Karmische wetten en kosmische wetten

Wat is het verschil tussen de twee? Het eenvoudigste beeld is: de karmische wet is een gemeenteverordening, de kosmische wet is een landelijke wet. Daarmee is meteen de verhouding tussen de twee gedefinieerd.

Een kosmische wet is bv. die van oorzaak-en-gevolg. Oorzaak-en-gevolg is een evenwichtswet, zoals alles in de gehele kosmos is gebaseerd op evenwicht. We gebruiken daar wel eens het woord “harmonie” voor. Maar dat is eigenlijk niet het juiste woord. Evenwicht is de meest juiste uitdrukking, omdat we in de kosmos moeten uitgaan van het volgende:

  1. De Schepper in Zichzelf heeft in den beginne het totaal van Zijn schepping volledig geuit.
  2. Het totaal geuite kan in zijn onderlinge verhoudingen veranderen het totaal blijft gelijk.
  3. Alle eigenschappen van de kosmos als zodanig zijn zo gericht, dat zij bij elke verschuiving van waarden deze evenwichtigheid onmiddellijk weer tot stand brengen.

Daar heeft u eigenlijk het hele eieren eten wat betreft de kosmische wet. De karmische wet werkt een klein tikje anders. Zij zegt dit:

Oorzaak‑en‑gevolgwerkingen in het “ik” kunnen binnen het bewustzijn residuen achterlaten, waardoor de handeling en bestemming van het bewustzijn ‑ onverschillig in welke vorm of wereld ‑ later mede worden bepaald.

Ik zal eens beginnen met een heel eenvoudig voorbeeld, dat waarschijnlijk kan helpen om te begrijpen, waarover we het zo dadelijk zullen hebben. We hebben een kosmische wet. Die kosmische wet brengt op een gegeven ogenblik in een heel ander deel van het Melkwegstelsel een positieve invloed teweeg. Dan is het logisch, dat in een tegenover gelegen deel een negatieve invloed zal optreden. Het is dus niet zo: hier positief en daar positief. Nee, het is zo: hier positief en dan daar negatief. Nu is er op het ogenblik op aarde een invloed werkzaam, die voor een aantal mensen althans enigszins negatief is. U hebt daarover al meer gehoord in de vorige discussieavond en we kunnen dus volstaan met te zeggen: Voor veel mensen is dit een kwestie van prikkelbaarheid, neerslachtigheid, kleine ongevallen of kleine tegenslagen. Die dingen liggen nu vast in een kosmische tendens. Ze moeten gebeuren. Hoe ze gebeuren en bij wie ze gebeuren, dat komt er niet op aan, maar die bepaalde invloed moet tot uiting komen. Nu krijgen we het karma erbij. Meneer Jansen is zelf negatief. Dan is het begrijpelijk, dat hij in zijn negativiteit die totale invloed uit de kosmos ook nog eens als een extra belasting voelt. Gevolg: meneer Jansen loopt niet eens meer op zijn knieën, meneer Jansen kruipt op zijn buik.

Meneer Pietersen is zeer positief. Zijn bewustzijn stelt hem in staat de zaak te verwerken en een zekere veerkracht te hebben. Hij houdt niet te veel vast aan illusies. Hij krijgt diezelfde negatieve invloed, maar zegt dan: “Ach, het is niet prettig, maar ik kan er wel tegen”. Misschien dat hij bij een heel zware invloed even op de knieën terechtkomt, maar voor de rest blijft hij wel staan. Als u dit voorbeeld even voor ogen houdt dan zult u – wat de meer persoonlijke werking van die wetten betreft – een juist beeld kunnen krijgen, als we nu de aandacht een ogenblik gaan wijden aan de wetten zelf. Dan beginnen we allereerst aan de wetten van het karma. Dat lijkt me beter, omdat karma voor de mens een heel grote rol kan spelen. Karma stelt:

  1. Al datgene, wat ik ben, ontmoet ik in de wereld buiten mij.
  2. Al datgene, wat ik in mijzelf en in verband met de buitenwereld ervaar, zal in mij een bewustzijn vormen, waarop ik mijn reacties t.o.v. de kosmos en de buitenwereld altijd weer baseer.
  3. Een eenmaal gevormd bewustzijn zal een bepaalde opvatting of misvatting moeten toetsen, voordat er een verandering kan plaatsvinden.
  4. Er bestaat geen oorzakelijk verband tussen een handeling in de stof en een gevolg in de stof. De oorzakelijke verbinding in het karma is gelegen tussen de beleving in het “ik” en de reactie in de stof op die beleving.
  5. In karma kan worden gesteld, dat tijd niet bepalend of beslissend kan zijn voor werking of verandering van werking. Bewustzijn alleen is heersend: en als zodanig zal de verandering van bewustzijn een verandering van karma betekenen. Een verandering van omstandigheden of tijd houdt dit echter niet in.

Als ik dat zo achter elkaar opdreun, dan denkt u: Nou, nou…. Maar het is niet moeilijk, heus niet. Het hangt allemaal samen. In het karma kan ik n.l. alleen rekenen met mijn bewustzijn, omdat dit bewustzijn mijn voorstellingsleven omvat. Als ik een tijger zie als een goede vriend, dan zal ik hem als een goede vriend tegemoet treden. Is de tijger niet hongerig, is hij vriendelijk, dan is hij mijn vriend. Zie ik de tijger automatisch als een gevaar, dan zal ik als een vijand reageren en het dier zal mijn vijand zijn. Ben ik mij bewust van het wezen van de tijger, dan zal ik hem vriendschappelijk benaderen, maar gelijktijdig rekening houden met zijn hongertendensen en als zodanig er eerst zeker van zijn, of ik die vriendschap kan terug verwachten.

In het eerste geval ben ik vaak het slachtoffer van niet begrepen krachten in anderen: dat is een bewustzijnskwestie. In het tweede geval ben ik gebonden aan de in mij heersende voorstellingen en word daarvan dikwijls het slachtoffer. In het derde geval erken ik de buitenwereld volledig. Mijn bewustzijn is groot genoeg en dus zal ik in staat zijn door mijn juiste reactie al datgene, wat de buitenwereld voor mij betekent, te beheersen.

De gedachte, dat je van leven tot dood om van daar tot leven gaat en daarbij voortdurend hetzelfde spelletje speelt (iets, wat we bij vele voorstellingen van karma tegenkomen) is niet juist. Er is geen sprake van herhaling in de zin, dat de feiten zich moeten herhalen. Er kan alleen sprake zijn ‑ en dat is belangrijk! ‑ van ondervindingen, die ik herhaal. En nu kun je zeeziek zijn op een stampende zeilschoener, je kunt zeeziek zijn op een grote oceaanstomer maar ook op een rutschbaan of op een schommel. Die verschillen lijken erg groot, maar aangezien de beleving gelijk is, zou ‑ karmisch gezien ‑ de waarde ervan gelijk kunnen zijn. Bij dit karma moeten we verder wel rekening houden met de bewustwording in de geest. Als je overgaat, dan houdt je bewustzijn niet op. Integendeel, dit bewustzijn kan zich dan pas precies realiseren wat allerhande belevingen op aarde, die misschien op de achtergrond kwamen, voor het “ik” werkelijk betekenen. Je zou kunnen zeggen: De 1e periode van geestelijk bestaan is er een van recapitulatie: de 2e periode is er een van het verwerken van het gerecapituleerde: de 3e periode kan zijn, maar behoeft dat niet te zijn, het verwerven van leringen en van nieuwe inzichten, waardoor het bewustzijn als zodanig bij een volgende incarnatie sterk verschilt van dat wat van de aarde heenging. Dan zal het karma niet worden bepaald door het vorige leven op aarde, maar door het bewustzijn, dat op het moment van incarnatie werd bereikt.

Nu zijn we heel vaak geneigd om kosmische wet en noodlot en karmische wet een beetje met elkaar te verwarren. We mogen dat in geen geval doen, omdat ‑ zoals ik reeds zei ‑ de kosmische wet onveranderlijk is. Een kosmische wet werkt voor alle werelden en alle sferen gelijk. Haar invloed is daarin dezelfde. De reacties, die binnen deze wet vallen zullen in elke wereld voor de bewoners ervan op dezelfde wijze plaatsvinden. Het is slechts hun verschil in bewustzijn en eventueel van bevoertuiging, dat voor het ego de verschillen uitmaakt.

