Jezus houding t.o.v. zijn God

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 63

5 mei 1957

Er zijn zeer vele aspecten te bezien, die elk voor zich een bepaald facet van het christendom scherp omschrijven en naar voren brengen. Ik wil echter vandaag speciaal met U spreken over Jezus houding t.o.v. zijn God, zijn visie van zijn God, zoals hij dit in zijn leringen aan zijn leerlingen heeft vastgelegd. Om eventuele verwarring te voorkomen vestig ik er wederom de aandacht opdat ik uitspraken van anderen tot één geheel samenvoeg, alsof ik deze zelve zou doen. Slechts daar waar het mij noodzakelijk of wenselijk lijkt, zal ik de bron vermelden.

Jezus leer stelt de mens in een zeer bijzondere relatie tot God. Deze zeer bijzondere relatie wordt als volgt uitgedrukt: Elke mens draagt onmiddellijk de kracht van de Vader in zich, maar het is niet de kracht van de Vader, die hem beheerst. En elke mens zijn twee delen van de Vader, die zijn wezen nader omschrijven, zijn kracht verder uitmaken. Deze zijn; de kleine genitor of schepper, die de geest uit zich vormend tracht op te heffen tot het eigen peil voor het geestelijk gedeelte. De geest der aarde de scheppende kracht voor dit deel der materie voor het lichaam. Deze beiden nu zijn de directe invloeden in het leven van de mens. Alle stoffelijke en alle geestelijke problemen, oplossingen en stellingen staan in verband met deze kleinere krachten. Wie tot de Vader wil gaan, diene eerst deze beide krachten in zich harmonisch te maken, opdat zij elkander opheffende de mogelijkheid geven met de kern van het wezen in te gaan, tot de Kracht, die in het wezen zelve heerst.

Hieruit vloeit voort, dat de mens op verschillende wijzen verbonden is met de eeuwigheid. Aan een kant staan de bindingen met de kleinere krachten, die binnen het scheppend bestel een zeer nauw omschreven en bepaalde functie hebben. Zij beheersen verschillende gebieden en zijn alleen op het eigen gebied meester. Men kan dus zeggen; De mens is het terrein, waarop verschillende elkaar tegengestelde krachten der schepping elkaar ontmoeten. Waar het wezen mens een zelfstandig bewustzijn heeft, en uit de Vader de kracht heeft gekregen om met dit bewustzijn de werkelijkheid boven het geschapene te bevatten, zo zal deze mens; door een harmonie te scheppen tussen de gebieden, die in zijn wezen tot uiting komen, zichzelf boven deze gebieden verheffen en een nieuwe wereld betreden.

Het Koninkrijk Gods is in feite de eenheid van de kleine krachten. Want ofschoon de Vader kracht en macht is in elk der verschillende factoren, die binnen het menselijk wezen optreden, zo zal slechts de eenheid van deze krachten voor ons een aanvaardbaar beeld geven van de Vader. Slechts deze eenheid van al het in ons zijnde kan leiden tot een eenheid, die de werkelijkheid beseft, niet meer belicht door een eenzijdig streven. In het bijzonder wil ik hierbij vermelden een van Jezus leringen tot de z.g. kleine of uitverkoren groep, die slechts 5 leden telde:

“Wanneer Uw Lichaam U vraagt, zo zult gij Uw lichaam niet ontzeggen. Zo de geest U voert, gij zult de geest geen teugelen aanleggen. Maar zo het lichaam U vraagt, geef het slechts wat heden noodzakelijk is. En zo de geest U voert, zeg haar niet: “Het is voldoende te gaan.” doch vraag haar: “Waarheen?” Want is in het lichaam het heden belangrijk in de geest leeft de droom van de toekomst. Indien deze beide tot eenheid worden, zijn toekomst en verleden met elkaar versmolten en wordt het heden de eenheid van alle dingen. Het is daarom dat ik U zeg: Laat Uw lichaam dienen wat in de stof leeft, en laat Uw geest een doel stellen voor al, wat in de geest leeft. Strevende dit te verwerkelijken van uit Uzelf voor allen, zult ge daardoor de eenheid vinden, die ligt boven de beperkingen van stof en geest, die is het Koninkrijk van mijn Vader en gaande boven de huizen, waarin zij leven, die Hem nog niet bevatten, is zij de eenheid met Zijn wezen.”

