Jezus leringen aan Johannes

12 april 1959

Waarover moeten we gaan spreken? Zo vreemd als het voor u klinkt, het is voor ons elke keer weer een klein beetje een probleem. Want er is zo ontzettend veel te vertellen, dat interessant, dat belangrijk is. Maar wat hebben we eraan, wanneer we alle belangrijke en interessante dingen van de wereld weten te vertellen, die buitengewoon juist zijn, en we aan de andere kant het u moeilijk maken om daar voor uzelf conclusies uit te trekken? Een wijsgeer heeft eens een keer gezegd, dat de wijsheid vaak verdrinkt in de veelheid van feiten. En daar had hij misschien wel een beetje gelijk in. U moet me daarom niet kwalijk nemen, dat ik me ondanks alle ontwikkelingen van de laatste tijd beperk tot bepaalde – laat ons zeggen –  christelijke stellingen.

Dan denk ik hier in de eerste plaats wel aan de leringen, die Jezus aan Johannes heeft gegeven en die helaas voor een groot gedeelte teloor zijn gegaan. Jezus zei n.l. eens tot Johannes: “De ware kennis van het Rijk des Vaders is de stem des harten”. Dat klinkt zo op het eerste gehoor oppervlakkig en misschien wel een beetje gewild filosofisch. Maar wanneer we dit ontleden, vinden we in dit geloof niet alleen de basis van Jezus leven en Jezus wijsheid, maar ook van onze eigen behoeften, onze eigen noodzaak tot leven.

Alle dingen zijn uit God geschapen. Ik geloof, dat het de 200e of 300e keer is, dat we dit binnen één jaar zeggen. Het kan n.l. niet genoeg herhaald worden, weet u. Want we denken zo heel vaak, dat we dan toch eigenlijk – nu ja, we zijn natuurlijk wel geschapen – maar dan toch iets bijzonders zijn. Dat zijn we eigenlijk niet. We komen voort uit God. En dat geldt voor de stof en dat geldt voor de geest. In ons – zowel stoffelijk als geestelijk – moet de goddelijke wil geopenbaard zijn. En wat wij de stem des harten noemen – wat misschien de moderne mensen het onderbewustzijn en sommige esoterische filosofen het super-ego gaan noemen – dat is eigenlijk niet heel veel anders dan die stem des harten, waarover Jezus het had. De hele leer van Jezus is gebaseerd op een absolute innerlijk harmonie. Het rijk des vaders is in feite niets anders dan deze harmonie. Johannes kon dat begrijpen. Voor de moderne mens schijnt het nog wel eens moeilijk aanvaardbaar te zijn. Ik wil daarom over deze punten nog iets meer gaan zeggen.

Wanneer we harmonisch zijn met de schepping, dan kennen wij in onszelf die vrede en die vreugde, die dan inderdaad voor ons wel het Koninkrijk Gods is, de onmiddellijke kennis van God, de kracht, die wij uit God krijgen. Op het ogenblik, dat wij tegen die wereld in verzet zijn, gaat dat natuurlijk niet. Het klinkt misschien vreemd, maar op het ogenblik dat je je een kleine zorg maakt, roep je grotere zorgen nabij. Op het ogenblik, dat je een oordeel spreekt, lok je scherper, gevaarlijke veroordelingen uit. En zo kun je verder gaan. Toch ligt deze harmonie niet in een absoluut “nu maar erop los leven.” We kennen n.l. bepaalde normen. En nu spreekt men in de moderne tijd van de morele norm als noodzaak. Jezus drukt dat zo uit; “In ons is een weten omtrent het goede en het kwade. Zo wij het goede doen, is in ons de vreugde. Uit het kwaad echter wordt het zelfverwijt geboren, dat het oog verduistert en het hart somber maakt.”

Wat is die morele norm, waarmee wij zitten te werken? Jezus heeft natuurlijk een leer gegeven met een zekere moraal, een zekere zedelijke achtergrond. Maar dat is niet de achtergrond, die we bv. vinden in de strengere wetten van het jodendom. Het is ook niet de opvatting van zede en zedelijkheid, zoals die door de kerken en de gemeenschap langzaam maar zeker naar voren zijn gebracht. We hebben een zekere morele achtergrond. Dat komt, omdat in ons het bewustzijn leeft van het goede, van het volmaakte misschien. Dit is niet alleen maar een droom. Het is een realisatie van mogelijkheden.

