Jezus leer is de weg tot onszelf

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 60

14 april 1957.

Niemand valt, voordat hij gestegen is, zegt men wel eens. En wanneer dit van iemand waar is, dan is het van Jezus. Jezus de mens, die – gedragen door enorme geestelijke krachten – jaren lang zijn leer heeft verkondigd en wonderen heeft gedaan. Jezus gaat naar Jeruzalem. Op zichzelf is dit reeds een opvallend verschijnsel, want in de laatste jaren van zijn leven heeft Jezus Jeruzalem voorbij gelopen. Hij heeft er niet naar gekeken. Hij heeft zijn eigen leer gebracht, hij heeft wonderen gedaan, hij heeft de wil van de Vader volbracht op zijn wijze. Nu echter komt h]j naar Jeruzalem en juichend wordt hij ingehaald.

Het is niet voor niets, dat Jezus hier als een vorst binnenrijdt in Jeruzalem. Want Jeruzalem is de stad van de tempel en het volk, dat hem inhaalt, is het volk, dat zo dadelijk in de tempel het grote Paasoffer zal vieren. Het zal herdenken, hoe God eens de Joden heeft geleid uit Egypte naar een nieuw land en een nieuwe bestemming,

Een nieuw land en een nieuwe bestemming. Dat geldt ook voor Jezus, dat geldt ook voor ons. Geketend zijn alle mensen aan de wereld, slaven van de taken, daar opgelegd, slaven van alle stoffelijke behoeften, die nu eenmaal altijd weer op de voorgrond blijven komen, omdat je niet in staat bent je te onttrekken aan je menszijn. De vleespotten van Egypte. Hoe begrijpelijk is het ons, dat de Joden uittrekkend in de woestijn, haast verdorstend en verhongerend, worden en terug wilden naar die goede tijd. Die tijd van zorgeloosheid en probleemloosheid.

Geestelijk is ook dit in Jezus leven uitgedrukt. Want drie jaren lang heeft hij een tocht gewaagd van mens tot God gebondene. Maar zo dadelijk, wanneer hij al de triomfator is geweest en het slachtoffer wordt van de triomf in de wereld, dan zal ook hij een ogenblik terugverlangen naar de vrede van vroeger. Dan zal ook hij in zijn bede zeggen; “Dat mij dit voorbijga, dat mij dit niet beroere.” Om Jezus eigen woorden aan te halen:

“Indien wij tot den Vader gaan, is de weg lang en moeilijk, want eerst zullen wij onszelf verlaten en al, wat rond ons is en waardevol. Dan zullen wij streven in Zijn kracht en niet weten waarom. Dan zullen wij uit Zijn kracht een bewustzijn voelen groeien, maar het laat ons eenzaam achter.”

De grootste bitterheid van de geestelijke bewustwording is het ogenblik van eenzaamheid, waarin je afgescheiden staat van alle wereld. En dat is, wat er hier gebeurt. De mens Jezus zou vorst kunnen zijn en een wereld zou aan zijn voeten liggen. Maar geestelijk kan hij dit niet accepteren. Daarvoor is zijn bewustzijn te groot geworden, daarvoor ziet zijn oog te scherp en te ver in de toekomst van de wereld, in de betekenis van al, wat zich rond hem afspeelt. Hij kan niet ontgaan aan deze waarneming, want hij heeft deze grootse kracht aanvaard, hij draagt ze in zich en hij is daarmede gebonden.

Zoals wij ook ondervinden, wanneer wij een weg van bewustwording gaan. Een weg van bewustwording, die ons vooral in den beginne steeds meer problemen brengt, steeds meer vragen. Die ons er toe dwingt steeds meer van onszelf te eisen, zoals Jezus van zichzelf meer eiste, dan hij vaak lichamelijk zou kunnen volbrengen.