Wat zijn de voornaamste wetten in de kosmos? Eén hebben we er al genoemd: Oorzaak‑en‑gevolg. Daarin wordt gesteld, dat elk gebeuren in zichzelf oorzakelijk is voor een volgend gebeuren.

Dan kennen we verder de Wet van gelijkblijvende Velden of Evenwicht, die zegt: De totale hoeveelheid energie in het Al blijft altijd gelijk. Elke verschuiving van kracht enerzijds betekent een compensatiewerking anderzijds.

Dan krijgen we de z.g. Goddelijke Wet, die stelt: Al datgene, wat harmonisch is met bepaalde krachten, wordt bij voorkeur door die krachten bezield, geregeerd en geleid en zal in het totaal van zijn reacties en zijn bewustwording afhankelijk zijn van de hoofdwaarde, welke in die kracht is gelegen. Dat laatste hebt u misschien niet zo vaak gehoord en daarom een klein commentaar erbij: Indien u tot een bepaalde Straal of tot een bepaalde scholing behoort, indien u bij wijze van spreken een zekere eenheid hebt bereikt met een groot‑geestelijke Meester (b.v. Jezus), dan zal het totaal van uw bewustzijn daardoor bepaald zijn: en elke actie en reactie zal werden bepaald door de wet, welke in die Straal of in Jezus en zijn leven of in wat anders is gelegen. Wie eenmaal tot een bepaalde Straal behoort, kan niet tot een andere Straal overgaan. Wie eenmaal een Meester heeft erkend, kan niet tot een andere Meester overgaan, tenzij hij eerst de waarde van die Straal of die Meester volledig in zichzelf heeft verwezenlijkt. Dat is dus ook een deel van deze wet.

Dan hebben we in de kosmos nog een heel aardig wetje en dat zegt dit: Het totaal van micro- en macrokosmos kan worden gezien als een gespiegelde gelijkheid. Al datgene, wat op een zeker vlak bestaat, zal op een ander vlak in omgekeerde verhouding voorkomen, terwijl de interne spanningen en verhoudingen gelijk blijven. We zouden dus kunnen zeggen, dat de spanning in een democratische staat t.o.v. het communisme volledig gelijk is aan de spanning in een communistische staat t.o.v. het kapitalisme. Zo’n voorbeeld klinkt misschien een beetje dwaas, maar het geeft ongeveer weer wat ik wil zeggen. De belangrijkheid van de kosmische wetten ligt niet in hun veelheid. Ze zijn betrekkelijk eenvoudig en wij kunnen zeggen, dat elke kosmische wet is gebaseerd op de volmaaktheid. Om dit voor onszelf eenvoudiger voorstelbaar te maken nemen we aan, dat er een ruimte is, waarin die volmaaktheid bestaat. Die volmaaktheid bestaat in feite niet in een bijzondere ruimte, ze bestaat in het Al. Ze is een evenwichtigheid en indien de ene factor toeneemt, moet de andere factor afnemen, maar de balans blijft gelijk. Dat is de volmaaktheid, de onveranderlijkheid, de eeuwigheid van bv. de oervorm van de mens, van dieren, van engelen en wat dies meer zij.

Voor de mens en voor bepaalde andere wezens in het Al geldt bovendien nog deze kosmische wet, die voor zover ik kan nagaan dus niet voor alle schepselen gelijk schijnt te gelden: Wanneer het geheel van het wezen onbewust bestaat, zal elke bewustwording van het wezen een sterke identificatie met een deel van dat kosmisch volmaakte wezen veroorzaken. Elke sterke identificatie met een deel van het kosmisch volmaakte wezen betekent een vergroting van begrip voor de volmaaktheid, waardoor het deel‑bewustzijn wordt prijs gegeven en het “ik”‑bewustzijn uitblust voor een deelhebben aan het totaal‑bewustzijn.

