Kelten en Druïden (2)

image_pdf

14 september 1956

Aan het begin van deze bijeenkomst moet ik u, zoals gebruikelijk, erop wijzen, dat wij niet onfeilbaar of alwetend zijn. Ik mag deze avond het onderwerp voor u behandelen. Wat zal het deze keer zijn?

  • Kunt u nog eens iets vertellen over de Kelten en Druïden?

Dat kan natuurlijk. Is er geen ander onderwerp? Ik hoor hier en daar een bevestiging van het onderwerp, elders stil, of wat luidruchtiger protest, maar geen ander onderwerp. Wij zullen dus maar eens praten weer over de Kelten en de druïden. Ik zal echter trachten dit nu eens wat meer op mijn manier te doen. Want over die Kelten is natuurlijk wel heel veel te vertellen. Maar een van de aspecten, waar de mensen zich meestal haast niet mee bezig houden, dat zijn de meer huishoudelijke zaken van zo’n volk. Toch hadden die Kelten een huishouden, evenals u en ieder ander. Ook bij de Kelten huwde men, kwamen er kinderen en die opgroeienden huwden ook weer, of werden ten huwelijk gegeven.

De druïden waren wel waardige priesters met een nevenberoep; zij waren vaak wichelaars, geneesheren, of barden, maar ook zij hadden dan hun meer alledaagse leven. Het lijkt mij aardiger ons daar nu eens mee bezig te houden, dan weer te gaan spreken over de magie van de druïden en hun wrede offerplechtigheden. Hoe leefde dus eigenlijk een Kelt?
In het begin waren de Kelten een rondtrekkend en zwervend volk. Sommige van de herderskoningen, die zelfs in de oudheid eens Egypte beheersten, komen voort uit de Kelten. U zou dit misschien niet zo verwachten, maar zo is het dan toch. Ook de volkeren, waarmee Israël worstelde en door de Joden zo ijverig om de hals werden gebracht, hadden vaak een Keltische inslag. Want de oorspronkelijke Kelten waren werkelijk heel grote avonturiers en zwervers. Zij danken dit hoofdzakelijk aan hun erfdeel van de Atlantiërs. Een deel van dit volk bestond uit Atlantische slaven. Zij begonnen een grote tocht, die voor delen van het volk niet slechts door Noord-Afrika voerde, maar zelfs tot in Achter-Indië. Uiteindelijk voerde hun weg door heel Europa, terug naar Engeland, waar zij rasgenoten vonden, die zich daar op de eilanden al hadden gevestigd.
Oorspronkelijk woonden zij in loofhutten. Van hout en planten die aanwezig waren, ter plaatse werd een dakje gemaakt. Daaronder leefde dan een heel huisgezin tijdens de rust. Dit was groter dan tegenwoordig, daar de getrouwde zoons mede tot het huishouden bleven behoren. Onder een dergelijk dakje werd meestal een vuurtje gestookt. Men kende het gebruik van potten en pannen, ofschoon hun vaatwerk zeker niet zo mooi was, dat het een vorm van kunst vertegenwoordigde. Bij andere volkeren is dit wel vanaf het begin het geval geweest, maar bij hen was dit in de eerste eeuwen niet zo. Zij hadden voor het bakken en versieren van potten haast nooit tijd.
Opvallend is het, dat zij in de tweede helft van hun zwerftocht naast houten en uit klei gemaakte vaten, tevens ook koperen potten en pannen en wapens gebruikten.

Dan kenden zij o.m. een soort van grote dienschalen en zelfs primitieve fornuizen uit natte klei gemaakt. Hun gezinsleven heeft dan al langzaam maar zeker een patricische vorm gekregen. Wij kennen dan edelen, die een eigen hofhouding met vele slaven, horigen en bedienden hebben. Dezen voeren dan een aparte keuken met zich. Verder hebben zij aparte bedienden, die zorgen voor het opzetten van een soort tent en het onderhoud daarvan. Deze worden in het begin gemaakt van huiden. Later gebruikt men ook wel een soort linnenachtige stof voor delen daarvan.
Degenen, die ver in het Oosten zijn geweest, brengen bovendien een soort vilt mee, dat ook al heel veel gebruikt wordt. Wanneer hun zwerftochten hen tot Griekenland, Italië en Hongarije hebben gevoerd, bouwen zij al een soort huizen, die ons verdacht veel doen denken aan de nu nog bekende blokhutten. Alles loopt daarin nog recht toe, recht aan. Er zijn openingen i.p.v. vensters, niet te veel, afgesloten met huiden wanneer dit nodig is, en meestal op het zuiden gelegen.