Deze spreuk geeft ons niet een leer van zelfverloochening. Foutievelijk heeft men wel gezegd, dat christendom een leer van zelfverloochening is. Maar dat is niet waar. Het christendom in zijn werkelijke betekenis is een leer van zelfbeheersing en van een doelbewust streven. De doelbewustheid van het streven komt tot uiting in de dienende functie. Want wie tracht te heersen, zal met ieder, die hij beheerst, zichzelf binden. Wie nu gebonden is aan het eindige, kan het oneindige niet bevatten. Zo wie zich bezit verwerft, wie zich verlustigt in macht, wie zijn krachten gebruikt om zichzelf te verheerlijken, gebruikt de gaven hem gegeven om tot de Vader in te gaan, om zichzelf te binden aan de bekrompen wereld, die voor hem is lijden en dood. Beter is het, dat het lichaam sterve en de geest verderve dan dat het innerlijk licht, dat beide bezielt ten gronde gaat. Want ook dit is mogelijk.

Hier wordt aangespeeld op iets, dat eeuwige verdoeming lijkt. Maar het is schijnbaar niet zo bedoeld. Want uit enkele leerstellingen, die later herhaald zijn door de apostel Johannes, kunnen wij dan het volgende citeren:

“De Kracht, die in ons is en staat boven alle dingen, kan doden ons bewustzijn. Zichzelf blijft zij gelijk, doch het is ons niet meer gegeven haar te erkennen; en in het duister worden wij herboren. Een smartelijke hergeboorte, zodat wij tweemaal geborenen wederom het pad moeten gaan, totdat wij kunnen opgaan in de Vader.”

Hier wordt dus klaarblijkelijk gedoeld op het feit, dat een negatief streven van geest en stof voor ons de kracht van de ziel teniet kan doen, zodat wij in een volledig onbewustzijn van uit de kracht van de ziel herboren worden, en hernieuwd alles zullen moeten doormaken, wat wij reeds hadden volbracht. Jezus stelt dan ook t.o.v. zijn God het volgende:

“De Vader is in alle dingen. Hij is in de geest en in de stof. Maar Hij is meer dan geest en meer dan stof. Hij is de Voortbrenger van alle dingen. Doch, Hij rust; want in Hem zijn de dingen en worden zij niet. Doch uit de volheid van Zijn wezen komt de beperktheid van Zijn schepping. Het is de vervulling van Zijn wezen in elk deel van dat Wezen, dat een schepping mogelijk maakt. Zo, indien gij tot de Vader gaat: vraag niet, maar aanvaardt. De aanvaarding van de eeuwige Kracht betekent de harmonie van alle dingen. De harmonie van alle dingen is meer dan het Huis des Vaders; het is de zetel, waarop Hij troont, het is Zijn wezen, waaruit alle licht werd geboren.”

Deze dingen voor Uzelf na te gaan is misschien moeilijk. Ik zal daarom aan het voorgaande enige commentaren verbinden. Deze zijn gebaseerd op onze eigen, ervaringen en staan dus slechts indirect met de christelijke geheimleer in verband.

Wanneer wij de Vader zien als een alomvattende Kracht, dan valt ons onmiddellijk dit op: Waar wij harmonie hebben, is de Vader heerser over elk deel van ons wezen; maar elk deel van ons wezen op zichzelf is onvolmaakt en onvolledig. In de samenwerking van de krachten, die in ons werkzaam zijn, kan de perfecte harmonie ontstaan. Zo blijkt ons o.a. na onderzoek en uit stellingen, zowel in onze sferen als op Uw aarde verkondigd dat Jezus’ genezen niet was een werkelijk genezen, maar het scheppen van een perfecte harmonie tussen geest en stof. Ook wanneer deze voor een kort ogenblik wordt bereikt, zal de goddelijke Volmaaktheid zich zozeer zuiverend openbaren binnen het Wezen, waarin de harmonie ontstaat, dat juist daardoor een genezing d.w.z. een perfecte geestelijke, zowel als stoffelijke toestand gerealiseerd kan worden.