Dit is een wet, die overigens in bepaalde sferen van meer belang is dan op aarde. Maar ook op aarde kan ze voor sommige mensen toch wel van toepassing zijn. De krachten in de kosmos kunnen ook weer volgens een wet worden uitgedrukt: en dit is de z.g. Wet van Compensatie. Dit is een afleiding van de Wet van Evenwicht of van Gelijkblijvende Velden, maar wordt vaak afzonderlijk genoemd en geformuleerd, omdat het daarin voortkomende verschijnsel ‑ voor ons althans ‑ los schijnt te staan van het evenwicht en verder voor ons een zeer felle en sterke inwerking op ons eigen lot in sfeer of wereld kan betekenen. Deze wet zegt dan: Daar het gehele Al voortdurend in beweging is en het totaal van de krachten in het Al voortdurend gelijk zal zijn, zal in elk deel dat binnen de schepping bestaat een voortdurende afwisseling van krachten optreden waarbij kan worden gesteld, dat het totaal van de kracht, die op een plaats of in een wezen wordt geuit, gelijk blijft, maar dat hoge en lage trillingen t.o.v. elkaar voortdurend een verschuiving vertonen. Dit is een kwestie, waaraan ik graag een commentaar wil verbinden:

Wanneer ik hoog‑geestelijk ben, dan zal er gelijktijdig een lacune van het laag‑stoffelijke in mij ontstaan. Dat kan niet anders, want op het ogenblik dat mijn wezen zich op een hoger trillingsvlak gaat bewogen, zal de energie, die voor het lagere vlak benodigd is dus niet meer bestaan. Wanneer ik tot een lager bewustzijnsvlak terugkeer, zal automatisch ook van het hogere bewustzijnsvlak dat ik bezit energie worden onttrokken. Dit kan misschien een aardige verklaring zijn voor het feit, dat je soms buitengewoon hoog kunt denken of kunt uittreden misschien tot zelfs in de hoogste sferen en toch daarvan geen enkel resultaat schijnt te bemerken, als je weer tot de stoffelijke bezigheden terugkeert. Je hebt dan eenvoudig de energie niet meer om het hoger erkende zonder meer kenbaar te maken in het lagere. Het zijn afzonderlijke waarden.

Voor ons geldt daar dan verder bij, al is dat geen kosmische wet, dat wij door het kiezen van harmonische waarden tussen hoog en laag voor onszelf een zo groot mogelijke eenheid van wezen bevorderen, waarbij door de harmonie ook de benodigde kracht op elk gewenst niveau kan worden geuit. Ja, ik weet het, het is ook weer een hele boel. Maar het is niet zo moeilijk, indien u even nadenkt.

Wanneer u op een gegeven ogenblik hoog‑geestelijk bent, dan ontstaat er een vacuüm in het laag‑stoffelijke. Als u dat vacuüm niet kunt verwerken, ontstaat er dus een stoffelijke onlust. Om die stoffelijke onlust op te heffen richt u zich op laag‑stoffelijke bezigheden, op laag‑stoffelijke energieën. Het resultaat is, dat uw hoger niveau tijdelijk a.h.w. dood is. Het is er wel, maar er is geen kracht.

Nu we die twee reeksen wetten zo naast elkaar hebben bezien, moeten we ze ook met elkaar gaan verweven. En ik geloof, dat het verstandig is om daarbij toch maar weer uit te gaan van het karma. De persoonlijke beleving is voor de mens n.l. het meest interessante en ook het belangrijkste. We krijgen dan allereerst in het karma de kwestie van energie. De laatste kosmische wet, die ik aanhaalde en vooral dat deelwetje dat ik daarbij citeerde (de regel eigenlijk), speelt n.l. in de karmische werking een veel grotere rol dan we wel denken. Zolang een mens probeert op één niveau te leven, zal hij op het andere niveau tekort schieten. U kunt dus wel hoog zijn, maar dan blijft er hier een hiaat. Aangezien het bewustzijn in de menselijke vorm voortkomt uit een menging van hoge en lage waarden, mag worden gezegd, dat het afwisselend besef van hoge en lage waarden de meest gunstige toestand of situatie schept. Hierdoor ontstaat er een bewustzijn, dat hogere waarden omvat en gelijktijdig de lagere ervaring kent, waardoor de hoge waarde kan worden gericht volgens de behoefte van eigen wezen. We hebben een wil. De wil is een begeerte‑element. Wat ik het meest verlang, wil ik, en wat ik niet werkelijk wil, dat zeg ik vaak te begeren, omdat het een illusie is. Maar als je het werkelijk wilt, als je er alles voor over hebt, dan kun je zeggen dat het een deel van je wezen is. De wil wordt in het karma bepaald door het bewustzijn plus het evenwicht. Dat laatste zal wel weer hier en daar moeilijkheden baren, daarom een korte verklaring.