De vrouw des huizes heeft een zware taak. Haar man is jager en strijder. Met een mogelijke primitieve landbouw, met de verzorging van de kinderen en het vee bemoeit hij zich haast niet, evenmin als met de bereiding van de maaltijden. De vrouw met haar helpsters en helpers is hiervoor geheel alleen verantwoordelijk. Men hoeft zich dus niet voor te stellen, dat een Keltische vrouw tegen haar heer en gemaal zou zeggen: “Jan, het dak lekt weer. Leg er eens een paar nieuwe plaggen op”. Dat moest zij zelf doen. Dit blijft ook nog zo, wanneer de Kelten, verbonden met enkele stammen binnen trekken in Engeland. Toch is de Kelt over het algemeen goedmoedig, handig, een goed strijder en jager. Hij heeft maar enkele fouten. Hij is opvliegend en houdt van sterke verhalen, bloeddorstige verhalen.

Wat het huishouden betreft, dat heeft de vrouw te doen. Wil of kan zij dat niet, dan is hij geneigd de zweep te gebruiken tot zij het wel kan of tot hij zich een nieuwe vrouw aanschaft. In deze dagen zou een handhaven van dergelijke methoden de dames ongetwijfeld terughouden van het huwelijk. De kinderen zijn in het gezin echter zeer belangrijk. Niet alleen de jongens – zoals elders – maar ook de meisjes. De kinderen krijgen hun opvoeding van de moeder tot ongeveer hun vierde jaar. Daarna worden de jongens verder door de vader opgevoed, die zich vanaf het zevende jaar ook met de opvoeding van de meisjes gaat bemoeien. Hierdoor kan ook de vrouw over het algemeen goed met wapens omgaan en is vaak meester in het hanteren van boog en slinger. Verder weet zij vaak veel van stokvechten af. Zij is dan ook best instaat zo nodig ook zichzelf te verdedigen, is gehard en kan haar man vergezellen, ook wanneer hij langere tochten gaat maken, zonder daar veel onder te lijden. Niet voor niets vinden wij dan ook in veel Keltische sagen vrouwen – soms heksen – maar soms ook vrouwelijke strijdsters die ook lichamelijk buitengewone prestaties leveren en onderricht geven aan jongens op zuiver fysiek gebied. Dit wijst wel op een aanmerkelijk kunnen.

Waar de gewone Kelt zijn huwelijk hoofdzakelijk sluit i.v.m. de “provider-capacity”, de mogelijkheid tot gewin en onderhoud, wordt het huwelijk als middel tot het samenvoegen van bepaalde bezittingen meer en meer populair. Desondanks is het liefdesleven en de huwelijkskeuze meestal betrekkelijk vrij. Vooral de avond kan bij de Kelten dan ook buitengewoon gezellig zijn. Weliswaar zitten de vrouwen niet met de mannen aan, maar er wordt toch gelachen, gezongen, gedronken, gespeeld en gedanst. Reeds in die tijd komen soms reizende potsenmakers, die een aardige reeks anekdoten en liederen hebben. Daar zijn zelfs anekdoten onder, die sommige conferenciers nu nog vertellen. Dat waren de nette moppen toen. Ook wat dat betreft, is er eigenlijk weinig nieuws onder de zon, zelfs schoonmoedermoppen hadden zij toen ook al. In het midden van het huis ligt een vuur. Men zit daar omheen. Wat men aan huisdieren heeft, knort, gromt en scharrelt rond. De honden liggen in de buurt van de tafel en wachten of zij iets kunnen stelen, tot zij naar buiten worden getrapt.
Het leven is ruw, maar gemoedelijk. Veel eisen heeft men niet. Wanneer een man, die arm was bv. door geslaagde rooftochten of het overwinnen van vijanden, rijk wordt, wordt hij meteen opgenomen in de stand van de edelen of rijken. Dit is wel een aparte klasse van de bevolking. Van erfelijke adel is haast geen sprake. Bezit en moed bepalen, wie en wat je bent in de maatschappij. Pas in de tijd, dat de Romeinen hun grote veroveringstochten in Europa beginnen, komt er een gevestigde adelstand, die niet meer van bezit of kunnen onafhankelijk is.