Hier ligt voor ons het criterium. Wij kunnen doen wat wij willen. Wij kunnen elke wereld en elke sfeer beroeren; maar steeds zal ons wezen in twee krachten geuit zijn. Die twee krachten zijn volgens ons weten en ons kennen tegenstellingen. Nu blijkt echter dat wanneer wij deze tegenstellingen met elkaar in balans kunnen brengen, dat in ons een perfect evenwicht ontstaat doordat beide krachten elkaar neutraliseren de derde, grotere en meer omvattende kracht, voor ons kenbaar tot uiting komt. Ons leven mag dan ook niet gericht zijn op een bereiken. Het mag niet gericht zijn op een vervulling. Deze dingen zijn immers slechts voor een deel van ons wezen belangrijk. De werkelijkheid van ons wezen kan alleen geopenbaard worden in een aanvaarding. Een aanvaarding, waarbij geest en stof een evenwicht vinden. Het is daarom dat Jezus geheimleer onder meer verbiedt een oordeel uit te spreken over andere mensen of toestanden.

“Men oordele slechts zichzelf en zichzelf oordelende, beroepe men zich op de Vader.” Verder: “Men eise niets van de mensheid, noch van de geest, noch van de wereld, noch van de eeuwigheid. Want elke eis is een verstoring van het evenwicht. De Vader geeft ons al, wat we vragen. Ons vragen wordt uitgedrukt in de behoefte van ons wezen.”

Dan verbiedt hij nog zich de wetten op te leggen, die de wetten der mensen zijn. “Doch zo zeg ik U; Verwerp niet de wetten der mensen, tenzij zij betekenen een verwerping van Uw wezen. Want wie de rechtvaardigheid in zijn wezen handhaaft, doch zich onderwerpt aan al datgene, wat hem niet schaadt, zal hierdoor deel zijn van een eeuwigheid, die groter is; de vrede van de mens met de mensen; de vrede van de mens met zijn God, waardoor hij is deel van die God en opgenomen in die God; deel van het rijk des Vaders en één met de Vader in dit rijk.”

Jezus waarschuwt.a.h.w. tegen elke poging om in de wereld anders in te grijpen dan ter handhaving van een innerlijke vrede. Men zou dit in moderne termen relativisme kunnen noemen. Een ieder heeft het recht zijn eigen wegen te gaan. Want ofschoon men niet mag zeggen dat men niet verantwoordelijk is voor anderen, heeft men niet het recht anderen hun wil te ontnemen. Men moet hen wel leren hun wil op andere dingen te richten. Oordelen en veroordelen betekent alleen innerlijke onvrede vergroten; innerlijke onrust en disharmonie in de wereld stellen. Niet oordelen daarentegen wil zeggen: het oordeel overlaten aan krachten, die daartoe bevoegd zijn, en voor zichzelf alleen de eigen houding te bepalen voor zover noodzakelijk om de innerlijke vrede te handhaven.

Er zijn vele mogelijkheden en vele wegen om tot God te komen. Maar Jezus weg is in deze zin de enige, dat hij uitdrukkende de harmonie tussen stof en geest, die God maakt tot werkelijkheid in de mens weergeeft een wijze, zoals ieder ander ze gelijkelijk moet volgen, wil hij komen tot de volmaaktheid, tot de eenheid met de Vader,

Degenen, die zich dit goed realiseren, zullen ongetwijfeld met mij eens zijn dat Jezus’ geheimleer een leer is, waarin onthouding eerder dan activiteit tot uiting komt. Men heeft wel eens gezegd, dat het christelijk geloof een strijdbaar geloof is. Men meent dit te mogen baseren op het feit, dat Jezus heeft gezegd: “Ik kom niet om U de vrede te brengen, maar het zwaard.” Maar het zwaard is de verdeeldheid in de mens, niet in de wereld. Jezus heeft de mens geen zwaard gegeven om bulten hem de dingen te veranderen, doch om zichzelf te bestrijden. Dit blijkt uit een lering, die hij heeft gehouden in het tweede jaar in Samaria voor enkele leerlingen en enkele gasten:

“Om tot eenheid te komen met Uzelf zult gij veel moeten verloochenen van hetgeen gij meent dat gij zijt. De ontzegging nu en de overwinning van Uzelf is een strijd, die hard is en zwaar. Maar geen strijd wordt zo beloond als deze. Want wie zichzelf overwint en in zich het lijden kan ondergaan, dat voortvloeit uit het vinden van een nieuwe levensrichting en het verlaten van een oude, zal in zich ontdekken de vrede. Deze vrede zult ge Uzelf moeten gewinnen. Niemand kan U vrede geven. Maar ik geef U het zwaard, waarmede ge Uzelf kunt reinigen van de onvrede, die U beheerst. Zo zeg ik U: Wees nederig, want gij weet niet welke krachten in een ander schuilen. Zo zeg ik U: Wees vol van liefde, want zoals de Vader U lief heeft, zal Hij Zijn liefde uiten door heel Zijn schepping. Zo zeg ik U: Wees vreedzaam, want slechts zij, die strijden, zullen omkomen door de strijd, die zij baren. Zo zeg ik U: Wees barmhartig, want zij, die vergeven zullen hun schulden uitgewist zien en de vrede huns harten vergroten.”

Dit is de kern van Jezus leer. Strijd met jezelf, niet met de wereld. Strijden met de wereld heeft geen doel. In die wereld komen zoveel factoren op de voorgrond, die niet beheerst kunnen worden wanneer men leeft in de wereld, dat slechts overblijft een zichzelf vrijmaken van die wereld door niet met wil en streven deel te hebben aan hetgeen de wereld biedt. Met wil en streven heeft men slechts deel aan al datgene, wat het ik maakt tot eenheid, wat de ontevredenheid eruit verdrijft en het oordeel, dat gesproken is, wegneemt. Om daarvoor in de plaats te stellen een begrip en een aanvaarding, die niet voor het ik, maar wel voor de wereld altijd moeten bestaan.

o-o-o-o-o

Wanneer wij in leven en in christendom zoeken naar waarheid, dan zoeken wij maar al te vaak eigenlijk onszelf. De ervaring heeft mij geleerd, dat zelfs een mens, die zijn wereld liefheeft, een mens, die zijn geloof heilig houdt, toch nog eigenlijk een vervulling van zijn eigen ik zoekt. Wij zijn, of wij nu willen of niet, eigenlijk allemaal egoïsten, U en ik. Wij dromen onze kleine dromen: wij hebben ons stil, niet uitgesproken verlangen en wij menen dat wij het dan toch maar weten.

Ik heb gesproken met geleerde mensen in onze wereld en die hebben mij dat allemaal zo echt psychologisch verklaard. Psychologisch: de logica der psyche, die geen logica meer is. Ze hebben mij gezegd: “Elk wezen zoekt zijn eigen onvolmaaktheid aan te vullen door zijn geloof, zijn angsten en begeren, zijn uitingen van al hetgeen hij meent te moeten verwerpen of aanvaarden.”

Toen heb ik gedacht: Arme mensen. Arme geesten. Ja, ook arme ik. Wat heb je eraan, wanneer al je streven moet worden teruggebracht tot een zoeken naar compensaties. Maar je hebt gelukkig nog iets, wat geen compensatie behoeft te zijn.

Je hebt een geloof. Je weet het soms niet eens. Je denkt, dat je geloof je gegeven is door je ouders, door een school, door je omgeving misschien, of door leringen, die je hebt gehoord. Dat is niet waar. Je gelooft niet, omdat men het je te geloven geeft. Maar je bouwt uit alles wat geleerd wordt voor jezelf een geloof, dat je dan onderbrengt onder dezelfde naam als een ander. En juist daar kom ik in moeilijkheden met al die psychologische vrienden. O, ze menen het allemaal goed. Ik ben ervan overtuigd dat geen van hen opzettelijk iemand iets kwaad zou toedoen of zeggen. Maar ze vergeten volgens mij één ding en dat is dit: Wanneer de Almachtige Vader in de hemel ons schept, wanneer Hij ons een leven geeft in de stof of in de geest, wanneer Hij ons een taak geeft door ons deel te maken van Zijn schepping, kan er dan een behoefte zijn tot aanvulling? Wanneer wij geloven in een liefdevolle God, in een hemelse Kracht, die met ons is, kan er dan iets zijn, dat we werkelijk begeren? Mijn geloof klinkt misschien simpel na al die woorden, die gezegd zijn over Jezus Christus; over zijn leer. Maar is het ware dan niet altijd eenvoudig? Geloof dat God altijd met je is, ook al begrip je Hem niet. Dat is belangrijk. Geloof dat je eens die God zult kennen, omdat die God in Zijn liefde niet toestaat dat je verloren gaat of onnodig lijdt. Dan heb je kracht. Geloof in God; en omdat je in God gelooft, geloof in jezelf.