Het bewustzijn maakt het ons mogelijk om ons een wereld, een gebeuren, een toestand of een ontwikkeling voor te stellen. Wij kunnen eventueel zelfs in hogere werelden of krachten het bestaan of de wenselijkheid van die toestanden toetsen. Maar zolang onze energie daarop geconcentreerd is, schieten we tekort. We moeten dus met die hogere bewustzijnswaarden in het lagere werken. Wanneer wij de innerlijk besefte waarde hebben omgezet in materiele waarden, dan blijkt onze wil een fixeren van de beleving in te houden, dus een verrijking van het bewustzijn.

Nu is het aardig om te zeggen. Karma is school lopen. Het is wel een aardig voorbeeld, maar er zit dikwijls nog veel meer aan vast. Als we n.l. zien dat die kosmische wet ook zegt “alle energie blijft gelijk”, dan kunnen we niet aannemen, dat ons wezen werkelijk kan groeien, zo min als we kunnen aannemen dat we werkelijk stijgen. We doen dat wel graag, maar dat komt, omdat we de zaak eenzijdig bezien. We kunnen ons slechts meer bewust worden van dat wat we zijn. Een bekende formule. Ik ben het totaal van mijn wezen. Ik ben mij bewust van een deel van mijn wezen. Hoe meer mijn bewustzijn identiek is met het totaal van mijn wezen of dit benadert, hoe meer ik in de toestand van geluk, van vrede, kortom, van perfectie verkeer en des te minder voor mij specifieke uitingen noodzakelijk zijn of mij bepaalde belevingen worden opgelegd. Ik ben eenvoudig één met de kosmische krachten en zal mij zelfs aan hun plaatselijke openbaringen vaak kunnen onttrekken door eenvoudig deel uit te maken van het energietransfer, dat het evenwicht in stand houdt.

Een energietransfer is ‑ laten we een voorbeeld met gewichten nemen: we hebben een weegschaal. Hier staat 10 x 1 kilo en nog wat kleine gewichtjes en daar staat 10 x 1 kilo zonder die kleine gewichtjes. Het totaal van de gewichtjes is 500 gram. Er moet daar dus 500 gram bij komen, dan is er evenwicht. Maar dat kan niet, want, het totaal van de gewichten moet gelijk blijven. Dan neem ik van de kleine gewichtjes 250 gram en zet ze daar neer. Zo behoren dus oorspronkelijk tot alles wat er op deze schaal gebeurt en ze komen dáár terecht.

Als ik nu positief wil zijn, dan ga ik dus steeds mee met de energiegolf en dan kom ik tot het begrip, dat het einde van alle karma in wezen is: het voortdurend evenwichtig zijn, waarbij eigen functie en plaats verandert maar niet eigen bewustzijn en eigen beleven. Dat is het einde. Het begin is eigenlijk nog veel eenvoudiger. Oorzaak‑en‑gevolg en karma worden identiek gesteld. Wanneer ik een oorzaak schep en ik besef het gevolg, dan zal kosmisch gezien dat gevolg moeten optreden: maar karmisch gezien kan ik mij aan een deel van het gevolg onttrekken. Als ik een bom aansteek en ik weet dat die gaat ontploffen, dan zou theoretisch het aansteken van de bom betekenen, dat ik de lucht inga. Ik kan mij dus verwijderen. Ik kan ook anderen verwijderen. Maar wat ik niet kan voorkomen, is dat de explosie plaatsvindt. Misschien dat dit beeld de zaak iets verheldert.

