Kan er een nieuwe wereldleraar zijn ?

SVGZ – 9 januari 1959

Aan het begin van deze bijeenkomst moet ik u er allereerst op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn.

Kan er een nieuwe wereldleraar zijn ?  Ik wil wijzen op het feit, dat ook het christendom erkent, dat er gedurende tijden van grote spanning en verdrukking stemmen Gods, profeten opstaan. Het Oude Testament is grotendeels uit de uitspraken van dergelijke profeten opgebouwd. Ik kan niet aannemen, dat alleen de komst van Jezus voldoende is geweest om alle verdere verbinding tussen de leidende krachten, de hoge geesten en de mensheid te verbreken. Integendeel, wij menen te kunnen aantonen, dat ook nadat Jezus is gestorven, reeksen van ingewijden, net als de oude profeten, hun werk hebben voortgezet. Sommigen van hen zijn eigenaardige figuren, anderen grote ingewijden. Hun herinnering wordt levendig gehouden door het contact, dat zij nog steeds hebben met thans op aarde werkzame groepen. Ook dit is niet in tegenspraak met de christelijke leer. Ook daar neemt men aan, dat Jezus voortdurend in verband en in verbinding zal staan met allen die op aarde in Zijn Naam vergaderd zijn. Ook is het helemaal niet zo zonderling, dat bepaalde daarvoor uitverkoren figuren op aarde kunnen terugkeren. Althans van twee personen is dit in de Bijbel uitdrukkelijk gezegd.

 Wij kunnen dus gevoegelijk aannemen, dat deze reeksen van ingewijden, meesters, of profeten, hun taak op aarde niet slechts hebben vervuld, maar – zoals de graaf de Saint-Germain – in voortdurend contact zijn gebleven met die wereld, of met bepaalde delen ervan. Wanneer dit het geval is, dan is het helemaal niet vreemd, dat er ook weer een nieuwe leraar, of meester, opstaat, die tracht in de huidige sombere situatie, een nieuw Licht te brengen. Wij weten nu, dat de leer van velen van deze ingewijden in het verleden is overgeheveld naar bepaalde esoterische groepen en genootschappen. Ik denk daarbij evenzeer aan bepaalde stromingen binnen het christendom, als groepen, die het christendom voor haar leden niet als voorwaarde stellen. Wij vinden openbaringen en leringen van Meesters o.a. in de theosofie,  bij de Rozenkruisers, wij vinden bestudering van geschriften van ingewijden in de maçonnerie. Wij vinden bestudering van esoterische geschriften in bepaalde christelijke orden, o.a. in de z.g. roomse orde van de Dominicanen. Dit is schijnbaar wel voor iedereen aanvaardbaar. Want daartegen heb ik weinig of geen protest horen rijzen.

 Maar nu de stelling komt of er een nieuwe wereldleraar is die een voor alle mensen bestemde nieuwe leer brengt, dan komt men in verweer. Zoals men overigens meestal in het geweer meent te moeten komen tegen alles wat de oude, gewende gang van zaken bedreigt. De toestand van deze wereld beschouwende, met zijn grote geestelijke en in vele streken ook zeer grote stoffelijke noden, deze wereld met zijn fantastisch gevaarlijke proefnemingen en experimenten, en zijn nog niet helemaal beheerste wetenschap, dan komt men tot het besluit, dat deze wereld wel degelijk behoefte heeft aan een nieuwe boodschap. Behoefte vooral aan een herbeleving van hogere waarden, die, wanneer wij de kern bezien, door alle leraren en meesters gelijkelijk worden verkondigd. Daarom durf ik, eerlijk en overtuigd, te zeggen: het is mogelijk dat er een wereldmeester geboren is en reeds werkzaam is op deze wereld. Zelfs in dit ogenblik.

Tweede punt. Men merkte op: ze zeggen dit nu wel, maar het is altijd in onbekende en veraf gelegen gebieden. Ook wij verlangen naar waarheid. Waarom komt die wereldleraar dan niet hier? Waarom werd Jezus niet geboren in Rome, of in het heilige Jeruzalem? Waarom Bethlehem? Omdat diezelfden, die in de tempel voortdurend God smeekten hen de Messias, de bevrijder te sturen, deze bevrijder zouden willen doden. Dit antwoord is voor deze christelijke maatschappij duidelijk genoeg. Een nieuwe leraar in deze streken zou worden neergeslagen met nietszeggende theologische argumenten en voor het behoud van zeden en geloof gedoemd zijn, zijn leven te eindigen in een gevangenis of een gekkenhuis. Zulks is echter niet de bedoeling van hen die komen om deze wereld lering te brengen. Een leraar, een meester, wordt op die plaatsen van de wereld geboren, waar een zeer grote behoefte aan zijn werk bestaat. Maar bovenal een plaats, waar ook de mogelijkheid bestaat die leer, dat werk, uit te dragen. In deze tijd kan dit niet een te westers denkende staat zijn. Dit denken is te eenzijdig. Maar het kan ook geen zuiver oosters denkende staat zijn: daar bestaat te weinig geestelijke daadkracht voor een werkelijke vernieuwing. De plaats waar de leraar nu werken kan, moet een plaats zijn, waar deze beide invloeden samenkomen. Want waar strijd is, kan een openbaring het grootste nut hebben, zoals blijkt uit het verleden.

