Karmische werkingen

Karma: een soort noodlot, waarmee naar men aanneemt de oorzaak­ en‑gevolg‑werking van het ene leven naar het andere leven wordt over­ gebracht.

De werking van karma: elke realisatie en bewustwording, die in een leven plaatsvindt ‑ ongeacht of deze juist dan wel onjuist is ‑ zal mede richting geven aan de keuze voor het volgende leven en de geestelijke beïnvloedingen vanuit het eigen “ik” tijdens dat leven. Karmische wetten zijn er heel wat, maar kunnen over het algemeen eenvoudig worden samengevat. Ik geef u hier een zeer summiere maar redelijk duidelijke en volledige samenvatting:

  1. Dat, wat ik in het heden doe, wekt in mij reactie. Deze reactie zal mijn houding in komende levens mede kunnen be­palen.
  2. Al mijn gedachten en dromen ‑ voor zover ze met emotie gepaard gaan ‑ worden verankerd in het geestelijk bewustzijn. Ze zijn aansprakelijk voor de keuze van de volgende incarnatie. Daarnaast zijn ze tevens een invloed op de reacties tijdens die incarnatie.
  3. Wij kunnen een karma niet ontlopen, maar wel een karma overwinnen, omdat alle invloeden, die onder karma worden verstaan niet bepalend zijn maar slechts richting gevend. Wij zijn in staat de richting zelf te wijzigen.
  4. Alle karmische werkingen ontstaan uit gehechtheden. Daar, waar een absolute onthechting is, bestaat geen karma. Angsten zowel als wensen zijn in feite waarden van begeren. Begeerte is binding. Bindingen zijn datgene, wat het geheel van het karma bepaalt.

Werkingen van het karma

Deze zijn zeer moeilijk in algemene termen duidelijk te maken. U zult mij vergeven, indien ik hier voorbeelden gebruik:

1e voorbeeld:

Een man staat in een bepaald leven voortdurend onder druk van anderen. Hij wenst het fijnste leven dat hij zich maar denken kan en droomt ervan edelvrouw te zijn. Dit heeft niets te maken met een hormonale toestand maar alleen met het begeren van een bepaalde sta­tus en situatie in het leven.

Resultaat: in de volgende cyclus zal deze mens zeer waarschijnlijk in een vrouwelijk kind worden geboren. Daarbij zal de positie zo worden gezocht, dat de ouders behoren tot de welgestelden. Waarmee geen re­kening is gehouden, is de moeilijkheid, die ook een vrouw kan onder­vinden in het leven, zodat er nieuwe problemen ontstaan.

2e voorbeeld:

Iemand is in een leven machtig. Deze macht betekent echter een enorme druk. Stel, dat hij aan het hoofd staat van een staat of een groot concern. Hij verzucht voortdurend en meent dat eerlijk, want hij weet niet beter: was ik maar de eenvoudigste van mijn knechten, dan zou ik het gemakkelijker hebben in het leven. Resultaat: bij een volgende geboorte al hij zich zeer waarschijnlijk bevinden in een situatie, waarin hij inderdaad een eenvoudige knecht moet zijn. Maar in zijn vorig leven heeft hij voortdurend erkenning en machtsuitoefening als een normaal deel van zijn bestaan beschouwd, dus zal hij iemand worden, die naar macht en erkenning streeft. Zo iemand zou het kunnen brengen tot roverhoofdman maar evengoed tot vakbondsleider, minister‑president of iets dergelijks.

Uit deze beide voorbeelden blijkt reeds dat de inwerking van het verleden wel degelijk een overbrengen naar het heden ten gevolge kan hebben. Men kan echter de gevolgen van een nog niet doorleefde wens nooit helemaal zuiver zien.

Op het ogenblik dat ik mensen wil doden, omdat zij tegen mij zijn, kan dat heel normaal zijn; heel veel mensen kennen deze neiging. Ik zal er in een bepaalde maatschappij misschien niet toe overgaan of misschien bezit ik de persoonlijke eigenschappen niet om op een dergelijke manier hard en zonder terughouding of respect voor andermans leven en bestaan op te treden, maar de droom is er. Indien ik daardoor sterk beroerd ben en die emotie steeds weer in mij oprijst, zal ik in een volgend leven in een situatie zijn, waardoor ik – of ik wil of niet ‑ voortdurend de keuze moet maken, zal ik, doden of zal ik zelf gevaar lopen. Zo iemand kan een eenvoudig een boer zijn met allerlei starre opvattingen, die eigenlijk iedereen zou willen neerknuppelen, ofschoon hij niet daartoe komt. In een volgend leven wordt hij soldaat; hem wordt de discipline in geknuppeld, En hij zal steeds moeten ervaren, dat het niet zo prettig is om bepaalde machts­middelen ook metterdaad te gebruiken. Dit zijn heel eenvoudige gevolgen. Het zijn de werkingen van het karma.

Nu zijn er mensen die zeggen: Ach, als ik vandaag vriendelijk ben tegen een bedelaar, dan zal er morgen iemand vriendelijk zijn tegen mij. In één afgesloten leven is dat heel goed mogelijk, maar karmisch heeft dat praktisch weer geen inwerking. De enige inwerking is: mijn gevoe­len, mijn denken, eventueel mijn rationalisatie; indien ik goed ben tegen de bedelaar. Dat neem ik mee. In een volgend leven zal ik dat geheel bezitten en zal dat mijn handelingen beïnvloeden. Maar er staat nergens dat ik zal bedelen en iets zal krijgen of dat iemand mij iets goeds zal teruggeven. Vandaar dat onthechting één van de belangrijk­ste aspecten is in alle ontwikkelingen, die vanuit karma worden ge­zien.

Als je denkt aan bv. een Boedda, dan denk je in de eerste plaats aan iemand die onthecht is, die zich dus heeft losgemaakt van alle materiële banden. Heel dikwijls denkt men dat dit gepaard moet gaan met geestelijke onverschilligheid. Dat is natuurlijk niet waar, want de geestelijke waarden blijven bestaan. De verbondenheid met het Al is onontbeerlijk. Maar de verbondenheid met het Al is gebaseerd op een één‑zijn met de totaliteit, niet op het bezitten van iets of het behouden van iets.

Jezus heeft eens gezegd, dat: “Zij, die hun leven trachten te behouden het zullen verliezen.” Dat is karmisch volledig juist. In het leven zelf gaat het natuurlijk niet op. Daarom moeten wij uitgaan van het standpunt; er is niets wat werkelijk belangrijk is. Je kunt als het nodig is alle bezit missen, alle mensen en desnoods je leven. Belangrijk is, dat je zelf integer bent, dat je waar ben t.o.v. wat je beseft omtrent jezelf. Iemand, die een dergelijke toestand bereikt, zal niet meer heen en weer worden getrokken door angst voor verlies en begeerte tot bezit. Daardoor is voor hem de wet van karma buiten werking getreden. Maar indien zo iemand ook maar één ding heeft, waaraan hij nog blijft hangen, dan zal datgene ding bepalend zijn voor zijn volgende incarnatie. Mag ik hier een kleine Tibetaanse gelijkenis invoegen?

Er was een monnik, die zeer heilig was. Hij had zich van alle dingen weten te onthechten, zelfs eerbewijzen zeiden hem niets. Als men met sjerpa kwam aandragen, dan haalde hij hoogstens stilletjes de schouders op en nam het maar aan; maar zijn thee met boter kon hij niet ontberen. Hij meende, dat hij in deze incarnatie, ver gekomen zou zijn. Maar ziet, in de volgende incarnatie was hij kok in een soort eethuis en moest hij voortdurend anderen thee met boter serveren.

Dit klinkt een beetje dwaas. Maar dat ene kan biologeren, het kan obsederen, het kan het gehele denken en het emotionele leven gaan beheersen. Wij zijn geneigd te denken: ach, de kleine dingen in een kar­ma, nu ja, daar kun je wel overheen komen. Als je maar in alle grote dingen onthecht bent, dan is er niets aan de hand. Maar men vergeet één ding: de belangrijkheid van het beleven van een zaak wordt voor de geest niet bepaald door de belangrijkheid daarvan in de wereld, maar door de intensiteit waarmee men haar beleeft. Nu kan ik mij voorstellen dat de monnik, die boos wordt als zijn thee, vijf minuten te laat komt, zo door de thee wordt geobsedeerd, dat hij ‑ als hij is overgegaan ‑ nog steeds aan die thee denkt. Dan moet hij thee gaan zoeken; en waar kom je terecht? In de keuken. Dat is dan geen grote heiligheid. Alleen indien hij verdere hechtingen vermijdt en nu leert dat thee ook maar een heel betrekkelijk iets is, kan hij mis­schien in een volgende incarnatie toch een soort Beddhisattva worden. Een raar verhaal, zeker, maar het is het verhaal van uzelf en uw eigen leven.