Wij doen met onze daden heel vaak hetzelfde. En zo ontstaan er dus eigenlijk in de mensheid als geheel, in volkeren en in de eenling afzonderlijk, als weer deel zijnde van een aparte vorm van bewustzijn, situaties, waarbij het gevaar heel groot is: maar bij voldoende bewustzijn kan dat gevaar weer onschadelijk worden gemaakt. We kunnen de werking niet voorkomen. Wat we echter wel kunnen voorkomen, is de schade, die daaruit voortvloeit. Schade n.l. is een persoonlijke ervaring. Ze valt niet onder de kosmische wet. Het is een bewustzijnswaarde. Stel, dat ik weet dat b.v. een economische crisis onvermijdelijk is. Dan kan ik mij dus op die economische crisis instellen op een zodanige manier dat juist het feit, dat hierdoor de productie wat vermindert en de arbeidsmarkt wat rijker wordt, door mij wordt gebruikt om de feitelijke toestand te verbeteren. In Nederland zoudt u het bv. zo kunnen stellen:

Indien hier een crisisperiode ontstaat, dan zal er ook wel wat minder geld zijn, maar dan zal een belegging in huizen attractiever zijn, de woningnood kan worden beëindigd, terwijl er ook meer materiaal en meer mankracht voor de woningbouw beschikbaar zullen zijn dan op het ogenblik. Bovendien zal de aanwezige mankracht onder druk van een arbeidsmarkt, die maar heel erg slap is, ook vanzelf nog meer presteren. We kunnen er dus voordeel uithalen. Maar doen we dat nu niet en bereiden we ons niet voor, dan komt die economische crisis, we krijgen werkeloosheid, maar we hebben niet gerekend op de mogelijkheid van de bouw. Er is dus niet voldoende kapitaal, materiaal en planning aanwezig om te bouwen. De woningnood neemt toe door het verval van hetgeen er bestaat, terwijl gelijktijdig door gebrek aan de juiste instelling de aanwezige reserves niet op de juiste manier worden ingezet. Dit is nu algemeen gezegd. Maar elk volk heeft een eigen karakter. Dat karakter impliceert een bepaald bewustzijn en dat bewustzijn dicteert weer het optreden. Laat mij een vergelijking maken.

Nederland is nogal heel erg formeel. Men houdt er van om alles tot in de puntjes, haast perfectionistisch te regelen en vindt vaak de perfectionistische regeling belangrijker dan een perfect resultaat. Wanneer dit volk via zijn vertegenwoordigers, maar ook als geheel, tegen een ander volk gaat optreden, dan zal het alle incorrecte punten, alle improvisatie ergens veroordelen. Het zal daarbij onbelangrijke dingen zeer belangrijk gaan vinden. Door zijn aandacht daarop te richten zal het bepaalde voordelen missen en zal het bepaalde bezwaren ondergaan. Aan de andere kant zal het ook weer (dus door zijn vaste plan) vaak beter weten waar het heen wil dan een ander: en zo wat langzamer maar gestadiger vooruit kunnen komen.

Neem nu Amerika. In Amerika is een onderlinge verschuiving van machtsevenwicht eigen een van de normale dingen. In Nederland is het dat niet. Wij willen het hier stabiel hebben. In Amerika niet. In Amerika beschouwen ze samenwerking tussen staten als zo normaal, dat een vermindering van die samenwerking wordt ervaren als iets schandelijks: als iets waarover de emoties hoog oplopen. Daarom zal dus een Amerikaan, die in het groter geheel gewend moet zijn aan veel meer improvisatie er, aan veel meer vrijheid, nooit de mentaliteit van de Nederlander kunnen begrijpen met zijn voorschriftjes, zijn wetten en zijn vooral netjes formuleren, zijn perfectionisme. Die twee zullen elkaar nooit helemaal kunnen begrijpen. En dat betekent, dat de verhouding Nederland/Amerika wordt gedicteerd door misverstanden: en dat houdt in ‑ omdat Amerika de grootste is en Nederland de kleinste ‑ dat Nederland zo nu en dan daarvoor de klappen zal krijgen en dat Amerika zo nu en dan in Nederland teleurgesteld zal zijn, of het belachelijk zal vinden. Kijk, dat kan men dus over staten zeggen. Voor eenvoudige mensen ligt het precies hetzelfde.