Het is bij Jezus gebeurd, dat zijn leerlingen tot hem zeiden; “Meester, rust, want dit kan geen mens dragen.” En zijn antwoord was; “Indien men tot mij komt, mag ik dan weigeren?” Hij was de slaaf en de dienaar geworden van de mensheid. Niet meer van de materie; daarover was hij meester. Eén gebaar en de storm ging liggen. Eén enkele roep en al, wat hij wenste werd vervuld. Eén bede en zelfs melaatsen gingen gereinigd heen. Maar zelve was hij slaaf van de mensheid.

Er komt een ogenblik, dat je als mens leert om het wereldlijk bezit, het stoffelijk bezit slechts als middel te zien en niet meer als doel. Er komt een ogenblik, dat je er afstand van wilt doen en het alleen nog maar hanteert en gebruikt, omdat het nu eenmaal zo hoort in je wereld en je er hopelijk nog wel iets goeds mee zult kunnen doen.

Maar juist op dat ogenblik komen er andere lasten en zorgen, die vaak zwaarder zijn dan de zorgen, die materie kan geven. Dan komt het probleem, de geestelijke vraag: Wat mag ik doen? Wat moet ik doen? Wat is mijn plicht? Dan komen de raadselen: Waarheen moet ik gaan? Wat is het doel van dit beleven? Waar is dan God? Waar is dan toch die leiding, waarop ik zo vertrouw? En in deze twijfel moet je verdergaan, streven naar geestelijk bewustzijn, zoeken naar nieuwe kracht, altijd weer. En wanneer je een ogenblik meent gevonden te hebben, zodat je zegt; “Hier heb ik die steun nu in mijn handen,” dan is het soms als een handvol zand, dat wegglijdt tussen je vingers. Omdat het nu eenmaal niet mogelijk is en niet mogelijk blijft om de vrede, die je voor een kort ogenblik vindt, vast te houden zonder meer, te allen tijde.

Weet U vrienden, zo gaat het ons allen. Niet alleen de stof, maar de geest evenzeer. Je meent een ogenblik vrede gevonden te hebben, en dan rijst er een nieuw probleem, dan is er nieuwe vraag, een nieuwe last, een nieuwe plicht. En je handelt zo goed je kunt. Maar je vraagt je steeds weer af: “Zou het niet anders, zou het niet beter kunnen?” En soms beschuldigen we onszelf voor de Allerhoogste. Ja, tegenover onze omgeving spreken we misschien stil voor onszelf heen: “Hier heb ik gefaald, hier had ik anders en beter moeten handelen.”

Dat is begrijpelijk. Dat heeft Jezus zijn hele leven door gedaan. Altijd heeft hij zich afgevraagd; “Faal ik niet?” Altijd weer heeft hij gezegd: “Maar deze Kracht, die mij drijft, kan die altijd goed zijn?” Hij heeft zelve gezegd: “De twijfel, die in ons rijst, de strijd, die wij in ons strijden, dat is het teken, dat we voorwaarts schrijden op de weg, die ons voert tot het huis des Vaders.”

Goed, dat weten we dan. Maar over die strijd kun je niet heenstappen, zomin als Jezus er over heen kon stappen. Er waren ogenblikken, dat hij verlangde om terug te keren tot die eenvoudige mensheid, om gewoon mee te dansen en te lachen zonder te weten, wat er achter lag. Ogenblikken, dat hij alleen met medelijden klaar had willen zijn. Met een gebaar van; “Arme, ik respecteer je. Hier heb je een gave. Ik ga verder.” En niet met het bewustzijn: “In je schuilt kwaad. Dat kwaad moet ik delgen, opdat jij genezen zult zijn.”

En dan komt de kroon op al deze dingen. Het lijkt haast een hoon van de stoffelijke wereld. Jezus gaat naar Jeruzalem, vermoeid. De wegen hebben hem ver door het land gevoerd en hij is niet in de gelegenheid geweest te rusten. Toch is er iets in hem, dat jaagt en trekt: “Pasen in Jeruzalem. Pasen bij de tempel.”

