Kabbalistische levensleer

9 december 1957

In de eerste plaats zult u zich moeten realiseren dat kabbalistiek niet alleen maar een cijferkunst is of zelfs een naam voor een bepaalde wetenschap. De kabbala is oorspronkelijk een besloten wetenschappelijke groep geweest en werd dus gebruikt als een verzamel‑reservoir waarin de ervaringen en de conclusies van vele geleerden en priesters werden neergelegd. Ze is zelfs niet ‑ wat je kunt noemen ‑ zuiver joods. Ze stamt eigenlijk uit de oude Indische tijd.

Voordat Abraham vertrok naar het land, dat hem beloofd was, bestond er al een wetenschap, die kabbala genoemd zou kunnen worden. Het joodse volk tezamen met verschillende andere trekkende volkeren heeft een deel van die overlevering bewaard, Maar het is pas werkelijk tot leven gekomen tijdens de Egyptische gevangenschap. In de tijd dat Jozef in Egypte was, leerde deze reeds een aanvulling te verkrijgen van zijn eigen wetenschap omtrent droomuitleg en omtrent voorspelling van de priesters, die daar aanwezig waren. Het joodse volk heeft daar ongetwijfeld van geprofiteerd. En zo is er een wetenschap ontstaan, die in wezen meer oosters was dan zuiver joods.

Toch mag gezegd worden, dat de kinderen Israëls de bewaarders van deze schat zijn geweest tot rond de tijd van Jezus’ komst op aarde. Daarna ‑ 70 jaar daarna ongeveer ‑ om precies te zijn na de vernietiging van Jeruzalem, is in de verdeeldheid van dit volk de leer verspreid over praktisch de gehele toenmalig bekende wereld. Ze werd tot een grondwetenschap, die o.a. grote invloed had aan de vorstenhoven van mohammedaanse vorsten.

Wanneer zij Europa bereikt heeft, is dat gebeurd langs twee wegen, waarbij enerzijds de Hamburgse School zeer veel tot deze wetenschap en haar verbreiding heeft bijgedragen, anderzijds de Russische School, waarin ook Rabbi Nachman een buitengewone figuur is geweest. En dan natuurlijk ook niet te vergeten de Moors‑Spaanse School, die op de duur in een andere vorm werd voortgezet als Parijse School. Wat daar geleerd werd, was dus in de eerste plaats een soort wetenschap. Wij kunnen dan ook de kabbalistische leringen, zoals ze thans nog bekend zijn in verschillende hoofden uiteen doen vallen.

In de eerste plaats kennen we de zgn. kabbalistische chemie, ook wel alchemie genoemd, ofschoon niet altijd daarmee volledig identiek. Dan kennen we verder de zgn. perfecte of kabbalistische architectuur. Hierbij zijn bepaalde Egyptische en Griekse bouwkundige wetten verenigd met de symboliek die de Joden kenden; later vooral in Frankrijk uitgebreid met begrippen van de daar levende vaak niet‑joodse kabbalisten,

Dan kennen we verder de zgn. Mystieke of Occulte School, waarbij aan de hand van het kabbalistisch denken bepaalde, zeg maar, bovennatuurlijke gaven ontwikkeld werden. Daarbij kunnen wij o.a. noemen: het zoeken naar het leven. (De Golem bv. Dat is niet zomaar alleen een verhaal, maar het heeft ook een kabbalistische betekenis, Degenen, die de letterwaarden kennen, kunnen dat berekenen aan de hand van het woord “Golem”. Verder de zgn. wonderverhalen van vele grotere Rabbi’s en ingewijden. In Rusland vinden we dan ook hoofdzakelijk de mystiek. En deze mystiek baseert zich op een innerlijk weten. Daarbij treden praktijken op, die te vergelijken zijn met wat u tegenwoordig spiritisme noemt, maar ook met krachten, die men magie noemt.

Dan moet ik verder er nog even op wijzen, dat vooral de Spaanse School ‑ en later dus ook de Parijse School ‑ zich sterk bezighoudt met het leven van de geest tijdens een stoffelijk bestaan en na de dood. Ook hieruit komt een hele filosofie naar voren.

U zult zich afvragen: Wat is de band, die al deze wetenschappen, al deze wijzen van streven heeft samengebonden? Daarop mag ik niet zonder enige ‑ naar ik meen ‑ gerechtvaardigde trots antwoorden: Dat is het joodse volk geweest. Want het joodse volk heeft ‑ juist door de starheid, die nu eenmaal veelal eigen is aan dit ras, wanneer het intrinsieke levenszaken en belangen betreft ‑ steeds weer zijn eigen leer gezien als een interpretatie van de kabbalistiek en zo omgekeerd ook aan de kabbala vele waarden gegeven.

Nu is er natuurlijk een levensleer, want je kunt niet alleen een wetenschap beoefenen. Je moet haar beleven, je moet ermee experimenteren. En al zijn die experimenten soms van explosieve geaardheid, zoals die van Berthold Schwartz ‑ die goede man kon het niet helpen; hij was de eerste op de wereld, die gevlogen heeft per raket, nietwaar ‑ men heeft toch over het algemeen getracht om in de eerste plaats de innerlijke kracht en het denken aan te passen aan de realiteit van het bestaan, zoals deze in kabbalistische zin kenbaar wordt.

Met deze kleine inleiding geloof ik dan voldoende gezegd te hebben over juist dit onderwerp. Nu gaan we ons dus afvragen: Wat is de inhoud? En dan zien we als eerste teken, dat overal in de kabbala weer voorkomt, de gedachte van de levensboom.

De levensboom komt ‑ zoals u ongetwijfeld weet ‑ oorspronkelijk uit Indië, waar u hem in heel veel dessins nog kunt terugvinden. Bijvoorbeeld in het pauwen‑teken. Het scherm dat gebruikt wordt om aan te duiden, dat een wajang‑voorstelling niet begonnen is, draagt heel vaak naast een pauw of twee pauwen een symbolische boom, een levensboom in zich. Die levensboom zegt, dat het leven zelf een verschijnsel is, geboren uit de vereniging van twee krachten. Dus een dualistische leer, die toch op een monotheïsme, een één godendom gebaseerd is. Want er is één God, maar er zijn twee krachten. De ene kracht is de wereld, waaruit het verschijnsel zich voedt. De andere kracht is de hemel, waarheen het verschijnsel opgroeit en van waaruit het zijn kracht tot groeien ontvangt.

Deze boom kent vele vertakkingen en vele mogelijkheden. En dan vraag je je wel eens af: Waarom in het begin één stam en later een verbrokkeling, een afbreken, een afbuigen a.h.w. van de rechte weg met heel veel takken, die elk op zichzelf ondanks die buiging toch nog weer omhoog streeft en een gelijk hoog vlak als de middenweg bereikt. De kabbalist gelooft aan de opbloei van de innerlijke waarden, en daarmee gelooft hij ook aan de noodzaak om het innerlijk te beschaven. Nu is er een rechte weg. De rechte weg draagt in zich het weten ‑ dus de kennis, de wetenschap ‑ en het geloof, tezamen gebracht met de daadkracht. Dit is een rechte stuwing naar boven toe. Alle leven, dat deze weg volgt, bereikt langs de kortste weg de hemel, de oneindigheid

Maar je kunt soms ook alleen geloof hebben en geen weten: Dan ga je de weg ter rechterzijde. Of alleen weten en geen geloof; dan ga je ter linkerzijde. Er zijn vele varianten mogelijk en elk dezer is een aparte tak. Maar elke tak staat tevens in verband met een aparte hemelse kracht. Want wij geloven dan ‑ kabbalistisch ‑ in een hemel met wat men aartsengelen zou kunnen noemen. Daarbij heeft elke ontwikkelingssoort van uit het menselijke een aparte beschermheer.

De kabbalist gaat verder dan de gewone gelovige, waar hij aanneemt dat het demonische, het duivelse, eveneens een weg is en dat dus de geest des duisters, de beschermer is van een bepaalde ontwikkelings- en levensgang. Maar deze vertakking is pas mogelijk, wanneer een bewustzijn is bereikt omtrent het Goddelijke. Daarom is de eerste stam de ontwikkeling van materie en geest tot een zelf oordelen en beoordelen ‑ recht. Daar is geen afwijking mogelijk. Dit wordt geleid door andere krachten der natuur.

Indien men zo in staat is het leven te zien, is het ook duidelijk dat alles met elkaar in verband staat. Want wordt niet alles en elke tak uit dezelfde bron gevoed? Is het niet dezelfde hemel, die zich over hen koepelt? Wat kun je dan nog zeggen dan: “Alle dingen zijn verbonden. En de werking van alle dingen op elkaar is door deze voeding een vaststaand feit.”

Het is niet voor niets, dat de mozaïsche wet zegt: “Want ziet, ik ben de Heer, Uwe God en gij zult geen vreemde beelden voor Mijn aangezicht stellen.” Wij vinden dat nog terug bij de Mohammedanen en ook bij sommige anderen. Een beeld is een natuurlijke vorm. De totale kracht is niet uit te beelden door haar een bepaalde vorm te geven, maar elke vorm op zichzelf betekent ook een verband met andere krachten.

Het is een geloof aan magie, dat u kinderlijk voorkomt, maar wanneer ik een foto neem van iemand, dan heb ik een omschrijving van zijn wezen. En die omschrijving van zijn wezen is een essentieel deel van zijn uitdrukking in de grote gang des levens. Daardoor heb ik dus vat op hem. Ik kan de wetten gebruiken om die persoon te benaderen. Ik kan hem dwingen naar mijn weg. En dat betekent voor hem een stilstand op zijn eigen weg; ja, misschien zelfs een verstoring van zijn banden met de voedende kracht, de levenskracht. Aan de andere kant, als ik een beeld maak van God, een beeld van de Grote, de Onzienbare en ik maak het waar en werkelijk, dan zou ik meer zijn dan God en dat kan niet. Maak ik echter een beeld dat God niet weergeeft, dan zal het misschien de weergave zijn van een andere kracht. Een kracht, die niet de weg van de Heer weergeeft.

Er zijn natuurlijk veel punten die een zekere overweging vragen. Zo zult u in de Bijbel, die toch ook met de kabbala in verband staat, bemerken, dat eerst over God wordt gesproken als Elohim, later echter als Jahwe. Ook dat heeft zin. Want Elohim is Heer der Schepping, maar niet God. Heerser van een deel, rassengeest, volksgeest. Wij kennen dan ook in de kabbalistiek een reeks van Elohim, van Heren. En wanneer wij een beeld van één dezer Heren zouden gebruiken, dan zou daarmee door ons onvolkomen begrip een verwarring kunnen ontstaan, die de vooruitgang van het gebied van een andere Elohim, van een andere scheppende Heer schaadt. Zo gelooft de kabbalist dus in de heiligheid van het beeld, maar ook in de heiligheid van de naam. Want er zijn maar een bepaalde reeks van klanken, die de mens kan uitstoten. Er is dus maar een bepaald totaal, dat zijn wezen omschrijft.

In een andere richting vinden we dat terug in de klank Aum. Maar de kabbalist (die dat woord meestal niet gebruikt) zegt: “Elke klank is een weergave van een deel van de scheppende werking in mijn wezen. Dus is het gebruik van elke klank het herscheppen van het geschapene. Wanneer ik een naam ken, dan heb ik daarmee a.h.w. in mij zelf de kracht gewekt van het wezen dat die naam heeft.”

Dat maakt het moeilijk. Vandaar dat velen van de kabbalisten een uitzondering maken voor de naam. Ze nemen die niet op in hun geschriften, maar omschrijven ze of gebruiken symbolische namen, waarachter het ware begrip verborgen ligt. Die kunnen soms een grote overeenstemming hebben in betekenis, maar niet een gelijkheid in klank, omdat de ware naam van een grote kracht niet wordt uitgesproken. Eerst door de klank krijgt hij volle betekenis. Went zo is het mogelijk om met deze naam in jezelf die kracht te wekken,

Wanneer ik in mij een kracht wek en ik bevind mij in de gang des levens, in de levensboom dus, geboren uit de Rode Adam, gaande tot het licht, het lichtende, dan kan ik voor mijzelf dus constateren, dat de betekenis van woorden een groot belang heeft. Dat beelden voor mij belangrijk, maar ook gevaarlijk kunnen zijn. En voor alles, dat de kennis hieromtrent noodzakelijk is, wil ik tot beheersing komen.

Nu zal de kabbalist daaruit dan ook zijn conclusies trekken. En hij zegt in de allereerste plaats: “Altijd en te allen tijde zal ik mijn geloof bemantelen. Wanneer ik het volledig uitspreek, wanneer ik het aan anderen geef, verliest het zijn betekenis in mij. In de geborgenheid ‑ dus in de gemeenschap der kabbalisten ‑ kan ik de waarheid zeggen, maar zelfs dan spreek ik door symbolen. Wanneer ik echter voor mijzelf kom tot het uitspreken buiten de ingewijde cirkel, de kring van wetenden en begrijpenden, verandert de waarde van het woord en wek ik een stuwende kracht in het leven, die niet aanvaardbaar is.”

Zo mag worden gezegd, dat artikel 1. van de kabbalistische levensleer is: Maak geen beeld noch spreek een woord, dat de hoogste waarden omschrijft in juiste wijze en betekenis. Hoed u voor een woord of een beeld, dat onwaar is, omdat het een waarheid gelijk kan komen. En wees in de beslotenheid van uw eigen wezen de wetende strever, die in de levensvloed (waarmee dus wordt bedoeld het leven, dat opstijgt door de levensboom) zichzelf is, kennende zijn doel. Dit is belangrijk.