U zoudt het zo kunnen zeggen: Op het ogenblik van het ontstaan wordt in ons een begrip gelegd van de mogelijkheid tot ontwikkeling. Onze mogelijkheid natuurlijk. Het is niet de mogelijkheid voor anderen, daar weten we heel weinig van af. Maar voor onszelf voelen we aan: Ja, dat zou ik willen, dat zou moeten kunnen. En op het ogenblik, dat wij die droom hebben, weten we, dat voor zover het ons eigen deel betreft dit te verwerkelijken is. En wat meer is, wij weten heel goed, dat sommige van onze wensen niet goed zijn. Dus we verwerpen ze op het ogenblik, dat wij ze ons realiseren. Dan kun je met je gedachten er wel een spel mee spelen. Je kunt gaan zeggen, dat het toch wel leuk of wel mooi of wel prettig zou zijn, wanneer dit of dat, zou gebeuren. Maar je weet, dat dat niet in orde is. Je hebt een rem. Andere dingen echter, die….nu ja, dat is een begeerte, die door niets geremd wordt, die je steeds bij blijft en die in je hele leven meestal van betrekkelijk jeugdige leeftijd tot het ogenblik, dat je overgaat, ‘t je bij blijft. Het is een droom, die wordt uitgedrukt in de beelden van je.eigen wereld.

Er zijn mensen, die denken dat wanneer je nu werkelijk geestelijk stijgt, wanneer je die harmonie bereikt, dat je alleen nog maar droomt van werelden, die heel ver liggen buiten deze meestal dan wat verachte stoffelijke werelden. Jezus vindt dat klaarblijkelijk niet, want hij blijft er steeds maar op hameren: Het Koninkrijk Gods is in u. De Vader is met  u. Ik zal met u zijn tot het laatst der tijden, enz.. Hij bedoelt er helemaal niet mee, dat dat ergens anders is. Hij ziet de Vader onmiddellijk, hier, op deze wereld, nu, in deze gestalte.

Als we dat in de gaten houden, moeten we tot de conclusie komen, dat in ons een oordeel bestaat, dat voor ons vaststelt het al of niet aanvaardbaar zijn, het al of niet passen in de harmonie der dingen van elke gebeurtenis, elke gedachtegang, elke daad. Zolang wij onze daden stellen in overeenstemming met wat wij voelen als de wil  Gods, zijn die daden, zijn die gedachten een bevordering van harmonie. De mores, de zeden zijn dus in feite niet iets in tegenstelling tot wat men gaarne denkt wat bepaald wordt door de maatschappij. De maatschappij geeft vorm aan de zeden, zoals die volgens het menselijk bewustzijn goed geheten worden, gewijzigd volgens de begeerten van de sterksten. Maar wij voor onszelf, wij weten wel degelijk wat van die zeden goed en wat niet goed is. Wij weten wat aanvaardbaar en wat niet aanvaardbaar is.

Er zijn heel veel dingen, die we rustig kunnen doen, zonder dat we daartegen ooit in verzet zullen komen. En nu denk ik hier bv. aan het verzachten van vele feiten. We voelen allemaal, dat we eerlijk moeten zijn. Toch is onze eerlijkheid zeker niet geworden tot een wreed wapen, waarbij we zeggen tegen iemand: “Nu ja, jij deugt toch niet, ook al denken we dat. En waarmee we niet tegen een zieke zeggen: “Nu ja, maak jij je nu maar niet druk, want jij gaat er toch aan dood,” dat doet men niet. Je voelt automatisch, dat hier de scherpe uitdrukking niet op haar plaats is en dat hier de waarheid rustig met terughoudendheid benaderd kan worden.

We weten heel goed, dat je op een gegeven ogenblik helemaal niet zondigt, wanneer je wandelt ergens in een bos, al staat er ook duizend keer “Verboden toegang.” Integendeel, dat kan zelfs een zekere extra appreciatie van het bos met zich brengen. Dat zijn dus helemaal geen zondige feiten, ook al handelen we misschien tegen de wet. Maar aan de andere kant weten wij heel goed in onszelf, dat het slecht is, wanneer we ergens komen in de tuin van een ander en er staat bv. een mooie seringenboom in bloei, dat we daarvan takken gaan afbreken zonder meer. Onze begeerte kan te sterk zijn, maar je voelt wel degelijk: Hé, daar deugt iets niet. En toch…..aan de andere kant voel je je weer wel gerechtvaardigd, wanneer het erom gaat bv. een paar bloemen af te breken en mee te nemen als een sier voor jezelf. Klaarblijkelijk is het doel, waarmee je de dingen doet, vaak heel wat belangrijker dan dat, wat je doet en de manier, waarop je het doet.

Jezus zelf doet te Kana het z.g. wijnwonder. Hij schenkt wijn uit lege kruiken. De mensen vullen ze met water en er komt wijn uit te voorschijn. Nu legt men altijd de nadruk op het wonder van de wijn, die er ineens was. Maar men vergeet één ding. Er was een veel groter wonder van uit menselijk standpunt. Jezus, die dan toch volgens de christelijke samenleving het summum is van reinheid, van zuiverheid, van edelheid, verwerpt niet het feestgelag. Hij accepteert het. Wat meer is, hij werkt eraan mede. Hij is dus klaarblijkelijk niet wat je zou noemen een geheelonthouder of een bestrijder van elke uitbundigheid. Ook voor zichzelf drinkt hij de wijn, maar sterk verdund met water.