De cyclus van incarnaties is soms een heel wonderlijke, Voorbeeld van zo’n cyclus:

Een kind (man) wordt geboren en leeft een tijdlang als oudste zoon van een grootgrondbezitter in een ver verleden. Hij voelt zich getrok­ken tot hogere machten, occultisme o.a. In een volgende incarnatie leeft hij inderdaad in een tempel en wordt daar geneesheer. Hij voelt veel voor de geneeskunde en de esoterie, maar kan aan de andere kant de vrijheid, die hij als priester ontbeert niet helemaal verwerken. In een daarop volgend leven is hij soldaat. Maar wel een soldaat, die zijn vrienden vaak kan helpen, indien zij gekwetst zijn. De behoefte om vrij te zijn projecteert zich nu in de richting van belangrijke personen. Diezelfde man incarneert in de middeleeuwen als edelman. in die status voelt hij zich wederom niet helemaal op zijn plaats. Er zijn allerlei in­triges, die hem niet bevallen. Hij is machtelozer dan hij zou willen zijn. Hij incarneert weer, nu als hoofd van een stam, die in een berglandschap leeft. Hij heeft daar een daverend goed leven; vrouwen, veel eten, veel drinken, iedereen respecteert hem, hij rijdt uit op jacht, hij kan alles doen wat hij wil. Alleen, nu kan hij weer niet de geestelijke waarden terugvinden, die hij eens heeft geambieerd. Er zijn behoefte om te genezen vindt geen verdere ontwikkeling. Resultaat: wat later in de middeleeuwen wordt hij als monnik geboren. Niet helemaal als monnik natuurlijk, ofschoon een van zijn ouders reeds een celibaatsgelofte had afgelegd. Hij wordt kloosterling, leert heel veel, maar valt weer op de discipline. Het eind is; want wij willen niet verder gaan dan de huidige tijd, dat de man in de handel terecht komt; maar vreemd genoeg de handel in geneesmiddelen en be­paalde voor de geneeskunde belangrijke apparaturen. Hij voelt zich betrekkelijk vrij en is niet direct op één vrouw alleen te vangen ‑ laten wij dit erbij zeggen. Dat is waarschijnlijk zijn Baskische periode (een stamhoofdperiode), die daarin een rol speelt. Op het ogenblik zoekt hij naar esoterie. Hij is waarschijnlijk lid geworden van de een of andere esoterische school, misschien maçon of iets dergelijks. Vandaaruit zoekt hij nu weer verder, want de handel heeft hem nog te zeer aan bezit geboeid. De minachting voor het instabiele van het bezit, dat hij nu heeft vergaard, maakt het hem moeilijk om alle bezittingen nu maar prijs te geven. Hij zoekt naar een waarde die vaster is, maar zoekt die nog materieel.

Conclusie: Deze persoon zal waarschijnlijk nog 5 á 7 incarnaties nodig hebben, voordat hij het moment van onthechting zodanig kan benaderen, dat een stoffelijke incarnatie niet meer noodzakelijk is en hoogstens nog als een taakvervulling zal plaatsvinden.

Dit is een karmische reeks, maar één die niets bijzonders heeft. Wij kunnen op de wereld van dit ogenblik vele miljoenen mensen vinden, die soortgelijke reeksen hebben doorgemaakt, steeds weer het zoeken naar het andere. Maar wat zij daarbij vergeten is: dat zij zelf beïnvloeden wat zij zijn. Om nog een voorbeeld te geven:

Er is een vrouwelijk kind, dat opgroeit tot een schoonheid. Zij integreert (geest en lichaam vormen een bewust bestuurbaar geheel), zij is verstandelijk zeer begaafd en heeft nu het gevoel, dat die schoonheid eigenlijk de verdere ontwikkeling, die zij voor zichzelf toch ook nastreeft, in de weg staat. Zij wordt opnieuw geboren, weer als een vrouwelijk kind, weer met een scherp verstand, alleen de schoon­heid ontbreekt. Zij is oerlelijk, misschien misvormd en droomt nu weer van een leven, waarin zij die schoonheid wel zal bezitten, zonder te begrijpen dat haar visie op de belangrijkheid van schoonheid, zoals die stoffelijk bestaat, geestelijk niet bepalend kan zijn. Want geestelijk is de verwerping van een bepaalde soort schoonheid als een rem reeds voorgekomen. Dat blijft bestaan. In een volgende incarnatie is het heel waarschijnlijk, dat er een kind wordt geboren van een dan heersend geslacht (dus als de mannen nog aan het roer zijn een man, als de vrouwen aan het roer zijn een vrouw), die zeer waarschijnlijk zich wetenschappelijk zal bekwamen. De schoonheid zal middelmatig zijn, de prestaties daarentegen zeer hoog. De emotionaliteit en de emotionele bindingen zullen het gemiddelde niet te boven gaan.

Alweer een voorbeeld waaruit blijkt hoe de karmische samenhangen werken.

Als je geneigd bent aan te nemen dat iedereen met jou rekening moet houden in dit leven, dan kom je in een situatie komen, waarin dat in een volgend leven onmogelijk is. Je kunt dan die eis wel stel­len, want innerlijk heb je nog steeds de neiging te zeggen; ik ben het belangrijkst. Maar als je die eis stelt, komt er steeds een breekpunt, dat in vele gevallen niet eens te kwader trouw door anderen wordt veroorzaakt en dan sta je weer met lege handen, heb je weer een te­leurstelling. Sommige mensen dromen ervan eindelijk eens vrij te zijn van alle regels en wetten. Zij komen in een toestand, waarin inderdaad geen regels of wetten zijn, maar misschien de wet van de jungle en die is veel harder.

Iedereen bouwt zich voor zijn denken, door zijn verlangens in dit leven mede een volgend leven. Maar de werking van karma is gelukkig niet van leven tot leven alleen bepalend. Dank zij de wetten gaat het om de bewustzijnsinhoud die geestelijk bestaat te behouden. Als geeste­lijk dus, eenmaal een lot doorleefd is en daarin een verwerping is voorgekomen, dan zal die verwerping in alle volgende incarnaties een rol spelen. Het is dus een selectieve, factor geworden, waarbij aspec­ten van leven en belevingsmogelijkheden eenvoudig terzijde worden gesteld. Doordat je meer doormaakt en voortdurend ook meer leert afwijzen, kom je langzaam maar zeker tot het verwezenlijken van die factoren, welke met je persoonlijkheid wel het meest harmonisch zijn, Men heeft gezegd, dat de eindoplossing van een karmische reeks altijd een belichaming is, waarin het totaal van de werkelijke waarden van de ik‑persoonlijkheid voor de geest bevredigend geheel kunnen worden uitgedrukt.

Andere aspecten van de karmische werkingen

Het denkbeeld “ik hoor bij een ander” is iets wat op aarde veel voorkomt. Wij kennen het begrip van tweelingzielen. Dat wordt ook ver­klaard door karma. “Wij hebben elkaar in een vorig leven liefgehad, dus zullen wij elkaar in elk leven weer ontmoeten.” Dat is een mooie fabel, die ergens wel een basis van waarheid heeft, maar een waar­heid die toch sterk verschilt van de wat sentimentele, emotionele en bovendien vaak erotische uitleg, die men daarvan meestal geeft. Als ik leef en een band heb met een mens, zal die band blijven bestaan; en wel op dat punt waarop ze door beiden gelijk werd erva­ren. Dat is iets wat men over het hoofd ziet.

Je kunt elkaar liefhebben. Laten wij zeggen. een vrouw heeft de portemonnee van de man lief en deze haar schone vormen. Dat zijn dingen die voorbijgaan. Dat kan nooit een binding zijn die voort bestaat, dat gaat gewoon voorbij. Die mensen zullen elkaar nooit meer ontmoeten. Het kan ook zijn, dat er een zielen‑verwantschap bestaat ‑ onverschillig of daar een meer lichamelijke consumatie van de band bijkomt of niet. Op het ogenblik dat er geestelijk contact bestaat en beiden elkaar hebben aangevuld, bevatten zij beiden gelijke waarden; of om het anders te zeggen; harmonische factoren,

Deze harmonische factoren zullen niet in elk leven elkaar ontmoeten, omdat de keuze van een volgend leven (de drang die door de karmische werking tot stand wordt gebracht) de een wel kan brengen tot een levenskeuze, waarin die harmonische factor niet eens naar bui­ten treedt en dan ontmoeten zij elkaar eenvoudig niet. Het kan ook zijn, dat door beiden een leven wordt gekozen, waarin die karmische factor (die harmonie) wel een rol speelt, (beiden hebben b.v. een bepaald ge­voel, een bepaalde emotie, een bepaalde kennis, een bepaald streven), dan mag de een in Lapland en de ander in Vuurland worden geboren, maar dan is het zeker dat zij elkaar zullen ontmoeten. Alleen is het niet zeker, dat die ontmoeting volgens menselijke opvattingen te juister tijd zal gebeuren. Er zijn trouwens relaties, die volgens het denken van de mensen wel een beetje eigenaardig worden. Het is mogelijk, dat een dergelijke harmonische factor optreedt in een broer en een zuster. In een vol­gend leven ontmoeten zij elkaar weer als een leermeester en een leer­ling. In een daarop volgend leven ontmoeten zij elkaar als een paar vrienden of vriendinnen. In een dan volgend leven misschien als een echtpaar en in een daarop volgend leven als ouder en kind. Ik probeer hiermede duidelijk te maken, dat deze verbondenheid zeker niet altijd op een seksuele polariteit uitloopt. Men veronderstelt dat wel, maar het is niet zo.