Dat kennen van het doel heeft zijn bezwaren. U weet, hoe dat gaat met een doel dat je moet kennen, nietwaar? Dan gaat het je net als Indonesië. Daar hebben ze ook een doel. Maar welk doel het is, weet niemand, En dat is maar goed voor hen ook. Maar omdat ze dat doel verkeerd kennen en niet begrijpen, handelen ze verkeerd. Datzelfde geldt ook voor de Amerikanen met hun projecten. Daar weten ze ook niet preciest wat hun doel is. En daardoor doen ze dwaze dingen. Zo gaat het overal; zo gaat het in Nederland, overal.

Wij moeten er natuurlijk rekening mee houden, dat een kabbalist een dergelijk niet‑doelbewust zijn, niet accepteren kan. En zo komt hij tot de chemica-cabbalistica. Dat is alleen maar een geleerd woord, maar men zou kunnen zeggen: dat is de leer van de samenklank der elementen.

Wanneer wij elementen hebben, zuiver chemische elementen, dan zal ons opvallen, dat sommige daarvan overeenkomsten bezitten en affiniteiten. Men kan ze in feite in een reeks van soortgroepen indelen, die elk een reeks van chemische elementen insluiten. Verder zal men ontdekken dat elk onderdeel van een bepaalde groep een waarde heeft, die het buitengewoon geschikt maakt om over te gaan naar een andere groep. Het komt altijd uit. De kabbalistische wetenschapsmensen hebben dat onmiddellijk ontdekt. Ze hebben gezegd: Wanneer er een huwelijk mogelijk is tussen twee krachten, die tegengesteld zijn en hieruit wordt iets nieuws en beters geboren, hierdoor wordt een kracht tot werkzaamheid gebracht, enz., dan moet dit een les zijn, die toepasselijk is op het gehele leven. En daarom is die kabbalistische chemie eigenlijk toch nog wel wat verschillend van wat men algemeen alchemie heeft genoemd.

Men denkt bij alchemie al heel gauw aan het maken van goud uit lood, enz. Dat is een bijkomstig streven geweest van een hoop mensen, die naast geestelijke waarheid geen bezwaar hadden tegen verdiensten. Dat kan men hen ook niet kwalijk nemen, het waren mensen. Maar de werkelijke inhoud was het zoeken naar het geestelijke huwelijk van bepaalde elementen in het leven. En deze elementen kunnen kort worden omschreven:

Dan zeggen we in de eerste plaats, dat het begrip “ether” zoals dat bij de vijf elementen wordt gebruikt, wel degelijk betekenis en waarde heeft. Ether is de bindende kracht der dingen. Niet alleen het aldoordringende, het leven‑gevende, het is het bindende. Het is het vlak, waarin het gebeuren zich afspeelt. En in de ether staan dan de elementen van water en vuur, aarde en lucht. Als kabbalist houd ik bij al wat ik beschouw, al waar ik mee werk, er rekening mee, tot welk van deze – dus nu hypothetische elementen ‑ het behoort. Ik bedoel daarmee niet of het nu hoort, hier bij de grond of daar ergens in de lucht. Neen, ik ga na tot welke reeks van eigenschappen ‑ grondeigenschappen ‑ een bepaalde stof behoort. En wat meer is, zoals dit voor stoffen bestaat, bestaat het voor mensen.

We zullen zeggen: “Ik ben een mens.” Dat zegt de kabbalist tot zichzelf ook. Dan vraagt hij zich af: “Tot welk element behoor je?” Tot de ether kan men niet behoren. De ether is a.h.w. de bindende kracht, waarin we leven. Erkend, begrepen, maar niet te vereenzelvigen met dit wezen, tenzij de ether bewust gehuwd kan worden met het element in onszelf.

Ja, dan sta je daar en dan zeg je: “Wat ben ik? Ben ik water, ben ik vuur, ben ik aarde, ben ik lucht?” Dan ga ik me afvragen: Wat is de grondeigenschap daarvan? Heb ik dat gevonden, dan zal ik proberen om die grondeigenschap in harmonie te brengen met de wereld‑ether. Dan maak ik goud, of wat men noemt het kunstmatige leven, of misschien nog beter het elixer des levens, of de steen der wijzen. Het zijn allemaal woorden, die hetzelfde omhullen in verschillende begripstermen. De kabbalist kent dit in de zin van het “ik” om door het daaraan toevoegen van de juiste ingrediënten ‑ zijnde handelingen (daden dus), of belevingen (ondergaan, niet daadwerkelijk ingrijpen), het bezitten en het verwerpen van bezit te komen tot een toestand, waarin het eigen wezen zich huwen kan met de ether. Hij weet dat wanneer het element met de ether gehuwd is, het kosmisch, het eeuwig is. Of ‑ in de oude term ‑ dat men stijgt tot aan de top van de levensboom en daar leeft in de vlam.

Die manier van leven brengt met zich mee dat we onder de kabbalisten heel wat verschillende methoden zien van streven. Voor de leek en zelfs voor menige student van deze wetenschap is het erg verwarrend, wanneer A zus en B zo zegt; wanneer de geschriften van C. soms in tegenspraak schijnen met die van D. Dan vraag je je af: Ja, wat moet dat nu eigenlijk? Men vergeet dan dat elke kabbalist uit zijn eigen type zoekt te komen tot dit kosmisch huwelijk. Dit huwelijk met de levenskracht, met de wereld‑ether, waaruit het bewustzijn Gods geboren wordt. Er zijn dus tenminste vier wegen, die elk nog weer een paar varianten kennen, maar die dan over het geheel met elkaar overeenstemmen.

Echter zijn er ook bepaalde symbolen, bepaalde termen, die wij terugvinden in elk leven en in elk kabbalistisch levensdoel afzonderlijk. Zo kent de kabbalist bv. het dubbelteken van de slang. Ik wil u er maar weer aan herinneren dat Mozes in de woestijn, toen het volk door ziekte was aangetast een T maakte. Geen kruis, zoals men zegt, maar een T, een onvolledig kruis. En dat hij daaraan een koperen slang hechtte en wel een slang, die de kop opwaarts had gericht.

Dat is een teken dat in de kabbalistiek ook voorkomt en dan heeft het de zin van “het leven”, en ook van het “begrensde leven”. Daarentegen bestaat dit teken ook met het volledige kruis, waarbij echter de bovenarm, niet zoals bij het christelijke kruis, maar één derde is van de onderarm, maar even lang. Dus een plusteken. En bij dit plusteken zien we dezelfde slang ‑ meestal niet gemaakt van koper, maar als het even kan van ijzer (dus van de latere tijd; in Mozes’ periode gebruikte men daarvoor wel gehouwen steen) ‑ en de slang is hier naar beneden kronkelend. Het is een symbool dat we ook nog aantreffen in sommige Egyptische tempels en ook in het Verre Oosten. Want naast de klimmende levensvlam is er de dalende levensvlam.

Nu was het geven van leven, het genezen door de opwaarts gerichte slang niet, zoals u misschien denkt, het oprichten van het symbool des levens als stoffelijk leven. Het stoffelijk leven wordt gesymboliseerd door de dalende slang, het geestelijk leven door de stijgende slang. Mozes wilde een volledige aansluiting van zijn volk hebben bij zijn goddelijke leider, bij Jahwe. Dus richtte hij de slang omhoog als symbool van de geestelijke kracht, van de leidende geest. Hij heeft daardoor de geestelijke kracht werkzaam gemaakt op die plaats. Had hij de neerwaarts gerichte genomen, dan was het sterven groter geweest, maar zouden alle zielen (ook kabbalistisch) herboren zijn.

Wedergeboorte ‑ zij het niet in de zin, waarin men dit bv. bij de theosofen kent ‑ maakte dus ook deel uit van de kabbalistische leer. Zij maakte zelfs een intrinsiek deel uit van de leer, zoals die in de Russische School verkondigd werd. De School, die oorspronkelijk in die omgeving ontsprongen is en later o.a. in Novgorod verder werd ontwikkeld; die wedergeboorte maakte het mogelijk om doden op te wekken. We horen van de grote kabbalist Nachman, dat hij op een gegeven ogenblik een dode wekt door het schrijven van tekens. En toen men deze Rabbi vroeg, waarom hij het had gedaan, zei hij: “Dat is mijn geheim. Dat mag ik niet vertellen, want dan zou deze weer sterven.”

Wat had hij gedaan? Hij had de kabbalistische naam gebruikt. Dus de naam, waarin de waarde van het element zit (men zou ook kunnen zeggen “de waarde van de planeet”, want ook de planeetwaarden spelen een rol mee) plus de waarde van de persoon verborgen liggen. Deze naam heet dwingend te zijn voor de ziel. Niet omdat hij haar omschrijving is, maar uitdrukking van haar ogenblikkelijk streven en bewustzijn.

Zo kan soms de ether ook tot leven gebonden worden en dan krijgen wij schijnleven. Dit schijnleven is vooral in Italië ook weer een tijdlang een bron van onderzoekingen geweest. Wij kennen daar verschillende geestelijken (maar ook enkele rabbi’s, die geduld werden ‑ zij het, dat zij dan altijd voor Christenen doorgingen), die daar ook zochten naar de levenskracht. Uw vriend Goethe heeft dat beestje Homunculus genoemd, het mensje in een fiool, vaar hij niet uit kan treden (Fiool, u weet wel, een glazen buis). Men geloofde het leven te kunnen concentreren door de ether, dus één der elementen ‑ zodanig te concentreren, dat alle aanwezige materie daarvan doordrongen werd. Het zou dan voldoende zijn om een willekeurig poppetje daarin te dopen om dit tot leven te wekken. Echter moest het geheel van het poppetje natuurlijk voor een goed functioneren, een blijven leven, harmonisch zijn, huwbaar zijn met de ether. Zo is in deze ‑ laten wij zeggen ‑ alchemie de gedachte van eenheid ook weer sterk tot uitdrukking gebracht.

Die gedachte van eenheid gaat natuurlijk ook nog wat verder. Want ik sprak u reeds over wat ik noemde kabbalistische architectuur. In feite is dat een verhoudingsleer, die gebaseerd is op getallen en getalswaarden. Om u een voorbeeld te geven: Wanneer ik een tempel wil bouwen, die juist is, dan moet hij in zijn gehele afmeting (dus zijn buitenafmeting) het begrip “schepping” aangeven. Hij moet in een daarbinnen gelegen afmeting het begrip “Elohim” aangeven, waarbij de heersende geest van de periode dus a.h.w. zijn getal weervindt. Daarbinnen moet een kern bestaan ‑ die veelal kleiner is gebouwd vanwege de noodzakelijke verhouding ‑ die het perfecte of scheppende getal aangeeft. Het perfecte of scheppende getal is het getal, dat kabbalistisch tevens de uitdrukking is voor de onmiddellijk scheppende God. Dus niet meer de Elohim, de Heer der Schepping, maar de Kracht van de schepping zelf.

Om nu te komen ‑ alweer kabbalistisch gezien ‑ tot een juiste waarde van zo’n tempel, moet er nog iets plaatsvinden, nl. het huwelijk der elementen. Er moet onder de juiste verhoudingen en op de juiste tijd een samenvoeging plaatsvinden van elementen, die aarde met lucht en vuur betekenen. Wanneer deze gehuwd zijn, voegt men water toe plus de wil of de incantatie, die dan de ether uitdrukt. Het geheel der waarden is dan de uitdrukking van het perfecte weten in de perfecte vorm.

U zult begrijpen dat deze gedachtegang de kabbalist ertoe leidde om ‑ waar hij eventueel invloed had op het construeren van tempels of andere gebouwen ‑ uit te gaan van de stelling, dat het noodzakelijk was om alle termen van de functie van het gebouw uit te drukken op de meest juiste wijze; terwijl het gebouw zelf moest zijn geconstrueerd van materialen of waarden, aangepast aan het element dat die bezigheid of bestemming beheerste.

Dit moest theorie blijven. Zelfs Salomo’s tempel (die werkelijke tempel dan) was in al zijn grootsheid niet de volledige uitdrukking. Want het huwelijk der elementen kon daarin niet plaatsvinden. Toch streefde de kabbalist ernaar een idee desnoods op te bouwen waarin dit alles mogelijk zou zijn. En zo komt men tot het bouwen van ‑ wat men later in het geloof wel noemt ‑ de hemelse stad. Ze zeggen hier “het hemels Jeruzalem” maar dat is natuurlijk niet juist, of je moet het weer gaan vertalen. Maar je kunt beter zeggen: de stad van de vrede, de stad der harmonie.

Deze stad is in de conceptie qua afmetingen nauwkeurig omschreven. Zij heeft een vaste symmetrische vorm. In deze symmetrisch gevormde stad zijn verschillende wijken. Elke wijk afzonderlijk is weer een perfect symmetrisch geheel van bepaalde waarden. In de kern daarvan ligt een tempelgebouw. Hiermee heeft men getracht om uit te drukken dat dus alle werkingen van de materie in verschillende vlakken te delen zijn, die ‑ in zich harmonisch blijvende ‑ op de juiste wijze aangepast aan andere elementen, het perfecte geheel geven. Maar voor de eenwording daarvan is het noodzakelijk dat wij komen tot de tempel zelf.

De tempel heeft wederom een volkomen harmonische structuur. In deze harmonische structuur is opvallend het zgn. koepelvertrek. (Want de tempel is ingedeeld in verschillende zalen, hoven en vertrekken.) Het koepelvertrek leidt tot de plaats, waar twee lichtende zuilen staan. Deze lichtende zuilen dragen het dak dat de hemelse stad tot werkelijkheid maakt.

U zult zeggen: “Wat een verhaal, wat een verhaal”. Maar is het wel alleen een verhaal? Ik wil op die dingen natuurlijk niet al te diep in gaan op het ogenblik, want ik moet een afgerond beeld geven. En u weet hoe het is: Als je dan te veel aan die kant of aan deze kant praat zeggen ze: “Nah, heb je me weer opgelicht! Dat Zal mij niet overkomen”.