Natuurlijk is daar ook wel eens over gepraat. En je kunt wel begrijpen, als er een bruiloft is en er is werkelijk geen wijn meer in de kelder, dan moet er heel wat gedronken zijn. Dan zijn die gasten om het nu eens met een Hollands woord te zeggen allemaal al lichtelijk “teut”. En om dan heel rustig daar toch nog wijn bij te schenken….ik kan me voorstellen, dat heel wat christelijke mensen oude dames, enz. enz. verontwaardigd zouden zijn, wanneer iemand hier door een wonder met Gods kracht daar doodgewoon eventjes wijn ging produceren voor een stel mensen, die toch al half dronken zijn. Voor Jezus is dit klaarblijkelijk heel normaal. Want waar gaat het hem om? Gaat het hem om die roes? O, neen. Het gaat hem om de vreugde. Zolang die vreugde oprecht en eerlijk is, vindt hij het helemaal niet erg, als die mensen zich een keer te buiten gaan aan de gaven van de aarde. Per slot van rekening, God heeft de druif toch niet laten groeien alleen maar om de matigheid daarmee te prijzen. Die dingen zijn er en ze hebben hun nut, de mens mag ze genieten. En zolang hij dat alleen maar bij een vreugdige gelegenheid, doet en niet een slaaf wordt van deze dingen, ziet Jezus er helemaal geen bezwaar in. Hij zegt o.a. daar over en wel tegen onze vriend Judas (Judas was nogal op de penning, die vond het waarschijnlijk weer zonde van de wijn; net zo goed als hij het zonde vond van de kruik met reukwerk, die door Maria Magdalena werd gebroken over de voeten van Jezus) dit: Beter is het in oprechte vreugde de gaven der wereld te aanvaarden, dan in nijd en behoedzaamheid ze te verwerpen. Want de begeerten, die de verwerping veroorzaken, zijn vaak verder verwijderd van de Vader en dichter bij het duister gelegen dan de aanvaarding op zichzelf.

In uw eigen leven zult u dat ook wel eens een keer merken. U zult zich heus wel een keer te buiten gaan, de ene keer aan dit, de andere keer aan dat. Dat geeft niet. Dat is helemaal niet erg. Dat is geen absolute rem voor een verdere bewustwording. In zekere zin is het uw goed recht. God heeft de dingen allemaal geschapen en Hij heeft ze heus niet geschapen om u te zeggen; Nu mag je er wel naar kijken maar verder moet je eraf blijven. Er is eigenlijk maar één ding, dat voor de mens vroeger verboden was. Dat was die “boom van kennis van goed en kwaad” ofwel het oordeel. De absolute aanvaarding was vroeger nodig. Sedert de mens door het aanvaarden van het oordeel een nieuwe fase van bewustwording is ingegaan, is zelfs dit niet meer waar. Er bestaat niets – en dat zeg ik nu zeer uitdrukkelijk – niets, wat de mens op de wereld verboden is, tenzij dan, dat hij in zichzelf daarmee geen vrede kan vinden, dat hij in zichzelf hetzij een slaaf ervan wordt of in een zekere tegenzin met een gevoel van verbroken harmonie toch die dingen nagaat. Het criterium van het al of niet aanvaardbaar zijn van waarden is gelegen in uzelf, in uw wijze deze waarden te beleven, in uw gedachtegang.

Toch blijft er voor ons een taak over, die heel wat verdergaat dan alleen maar een daad stellen, alleen maar iets doen. En het typische is, dat juist hier een grote overeenkomst kenbaar wordt tussen de leringen van Jezus en de leringen Van bv. de nieuwe wereldmeester. Dat is nl. dit: Het weten omtrent de volmaaktheid verplicht u de volmaaktheid te bevorderen en te bereiken. Het weten omtrent God verplicht u God te aanvaarden. Het kennen van het weinige, dat ge weet omtrent uzelf en de wereld, verplicht u voortdurend meer te leren.

Het is eigenlijk heel typisch, dat je het zo moet zeggen: Verplicht u. Maar het is zo: En nu zal ik het u hopelijk niet te lastig maken, (misschien hoor ik dadelijk weer; “Nou, wat heeft hij weer vervelend zitten praten”, dat komt wel eens meer voor), maar ik moet dit punt: toch nog eventjes afdoen. Kijk eens, die verplichting vloeit voort uit ons wezen. Niets is geschapen zonder taak, zonder doel, zonder reden. Die taak, dat doel, die reden moeten bevorderd worden met alle middelen, die ons ter beschikking staan. Want wij leven om bewuster te worden, om meer één te worden met de wereld, om verder te komen in het begrip van alle sferen. Er is geen enkele begrenzing. Het is niet zo, dat wij alleen zijn gemaakt om in een hemel op te gaan of alleen om in een diepe hel verworpen en vertrapt te worden in het eeuwig duister. Het is niet zo, dat wij alleen gemaakt zijn om met vroom biddende handen en neergeslagen ogen door de wereld heen te wandelen zonder enig besef van wat er gaande is. We zijn niet alleen geschapen om met een uitbundigheid alle vreugde van alle sferen en van alle werelden, die we maar bereiken kunnen, te genieten. We zijn geschapen om alle dingen gezamenlijk in hun samenhang door te maken. We zijn geschapen om door het kennen van ons wezen en elke factor, die met dat wezen harmonisch kan zijn, voor onszelf de juiste plaats in te nemen in het totaal der schepping. Wij kunnen niet zeggen; “Zo is het en anders niet.” Wij kunnen niet zeggen: “Dit is het einde.” Niemand weet waar het einde ligt, ook wij niet. Wij weten alleen waar het begin is. Het begin ligt steeds weer in het heden met de mogelijkheid, die vandaag bestaat, op dit ogenblik, om geestelijk of stoffelijk iets nieuws te leren kennen: iets te bereiken.

