Jezus verhouding tot het Mozaïsch geloof

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 47

6 januari 1957

Ongetwijfeld heeft U reeds veel gehoord over het leven van Jezus op aarde. Vele mogelijkheden zijn er om zijn leven en werken nader te belichten, om nader in te gaan op zijn wezen. Toch lijkt het mij soms, of de nadruk, die men daardoor op zijn wezen legt, te groot is. Want moge Jezus ook de stem zijn geweest, die het Westen een nieuwe, een betere weg tot het Goddelijke toonde, er zijn zo vele wegen geweest, zo vele krachten, zo vele mogelijkheden. Juist in verband met Jezus zullen wij dan ook deze keer trachten iets toe te lichten omtrent zijn verhouding tot het Mozaïsch geloof en daaruit voortvloeiend zijn positie in andere godsdiensten als bv. de islam.

Er is ongetwijfeld zeer veel te zeggen omtrent Mozes en zijn wet. Ik wil dit op deze ochtend echter slechts kort doen. Mozes, zijn volk leidende uit het land van Egypte, moest regelen stellen, die de veelheid van Joodse groeperingen, vereende onder een krachtig bestuur. Daartoe stelt hij in de eerste plaats regelen omtrent het Goddelijke, die geheel in overeenstemming zijn met de inwijding, die hij heeft ontvangen in Egypte, maar tevens ook met het geloof der kleinere stammen van Israël. Want elk dezer volkeren gelooft in een God, Die de enige is en die de eigen stam had uitverkoren, in overeenstemming met Egypte, dat leert, dat achter het aangezicht van alle goden eenzelfde Kracht schuilgaat.

Zo schrijft hij dan een uitdrukking in drie geboden, die gezamenlijk de houding van de mens tegenover God omschrijven. En hij stelt in de eerste plaats: “Ik ben de Heer, Uwe God; en gij zult geen vreemde goden voor Mijn aangezicht stellen.”

Het is belangrijk, dat wij juist dit artikel van zijn stellingen omtrent God goed beschouwen. “Geen andere goden voor Mijn aangezicht.” Er kan niets zijn dan één werkelijk scheppende Kracht. Op grond hiervan wist Mozes een eenheid te scheppen van volk en geloof. Dit werd bevestigd in de draagbare tabernakel, die hij al zeer snel uit de buit, die men uit Egypte had meegenomen, liet vervaardigen.

Daarnaast echter was het noodzakelijk om een reeks wetten te stellen, die het volk gezond en vooral ook redelijk zouden houden. Daartoe stelde Mozes dan zeven geboden. Zeven geboden, die gezamenlijk een totale zeden en gezondheidsleer inhouden.

Hij heeft deze volgens het geloof ontvangen van God Zelve. Ofschoon wij ongetwijfeld vanuit ons standpunt het direct Goddelijke van deze mededelingen niet kunnen accepteren, zullen wij anderzijds moeten toegeven, dat een zo korte en concrete samenvatting van het standpunt, dat de mens tegenover de Schepper moet innemen en het totaal van zijn zedenleer, geïnspireerd moet zijn vanuit de hoogste geest.

Jezus wordt geboren en leeft onder de Mozaïsche wetten. Let wel, hij leeft niet onder de straffe wetmatigheid, die wetgeleerden daaruit hebben gemaakt. Maar er is geen ogenblik, dat hij de wet van Mozes verloochent. Alleen drukt hij die op zijn eigen wijze uit.

Wanneer men Jezus zegt: “Zo gij Uzelf de zoon Gods noemt, loochent gij de Vader, de Schepper, Die immers gezegd heeft: Gij zult geen vreemde goden voor Mijn aangezicht stellen.” Dan heeft hij ook daarop een antwoord. Een antwoord, dat in de Evangeliën, door de kerken aanvaard, helaas is geschrapt.

Jezus antwoordt dan: “Zo ik de zoon mijns Vaders ben, stel ik mij dan vóór mijn Vader? Zo ik U zeg: Geboren ben ik uit de Allerhoogste, zeg ik U dan: Ziet, ik ben God, aanbid mij? Voorwaar ik zeg U, gij aanbidt Uw wetten en boeken, maar gij beseft niet de werkelijkheid.”