Om u een paar voorbeelden te geven: de grootste profeten van de Joden zijn opgestaan in tijden, dat het joodse volk in verbinding of strijd was met andere volkeren. Denk aan de klaagzangen van Jeremias. Herlees de klachten die worden gesproken door de profeten wanneer de Joden in gevangenschap verkeren als in Egypte, of het heidense Babylon. Jezus wordt geboren in een periode dat de Griekse, de Romeinse en ettelijke Arabische beschavingen – eigenlijk semitische beschavingen – elkaar in Israëls rijk en de omgeving ervan ontmoeten.  De meester die bekend werd onder de naam Comte de Saint-Germain, trad eerst op in het oosten. Wij zien hem vervolgens in laat-Byzantium, in Polen tijdens de grootste bloei en strijd van dit land. Hij verschijnt in Frankrijk op het ogenblik, dat een eerste verzet zich reeds gaat openbaren, een tijd waarin het denken en de rede bloeien, en alle landen naar Frankrijk opzien, terwijl vooral geestelijk een hervorming dringend noodzakelijk is. Ik kan zo voortgaan.  Met deze enkele voorbeelden wilde ik slechts aantonen, dat er klaarblijkelijk een noodzaak bestaat voor meesters en leraren om te werken, ja, geboren te worden op een plaats die het hen mogelijk maakt – door daar bestaande spanningen en mogelijkheden – een nieuw wereldbeeld aan de mensheid te geven.

Een volgende opmerking: “Wanneer zij dat zo goed weten, waarom gaan zij die wereldleraar dan niet helpen?” “Wanneer zij zo goed zijn als zij zeggen, zouden zij bij een wereldleraar toch een waardiger taak kunnen vinden.” Mag ik u in verband hiermee, er aan herinneren dat het christendom gelooft en in vele legenden belijdt, dat Jezus’ geboorte door geesten en vele uitzonderlijke verschijnselen over de gehele wereld werd aangekondigd? Mag ik u er verder aan herinneren dat wij, alleen al in Nederland gedurende meer dan 40 jaren, maar over de gehele wereld gerekend reeds meer dan 100 jaren, bezig waren deze nieuwe grootmeester van het Licht, deze nieuwe wereldleraar aan te kondigen en diens taak zover mogelijk voor te bereiden? Door leringen, commentaren en lezingen, zowel als in het verleden, ook het veroorzaken van bepaalde fenomenen, zijn door ons pogingen ondernomen zijn pad op de wereld te banen, vooral ook in die gebieden waar zijn eigen persoonlijkheid waarschijnlijk niet tot uiting zou komen. Want juist daar zal het door hem gebrachte woord toch ook moeten kunnen doordringen tot de zielen van de mensen.

Wij kunnen de vraag, die ik als titel boven mijn betoog stelde ongetwijfeld met ja beantwoorden. Indien wij deze vraag echter uitbreiden en zeggen: Is er een wereldleraar die voor mij kenbaar is, dan wordt het antwoord wat moeilijker. Want, vrienden, het werk van een wereldleraar wordt op 3 vlakken gelijktijdig uitgedragen. Juist dit is iets, wat men wel eens vergeet.

 In de eerste plaats hebben wij te maken met de kosmos. De kosmos zelf geeft de openbarende en verlossende krachten weer in alle werelden. De goddelijke werkingen zijn overal gelijk en gelijktijdig. De kosmische krachten zijn echter zo overweldigend groot, dat zij niet onmiddellijk kunnen worden ontladen op één enkel individu. Daarom waarschijnlijk zien wij de goddelijke kracht door middel van de kosmos op bepaalde tijden en in bepaalde delen van de ruimte trillingen van lagere potentie uitzenden, die een wereld, of meerdere werelden, kunnen pro-conditioneren of voorbereiden op de ontvangst van een wereldmeester. De gedachte die de wereldmeester op die bepaalde wereld of werelden uit zal dragen, is in deze meer beperkte trillingen mede bevat.