Indien vele mensen een gelijke ontwikkeling doormaken, dan is het zeer waarschijnlijk dat zij op ongeveer gelijke tijd en meestal ook in vergelijkbare omstandigheden incarneren. Dan hebben wij niet te ma­ken met tweelingzielen maar met een groepsincarnatie. Nu blijkt hier een karmische factor op te treden, die anders niet zo opvalt. Omdat je gelijktijdig incarneert en de menselijke reactie op een ander mens niet alleen op waarnemingen en ervaringen is gebaseerd maar daarnaast ook op de aftasting van elkaars uitstraling, kan er tussen vijanden en vrienden een herkenning zijn, die zich dan ogenblikkelijk openbaart niet alleen in antipathie en sympathie maar ook in een actieve tegenwerking van of medewerking met elkaar.

Dit zou misschien een verklaring kunnen zijn voor de situatie, zoals die zich op vele departementen ontwikkelt. Daar zien wij ook mensen, die elkaar door dik en dun proberen te dekken en te steunen. En dan hebben wij het zeker niet over verschil in seksen maar over zakelijke relaties. Aan de andere kant zien wij mensen, die als zij elkaar voor het eerst hebben gezien, onmiddellijk beginnen te proberen elkaar een loer te draaien, De relatie binnen een groep, alleen doordat een praktisch gelijktijdige incarnatie plaatsvindt, betekent, het herleven van tenden­sen, die in het verleden voor die groep emotioneel of op andere wijze belangrijk zijn geweest. Het is goed om daar even bij stil te staan, want het kan een verklaring zijn voor vele verschijnselen in de wereld, die je anders niet begrijpt.

Voorbeelden

Stel, dat een aantal mensen incarneert vanuit bv. een Indiaanse beschaving, cultuur, dus Noord‑Amerikaanse Indianen. Daar is de relatie man ‑ vrouw een zodanige geweest. Enerzijds was de vrouw inderdaad degene die door de man word beheerst en gebruikt. Anderzijds had zij zeer bijzondere eigenschappen, waardoor zij onder omstandighe­den ook de beste man, de baas was.

Conclusie; Dan zal in een cultuur, waarin een dergelijke groepsincar­natie voorkomt, de vrouw de tendens hebben zich te ontworstelen aan elk mannelijk, gezag en gelijktijdig zal de man de tendens hebben om a.h.w. de vrouw te gebruiken hoe dan ook; dus niet alleen als vrouw maar ook als werkdier, inspiratiebron etc. Deze neiging zal vaak de gehele beschaving tekenen.

Opvallend is verder, dat bij dergelijke incarnaties heel vaak een ongeveer gemeenschappelijk doel bestaat. Het is niet zo, dat als bv. alle Egyptenaren, die nog niet bewust zijn, zouden kunnen incarneren in deze tijd de keuze van plaats en mogelijkheid voor allen gelijk is. Het is duidelijk, dat priesters anders staan tegenover een nieuwe incarnatiekeus, dan slaven. Er ontstaat dan een groepering van slaven, die over het algemeen geleerd hebben naar een hogere positie te grij­pen. Deze Egyptische slaven zullen wij dus heel vaak terugvinden in allerlei hoge posities, terwijl wij de Egyptische priesters en de rijke­ren zullen vinden als filosofen en die daardoor in de maatschappij vaak ook degenen zijn, die de hardste klappen krijgen. Er is mij een geval bekend, dat een incarnatie van een grote groep uit de tijd van Dzjengis Khan plaatsvond. Het ging over ongeveer 14,000 entiteiten, die in een periode van drie jaar incarneer­den. De neiging om toch weer naar een barbaars verleden terug te grij­pen heeft hen in Rusland gebracht. Het is de verhouding van deze groep, die zelfs op dit moment nog bepalend is voor vele situaties, die wij in de Sovjet‑Unie kunnen aantreffen,

Ik zou dergelijke voorbeelden natuurlijk ook kunnen geven over andere landen, maar dan zou u zich natuurlijk gaan afvragen wie wie is. En het lijkt mij beter dat u dat niet doet.

Als wij begrijpen, dat het karma in sommige gevallen alleen reeds door een ongeveer gelijke achtergrond, een gelijk begeertepatroon een incarnatie in ongeveer dezelfde tijd, op ongeveer dezelfde plaats en in vergelijkbare omstandigheden mogelijk maakt, dan zal het u ook duidelijk zijn, dat ‑ al bestaat er vanuit karmisch standpunt bezien geen reële binding tussen de leden van deze groepen – er toch tussen leden van deze incarnatiegroepen meer bindingen zullen voorkomen dan in elk ander willekeurig samengestelde groep. Deze mensen ontmoeten elkaar steeds weer. Het is dus zeer waarschijnlijk, dat de betekenis die zij voor elkaar krijgen groter wordt, dat er harmonische factoren ontstaan, waardoor zij bovendien bij volgende incarnaties nog tot elkaar zullen worden aangetrokken en dat ook de haat en de verwerping, die zij in een verleden hebben gekend, in dit leven een heel grote rol zullen spelen.

Laten wij aannemen, dat wij te maken hebben met werklieden uit de tijd juist voordat de steden belangrijk worden en niet meer alleen maar markten zijn; dus de vroege middeleeuwen. Als deze mensen incarneren in de huidige tijd (dit is gezien het tijdsverloop heel goed mogelijk), dan zullen zij een enorm wantrouwen hebben, want dat hadden zij in die tijd ook. Elke vreemdeling kan gevaar betekenen. Deze mensen hebben dan ook de neiging om aartsconservatief te reageren. In dit conservatisme vinden zij een zekere harmonie. Dit lijkt nu negatief, maar dat is het niet, want de denkbeelden en de emoties, die zij gezamenlijk ontwikkelen, brengen wel degelijk een droom met zich mee van toch weer een beter leven, een beter bestaan, een betere toestand. Daaruit kun je dan weer concluderen, dat zij in een volgend leven een keuze doen, waardoor zij niet meer aartsconservatief zijn, maar in tegendeel vaak zeer belangrijke, stabiliserende en geestelijke impulsen gevende persoonlijkheden zullen zijn in de wereld van dan. De werkingen van het karma hebben ook nog één eigenaardigheid, waarover men met de mensen heel moeilijk kan praten. Dat is namelijk de z.g. afwijkende incarnatie. Deze wordt volledig karmisch bepaald.

Een mens leeft op deze wereld. Hij komt tot een absolute verwerping van alle waarden in de wereld. Dan zal hij karmisch zodanig geconditioneerd zijn, dat hij niet meer in deze wereld zal kunnen incarneren ‑ ongeacht de verandering van omstandigheden. Dergelijke entiteiten kunnen een zeer lange tijd in de geest vertoeven. Het is echter ook mogelijk, dat zij op andere bewoonde werelden incarneren. De afwijking kan echter nog veel verder gaan. Er zijn omstandigheden, waardoor een dergelijke incarnatie nodig is in de stof. Deze vindt dan op aarde in een niet‑menselijke vorm plaats. Bij de Hin­does neemt men aan, dat dit heel gebruikelijk is. Zij zijn soms heel erg beleefd tegen een tijger of tegen de een of andere os, omdat zij zeggen; Dat is vast opa. Nu zal de gelijkenis misschien bestaan, maar het is zeker niet zo, dat een mens zonder meer in een dier incarneert.

Maar bij een absolute verwerping van de mensheid en de menselijke wereld bestaat de kans, dat een ziel incarneert in een muterend – dus veranderend en intelligenter ‑ lichaam van een diersoort, die naar een zeker bewustzijn toe groeit. Een dergelijke entiteit zal dan echter alle dierlijke factoren daarvan voor het merendeel verwaarlozen.  Iemand, die meer van dergelijke incarnaties in de reeks heeft op­ genomen zal zich waarschijnlijk na de algehele bevrijding van de stof ook niet meer bezighouden met mensen (dus geen rassen‑ of groeps­geest kunnen worden), maar zal heel waarschijnlijk voor dieren een ras­sengeest worden en dan met een zeer grote mogelijkheid voor diersoor­ten, die verwant zijn aan de dieren, waarin hij eens heeft geleefd, deze afwijkingen komen zeer weinig voor. Naar schatting 1½  per Europees miljard.

De situatie van degene, die gedeeltelijk afwijkende factoren kent, is wat moeilijker. Dat zijn dan heel vaak incarnaties, die dermate selectief op een bepaald proces van leven zijn toegespitst, dat wij te maken krijgen met zich zeer snel ontwikkelende persoon­lijkheden in onvolmaaktheden vertonende lichamen. Een voorbeeld daarvan: Een kind wordt geboren in Hamburg. Het blijkt op zijn vierde jaar reeds een groot mathematicus te zijn, is op zijn achtste jaar werkelijk wetenschapsmens en overlijdt voor zijn twaalfde jaar. Dergelijke gevallen komen meer voor. In zo’n geval is de incarnerende entiteit op één bepaalde taak of op één terrein dermate gericht, dat met alle middelen wordt gezocht naar een mogelijkheid die taak zo snel mogelijk voort te zetten. De afwijking betekent dan, dat het lichaam op zich niet meer interesseert, alleen de mogelijkheid om in dat lichaam iets te doen. Dat kan leiden tot perfecte wonderkinderen, die later zeer grote en harmonische mensen worden. Daarvan zijn er enkele voorbeelden op de wereld. Mensen, die practisch ingewijden worden. Maar ook zien wij bij dergelijke afwijkende incarnaties een kort leven met intense prestaties, die echter zeer eenzijdig plegen te zijn en daarna een voortijdig overlijden met zeker daarachter de noodzaak tot een volgende incarnatie, waarin de verworven inzichten en kennis in meer algemene zin in het leven moeten worden geïnterpreteerd.