Jezus stelt zich niet tegen de Mozaïsche wetgeving. Integendeel, hij accepteert ze en verwerkt ze mede in zijn eigen geloof, zijn eigen denken, zijn eigen leer. Maar er zijn punten, waaraan de Joden geloven, die voor Jezus onaanvaardbaar zijn.

Eens wordt hem een citaat voorgeworpen: “Want Ik ben de Heer der wrake.” En daarop antwoordt Jezus; “Indien slechts wrake het doel mijns Vaders ware, zoudt gij nog leven op aarde?”

Hij probeert het duidelijk te maken. De wetten van Mozes zijn wetten, die voor de mens nuttig zijn. Zij definiëren zijn plaats in de wereld, zijn plaats ook t.o.v. de eeuwigheid. Maar hij kan er niet in opgaan in de zin, die het Jodendom er zo langzaam maar zeker aan heeft gegeven.

Een Sadduceeër zegt eens spottend tot hem: “Heer, gij wraakt de wetten, die Mozes ons gegeven heeft. Hoe heerlijk moet het zijn om vrij te leven van al die banden.”

Jezus antwoordt: “Wie zich bevrijdt van de banden der mensen, is sterker gebonden met de banden; der liefde. Want liefde is de kracht mijns Vaders en Zijn wet.”

Zo toont Jezus honderd keren aan, dat hij de Mozaïsche wetgeving ziet als een kracht, die ongetwijfeld groot en sterk is. Dat hij de Mozaïsche wet ziet als iets, waaraan men niet kan ontkomen, indien men redelijk en bewust wil leven. Maar gelijktijdig zegt hij ook: De wijze, waarop gij die wet interpreteert, is onjuist. De weg tot God is een weg der liefde.

Later zal men Jezus’ figuur veranderen. Wanneer in het derde jaar der Hedsjira Mohammed in een bergvesting buiten Mekka zich verdedigt tegen de aanvallen van Mekka’s inwoners, dan zal hij in een roes, in een verrukking, uitroepen: “En eert ook Jezus, die als Mozes een groot profeet en de wet van de Allerhoogste is.”

Men heeft later Jezus willen onderbrengen – vooral in de islam – in een positie van profeet zonder meer. Dat Mohammed dit niet doet, blijkt verschillende keren uit zijn openbaringen. Indien hij in de eerste plaats al in de 2e Sura, de Sura van de Koe, Jezus noemt als zijnde gelijk aan Mozes, zo zal hij later verschillende malen o.a. in de Sura van de overmoedigen zeggen, dat zijn wet een wet is, die aanvaardbaar is, ja meer, een wet, die gerespecteerd moet worden.

Dit is niet zonder enige reden. Waar ter wereld wij ook gaan en hoe wij ook zoeken, wij kunnen nooit een wetgeving vinden, die zuiverder en scherper de relatie mens – God omschrijft dan bij Jezus. Jezus wet, Jezus’ leven. Ik breng dit naar voren, omdat er nu eenmaal een band bestaat tussen verschillende grote geloven. Er zijn drie geloven op de wereld, dus drie leren, die de figuur Jezus erkennen. De eerste is de Joodse leer. Zij ziet Jezus als een groot Jood, maar gelijktijdig als een overmoedig prefect, die door dwazen tot God is gemaakt. Dan kennen we de Christenheid, die Jezus ziet als leraar, soms dit overdrijvende en hem noemende: God Zelf op aarde. Daarnaast zien we de leer der moslim, die Jezus maken tot een profeet, die dank zij enig bedrog hoofdzakelijk door zijn leerlingen gepleegd om zijnentwille in een valse positie is komen te verkeren.