Met de druïden is het anders. Een druïde, ofschoon behorende tot het volk en zelfs vaak uit het volk voortkomende, is krachtens het feit, dat hij dienaar van de goden is, een wezen met een heel aparte stand, met andere verplichtingen en gebruiken dan het gewone volk. Hij kan het zich bv. niet permitteren om zo maar te huwen. In veel gevallen bleven zij dan ook celibatair, althans in naam. Met het gewone volk bindt hij zich niet, omdat hij “aan de God al zijn krachten moet wijden”. Huwt hij, iets wat bij sommige groepen onder hen eerst op rijpere leeftijd mag gebeuren – vaak eerst, wanneer het dertigste jaar overschreden is -, dan kiest hij zich een vrouw, die stamt uit een geslacht van druïden. De druïden zijn dus eigenlijk een soort stam binnen de stam.  Wie geaccepteerd wordt binnen deze gemeenschap en gehuwd is, moet niet denken, dat zijn gezin mee zal worden geaccepteerd. Het komt voor dat gehuwde Kelten in deze kaste worden opgenomen en hierbij hun gezin en bezit geheel in de steek laten. Dit behoort dan niet meer bij hen en is – althans in naam – hen voortaan geheel vreemd.

De huishoudelijke gebruiken van deze groep tonen echter een veel groter respect voor de vrouw. Niet zonder reden overigens, want de vrouw is vaak nog beter dan de man als kruidendeskundige. Wanneer het gaat om het zoeken en plukken van kruiden, dan is zij vaak de eerste, de uitverkorene. Slechts enkele kruiden mogen alleen door een man worden geplukt. Zelfs dan zal de vrouw deze vaak eerst opzoeken. De man zal daarvoor een reeks van taken in het huis van haar overnemen. Wanneer hij slaven heeft, zal hij deze door zijn slaven laten verrichten. Bij gebrek daaraan zal de man echter zelf deze taken verrichten of dit door zijn zoons laten doen. De vrouw wordt gelijk met de man opgeleid, indien zij opgroeit binnen het gezin. Wel horen wij zelden of nooit van vrouwelijke druïden, maar zoveel te meer horen wij van tovenaressen, die haast altijd samen met de druïden optrekken. Dit blijkt o.a. uit verschillende verklaringen en vertellingen. Zelfs in het boek van Caesar over Brittannië vinden wij opmerkingen terug hierover. De druïde is onverzoenlijk in zijn vijandschap tegen degene, die zijn God niet dient. Dit brengt met zich mee, dat hij vroom is.
Om zichzelf ter volbrenging van zijn taak op te zwepen, zal hij ook in zijn eigen huis voortdurend religieuze plechtigheden houden. Hieraan doet dan de gehele gezindte mee. Een slaaf kan niet weigeren deel uit te maken van een dienst, of zelfs een geestenbezwering. Hij is verplicht hieraan deel te nemen. Weigeren betekent, dat de heer des huizes hem in rechtvaardige toorn om de hals brengt. Dit is in tegenstelling tot de verdere behandeling van slaven bij de Kelten, waar deze normaal als leden van het gezin worden beschouwd en delen in alles wat het gezin betreft of bezit. Zou de slaaf gedurende de plechtigheden opstandig worden of vluchten, dan is er maar één oplossing. Tegenwoordig zou men met zo iemand misschien naar een psychiater gaan, maar vroeger had men voor dergelijke gevallen maar één oplossing: “Kop eraf” Het is in ieder geval een degelijke en radicale manier om dergelijke problemen op te lossen. Bovendien voorkomt men er veel problemen mee.