 Een tweede, ongetwijfeld even krachtige werking, gezien vanuit een menselijk standpunt, is de werking binnen de levens of zielskracht. Een principe als bv. de christusgeest kan niet alleen leven in één enkele mens, noch kan dit bestaan als een vage gedachtereeks die over de wereld gaat. Een dergelijke invloed is tevens een essentieel deel van een bepaalde grote geestelijke entiteit. Nu kunnen wij over de geaardheid van een dergelijke entiteit ongetwijfeld van menig verschillen. Naar ons inzien echter is een dergelijke persoonlijkheid voor de aarde een deel van de kracht die op het ogenblik de wording van de aarde beheerst. Hij is dus niet een onmiddellijke uiting van de grote Godheid zelf. Wij zouden Hem beter kunnen noemen, de tijdelijke Heerser van de planeet aarde. Deze geest, werkende met een volledige kracht en een volledig bewustzijn, doordringt zelfs het mentale gebied. Maar vooral is hij merkbaar in de ziels- of levenskracht, die de essentie is van alle zijn en bewustzijn dat u allen in u draagt. De meeste mensen zijn blind voor dergelijke impulsen. Zij zijn te zeer gebonden aan de materie, aan vormen en beperkte gedachtegangen. Zij zullen daardoor aan de levende kracht van de wereld voorbijgaan, wanneer die slechts in deze vorm optreedt. Zij hebben een meer materiële, een meer stoffelijke werking nodig. Dit is dan ook het derde terrein, waarop de werking van een wereldleraar tot uiting komt.

 Wanneer wij nu – met onze ongetwijfeld onvolledige kennis – dit alles trachten te beschrijven, dan toont zich de komst van een dergelijke meester of leraar op de volgende wijze reeds tevoren door:

  1. Oude wegen tot inwijding en bewustwording worden afgesloten. Dit is logisch, de nieuwe meester brengt een nieuwe leer. De oude paden van inwijding zijn dus in de bestaande vorm niet meer nodig. Men heeft dus ook geen redenen meer daaraan nog verder grote geestelijke krachten te wijden. Het denken van de mensen moet echter te voren nog eenmaal veranderd worden. Men weet dit o.m. in de theosofie: in I896 werd, zoals men daar weet, een bepaalde weg reeds afgesloten.
  2. Na het zich enigszins terug trekken van de tijdelijke meesters uit de periode zien wij een spel van levende krachten, die opeens op de wereld aanstormen. Laat ons zeggen dat deze krachten de wereld in dezelfde periode – dus van 1890 tot 1900 – bereikt hebben. Wat gebeurde er dan? In elke oude leer ontwikkelen zich op de duur gedachtebeelden, die door de veelheid der aanvaarding als demonisch, zelfstandig en scherp getekend bestaan in de geestelijke en astrale atmosfeer van de wereld. Deze verdraaiingen van kosmische wet en waarheid brengt met zich, dat de mens, hierdoor alleen reeds, zal trachten het werkelijk Lichtende van zich af te wijzen. Dit Lichtende, dit ware, is de mens dan te zwaar. Het past niet in zijn maatschappelijke, religieuze en economische concepten. Op deze wijze ontstaat een strijd tussen door de mens geschapen demonen en de nieuwe Lichtende krachten. Dat deze strijd op het ogenblik in ruime mate wordt uitgevochten, zal een ieder wel duidelijk zijn. Al, wat het duister mint, al, wat houdt van bekrompenheid, van letterzifterijen, egocentrisch en egoïstisch denken en redeneren, ook aan de geestelijke zijde, heeft zich achter deze demonen geschaard.

 Zo ontstaat er een periode van duisternis. Deze wordt door een soort voorhoede van Lichtende krachten hier en daar doorbroken. Wij zien dan ook, eerst met zeldzame fenomenen – de verkenners – later ook met meer redelijke middelen, de aankondiging van de nieuwe tijd reeds tijdens de heerschappij van het duister geschieden. Dit laatste geschiedt meestal vanuit de geest. In deze tijd bv. door middel van bepaalde spiritistische verschijnselen, wonderen, het optreden van profeten en heiligen, het ontdekken van geneeskrachtige plaatsen, en dergelijke. Hierdoor drukt het paranormale een steeds sterker stempel op de onwillige wereld. Vooral, waar het gebied van het paranormale verschijnsel evenzeer als strijdmiddel kan worden gebruikt door de kracht der demonen, en dus niet alleen gereserveerd is voor het Licht. Vreemd genoeg zal dit alles geheel blijven bestaan, ook na de komst van de nieuwe meester, tot deze werkingen niet meer mogelijk, dan wel niet meer noodzakelijk zullen blijken. Volgens onze vaststellingen zullen de mogelijkheden om op aarde op deze wijze te werken en in te grijpen tot praktisch nul beperkt worden rond 2200 n.Chr. Het wenselijk zijn van dergelijke verschijnselen kan echter reeds veel eerder ten einde zijn. Dan zullen dus alle Lichtende krachten zich reeds op het eerste ogenblik van niet wenselijkheid terugtrekken.