Onthoud nu maar even dit: De kabbalist gelooft aan twee krachten. De zuilen zijn het symbool van de twee krachten. De overkoepeling van de twee krachten betekent het aaneensluiten van beide functies. Het aaneensluiten van beide functies geeft aan de perfecte geslotenheid, de cirkelgang van wat u zou noemen: stoffelijk of vormbewust beleven. Echter draagt dit geheel het dak. En in het dak zien wij eigenaardig genoeg boven deze overbrugde twee zuilen nog weer een zuil. Deze zuil is de uitdrukking van het geestelijk rijk en zo is hij gebaseerd op de twee waarden van de vormwereld plus het geestelijke, het totaal.

Ja, waarom ze dat niet gebouwd hebben? Ach, ze hebben het geprobeerd. Ze hebben het geprobeerd en we vinden er iets van in sommige kerken bv. ‑ vooral kerken, die gebouwd zijn in de jaren 1480 ongeveer tot 1670‑1690; althans ontwerpen, die daaruit stammen. Daar vinden we een eigenaardige zuil‑structuur, waarbij bv. een Katholieke kerk heel duidelijk kenbaar niet een middenschip heeft, maar drie gaanderijen in de lengte. Waarbij de kruisvorm niet nauwkeurig wordt uitgewerkt als kruis, maar eerder een cirkel geeft rond een koepelachtige structuur. Wij vinden de bekende verhogingen van inwijdingstempels, maar daarnaast ook de bekende figuur van de cirkel en de ster, die voor de kabbalist een grote betekenis had. En in de ster het altaar. Dat is niet voor niets gebeurd.

Op dezelfde manier kan men de constructie van de klokkentorens vaak zien, die meestal ook drie, soms vijf omgangen of platformen kennen. Daarbij wordt dan de top meegerekend. Ook hier wordt weer een reeks van menselijk en geestelijk streven uitgedrukt. Men heeft het dus wel geprobeerd. Men heeft zelfs geprobeerd in een zekere periode om door het stellen van twee gelijke torens de bouw van de zuilen te symboliseren, zonder daarbij de overkoepeling aan te duiden, dan in een lagergelegen overbrugging, die dan meestal weer een cirkelraam draagt, welk cirkelraam weer door parabolische lijnen in een vast symmetrisch patroon wordt verdeeld. Het is niet maar zo. Het zijn geen kunstzinnige ontwerpen alleen, het zijn symbolische ontwerpen ook geweest.

Maar met al die bouw konden ze toch nog niet komen tot wat noodzakelijk de uitdrukking is van de kabbalistische levensleer. En zo is het niet te verwonderen dat op de duur alles verbasterd is geraakt. De kabbalist, door zijn eigen levensprincipe genoopt de geheimen te verbergen, geen afbeeldingen te maken en zijn kennis slechts uit te drukken in symbolen, was niet in staat om zijn volledige lering over te geven dan door een mondeling contact plus een gezamenlijk beleven. Dat was zijn grote moeilijkheid. Toch heeft hij ‑ zij het in zeer beperkte kringen ‑ kans gezien om de ware leer ook verder over te leveren.

Nu krijgt U dadelijk van mij ruimschoots de gelegenheid om te discussiëren, maar laten we dan nog even proberen een paar van die regels kort aan te stippen.

Leef als deel van het geheel. Weet, dat wat opwaarts gaat, niet terug kan keren. Weet, dat alleen de geest opwaarts kan gaan, nooit de materie. Weet, dat de kracht van alle geest plus het goddelijk Wezen (en alle groot‑geestelijke wezens daaronder) uitgedrukt is zowel in klank, in vorm als in licht. Weet, dat deze waarden heilig zijn. Weet, dat elke grens door het gebruik dezer waarden overschreden kan worden, maar slechts indien het gebeurt als deel van het geheel, nooit staande tegenover het geheel. Weet, dat wie in harmonie is met de natuur en met de scheppende krachten, in de vormen daarvan alleen zal erkennen wat geschiedt, zal weten wat gebeurt en zal erkennen wat het verleden betekent. Erken, dat er slechts één God is, maar dat in uw leven twee waarden bestaan. Bouw gelijkelijk deze beide waarden op, opdat je in de gang der waarden voor uzelf de goddelijke zult erkennen. Zoek naarstig­ naar de ware inhoud en betekenis van al wat in uw leven belangrijk lijkt. Gij zult dit erkennen aan de eigenschappen daarin vastgelegd, die in overeenstemming zijn met de goddelijke wet, met het goddelijk argument. Erken, dat de kracht, die gij wekt, de kracht is, die uit uzelf wordt gebaard; maar slechts indien gij gehuwd zijt met de werkelijke Kracht. Er is geen wet dan ene wet van de Heer, die alle andere inhoudt: Wees één met de stroom des levens en erken haar tot het einde.

Dat zijn een paar punten ervan. Er zijn er natuurlijk meer. Maar ja, wat wilt u? Op een avond als deze moet ik u de kans geven uw mond te roeren. Ik moet enigszins een beeld geven van de levensleer en ik moet dan bovendien nog proberen om duidelijk te zijn. En dat is bij het kabbalisme moeilijker dan ergens anders. Dat blijkt alleen al, als je het cijfer‑systeem bekijkt, dat men gebruikt om te definiëren. Daar krijgt men de eerste letters ‑ vijf letters ‑ in een opvolgende waarde, maar dan een terugval. Ofschoon 8 het hoogste is, zijn er ook vele letters midden in het alfabet, die een waarde hebben bv. van 1. Denk eens aan I en J, twee opeenvolgende letters met de waarde van l. Er zit een systeem in. Dat systeem is bedoeld om de essence der dingen te kennen. Maar je hebt er niets aan, als je alleen die cijfertjes maar kent.

Je moet begrijpen, dat het cijfer de uitdrukking is van de invloed. Dat kan zijn de zon of de maan ‑ volgens de astroloog dan. Of volgens ons van bepaalde engelen, die je aangeeft met zekere letters. Die invloeden erkennen betekent ook weer de levensweg kennen. De levensweg kennen wil zeggen: de weg kunnen bevorderen en elke remming daarin, oponthoud voorkomen. Verder wil een weten daaromtrent zeggen: weten wat huwbaar is ‑ dus niet in zuiver stoffelijke zin, maar in geestelijke zin ‑ en wat niet. Dus wat samen kan gaan en wat niet samen kan gaan.

Vragen

  • Kunt U me vertellen, hoe de kabbalistiek in de Vrijmetselarij over­gegaan is?

Ja, ik kan er wel iets over vertellen. Kijk eens, de Vrijmetselarij heeft een eigenaardige ontstaansgeschiedenis, die ik voor sommige an­deren misschien nog even mag aanstippen.  Er is een tijd geweest, dat er zgn. vrije bonden waren, die privileges hadden. Een daarvan was dat van de metselaars. En bij die metse­laars hoorden ook de architecten enz. Nu hadden dezen de gewoon­ te om veel dingen te bespreken en door hun privilege waren ze beschermd, wat de anderen niet waren. Zo kwamen er honoraire leden. En die hono­raire leden waren heel vaak mensen, die op de één of andere manier al gezocht hadden naar een methode om uit een orthodox‑kerkelijke wereld tot een beetje vrijer zoeken en ervaren te komen. Dus daarmee kwam al een zekere geestelijke tendens in deze metselaarsbeweging. En zo vormden zich daar dan ook ‑ wat je zou kunnen noemen ‑ loges.  Nu is het met die loges niet zo gegaan, dat ze meteen hebben gezegd: “Nu hebben we het”, maar dat is gegroeid. En gedurende die groeiperiode hebben juist degenen, die honorair lid waren, eigenlijk ijverig gezocht naar geestelijk materiaal om zo te komen tot een inzicht van bewustwor­dingswaarden, enz. Je kunt eigenlijk het beste zeggen: een methode van perfecter, algeheler leven. En daarbij kwamen ze o.a. in contact met kab­balisme en enkele oudere mysterieleren, Zo vinden we in Engeland druïdische invloeden en bv. ook veel Griekse en Egyptische mysterie invloeden, vooral in de loges in Frankrijk.  Nu is in Frankrijk een directe verbinding geweest met een geheim­ school, een kabbalistische geheimschool ‑ die in die tijd bestond in Granada. Die was oorspronkelijk onder Moors bestuur geweest en daar la­ter ‑ zij het heel voorzichtig ‑ dankzij de Inquisitie ‑ toch gecontinu­eerd. De voornaamste leider daarvan is zelfs door de Inquisitie op de brandstapel ter dood gebracht.  Deze gegevens kwamen in de Franse kringen, maar kwamen ook terecht in de Engelse kringen. En nu schijnen die Engelsen voor dat rekenen (die kabbalistiek) nog veel meer te voelen dan de Fransen. De fransman had meer interesse voor het magisch aspect, maar de Engelsman had meer in­teresse voor het redelijk aspect. Verder was ‑ gezien de toch altijd nog bouwkundige achtergrond van de nu al vrije metselaren ‑ het uit de aard der zaak voor hen een aanleiding om vooral ook in de zgn. kabbalistische architectuur en in de kabbalistische chemie te gaan zoeken. Dat paste a.h.w. bij de vorm van de organisatie.  Zo kan gezegd worden dat reeds ongeveer in 1670 de eerste maçonnieke beweging met zuiver kabbalistisch zoeken en streven ontstaan is. Als ik mij niet vergis, is dit oorspronkelijk geweest in Londen. Later zien we (in 1880 ongeveer) hoe daardoor een loge‑systeem ontstaat, dat­ o.a. via de Schotse ritus een buitengewoon sterke nadruk geeft aan kabbalistische waarden. Gelijktijdig zien we de zgn. Johannes‑loges met hun mystiek‑christelijke inslag, die ook de weerkaatsing van de kabbalisti­sche waarden voeren en die zo aan het einde van de 18e eeuw daar steeds sterker de nadruk op gaan leggen. Op de duur krijgt zo de kabbalistiek op het hele vasteland in de meeste loges een steeds sterkere invloed. Deze wordt getemperd door de algehele band, waardoor ‑ laten we zeggen het wereldomvattende beeld, ondanks het vrijstaan van de loges, toch wel zeer sterk leiding geeft, o.a. bij de studies. We zien wel enkele descente loges ‑ afvallige loges ‑ o.a. in Duitsland en ook in Neder­land, die zich daar met een zekere deutsche Gründlichkeit eigenlijk opwerpen. Dit leidt soms tot heel eigenaardige stellingen en situaties, maar in Europa mag gezegd worden, dat rond 1910 de kabbalistiek al een perfecte uitdrukking vindt binnen vele loges. Dit betekent ook, dat juist in deze periode de kabbalistiek over­steekt naar de Ver. Staten, waar ze via New York bijna onmiddellijk door­gaat tot in de buurt van Chicago. Daar vinden we naast de loges in Bos­ton de sterkste kabbalistieke stroming, die vandaaruit ook sterk zijn invloed heeft doen gelden door praktisch het gehele Amerikaanse continent. Is dat voldoende zo, of moet er nog wat meer bij? U zegt het maar.

  • U bent begonnen te spreken over de levensboom en we hebben daar in de literatuur, die daarover voor iedereen verkrijgbaar is, van die afbeeldingen staan, waar je de middenstroom hebt met daarnaast de twee zijstromen. Daar hebt U ook over gesproken. En dan staat er aan het hoofd de drieslag met de ketter… en wat dies meer zij en zo. Dat hebben wij in de Vrijmetselarij niet. We hebben er wel twee zuilen. Maar de middelste zuil is er niet.

Die valt weg.

  • Is daar een verklaring voor?

Ja, die verklaring is eigenlijk heel, heel simpel, als u even nadenkt. Kijk eens, een vrijmetselaar een maçon, moet in de eerste plaats daadwerkelijk en actief in de wereld staan. Dat wil zeggen, dat hij kiezen kan in de richting van het opgaande leven of in een andere richting. Hij zou zelfs kunnen kiezen tussen het zgn. demonische en het zgn. hemelse. Maar de middenweg van de absolute onthechting en studie, met gelijktijdig het volledige geloof en de volledige wetenschap is niet toepasselijk voor een maçonnerie, die zich vooral door haar vrijheid van denken en streven eigenlijk handhaaft en daarin haar voornaamste m.i. de kentekenende eigen­schap vindt. Want dat geloof zal moeten leiden tot het vastleggen van geloofsartikelen op dogmatische wijze en wel met uitzondering van elke andere mogelijke weg. Dit is de enige weg; die volg je of die volg je niet. Dat kan niet in een maconnieke omgeving ‑ zoals u dat zelf kunt nagaan.

  • Mag ik U even in de rede vallen?

Ga uw gang

Daar is in de Vrijmetselarij toch maar één streven en niet naar be­neden, maar alleen naar boven. Daar is alleen een streven naar de een­heid. De eenheidsbestreving naar het innerlijk licht. Dat is dus de op­gaande lijn, zoals  dat noemt. Een andere is er niet.

  • Een andere is er ook.

In alle gevallen dan niet in de Nederlandse loges, zover ik die ken. Dat wil ik graag toegeven, maar mag ik even opmerken, dat zelfs hier in Nederland naast de door u gekende loges er enkele andere bestaan, die weer hun eigen specifieke eigenschappen en weg hebben. En of je nu licht ziet in de chaos (dan vaak uitgedrukt als de volkomen individuele vrij­heid) of in de innerlijke verlichting (dus de gebondenheid door middel van het Goddelijke), dat is een kwestie, waarover in sommige loges aar­dig gedebatteerd zou kunnen worden. Zelfs binnen het Groot‑Oosten.

  • En daarom absoluut: toch twee wegen.