Uit het voorgaande volgt al, dat het leven van de druïde wel zeer verschilt van dat van de gewone Kelten. Deze laatsten veranderden overigens hun gewoonten meer en meer. Waren zij eerst gewoon ten hoogste enkele weken op één plaats te vertoeven, later bouwen zij dorpen en zelfs steden. De druïde echter kent een dergelijk gevestigd bestaan niet. Hij heeft bepaalde plaatsen, vanwaar hij de erediensten voornamelijk leidt. Maar hij maakt als kern van zijn gebied geen gebouw. Hij neemt daarvoor een bepaald bos of een deel daarvan, ontdekt daarin bepaalde bovennatuurlijke waarden, wijdt het met zijn magie en voortaan is dat bos dan in de ogen van allen heilig. Er moet hierbij natuurlijk aan bepaalde voorwaarden worden voldaan.

Maar is dit gebeurd, dan kan men de doden tot een afdalen in dit woud dwingen en oproepen en blijven zij met hun aanwezigheid de plaats heiligen. Voor zijn gezin bouwt de druïde zich veelal een woning in een dergelijk woud. Zijn eigen bemoeiingen met het lot van de mensen, brengen hem echter vaak en lang weg van huis. Niet altijd is hij dan, vooral bij een langere tocht, geneigd zijn vrouw achter te laten. Zo zien wij, dat de oude gebruiken uit de nomadentijd – vooral bij de druïden – blijven voortbestaan. Om in hun onderhoud te voorzien, reizen zij soms samen en treden ook wel samen op met groepen van kunstenmakers en potsenmakers.

Het is ons uit de historie bekend, dat sommigen onder hen grote barden waren. Grote zangers en dichters dus. Met hun zang trachtten zij dan vaak hun leer omtrent de Godenwereld te verklaren. Wanneer zij op reis gingen, dan hadden zij vaak – om het volk te lokken – bovendien worstelaars, zwaarddansers e.d. bij zich. In samenwerking met deze acrobaten en artiesten werden dan bovendien primitieve drama’s opgevoerd, die door de spelenden grotendeels werden geïmproviseerd en zeker niet in de smaak zouden vallen van het meer fijngevoelige publiek van heden. Tegenwoordig houdt men misschien van “bebop” en “rock and roll”, maar niet van meer rechtuite vertoningen. Deze prikkelende rechtstreeksheid van de vertoningen werd echter door de druïde dan steeds weer dienstig gemaakt aan zijn eigen doeleinden.

Hierdoor zal het volk de druïde naar waarde schatten, hem aanvaarden en eren en het hem daardoor mogelijk maken magische banden aan te knopen met sommige mensen. Wanneer een druïde goedhartig is en bv. vaak mensen geneest, zonder voor zijn hulp eerst een prijs te bedingen, moet zijn vrouw wel naar bijverdiensten omzien. Zo is zij vaak degene, die hoofdzakelijk de liefdesdrankjes verkoopt aan de dorpsmeisjes, die een oogje hebben laten vallen op een rijkere of elders verliefde jonge man.

Tegenwoordig zijn er geen heksen met liefdesdrankjes meer. In de plaats daarvan zijn er louche huwelijksbureaus en dergelijke kunsten. Het verschil is vaak niet zo groot. Hoe het ook zij, wij zullen de vrouw van een druïde meestal als iemand zien die een apart beroep uitoefent, hoewel dit meestal wel verwant blijft met het beroep van haar echtgenoot. Wanneer wij te maken hebben met een druïde, die hoofdzakelijk zanger en bard is, zien wij de vrouw vaak optreden als de draagster van “gossips”, dus nieuwtjes, terwijl zij daarnaast wichelaarster, of handlijnkundige is. Zij doet dan kleine voorspellingen op meer persoonlijk terrein en zal daarnaast ook wel enkele kruiden leveren. Indien de druïde naast zijn priesterlijke functie genezer is, dan zien wij de vrouw vaak als een – soms zeer beroemde – kruidenkundige, die bij afwezigheid van haar man ook zelf behandelt en geneest. Houdt de druïde zich bezig met het werpen van de runen, dan zijn de vrouwen vaak medium en worden soms tot erkende “stem” van bepaalde geesten, of Goden.