Het zijn juist deze drie verschillende richtingen van denken, die bij een beschouwing van Jezus leven en werken mede van invloed zijn. Want wij moeten alle drie de stellingen ontzenuwen. Wij moeten alle drie deze beschouwingswijzen wraken, om te kunnen komen tot een zuiver beeld van deze mens, die de waarden van het hoogste Licht in zich wist te dragen en te uiten op deze wereld.

Ik heb hiermede een inleiding gegeven voor deze ochtend. Ik heb nog twee sprekers voor U, die beiden zullen trachten hun ervaringen omtrent Jezus’ leven en werken ervaring vooral omtrent zijn belangrijkheid weer te geven. Twee sprekers deze maal, waarvan er een Jezus in de stof heeft gekend, de ander Jezus ontwikkeling vanuit de geest reeds meemaakte.

Wij hopen in staat te zijn het contact zuiver en scherp genoeg te leggen, zodat deze beiden in staat zullen zijn hun werkelijke meningen en bedoelingen uit te spreken. Voor hem, die reeds bij Jezus’ leven in de sferen verkeerde, is een onmiddellijk contact niet mogelijk. Het kan zelfs noodzakelijk zijn het contact te verbreken, indien te sterke storingen hetzij in sfeer of anderszins zouden optreden.

Ik geef dus nu allereerst het woord over aan een, die Jezus heeft gekend en die op zijn wijze ongetwijfeld voor U zijn belangrijkheid zal uitdrukken in het verband, dat ik getracht heb voor U te scheppen.

o-o-o-o-o

Geleefd te hebben in Jezus tijden brengt soms in verschillende werelden een zeker gezag met zich, omdat men aanneemt, dat op deze wijze een zuiverder en sterker inzicht kan worden verkregen, dan voor anderen mogelijk is. Laat mij beginnen met U te zeggen, dat dit niet waar is. Want Jezus betekenis erkennen is eerder de geestelijke kracht aanvoelen, die in hem en door hem heeft gewerkt, dan zijn leven en leer op de voet te volgen.

Jezus heeft in vele opzichten een kleine revolutie geschapen in de wereld, waar hij zich bewoog. Ik herinner mij, hoe hij eens uit een bedehuis werd verwijderd, omdat hij commentariërend op de wetsrol zegde: “Want ziet, Mozes geleid door de goddelijke Kracht stelde een wet, die niet geboren werd uit Gods behoefte om de mens te regeren, maar uit een behoefte van de mensen om regelen boven zich te kennen, die zij aan God kunnen toeschrijven.”

Het is begrijpelijk, dat de wetgeleerden, de leraren, hierdoor zeer gegriefd waren. Zij hielden Jezus dan ook voor, dat indien deze wet niet onmiddellijk uit God was, indien Mozes niet zelve de tafelen uit de hand van de Schepper ontvangen had de hele wet en al, wat ermee samenhing, geen zin zou hebben.

Jezus was laten we zeggen een zeer aangenaam mens, om mee te debatteren. Hij lachte wat en zegde: “Indien gij aanneemt, dat de Allerhoogste Zelve tot steenhouwer wordt ommentwille van de zonden van een volk en de dwaasheid van hen, die dansen om het gele kalf, wat moet Hij dan wel niet geweest zijn te allen tijde? Indien een God Zich deze moeite geeft, Hij zal afdalen en U de onjuistheden van Uw leer en gedrag moeten verwijten.”

Daar hadden ze niet van terug, want dat was niet meer een aanval alleen op hun interpretatie van Mozes wet en dat was belangrijk maar het was nog veel meer een aanval op hun eigen integriteit. En dat konden ze nu niet verwerken. Vandaar dat door het hele Jodendom steeds wordt verteld, dat Jezus de wet van Mozes ontkent.