 Nu zult u begrijpen dat een optreden van dergelijke krachten de bedoeling heeft, bewustzijn te wekken, geloof te versterken op de juiste wijze en vertrouwen in de toekomst te geven. De grootste machtsmiddelen, die door de demonie op de wereld gebruikt zullen worden, zijn over het algemeen de begeerte en de angst. De begeerte naar bezit, maar ook naar een zalig-zijn, een verheven zijn boven alle andere mensen. En de angst voor duister, dood en lijden. Wanneer u zich de moeite getroost na te gaan, hoe het christendom de laatste 500 jaren voornamelijk werd uitgedragen, dan zult u ontdekken dat hierbij zeer sterk is gespeculeerd op dood en verderf, de angst voor een zelfs eeuwige ondergang, of een eeuwig lijden. Tegenover de vrees voor hellepijnen stelt men dan de begeerte naar het hemelse Jeruzalem, het eeuwige geluk.

 Een dergelijke verkondiging vinden wij niet alleen in het christendom, want soortgelijke opvattingen krijgen in dezelfde tijd de overhand in het boeddhisme. Een geloof of levensleer, die oorspronkelijk geheel niet over een hemelsfeer spreekt. Gelijksoortige stellingen maken deel uit van de islam, terwijl ook in de Hindoewereld het geloof aan kwelling en straf, beloning en vreugde in het hiernamaals aanmerkelijk wordt verstevigd. De gedachten van zelf- verantwoordelijk zijn is verslapt, ten onder gegaan. Het is duidelijk dat men in de eerste plaats hiertegen in het geweer moet komen. Er moet een begrip worden gewekt van een rechtmatig en rechtvaardig voortbestaan, gebaseerd op de daden van het stoffelijke wezen, zijn leven, dat, wat het is en heeft gedaan of nagelaten. Zeker niet belangrijk is wat anderen zeggen, wat men heeft gedaan.

Dit is ook nu gebeurd. Wij mogen wel zeggen dat deze taak al redelijk volbracht was in de jaren 1928 – 1930. Daarna treedt een volgende fase in. Wij vinden plotseling nieuwe tendensen in de wetenschap. Maar gelijktijdig vertonen zich nieuwe tendensen in het geestelijke bestaan.  De dweperij van bepaalde groeperingen wordt langzaam maar zeker aan banden gelegd. Wetenschappelijke priesterorden, in het verborgene levende, doen hun invloed steeds sterker op de wereld gelden. Dit heeft zich afgespeeld rond 1940. Ondertussen worden de krachten der demonie voortdurend zowel als deze van het Licht tegen elkaar in het veld gebracht. Dat hierdoor vernietiging, strijd, ondergang voor velen – stoffelijk althans – het gevolg zijn, hoeft niemand te verwonderen. Het gaat hier om de greep, die het misleidende, het duistere, op de mensheid heeft. Verder om het zelfbedrog, waarmee de mens tracht zichzelf te vervreemden van God en zijn eigen grootheidsdroom en droom van zekerheid te versterken.  Deze moeilijkheden worden overwonnen door bepaalde esoterische genootschappen en groeperingen, plus geheimscholen, die een nieuwe tendens doen ontstaan, een meer algemeen uitdragen van de belangrijke punten die in zeker zin een voorbereiding zijn van de komende tijd en het komend werk. Daarnaast ontstaan sekten, die zich in verzet tegen deze openbaringen, sterker tot de letter van de wet, de letter van de openbaring, wenden. De orthodoxie is het directe wapen van het duister tegen de Verlichte, die komende is.

 In deze sfeer kan dus een Meester reeds geboren worden, maar ook hij moet rijpen. Eerst moet het lichaam volgroeid zijn tot een besef van de problemen van de wereld, moeten de lichamelijke cellen a.h.w. geheel afgesteld zijn op het geestelijke werk, voordat er wat gebeuren kan. In die tijd echter is de kosmische kracht, maar ook de geestelijke, of zielskracht van de mens volledig reeds onder die ban en invloed. Wij kunnen u die Meester niet laten zien. Wij kunnen niet zeggen: “komt u maar even mee, wij weten waar hij vanavond is, wij weten ook, waar hij heen trekt.” Het heeft geen zin. Wel kunnen wij u dit zeggen: de mens, die in zichzelf streeft naar bewustwording, kan op een gegeven ogenblik juist dit Lichtende ervaren, kan door impulsen, later door meer bewuste gedachten, deelgenoot zijn aan dit grote bevrijdingswerk, aan deze vernieuwing van de wereld.