Het huiselijke leven van de Kelten valt dus wel in tenminste twee afzonderlijke afdelingen te splitsen: de priesterstand met haar gebruiken en de anderen. Natuurlijk kennen wij overal verschillen in stand en rijkdom. Bovendien moeten wij, indien wij eerlijk willen zijn, toegeven, dat de vrouw lang zo recht zeker niet is in haar positie als dit heden het geval is. Maar binnen deze beperking heeft zij toch een redelijk, vaak prettig bestaan. Bij de druïde is er echter nog een voorwaarde meer voor een prettig en goed leven van de vrouw. Zij moet geheel op kunnen gaan in het werk van haar man en geheel deel hebben aan zijn geloof. Hoe men dit door opvoeding e.d. trachtte te verzekeren, heb ik u al gezegd.

Nu, ik vind, dat dit zover een aardig stukje is, al zeg ik het zelf. Deze dingen hebt u waarschijnlijk hier nog niet over gehoord. Is er iemand, die hier nog commentaar op heeft?

  • Staat Stonehenge in verband met de druïden?

Jazeker. De dienst van de druïden houdt o.a. rekening met en vereert ook de maan. Daarnaast worden bepaalde sterren vereerd en ook natuurlijk de zon. De gehele eredienst is eigenlijk een verbastering van de Atlantische godsdienst. Wij vinden dan ook in andere landen dergelijke godsdiensten, waarbij de hoofdwaarden en gedachten ongeveer gelijksoortig worden uitgedrukt. Nu was Stonehenge gelijktijdig een soort van tempel en een vergader- en offerplaats. Er vond zowel een jaarlijkse “ting” plaats – rechtspraak dus – als een door sterren en hemellichamen bepaalde offerdienst.

De stenen ompaling, die er was opgericht, stenen poorten, waardoor de ruimte dus werd begrensd, is gelijktijdig een soort blijvende magische cirkel, waar zij enerzijds geesten van buiten heette af te weren en opgeroepen geesten en demonen daarnaast binnen de tempelruimte had te bannen. Door haar vorm van opstellen en bouw kon men er ook bepaalde astrologische waarnemingen doen. Wij vinden buiten het midden aan de ene zijde op gelijke afstand van de grens de z.g. spreekplaats, ofwel het tweede altaar, terwijl aan de andere zijde het bloedaltaar staat. In de ellipsvormige ruimte zijn de beide uit het midden gelegen stenen zó geplaatst, dat bij bepaalde maanstanden hierop licht valt, terwijl bepaalde sterrenbeelden soms met enige tussentijd door een opening vanuit beide altaarstenen waar te nemen zijn. Hierdoor wordt de tijd bepaald, waarop bepaalde plechtigheden i.v.m. de vruchtbaarheidscyclus plaats kunnen vinden.

De druïden waren de opperpriesters en leraren van de Kelten. Wij vinden hen dan ook in Stonehenge terug als predikers, als profeten. Daarnaast zijn ze ook de offeraars. Maar als ik daarover verder moet spreken, komen wij tot beschrijving van allerlei onplezierigheden, die ik maar liever in mijn betoog wil vermijden. Er is dus wel degelijke en band tussen druïden en Stonehenge aan te wijzen. Wat echter wetenschappelijk niet geheel vaststelbaar is, maar ongetwijfeld waar is, is dat bepaalde delen van Stonehenge, vooral de astrologisch belangrijke delen, allang waren opgebouwd vóór de Druïden daarin hun diensten hielden. Daaruit valt dan weer af te leiden, dat het bouwwerk dus ouder is in zijn eerste structuur en dan behoort tot de laat-Atlantische cultuur van de tweede Atlantische periode.