Maar zoals ik zeg mag ik misschien een dwaas geweest zijn in mijn aanvaarding van zijn wezen en leer, mijn ogen hebben het gezien, mijn oren hebben het gehoord, ik ben er bij geweest. En ik weet, dat Jezus tot ons verzameld onder Capernaum over Mozes wetten het volgende zei: “Zo gij Uw God lief hebt, kunt gij een tweede God met gelijke kracht beminnen? Gij kunt niet twee heren dienen, noch twee wetten gelijkelijk goed vervullen. Daarom is er één allerhoogste Kracht en één wet. En elk beeld, dat voor Hem wordt gesteld, is een leugen. Niet omdat het onjuist zou zijn, maar omdat het ons wezen wegtrekt van Zijn grote eenheid en kracht. En de wet, die Hij U geeft? Indien gij leeft in Zijn wet van liefde, hoe zult gij doden, onkuis zijn? Hoe zult gij Uw ouders niet eren of zoeken naar het bezit van anderen? De wet, U gegeven, die sommigen Uwer menen te kunnen verlaten om mijn leer, is de wet, die uit de liefde geboren is, voor wie het wezen des Vaders begrijpt.”

Ik was het daarmee toen niet helemaal eens. Ik heb tegen mijzelf gezegd: “Wanneer je je houdt aan Mozes wet, dan moet je naar de tempel gaan, dan moet je offeren, dan ben je gedwongen om je tempelpenning te betalen. En deze zou ons daarvan juist bevrijden.” Vandaar dat ik een tijdlang Jezus schreden niet verder gevolgd heb. Maar ik heb hem weer ontmoet aan de grenzen van Samaria, toen hij sprak tot de Samaritanen. En daar heb ik mijn dwaasheid misschien althans gedeeltelijk erkend.

Hij zegde n.l. tot hen, die verzameld waren: “Ik zeg U, er is slechts één God.” En onmiddellijk daarop volgde: “En gij, die zegt dit te weten en te kennen vraagt: Waar zal men die God aanbidden?” Want dat was het grote probleem. Een Samaritaan was in mijn dagen een slecht mens. Niet omdat hij misschien zondig was, maar omdat hij zijn penning aan de tempel niet betaalde en God eerde op de toppen der bergen.

Jezus gaf dit antwoord: “Staat er in de Wet (en daar bedoelde hij Mozes wet mee) waar gij God zult eren? Er staat slechts, dat gij Hem zult kennen, lief hebben en aanbidden.”

Onmiddellijk kwam er weer een vraag bovenop en die luidde; “Maar de wetten, die ons gesteld worden door de priesters, zijn zij dan niet de wil Gods, zoals geleerd wordt?”

En Jezus; “Hoe kan een mens de wil Gods doorgronden? Maar ik zeg U uit Zijn kracht: Alle wet door mensen gelegd, kan gebroken worden. En niemand zal het U wijten. Doch wie tracht de ware wetten Gods te breken, breekt zichzelf.” Men vroeg hem: “Wat zijn de ware wetten Gods?” En hij antwoordde: “Hebt gij dan vergeten, wat Mozes zegde tot het volk, wat gegrift staat op de tafelen en gezegeld ligt in de Arke des Verbonds?”

Zij zeiden tot hem; “Neen. Maar zeg ons, hoe komt het, dat gij spreekt in de naam van God en vrijelijk spreekt over Mozes, over Abraham, terwijl gij jong zijt en geen priesterlijke wijding. hebt ontvangen?”

En nu volgt het laatste antwoord, dat belangrijk is. Hij zegde tot hen; “Uit de liefde tot God, die ik in mij draag, wordt mijn recht tot spreken geboren. En mijn kennen van wat Zijn liefde betekent, indien ik op aarde volgens deze liefde wil leven, stelt mij naast Mozes, waar ik de wetten erken, die ook hij het volk heeft gegeven. En daarnaast sta ik ook met Abraham. Want zo hij door Gods wil zich heeft vermenigvuldigd tot het volk, dat hier leeft, zal niet Zijn wil in mij gelijkelijk werken en mijn gedachten doen uitgaan, tot zij de wereld vervullen? Zo zeg ik U: Eén ben ik met Abraham en één met Mozes, geweest zijnde voor hen en zijnde in en met hen, in en door de Vader, Die in mij werkt, tot alle tijden vervuld zijn.”