 Dan is ons in een andere kring verweten dat wij de uitdrukking gebruikten: “…… want Sheba zal huwen”. Dit gebeurde tijdens de prognose. Misschien dat voor enkelen van jullie die term niets betekende. Kort gezegd is zij ontleend aan een overlevering, waarin gesteld wordt dat Salomo begeerde de Koningin van Sheba te huwen. Zij was met hem verloofd, toen zij de tempel bezichtigde. Haar ontdekking, dat niet Salomo, maar de bouwmeester van die tempel de meester was van alle arbeiders, dus van al hetgeen daar geschapen was, bracht haar ertoe te weifelen en te wankelen, wie van beide zij zou kiezen. Door de strijd, uit Salomons jaloezie geboren, die tussen beiden ontstond, viel geen beslissing en keerde zij terug naar haar land.  Dit verhaal is symbolisch. Wij kunnen hier spreken van de krachten van het z.g. licht, of het z.g. duister. Degenen die werken met het weten, a.h.w. de feiten van de wereld smedend in het vuur der bewustwording, en degenen die zich houden aan het geloof, de magische kracht die als een regen uit de hemel neerdaalt. Pas wanneer deze beide vereend zijn, kan er een huwelijk plaats vinden en kan de mensheid als geheel en de mensenziel toegang vinden tot het werkelijke rijk Gods. Uit deze overlevering hebben wij deze zinsnede gelicht, uitroepende: “Het huwelijk van Sheba is nabij!”

Wanneer er geen nieuwe wereldmeester was, dan zouden wij dat woord zeker niet gesproken hebben. Maar wat is het geval? De nieuwe wereldmeester bezit academische graden. Hij is gevormd volgens de wetenschap, maar gelijktijdig een intens geloofsmens. Hij bezit in zich de twee factoren die noodzakelijk zijn om de tegenstellingen van deze wereld te verenigen. In zijn leer is de wetenschap niet het alleen zaligmakende, maar het is de redelijke controle en tevens de toepassing van datgene wat uit het geloof verworven wordt: het kennen van God en het kennen van de wereld moeten samengaan. In zijn leer brengt hij dat steeds weer naar voren. Hij wijst de mens – zelfs deze avond dat hij spreekt, spreekt nu, in verre uren van de nacht zelfs –  over de eenheid die verkregen kan worden, wanneer de menselijke ziel uitgrijpt tot God, de menselijke geest zich openstelt voor het totaal van alle krachten, die de wereld omringen en het gelijktijdig stoffelijk in de praktijk brengt met stoffelijke kennis en redelijk overleg datgene, wat hij geestelijk beleeft en in zijn ziel ervaart.

 Zijn stelling is: de mens is het instrument Gods en het werktuig waarmee stuk na stuk voor het gehele bewustzijn – degenen die in deze periode een bewustwordingsgang zijn aangevangen –  de volmaaktheid wordt opgebouwd. U zult begrijpen dat deze leer in het begin veel smaad zal ondervinden. De Farizeeën zijn nog niet uitgestorven, die met sluikse en slinkse frasen proberen de waarheid ertoe te brengen zichzelf te verloochenen. U zult in de komende tijd steeds weer horen uitroepen: “Is dit dan wetenschap, of is het geloof? Zeg ons, wat is dit?” Volgens de opvatting die bij de mensen geldt, is hetgeen die wereldmeester brengt en hetgeen zal leven, sterker en sterker, tot het heerst in deze maatschappij, geen van beide. Het is een weten, aangevuld door het ervaren van het goddelijke.

U zult de strijdkreten horen van hen die als eens de Zeloten, zeggen: “Het oude, het gewaardeerde, gaat teloor.” Als eens te voren, maar nu gericht op de godsdienst, zult u de roep horen weerklinken: “Rome dreigt onder te gaan” of “men verraadt Jezus, onze meester”. Zoals anderen eens zeiden: “De tempel wordt ontheiligd, wanneer de Galileeër er met zijn volgelingen binnen dringt.” Maar dat zei men eerst, toen Jezus de wisselaars de tempel uit had gejaagd. Dit was de reden. Maar dat vergeet men meestal liever erbij te zeggen.

 Laat ons dan nog enkele woorden van deze nieuwe meester hier kort naar voren brengen.

 “Geen priester, geen geestelijk leraar heeft recht op een verdienste in overeenstemming met zijn werken. Zijn recht is de vrije gave van de mensen volgens zijn behoeven te aanvaarden. De mensheid echter is verplicht naar eigen kunnen de leraar te onderhouden, opdat deze zijn werk voort kan zetten. Daarom zullen leraar en priester geen eigen bezit mogen hebben. Want wie de goederen der aarde bezit, is blind voor veel waarheid die in de stof geborgen ligt en verdedigt met zijn geloof niet alleen de waarheid, maar zijn bezit.” 