Maar nu moet u het even goed bekijken. Ik heb zo-even over die zui­len gesproken en ik heb daarbij gezegd, dat ze de twee krachten zijn, die in de tempel staan. Die twee krachten betekenen de materie en de geest, nietwaar ‑ naast hun andere betekenissen. De materie is de neergaande lijn. Daaruit volgt al, dat waar een werkelijk vrijmetselaar zowel een stoffelijke uiting zoekt als een geestelijke, beide zuilen noodzakelijk zullen blijven. Ofwel anders gezegd, dat zowel de weg ter linker‑ als ter rech­terzijde van de levensboom gevolgd wordt. Maar dat slechts degene, die binnen de maçonnieke beweging voor zich komt tot de persoonlijke beleving, de middenweg kan volgen. Maar deze is niet uitdrukbaar, want deze is be­sloten in het grote geheim van de naam,

  • Ja, maar ieder kent hem toch als de heilige liefde.

Dat is juist. Maar kent hem niet in de symbolieke uitdrukking.

  • Is het zingen van de klank Aum met onjuiste trillingswaarden of toonhoogte gevaarlijk?

Dat vind ik nu zo’n vraag. Kijk eens, is het misbruiken van een vaat­je nitroglycerine gevaarlijk? Ik zou zeggen, nietwaar, als het eventjes een verkeerd schopje krijgt, dan ben je plotseling ergens, waar de fourier stralenkransjes en harpjes uitgeeft ‑ als u het goed treft tenminste. Zo is het met Aum ook. Aum is de scheppende waarde voor de mens, althans uitgedrukt in de totale klankomvatting van zijn wezen. Als je dat goed gebruikt, is dat de scheppende kracht in de mens. Het brengt dus de mogelijkheid om door de wil elke bereiking ‑ schijnbaar tegen de wetten der natuur ‑ tot stand te brengen, door jezelf te stellen als eenheid naast andere eenheden in de natuur. Onttrekking aan zwaartekracht, verplaatsing, bevestiging van een ego (een tweede ego dus), enz. Dat ligt allemaal als mogelijkheid in Aum opgesloten. Maar als wij het nu verkeerd gaat gebrui­ken, kun je wel eens halverwege blijven steken. En dat is gevaarlijk. Stel nu eens dat u Aum als een lift gebruikt. Dat kunt u zich voor­stellen ja? Nou, dan begint u goed. U gaat een eindje de lucht in, u zingt nog steeds goed, he. U gaat nog steeds hoger. Dan vergist u zich. Er klinkt een vals toontje. En…plof, daar ligt u. Dan hebt u geen tijd meer om verder te zingen. Dan kunnen de nabestaanden voor de begrafenis zorgen. Dus laten we nu eerlijk zijn. Is het gevaarlijk om dat verkeerd te gebruiken of niet? Natuurlijk. Zoals alle grote dingen gevaarlijk zijn.

Een doosje lucifers ‑ een normaal gebruiksvoorwerp voor volwassenen ‑ geef het aan een klein kind in handen; in negen van de tien gevallen, dat de brandverzekering je moet uitkeren. Waarom? Omdat het kind niet weet, hoe het te gebruiken en bij foutief gebruik zal zelfs zoiets sim­pels gevaarlijk worden. Dacht u dan dat machtwoorden, kosmische klanken e.d. ongevaarlijk waren bij verkeerd gebruik? Integendeel, ze zijn gevaarlijker dan wat ook. Vandaar dat u de uitspraak die volledig juist is, meestal niet leert. En dat men u tevens ervan probeert af te houden om juist die varianten te gebruiken, die dat zouden kunnen benaderen.

Geloof me, wanneer ze u leren “Aum” te zeggen en ze leren het u goed, zoals in een yoga‑school of zo, dan leren ze u een klein beginsel en dan hameren ze erop, dat u dat zo moet doen en niet anders. En dan hebben ze het je precies zo geleerd, dat je er iets voor jezelf mee kunt bereiken, wat krachten voor jezelf kan opzamelen, zonder dat je daarmee kan ingrijpen in de wereld buiten je. Dat is toch logisch. Je geeft een kind geen lucifers, nietwaar. En je gaat niet voetballen met een vaatje nitroglycerine. Dan kun je ook zoiets niet in handen geven van iemand die niet in staat is door zijn beheersing en door zijn weten ‑ door zijn weten omtrent harmonische verhoudingen, enz. ‑ die kracht ook zo te gebruiken, dat ze goed is en dat ze niet de hele boel in puin gooit.

  • Het wordt dikwijls gezegd dat je met het woord Aum kunt werken. Maar in welke zin? Dan is het dus voor degene, die het begrijpen kan, een punt om het aan te nemen; en degene, die het niet begrijpt, moet het dus naast zich leggen.

Ja, kijk eens, Aum is eigenlijk de menselijke stem. Een menselijk bewustzijn, een menselijke uitdrukking is gebonden aan grenzen, dat weten we. Dan moet je je eens voorstellen, dat wanneer je je hele wezen uitdrukt in perfecte eenheid, dus a.h.w. jezelf verliest daarin, alle kracht, die je hebt, dus kan worden gereduceerd tot “de wil”. Dat is logisch, dat kunt u volgen. Stel nu verder dat ik met deze wil dus de trilling van mijn wezen a.h.w. overbreng in mijn omgeving. Ik ben dan een persoonlijkheid geworden, losstaande van stoffelijke beperking als het resultaat. Nu zal ik daarin de krachten van de kosmos aanvoelen en Aum wordt dan geestelijk voortgezet ‑ dus het is niet alleen een stoffelijke kwestie maar ook een geestelijke kwestie ‑ waardoor harmonie met de kosmos ontstaat, die resulteert in een direct contact met de Logos, Te volgen? En wanneer u dat hebt bereikt, bent u a.h.w. één met de goddelijke Kracht en vanuit deze Kracht kunt u volbrengen wat noodzakelijk is.

Maar ja, ze leren u toch niet, hoe u dat moet doen. En wanneer het gevaarlijk wordt, dan gaat het u net als die monniken in Tibet. U weet, die hebben ook zo om de stervenden te helpen een paar kreten. Weet u nu wat ze doen? Dan zeggen ze: “Kijk eens, je mag de eerste kreet uitstoten, maar de tweede niet, want dan ga je er zelf aan dood”. Daardoor voorkomen ze dat die kreet, die inderdaad een kracht is ‑ een kracht, die gebaseerd is op de werking van het slangenvuur ‑ dat die door de mensen zelf zou worden gebruikt voor iets, waarvoor zij niet past. Al die monnikjes, die niets beter weten dan wat ritueel en een paar lerinkjes en een lekker maaltje op kosten van een ander, die komen er dan niet toe om dus deze kracht voor zelfzuchtige doeleinden te misbruiken. Maar de ingewijden gaan zgn. eens in de zoveel tijd het geestoffer brengen. Dan gaan ze in de eenzaamheid. Maar wanneer ze werkelijk ingewijd zijn ‑ al praten ze daar niet over ‑ dan gebruiken ze juist die klank, die ze dus wel kunnen uitstoten om daardoor voor zichzelf bepaalde geestelijke waarden te bereiken. Niet als een persoonlijk bezit, maar als een mogelijkheid om geestelijke krachten te hanteren ten bate van anderen.

  • Kwamen die kabbalisten destijds bij elkaar in de zin van de tegenwoordige loges? Er kwam toch een tijd, dat het in het geheim moest gebeuren omdat ze vervolgd werden door ‑ zoals U zei ‑ de Inquisitie en dergelijke meer. Mijn vraag is dus deze: Men kan de kabbalistiek dus als een onderwerp van geheimscholen beschouwen. Bestonden dergelijke scholen dan nog en hadden die dan ook een traditie?

Die hadden ook een traditie, inderdaad. Kijk eens: u moet het zo zien: Oorspronkelijk was de kabbalistiek dus in die allereerste beginperiode van voor Abraham a.h.w. een wetenschap van verschillende mensen, die daardoor bepaalde paranormale werkingen hadden leren kennen. En u weet gelijk trekt gelijk. Ze kwamen met elkaar praten. Maar dan was er iemand, die geschikt was daarvoor en die werd dan op de duur bij de een of andere meester gebracht. En zo’n kabbalistische meester stelde er dan een eer in om niet alleen zijn eigen kennis aan een uitverkoren leerling over te dragen, maar deze tevens met zijn andere vrienden, zijn soortgenoten, in contact te brengen en zo ook van hun leringen iets te laten doordringen. Daardoor ontstond dus reeds in het begin een soort schoolsysteem, waarbij men kan zeggen dat de leerling, die goed was bevonden, dus van meester tot meester ging met een aanbeveling.

Later is het een tijd een mysterie‑school geweest. Dat wil zeggen in het joodse volk bestonden ook geheimleren. Sommige groeperingen daarvan baseerden dit op messiaanse verwachtingen, andere weer op geloof aan bepaalde krachten die werkzaam zouden zijn ‑ desnoods ook buiten de tempel. Het resultaat was, dat dus bij de Joden ook een school ontstond, oorspronkelijk onder de Levieten, maar die later gevaar opleverde. Vandaar ook de Samaritaanse scheuring. Die is eigenlijk uit een dergelijke school voortgekomen. Zo werd ze al een geheimschool onder het Jodendom (alleen voor uitverkorenen), waarbij de openlijkheid heel vaak geschuwd werd, ook van de tempel. Nu kunt u daaruit verder afleiden dat dus op een gegeven ogenblik het organiseren van een geheimschool heel logisch werd.

Dan wil ik u hier even herinneren aan Nederland in het verzet. Het gebeurde ook wel eens dat er ergens een avondje wordt gegeven door een niet “culturfahige” artiest. Misschien had hij geen Arisch bloed of misschien had hij vergeten een handtekening te zetten. Dat gebeurde bij particulieren en onder geheimhouding. Toch hadden ze altijd een publiek. Zo was het bv. in de Hamburgse School. Daar was een orthodoxe rabbi. Die orthodoxe rabbi deed aan kabbalistiek. Er kwamen mensen bij hem om te leren. Toen heeft hij uit Kiev een meester laten komen, die daar verder onderricht gaf. Toen is er een andere rabbi gekomen, die oorspronkelijk gewerkt had in Spanje en Frankrijk. Die heeft hij erbij gevoegd. En zo ontstond daar een kabbalistisch centrum. Het was nog niet direct een geheimschool. Maar degenen, die daaraan werkten, konden op een gegeven ogenblik wel zeker zijn, dat hun hachje gevaar liep en hun bezit erbij, als ontdekt werd wat ze deden. Zeker, die school is later veranderd. Die is betrekkelijk openlijk geworden. Maar in Granada bv. was het tot het laatste toe van die school daar gevaarlijk. Dus ontstond de band, die geheim is en die een beetje doet denken qua organisatie aan bv. uw K.P. Vandaar ook de wachtwoorden, de symbolen. Zo was het bv. bij de Spaanse School de gewoonte, dat er een deurbewaarder was gedurende een kabbalistische bijeenkomst of les, die met een getrokken rapier klaar stond, terwijl een tweede ‑ een bediende was dat meestal – u zou zeggen, een broeder­ serviteur ‑ klaarstond met een dolk. En die laatste stond in een nis. Wanneer er nu iemand binnenkwam, die niet het wachtwoord wist te geven, kon hij niet binnendringen, want dan stond daar de man met het zwaard. Hij kon zich ook niet terugtrekken, want achter hem stond de man met de dolk. Wou hij terug of wou hij geweld gebruiken, dan kreeg hij het in zijn rugje. Dan wordt hij begraven. En die symbolen zijn zelfs in de Vrijmetselarij hier en daar doorgedrongen.

  • Dat is inderdaad juist.

Dus ik wil maar zeggen dat geheimhouding daar van levensbelang was. En daarom mogen wij over de kabbalisten wel spreken als een geheim­school. Niet in de zin van een dogmatische beweging, maar eerder van een beweging met vlottende elementen, die ‑ contact opnemende – ergens kwamen leren en gedurende die tijd behoorden bij een besloten gemeenschap met allerhande geheime gebruiken. Die dan ten slotte weer uit die beweging wegtrokken om mogelijkerwijze later met bepaalde paswoorden, die internationaal waren, gebaren enz., het contact met andere groepen op te nemen, indien zij dat wensten. Soms hadden ze een aparte spreuk, die dan een sleutel was ‑ een soort diploma eigenlijk. Dan kreeg bv. iemand in Parijs die een leerschool had doorgemaakt, een wachtwoord. Als hij met dat wachtwoord in Londen kwam, dan wisten ze daar, dat hij niet alleen maar een doodgewone nieuweling was, maar iemand, die die en die graad bereikt had, die en die studie had doorgemaakt. Dat hij wat wist, enz.

  • Dat is nog zo.

Het is nog zo, ik weet het. Maar ik wil maar zeggen dat deze gebruiken van vervolgden volgens mij niet het element uitmaken van een geheimschool, zoals dat bv. geweest is indertijd in Alexandrië. Daar had je een geheimschool met aparte klassen, met inwijdingsgeheimen, die per klasse gingen; en die een zeker peil lieten bereiken, waarna je vrij was voor jezelf. Dat had de kabbalist niet. Bij de kabbalist werd je opge­leid, tot je bereikt had en dan zei je: “Dank je” tegen je meester en dan ging je. Dan nam je zijn tijd niet meer in beslag.

  • Die scholen, waren dat de Shiba?

Soms gingen ze onder die naam door, ja. Maar dat is niet altijd zo geweest. Er zijn heel wat verschillende namen voor bedacht geweest om de doodeenvoudige reden dat heel vaak ‑ vooral in de latere periode; dus nu spreken we van 1600 ‑ die scholen in feite geen joodse scholen meer waren, ook al waren het in de eerste plaats vaak joodse leraren, die daar optraden. En door dat algemene karakter heeft men dus langzaam maar zeker die naam verschoven en verscholen.