Er is ook wel eens gezegd: “Er zijn zoveel stemmen die roepen, zoveel profeten en zo weinigen spreken de waarheid,” Dat is ook zo’n domme uitlating. Alle profeten spreken een waarheid, als je haar kunt verstaan. Laten we dus goed begrijpen: De stemmen Gods, de stem van de nieuwe wereldmeester, van alle krachten, die op het ogenblik werken op deze wereld, die brengen een waarheid. Maar u moet die waarheid kunnen verstaan. En hoe versta je een waarheid? Door haar te begrijpen niet alleen in verband met wat je zelf mooi vindt of aanvaardbaar vindt, maar te begrijpen in verband met de wereld, die je kent en de verplichting, die je voor jezelf voelt t.o.v., die wereld.

De mensen maken het tot een soort criterium of een meester, een leraar ie wonderen kan doen. Ze zeggen: Nu ja, goed, laat hem dan de zieken genezen, laat hem oorlogen voorkomen, vrede stichten op aarde, laat hem zorgen, dat we allemaal …. een groter ouderdomspensioen krijgen of zo iets. Daar komt het eigenlijk op neer. Ze verwachten, dat een leraar, dat een meester nou alleen er maar is om te bewijzen dat hij meer is dan een ander. Maar daar gaat het niet om. Een leraar, een meester of hij nu Jezus heet of een andere naam heeft is op aarde om een waarheid te doen zien. En die waarheid bestaat. Maar je kunt die waarheid alleen beseffen, wanneer je niet interpreteert volgens je eigen geneigdheid maar volgens je eerlijk erkennen. En dat is een heel zeer punt. Ik kan u alle spreuken van Jezus opdreunen en achter elkaar, door, door, door. En wat heeft u eraan? Niets, tenzij u de zin van deze dingen begrijpt en kunt toepassen op uzelf, zoals het voor u noodzakelijk is.

Zolang u luistert naar een leerstelling, naar een predicatie misschien, een verhandeling met het idee: Nu wil ik toch wel eens eventjes zien waar wij nu gelijk hebben, en dan elke keer tegen anderen zeggen: “En dat zeggen wij nu ook, en dat weet ik allang,” dan komt u niet verder. De boodschap, die een meester brengt, ligt niet alleen in de herhaling van het bekende. Die ligt juist in het feit, dat in dat bekende zoveel onbekende, zoveel verloochende waarden schuilen. De kracht van Jezus was niet, dat hij wonderen deed. De kracht van Jezus was niet, dat hij in predicaties van overigens zeer grote schoonheid het volk wist te bereiken. De kracht van Jezus was het, dat hij oude en bekende waarheden (de stellingen, die hij verkondigd heeft, zijn voor hem allang verkondigd) wist weer te geven op zo’n manier, dat de harten der mensen erdoor beroerd werden en dat ze niet alleen maar de bevestiging van hun eigen denken erin zochten, maar dat ze daarin zochten iets meer, een ruimere en wijdere wereld, een grotere waarheid.

En toch vinden we in het christendom – vooral in de beginperiode – een paar eigenaardige aspecten. Jezus zegt letterlijk: “Ziet, ik ben u het einde van het Oude Verbond, dat mijn Vader sloot met Abraham en Mozes. Ik ben het begin van het Nieuwe Verbond, het Verbond des Vredes.” Dat is dan de volle zin. Meestal krijgt u het verkort weergegeven. En diezelfde christenen debatteren er een ogenblik later over, of het nog noodzakelijk is dat de niet-joodse christenen zich laten besnijden op joodse wijze. Waarom? Omdat men zijn eigen superioriteit niet wilde prijsgeven. Omdat men de waarheid, die toch eigenlijk een goddelijke waarheid was (en is), niet wilde accepteren als zodanig, maar haar wilde interpreteren, totdat zij paste in de eigen maatschappelijke opvatting, de eigen religieuze opvatting.