Ook kunnen de karmische invloeden worden bepaald door kosmische harmonieën. De daarvoor meest bekende term is het behoren tot een bepaalde straal. Het is zelfs vaak zo, dat het behoren tot die straal mede nog tot uiting komt in het geboren worden onder een bepaalde ascendant. Dus niet het eigen sterrenteken (zonteken) maar de ascendant. Dit is zeer curieus.

Waarom behoort men tot een straal? Dat is karmisch duidelijk. De wet van karma zegt, dat wij ons voortdurend verder zullen ontwikkelen op basis van datgene, wat wij in ons dragen. Als wij onbewust zijn, dan zijn er grote krachten in de kosmos, die zich bezighouden met ons, totdat wij het verschil tussen “ik” en niet­ “‑ik” hebben leren kennen en vaak zelfs nog enige tijd verder. In deze periode krijgen wij een verwantschap met een bepaalde straal. Let wel, het is niet iets onvermijdelijks. Wij zouden althans theoretisch van straal kunnen wisselen, indien de harmonische mogelijkheden zich in ons wezen aanmerkelijk veranderden. Maar omdat onze vorige ervaring steeds weer bij een incarnatiekeus een rol zal spelen, is het heel waarschijnlijk dat iemand, die nu tot bv. de gouden straal behoort ook de volgende incarnaties nog daartoe zal behoren. Alleen indien tijdens de geestelijke ontwikkeling (niet op aarde; daar is het niet mogelijk), een zodanige harmonie wordt gevonden, dat de harmonische waarden van de straal kleiner worden dan de nieuw bereikte harmonie, kan men optreden onder een andere straal of zelfs onafhankelijk van de Heren der stralen. Men valt dan onder de z.g. inspiratieve krach­ten: o.a. de Heren van wijsheid, de Heren van kracht. Het is dus niet zo, dat u altijd geketend zult zijn aan een bepaalde kosmische invloed. Wel staat het vast dat de vorming, bepaald door een kosmische invloed in de eerste periode, voor zeer lange tijd de grootste harmonische mo­gelijkheid t.a.v. deze kracht in stand zal houden. Dit betekent, dat de geboorte op aarde zal plaatsvinden in harmonie met die kracht.

Er zijn nog enkele wetenswaardigheden, die ik hierbij kan voegen.

Het is bv. opvallend dat de meeste mensen, die uitgesproken en dus meer bewust tot een bepaalde straal van licht behoren, worden geboren tijdens een periode, waarin de kleur van dat licht dominant is (bv. gedurende een roodperiode). En dan is het heel waarschijnlijk dat de geboorte zal plaatsvinden op een ogenblik dat Leeuw ascendant is. Als wij dus in een bepaalde tijd een golf van geboorten zien en wij weten welke invloed dominant is en welk sterrenbeeld ascendant is, dan kunnen wij ook nagaan hoeveel entiteiten bewust ‑ althans meer bewust door een kosmische straling ‑ op dat moment de aarde betreden. Dit is voor u misschien niet zo erg belangrijk, voor ons is het in zoverre interessant dat wij de inwijdingsmogelijkheden en het aantal nu‑geborenen, die tot de ingewijden zullen behoren, daaruit tamelijk zeker kunnen afleiden.

Een andere wetenswaardigheid is deze;

Als ik behoor tot een Heer van wijsheid, dus mij heb ontworsteld aan het behoren tot één bepaalde tendens, één bepaalde straal, dan kan ik niet meer incarneren dan alleen volgens eigen behoeven. Wijsheid betekent n.l. doelerkenning. Doelerkenning impliceert taakaanvaarding. En een aanvaarde taak moet worden volbracht (dat is karmisch weer vastgelegd) ongeacht het aantal levens dat daarmee gemoeid is. Als ik een bepaalde bewustwording in mij draag en ik ben zeker, dat ik deze moet overdragen aan anderen, dan zal ik dus in een volgend leven die overdracht tot stand moeten brengen, indien mij dat nu niet gelukt. Faal ik de tweede keer, dan zal ik een derde keer terugkomen etc. Alle andere factoren veranderen, de bewust­ wording verandert, de keuze van lichaam kan veranderen, maar de taak blijft bestaan en zal in elk leven weer op de voorgrond treden.

Een laatste wetenswaardigheid:

In vele gevallen wordt de belangstelling van een mens door karmische factoren mede bepaald. Dat wil niet zeggen dat je er veel mee bereikt. Maar iemand, die in een leven bv. erg gevoelig is geweest voor astrologische tendensen, zal in een volgend leren een grote astrologische belangstelling hebben. De een wordt astroloog, de ander maakt er alleen kennis mee en iemand, die minder bewust is, leest misschien alleen de dagelijkse horoscopen in de krant. Maar de verbondenheid, het sterk daartoe aangetrokken zijn, is dan bij een ieder aanwezig, hoe het zich ook moge uiten. Deze situatie kan dus betekenen, dat mensen bepaalde eigenschappen absoluut niet bezitten buiten al het redelijke om, terwijl andere eigenschappen bijzonder sterk naar voren komen en zich ook uiten in gedrag, in emotionele gebondenheid en mentale gerichtheid. Dit alles wil voor u nog helemaal niets zeggen. Misschien zit u al uit te rekenen: ik heb astrologische belangstelling en ook belangstelling voor dit en voor dat, dus moet ik dat geweest zijn. Laat u dat maar achterwege, want ik heb alles eenvoudig voorgesteld; de werkelijkheid is natuurlijk enorm complex. Het enige, dat u kunt afleiden uit uw belangstellingen en uw gerichtheid, is wel de behoefte die u heeft.

Als u voortdurend door astrologie geboeid wordt en daarin zelf ook iets presteert, dan geef ik u toch de raad u eens af te vragen, of u nu werkelijk die astrologie zoekt of dat u iets anders zoekt; namelijk het beleven van tijd in vele momenten. Dan zoekt u in feite naar een soort helderziendheid in tijd in plaats van het beheersen van een astrologisch systeem. Dat kunt u vaak ook zeer van dienst zijn, zelfs als u een horoscoop wilt maken. Ik ben mij ervan bewust, dat ik nog veel meer had moeten, zeggen. Ik ben mij er ook van bewust, dat ik dan in een begrijpelijker, samenhangend geheel binnen de beschikbare tijd nooit zou kunnen brengen. Maar als u hier bent, dan is dat ongetwijfeld omdat u zich interesseert voor karmische wetten en karmische werkingen. Ik kan u geen ontleding van uw persoonlijk geval geven, maar ik wil graag elk commentaar en elke inlichting geven, die u van node heeft. Om u dan toch iets mee te geven om over na te denken:

Heel vaak zijn de tekorten in dit leven de winst in een volgend leven. Als u dat onthoudt, dan helpt u dat misschien om nu juister te werken met wat u heeft en daardoor later evenwichtiger de nieuwe én andere situatie in een volgend leven te ondergaan.

*******************************

*  Houdt onthechting verwerping in? Houdt onthechting het open­staan voor alles toch ook in? Speelt de factor begeerte tot bezit niet meer mee in onthechting? Zie ik dit allemaal goed?

Ik weet niet hoe u kijkt, maar de situatie is ongeveer als volgt: Onthechting houdt geen verwerping in. Verwerping is een vorm van hechting. Onthechting is dus een onverschilligheid. Iemand, die een absoluut onthecht‑zijn kent, kan alles aanvaarden en alles tole­reren, maar hij is nergens aan gebonden. Iemand, die onthecht is, kan vandaag leven in een paleis en morgen aan de kant van de weg slapen, zonder dat het voor hem een verschil uitmaakt. Het houdt dus niet, in dat je de genoegens van deze wereld met een groots gebaar vaarwel zegt (iets wat trouwens meestal betekent dat je probeert een weg te vinden om terug te keren zonder dat iemand het bemerkt), maar dat je eenvoudig zegt; Ach, het is niet belangrijk. Het erkennen van de onbelangrijkheid van vele dingen en van de betrekkelijkheid en beperktheid van vele andere zaken vormt eigenlijk het begin van de onthechting. Of je daardoor openstaat voor alle dingen? Ik zou zeggen: Ja. Maar dit openstaan is dan toch wel enigszins beperkt, omdat je niet openstaat voor de gevoelens en voor de belangrijkheid van anderen, Je kunt niet meer begrijpen, waarom een gierigaard geld belangrijk vindt bijvoorbeeld, Waarom een ander speciaal op rozegeur en maneschijn uit is. Je zegt; In alle dingen is dezelfde waarde te vinden. Die waarde vind ik, dus kan niets mij waarlijk ontnomen worden, maar ook niets kan mij waarlijk worden geschonken wat ik niet reeds bezit. Ik geloof, dat dit eigenlijk de kern is van de onthechtheid.