Dit geldt natuurlijk ook voor kerken en dergelijke. Juist daarom heeft deze uitspraak hem reeds nu veel bittere vijanden verworven. Waar dit ook kerken betreft, kunnen wij gevoegelijk aannemen, dat in het westen de tegenstand nog veel sterker zal zijn.

De wereldmeester heeft gezegd, sprekende over de waarheid van deze wereld:

 “Velen noemen zich deskundig en regeren de volkeren, maar hun onwetendheid is groter dan die van knapen die ternauwernood de schoolbanken verlaten hebben.” 

Ook dit wordt als een belediging gevoeld, zelfs waar hij nu is. Het zou mij dan ook helemaal niet verwonderen, wanneer hij vandaag of morgen uitgewezen werd wegens belediging van een staatshoofd. Maar een meester of leraar kan niet gevangen worden zonder zijn eigen toestemmend dulden. Men kan zeker zijn waarheid niet belemmeren om als een geestelijk Licht door te dringen over heel de wereld.

Ik heb u deze punten opzettelijk genoemd, om u duidelijk te maken hoe groot de strijd zal zijn, die zal ontstaan. Nog is deze strijd niet openbaar. Nog staat de wereldleraar aan het begin van zijn werk. Hij heeft zeker zijn “Bergrede” nog niet gehouden. Toch heeft hij reeds een woord gesproken, dat ik als een aangename boodschap aan het einde van mijn betoog wil plaatsen.

 “Gelukkig degenen die streven naar de waarheid, niet vragende voor zich, noch verwerpende voor zich. Ondergaande de Goddelijke openbaring in alle verschijnselen der natuur, zowel als in eigen wezen, zij zullen de waarheid kennen.” 

Daarmede wil ik dan besluiten. In de eerste plaats heb ik mij getracht te verweren tegen opwerpingen die nog niet eens zo sterk zijn op dit ogenblik, omdat zij zouden kunnen ontaarden in een poging ook u er toe te brengen, deze boodschap te verwerpen. Ik hoop althans dit hiermede voorkomen te hebben. In het tweede gedeelte van mijn betoog ben ik aanmerkelijk verder gegaan dan een aantonen, dat het optreden van een wereldmeester in deze tijd mogelijk kan zijn. Ik heb zelfs – zij het zeer vrij vertaald – enkele woorden van hem geciteerd. Ik heb dit gedaan in de hoop dat uw belangstelling voor deze Meester hierdoor gewekt zal worden. Niet in staat zijnde langs meer stoffelijke weg nu reeds zijn leringen te vernemen, hoop ik, dat u in uzelf zult zoeken naar het contact met deze zielskracht, dit groot-geestelijk vermogen, dat nu op de wereld begint overwinningen te behalen op de demonen der duisternis, die de mensheid heeft geschapen, of die werden aangetrokken door de onvolmaaktheden van het menselijk beleven.

°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°

ESOTERISCHE BESCHOUWING

In het menselijk wezen en in het menselijk bestaan zijn vele der kosmische waarheden verhuld. De beperkingen, waarin u leeft als stoffelijk voertuig, kunnen misschien met veel moeite en strijd overwonnen worden. Maar voor de doorsnee mens ligt deze weg niet open. Hij heeft daarvoor geen tijd en geen gelegenheid. Aan de andere kant spreekt toch in elke mens een invloed die van een vreemde en zoekende geaardheid is. Een verlangen misschien, een droom, of een ideaal. Iets, wat verder gaat dan de wereld en de logische mogelijkheden van een stoffelijk bestaan. Wanneer u deze dingen in uzelf ondergaat, hebt u hierdoor het contact gekregen, dat u bewust niet zou kunnen bereiken. De onbewuste krachten, die in de mens leven, openbaren telkenmale weer zijn binding met de oneindigheid. Zij dwingen hem a.h.w. steeds zich te realiseren, dat er iets anders is, iets hogers en iets beters.

Soms kwelt u een vage herinnering aan een geluk, dat u bij goed nadenken, in uw eigen beleven nog nooit hebt gevonden, ervaren. U verbindt het misschien met beelden die reeds wat verbleekt zijn en tot idealen kunnen worden gemaakt. Maar dat betere verleden, waar de mens van droomt, is in feite een verleden dat ligt ergens diep in zijn geestelijk bestaan. Want de scheppende kracht bestaat in iedere mens, iedere mens kan uit die geestelijke kracht voortdurend putten. De Goddelijke kracht, geopenbaard als het geestelijk Licht, is in staat meer te doen dan krachten te geven. Het kan ook plotseling inzicht betekenen, waardoor u – ondanks u onvermogen om door studie en lange werkzaamheden te komen tot een begrip – toch in enkele flitsen en flarden een beter inzicht kunt krijgen in die werkelijkheid, waaruit de vage herinneringen en begeerten stammen.