Dat is voor mij de oplossing geweest van het probleem. Jezus heeft ons Mozes wet gegeven op een nieuwe basis: Uit de eenheid, die wij moeten voelen met het Goddelijke – zo heb ik het begrepen – vloeien alle wetten voort, die door Mozes werden gegeven. En de wet, die wij in ons dragen, is de realisatie van het Goddelijke en de goddelijke Kracht.

Op deze wijze heb ik geleerd en gezocht en gestreefd door vele sferen. Op deze wijze ben ik voor mijzelf gekomen tot een nieuwe aanvaarding. Een aanvaarden van de liefde Gods als werkelijke kracht.

En wanneer er veel tijd ligt voor ons menselijk denken tussen de dagen, dat ik hem hoorde, de dagen, dat ik zijn leer begreep en bevatte in mijzelf, zo zeg ik U toch; “Voor mij is Jezus het licht geweest, dat de ban van mijn te persoonlijk denken heeft gebroken en mij iets heeft doen begrijpen van de eeuwige krachten, zodat ik nu een doel heb om naar te streven.”

Ik hoop, dat gij in die zin zijn leer en zijn wezen zult leren begrijpen in deze christelijke wereld. Dat gij zult leren begrijpen dat het niet gaat om Mozes of Jezus. Dat het gaat om de innerlijke kracht, waarmee wij ons realiseren, dat de goddelijke liefde voor ons de verplichting meebrengt tot het uitdragen dier liefde in alle wereld en alle sfeer.

Nu ga ik daarmee mijn betoog besluiten. Ik geef het woord over aan een volgende spreker, waarmee naar ik meen op het ogenblik een contact zij het nog niet stabiel is bereikt.

o-o-o-o-o

Ik spreek hier door dit medium de woorden van Desostres, die vanuit zijn wereld en sfeer Jezus’ toestand heeft bezien en diens leer heeft gevolgd. Voor onvolmaaktheden, die zullen optreden, vraag ik U natuurlijk van te voren excuus.

Over Jezus’ leer is veel gesproken en gezegd en alles berust op het beeld, dat men daarvan krijgt vanuit een stoffelijk standpunt. Ik, Desostres, stervende door een gifbeker, heb vanuit een wereld, die buiten de menselijke ligt, Jezus gehele leven meegemaakt en gevolgd.

Licht en lichtende kracht waren het eerste teken van zijn geboorte. In mijn sfeer, die toch reeds toen iets kende van het goddelijk Licht, was Jezus neerdaling op aarde te zien als een licht, dat tijdelijk verhuld werd. Zijn leerstellingen en werken waren voor mij een voortdurend spel van wonderlijke beelden, die uitgedrukt in het levend vuur een kracht betekenden, waaraan mijn ziel zich laafde.

Jezus, de Nazarener, heeft lang op aarde gezocht naar een richting, waarin hij het Goddelijke kon vinden. Mijn geest, die vaak met hem was op zijn wegen, heeft hem zien worstelen met het geloof van anderen, zien zoeken naar de achtergronden van de filosofie, zien doordringen achter de zegelen van het magisch geheim.

Maar voor mij werd zijn grootste kracht kenbaar in de verloochening van zijn wezen.

Dit nu gebeurde in de eenzaamheid van de woestijn, zich terugtrekkende, zoals vele heremieten gewend waren dat te doen. In de onzekerheid van zijn eigen bestaan, besloot hij veertig dagen en nachten geen voedsel tot zich te nemen. Dit voedsel had voor mij geen betekenis, maar ik zag, hoe zwak de banden werden, die lichaam en geest tezamen hielden. En ik kon iets mee beleven van de vreemde schijnbeelden, die hij zo opwekte in zichzelf. Toen zag ik, dat deze mens alle mogelijkheden der aarde ziende en begrijpende, hoe hij met zijn bijzondere begaafdheid deze voor zichzelf kon verwerven en beheersen verder zocht en voor het eerst ontmoette in vol bewustzijn het begrip van eeuwige liefde. In mensenwoorden omzetten, wat hij dacht, is zeer moeilijk. Het best gestileerd lijkt het mij, indien ik zeg: “Hij zegde tot zichzelf: Al dit geschapene leeft en de Kracht, waaruit het leeft, draagt alle verloochening van Zijn wezen. Laat dan ook ik deze verloochening dragen en niet zijn mijzelf, maar uitdrukking van de wereld, de schepping en de Kracht, Die haar in stand houdt.”