*  In welk opzicht kunnen tekortkomingen van deze tijd winst ople­veren in een volgend leven?

Dit kan alleen aan de hand van voorbeelden worden beantwoord en dat betekent, dat het antwoord wel zeer onvolledig zal zijn. Stel, u heeft in dit leven voortdurend gebrek, waaraan dan ook. Door dit gebrek zult u bij een incarnatiekeuze de nadruk leggen op een leven, waarin dit gebrek niet aanwezig zal zijn. Indien dit gebrek nu niet wordt overgecompenseerd (ik ben arm, dus wil ik steen­rijk zijn), maar gewoon wordt gezien als; Deze situatie belemmert mij teveel, dan krijgen wij niet alleen een betere incarnatie vanuit menselijk standpunt, maar ook vanuit geestelijk standpunt een veel grotere mogelijkheid tot bewustwording, een grotere flexibiliteit van denken, van bestaan. Wij beschikken dus over meer mogelijkheden en middelen.

*  Kunt u zeggen of er karmische banden bestaan tussen Roosevelt, Churchill en Hitler? Welke zijn deze en hoe zullen die in een even­tueel volgende incarnatie tot uitwerking kunnen komen?

Karmische banden tussen Roosevelt, Churchill en Hitler bestaan eigenlijk niet. Dat klinkt erg vreemd, maar hun karma wordt bepaald door hun eigen relatie t.o.v. de wereld, niet door de rol die zij in de wereldgeschiedenis hebben gespeeld, Zo is Roosevelts grote binding er in feite een geweest met de gemeenschapszin; iets wat je later misschien toch met socialisme zal vertalen, Churchill grijpt in zijn karmische relaties juist terug naar de alleenheerschappij, het zoeken naar het absolute gezag en de absolute status en rang, zoals, wij die kenden bij de Normandiërs, toen zij ‑ denkt u maar aan o.a. Richard Leeuwenhart ‑ in Engeland leefden, Hitler is vreemd genoeg zeer sterk verbonden met zowel de Germaanse periode van Duitsland als met de Napoleontische periode in Frankrijk. Dat zijn dus drie verschillende entiteiten. Maar zij hebben zich in dit leven voortdurend met elkaar beziggehouden. Dat wil zeggen dat zij voor elkaar betekenis hebben gekregen.

De overeenkomsten in denken en karakter tussen Churchill en Hit­ler zullen ervoor zorgen, dat zij in volgende levens, mits ze gelijktijdig incarneren, met elkaar in contact zullen komen en zeer waarschijnlijk als elkaar respecterende tegenstanders.

Wat betreft Roosevelt: zijn binding is er vreemd genoeg eerder één met Stalin dan met Hitler. Dat ligt in de benadering, in het den­ken, in de beleving, in de emotionaliteit. Wij kunnen dus niet aanne­men, dat deze drie figuren in een volgend leven weer een soortgelijke rol zullen spelen. Zouden wij een gissing moeten. wagen, daarbij veronderstellende dat het bewustzijn van allen gelijk is, zodat zij ongeveer gelijktijdig incarneren, dan zou het volgende waarschijnlijk zijn. Hitler als revolutionair opperhoofd van de een of andere negerstam. Churchill als leider van een groot zakelijk concern. Roosevelt waarschijnlijk als sociaal‑filosoof. Stalin (u heeft hem wel niet genoemd, maar ik heb hem er zelf bijge­haald) zeer waarschijnlijk als een psychiater, die in het zoeken naar de geestelijke kwalen van anderen zijn eigen verwrongenheid tracht te genezen, Zij allen gezamenlijk zullen op de wereld, geen grote invloed uitoefenen bij een volgende incarnatie,

*  Gaarne nog enkele voorbeelden van gelijk en harmonisch beleven van twee partners bij een voorgezet karmisch samengaan. Zijn gemeenschappelijke interessen, instellingen en voorliefden daar al bepalend voor?

Op zichzelf niet. Het is bv. heel goed mogelijk, dat twee men­sen allebei dol zijn op gebakken haring met patates. Dat gaat gewoon om een voorkeur. Bepaalde mensen kunnen een gelijke voorkeur hebben voor misschien Sartre of een andere filosoof; bepaalt dus niets. Maar deze partners kunnen elkaar aanvullen en aanvoelen op een be­paald terrein. Of dat nu de kwestie is van het opzetten aardap­pels of een elkaar aanvoelen t.a,v. het denken omtrent wereldomvat­tende problemen, doet eigenlijk minder ter zake. Op het ogenblik dat dit aanvoelen bij beiden even sterk is, zodat zij a.h.w. ervaringen en emoties met elkaar delen, zonder dat deze direct aan zaken gebonden behoeven te zijn, zullen de partners op grond van harmonie, en ook bepaald door de mate van de harmonie, elkaar in volgende levens waarschijnlijk ontmoeten. Indien dit niet gebeurt, blijft de harmonie toch altijd bestaan tussen degene, die in de geest is en de ander, die in de stof vertoeft, zodat ook nog de mogelijkheid bestaat, dat dan een van de partners in een bepaald leven optreedt als gelei­de‑ of beschermgeest voor de ander.

*  Dan zal het aantal bindingen toch vele duizenden moeten gaan omvatten, die geenszins alle voldoende intensief opnieuw beleefd of ontmoet kunnen worden.

Deze opmerking is volledig juist. Het is doorgaans zo; Nu moet u mij niet kwalijk nemen, dat ik maar zeer ruwe gemiddelden geef. Voorde doorsnee‑mens, die op dit ogenblik leeft, bedraagt het gemid­deld aantal karmische bindingen (dus harmonische mogelijkheden) in zeer beperkte zin rond de 10 á 20.000. Voor een dergelijk persoon zijn er ongeveer 270 tot 280 z.g. intens harmonische bindingen mogelijk en dus zouden een tiental mogelijkheden tot een perfecte harmonische verbondenheid op één terrein voor de doorsnee‑mens realiseerbaar moe­ten zijn. Maar wij moeten daarbij niet vergeten, dat tijdsverloop en maat­schappij hierbij een rol spelen en dat positie belangrijk is. Hierdoor zal gemiddeld één op de 70 á 80 personen één binding op één bepaald punt in een leven realiseren en dan gemiddeld voor enkele jaren van een leven dat rond de 60 jaar zal zijn. Ik geef hier een aantal benaderende getallen. U zult hieruit be­grijpen, dat de vele mogelijkheden t.a.v. deze geestelijke verbondenhe­den, die er voor ons bestaan als wij incarneren, toch maar zeer gering zijn. Het percentage van gerealiseerde bindingen in de materie is in verhouding klein.

*  En is ook de weg om de binding te vinden geografisch gesproken eigenlijk ook niet een zeer bemoeilijkende factor?

Dat is helemaal geen bemoeilijkende factor, omdat hier een geeste­lijke factor een rol speelt, die voor beide partners beïnvloedend en suggestief werkt vanuit een gemeenschappelijk bewustzijn van de mens­heid. Het kan dus zo zijn ‑ ik heb dit voorbeeld in mijn inleiding ge­bruikt ‑ dat de een in Lapland wordt geboren en de ander in Vuurland. Nu is degene, die in Vuurland werkt, bijzonder bekwaam in een bepaalde manier van vis vangen. De Lap uit het noorden is een heel goed beeld­snijder. Er zal een tentoonstelling zijn waarvoor beiden worden uitge­nodigd om hun speciale kunnen en misschien ook hun afwijkende geaard­heden uiterlijk te demonstreren. Zij zullen dat beiden aannemen. Zij zullen elkaar op die tentoonstelling ontmoeten en daaruit kan een relatie ontstaan van al dan niet blijvende aard.

*  Maar als er nu iemand is, die met het vooropgestelde idee met iedereen in harmonie wil zijn?

Ik ben bang dat het zo iemand dan gaat als de man die zich aan het diner heeft voorgenomen alle lekkere hapjes van de hors d’oeuvre te proeven. Wat heeft hij op een gegeven ogenblik? Een degout voor verdere voedingsmiddelen. Iemand, die met alles te zeer harmonie zoekt, komt op een gege­ven moment ‑ of hij dit wil of niet ‑ tot disharmonieën, die hij vanuit zichzelf projecteert, eenvoudig omdat hij het harmonisch vermogen niet heeft om die harmonie overal voort te zetten. Bovendien moeten wij begrijpen, dat wij hier niet spreken over een uiterlijke harmonie, maar over een innerlijke harmonie, waarbij er tus­sen twee individuen een overdracht is buiten het stoffelijke om. Iemand, die van iedereen een dergelijke overdracht zou krijgen, zou dit maar enkele ogenblikken kunnen verdragen om daarna verzorgd door de gemeenschap in het gekkenhuis op zeer harmonische wijze langzaam maar zeker over te gaan. Beperkte harmonieën met enkele personen zijn de best realiseerbare, althans in de zin waarin wij het woord harmonie binnen karmische wetten en mogelijkheden hebben besproken.

*  Het is dus niet realiseerbaar, gegeven de situatie zoals wij ­leven? Is dat geestelijk wel veel verder uit te breiden?