Er zijn nu eenmaal kosmische wetten. Als een kosmische wet zegt, dat er een bepaald machtsevenwicht in de kosmos bestaat, dan betekent dat ook dat in alle delen van de kosmos dat machtsevenwicht bestaat. Er kan dus op aarde (voor de aarde als geheel) een golf van energietoename of van energievermindering optreden, maar binnen elk volk en binnen de volkeren op aarde onderling, ja zelfs in de natuur zal een evenwicht voortdurend in stand worden gehouden. Indien dat evenwicht wordt verstoord, zal elders automatisch een aanvulling plaatsvinden. En dat dicteert dus uw hele leven.

De kosmische wet en de karmische wet zijn voor ons vaak één pot nat, omdat we er tenslotte weinig interesse voor hebben of we door een bulldog of door een foxterriër worden gebeten: als we worden gebeten vinden we het erg. Maar we moeten heel goed begrijpen: wat kosmisch bestaat, is niet te veranderen. Je kunt het alleen misschien gebruiken. Wat karmisch bestaat, kan worden veranderd. En dat betekent voor ons, dat wij door onze eigen bewustzijnswaarde (let op: niet onze benadering van de wereld, die daaruit voortvloeit) het bewustzijn zelf moeten proberen te wijzigen. Door dit te doen kunnen wij onze relatie met de wereld veranderen. We zijn geen slaven van het noodlot. We kunnen meester zijn van noodlot, ook al zullen wij ons nooit kunnen onttrekken aan de kosmische golven van werking en invloed, omdat deze behoren tot een grotere wet.

En dan is er nog iets. Ik heb zo even de vergelijking gemaakt van een landelijke wet en een gemeentelijke verordening. Indien er een landelijke wet bestaat, kan een gemeentelijke verordening nimmer tegen die wet in worden doorgevoerd. Indien een kosmische werking optreedt, zal zij alle eventueel bestaande karmische werkingen overschaduwen, voor zover ze strijdig zijn met deze tendens. Als de kosmos zegt: “meer energie op aarde”, terwijl uw karma zegt dat u energie moet verliezen, dan zult u tóch meer energie krijgen: alleen zal uw bewustzijn waarschijnlijk niet weten wat ermee te doen. En om het geval af te ronden: Geestelijk bestaat precies hetzelfde. Het is dus niet een kwestie van: dit is nou speciaal voor de mensen. Wanneer wij in een bepaalde sfeer leven en wij gebruiken energie op aarde, dan betekent dit een tekort aan energie in onze sfeer. Wanneer wij op aarde een zekere energie verwerven, dan betekent dit een verwerving van energie, die moet worden getransponeerd naar onze sfeer en daardoor wordt dus een tekort aan energie op aarde veroorzaakt: of zo ze op aarde blijft bestaan, betekent dit een blijvende vermindering van onze energie in de sfeer. Op die manier kan men dus ook de z.g. duistere en lichte sferen tegenover elkaar beschouwen.

Wanneer de stelling van een God en een duivel wordt geponeerd, dan kan er kosmisch gezien geen verschil worden gemaakt tussen de macht en de invloed, die beiden bezitten. Zij moeten in evenwicht zijn. Als God wint, moet de duivel zwakker worden, dat is waar, maar gelijktijdig moet hij op het niveau, waar niet wordt gewonnen, toenemen aan invloed. Als de duivel minder gezag krijgt op de wereld, zal hij gelijktijdig a.h.w. meer zieltjes moeten hebben in de hel. Dat is dus die compensatieregeling. Door dit in de sferen te begrijpen kunnen we misschien, wanneer we ooit in een duistere sfeer belanden of in contact komen met iemand in een duistere sfeer, ook weer gebruik maken van deze kosmische verhouding, die dus wetmatig is vastgelegd, om karmische werkingen tijdelijk te overschaduwen.