Wij allen streven op onze manier naar volmaaktheid. Sommigen streven naar een zekerheid van voortbestaan, omdat zij bang zijn voor de dood. Anderen zoeken een zekerheid van meer stoffelijke geaardheid misschien, die zij door het aanhoren van deze lezingen en leringen menen te kunnen bevorderen. Zo zijn er duizenden en miljoenen op de wereld. U kunt ze in elke kerk vinden, bij elke seance, bij elke lezing van esoterische, mystieke, of godsdienstige geaardheid. Maar al denkt u nu dat u uiterlijke belangen dient, in feite moet u er toch iets voor over hebben. Het kan niet alleen het stoffelijke zijn, wat u hiertoe brengt. Het is meestal een grote innerlijke onzekerheid, die de mens doet grijpen naar het intens religieuze, naar het intens occulte, of mystieke. Onzekerheid, die geboren uit het bewustzijn van tijdelijk bestaan, is het grote geheim van het leven, maar gelijktijdig ook de grootste angst voor dood, verlies. Juist door u te realiseren, welke rijkdommen u geestelijk bezit, kan die angst verdwijnen. Als u uw die rijkdom niet kunt realiseren, dan zoekt u tenminste naar iets wat erop lijkt: een geloof, een overtuiging, of een mening. Er zijn bepaalde dingen die u eenvoudig niet kunt geloven. Er zijn bv. mensen, die seances bezoeken, ofschoon zij niet geloven in het fenomeen dat daar plaats vindt. Dat hindert helemaal niet, wanneer zij in dat bezoek toch iets vinden, wat antwoord geeft op hun innerlijke honger. De uiterlijkheid die geschapen is, of zo u wilt, de wereld van waan en schijn, heeft de mens en met de mens menige geest ertoe gebracht om de zaak te belangrijk te vinden hier, een overwaardering voor vele, op zichzelf onbelangrijke, stoffelijke aspecten brengt de ellende. Dit is een pantsering die om uw eigen wezen heen ligt.

Pas de mens die zich weet te ontzeggen, die afstand kan doen en die toch bezitten kan, zonder voor het bezit te vluchten, dringt hier achter deze wal door en vindt daar dan de raadselen des levens. U moet eerst over de stoffelijke wereld heen zijn. U moet wat vrijer staan. U moet vrijer zijn door niet bezitszucht met liefde te verwarren, of met verplichting tegenover derden. U moet vrij zijn geworden van de gedachte dat bv. eer en eerbaarheid betekent het beantwoorden aan de publieke opinie, enz. Niet door kwaad te doen, maar door in staat te zijn die dingen terzijde te leggen en er niet over na te denken.   Als u dan naar die geestelijke wereld toekomt, dan vinden wij daar ook voor onszelf zo problemen. Misschien mogen wij het filosofische problemen noemen. Er zijn veel vragen die een antwoord vergen, waarop geen antwoord kan worden gegeven, als bv.: Waar is God? Wie is God? Wat is leven? Wat is de zin van het leven? Wat is het doel van mijn bestaan?

Bedenk wel: het geloof lost deze dingen op. Maar wanneer u doordringt in de kern van het geloof, komt  u voor diezelfde vragen te staan. U moet eerst voor uzelf een doel in het leven vinden. U moet de doelmatigheid van u eigen bestaan a.h.w. erkennen in een God, Die voor u leeft, voor u verder kunt gaan. Dan, met een antwoord op de meest dringende vraag en een berusting in raadselen, die nog niet kunnen worden opgelost, vindt  u de nieuwe weg van het geestelijk zijn. Een weg, die u ongetwijfeld ook leed brengt en soms ook grote inspanning, maar die u aan de andere kant aanspoort tot een steeds groter begrip en tot een steeds grotere verdraagzaamheid en liefde, omdat juist daarin u een Licht wordt geopenbaard, waarvan u meent dat het van buiten komt. Eerst het beleven van dit Licht en het vele malen beleven ervan maakt het mogelijk te erkennen, dat het in u is. Dan komt  u heel vaak terecht op hét terrein van de magie.