  • U hebt zo-even gesproken over die scholen van Spanje, Granada en die van Novgorod en uit Kiev. Hebben de Sephardiem met de Ashkenazi sa­mengewerkt?

Soms waren ze zelfs vijanden. Ze hadden dus hun eigen opvatting en leer. Dat is juist het typische van de kabbalist. Hij heeft zijn eigen opvatting en zijn eigen leer, zijn eigen denkwijze. Bijvoorbeeld als je nu de School van Novgorod neemt en je zet hem tegenover die van Hamburg, dan die door de Jiddisch orthodoxe school, was Hamburg een libertijnse school, die je in Rusland had, eenvoudig werden aangezien als de grootste ketters op de wereld. Maar er was een principe dat hen verenigde. En wanneer dergelijke figuren elkaar ontmoetten dan is het eigenaardige, dat het heel vaak eerst een duel was van macht en ‑ dus tonen wat ze kenden ‑ gevolgd door een verzoening, waarbij dan degene, die de nederlaag had geleden, zich eerlijk bekende als leerling tot de gevonden meester. Dat is het typische.

  • Was Maimonides ook een kabbalist?

Een moeilijke vraag. Kijk eens. Ik zou het zo willen zeggen: hij deed aan kabbalistiek. Maar hij had daarnaast andere belangen, zoals u weet, en andere gedachtegangen, die hem de vrijheid van de toenmalige kabba­listen toch wel enigszins deed schuwen. Hij was nog niet zozeer een vrij­e geest. En dat is bij de kabbalistiek belangrijk. De vrijheid om je weg te kiezen is de kern van de kabbalist.

  • U sprak met een enkel woord van de Golem. Zou u daarover nog het een en ander willen vertellen, want er is een legende, de legende van de Golem; er is een romannetje over geschreven door Gustav Meyrink.

Kijk eens, het verhaal is heel simpel: Er was een deel van het volk in nood. En wanneer het volk zwak is, is het volk zwak door zijn begeer­te, zijn angst en zijn gevoelens. Wanneer je nu een figuur maakt op de juiste wijze uit klei, enz., dan schep je een figuur, die hier de menselijke eigenschappen heeft van gevoel, van vrees, van begeren. Maar zo’n Golem is gelijktijdig het brandpunt van alle gedachten. Dan zou je kun­nen zeggen: Je kan zo’n Golem afstemmen, zoals je dat bv. gedeeltelijk kan doen met een “schil,” die Je laadt met een bepaalde intentie en die dan alleen volgens deze intentie leeft. Hij onttrekt zijn krachten aan degenen, die het met hem eens zijn; en gelijktijdig verliest hij zijn krach­ten, wanneer zijn gelovigen hem verlaten. Zo was die Golem eigenlijk een brandpunt van het denken en streven van een onderdrukt joods volk, in een getto. Daar heeft men een roman van gemaakt. Nu is er een ding bij, dat u misschien wel zal opvallen, dat nl. op het voorhoofd werd gete­kend met een speciaal krijt ‑ niet met een gewoon krijt, maar met een spe­ciaal krijt ‑ de letters “shin”, het teken “shin”. Dat is een bepaald te­ken, dat enigszins doet denken aan “pi” (het teken pi, de letter pi. Enigszins). Daardoor zou dan de uitdrukking van een goddelijke kracht (hier heb je weer de kracht van het letterteken bij de kabbalist) de etherische kracht daarbinnen werkzaam doen worden. Maar als denkend vermogen had het alleen de angst en de begeerte van het volk. Daarom kon de Golem losbreken.

U begrijpt dat dit verhaal grotendeels symbolisch is. Daar is wel kunstmatig leven gemaakt, maar toch niet zoals zo’n roman of zo’n legende dat vertelt. Maar het is wel waar, dat je de kracht en de begeer­te van een volk kunt nemen en daaruit een persoonlijkheid kunt maken, die deze verwerkelijkt ‑ ook tegen het begeren en het willen van het volk in, waaruit oorspronkelijk de kracht ontnomen werd. En daarvan is de Golem in de eerste plaats een symbool. Men kan weliswaar een uitvoer­der van zijn begeerte willen scheppen als een bevrijder, maar het betekent ook, dat men zich dan moet onderwerpen aan hetgeen men geschapen heeft.  Slechts degene, die de levende kracht beheerst, kan het teken wegwissen. Slechts wie het teken kan wegwissen, kan de verbinding met de ether, de levende kracht, verbreken en zo dus het gevaar doen wijken. Dan verliest het volk a.h.w. zijn brandpunt.

  • Hoe is de afbeelding van de Golem?

De illustratie daarvan verschilt nogal wat. Meestal maakt men hem onmenselijk, wat hij nooit kan zijn, omdat hij een beeld van de mens moet zijn. Men beeldt hem meestal af groter dan een mens, wat alleen mogelijk is, wanneer de menselijke verhouding perfect bewaard blijft. Men beeldt hem verder vaak af zonder ogen, dus zonder werkelijk gelaat, maar vooral daar, waar men zich toch al bezighoudt met mystiek en esoterie. Want de Golem heeft geen eigen ogen, maar ziet met de ogen van degenen, die hem drijven. Hij heeft geen eigen mond, maar hij spreekt alleen met zijn daden, de taal van de gedachten van degenen, die achter hem staan. De Golem is dus a.h.w. een oorlogsmachine. Neen, geen robot. Want een robot reageert op vastgelegde bevelen. Een Golem reageert op de vaak onderbewuste gedachten er begeerten van mensen. Dat is wel iets anders. Men zou hem in deze tijd misschien willen afbeelden als een soort robot en zijn zeer wijze schepper willen noemen als de eerste vervaardiger van ‑ hoe heet het ook weer ‑ de servo­-mechanisten. Het is toch niet waar, hoor. Het is een mystieke kwestie die zeker ook in verband staat met de magische machten van kabbalisten en in zich dus ook iets draagt van de kabbalistische levensleer en beschouwing, zonder op zichzelf een directe uiting van kabbalistiek te mogen heten.

  • Dus de kabbalist hield zich in de eerste plaats met, magie bezig?

Een deel van de kabbalisten. Ik heb aangestipt dat er ook in de Kabbalistiek een zgn. magische weg bestond en dat deze vooral door de Russische groepen ‑ dus de School van Kiev, Novgorod ‑ eigenlijk werd bedreven. Maar nu moet u dat ook weer niet misverstaan. Kabbalistiek is een verzameling van wetenschappen. Dat heb ik gezegd. En magie was vroeger een wetenschap. Een geheime wetenschap, maar een wetenschap. Magie werd gedoceerd op vele scholen. Zelfs de ongelovige Grieken had­den in de tempel van Neptunus een bepaalde inwijdingsschool. En daar werden ook scholingen in magie gegeven. Zoals er ook verschillende schrijnen bestaan hebben, waaraan zgn. magische scholen verbonden waren, verborgen scholen. Hetzelfde vindt men bv. in Egypte. In Egypte bestaat de dodenstad, die Neferote geheten werd, waarin een absolute school voor magie – m.i. niet direct verlichte magie ‑ gevestigd was, die in sommige tijden 1200 leerlingen telde. Ze stond onder de bescher­ming van Anubis. Dus ik wil maar zeggen dat magie vroeger een weten­ schap was. Als zodanig is de magie altijd een deel geweest van de kab­balistiek en is het magisch bereiken nog steeds in elke tak van kabba­listiek een soort nevenverschijnsel. Eigenlijk is de getallenleer van de kabbalisten ook een zekere vorm van magie. Hun werken met namen en naam,­ tekens en heilige letters is ook een soort van magie. Zeg nu maar, dat het niet waar is.

  • Werd dat in het openbaar onderwezen?

Nu, bij de kabbalisten werd dat niet openbaar onderwezen, maar er zijn toch wel verschillende scholen geweest, In Novgorod is er een school geweest, waar magische praktijken, als daar zijn wondergenezing, maar ook onzichtbaar maken, oproepen van geesten en dergelijke (dus een soort ne­cromantie) door kabbalisten onderwezen worden.

  • Omdat U zegt, dat er in Egypte een school was van 1200 leerlingen.

In Egypte, maar dat is een hele tijd geleden. Dat was voor Christus’ geboorte.

  • Maar per slot van rekening is toch elke inwijding een kwestie van magie?

Elke inwijding omvat voor de leek het begrip magie om de doodeenvoudige reden dat het met vergroting van bewustzijn en vergroting van beheersing gepaard gaat.

  • Dus een integratie van de persoonlijkheid.

Uit de aard der zaak. Dat is de inwijding.

  • Voor de rest is er dan geen magie zou ik zeggen. De rest is maar Spielerei. Dat komt er maar nebenbei, zou ik zeggen.

Och, Spielerei, dat zou ik niet willen zeggen, Neen, je moet het zo zeggen: Magie is het gebruikmaken van wetten, die niet algemeen bekend zijn. Dat is zo’n slagwoordje bij ons. Stel je nu eens voor dat je door integratie van je persoonlijkheid een beter inzicht krijgt in de mogelijkheden, die er bestaan. Dan heb je dus daardoor de mogelijkheid om wetten te gebruiken en krachten te hanteren, die ‑ ofschoon natuurlijk zijnde ‑ onverklaarbare resultaten voortbrengen voor degene, die de inwijding niet kent. En dus wordt dit magie geheten; dat is magie. Dus gaat in feite de uiterlijke mogelijkheid gepaard met de innerlijke bewustwording. Alleen de ene school zegt: “We moeten in de eerste plaats het verschijnsel zoeken”. En de andere school zegt: “Ach, die verschijnselen laten me koud. We zoeken alleen maar naar de inhoud van ons eigen wezen. Die wereld veranderen we wel door ons eigen streven. Daar hebben we geen andere wetten voor nodig. We willen de mensen niet overdonderen, maar opbeuren tot ons peil. Dat verschil heb je in de kabbalistiek heel sterk uitgedrukt.

Er wordt verteld van één der Russische kabbalisten, dat hij als een arme man op bezoek kwam bij een gezin. En dat hij daar ‑ het was sabbat, de vooravond van sabbat ‑ werd ontvangen en volledig deelnam aan het sabbatsmaal, enz. en daarvoor als loon na de sabbat een dochtertje genas. Hij werd bij een ander slechter ontvangen. Men gaf hem daar ook wel een onderdak en wat men verplicht was, maar deed hem niet aanzitten met de huisgenoten, wat dus eigenlijk een soort vergrijp was tegen de religieuze opvatting van die tijd. En daarvoor sloeg hij toen de oudste zoon met de dood. Toen kwam een concurrent (een andere rabbi). Deze kwam dus naar de plaats, waar men hem geroepen had en genas de zoon. En dat gebeurde op de sabbat, toen hij al een week dood was. Toen is er tussen die twee een duel geweest. De één zei: “Het leven is altijd heilig, heiliger dan alles, ook heiliger dan gekwetste trots.” Kijk, daar zie je het dus De één was magiër en werd als zodanig gevreesd. Hij vermomde zich om niet als “de magiër” herkend te, worden, maar gebruikte gelijktijdig de magie om zijn eigen opvattingen over de dingen uit te drukken. De ander was bekend, nietwaar, als magiër. Hij werd als magiër geroepen, maar gebruikte de magie alleen voor anderen. Hij was in zijn normale leven arm of zeker niet zo rijk als zijn collega. Toch mag ook de eerste niet zwart genoemd worden, want hij deed wat z.i. recht was. En er staat toch ook wel, dat de profeet, die uitgescholden werd, voor “kaalkop”, tot de Heer riep (dus bovennatuurlijke machten gebruikte), waarop beren uit het woud kwamen, die de knapen ver­slonden.

  • Dat vind ik erg moeilijk om aan te nemen. Voor mijn gevoel doet het vreemd aan, dat men zegt: Die moeten gestraft worden voor wat zij gedaan hebben.

Ja, kijk eens even, wat wordt er geleerd? “Onze God is een toornige God.” Met andere woorden: het rechtvaardigheidsprincipe heeft in het Jodendom altijd gestaan naast en vaak zelfs boven het principe van lief­de en bescherming. God is in de eerste plaats de Rechtvaardige. Wanneer de profeet wordt beledigd, wordt daarmee zijn Meester, de Heer, beledigd. En het is dus logisch dat de kracht van de profeet gebruikt wordt om deze smaad ‑ niet slechts hem maar ook zijn Meester, de Schepper, aange­daan ‑ te wreken.

  • Daarover valt te discussiëren.

En dan kunnen we zeggen dat dit voortkomt uit een onvolledig be­grip van het wezen van God. Of we kunnen zeggen, dat de Elohim, die de leider was van het Jodendom, dus een andere geaardheid had dan de Elohim die op het ogenblik de bewustwording bevordert.

  • Dat is oog om oog, tand om tand. Dat heb je ook met Elia en de Baäls­ priesters, die laat hij allemaal…
  • En dat blijft altijd zo doorgaan in de wereld?

Nee, dat blijft niet zo doorgaan. Maar wat je niet mag verwarren is dit: dat de bewustwordingsmogelijkheid op een wereld gebonden is aan het totale bewustzijn, dat de wereld regeert op dat ogenblik. Dat de juiste uitdrukking daarvan bij de mens altijd lager zal liggen dan de juiste uit­drukking vanuit het scheppend of regerend principe van dat ogenblik. En dat het dus volkomen logisch is, dat iemand, die gebonden is aan de­ze wetten en regels voor zich een volledig gerechtvaardigde uitdrukking vindt in een wraak‑principe, dat voor iemand, die een beetje wijzer, een beetje beter is, niet meer acceptabel is. Vandaar de strijd tussen de twee leraren.