Zoals wij weten, maakten Engeland en Ierland plus veel van de eilanden in het Kanaal deel uit van het toenmalige Atlantische rijk, dat zich in een reeks van eilanden uitstrekt tot voorbij Gibraltar. Het was een eilandenrijk, bestaande uit elf afzonderlijke koninkrijken. Het is aannemelijk, dat hier na de grote broederstrijd tussen de vorsten, die, zo wij weten in deze tweede cultuurperiode plaatsvond, men een tweede wettempel heeft willen oprichten. De plaatsing van de pilaren stamt nl. geheel overeen met die van de gouden pilaren in de oorspronkelijke Tempel van Wet en Verbond. In deze tempel van Atlantis was echter een midden pilaar aanwezig, die in Stonehenge ontbreekt. Deze midden pilaar droeg de wets- en verbondstafelen, die gegrift waren op platen vervaardigd uit een goudkoper legering. Zij waren omraamd in het z.g. Orichalcum. (legendarische Atlantische metaallegering – Red.) Voor elke bijeenkomst van de vorsten werd aan de voet van deze pilaar een stier geofferd; het is dus aannemelijk, dat zwervende volkeren en de afvallige vorsten van Atlantis op deze plaats samenkwamen en dat ook reeds toen deze samenkomsten worden vergezeld van dierenoffers.

Ik hoop, dat dit u voldoende is. Ik hoor niets, dus zal het wel goed zijn. Men zegt wel: wie zwijgt, stemt toe. Maar er zijn ook nog andere mogelijkheden. Degene, die zwijgt, wil om de een of andere reden, niet tegen je spreken. Maar dat wil ik hier liever niet aannemen. Een andere mogelijkheid is, dat men niets meer weet te zeggen. En wanneer men tegen mij niets meer weet te zeggen, nadat ik uitgesproken ben, houd ik ook mijn mond.

Vragen

  • Wilt u iets vertellen over oorsprong en geschiedenis van de zigeuners? Zijn zij  afstammelingen van een Hindoestam?

De zigeuners, gypsies, tzygany, behoren tot een stam, die inderdaad, – maar dan moeten wij teruggaan tot 500 jaar voor Christus – heeft geleefd in de omgeving van het huidige Calcutta. Zij waren verworpenen en trokken weg naar het Zuiden. Vandaar zijn zij in groepen o.m. naar het vruchtbare dal van de Eufraat en de Tigris opgetrokken. Zij waren reeds toen hoofdzakelijk komedianten, wichelaars en handelslieden. Later werden zij verdreven en vestigden zich een tijdlang rond de Kaukasus. Vandaar uit gaan zij rond het jaar 200 tot 300 verder. Zij splitsten zich dan in meerdere groepen. Enkele van deze groepen gaan op in de bevolking.

Een groter gedeelte behoudt zijn eigen wetten en gemeenschap, maar verdeelt zich in kleinere groepen. Enkele van deze groepen bereiken o.a. de omgeving van het huidige Charkov. Zij worden hoofdzakelijk handelaars. Anderen blijven zuidelijker. Zij worden o.a. herders in het huidige Hongarije. Hun aard laat het echter niet toe te lang geregeld werk op zich te nemen. Zo worden zij ook hier uiteindelijk weer hoofdzakelijk tot komedianten en wichelaars. Zigeuners trekken mee met de legers van de verschillende potentaten die het Westen trachten te veroveren. Zij dringen door in Italië, Frankrijk en Engeland. In Spanje vermengen zij zich met de Moren. In dit land is het ras van de zigeuners dan ook anders – minder zuiver zou men kunnen zeggen – dan in noordelijker landen.

In de Middeleeuwen kennen wij verschillende grote zigeunerfamilies. Zij bewaren hun gebruiken en godsdienst. Bijgevolg worden zij dan ook meestal vervolgd. Hierdoor komen zij tot een eigen rechtspraak, gebaseerd op gebruiken binnen de stam. Hierbij zien wij verschillende zigeunerkoningen. De man heeft echter de waardigheid vaak alleen in naam, daar de hiërarchie van de zigeuners over het algemeen aan de wijze vrouwen, een zeer grote rol en een zeer hoge plaats in de samenleving inruimt. De zigeuners stammen inderdaad uit het gebied, waar nu de Hindoes leven, maar hun komst naar andere plaatsen ligt wel reeds zeer ver in het verleden. Hun gebruiken en wetten stammen gedeeltelijk uit de Kaukasus, uit Perzië en Egypte, terwijl zij op de duur ook vaak veel van de gastgevers hebben overgenomen.