Zo gaat hij dan, totdat zijn pijnlijke voeten het hem haast onmogelijk maken voort te gaan. Dan laat hij een ezel halen (Een ezelin wordt het) een nederig dier, een nederig middel om je voort te bewegen. Zoals wij soms kunnen grijpen naar een leerstelling, naar een filosofie, om ons daardoor een ogenblik verder te laten dragen naar het doel, waar wij zelf niet meer kunnen.

Dan komt er een ogenblik, dat je het gekende op nederige wijze maakt tot drager van je eigen zoeken, je eigen streven, opdat de mensen je kunnen begrijpen. Of meen je te begrijpen, zoals zij meenden Jezus te begrijpen, toen hij daar, nederig op een ezel Jeruzalem binnenreed. Jezus, die daar binnen reed, zoals voorspeld was, dat de Messias Jeruzalem binnen zou gaan.

O, ze hebben ze allen genoemd, de twaalf kleine en de grote profeten. Ze hebben alles geciteerd. Ze hebben tot elkaar gezegd: “Ziet, de wonderdoener. En nu komt hij, gezeten op een ezel, nederig, maar gekleed in wit. En hij gaat de stad in. Nu zal het gebeuren.”

Zij wuiven met palmtakken, zij spreiden hun mantels uit in vol enthousiasme. Ze drommen tezamen en lopen mee, alsof ze plotseling weer in de kinderjaren zijn. Ze lachen, ze zingen, ze zijn gelukkig. Zelfs van af de platte daken kijken de vrouwen naar beneden en werpen van hun terrassen iets neer, wat groen misschien, wat bloemen, een doekje. Iets om van hun enthousiasme blijk te geven, een offer a.h.w. aan de Messias, die daar zegepralend voortgaat.

Maar dan Jezus. Jezus weet, dat hij geen antwoord kan geven op hun vraag: “Bevrijd ons van Rome. Maak ons tot een machtig en sterk volk. Herstel ons in de roem en de eer, die eens onze vaderen bezaten.” Hij weet, dat hij dit niet kan en toch moet hij het ondergaan.

Er komt een ogenblik, dat een mens – bewustzijn gevonden hebbende – leraart. Leraart misschien in het voertuig van een bekende leerstelling, een bekend geloof. Dat hij met zorg zijn beelden kiezende, de mensen een bewustzijn geeft, een vreugde. Maar zij verstaan hem niet. Ze verwachten, dat hij hun met enkele woorden hun een leer heeft gegeven, hun een waarheid heeft onthuld, hen ook verder zal dragen tot het einde toe. Dan bejubelen ze je en juichen ze aan alle kanten. Dan roepen ze “Halleluja,” duizend maal weer. Maar degene, die het bewustzijn verworven heeft, weet, dat hij niet kan. Zó, niet.

Jezus kan Messias zijn door zijn lijden en sterven, door zijn herrijzenis. Maar Jezus kan niet zijn degene, die een volk verheft of een wereld overheerst. Hij kan niet zijn: gezag. En hij kan niet zijn de zekerheid, de geborgenheid, die ze zoeken. Hij kan alleen maar zijn: Een mens met een groot bewustzijn en een goddelijke Kracht, die hem voortdrijft.

Hoe bitter moet zo’n tocht wel zin. Hoe bitter is het voor je zelf niet, wanneer ze tot je opzien als redder, als helper, als ze je zien als degene, die met alle geestelijke krachten nu in staat is werkelijk het probleem op te lossen, en je weet, dat je moet falen, omdat ze zelf niet begrijpen, wat de waarheid is. Als je weet, dat je krachten tekort schieten voor datgene, wat ze wensen. Of erger nog, wanneer je weet, dat hun wens niet verhoord mag worden, omdat ze niet past in een werkelijke bewustwording.

Ik geloof, dat menigeen, die geestelijk wat verder komt, wat rijper wordt, dergelijke problemen op zijn weg zal zien. Het is niet alleen Jezus Paasfeest, het is niet alleen zijn opstanding, het is niet alleen zijn kruisdood. Het is ook de weg van de mens, die bewustzijn zoekt.