Als ik weet, dat liefde (althans een bepaald aspect daarvan) behoort tot de hoogste emoties en dus verwant is met het hoogste Licht, dan kan ik gelijktijdig zeggen dat ‑ indien ik in het duister ook maar voor één ogenblik een begrip van die liefde kan wekken ‑ het totaal van de duistere invloed wegvalt, zolang het bewustzijn van de persoon op dat licht is gericht.

Voorbeeld. Een reddingsseance. Daar doen zich dingen voor, dat weten we allemaal zelf wel, die soms heel erg stompzinnig zijn. Heel veel reddingsseance’s zijn meer het wederkerig uiten van het eigen ego van degenen, die z.g. geholpen willen worden en degenen, die z.g. willen helpen. Maar we kennen allen wel een verschijnsel, dat weleens voorkomt, dat iemand wordt herinnerd aan b.v. zijn moeder, zijn vrouw of zijn kind, welke in het licht is. Dan behoeft dat niet waar te zijn. Wanneer echter de voorstelling van het licht in de persoon ontstaat, die verder aan het duister gebonden is, vermindert het duister in hem naarmate zijn concentratie op het licht toeneemt. Dit wil zeggen, dat hij op dat ogenblik, terwijl het totaal van zijn krachten en van zijn bindingen dus gelijk blijft, zijn karma door zijn bewustzijn van het licht weer kan wijzigen. Die verlossingen uit een duistere sfeer zijn soms erg melodramatisch maar er zitten aspecten in, die volkomen reëel zijn en die met beide wetten in overeenstemming zijn.

Uw activiteit, gericht op een andere wereld, moet u precies zo zien. Als u gedachtekracht gebruikt op een geestelijk vlak, dan zal die kracht aanwezig zijn zolang in u het bewustzijn van dit geestelijk vlak domineert. Op het ogenblik, dat u dat niet meer beseft, valt die kracht weg: ze blijft niet bestaan. Ze kan slechts worden gebruikt als een centraal punt waaromheen andere krachten van grotere concentratie zich kunnen verzamelen. Men kan dus op aarde nooit iets doen alleen maar met geestelijke gedachten.

In de praktijk komt het er op neer dat alles, wat de mens met zijn gedachtekracht doet, via astrale spanningen gebeurt, omdat daar de stabiliserende krachten zijn. Men richt het op de geest. De astrale wereld kan ook een op de geest gericht iets bevatten en vorm geven. Maar op het ogenblik, dat die concentratie ophoudt, wordt diezelfde kracht weer naar de aarde uitgestraald. Een soort vertraging. (Voor degenen, die het weten: ongeveer de werking van een sinusoïde, een bepaald spoel of condensator, die een vertragend element in omslag of wisseling van richting van een stroom teweeg kan brengen) In de sferen werken al deze wetten. In de sferen is bewustzijn bepalend. Dan moet worden gezegd, dat ‑ naarmate het bewustzijn van uit de sferen sterker op de aarde gericht wordt ‑ de bekwaamheid of de kracht, die er in de sferen bestaat, zal afnemen. Omgekeerd geldt: naarmate iemand zich van uit een lagere sfeer of wereld concentreert op het hogere, zal zijn kracht in die lagere sfeer of wereld afnemen, maar gelijktijdig zal zijn bewustwording en beleving in het hogere toenemen. Die wisselwerking speelt bij verandering van sfeer, bij inwijdingen e.d. een grote rol.

Denk niet dat u slaaf bent. Als er een kosmische kracht optreedt, die voor een bepaalde ontwikkeling (bv. een inwijding) gunstig is, dan zult u altijd nog zelf die inwijding moeten vinden. Het kan hoogstens betekenen, dat u over meer energie beschikt om dit tot stand te brengen. Reken nooit op een kosmische wet als iets, wat u zelf kunt wijzigen. U kunt alleen uw benadering t.o.v. de wet wijzigen.

Beschouw een karmische wet nooit als iets wat vaststaand is. De karmische wet is afhankelijk van uw bewustzijn: en elke wijziging van bewustzijn houdt in: een verandering van de karmische verhouding en zo van de verschijningsvormen van de karmische wet. Leer uw karma beheersen. Leer de kosmos en de kosmische kracht te gebruiken.