  • De twee zuilen.

Neen geen zuilen, dat is weer wat anders. Moet je eens luisteren

  • Toch valt me dat tegen, dat iemand, die zo hoog staat en zo’n be­wustzijnsuitbreiding heeft dat hij krachten kan hanteren, dat hij tevens zijn lage instincten laat gelden. En dat hij in de gedachte “men heeft God te kort gedaan,” zich vereenzelvigt met de Allerhoogste. Dat zit erin, dat zit er in.

Dat is het juist. U accepteert het niet en u ook niet. Maar hoevelen staan er niet in de kerken die van­daag nog zeggen: “De Heer zal ons wreken.” Die bidden: “Heer, versla onze vijanden.”

  • Maar het is onze bedoeling, dat we daar naartoe gaan. De achtergrond van onze…

De bewustwording betekent een integratie van de persoonlijkheid niet met één principe, maar met het Zijnde. En dat betekent dat de werkelijke grote inwijding en bewustwording een verbreken van tegenstellingen is van de grenzen van goed en kwaad om daarvoor in de plaats te stellen een perfecte verwerkelijking van wat je weet. Maar per slot van rekening als ik u nu hoor praten, dan is het of u een kind in een kleuterklas wilt aan­rekenen, dat het nog niet op de hoogte is van integraalberekening. Maar toch kan dat kind in die kleuterklas verschillende dingen, die voor nog kleinere kinderen een wonder zijn. De wonderen van vroeger gebeuren te­genwoordig niet meer. Waarom niet? Vroeger was het een wonder als er één zei: “Er zij licht,” en er was licht. Of: “Zon, sta stil,” en de zon stond stil, Wat doet u tegenwoordig? U loopt naar het lichtknopje, u draait het om en u hebt het. Het wonder is weg. Maar dat is heel wat anders dan te zeggen: “Die wonderen van vroeger passen niet meer.” In uw tijd en bewustwording passen ze niet. Maar in die tijd waren ze een uit­ drukking van een bewustzijn, dat verder ging en een grotere harmonie met de toen heersende wetten der natuur, de goddelijke natuur, de heersende natuur betekende, dan u zich op het ogenblik kunt voorstellen. En daar­om kan zo’n profeet in zijn handelingen en daden gelijktijdig minderwaardig zijn volgens uw opvattingen en toch volgens zijn eigen bewustzijn meer waardig. Maar het feit dat hij de grenzen niet kent van zijn eigen wezen, mag je hem niet aanrekenen.

  • Heeft Jezus ook lering gehad in de kabbalistische leer of ook ge­geven?

Jezus was geen kabbalist. Hij heeft wel contact gehad met de Essenen. En dat was een cultus ‑ zijn vader en moeder waren er ook bij ‑ die de Messias‑gedachte heel wat sterker kende, en zich door ontberingen, (het herscheppen van de tocht door de woestijn a.h.w.) voorbereidde op de komst het nieuwe, het werkelijk beloofde land: En daarin was dus een grote mate van mystiek ook mede verwerkt.

Daarnaast was er een tweede sekte die de bovennatuurlijke werkingen trachtte te bereiken door meditatie en rein leven. Dat waren de Esseeërs. Er is dus verschil tussen de Essenen en de Esseeërs. Hij heeft met beiden contact gehad en heeft dus ongetwijfeld daar kennis gemaakt met vele kabbalistische leerstellingen. Bovendien hoeft hij in zijn jeugdjaren een tijdlang een opvoeding gehad nabij het huis van een bekende kabbalistische rabbi. Deze was geen voorganger, maar was een leraar geworden. En daar heeft hij dus ook al veel opgevangen. Vandaar dat hij op twaalfjarige leeftijd in de tempel de wetgeleerden kon verbazen. Hij had het met de paplepel ingekregen. Kijk, dat is natuurlijk ook wel degelijk van invloed geweest op Jezus’ handelen en denken en heeft hem gebracht tot een punt, waar Johannes de Doper, die eigenlijk een Esseen was, dus bleef staan bij: de Messias komt. Maar Jezus door zijn veelzijdiger opleiding zei: Ik wil de kracht van de Messias in mij verwerkelijken.

En dan kan je erover vechten, of hij de werkelijke Messias is of niet, Maar één ding is zeker: Hij was een groot man. En hij heeft heel veel kunnen bereiken. Als de mensen zich hielden aan wat hij geleerd heeft, waren ze er beter aan toe geweest. Maar ja, het was net als met de Joden, nietwaar. Een goed volk, maar ouderwets, zeggen wij. Net als die profeet, waartegen u protesteerde. Ze zeiden niet: “Hier brengt iemand de ware essentie van het leven.” Neen, ze zeiden: “Hij zondigt tegen de wet. Sla hem dood.” Net als de profeten. Die beklaagden zich ook, wanneer het niet ging volgens hun conceptie van recht en goed. En daarom zagen ze de inhoud niet van hetgeen er rond hen gebeurde. Zo is het met de Joden en met Jezus gegaan. Je mag het hun niet kwalijk nemen.

  • Is er iets van de kabbalistiek overgegaan naar de negroïde‑volken of is van hen iets magisch overgegaan naar en gebruikt in de kabbalistiek?

Er is onder de negroïde‑volkeren (de kinderen van Cham) een beschaving geweest die grote steden bouwde en een grote beschaving en ontwikkeling kende, ook magie. Dat staat weer met de vroegere geschiedenis van de wereld en van de volkeren der wereld in verband. En daaruit is opgebloeid een magisch weten, dat zo machtig was, dat het in de Egyptische tijd erkend was. Dus er kwamen soms goden van over het halve continent, de machtige goden van Egypte bezoeken en omgekeerd. Ook beelden van Egyptische goden gingen naar deze negroïde‑volkeren en hun steden op bezoek. Daardoor vond een uitwisseling plaats van magisch kennen tussen de Egyptenaren en de neger‑priesters. Het resultaat is geweest, dat juist de magische praktijk voor een groot gedeelte is overgegaan naar de gebruiken van Egypte en via Egypte naar de Joden en verschillende andere volkeren ‑ ook naar de Kretenzers bv. ‑ maar dat anderzijds beginselen, die de Joden hadden meegebracht en die de Egyptenaren kenden, die verder uit het oosten kwamen, ook werden meegegeven aan deze priesters en zo deel zijn gaan uitmaken van overleveringen, die ten dele vandaag de dag nog bestaan.

Het is bv. heel eigenaardig dat bij bepaalde geheime verbonden van Afrika op het ogenblik rituelen in gebruik zijn, die ons doen denken aan de oud‑Egyptische, maar ook aan de oud‑Babylonische. Het is nog vreemder misschien dat daarbij soms lettertekens en runen worden gebruikt, die ‑ laten we maar zeggen ‑ ons eerder doen denken aan vroeg‑koptisch schrift dan aan wat anders. En dan kun je zeggen ­”Ja, maar daar zit negroïde in”. Maar dat is toch Noord‑Afrika en dat wordt gebruikt bij magie in het zuiden, tot bij de Bosjesmannen toe. Dus daar is een voortdurende wissel­werking geweest. Dan vraagt u: “Is er een negroïde‑element overgegaan naar de kabbalistiek?” Ongetwijfeld hebben bepaalde bereikingen van de negervolken en oude leerstellingen invloed gehad op de opvattingen van vele kabba­listen. Omgekeerd heeft ongetwijfeld de vroege kabbalistiek (dus om de kabbala geweven mystieke leringen, enz.) ook zijn invloed gehad op sommige negervolken en beheerst daar vandaag de dag. nog soms enkele gebruiken. Een van de volkeren, waar dat nog sterk tot uiting komt, is bv. de Guru, de Gombi en de Massai, daar kun je het ook nog vinden. Er zijn er nog meer, maar ik ken ze niet allemaal uit mijn hoofd. Het zijn allemaal van die tongenbrekers‑namen.

  • Wat we vandaag de dag nog terugvinden in Haïti en de tekens, die de negers gebruiken in West-Indië staat dat daarmee nog in verband?

Ja, dat is dus de voodoo. En deze voodoo is een magische cultus, die teruggaat op de oud‑magische gebruiken van de negers. Maar het is overerfd. Met andere woorden het is vertekend en er zijn bv. in de gebruiken van de voodoo bepaalde christelijke praktijken gekomen terwijl daarnaast bv, seksuele praktijken gebruikt zijn van sommige Egyptische en ook Griekse tempeldiensten. Dat is daar dus ook doorgewerkt. Maar ook langs andere wegen in die beschaving ingedrongen. Nu is het in Haïti zo geweest. Die opstand daar heeft de negerbe­volking bevrijd van de remming van de blanke (de grote opstand). En toen moest men een impuls hebben. En dan is de magie, de magische drank, de magische orgie en de dans voor de neger de methode om een band te vormen. Daardoor werd de voodoo toen wel heel erg bevorderd en heeft men bepaalde blanke elementen daarbij ingebracht, die vandaag de dag nog werkzaam zijn. Dus dat is eigenlijk een grond‑magie, waarin wel te­kens zitten, maar ik zou toch niet willen zeggen dat hier van een zui­ver kabbalistische invloed sprake is. Eerder van een vererfd zijn van tekens, die soms helemaal niet meer in de juiste zin worden gezien of gebruikt.

  • Mag ik iets vragen omtrent die oude magie daar in Afrika? Kabbalistiek is een uitvloeisel van bewustwording. En nu is mijn vraag: Is magie ook een uitvloeisel van bewustwording?

Ongetwijfeld. 1 Met andere woorden er kan alleen magie ontstaan ‑ hetzij het zwart of wit gebruikt wordt ‑ als een bepaalde integratie al gebeurd is, als er bepaalde krachten zijn veroverd door een bepaalde wijze van leven.

  • Is dat juist?

Dat is niet altijd zeker. Niet altijd.

  • Dus mijn vraag is eigenlijk: Hoe komen ze eraan?

 Kijk eens, je kunt magische krachten op twee manieren verwerven. De ene is door beheersing van het eigen wezen, dus erkennen van het eigen wezen en erkennen van gelijke waarden in de wereld waardoor de beheersing ook daarvan mogelijk wordt. De tweede is door het “ik” over te geven aan andere krachten en in eenheid met deze andere krachten het “ik” uitschakelend via het bewustzijn van deze anderen krachten te bereiken. In beide gevallen krijgen we magie. In het eerste geval heb­ ben wij de bewuste magiër, die dus van uit zichzelf werkt en daarbij zo­wel zwart als wit kan zijn. Krijgen wij de tweede soort, dan hebben we te maken met een magie, die in‑ principe altijd zwart is ‑ ook wanneer ze goed werkt ‑ omdat ze alleen werken kan met wezens, die stoffelijke wezens als hun slaaf willen gebruiken. Die daarmee dus a.h.w. de persoon­lijke bewustwording uitschakelen als een actief, en daarvoor in de plaats stellen een eenwording (vaak in een razernij en een aanschou­wen, daarin tot uiting komend en in die eenwording die mach­ten ontplooien via de mens, dus niet in staat is zelf te bepalen, wat hij tot stand brengt, maar alleen kan trachten de met hem samenwerkende kracht ‑ door overgave van zijn wezen of andere offers te brengen tot het volvoeren van eer, door hem gewenste daad. Een groot verschil.  De witte magie kent niet het bloedoffer. Het is niet noodzakelijk. Wel het reukoffer, maar niet het bloedoffer. Maar de zwarte magie kent veelal het bloedoffer, terwijl de onbeheerste magie altijd met het bloed­offer gebonden is. Een verschil.

  • Dank U zeer.
  • Mag ik U wat anders vragen? Bij één van mijn kennissen is geopperd dat een bepaalde naam steeds bij je hoort op kabbalistische gronden.

Ja.

  • Dus als u nou Abraham heet en u komt weer op de wereld, dan heet u weer Abraham?

 Nou, dat dacht u. Dat dacht u…

  • Of in elk geval de klank daarin?

Neen, ook niet de klank. Wel de waarde. Maar de waarde Abraham was vroeger niet de mijne en zal in de toekomst ook de mijne niet zijn. Want vroeger was ik minder dan ik nu ben en ik zal meer zijn, dan ik nu ben. Daaruit volgt dus, dat er tijden zijn, dat je geestelijk a.h.w. een nieuwe naam krijgt. Het gekke is, dat dit zich heel vaak symboliseert door een verandering in roepnaam op aarde.

  • Zou U dat dan eens nader willen toelichten?

Wat is daaraan toe te lichten?

  • Hoe kan het dan, dat je roepnaam op aarde verandert? Want normaler­wijze weten de mensen op aarde dat niet.

Kijk eens, ze weten niet waarom ze de dingen doen, dat weten ze vaak niet. Maar ze weten wel, dat er iets veranderd is en ze passen zich daar­ aan aan. Om nu een voorbeeld te geven: Er is een bepaald iemand, die noemen ze Ventje. Dat wil zeggen, het is een grote jongen in zijn bewust­zijn. Die kan 30, 40 jaar worden en dan noemen ze hem nog Ventje. Wel, op een gegeven ogenblik treedt hij anders op. Dan voelen de mensen, dat past eigenlijk niet meer bij hem. En dan gaan ze hem anders noemen. Een concreet voorbeeld, hoor, uit de werkelijkheid gegrepen. Zo kan iemand bv. Johannes heten. Thuis wordt hij Han genoemd. Op school noemen ze hem Hannes. Hij wordt wat ouder. Zijn vrouw noemt hem eerst Han, want ze ziet in hem nog het kind (de band, waarbij het moederlijk element in het huwelijk dus ook een woordje meespreekt). Maar hij vindt zichzelf. En wat is nu het gekke? Dan zal zij een tijdlang “Mannie” tegen hem zeggen of zoiets. En op een gegeven ogenblik komt het hoge woord eruit en dan heet hij Jo.