Dit gevoelsbeleven is het begin geweest van Jezus werkelijk werken op aarde. Hij nam het oude geloof van zijn volk met alle wetten en waarden, met alle krachten. En hij hernieuwde het door het te beproeven in het vuur, dat in hem brandde. Wat in Mozes’ tijd een gesel was geweest, werd door zijn wezen een streling. Wat dreiging en angst geweest was, werd bevrijding en licht. O, wonder van een mensengeest, die in staat is het Licht te bevatten, waarvoor zelfs wij soms nog terugdeinzen. Zonder van een mensengeest, die versmeltend met dit Licht de eenheid van alle wereld en tijd wist te bereiken. Voor hem zijn er geen geweest, die nog bewaard zijn in de herinnering der mensen, die dit vuur kenden. Na hem zijn er geen geweest, die zo in zich droegen deze goddelijke kracht van liefde.

Ik heb Jezus zien sterven. Het licht van zijn bewustzijn schemerde en daalde. Maar hoe meer hij verloren scheen te gaan voor zijn eigen wereld, hoe sterker in hem oplaaide het vuur, waarmee hij zichzelf verenigd had, tot er niets meer was dan licht en vuur en hij voor mensen gestorven als licht was in alle wereld. Er is geen groter en schoner licht dan het goddelijk Licht, voor ons aanvaardbaar gemaakt door een geest, die ons begrijpt; een mens, die de mensheid kent en die niet Gods wet of de wet der mensen verloochent, maar haar loutert in het goddelijk vuur van zijn bewustzijn.

Vrienden, mijn verbinding is verbroken. Het spijt mij, dat ik deze op het ogenblik niet weer onmiddellijk kan opnemen. Ik moet U verzoeken met deze woorden genoegen te nemen. Ik laat het woord over aan een van Uw normale sprekers om voor U de bijeenkomst te besluiten.

LICHT

Het wezen van licht is ons onbekend. Het reikt uit van horizon tot horizon op aarde, het dringt door in de diepste krochten en het overspant de oneindigheid van het heelal.

Wanneer wij licht ontmoeten, kunnen we zien. Dan kunnen we ons bewust worden van onze omgeving. Waar geen licht is, zijn we verloren in een zwartheid, die ons elk erkennen en weten onmogelijk maakt.

Daarom is de uitdrukking “Licht” de enige, die wij kunnen gebruiken om ook de goddelijke Kracht weer te geven. Want het is de goddelijke Kracht, die door haar aanwezigheid voor ons alle dingen kenbaar en beleefbaar maakt. En zonder dit Licht zouden wij zijn in een duisternis, die ons elk kennen en beleven onmogelijk zou maken. Het is daarom, dat ik zeg;

“O, goddelijk Licht, uit onbekende kracht geboren, gij zijt nu in mijn leven. En het gloren van Uw kracht verdrijft de duisternis en nacht van onbegrip, waarin ik dood haast was gebleven.

Gij Licht, gij hebt tot leven mij gewekt en doet mij door alle sferen gaan, begrijpend alle norm en vorm, ja, alle werkelijk bestaan, uit God geboren.

O, Licht, gij zijt de eeuwige band, die alles vereent en het onscheidbaar maakt. Gij zijt de kracht, die zo ons weten slaapt met, in, door en voor ons waakt te allen tijde.

Gij, Licht, gij zijt ons weten en ons leven, ons doel, en oorzaak van ons streven. Gij zijt de ene werkelijkheid, waarin wij kunnen leven.

Licht, wees met ons en geef ons kracht om het ware leven te verstaan; opdat wij in U eenmaal zacht, licht met Licht, tot de Bron van alle licht en kracht, de Schepper mogen gaan.