Laten we dan dit onthouden: Wie een waarheid hoort en haar buigt naar zijn eigen denken en gestalte, heeft de waarheid gedood en haar tot een leugen gemaakt. Maar wie in het vele, dat voor hem onaanvaardbaar is, een waarheid hoort, die hem past omdat zij hem duidelijk maakt, dat dit geldt voor alle tijden, voor iedereen, zonder gebonden te zijn aan leefwijze, aan geloof, aan huidskleur, aan ras of iets dergelijks en deze waarheid in praktijk brengt, die heeft een deel van de goddelijke waarheid verworven en in zichzelf verwerkt. Dat is iets, wat de nieuwe wereldleraar brengt en ook Jezus op zijn manier heeft gebracht.

Ik geloof niet, dat ik u nog lang zal bezighouden met deze dingen. Ik wil alleen nog een paar opmerkingen plaatsen, die even buiten het onderwerp staan. U zult merken, dat we in de laatste tijd proberen om steeds bepaalde praktische punten van overweging te geven. En dat niet alleen, op een zondagmorgen. We doen dat ook op vrijdag in een cursus, overal waar ons de mogelijkheid wordt gegeven. En we proberen die punten zo te houden, dat de meeste mensen – indien zij willen – daarin de waarheid kunnen vinden, die voor hen belangrijk is. We zouden op een morgen als deze met een weer, dat nog een klein beetje belooft van een komende lente ondanks de dreigende buien, eigenlijk ook een raad moeten geven, een heel praktische raad. Die raad berust op de harmonie, waarover ik het heb gehad, op dit juiste aanvaarden van een Waarheid. Het is niet genoeg, dat wij het leven ondergaan of aanvaarden, het is niet voldoende, dat wij berusten. Wij moeten berustende in het onvermijdelijke de vreugde van het leven steeds in onszelf weten terug te vinden. Onze kracht is de kracht Gods op het ogenblik, dat wij in een vreugdige aanvaarding van alle dingen onze weg durven gaan.

En dat is iets, wat Jezus heeft geleerd, wat de nieuwe Wereldmeester leert en wat vele anderen u hebben gezegd door alle tijden heen. Het is het geheim van degene, die de inwijding bereikt. Het is de kracht van degene, die de waarheid kent omtrent zichzelf en de schepping. In de vreugdige aanvaarding vinden wij allemaal “het” Licht. Met alleen “een” licht, want daardoor alleen kunnen we aangepast in de volmaakte harmonie steeds weer elke les, die het leven ons geeft of die ons in het leven wordt toegeworpen, maken tot een deel van een kosmische en goddelijke Waarheid, reëel en hecht, ons dragende tot een steeds verder bewustzijn van God en zo ook van onszelf en ons eigen wezen.

o-o-o-o-o

Ik zou graag deze morgen een paar kleine verhaaltjes willen vertellen, heel eenvoudige, kleine verhaaltjes, waarin u misschien iets kunt vinden van de waarheid, die toch achter alle dingen bestaat.

Het is misschien al betrekkelijk lang geleden, dat voor het eerst een paar mensen, doordringende in een oerwoud, oude ruïnen vonden van de tempel van Hanoeman. Hanoeman, de apenkoning, de apengod, is ook in zijn beelden nu niet direct een fraaie gestalte. En erkennende in het beeld, dat dit een apenvorst was, een apenkoning, verbaasde men zich erover dat de apen in de ruïne rustig speelden en zich van de aanwezigheid van hun God klaarblijkelijk niets aantrokken. Zo gingen zij terug en vertelden dat aan de priester in het dorp. Deze zei: “Ik zal met u gaan, want wanneer wij hier beelden vinden van goden, wie weet is hier oude wijsheid en grote kracht mee verbonden en misschien ook wel een magische band.”

Toen hij daar kwam, stond de priester stil en keek naar de apen. Hij zei: “Die apen zijn heilig. Het kan niet anders, deze apen zijn heilig. Want hoe kunnen zij de beelden van de goden beroeren en spelen met hen zonder geschonden te worden, indien zij niet meer zijn dan eenvoudige apen?” Daarom heeft men een tempel gebouwd. Een tempel met een afzonderlijke hoog ommuurde tuin. En in deze tuin leven nu de heilige apen, die bij de ruïne gevonden werden. Maar het vreemde is niet alleen, dat deze apen apen zijn gebleven in plaats van van goddelijke eigenschappen blijk te geven, het is nog veel erger. De apen zijn onbeschaamd en brutaal, zij grijpen wat hun niet gegeven wordt en gedragen zich, alsof zij de heersers zijn.

Nu werd daarover natuurlijk gesproken. En een paar bewoners, die van de heilige apen nogal wat schade hadden geleden, gingen dus klagen bij een wijsgeer en zeiden: “Heer, deze heilige apen, die nog stammen uit de tempelruïne van Hanoeman; komen ‘s nachts over de muren en nemen de beste vruchten. In de morgen en in de avond komen zij als kudden aanstormen en beroven ons, terwijl wij hun toch rijkelijk offers brengen.” Toen lachte de wijsgeer. Hij zei: “Deze apen zijn als mensen geworden. Want hoe meer hun geofferd wordt, hoe meer zij begeren. De gemakkelijk verkregen gave verwerpen zij, doch dat, wat zij anderen eigenmachtig ontnemen, verkrijgt voor hen grote waarde. Bedenk echter wel, deze apen zijn heilig door de gedachten der mensen. Zo schaad hen niet. Maar maak uw oogst heiliger door de schrikbeelden eraan te verbinden, die zelfs een heilige aap verdrijven kunnen.” En van af dat ogenblik had je dan ook die apenwachters en die apenvallen, die nu eenmaal op sommige akkers staan.