Natuurlijk, je kunt het ontgaan. Je kunt mee blijven gaan in de menigte. Je vastklampen aan stoffelijke waarden en woorden spreken, waarvan je de inhoud niet beseft. Of leugens zeggen, hopend, dat ze toch nog waar blijken. Maar zelfs die geborgenheid is voor iemand, die wakker is geworden, geestelijk niet voldoende. Ook hier kun je geen vrede vinden. Je moet verder. Wie eenmaal bewustzijn krijgt, wie iets van de geestelijke waarheid en het geestelijk licht in zich voelt, of hij wil of niet, die moet verder gaan of Lijden.

Het wonderlijke is, dat je heel wat verder moet gaan, dan je zelf vermoedt. Je moet offers brengen. Je moet helpen en genezen, vertroosten en bevrijden. Je moet leraren en voeden. Het kan niet anders. Dat is je taak. En dan wanneer je zoudt menen; “Nu heb ik dan toch die wereld werkelijk iets kunnen geven, nu heb ik dan toch mijn kracht gevonden dan valt ineens alles weg. Dan ben je daar met een groep, waarvan je meent, dat ze je verstaan en dan moet je zeggen net als Jezus: “Eén Uwer zal mij verraden.” Dan weet je, dat er ergens iemand is, die je zal verloochenen. Dat er ergens iemand is, die je dan maar op de proef zal stellen, omdat de resultaten niet zijn naar zijn eigen verwachten en begeren.

Judas droomde niet van Jezus ondergang of van 30 zilverlingen. Hij droomde van een plaats achter de troon. Een ereplaats, adel, rijkdom. Zoals heel vaak degenen, die niet begrijpen, van iemand, die inwijding vindt, die bewustwording heeft, verwachten, dat deze wel even de middelen zal geven om nu eens aan die wereld te tonen, wat dan geestelijke waarheid is. En die zichzelf erop willen beroemen: “Zie je, dat heb ik vroeger al gezien. En daardoor ben ik nu hier de vriend. Hier ben ik één met deze.”

Jezus weet, dat het niet kan. Hij breekt het brood. Men eet het paaslam. Men drinkt wat van de wijn, met water verdund. Zo moeten wij heel vaak voortgaan met leven, wanneer wij plotseling zien, dat ons hele bestaan ineen dreigt te storten. Dan moeten wij verder kunnen gaan en zegenen. Wanneer wij voelen, dat zelfs hetgeen wij als offer de wereld bieden, tot middel zal worden gemaakt om ons te vernietigen. Wij moeten verder gaan. Het kan niet anders.

Jezus zoekt zijn toevlucht in de eenzaamheid. Waarom in de eenzaamheid? Ach, het blijkt alweer uit zijn eigen woorden: “In de stilte vind ik mijn God. Maar als in mijzelf geen rust is, hoe zal ik de stem des Vaders verstaan.”

Jezus vlucht weg van het leven, van al, wat ermee samenhangt, alleen omdat hij wil proberen God terug te vinden. Die zekerheid, die kracht, die hem aldoor heeft gejaagd en gedreven, is weg. Hij is stuurloos. Alleen maar stuurloos. Hij neemt een paar vrienden mee. Zijn dierbaarste volgelingen. Degenen, waarvan hij toch mag aannemen, dat ze hem begrijpen en verstaan. “Waakt gij deze uren met mij.” Hoe gaat het een mens, wanneer hij plotseling ziet, dat wat hij meende voor de wereld te kunnen doen, wat hij meende te kunnen bereiken, niets is. Wanneer hij merkt, dat het gevaar hem dreigt van ontkenning, van negatie, ja, van oordeel en veroordeling. Dan zou hij ook geneigd zijn zich terug te trekken en te zeggen tot een paar vrienden: “Kom, waak met mij, geef mij kracht in. deze uren. Opdat ik tenminste weet, dat ik niet alleen sta.” Maar zoals de apostelen slapen, slapen meestal de vrienden. In geestelijke bewustwording kun je een proef niet afleggen gesteund door anderen. Je moet alleen gaan, zoals Jezus gaat. En juist omdat je alleen moet gaan wordt het zo bitter.