  • En wat betekent dat dan?

Dat betekent doodgewoon, dat ze op de een of andere manier heeft aangevoeld, dat die naam niet meer bij hem paste; en dat ze dus automa­tisch door een andere waarde te gebruiken hem ook gelijktijdig erkent in een nieuwe getalswaarde, ook al weet ze dat niet. Per slot van rekening, wanneer u alles bewust moest doen, dan zou u nog veel minder doen dan u nu doet.

  • Ik ken een voorbeeld van het omgekeerde: Dat hij eerst Jo genoemd wordt en naderhand Hans.

Dan mag ik het misschien een keer omdraaien. Maar als u nu eens een kabbalistisch letterlijstje te pakken kunt krijgen, vergelijkt u dan die getallen maar. Dan zult u zien dat Jo, Han, Hans, Hannes, allemaal verschillende getallen zijn. Dat die getallen overeenkomen met andere planeten en dat ze in zich ook de kernwaarde van andere elementen kun­nen bevatten. Dat is niet altijd noodzakelijk, maar waarschijnlijk is het wel bij zo’n verandering. En dan moet u zich maar eens proberen te reali­seren welk element nu door die berekening wordt aangegeven en welk element dus naar voren is gekomen. Dan zult u zien, dat het heel rationeel is, dat als de mens verandert, men hem anders gaat noemen.

Noem nu bv. de kwestie …. nah…. een aggenebbis ventje….een bedelaar. Die loopt daar te wandelen, onderdanig; hij krijgt van ieder­een een schop. Als ze tegen hem spreken, zullen ze hoogstens uit de hoogte tegen hem zeggen: “Nou, man, hier heb je een dubbeltje.” Diezelf­de bedelaar krijgt lef. Een paar centen in z’n zak. Hij loopt een chic restaurant binnen. Ze zullen hem eruit smijten. Hij richt zich op en zegt: “Ober, weet je wie ik ben?” Hij heeft zijn persoonlijk bewustzijn gevonden. Die ober geeft hem een tafeltje en noemt hem “mijnheer”. De verandering van de persoonlijkheid wordt weerkaatst door de reactie van de mensen. Deze reactie ligt niet alleen in de verhouding van mens tot mens, maar ook in de situatie, in de levensstroom t.o.v. andere delen van de levens­boom. En daardoor wordt dus elke verandering symboliseerbaar door de ge­tallen, die het totaal van de verhoudingen vastleggen. En dit betekent ook een andere klank of letterwaarde.

  • U hebt gesproken van o.a. persoonlijkheden, die kunnen zijn: aarde, vuur, water, lucht, Dat kent men in de astrologie ook. Dus is het nu zo, dat iemand, die onder een luchtteken geboren is, ook kabbalistisch tot het element lucht gerekend zou moeten worden? Neem bv. iemand die in februari geboren is

Ja, Waterman, dus luchtteken. Dus over het algemeen occulte en technische inslag. Dat is allemaal waar. Maar die behoeft nog lang niet kabbalistisch een luchtteken te zijn. Hij kan het worden, wanneer zijn oc­cult bereiken hem losmaakt van de aarde. Want als mens is hij in de eerste plaats een aardeteken. Komt hij in de hartstocht terecht, dan is hij van aarde overgegaan tot vuur. Komt hij in een levensaanvaarding terecht, waarbij dus het daadwerkelijk element terugvalt voor een zich laten lei­den door omstandigheden, dan komt hij meestal in een waterteken terecht. Maar begrijpt hij de zin van zijn hartstocht en het beheersen daardoor, of van het zich laten drijven en wordt hij daardoor beheersend, dan kan hij noch in het één noch in het andere element zijn. Namelijk in vuur is lucht noodzakelijk; in water is lucht geborgen. Wanneer men dus vrijkomt daar­uit en het element van onbeheerstheid en gebondenheid aan het onbegrepene loslaat, kan men uit beide elementen tot lucht worden. Is men lucht, dan heeft men daar de grootste saturatie, de grootste doordringing van de ether. Als gevolg sta je dus dichter bij een etherisch aanvaard­baar weten en dus de mogelijkheid tot een kosmisch huwelijk. Vandaar dat de aarde en het aardgebondene het enige is, waarvan de kabbalist aanneemt dat het niet ‑ tenzij gereinigd door water en vuur ‑ gehuwd kan worden met de ether, en dus tot levende kracht gemaakt. Van lucht echter wordt niets gezegd. Die is onmiddellijk verbindbaar. Vuur is ‑ dankzij en door middel van de lucht ‑ verbindbaar met de ether, (het element daarin aan­wezig); en hetzelfde geldt ook voor water. Aarde is dus a.h.w. het laagste teken. De twee lijnen gaan op en zo vormen dus aarde met water en vuur de eerste driehoek, terwijl water en vuur op zichzelf met lucht de tweede driehoek vormen, waarmee de symbolische ruit voltooid is. De bo­venste driehoek draagt in zich de mogelijkheid tot associatie met ether, waardoor de zandloper geschapen kan worden en de elementen nu niet meer met het breedste raakvlak maar met de punt elkaar raken. Daarmee is dan tevens weer de figuur geboren, waarin we door het stellen van de letters op de doorlopende lijnen de onmiddellijk kosmische krachten kunnen erkennen. En dan zullen we in het raakpunt (dus waar de driehoeken elkaar raken) voor ons het moment van uitdrukking vinden van twee scheppende, krachten, twee Elohim, die in een wezen tot uiting komen en zo de herborenheid van dit wezen maken tot een kosmisch bewustzijn ofwel een be­grijpend aanvaarden van de Logos in zichzelf.

 Geïmponeerd door de kracht en de schoonheid, die ik ontmoet bij de stemmen van de synagoge‑zangers, vraag ik mij af: Is er wat de methodiek betreft een correlatie met het kabba­listische?

Onbewust in sommige gezangen zeker wel. En wel omdat de klank­ opeenvolging hier niet alleen volgens het schoonheidsprincipe is ge­bouwd, maar volgens een waardeprincipe. Dat wil zeggen: elke noot, elke toon op zichzelf heeft een betekenis. De zanger zingt dus niet woorden op een melodie, maar zingt een melodie, die in zichzelf woord is en slechts voor de leek nader in het woord wordt uitgedrukt. Dat is het grote verschil. En als u vatbaar bent voor hetgeen dus in die tonen is opgesloten, dan noemt u dat een eigenaardige schoonheid. In feite wil dat alleen maar zeggen dat u verstaat wal ze proberen te zin­gen. En het is begrijpelijk dat een oud ras als de Joden – laten we nu eerlijk zijn, in de tijd, dat uw adellijke families nog met een visgraat achter de oren zaten te krabben, omdat ze nog niet wisten wat fatsoen was, hadden de Joden al een grote tempel en steden; was de wetenschap van het Jodendom en ook de kunst van het Jodendom al ver ontwikkeld. Dat gaat niet teloor. Omdat de traditie zo oud is in een be­schaving, die niet een romeins barbarisme heeft gekend, kan het Joden­dom artistiek soms buitengewoon veel voortbrengen. Het is een oud ras. d.w.z. dat het in zijn scheppende vermogens soms wat beperkt wordt. Maar het wil ook zeggen dat het in zijn reproductieve vermogens en zijn begrip voor kunst heel vaak meer dan de helft voor heeft op andere en jongere rassen, die niet een dergelijke lijn van overlevering en dus van inborst en begrip achter zich hebben staan.

  • U spreekt nu steeds over joodse rassen, maar er is toch geen joods ras meer?

En waarom niet?

  • Omdat het zich zo gemengd heeft met duizend en één verschillende rassen, dat er van een joods ras niets meer over is.

Dat is een opvatting. Maar mag ik er even aan herinneren, dat er bepaalde huwelijkswetten bestaan.

  • Bij de Joden?

Ja. En die huwelijkswetten waarborgen een geestelijk redelijke zuiverheid: 0, ik weet wel, ze worden niet gevolgd, niet door de meesten. Maar er zijn families, die ze wel volgen.

  • Er zijn er, dat is een unicum.

Voor u. Voor mij niet. De Joden van Nederland of de Joden van Amerika zijn niet alle Joden.

  • Ja, we kennen ook wel de Oost-Europese; en de Sephardiem ken ik ook wel.

Goed. Dan zal men toe moeten geven dat er delen van het joodse volk op het ogenblik nog volledig voortbestaan. Een rassenmenging komt altijd voor.

  • Zelfs in Palestina is het niet zuiver.

Ach, Palestina, Palestina

  • Daar wordt toch mee gedweept door de Joden.

 Wanneer er een tempel staat misschien. Maar zolang als er alleen maar baardige dwepers en handige zakenlieden toevallig een oud geloof terugvinden zonder meer. Neen. Wanneer Israël een staat wordt van Joden en wanneer de Joden in Israël niet Israëlisch zijn, omdat zij in deze staat willen wonen, maar omdat zij Joden zijn. Omdat zij geloven, intens en oprecht, met volledige overgave aan al hetgeen hun vaders hun geleerd hebben. Dan heeft het betekenis. Maar zolang het alleen maar een uitwijkhaven is voor vervolgden…

  • Dat is de strijd van het Zionisme, wat U daar zegt.

Dat is de strijd van het Zionisme, ja. En wat zijn de heethoofdige Zionisten? Gaat u daar kijken

  • Het hangt er toch maar van af, op welk standpunt u hen wenst te plaatsen.

De ware Zionist, weet u wat dat is? Dat is degene, die het minste meetelt. Dat is de jonge mens, die zijn joodse geloof nog beleven durft en kan in een gemeenschap, die erop gebaseerd is; en die met zijn handen werkt. Het zijn de jonge mensen, die met een geweer aan de ploeg lopen.

  • U bent het toch met me eens, dat die in de verre, verre, verre minderheid zijn?

Dat geloof ik graag. Maar neem van mij één ding aan ‑ wat dat be­treft ben ik het eens met de Hamburgse School. Bewustzijn uit zich niet in een zware baard en in vettige kleren, noch in vele woorden. Maar in een innig geloof, in daden, die aangepast zijn aan de tijd, die God ze oplegt te beleven: Degenen, die terug willen grijpen naar een oudheid, die niet bestaat zijn dwazen ‑ ook in het Jodendom. Maar de­genen, die hun erfrecht vasthouden en daarmee het totaal van overleve­ring, door zovele jaren meegedragen, die houden een rijkdom in zich, die hen kan maken tot ‑ wat u noemt ‑ Zionisten.

Zijn we niet een beetje afgedwaald? We zijn begonnen met te zeggen, dat er van het oude Jodendom zoveel overgebleven was in het tegenwoor­dig Jodendom. U kwam tot de conclusie, dat in het tegenwoordig Joden­dom geen zuiver Jodendom meer is, in zijn algemeenheid, in zijn grote algemeenheid. Maar nu moet je eens even goed kijken. Heb je wel eens een goed modern musicus gehoord?

  • Niet geapprecieerd, maar wel gehoord.

Niet geapprecieerd, maar wel gehoord. Goed. Maar zal die musicus wat kunnen zijn ‑ het is maar een vraag ‑ als er niet eerst een Bach of een Beethoven geweest waren? Anders gezegd: Zal niet de moderne musicus gedragen worden op een muzikale overlevering en daarvoor zelf gevoelig moeten zijn, zou hij willen kunnen scheppen, ook in een moderne ideologie? Goed. Wat weet de doorsneewereld van de geschiedenis van het Jodendom?  Weinig of niets. Waar is de kern, waar dit nog overgeleverd is? Daar, waar tot voor kort de getto’s nog bestonden. Daar, waar verdrukking en vervolging van een volk ze steeds weer samen heeft gebracht en heeft terug doen zoeken in het oude, omdat er niets anders was. Daar is dat oude overgeleverd en bewaard. Soms armelijk en schamel. Soms groots en prachtvol. En dat, wat bewaard is, kan in die gezinnen komen en de kin­deren weten het. Ze trouwen misschien met ongelovigen, ze doen er niets meer aan, ze worden spek‑Yidden. Dan nog … dat erfdeel zit erin, dat geven ze over aan hun kinderen. Wanneer dat gebeurt, zal het kind de­ gevoeligheid van zijn ras hebben meegekregen, het erfdeel van zijn ras. Het zal ondanks alles in wezen een ware Jood zijn. En Jood zijn betekent niet een natie zijn of deelhebben aan een bepaald volk. Jood zijn bete­kent: een oud innerlijk weten in je dragen, gesteund door eigenschappen der erfelijkheid, dat je beter doet begrijpen en aanvoelen dan velen; en dat je aan de andere kant misschien ook soms meer dan anderen dwingt om de wereld aan te vallen uit angst dat je zelf aangevallen wordt. Maar wanneer je die agressie kunt overwinnen, kun je leren de schoon­heid, die in je geboren is, terug te vinden in de wereld. Waarom zijn er zoveel werkelijk grote joodse violisten? Neem er maar een paar. Ook pianisten. Waarom zijn er zoveel joodse kunstenaars in de moderne tijd en in het verleden? Ga kijken bij het toneel. Ga kijken bij de film. Ga overal kijken.

  • U noemt dat wel, maar ik zie er geen verschil in. Neem me niet kwalijk.

U ziet er geen verschil in. Ik zie het verschil wel.

  • Bij de ene groep heb je kunstenaars bij de andere groep heb je ook kunstenaars; alles is in alles.

Alles in alles? Mijn waarde man bereken het percentage eens. Dan zie je, dat er misschien bij de Joden 1 op 20 kunstenaars zijn in verhouding van 1 op 1000 bij de anderen. Zegt je dat dan niets?

  • Ik heb die statistiek niet bij de hand. Ik kan het niet zeggen.