U zult zeggen; “Wat is nu de strekking van dit hele verhaal?” Er zijn mensen, die zich gedragen als heilige apen. Zij komen in de ruïnen van een oude wijsheid en bewegen zich daar onbevreesd. De simpele mensheid zegt: “Dezen moeten meer zijn, ingewijden, heiligen.” Men brengt hen in een tempel, maar ze blijven wat zij zijn! apen, die van de werkelijke wijsheid geen besef hebben. Men verheft hen misschien op een leerstoel; men bouwt hun een tempel, men laat hen prediken en op de mensheid losbreken als een diefachtige bende. En dan zegt men later; “Het is onrecht, dat de priesters zo slecht zijn. Het is onrecht, dat de wijzen ons zo bedriegen.” Maar men vergeet één ding: Men heeft zelf hun die rechten gegeven; men heeft zelf hun die kracht gegeven.

En nu gaat ons verhaal een klein beetje veranderen en variëren. Er waren mensen op de wereld, die sterker leken dan anderen. Ieder boog voor hen en zei: “Gij zijt president, gij zijt vorst. Gij zijt een machtige, gezeten op de troon, bevestigd door de geestelijke kracht van God Zelf.” Deze vorsten nu speelden met elkaar een spel, een soort schaakspel met levende wezens. Ze noemden dat oorlog. Als de oorlog over het land gaat, is hij wreed. Want daar is dood, daar is brand, daar is vernietiging. Toen zeiden de mensen: “Wat is God wreed,” Maar een wijze zou hun zeggen: Hebt gijzelf niet de rechten erkend van degenen, die hun oorlog hebben gevoerd? Zijt gijzelf het niet, die hen, die u misleiden, op hoge plaatsen zet en hen vereert als bronnen van waarheid? Zijt gijzelf het niet? Zo gij uw rechten wilt beveiligen, verklaar ze heiliger dan dezen en beveilig ze met alle listen, die gij kunt bedenken. Men zegt, dat God wreed is. Maar kan er een wrede God bestaan, terwijl de mens, die onvolmaakt is, de wreedheid zo haat en verwerpt, behalve wanneer hij haar uitoefent tegen anderen?

Laat ik u een tweede verhaal vertellen. Er was een koopman, rijk gezegend met vele goederen. Als een Job was hij de heerser van zijn omgeving. Maar op een goede dag verloor hij door brand enkele van zijn magazijnen. Zo ontstonden er leveringsmoeilijkheden en moest hij een schadevergoeding betalen. En die schadevergoeding maakte het hem onmogelijk snel genoeg winst te nemen. Daardoor speculeerde hij, nam een risico, dat hij niet dekken kon en ging failliet. Dat komt zo vaak voor. Nu zei deze koopman, toen hij volkomen verarmd was: “Het is toch eigenlijk onrechtvaardig, dat ik die zo hard werk, ik die mij zoveel moeite getroost, ik die armoede heb gelenigd door gaven, ik die bedroefden heb getroost door hun een huis te verschaffen, ik die zieken heb genezen door ziekenhuizen te bouwen, dat ik dat alles moet ondergaan.”

Zijn verwijt werd gehoord door een yogi. Deze glimlachte en zei: “Heer, indien uw bezit u zo dierbaar en zo lief was, had gijzelf de nachten moeten doorbrengen in de schuren, opdat er geen brand kon komen.” Toen zei de koopman: “Maar dat is dwaasheid. Ik heb daarvoor mijn personeel.” Toen zei de yogi; “Wie een taak aan een ander overdraagt zonder zelf ook alle rechten daarvan over te dragen, weet dat die taak niet goed vervuld wordt. Alle arbeid, die men u geeft, is niet slechts naar het loon, dat gij ervoor betaalt, maar naar de vreugde, die gij anderen daardoor geeft. Zo is het uw eigen schuld. En nog had gij kunnen redden. Maar gij meende, dat rijkdom uw recht was, Daardoor hebt gij gespeculeerd. En wie meent recht te hebben op iets in het leven, kan zeker zijn het te verliezen.”