Jezus voelt het wel aan en hij trekt zich wat verder terug om te bidden. “Bidden,” zegt men. Zouden wij niet kunnen zeggen, zoals menige mens, dat hij tot zichzelf keert en probeert om God te vinden? Om die kracht, waarin hij gelooft, voor zichzelf te realiseren?

Zo gaan de dingen nu eenmaal, ook met een mens, ook met een geest. Je zoekt, je smeekt en je bidt. En altijd heeft God je antwoord gegeven. Altijd is er die kracht geweest, die stem, is er dat wonder geweest in jezelf. En nu ineens, basta, niets meer. Verlaten door iedereen. Dan denk je: “Nu ja, laat ik dan tenminste terugvluchten naar mijn vrienden, naar mijn leerlingen, naar degenen, voor wie ik toch zoveel ben geweest en zoveel heb betekend.” Maar ze verlaten je. Ze slapen. Ze kunnen niet begrijpen, wat er gebeurt. De volgelingen, die op je vertrouwen, nemen niet aan, dat je kunt falen. En degenen, die het wel aannemen, die hebben zich geborgen, opdat ze vooral niet in contact zullen komen met iemand, die misschien dan toch verkeerde stellingen verkondigd heeft of wonderen heeft gedaan, die geen wonderen waren.

Ja, dan keer je terug en dan bid je maar weer. Want je vrienden zijn heengegaan. Als je nu die geestelijke band maar terug kon vinden, dan was je klaar. Maar die band komt niet. Je staat helemaal alleen. Zo alleen als Jezus was in Gethsemane, toen hij daar tussen die vreemd gevormde, duistere bomen zichzelf verborg in de schaduw om te bidden en te smeken: “God, geef mij de kracht. God, stel mij dan vrij van deze proef. Dit gaat boven mijn vermogen.”

Een ieder, die het pad der inwijding, der bewustwording gaat, een ieder, die de weg naar God zoekt, vindt precies datzelfde. Op het ogenblik, dat je zegt: “Ja, maar waar moet ik nu heen? Ik weet het niet meer. God help me.” En God zegt niets. Op het ogenblik, dat je teruggrijpt naar alle geestelijke wijsheid, die je hebt opgedaan, naar alle stellingen, die je hebt opgebouwd. Het is verpulverd, het is niets. Je staat alleen.

Want we kunnen veel doen in de wereld, heel veel in de sferen, maar een waarheid blijft bestaan: de waarheid, die Jezus aan Johannes leerde, toen deze hem eens vroeg: “Heer, wat is het einde van onze weg?” Toen was Jezus antwoord: “Weten, dat wij “niet” zijn voor de Vader en toch in Hem geborgen.” En hij brengt het nu na heel veel bitterheid en moeite en nood, met tranen, zweet en bloed naar voren: “Heer, dat deze beker mij voorbij ga.” Niets. Stilte. Hoe vaak bidt een mens niet zo: “O, God, alles, maar dit niet.” Niets. Stilte.

Dat is het verschil met de bewuste, die weet, dat hij eerst tot “niet” moet worden voor de kosmische krachten voordat hij eindelijk misschien zijn weg zal kunnen gaan ten einde toe. “Vader, niet mijn wil, maar Uw wil geschiede.”

Och, andere mensen, andere taal, andere tijden, ander idioom. Misschien zeg je het anders: “Nu ja, wat moet, dat moet dan maar.” Maar wanneer je dat zegt in de zin van “Wat Gods wil is, dat moet verwerkelijkt worden,” dan is het in orde, dan ben je klaar. Dan heb je het grootste gedaan, wat je kunt doen op het pad van inwijding. Dan heb je jezelf terzijde gesteld. En vanaf dát ogenblik vind je nieuwe kracht.