Ik heb zeker in mijn leven vaak gefaald, vrienden; heel vaak. Ik heb soms gezondigd in onwetendheid; soms door hoogmoed. Ik heb vaak gezondigd door datgene, wat ik niet mocht onderwerpen, te onderwerpen aan mijn overste: mijn geweten. En toch leef ik in licht en in glorie. Is dat dan niet het beste bewijs, dat wie in God gelooft behouden is in alle dingen? Als U weet, ….. ach, ik mag het van U niet vragen, hoe werkelijk God voor een mens kan zijn, wanneer je de moed maar hebt op Hem te vertrouwen.

Ik ben altijd een rare, pastoor geweest. Ik vertelde de kinderen over engelbewaarders en ik geloofde er zelf niet in. Misschien één van mijn kleine zonden. Zoals de moeders vertelden van de Gelaarsde Kat en van Klein Duimpje, zo vertelde ik van heiligen en van engeltjes. Omdat het kind zijn sprookje hebben moet. Ik heb maar werkelijk geloofd in één ding en dat is: dat Jezus ons een weg heeft getoond, en dat de Vader met ons is door alle tijden. God is een kracht van liefde, die altijd voor ons zorgt, wanneer wij Hem laten zorgen. Wij mogen natuurlijk niet zeggen: “God, hier zit ik. Zorg nu maar voor mij.” Daarvoor zijn wijzelf nog niet rijp. Maar zouden wij mens of geest in staat zijn alleen maar te zeggen: “God, Uw wil geschiede,” zoals onze Meester dat heeft gedaan, zou ons geen voedsel worden gegeven uit de hemel? Zou de natuur ons geen kleed baren, en zouden de sterren niet komen om ons tot licht te zin in de nacht? Zou er één ding zin, dat onvervuld zou blijven?

De profeet in de woestijn werd gevoed, jarenlang, door wat raven en door een bron, die wonderbaarlijk ontsprong. O zeker, het is misschien niet precies zo gebeurd; maar hij werd gevoed.

Het volk van Israël, gedreven door het geloof van Mozes, ging in de woestijn en de Heer liet het niet omkomen. Niet ommentwille van het volk, maar ommentwille van het geloof, dat Zijn wet stelde boven alles. Dan mogen we wel zeggen dat Mozes politiek was met zijn rondzwerven in de woestijn; dat hij een ander doel had dan hij leraarde. Maar nam dat iets weg van het wonder, dat wie op God betrouwt nooit verlaten wordt? God moet ons wel zeer liefhebben, want Hij verlaat ons nimmer.

En dat, vrienden, moet voor ons de reden zijn om in de kern van alle leven en alle streven dit ene te zetten: Een geloof aan en een liefde tot de God, Die ons leeft geschapen, Die met ons is door alle tijden.

En nu zal ik mijn mond maar weer gaan houden. Want och, je zoudt soms weer gaan preken en zeuren. Op één na heb ik al die oude gewoonten afgezworen. Die ene behoud ik, omdat zij voor mij het teken is van de liefde Gods, die ook in mij leeft en werkt tot een liefde voor alle mensen, voor alle geesten en alle schepping. Zoals ongetwijfeld ook eens in U de universele liefde tot uiting zal komen.

o-o-o-o-o

Na hetgeen door de voorgaande spreker is gezegd, wordt het voor mij altijd erg moeilijk een slot te vinden. Je kunt natuurlijk gaan zingen over zeeën van bloesems over het land; over vallende bloesem, die als sneeuw de velden dekt; over een zon, die schuil gaat achter de wolken; maar wat hebben wij er eigenlijk aan. Het zijn verschijnselen. Pas wanneer je de innerlijke betekenis erin legt, hebben ze werkelijke waarde. Het is gemakkelijk genoeg om met woorden een paar beelden te schetsen, die U allemaal buitengewoon mooi vindt; maar het is moeilijk om een inhoud ervoor te vinden, die niet beschamend is t.o.v. het voorgaande. Ik zou dan van mijn kant als U mij toestaat, voordat ik deze bijeenkomst ga beëindigen iets willen zeggen over vreugde en levensvreugde.