Er komt volgens ons allerinnigste overtuiging in de geest een ogenblik, dat absolute harmonie met allen mogelijk is. Maar dat betekent tevens dat het “ik” aan de details zozeer is ontgroeid, dat alle hoofdwaarden en hoofdkrachten door het “ik” kan worden beleefd, zonder in de details te verstikken. Als ik een parallel mag trekken met de harmonische bestrevingen en voornemens van de mensen op aarde, dan zult u het met mij eens zijn dat zij zoveel kleinigheden belang­rijk vinden, dat zij daardoor ruzie krijgen over de wijze, waarop de har­monie moet worden benaderd.

*  Vervulling van het onvervulde in een volgende incarnatie impli­ceert vaak een overeenkomstige beschaving en technische mogelijkheden, ja, dezelfde omstandigheden, dus een korte tijd tussen twee incarna­ties. U heeft eens een gemiddelde van 150 jaar genoemd. In het licht van bovenstaande is dit mijns inziens te lang.

Nu ja, u mag wel vroeger terugkomen wat mij betreft. Dat gebeurt ook wel. Maar ik geloof toch niet dat dit bepalend is. U gaat name­lijk uit van de belangrijkheid van uiterlijkheden, terwijl geestelijk gezien men moet uitgaan van de belangrijkheid van innerlijke processen. Er zijn innerlijke processen van zeer hoge beschavingswaarde mogelijk in een steentijdperk, terwijl diezelfde processen misschien in een technologische cultuur om niet te zeggen “technocratische” als de uwe heel wat moeilijker te vinden zijn. Innerlijke waarden en uiterlijke omstandigheden maken niet veel uit. Het innerlijk van een ongewassen man of vrouw kan veel harmonischer en beter zijn dan van iemand, die zes keer per dag een douche neemt. Dit lijken alweer tamelijk oppervlakkige beelden, maar ze zijn het niet. Het uiterlijk is niet bepalend. Als u daarmede rekening houdt, dan zult u zien dat deze periode eigenlijk niet ter zake doet. Of ik na 20.000 jaar, na 2.000 jaar of na 2 jaar opnieuw incarneer, ik leef in een mensheid, die door de beperkingen van het mens‑zijn altijd voor mij bepaalde harmonische mogelijkheden en bepaalde problemen met zich mee brengt. Mijn emotionaliteit kan op andere punten worden gericht door de cultuur waarin ik besta, Maar die emotionaliteit op zichzelf blijft toch gelijkwaardig en als zodanig is de overdracht van erkenning, van ervaring en het bereiken van harmonie voor het “ik” eveneens als gelijkwaardig te beschouwen.

*  In dit geval zijn dus de mogelijkheden om disharmonie te ervaren ook van een zeker belang. Kan de bewuste keuze dan gericht zijn op het ervaren van spanningen etc?

Als wij een zeer bewuste incarnatie aannemen, wel. Omdat het over­ winnen van bepaalde spanningen en bepaalde conflicten heel vaak beter­ kent, dat wij ons harmonisch vermogen veelzijdiger kunnen beleven en uitdrukken en daardoor intenser gebonden kunnen zijn aan meer waarden en krachten van leven zowel in de sferen als elders en hierdoor, dus ons doel nader kunnen komen. Als alles op aarde voor jou van een leien dakje gaat, dan komt het ogenblik van overgang en val je geestelijk uit de dakgoot. Dan is er werkelijk een ogenblik dat je zegt; ik heb eigenlijk niets bereikt. Ik moet weer van voren af aan beginnen. Want het zijn de spanningen, de tegenslagen, de conflicten, waardoor de mens wordt geconfronteerd niet alleen met de wereld maar ook met zichzelf, waardoor hij een realisatienoodzaak krijgt. Laten wij zeggen: de economische crisis bv. gaat aan de meeste mensen nog steeds voorbij. Maar stel nu, dat die crisis op een gegeven ogenblik zo werkelijk wordt, dat het aantal werklozen te groot wordt om de huidige vergoedingsregeling te handhaven en dat het inkomen van de Staat ook niet meer toelaat om overal maatregelen te treffen om werkgelegenheid te scheppen. Op dat ogenblik pas wordt de economische crisis iets wat de mens persoonlijk beroert. De conflicten, die daaruit voor hem persoonlijk ontstaan en die hij door zijn streven en benadering persoonlijk dan ook zo goed mogelijk moet proberen te aanvaarden en te overwinnen, betekenen voor hem dus een innerlijke waarde. Die innerlijke waarde, die zo verkregen wordt ‑ hetzij positief of negatief – is volgens de Wetten van karma mede bepalend voor de keuze van de volgende incarnatie en de daarin bestaande mogelijkheden.

*  Ik dacht aan iemand, die zich een geboren pianist of saxofonist gevoelt en dit nooit in dit leven heeft kunnen verwerkelijken. Hij zou dan toch binnen een beschaving kunnen incarneren waar dit instrument nog niet tot een museumstuk is geworden. Maar ik moet dit natuurlijk in breder zin beschouwen.

Ja, het gaat nu niet over saxofoon. Misschien dat u in een ver­re toekomst incarneert, wanneer de mensheid verwilderd is. Dan speelt u heel mooi op het kakebeen van een ezel xylofoon of blaast u op een ellepijp van een mens een fantastisch fluitstuk. Omdat n.l. het instru­ment iets is van deze tijd, maar de voorkeur, de associatie, de behoef­te tot uiting door een dergelijk instrument wordt bepaald door de maat­schappij waarin u leeft; dus door de uiterlijkheden. Wat er op de ach­tergrond zit, is de behoefte tot gedachte-uiting in klank. En die zal dus bij een volgende incarnatie een rol moeten spelen, maar het instru­ment niet. Dat is maar gelukkig ook. Stel u voor het jaar 3000, en daar hebben wij weer 10.000 Beatles! Allemaal half‑mislukt. Dat zou iets verschrikkelijks zijn.

*  Als twee ego’s hetzelfde beogen en een passend ouderpaar dient zich aan, wie incarneert dan? De snelste beslisser?

Het kan ook zijn dat ze zeggen: wij doen het sam‑sam. Dan kunnen het twee‑eiige of een één‑eiige tweeling worden. Het kan ook zijn dat ondanks de gelijke gerichtheid, het gelijke doel en de gelijke instelling je toch een wat andere visie hebt op de uitstraling van de ouders en dat je zegt: Nou neen, dat moet ik toch niet. Daar zit voor mij een foutje in. En de ander zegt; Ja, maar dat vind ik juist mooi. Het is net zo als met de mensen. Er zijn heren, die voelen zich pas gelukkig, als zij kunnen rondlopen in een aubergine‑kleurig kostuum met een gele das en groene schoenen. Een ander zegt juist: Geef mij maar donkerblauw en een blauw dasje met een stipje en een overhemd met een streepje. Dan kun je niet zeggen: Door de één loopt een streep en door de ander niet. Je kunt gewoon zeggen: Dat is een verschillen­de benadering. Toch kunnen zij allebei dezelfde pretenties hebben en hetzelfde doel in het leven en zelfs wat denken, muzikale en cultu­rele belangstelling en wat zoeken betreft een gelijke achtergrond hebben. Dat komt heel vaak voor. Dat een ouderpaar wordt belaagd door een aantal als muskieten rondzwermende geesten, die zich afvragen wie op het ogenblik, dat de eiwand wordt doorboord mag roepen; “Kip, ik heb je!”, is naar mijn mening toch wel ietwat overdreven. Heus, de meeste geesten zijn er niet eens zo bijzonder op gebrand om nu alleen via deze ene speciale gelegenheid de ouders kinderbijslag te verschaf­fen.

*  Zou ik hieruit mogen afleiden, dat er gerekend moet worden dat er gebrek aan geesten kan zijn, zodat er toch wat dode geboorten tot stand komen?

Neen, dan ontstaan er minder bevruchtingen. Als voor een bepaal­de soort de incarnatielust verdwijnt, dan zien wij dat een dergelijke groep in zeer korte tijd ‑ hetzij door natuurlijke omstandigheden, hetzij door het ontstaan van plotselinge onvruchtbaarheid of iets dergelijks – eigenlijk uitsterft. Incarnatiebehoefte moet er dus zijn wil een ras in een stoffelijke vorm kunnen voortbestaan En als een deel van dat ras wel vatbaarheden heeft, dan zien wij dat er een mutatievorm, komt, die alle entiteiten naar zich toetrekt, zodat de uitbreidingsmogelijkheid van de oudere vorm steeds beperkter wordt, tot­ dat deze in de gemuteerdé vorm wordt geabsorbeerd.

*  Is de bevolkingsuitbreiding in deze tijd niet een geestelijke kwestie geweest?

Het is een kwestie geweest van een toenemende belangstelling voor het mens‑zijn met een gelijktijdig afnemen van mogelijkheden en belangstelling voor vele vormen van dierlijk bestaan, ook nog gepaard gaand met een verlaging van eisen van een groot percentage van de mensheid. Het bestaan van een stomme os of van een herkau­wende koe kan ‑ gezien uw maatschappelijke structuur ‑ op het ogen­blik ook in menselijke vorm worden beleefd, waarbij het aantal moge­lijkheden aanmerkelijk groter is. Daardoor vervalt dus de behoefte om nog koe te worden, bij wijze van spreken. Os wil niemand worden; dat is meer een ongeval dat een stier overkomt. Ik hoop daarmee duidelijk te hebben gemaakt, dat het op zichzelf heel logisch is dat als resultaat er meer dieren als mensen incarneren.

