En natuurlijk mag je in hogere sferen werken, zoveel je wilt en in een lagere sfeer. Maar eerst op deze wereld de zaak in orde.”

Wanneer je dan zo kijkt, dan kun je het in een paar woorden samenvatten: “Mens, beheers je. Zoek alleen dat, wat je goed noemt. Verwerp al het andere. Houd vrede met je medemensen en help een ieder, die in de rats zit.”

Dan ben je klaar. Dat is de hele grondstelling.

Daar kunnen we een betoog over houden van uren en het is buitengewoon mooi en buitengewoon belangrijk; maar laten we het maar eens heel rustig tot gewone termen terugbrengen. Laten we het maar wat aan de oppervlakte houden. Het is heel simpel. Je hebt een wereld en in die wereld leef je. Daarin schijnt voor jou het licht van God op dit ogenblik.

En nu moet je niet eigenwijs zeggen: “Ja, Heer, ik vind het erg mooi, dat U mij zoveel licht op de wereld geeft, maar ik wil in dat duistere hoekje gaan graaien.” Dat heeft helemaal geen zin. Dan moet je zeggen: “God, ik dank U voor het licht in mijn wereld. Ik zal er gebruik van maken. Ik zal het hele zaakje zo goed opknappen, als mij maar mogelijk.is. En wanneer het dan Uw wil is, door mijn streven in mijn eigen wereld eerst in de praktijk goed te zijn, zou het misschien kunnen zin, dat U dat licht nog een klein eindje verschuift, zodat ik daaruit iets zie van de wereld, die mij nu nog niet bekend is.” Simpel, hé.”

Nu heb ik eigenlijk commentaar gegeven. Het wordt zo langzaam aan tijd, dat ik weer besluit. Ik heb nog wel spreektijd over daar niet van maar ik voel, mij niet erg op mijn plaats, wanneer ik nu nog dichterlijk moet gaan worden. Ik kan natuurlijk een heel dichterlijke beschrijving gaan geven van bloemen, die in de zon staan en in hun gele kleuren de zon weerkaatsen, van zoemende bijtjes en dansende vlinders. Maar per slot van rekening, die heeft U allemaal zelf wel eens gezien. En op het ogenblik hebben we over dingen gesproken, die heel wat belangrijker zijn.

Het is belangrijker voor ons, dat we weten, wat ons licht is en dat we het licht kunnen appreciëren. Dat zullen ongetwijfeld de planten en de bijtjes en de bloemen en alles zo doen op hun eigen manier. Maar daar hebben wij heel weinig mee te maken.

De schoonheid ervan mogen wij aanvaarden en ervaren. Dat is in het licht. En wat in het licht is, openbaart onszelf aan onszelf. Maar gelijktijdig ook de God, Die in ons leeft aan onszelf van uit de wereld. Laten we ons daar nu maar bij houden.

We kunnen nu wel doorpraten en dichterlijk worden. Maar de diepe waarheid, waar het om gaat, is het belangrijkste. Daarom vind ik het al zo moeilijk om hier de lichtere noot, die zelfs op deze bijeenkomst behoort, te gaan geven. Het is natuurlijk mooi om een afwisseling te geven tussen zware materie en lichte materie. Om tegenover het sentiment zo nu en dan de nuchterheid en de kilte te zetten van een zuiver en streng logisch denken. Maar er komt een ogenblik, dat het lichte element moet zwijgen. Dat de oppervlakkigheid een ogenblik moet terugtreden. Juist omdat de diepte van het goddelijk Licht en alle krachten, die daarmee in ons gepaard gaan, van zoveel groter belang zin, dat het een soort van heiligschennis wordt om over de eenvoudige dingen te denken.

Nu heb ik, hoop ik, niet al te veel de stemming van mijn voorganger verstoord en ik heb toch even de sentimentele geroerdheid wat weggenomen. En daarmede heb ik mijn taak naar ik meen volbracht.