  • Heeft er ook enige verband bestaan tussen Atlantiërs en de indianen?

Geen direct verband, wanneer wij hier tenminste de indianen van Noord- Amerika bedoelen. Deze zijn oorspronkelijk verwant met het Noord-Chinese ras. Zij hebben dan ook in bouw, dus uiterlijk, en geloof veel overeenkomst daarmee. De indianen, die meer zuidelijk wonen, hebben waarschijnlijk in het verleden contact gehad met Atlantis. De Noord-Amerikaanse indianen echter niet. In het zuiden waren zij echter hoofdzakelijk wilden, die door de Atlantiërs geregeerd werden. Enkele stammen passen zich iets meer aan bij de Atlantische gebruiken en nemen later delen van het gevluchte Atlantisch ras in zich op. De andere stammen zijn daaraan onderdanig. Onder meer behoorden de Azteken en Tolteken hieronder.

  • Zijn de roodhuiden dan oorspronkelijk van Chinese afkomst?

Simpel gezegd wel. Indien men zich de moeite getroost de bouw van de schedel na te gaan, de plaatsing van de jukbeenderen e.d., dan zal het u opvallen, dat zij hierin, zowel als in bouw en zelfs gelaatstrekken, een sterke overeenkomst vertonen met de rassen die in het noorden van China en Zuid Mongolië wonen. Verder is het ons bekend, dat lang voor Christus een grote trek heeft plaats gevonden, waarbij schillende groepen het gebied van Noord-Amerika bereikten. Wij nemen dus niet aan, dat de indianen inderdaad geheel autochtoon zijn. Wij menen, dat zij een rasvariant zijn van een volk, dat oorspronkelijk uit Azië komende, de eigenlijke bevolking domineerde en hen naar het Zuiden verdreef. Waar bloedvermenging optrad, domineerden de erfelijke eigenschappen van de indringers meestal.

  • Kunt u inlichtingen geven over de bouwers van de torens van Zimbabwe?

De bindingen van Atlantis met het zuiden van Afrika hebben ook daar geleid tot het vormen van nederzettingen. Wanneer hier over een negervolk wordt gesproken, is dit onjuist in zover het de makers van deze torens betreft. Toch was het een negroïde volk, zoals bv. ook de huidige Bosjesman. Dit eens zeer groot en machtige volk werd gedeeltelijk verdreven na een grote ramp aan de kust. De restanten zijn teruggevallen tot een peil van beschaving, dat een dergelijke bouw niet meer mogelijk maakt. Op de duur zijn zij in omliggende volkeren opgegaan. Dat geen versieringen, beelden en tekeningen hier worden gevonden, is duidelijk, wanneer wij weten, dat zowel schrifttafelen als beelden uit hout werden vervaardigd.

De meer kostbare uitvoeringen in metaal zijn door primitievere volkeren al lang geleden tot gebruiksvoorwerpen omgevormd. Dit volk had verder de gewoonte zijn doden gedeeltelijk te nuttigen, gedeeltelijk aan de dieren als prooi over te laten. Dit stond i.v.m. een geloof omtrent de overdracht van levenskracht door middel van bepaalde organen. Het hart werd meestal door de zoon gegeten, die volgens dit geloof, hierdoor het voortbestaan van de geest van zijn vader verzekerde en tegelijk in al zijn rechten trad. Dit is natuurlijk zeer onvolledig, maar binnen het bestek van een ‘Vragenrubriek’ is het moeilijk hierop uitvoeriger in te gaan.

  • In de Sunday Pictorial heeft een reeks artikelen gestaan over “Virgin Birth”. Een  Duitse vrouw zou een kind ter wereld hebben gebracht, zonder dat van een natuurlijk  contact sprake is geweest.