*  Indien de moeder sterft bij de geboorte van een kind, slaat de karmische werking van het kind over op de moeder of omgekeerd?

Als wij spreken over de moeder, dan kan maar behoeft haar ster­ven bij de bevalling niet een karmische werking te zijn. Dat ligt dan in haar eigen karma en mogelijk in haar levenskeuze. Het kind is niet daarbij betrokken behalve als incarnerende. Bij de incarnatie kan dus gezien de inhoud van de geest die het kind bezielt, deze mogelijkheid van een fout of zelfs deze bewuste keuze van moederloos bestaan een rol hebben gespeeld. Er is dan geen verknoping van karma, waardoor de een de ander het leven neemt, zoals men wel veronderstelt. Er is sprake van een karma in de ouder en van een karma in het kind. Beiden kunnen dus een knooppunt vinden, waardoor de gelijkheid van. fout of de overeenkomstigheid van noodzakelijke, uit het bewustzijn veroorzaakte ervaring mogelijk is. De gelijkheid van uiterlijke omstan­digheden betekent echter niet een absolute verbondenheid of verkno­ping op geestelijk terrein.

*  U noemde het gemeenschappelijk bewustzijn van de mensheid. Is dit karmisch een door een entiteit persoonlijk bestuur geheel of hebben wij daar te maken met een automatische zin, waarin een derge­lijke verknoping aanwezig is?

Mag ik u een wedervraag stellen? Is uw behoefte om vragen te stellen, de wijze waarop u deze formuleert iets wat door anderen wordt geïnstigeerd of is het een praktisch automatisch geheel, dat voort­komt uit uw persoonlijkheid en daardoor uw reactie in casu het stel­len van vragen en de formulering daarvan bepaalt?

*  Ik denk, dat beide een wisselwerking zijn.

Ja. Maar de behoefte tot het stellen van vragen en de wijze van formulering komen voort uit uw persoonlijkheid. Het is dus uw benade­ring. U zult die benadering gebruiken op elk moment en ten aanzien van elke factor, die in u deze reactie tot stand brengt. Met karma is dat precies zo.

*  Wordt men altijd met dezelfde grootte van verstand of dezelfde diepte van gevoel geboren of zijn hierin ook grote afwisselingen mo­gelijk van incarnatie tot incarnatie?

Er zijn wel heel grote afwisselingen mogelijk, indien je verstand en emotie berekent aan de hand van de menselijke maatstaf. Er zijn men­sen, die in een bepaalde incarnatie practisch emotieloos zijn ten aan­zien van hun omgeving en die gelijktijdig toch een diepte van gevoel kennen, die zij eenvoudig niet naar buiten kunnen brengen en die zij zelf niet eens helemaal beseffen. Zo zijn er ook mensen, die een enor­me verstandelijke inhoud hebben. Deze mensen hebben een I.Q. van 250 of zoiets. Dat zijn mensen, die een enorm feitenmateriaal kunnen bevatten en soms zelfs daarvan goed gebruik weten te maken. Er zijn ook mensen, die qua I.Q. niet verder komen, dan 65, maar die juist doordat zij een beperkte herseninhoud hebben en daardoor ‑ menselijk gezien ‑ een beperkt verstand de toestanden vereenvoudigen en uit die vereenvoudiging een inzicht in zaken verkrijgen, waaraan de verstandelijk veel meer begaafden voorbijziet. Het is niet voor niets dat men zegt, dat kinderen en gekken de waarheid zeggen.

*  Betekent het vallen onder de Meester van wijsheid of macht een welbewuste keuze van een inwijdingsweg en is daardoor een onafhankel­ijkheid van de eigen straalheer ontstaan of is dit een omgekeerd verband; komt die onafhankelijkheid dus door een karmisch onthecht raken en daarmee een vrijkomen voor een taakbewustzijn in de zin van die Meester?

U zegt hier: in de zin van een Meester. Dat vind ik een beetje bedenkelijke formulering in dit geval. Ik zal proberen u duidelijk te maken waarom. Als wij behoren tot een straal, dan betekent dit dat de voor ons harmonische factoren alle liggen binnen datgene, wat in die straal sterk tot uiting komt. Naarmate wij dus ons bewustzijn verder opbouwen, zal het aantal harmonische factoren groter worden. Nu komt er echter een ogenblik, dat ons vermogen tot harmonisch zijn groter wordt dan de inhoud en betekenis, die een bepaalde straal en dus ook de Heer van die straal in zijn uiting kan bezitten. Op dat ogenblik worden wij – zoals dat heet ‑ vatbaar voor meer stralen en bestaat er voor ons geen leidend principe meer. Het resultaat is dan, dat wij een andere wijze van innerlijke ervaring en vooral van geestelijke vooruitgang van node hebben. En dat betekent dan dat wij dus ‑ ik heb dat als voor­ beeld genoemd ‑ vallen onder één van de Heren van wijsheid of één van de Heren van macht. Beide is denkbaar. Wij zijn daardoor echter niet ingewijd. Een ingewijde kan behoren tot een bepaalde straal. Alleen zal de straal, waartoe hij behoort dan de manier van inwijding, en de aard van de uiting, die aan die inwijding wordt gegeven, bepalen. Terwijl bij een Heer van wijsheid bv. het inzicht in het bestaande zowel de inwijding, die dan meestal ook niet aan een bepaalde scholing is gebonden, als ook de uiting daarvan zal bepalen. Er is dus geen reden te zeggen: je wordt ingewijd tot het behoren tot bv. de Heren van wijsheid of de Heren van macht. Wel kun je zeggen ‑ en dat is een ander chapiter ‑ dat men in zijn eigen straal verschillende inwijdingen (dus sprongsgewijze vergroting van eigen kosmisch en persoonlijk besef) moet hebben doorgemaakt, voordat een afbuigen van het “ik” in de richting van de Heren van macht of de Heren van wijsheid waarschijnlijk wordt.

*  Zijn de Heren van macht in dat geval de gelijken van de Heren van de stralen of is dat een heel andere categorie?

De smid, de timmerman, de bakker, de metselaar zijn allen vaklie­den. In dit opzicht zijn zij elkaars gelijken. Toch werkt een ieder met andere materialen en voorziet in andere behoeften. In deze zin zijn zij verschillend. Op dezelfde wijze kunt u de Heren der stralen, de Heren van wijsheid en de Heren van macht beschouwen. Zij zijn kosmisch ge­zien elkaars gelijken in werking en stand, maar zij werken elk op een eigen manier en voorzien dus in andere mogelijkheden en behoeften binnen een kosmisch harmonisch geheel.

*  Hoeveel Heren van wijsheid zijn er? Drie?

Er wordt aangenomen: drie. Dergelijke getallen evenals de 7 Heren der stralen zijn overigens symbolisch. Omdat hier niet kan worden gesproken over aantallen van Heren maar over categorieën die tot uiting komen, waarin het begrip “heer” in feite meestal aan een complexe persoonlijkheid, opgebouwd uit verschillende entiteiten, die naar buiten toe optreedt als een eenheid. Dit is echter alleen maar voorlichting. U heeft er heel weinig aan. Voor u is het een persoon.

*  Vervult deze Meester hiermee een functie in rang gelijk aan de vroegere straal?

De functie of rang, die een bepaalde Heer heeft (dat is niet een Meester; dat is weer heel iets anders) is afhankelijk van de relatie tot zijn kracht, die in mij door mijn bewustzijn ontstaat en door mij via vele incarnaties misschien verder wordt uitgebouwd.

*  Waarmee en wanneer is een dergelijke omschrijfbare taak voor een periode of voor een planeet afgerond? Met andere woorden: blijft men in een vast teamverband met de Meester verdergaan of ontstaat ook daarvan weer onafhankelijkheid?

Na de vervulling van een taak. Wij hebben het hier hoofdzakelijk over hetgeen ik heb gezegd over de Heren van wijsheid, wat inderdaad een taakaanvaarding met zich mee pleegt te brengen. Als ik een taak aanvaard, dan is die op het ogenblik van aanvaarding voor mij een af­gerond geheel. Als ik haar dus heb volbracht, dan houdt voor mij deze taak op. Gedurende de taakvervulling, ben ik geëvolueerd en kan ik mogelijk tot iets anders overgaan. Laten wij het zo zeggen. Ik stel mij tot taak een pannenlap te breien. Als blijkt dat ik goed kan breien, ga ik aan babykleertjes beginnen en ik eindig misschien met een avondtoilet. Dan is elk van die stuk­ken een afzonderlijke taak. Elke taak dient van begin tot einde te worden, uitgevoerd. Elke taak brengt problemen met zich mee. Men heeft er inzicht voor nodig. Wanneer elke taak is voltooid, zal ik met het zo vergaarde inzicht, de kennis, de mogelijkheden en geestelijk gezien vooral natuurlijk ook de harmonische waarden verder kunnen gaan en zal mijn volgende keuze en taakaanvaarding daardoor worden bepaald. Er is hier dus niet sprake, zoals u zegt, van een teamverband. Er kan bij een taakaanvaarding wel sprake zijn van een z.g. harmonische binding met een aantal krachten of entiteiten. Krachten, als wij spreken over mogelijkheden, die niet aan een persoonlijkheid gebonden zijn. Entiteiten, als wij het hebben over persoonlijkheden, die al dan niet toegang hebben tot bepaalde krachten.