Wanneer je een geloof hebt zoals de vorige spreker, wanneer je doordringt in de werkelijkheid van Jezus’ leven zoals een andere spreker, dan moet je m.i. toch wel vreugde vinden in het leven. Ik geloof dat blij zijn, vreugdig leven, niet betekent dat je het altijd zo goed hebt, maar dat je in zekere zin beseft, dat je als het je alleen maar ging naar je eigen wezen en streven het veel slechter zoudt moeten hebben. Misschien een soort van inverte logica. Maar ik ben blij dat ik al zover ben, ofschoon ik weet dat ik nog heel ver moet gaan. Omdat ik er mij van bewust ben, dat wanneer ik het helemaal alleen en zelf had moeten doen het voor mij erg moeilijk geworden zou zijn om nu al dit punt te bereiken.

Wanneer de zon schijnt, kan ze soms schroeien en branden. Het kan planten verdorren en verdrogen, en toch ben je blij dat er weer licht is.

Want wanneer er alleen maar nacht zou zijn en de planten langzaam zouden verschimmelen in een treurig duister, dan zou je pas werkelijk bedroefd kunnen zijn. Wanneer de regen over het veld zweept, wanneer de stad verborgen is achter loodzware, grijze wolken en er komt een enkele zonnestraal door, dan kun je daar blij om zijn, omdat je weet dat het licht er nog is. Levensblijheid wil zeggen: Achter alle problemen en alle zorgen iets zien van dat licht, van die werkelijkheid; die zon, die daar schijnt.

En nu ben ik misschien niet zo gewichtig als spreker en prediker als die twee anderen, maar dit weet ik wel: Altijd wanneer ik door de wereld ga; altijd wanneer ik door de sferen ga, wanneer ik terugkeer tot mijzelf en ik zoek mijzelf altijd weer vind ik één getuigenis: Er is licht, er staat ons beter te wachten dan wij nu hebben. Onze hele weg is een opgang niet alleen in wijsheid en bewustzijn, maar in ervaren, in geluk, in wereld, in toestand. Wanneer wij maar eerlijk streven al doen wij het nog zo dom dan zal het ons nooit slechter gaan, maar altijd beter. Het kan niet erger worden. Is dat geen reden om blij te zijn, geen reden om vreugde te scheppen in je leven, om werkelijk sterkte te voelen in alle bestaan? Wanneer je weet: erger dan het nu is, kan het nooit worden. Want ik leef nu in deze wereld. Zo ben ik nu, maar een volgende keer zal ik beter zijn. Zolang ik maar eerlijk wil dat het beter gaat, heb ik licht, heb ik vreugde, heb ik zon, heb ik zomer.

Dat is misschien voor een mens in de wereld moeilijk te begrijpen. Want U zegt wel: Het gaat beter en vandaag gaat het werkelijk wat beter, maar morgen gaat het weer wat slechter. En dan word je heel gauw pessimistisch. Dan zeg je: Het gaat mij slecht. Maar daar maak je juist de grove fout. Wanneer je zegt: Het gaat mij slechter, dan spreek je een waarheid, die zeer relatief is en alleen maar in verhouding staat tot Uw eigen ogenblikkelijke beoordeling van iets. Hoe weet U, dat het U eigenlijk niet beter gaat? Alles wat U gebeurt in Uw hele leven of het nu prettig is of niet het leidt tot een beter leven, een groter inzicht, een groter licht. Maar wanneer U zegt: Het gaat mij slecht, moet U daarentegen zeggen: Het gaat mij goed. Het gaat mij altijd beter. Geen Coué, helemaal niet. Heus geen suggestiemethode. Dat heb je niet nodig. Je hebt alleen maar het vertrouwen in jezelf nodig: het gaat mij beter. En wanneer je daar maar in gelooft, wanneer je die kracht maar in je durft voelen, wanneer je werkelijk kunt aanvaarden alles, wat er hier gebeurt, brengt je dat steeds meer kracht en licht, brengt je dat steeds meer vreugde. Dan zul je merken, dat het van binnen zo wordt. Al wordt het aan de buitenkant ook nog zo beroerd, je hebt dan meer kracht en nog meer intensiteit van leven en vreugde dan voordien. Je kunt niet afzakken, je kunt alleen maar beter worden. En daarom al zeg ik het misschien niet zo diepzinnig en welsprekend is mijn raad aan alle mensen, alle geesten: Kijk niet zo naar wat er vandaag slecht is. Tel je schatten; tel het goede en weet dan, dat die rijkdom van wat goed is steeds groeien zal. Ze verandert misschien, maar je wordt nooit armer; altijd beter.