Ik weet het niet. Ik kan het u zeggen. Je kunt het op je vingers natellen. Je zegt er zijn haast geen Joden

  • Geen wat? O, geen reële Joden.

Geen reële Joden, Je zegt dus: Het is zo’n kleine groep. Dan zeg ik: Er zijn zoveel kunstenaars. Dan zeg je: Ja, maar de anderen hebben ook kunstenaars. Is dat niet een beetje kunstmatig? Een proberen om het belang weg te drukken? Laten we erkennen, dat Jood‑zijn in de mo­derne wereld zijn nadelen heeft. Dat geloof ik graag. Laten we desnoods erkennen dat de joodse leer en het orthodoxe Jodendom niet meer passen in deze tijd, als u het wilt. Maar laten we in de naam des Herens niet verloo­chenen dat ze iets geërfd hebben, dat de moeite waard is. Iets waarmee ze menig ander iets kunnen geven. Laten we dat in Godsnaam niet doen. Maar kom, ik ben helemaal van mijn onderwerp af. Het gaat er toch eigenlijk om, dat er iets uit komt, dat een ander gegeven wordt? Wat er aan de buitenkant is of hoe het heet doet er toch niets toe? Het is net als met de kabbala. Dan kun je zeggen, de kabbala is joods bezit geweest. In feite is dat een tijd onwaar. Ze hebben het van anderen gekregen en zullen het aan anderen overdragen. Zoals het ook met hun kunst, met hun artisticiteit gaat, met hun talenten, die zij als ras speciaal bezitten. Daar doe je niets aan. Maar dat neemt niet weg dat ze belangrijk zijn. De kabbala is op het ogenblik ‑ daar durf ik eer­lijk mijn hand voor op mijn hart te leggen ‑ een bron, een werkelijke bron van bewustwording, van mogelijkheid tot inzichtsverwerving en geestelijke stijging voor velen – ook als ze geen Joden zijn – dat is geboren uit een paar joodse leraren. Ze hebben hun erfdeel overgegeven aan anderen. Maar mogen we daarom zeggen dat hun werk onbelangrijk is?

  • Neen, er is ook niet beweerd, dat hun werk onbelangrijk is.

Nah, kijk, nu zeg je toch niet: Nu ja, er zijn toch ook andere wijs­geren geweest? Ze zijn er geweest, maar een dergelijke inhoud kon dan, door de omstandigheden, zeker, door de voorgeschiedenis van hun volk ‑ juist de Joden meedragen over de wereld, waar zij kwamen. En zo zijn ze ondanks alles het zaad van het goed der wereld, ook wanneer ze vaak kwaad met zich meebrengen, wanneer ze zelf in lijden soms ondergaan. Zo zal het ook wel met andere volkeren gaan. Dat zult u wel merken. Dat gaat altijd. En mag ik dan op het ogenblik een einde maken aan de discussie en over het voordeel van al of niet een goede Yid te zijn?

  • Mag ik misschien een beetje luchtiger vraag stellen? De kabbalisten hebben zich in de loop van duizenden jaren o.a. tot één van hun doelen gesteld het verwerven van macht, krachten, nietwaar? En dan vraag ik me eigenlijk af: Als ze dat verworven hebben met heel veel pijn en moeite, wat doen ze daar dan mee?

Wat doet u, waarde vriend, wanneer U ergens aan de Noordpool met veel moeite Uw geld verdiend heeft? Gauw naar het zuiden gaan en een beter klimaat opzoeken. Wat doet iemand, die geestelijk licht verworven heeft en die zich bevrijden kan uit de stoffelijkheid?

  • Dat vraag ik me juist af. U zegt: Ze kunnen het dus zo ver schoppen, dat ze de wetten van de zwaartekracht, enz. kunnen overwinnen. Nu ja, goed, maar dan vraag ik me af: Wat heb je eraan?

Op zichzelf niets. Het is een begeleidingsverschijnsel. Maar als be­geleidingsverschijnsel kan het nuttig zijn. Zolang je leeft, om je gedachtegang te bevestigen en uit te dragen begrijpt u? En dan ga ik nog ver­der als een nuchtere geest ‑ dat is wat anders dan een nuchter mens, hoor ‑ en dan zeg ik dit: Kijk eens, het doel van het leven is bewust­wording. Maar die bewustwording houdt niet alleen in: in je persoonlijk bouwen, maar ook bouwen in je bewustzijn van eenheid met de wereld. De kabbalist kan dat op deze manier verwerven. En wanneer hij dat verworven heeft, dan gaat hij als ieder ander mens dood. Meestal nog eerder omdat hij het eigenlijk wil, dan omdat hij moet. Hij aanvaardt zijn tijd en hij stelt het niet uit. Dan komt hij tot een leven, dat reëler is in vele opzichten dan een stoffelijk leven. Een leven waarin geestelijke kracht en bewustzijn de enige werkelijkheid betekenen; waarin liegen, zoals dat op aarde bestaat als maskerade, praktisch onmogelijk is. En in die wereld vindt hij dan, dat zijn bewustzijn van eenheid hem in staat stelt meer te begrijpen en te bevatten van het Al. Daarom streeft de ware kabbalist ook naar die innerlijke wijsheid, die hem buiten het stoffelijke ‑ en in het stoffelijke ‑ bewustzijn geeft over alle dingen, en niet alleen over de beperkingen van zintuiglijk leven bv.

En de slechte kabbalist?

Ach, mijn waarde vriend, de slechte kabbalist, die zoiets zou leren, is net als elke andere zwart‑magiër. Die gebruikt het om er een ander gek mee te maken en er zelf wat aan te verdienen. Als u de zwaartekracht kunt overwinnen en u bent zwart‑magiër, dan hoeft u dat alleen maar op het toneel te vertonen en u wordt er steenrijk van. En als u geleerd heeft om uw eigen gedachten zo sterk in een ander te verplaatsen, dat die ander voor u kan handelen, nu ja, dan laat u die ander de vuile karweitjes voor u opknappen en u zit zelf buiten schot.

  • Ja, dat is de zwarte. Maar dan de witte. Hij heeft bewustwording verworven, enz. Maar wat heeft de wit-magiër aan de krachten die bij verworven heeft? Kan hij eventueel wonderen verrichten, enz.

We zullen het eens heel eenvoudig nemen. Nu moet je goed luisteren, dan zal ik een voorbeeld geven. Het is geen werkelijkheid van vandaag. Maar goed: Er valt een mens neer onder een steenlading. De ingewijde ziet dat dat leven nog van belang kan zijn, dat hij anderen nog veel kan geven. Hij zegt: “Dit mag niet vernietigd worden.” Hij heft de zwaartekracht op van het materiaal, dat die mens bezwaart, neemt zijn eigen levende kracht, projecteert die in die mens, waarop die mens voort kan leven en een ze­gen kan zijn voor de mensheid. “Nu zegt u: Wat heeft hij eraan? Dan heeft hij de wereld iets beter gemaakt; en ‑ omdat hij voelt één te zijn met het totaal der schepping en ook met de wereld ‑ dus ook ten slotte zichzelf, maar daar vraagt hij niet meer naar. Want de ware kabbalist zegt niet meer “ik” in de zin, waarin de doorsneemens het gebruikt. Wanneer die zegt “ik”, dan bedoelt hij daarmee: deze uiting van het Goddelijke te mid­den van andere uitingen van het Goddelijke. En de realisatie van de hoge Kracht in hem maakt hem verantwoordelijk voor alle delen, waarmee hij door deze Kracht a.h.w. in beroering wordt gebracht. Ja, ik weet het, het blijft een beetje abstract.

  • Het is in de wereld zo geworden, dat de Jood alleen maar iets be­grijpt, als het hem wat in zijn zak geeft.

Ach, als het zo gaat, dan zijn er zoveel Joden op de wereld.

  • Nu zei u: Men kan die weg gaan door een leraar te nemen, dan wordt dat meestal zwarte magie; maar men kan zichzelf ook ontwikkelen. Is dat ontwikkelen?

Dat heb ik helemaal niet gezegd. Nu moet je eens even goed luiste­ren: Ik heb gezegd over de magie (en niet over de kabbala) dat er wezens zijn, die u als slaaf willen gebruiken en u daarvoor hun inzicht en ver­mogen lenen, wat u dus niet zelf behoeft te bezitten. Ik heb gezegd dat dat altijd zwarte magie is en dat bij dergelijke dingen altijd een bloed­offer te pas komt. Dus dat houdt alleen maar in dat dat niet is in de zin van leraar, maar in de zin van slavenhouder. En de andere weg? De andere weg is ‑ ik zal de term van mijnheer hier gebruiken ‑ een zo sterke integratie van je persoonlijkheid, dat je je bewust bent van alle krachten in jezelf. Maar ken je jezelf, dan ken je God. Dat moet je nu goed begrijpen. Dus hoe meer ik van mijzelf ken en beheers, hoe meer ik ook wetten en krachten buiten mij ken én beheers. Want er is tussen mij en de wereld geen verschil dan het verschil in mijn bewustzijn.

  • En dat kan men zelf zodanig oefenen, dat men de hoogste trap even­tueel kan bereiken?

Ja. Maar als je begint om de resultaten, dan lukt het je niet, je moet beginnen met te zoeken naar waarheid. Daaruit komt het verdere voort. Zoek de waarheid, leer de middelen, die de wereld je geeft, gebruiken om meer waarheid te erkennen. Bestudeer de wetenschap van de wereld om de waarheid steviger te bevestigen in jezelf. Dan zul je keer na keer andere middelen zien ‑ a.h.w. andere gereedschappen en werktuigen ‑ waarmee je keer na keer een nieuwe taak aanvaardt en een nieuwe taak volbrengt. En daaruit kom je tot een groter, bewustzijn, dat het je mogelijk maakt inzicht te verwerven in zaken, die op het ogenblik nog duister zijn. En ben je zover, dan ga je van uit de wereld in jezelf werken. Dan breng je a.h.w. datgene, wat niet past bij je wezen, onder be­heersing, je gooit het terzijde. Je maakt jezelf dus tot een wezen, dat past in het scheppingsplan ook volgens eigen bewustzijn. En dan komt pas het ogenblik dat je gaat zeggen: Nou gaan we aan magie denken. Maar dan denk je er niet meer aan. Dan is het zo eenvoudig, dan is het geen magie, dan is het doodgewoon je eigen wezen. Je moet het zo zeggen: Degene, die naar magie streeft, is gedoemd om te falen of in de handen te vallen van slechte lieden. Maar degene, die streeft naar verinnerlijking, bewustwording en uitdrukking van dit bewustzijn met heel zijn wezen ‑ dus ook in de wereld ‑ die vindt een we­ten, een macht en een bewustzijn, die anderen magie noemen, maar die voor hem het logisch uitvloeisel zijn van zijn eigen weten en kunnen in de wereld.

  • Je komt het tegen. Is het niet?

Kijk eens, neem een eenvoudige vergelijking: Ga nu eens hier buiten staan en kijk wat je rond je ziet; en probeer dan te bepalen, hoe je het gemakkelijkst zou lopen om bij de zee te komen. Als je de buurt niet kent, helpt het je geen steek. Ga op de eerste étage staan, dan zie je mis­schien al iets verder, maar nog niet veel. Als je boven op het dak klimt, zie je de zee liggen. Dan weet je waar je heen moet gaan.

  • Maar hoe moet je nu op het dak komen? Dan moet je ook de weg weer kennen.

Leer de weg kennen in je eigen huis.

  • Ja, dat is allemaal wel makkelijk gezegd. We zitten hier allemaal te streven naar bewustwording, maar we weten helemaal niet of we wel bewust worden.

Dat is ook niet nodig. Het is niet nodig, dat je weet of je bewust bent. Kijk eens, weet je wat je eigenlijk zou willen, mijn jongen? Je zou willen, dat ik in mijn vestzakje greep en zei: “Hier, m’n waarde vriend, geef me nu vijftien gulden, dan heb je hier een waardemeter voor innerlijke bewustwording. En elke keer dat het wijzertje op rood staat, moet je uitkijken.” Maar zo is het niet. Het is niet “zoek buiten je,” maar zoek vanbinnen, nietwaar? Druk wat je in je beleeft in de wereld buiten je uit, akkoord. En zeg niet: “Ik ben goed” of “Ik ben kwaad.” Vraag: “Ben ik waar? Ben ik waar tegen mezelf en tegen een ander?” Als je op die vraag antwoord geeft, dan ga je de trap op en dan komt de rest vanzelf. Wees waar in jezelf. Dat is eigenlijk de hele consequentie: wees waar in jezelf. Leer meer over de wereld en pas het op jezelf toe, Als je dan eerlijk blijft, dan zul je ontdekken, dat je steeds beter be­grijpt wie en wat je bent. En als je dat begrijpt, dan zie je steeds meer de hechte basis van feiten; dan zie je steeds meer de perfecte harmoni­sche uitdrukking van de feiten en dan voel je steeds meer het Grote Be­wustzijn, waaruit alles voortkomt. Maar ik hoor aan een horloge draaien. Wil dat soms zeggen dat het tijd wordt om naar huis te gaan? Dan zal ik alleen maar zeggen: Ik ben misschien een ogenblik afgeweken van het rechte pad. Dat overkomt iedereen, mij ook. Maar ik heb gepro­beerd, niet om u te leren wat kabbalistiek is, helemaal niet; dat staat ook niet in de kop ‑ maar alleen om  te tonen wat een kabbalistische levensleer inhoudt; dus wat de bewustwordingsgang en leer is, zoals de kabbalist die in doorsnee beleeft en zoekt. Als ik daar nu een beetje in geslaagd ben, dan heb ik misschien uw belangstelling gewekt voor deze meesterlijke kunst en wetenschap.