De “Virgin Birth”, ofwel “geboorte zonder bevruchting” is een vorm van parthenogenesis vanuit de eicel. Zij vindt binnen het moederlichaam plaats. De eerste celdeling moet hierbij door een prikkel geschieden, zodat het ei tot ontwikkeling kan komen. De structuur van het wezen, dat zo tot stand komt, verschilt echter enigszins van de normaal menselijke, vooral in het genetisch opzicht. Zij dragen o.a. slechts de helft van het normale aantal staafjes voor eigenschapsbepaling en voortplanting in zich. Deze uitleg is natuurlijk zeer vereenvoudigd. Mogelijk is dit dus, maar gezien de verschillende moeilijkheden, die hiermede gepaard gaan en de bijzondere prikkel, die noodzakelijk is, lijkt het mij een vraag, of dit wel vaak voor zal komen. Wel kan het kunstmatig worden veroorzaakt bij mensen en dieren. Dit is dus geen kunstmatige inseminatie.

  • Kunt u ons een toelichting geven van het begrip ‘inzicht’?

Met genoegen. Inzicht betekent niet slechts een begrip omtrent een bepaalde toestand of materie, doch het in zich verwerkelijken van alle waarden, die in die toestand, of materie, behouden zijn. Een waar inzicht verwerven wij dus eerst dan, wanneer wij het geheel in onszelf opnemen en in onszelf verwerkelijken. Kort kunnen wij zeggen dat het ware inzicht een begrijpen is van de Goddelijke Waarden in alle dingen. Inzicht in een bepaalde materietoestand verwerven is dus gelijk aan een in onszelf, dit deel van het Goddelijke te realiseren en te erkennen. Elk waar inzicht is dus een vergroting van begrip omtrent eigen wezen, die toegepast t.o.v. de buitenwereld ook daar een groter begrip met een grotere mogelijkheid tot eenheid en harmonie schept. Hierdoor wordt het Goddelijke in de Schepping harmonisch met het Goddelijke in ons.

Het schone woord

  • Gebed, dualiteit, Goddelijke Liefde, snelheid.

Dan kunnen wij zeggen, dat de dualiteit van ons eigen bestaan wordt uitgedrukt in het gebed, dat ons toch uiteindelijk kan brengen tot een realisatie van de Goddelijke Liefde en daarmede tot God. Gedaante, die jachtig in wilde vaart voorbij stuift.  In de verte vergaat zij tot een stip in het verschiet,  die geen sporen achterlaat, doch wordt tot ledig Niet.
Een mens, nauw geboren, stormt reeds voort naar de vreemde dood. Rond hem blijft slechts het geraas der wereld, onbegrip en nood. Een mens, gespleten in zichzelf, kent stof noch geest reëel en zoekt in wereld en gedachte nog te vinden een deel van het eigen “Ik”, waar hij zichzelf niet kent.
Hij bad tot zijn God en spreekt het woord:
“Laat mij leven in werkelijkheid en breng mij tot Uw Rijk”. Dan ijlt hij voort, wordt nieuwe waan weer rijk en geeft daarmede van onbegrip voor waarlijk bidden blijk.

De Goddelijke Liefde verhoort zelfs deze beë  en schept een eenheid in de mens een nieuwe kracht, de grote vrees,  die één hem maakt met alle Zijn. Dan is het leven wel voleind, kent men geen snelheid meer, einde der waan, bewust zijn in de Heer, wanneer al is ondergegaan. Laat de enige werkelijkheid die van ‘t Ware Bestaan.
Onbegrensd en toch bevat in het “Ik”,  is het Goddelijk Bestaan  in alle eeuwigheid.

Gods Liefde, die ons daar geleidt,  doodt in het “Ik” de waan.

Het gebed, geboren uit een mens, die in het leven lijdt, is band tussen God en tijd, verbindt ons met de Bron van het bestaan.

Daarmee, vrienden, zullen wij de bijeenkomst besluiten. Ik dank u voor uw aandacht.

image_pdf