In deze wereld zijn veel mensen, die op een dergelijke wijze verliezen. Soms is het een genegenheid, die zij op prijs stellen. Soms is het een overtuiging, die hun dierbaar is. Op andere ogenblikken misschien goed, geld, een persoonlijkheid, die hun dierbaar is. En altijd weer zeggen zij; “Maar waaraan heb ik het verdiend, dat ik dit verlies? Waarom maak ik dit door? Waarom gaat het mij juist zo?” En het antwoord is simpel en eenvoudig; Omdat men weigert de directe en volledige verantwoordelijkheid te dragen voor alle dingen. De grootste moed wordt betoond door het erkennen van fouten. Dat vergeet men wel eens. Het grote van een mens is niet gelegen in zijn onfeilbaarheid maar in zijn vermogen de fouten te herstellen, die hij heeft gemaakt. De zegen van de wereld is niet haar volmaaktheid maar de mogelijkheid om uit haar onvolmaaktheid steeds weer iets volmaakter voort te brengen. Als u dit beseft, zult u misschien wanneer in uw leven de zaak eens anders loopt dan u verwacht ook gaan zeggen: “Maar hier is hij mij een falen. Ik heb iets op mij genomen, wat ik niet zo kon volbrengen. Ik heb lichtvaardig een belofte gegeven zonder zekerheid. Ik heb misschien eenvoudig aangenomen, dat iets in orde zou komen, omdat een ander het wel zou doen of dat nu iemand uit de geest is of uit de stof. Ik heb niet persoonlijk mijn verantwoordelijkheid gedragen. Of misschien wat nog eerder en wat meer zal voorkomen dat gij zult zeggen: “Ik heb van het leven te veel gevraagd. Ik heb van dit leven te veel bezeten. Ik heb gierig alle schatten geprobeerd bij mij te bergen en ik kon ze niet eens vasthouden.” Misschien dat gij zult toegeven, dat degene, die te veel eist van het leven, alle dingen verliest, zoals degene, die te weinig eist, altijd onbevredigd blijft. Het is niet de kunst om volgens de taal der mensen en de gedachten der mensen veel te bereiken, maar om voor jezelf te bepalen wat voor jou net voldoende is. De rijkste mens en de rijkste geest zijn zij, die slechts datgene bezitten wat hun een noodzaak is en in deze noodzaak toch de voldoening vinden van een leven zonder tekorten.

Misschien begrijpt gij de zin, de gedachtegang? Maar ik ben nog niet klaar. Want misschien, dat gij deze legenden wat somber en wat treurig hebt gevonden. Nu wil ik u ten laatste een kleine legende vertellen van hoe kan het anders een ezeldrijver en zijn ezels.

Daar was eens een ezeldrijver, die twee ezels had. En hij behandelde hen allesbehalve respectvol. Soms belastte hij de ene veel te zwaar en liet de andere zo maar meelopen. Soms belaadde hij beiden te zwaar en soms joeg hij hen voort met stokslagen, terwijl hij niet eens een bepaald deel had, alleen om in beweging te zijn. Deze ezels (geïncarneerde zielen) vonden dat niet aangenaam. En zo, terwijl hun een ogenblik rust werd gegund in de nacht, zonden zij hun geest uit tot de god der ezels en zij zeiden hem; “Heer, kunnen wij nu niets vinden, waardoor rechtvaardigheid te krijgen is?” De god van de ezels fluisterde hun twee dingen in de oren. Daarop gingen zij bevredigd en langorig terug, graasden de paar distels, die zij konden krijgen, als delicatesse en wachtten op het ogenblik, dat de ezeldrijver hen wederom begon te beladen.

Nu bleek plotseling, dat de ezel, die te zwaar beladen was, die last niet meer dragen wilde. De ezeldrijver werd woedend. Hij greep zijn stok en sloeg erop los. Maar hij sloeg niet alleen de ezel, die weigerde te gaan maar ook de ander. En beide ezels bleven staan, zo stem, zo koppig, zo stijf als een ezel kan zijn. Toen sloeg de lastdrager hen beiden dood. En hij zei tot hen; “Dat hebben jullie ervan, lelijke wezens, omdat jullie mijn wil niet doet. Daar lig je allebei, dood.” Hij nam met moeite de zware last op zich en strompelde weg. Maar beide ezels hadden van de god der ezels goede raad gekregen. En nauwelijks was de ezeldrijver weg of beide ezeltjes schudden zich, alsof zij de slagen van zich wilden afschudden als waterdruppels en ze zeiden tegen elkaar: “Ziedaar, een ware ezel. Hij doodt hen, die zijn lasten dragen en draagt ze zelf. Niet zich beklagend over de dwaasheid, die hij heeft begaan, maar ons beklagend, omdat wij ons van de last hebben bevrijd.”

Nu zou dat alles goed gegaan zijn, wanneer de ezels verstandige ezels waren geweest en in de bergen waren verdwenen. Maar de ezels gingen terug. Zij gingen naar de stad. Zij wilden zien, hoe de ezeldrijver sjouwde. Zij wilden zich verlustigen in het schouwspel van hem, die hun altijd lasten had opgelegd, nu zo beladen, dat hij met knikkende knieën de laatste schreden moeizaam zou maken. En zo kwam de ezeldrijver met twee grauwtjes zonder last, die statig achter hem aan liepen, in de stad en liet zich moede neervallen voor de deur van zijn huis.