Onze hele weg is een voortdurende verrijking van ons eigen wezen; een voortdurende verrijking van onze eigen wereld. Vergroting van ons vermogen tot lijden misschien, maar ook tot ons vermogen om de werkelijke vreugde te ervaren. Laten we dan dat kleine beetje lijden maar op de koop toe nemen. Wat betekent het eigenlijk? God, je bent teleurgesteld, en je wordt een keer verlaten. Goed, je zult eens een keer ziek zijn, terwijl je verlangt naar gezondheid. Je zult eens een keer moeten werken, terwijl je vrij zoudt willen zijn. Je zult eens een keer financieel gebonden zijn, terwijl je rijk had willen zin. Maar al die dingen bij elkaar, die stuwen je leven in een nieuwe richting, naar een nieuwe kracht, een nieuw leven, een nieuw begrip, een nieuw bestaan. Daarom, vrienden, is mijn eenvoudige raad voor vandaag (ik hoop dat U zich na al het voorgaande er toch iets van wilt aantrekken) zie niet de kwade dingen, zie het lichte, het vrolijke. Probeer de werkelijkheid te zien, de werkelijkheid, die de wereld steeds beter maakt voor jou. En die jou steeds beter maakt, voor een betere wereld. Een kracht, die je steeds lichter, sterker en mooier maakt. Wanneer je dat kunt zien, dan is het leven met al zijn zorgen, al het leed en vreugde goed; dan kun je alles dragen. En juist omdat je dat kunt dragen, worden je lasten lichter, en zul je misschien nog eerder kunnen opgaan tot een betere wereld en een beter bestaan. Ik bedoel niet, dat je gauwer doodgaat, maar dat je het van binnen voelt. Weet U, voor de meeste mensen staat de zon alleen aan de hemel. De zon moet van binnen zitten. Wanneer hij van binnen zit, bant zij alle boze geesten uit, wordt alle onheil eenvoudig van je pad gedreven door je eigen licht, je eigen kracht. En daarom is mijn raad aan U: Wees blij, leef blij. Maak je geen zorgen. Vertrouw in God, en weet dat je hele leven ten slotte niets anders is dan een opgang naar een beter, gelukkiger en vrijer bestaan. En dat is alleen maar het begin van een reeks, die je steeds meer schatten van vrijheid, van geluk, van ervaren zal brengen.

0-0-0-0-0-0
HALLELUJA EINDDOEL

Halleluja is alleen maar een uitroep, maar het einddoel van ons allen is een werkelijkheid. Laten wij het zo zeggen:

Het leven is een trage reis, die gaat door vreemde velden en toont ons kracht en wet en macht, die anderen ons stelden.

Het leven is een vreemde reis, die gaat door wereld en bestaan en wisselend toont ons werkelijkheid en schimmenspel der waan.

Het leven voert ons altijd voort tot aan een horizon, die wij nog niet beseffen, maar waar het leven eens begon.

En zien wij dan een licht dat gloeit, totdat het wordt de felle zon des levens, dan zien wij het doel van lijden en van nood, dan zien wij hoe al ons streven ons gevoerd heeft tot het nieuw bestaan. Dan, als de ogen opengaan en wij beseffen wat leven heet, spreken wij het uit: Halleluja, geloofd zij de Heer.

Besluit van het leven is leven en het leven is kracht en is licht. Als einddoel van alle streven, ontheven van de plicht om voort te gaan, vinden wij in God de werkelijkheid en weten, hoe wij danken kunnen Hem voor ons bestaan.