*  Ik denk aan een componist als Beethoven, die op het hoogtepunt van zijn scheppingsvermogen doof werd en aan Kathleen Ferrier, de zan­geres die op het hoogtepunt van haar kunst aan keelkanker moest over­ lijden. Er zijn meer voorbeelden te noemen van geniale mensen, die juist op het hoogtepunt van hun kunnen wreed werden gefrustreerd. Welke behoeftevervulling ligt aan een dergelijk leven ten grondslag?

Laten wij Beethoven nemen. Voor Beethoven was de mogelijkheid innerlijk muziek te beleven veel belangrijker dan die van het componeren. Zonder de doofheid zou hij deze innerlijke mogelijkheden nooit hebben gekregen, ook al zal hij dit ongetwijfeld na de overgang beter hebben begrepen dan voordien, omdat hij zich met andere mensen wilde vergelijken.

Dan noemt u Kathleen Ferrier. Als zij op haar hoogtepunt komt en zij gaat dan op dat hoogtepunt van haar kunnen heen, dan is dat een grote genade. Want niets is erger dan tekort te schieten in je prestaties die je als normaal hebt leren aanvaarden zonder deze op welke wijze dan ook te kunnen compenseren, Beethoven kende deze compensatie in zijn innerlijke muziek. Nu is het maar de vraag, of Ferrier in een innerlijke zang een compensatie had kunnen vinden voor haar onvermogen tot uiterlijk verdergaan.

SLOTWOORD

Wij hebben het gehad over karmische werkingen en de wetten, die erbij behoren. Ik heb getracht het geheel eerst overzichtelijk voor u op te stellen en u daarna door voorbeelden vooral een inzicht te geven in de betekenis van hetgeen wordt gesteld. Want je kunt wetten en werkingen niet van elkaar scheiden. Een karmische wet is iets wat in ons bestaat, iets wat deel is van ons en onze ontwikkeling. Een karmische werking is slechts datgene, wat daardoor naar buiten komt. Wij zijn allemaal geneigd om van onszelf te dromen als zijnde op één punt machtig of groot. Er zijn misschien mensen, die hopen ooit een toverstaf te vinden om alle verkeerd geparkeerde wagens onmid­dellijk te verbannen hetzij naar de bulderbaan van Schiphol of naar de Mokerhei. Ik kan met die mensen meevoelen. Maar dit is de droom, waarin eigenlijk alleen de machtslust een rol speelt. Die machtslust zal bepalend zijn voor de conflicten in een volgend bestaan. De karmische werking is niet gebaseerd op het feit, dat je het ooit werkelijk doet. Zij is gebaseerd op het feit, dat het voor jou emotioneel een beeld is. Als je altijd droomt, dat je een fameuze schoonheid bent, dan word je er waarschijnlijk een; alleen zul je misschien op het slavenblok worden verkocht.

De moeilijkheid is altijd weer, dat we niet begrijpen dat karma niet iets is dat van buitenaf is opgelegd. Het is een deel van de structuur, waaraan wij onze bewustwording ontlenen, maar waardoor onze mogelijkheid tot bewustwording ook wordt bepaald; zoals de werkingen van het karma door ons over het algemeen in de details sterk worden gewaardeerd. Dat bleek alweer uit uw vragen, waar op de achtergrond zat; “Ja, maar zo wij een harmonie hebben met één mens, kan dat dan niet door vele levens blijven bestaan?” Daarbij wordt vergeten, dat wat men zich voorstelt onder die harmonie hoogstens een zeer vage en ijle stoffelijke afschaduwing is, van datgene wat een geestelijke harmonie betekent en dat het voorstellingsvermogen van de mensen meestal tekort schiet ten aanzien van geestelijke werkelijkheden.

U leeft. U bent hier vandaag en dat is karmisch bepaald. Evenals uw innerlijke reactie op hetgeen ik heb gezegd en uw selectie van de punten, die voor u belangrijk of niet belangrijk zijn karmisch bepaald zijn. Het is n.l. bepaald door uw vroegere levens en het geheel van de bewustwordingsprocessen, die u tot op heden heeft doorgemaakt. Als er tussen u en mij op een gegeven ogenblik een harmonie is, waar door meer in u doorklinkt dan ik met woorden duidelijk kan maken, dan moet dat ergens toch aanduiden dat er voor ons ‑ hoe dan ook ‑ een binding bestaat of heeft bestaan; een harmonie, die misschien één enkel punt bevat, dat tot nu toe door ons beiden niet te overzien was. Indien wij zo redeneren, dan zullen wij karma niet het leven laten regeren, maar wij zullen aan de andere kant ons ook niet verzetten tegen wat wij in het leven zijn. Wij zullen uitgaan van: dit ben ik. Wat ik nu ben, dat moet ik beter en juister worden. Niet; ik moet veranderen. Maar: ik moet leren dat wat ik ben, zo te zijn, dat ik een zo groot mogelijke harmonie en verbondenheid met anderen voel, dat ik niet word verteerd door een voortdurende angst voor anderen en het andere of door een voortdurende begeerte naar anderen en het andere. Dat ik harmonisch in mijzelf (en dat is heel iets anders dan harmonisch met al het andere) kan aanvaarden wat er is, en daarin mijzelf verder kan ontwikkelen.

Er is voor elke mens een tijd van sterven; en na elke dood is er een tijd van recapitulatie. Na elke periode van recapitulatie zullen juist die dingen, welke belangrijk voor je zijn een grote rol spelen. Op dat ogenblik realiseer je je de werkelijk harmonische mogelijkheden die je hebt; en deze bepalen onder meer de contacten, die je vooral in de begintijd hebt in de sferen. Het zijn deze harmonische mogelijkheden, die de geestelijke vorming eigenlijk reeds enigszins aanduiden die je binnen de sferen kunt vinden. Buiten die harmonieën heb je in de geest geen mogelijkheden. Het is het gebrek aan die mogelijkheden dat je tot incarnatie brengt. Het is het besef van die mogelijkheden, waardoor geestelijke eenheden worden opgebouwd, ook met andere entiteiten, welke op aarde nooit voeren tot een gezamenlijk leven in welke zin dan ook. Banden, die door de tijd blijven bestaan, waarbij men innerlijk steeds weer in contact komt met dezelfde kracht, hetzelfde licht, hetzelfde wezen.

Er is in de incarnatiecyclus een ander punt, dat karmisch wordt bepaald. Meestal beweeg je je als mens en ook als geest tussen twee keuzen, twee thesen. Als je tot een kleur behoort ‑ bv. tot blauw – dan zou je kunnen zeggen: “Ik behoor tot het paarsblauw of tot het zilverblauw.” Maar je moet een keuze doen; en deze keus valt moeilijk. Dan zul je elk leven ervaren met de voor jou bestaande antithese tussen het mystiek denken en het logisch denken. In het ene leven zul je mysticus zijn, het volgende leven misschien een logische filosoof of beter nog een wetenschappelijke denker. Altijd weer zoeken wij uit deze tegendelen de eenheid te vinden. Die eenheid kan slechts worden bepaald door geen onderscheid meer te maken. Voordat wij daartoe emotioneel in staat zijn, hebben wij heel wat door te maken. Elke mens wordt in vele incarnaties geconfronteerd met dezelfde problemen, omdat die een keuze‑element inhouden dat veel verder gaat dan de keuze tussen jongetje of meisje zijn, huwelijk of celibaat en dergelijke dingen. De keuze is er in feite één voor een bepaalde vorm van innerlijke harmonie. Als wij hebben gekozen voor een vorm in uiterlijk, dan blijkt dat dit voor ons niet voldoende is. Wij moeten harmonisch kunnen zijn met het geheel van de stralen waartoe wij behoren en wij moeten leren een maximum aan harmonie op te brengen voor elke wereld of sfeer, waarin wij vertoeven.

Daarom zijn de karmische werkingen interessant. Daarom is een begrip voor de werkelijkheid, die er achter ligt voor mens en geest een noodzaak. Maar wat wij kunnen doen niet onze kennis, dat wordt bepaald door wat wij zijn geweest. Uit wat wij zijn geweest, komt de keuze voor ons zijn en denken in het heden en daaruit vormen wij wederom onze mogelijkheden voor de toekomst. De karmische wet is een beperking van mogelijkheid, geen dirigisme waardoor elke andere mogelijkheid wordt uitgesloten.

Daarmee wil ik deze bijeenkomst besluiten.

Ik hoop, dat u deze avond niet als verloren tijd zult beschouwen, opdat u ‑ wetend wat karmische wetten en werkingen betekenen ‑ ook in staat zult zijn iets van uw eigen noodlot te aanvaarden en niet door verzet, maar door het zoeken naar harmonie en een duidelijk harmonisch zijn in uzelf en met anderen de juiste keuze te doen in de beperking, die u is opgelegd.