Toen zei de buurman; “Maar wat heb je nu gedaan, kerel? Wat is er, dat die twee ezels glimlachend achter je staan en dat jij de last draagt? Heeft de zon je brein verschroeid? Ben je ziek?” De ezeldrijver draaide zich om, greep zijn knuppel en met zijn laatste krachten ging hij achter de ezels aan. Maar die hadden niet zo zwaar gedragen als hij. En zij gingen weg, ze verdwenen.

De moede ezeldrijver beklaagde zich zoals dat gaat bij een wijze rechter, die in het stadje woonde. Hij zei; “Heer, deze ezels waren dood. Ik heb ze doodgeslagen. Ze zijn achter mij aangekomen. Ze hebben gelopen, terwijl ik moeizaam heb gesjouwd. Zij hebben gestaan, met hun ezelsoren geflapperd en gelachen, terwijl ik neerviel op de grond, heer. En nu kan ik hen niet eens meer slaan, Heer, geef bevel, dat ik dienaren krijg van het gerecht om deze ontrouwe ezels te doen veroordelen.” Maar de rechter glimlachte en zei; “Ezeldrijver, wanneer jij je ezels doodslaat, kan ik niets zeggen. Wanneer je ezels uit de dood opstaan, kan ik ook niets zeggen. Het eerste is jouw zaak, het tweede is de zaak der goden. Wanneer jij je ezels niet kunt vangen, is dat ook jouw zaak. Maar wanneer jij mijn tijd in beslag neemt om jouw dwaasheden te herstellen, wanneer je van mij vergt, dat ik de verstoring der orde goedkeur, die jij door het op-hol-jagen van twee ezels in de stad hebt veroorzaakt, dan heb je het mis. Ezeldrijver, kom hier; Beul, doe hem de kang om. Van af dit ogenblik draag je dit schandbord, totdat je beseft, dat slechts dwazen hen doden, die de lasten dragen.”

Nu zult u zeggen: Wat betekent dit verhaal? Heel simpel! Elk wezen heeft twee ezels. Iedereen is een soort ezeldrijver. U heeft twee dingen op de werelds u heeft uw bezit, u heeft uw lichaam. En u kunt die jagen zoveel als u wilt. Soms legt u alle lasten op uw bezit en u vertroetelt uw lichaam. Soms neemt u het lichaam en u jaagt het voort om iets te bereiken …. soms zelfs zonder zin. U mat het af. Dan komt er een ogenblik, dat en uw bezit niet meer het uwe is en uw lichaam u niet meer gehoorzaamt. En dan wordt gij boos, ge zoudt in staat zijn om te doden.

Wanneer nu blijkt, dat dat te lastig is, zeggen slimme mensen: “Wij nemen ons een ideaal.” Zij lezen in de boeken, zij hangen de wetsrollen uit, zij horen naar de stemmen, die spreken uit de verte. Zij zeggen: “Kijk, dit kan mijn last dragen. Hier is God. God zal al mijn zonden vergeven, want Hij heeft Zijn bloed daarvoor gestort. Hij is de ezel, waarop ik mijn schuld afschuif. En daar? Ach, daar heb ik mijn rechten. Heel de wereld beneden mij staand moet mij die rechten waarmaken. Ik heb het gelezen in het boek, ik heb het gelezen in de rol, ik heb het gehoord in de verte.” En wat gebeurt er? De mens jaagt zijn idealen tot de dood, omdat hij van die idealen niet vergt, dat zij een deel van ‘s levens lasten dragen maar ze wil overbelasten, tot alles door hen gedragen wordt. Dan sterven de idealen. Hij begint met zijn God alles op te leggen, zijn God overal voor aansprakelijk te stellen en voor hij het weet, sterft zijn God. Dan draagt hij moeizaam zijn lasten en zegt: “Het leven is niets waard. Bewustwording is niet te vinden, het is onmogelijk.” Maar achter hem staan dezelfde idealen van dezelfde God. Wanneer hij dit bemerkt en hij tracht terug te winnen, wat hij verloren heeft, dan wacht hem alleen de schande.

Onthoud dit, mijne vrienden; Het is goed soms uw God of Zijn kracht in de vorm van de geest een deel van uw last te doen dragen. Het is goed soms te bidden. Het is goed te vertrouwen. Maar overdrijf deze dingen niet, want, anders verliest gij uw vertrouwen, anders verliest gij uw God, anders verliest gij datgene, wat u het leven levenswaard maakt. En wat gij zo verliest, kunt gij nooit en te nimmer terugwinnen. Moeizaam zult gij u nieuwe idealen moeten zoeken, een nieuw begrip van eeuwigheid en van God, wilt gij verder kunnen gaan om te ontkomen aan de schande van een verlatenheid, die door vele sferen kan voortbestaan.

Ik hoop, dat deze kleine, onbeduidende lessen u iets te zeggen hebben gehad. Natuurlijk, mijn woorden zijn onvoldoende, maar ik bid u toch nederig om deze kleine voordracht ook te aanvaarden voor wat ze is.