Dat blijkt wel uit Jezus, wanneer hij teruggaat. Hij hoort de joelende bende daar beneden aankomen. Het gevaar bedreigt hem van alle kanten. Hij weet, dat hij moet sterven of vluchten. Hij blijft. Dit is zijn weg. Hij heeft zijn kracht terug. Niet meer de kracht van de gezondene. Neen, de kracht van de bewuste, die zichzelf tot offer en offeraar tegelijk kan maken, omdat hij wéét. Geen ogenblik meer zal Jezus zo zwak zijn.

Daar komt Judas. Hij moet hem vergeven. Vergeven, terwijl hij door hem verraden wordt. Ik geloof, dat dat voor een mens de bitterste opgave is. Wanneer iemand je verraadt of je verraden heeft, hem te vergeven, zachtmoedig te verwijten en toch te zegenen. Alleen degene, die zover is gevorderd op het pad, dat hij zichzelf niet meer erkent als bijzonder wezen, maar alleen God ziet als de kracht, die in hem leeft, die kan zover komen.

Maar dan is het nog niet afgelopen. Want zo dadelijk begint de marteling. Het begint al direct, als ze Jezus gebonden hebben. Nietwaar, die mens, die daar nog even zijn gezag, zijn wonderdadige kracht heeft getoond, zijn wonder met het oor van Malchus, met zijn gebaar, waarop ze niet meer durven opzien en neervallen ter aarde. Hij heeft ze nog eens overbluft, zo denken ze. En nu zullen ze hem eens even leren. En ze slepen hem mee en heus niet zachtmoedig.

Natuurlijk, hij had wonderen kunnen doen. Maar dan had hij dat ene verloochend, dat noodzakelijk is! Terugkeer tot het eigen wezen. De weg der inwijding maakt het mogelijk om alle krachten Gods te gebruiken. Maar het moeilijkste, dat je leert op die weg, is om al deze krachten toch jezelf te blijven. Alleen maar jezelf te zijn. Niet die krachten misbruiken voor jezelf of ommentwille van jezelf.

Nu ja, U kent het verhaal. Mishandeling. Van Pilatus naar Herodus. Van Herodus, naar Pilatus. De giftige leden van het Sanhedrin met hun beschuldigingen. De volksmenners en het opgezweepte volk, dat nu ook wel ziet, dat degene, die zij zo even nog als de Messias hadden willen ontvangen, als bevrijder, niet in staat is om stoffelijk zoiets te doen. Neen, doodt hem maar. Jezus kan dat alles dragen, want hij heeft zichzelf immers prijs gegeven aan God. Hij heeft de kracht om te troosten, waar anderen lijden.

Het wordt voor ons op een gegeven ogenblik ook zo. Wanneer wij leren kunnen onszelf te zijn, alleen maar in onszelf te leven en toch één te zijn met God, dan hebben wij een kracht, die niemand kan breken. Iets, wat door niets te vernietigen is. Dacht U soms, dat Jezus de pijn niet had gevreesd? Jezus was net zo bang voor pijn als iedereen. Toch draagt hij die pijn, zonder een woord, zonder een klacht.

Er komt een ogenblik, dat je ondanks al je angsten geestelijk weet: Dit kan niet anders. En dan kun je het stoïcijns dragen, dan kun je het accepteren als een noodlot. Ja, wat meer is, dan kun je in dit noodlot zoeken, of er nog ergens iets te doen is, iets nog te versterken van je streven van vroeger, iets weer te geven, nu niet van uit God maar van uit jezelf.