Eerst gaat u zoeken naar het slangenvuur, naar het geestelijk vuur. U houdt u bezig met de open geplooide chakra’s. U droomt over geestelijke contacten van ongetwijfeld wonderbaarlijke schoonheid. Dan komt er ook een ogenblik dat u a.h.w. daarvoor een zekere terughoudendheid gaat vertonen. Het is u niet meer noodzakelijk, dat u reist tot in de Lichtende sferen, dat u uittreedt, of dat u raad krijgt van een zeer hoge meester. U gaat ook dit geestelijk aspect en deze kracht accepteren: het is er en omdat het aanwezig is hoeft  u er geen beroep meer op te doen. Het weten, dat God bestaat, is meer waard, dan het zien van God. Dat zien van God verblindt u, wanneer u niet bewust bent, maar het weten dat God bestaat, is u een steun in elke fase en op elke trap van het bestaan.

Nu gaat  u zoeken: niet meer naar het geestelijk contact zonder meer. Niet meer magisch of wetenschappelijk. Maar u gaat zoeken naar een stroming, die overeenstemt met wat u in uzelf voelt als noodzaak. De handeling wordt geboren wederom uit deze fase van innerlijk bewustzijn. Een streven dat soms wordt voortgezet in vele sferen en soms gedurende vele levens. Want u moet soms zeer ver gaan om te komen tot het punt waarbij het Licht schijnt in u, dat ook het Licht wordt, dat naar buiten straalt. Het duurt lang, voordat u in de plaats van een daad om u wezen uit te drukken, alleen maar kracht van het Goddelijke naar buiten hoeft te stralen om te zijn: Lichtbrenger. Als u die fase hebt gevonden, dan zult u, door het Licht dat uzelf uitstraalt, voor het eerst waarheid kunnen zien in al datgene wat rond u ligt. Dan staat u geconfronteerd met de Schepper Zelf, uitgedrukt in de Schepping die Hij als een volmaaktheid rond u heeft gebracht. Dan kunt  u lang in bewondering staan. Maar er komt een ogenblik, dat zelfs dit verbleekt. Wij bewonderen God niet meer en wij aanvaarden God niet meer, maar wij zijn, door een volkomen prijsgeven van al hetgeen wat tot nu toe persoonlijkheid heet, het directe werktuig van Zijn hand, de directe uitdrukking van Zijn wil en Zijn gedachte.

Dat is dan het einde. Want: een hoger trap bestaat er niet, tenminste niet zover wij weten.  Al datgene wat u nu hoort over een nieuwe wereldleraar, wat u leert in esoterische scholen, of in de meest oude priesterschappen, is uiteindelijk een weerkaatsing van wat ik u hier zo kort heb beschreven. Het is altijd weer het zoeken naar deze eenheid, deze uitdrukking van het Goddelijke door het Licht en het Goddelijke, dat in u bestaat. U zou kunnen zeggen: de kracht Gods in u moet naar buiten treden en de specie worden, waardoor u tot een onverbrekelijk geheel wordt verbonden met de volmaakte Schepping, die dan kenbaar is.

Misschien, dat u zeggen zult, dat het zo lang duurt! Wat geeft het, wanneer wij eeuwen hebben, ja, een eeuwigheid. U kunt zeggen, dat het zo weinig onmiddellijke hoop op vreugde geeft! Elke overwinning, die u  doet op geestelijk terrein, elke stap voorwaarts, is meer vreugde, dan een hele christelijke eeuwigheid in een voortdurend hemels geluk zou kunnen betekenen. Want het ontdekken van een nieuw facet in het Goddelijke en in uzelf, het vinden van een nieuwe harmonie, is een vreugde, die ver alle dingen te boven gaat.

Vraag daarom niet aan uzelf: op welke trede sta ik? Vraag uzelf af: hoe kan ik verder gaan door God openbarend, zoals ik Hem in mij ken, door alle werken en daden, indien mogelijk evenzeer door mijn geestelijke krachten. Voeg daar dan bij: en laat mij in mijzelf niet verlangen naar deze kracht die mij draagt, maar laat mij door mijn streven trachten de kracht die mij gegeven is, ook al besef ik ze niet, waardig te dragen, opdat ik in mijn onbewustzijn, zelfs niet door een wanbegrip alleen, iets verloochen van de volheid, die de Schepper in mij heeft gelegd.

 Dit wilde ik u dan voorleggen. Ik verwacht niet van u, dat u het allemaal in de praktijk gaat brengen. Dat vraagt jaren en jaren. Maar ik hoop, dat u ook de zin hebt gevonden van het zoeken naar een weg en één waarheid, of het nu de weg is van de nieuwe wereldmeester, of van Jezus, of van een oude profeet. Wanneer u God in uzelf zoekt, dan is elke weg goed, mits hij tot het doel voert. Wanneer u God tracht te verwerkelijken, dan bent u één met alle leraren en meesters, die ooit geweest zijn, of nog zullen komen: deel van de volmaaktheid.