Wanneer Jezus de wenende vrouwen troost, dan is dat op zin minst genomen een wonderbaarlijk iets. Geen God, Die hier spreekt, maar een mens. En toch zeggen: “Ween niet om mij.” Jezus, die neervalt van uitputting, die lichamelijk aan het einde is van zijn krachten. Zo erg, dat er een Cyrener moet worden genomen om dat kruis nog voor hem te dragen. Hij kan niet eens zijn hele vonnis volbrengen, zo zwak is hij. Maar hij heeft wel de kracht, om met een dankwoord en een zegenwens een ieder tijdens dit lijden nog te troosten en kracht te geven.

Op het ogenblik, dat wij geestelijk rijp zijn, dat wij onszelf kunnen zijn in de goddelijke zin van het woord, dan is de uiterlijkheid zo onbelangrijk geworden in vergelijking met een werkelijkheid, die wij voelen en ervaren, dat wij niet anders meer kunnen. Zo ver kunnen wij komen. Wij kunnen met Jezus gaan tot het kruis. We kunnen precies dat pad volgen. Maar het is de grote vraag, of wij in staat zullen zijn om ook dat kruis te dragen. Of we in staat zullen zijn ons te laten kruisigen, de klachten onderdrukkend. Onderdrukkend alles wat haat kan zijn. Of wij dan in het lijden van een verscheurd leven de geestelijke kracht zullen hebben om van uit ons eigen bewustzijn de juiste troost te vinden voor anderen.

“Zoon, zie Uw moeder. Vrouw, zie Uw zoon.” Wat beter afscheid kan Jezus nemen, stoffelijk, van de vrouw, die hem gebaard heeft, dan door haar een zoon te geven, een zoon, wat zo belangrijk is in de maatschappij, waarin hij leeft. Dat moet je werkelijk even proberen je voor te stellen, hoe iemand daar verteerd wordt door pijn, hoe hij duizend doden sterft, voortdurend door. En dan toch dit kan zeggen.

Of de klacht “Mij dorst,” maar ook het verwerpen van de verdovende wijn, die door de welwillende dameskransjes van Jeruzalem ter beschikking van de veroordeelden wordt gesteld. Dit vraagt Jezus niet. Het is zijn leven, zijn streven, zijn weg. Hij laat daarvan niets wegnemen door verdoving. Hij laat zich zelfs niet ook maar één seconde van zijn lijden ontnemen. Hij is de bewuste. Zichzelf zijnde wil hij komen tot éénheid met de Vader. Dan moet ook alles beleefd worden. Wie van ons heeft daarvoor de moed? En toch is het noodzakelijk.

Jezus zegt het eens tegen Andreas: “Wie de krachten des Vaders zoekt, zal de krachten des Vaders vinden. Maar wie de Vader zoekt, zal zelf in Hem moeten opgaan, dragende zijn leven en lot en toch zijnde in Hem te allen tijde geborgen,”

Ik weet niet, vrienden, of U de betekenis hiervan allemaal kunt volgen. Wij hebben Jezus tot het kruis gevolgd. Tot het kruis. Wij zien hem lijden en wij zien hem sterven. Maar wij zien een geest in het lichaam, ja een kern van licht in de geest, die niet te vernietigen is, die zichzelf gelijk blijft door alle tijd en overal.

Het gaat verder op het pad van inwijding. Het wordt gesymboliseerd. Jezus daalt af, staat er, tot de duisterste sferen. Jezus is zichzelf gelijk. Hij kent God in zich, hij heeft zijn bewustzijn. En dan is het niet nodig, dat hij leiding aanvaardt van anderen. Hij moet zijn weg gaan en tot God komen op zijn manier. Dat is de enige mogelijkheid. Is het een wonder, dat hij gaat door alle duistere sferen en in die sferen wordt tot licht? Hij ziet en ervaart alles, maar hij kan niet lijden in dat duister, omdat hij lijdt om degenen, die in het duister lijden. Daar ligt het grote geheim.

Er kunnen ogenblikken komen, dat je lijdt om anderen. Wanneer dat gebeurt, dan telt je eigen lijden niet. Maar door dit lijden met anderen niet in de daadloze betekenis van rustig mee klagen, maar in de betekenis: met heel je wezen trachten dat lijden te breken en te verbeteren tot iets nieuws daardoor wordt Jezus de Verlosser voor de lagere sferen.

Dan zegt men, dat hij opstijgt ten hemel. Kon hij opstijgen ten hemel, hij, die God in zich droeg en het bewustzijn daarin telkenmale sterker wist en voelde, naarmate hij zichzelf meer verloochende?

Ach ja, dan komt het Paasfeest. Jezus is herrezen, halleluja. Het licht is opgegaan. De Romeinen zijn geslagen met blindheid bij het graf. De tuinman in de ochtendschemering. Een herkenning van een vrouw. Een paar leerlingen. Gebroken brood en herkenning. Iemand, die door gesloten deuren gaat. De lichtende gestalte op Tabor. En dan een einde …voor de wereld. De gestalte Jezus is niet meer.

De gestalte. Maar de geest leeft Voort. De kracht leeft voort. Juist omdat ze het persoonlijke in zichzelf heeft gedood, leeft zij voort met meer intensiteit, dan iets anders leven kan.

Om de parallel tot het laatste toe te trekken: Voor mens en geest er een ogenblik komen, dat het onmogelijk is je te uiten op de wijze, die je wereld kent en aanvaardt. Dat het je onmogelijk wordt om contact te vinden op eenvoudig laag plan. Dan heb je alles gedaan, wat je doen kon. Dan is er geen mogelijkheid meer. Maar op het ogenblik, dat je juist door dit verlaten van die wereld de laatste resten van persoonlijkheid verliest en voor jezelf alleen de goddelijke Kracht nog in je draagt, dan moet je wel vinden de Algeest, God, de Vader, de Macht, Die in alle dingen leeft. Kan er dan nog iets zijn, wat je beperkt?

Wij weten het in onze werelden: Jezus leeft. Wij weten, dat hij een licht is, dat soms vorm aanneemt en komt tot dichtbij de aarde en soms de aarde zelfs aarzelend betreedt. Wij weten ook: Dit is alleen maar de vorm van een gedachte. De kracht, die er in leeft, is één met alle krachten. En dat is voor ons mogelijk.

De inhoud van Jezus leer is de weg. Niet tot de Vader; het is de weg tot onszelf, tot de ware kracht in ons wezen. Het is de weg, die het ons persoonlijk mogelijk maakt op te gaan in God.

Om te besluiten met een stukje uit Jezus eigen leringen; “Wanneer ge tot de tempel gaat en ge stelt U daar trots tegenover Uw God, dan kunt ge Hem misschien beleven en in Uw aanbidding ervaren. Maar altijd is er tussen U en Uw God het gordijn, dat het “Heilige der Heiligen” van het heilige scheidt. Zelfs indien ge zover kunt gaan, dat ge binnentreedt, nog is er tussen U de ruimte, nog is er tussen U de grens. Gij treedt vóór Uw God. Maar ik zeg U: Zo gij al voor Uw God treedt, treedt tot Uw God met Uw gedachten; en weest één met Hem door Hem te beseffen, niet buiten U, maar in U. Zo één zijnde met Zijn kracht, Zijn heerlijkheid, één met Hem in het Koninkrijk, dat Hij bestemd heeft voor allen, die tot Hem komen.”

Dat, vrienden, is dan mijn beschouwing, die U moet zien als een soort voorbereiding voor Pasen. Ik hoop, dat ik U iets duidelijk heb gemaakt, dat vaak vergeten wordt: Dat Pasen niet het feest mag zijn, waarop wij Jezus alleen bewonderen en eren, maar dat het ook het feest moet zijn, waarop wij voor onszelf erkennen, dat moge de weg ook zwaar zijn hij mogelijk is. Dat niets ons kan terughouden altijd verder te gaan, totdat wij hetzelfde doel, dat Jezus bereikte, ook voor onszelf verwerkelijkt hebben en één met hem en de Vader weten datgene, wat wij nu trachten te raden.