Kennis en oordeel

image_pdf

26 februari 1960

Aan het begin van onze bijeenkomst wil ik u erop wijzen dat wij niet alwetend, of onfeilbaar zijn. Ons onderwerp is: Kennis en oordeel.

Kennis is een wonderlijk iets. Een mens die kennis bezit, heeft daarin macht: Een instrument, dat hij tegen anderen kan gebruiken, of ten bate van anderen. Kennis maakt het de mens mogelijk met inzicht omtrent de gevolgen zijn milieu te beheersen. Kennis stelt hem ook in staat vele der oude geheimen te maken tot een deel van het redelijke en dagelijkse bestaan. Zeker is de kennis van de mens de laatste tijd sterk gegroeid in materieel opzicht. Wanneer wij denken aan het vele, wat vroeger onder de geheimen werd gerekend – zoals geneeskunde, astronomie, techniek – en wij zien, wat hieromtrent op het ogenblik het gemiddelde weten van de mens is, dan mogen wij stellen, dat de kennis op materieel gebied met zeer grote schreden vooruit is gegaan. Wat de geestelijke kennis betreft: ook deze is aanmerkelijk gestegen, wanneer wij bij de beoordeling alleen op het gemiddelde van de massa afgaan. Toch moet ik u erop wijzen, dat de grote en werkelijke kennis van het innerlijke en geestelijke bestaan aanmerkelijk minder frequent voorkomt en minder hoge toppen bereikt in deze dagen dan in het verleden het geval was.

Kennis is voor de mens in de eerste plaats een machtsmiddel. Het betekent, dat wij van een voor ons vaststaande basis en een vast standpunt de wereld benaderen. Wij komen er dan snel toe – op grond van deze kennis – een oordeel over anderen uit te spreken. Ik kan heel goed begrijpen dat iedereen een oordeel heeft. Zonder oordelen kan de mens haast niet bestaan. Het is immers steeds weer noodzakelijk voor onszelf uit te maken, wat goed en wat kwaad is. Verder moeten wij uit weten te vinden, wat voor ons en ons leven belangrijk en wat onbelangrijk is. Wij begrijpen heel goed, dat alleen een voortdurend oordelen over het voor ons al dan niet juiste handelen ons verder kan voeren op het pad der bewustwording. Het oordeel als zodanig hangt sterk met de aanwezige kennis of onkunde samen. Naarmate je meer verstand hebt vergaard, zal je ook beter begrip hebben voor en inzicht weten te verwerven in zaken rond jou. In ieder geval zal je dan zuiverder kunnen beoordelen welke mogelijkheden daarin voor jezelf schuilen.

Aan de andere kant – en dat mogen wij nooit vergeten – is een beetje kennis vaak zeer gevaarlijk. Wanneer wij iets weten over een bepaald onderwerp, zijn wij maar al te zeer geneigd te zeggen: Ik weet voldoende, meer is niet noodzakelijk voor mij. Wij menen op grond van de enkele feiten, die ons bekend zijn, in staat te zijn ook over het vele, wat wij niet begrijpen, te oordelen en zelfs anderen te zeggen wat er moet gebeuren. Dat dit zeker niet waar kan zijn, zal voor een ieder duidelijk zijn. Voorbeeld: er is een professor. Hij is een ware geleerde. Alles, wat maar samenhangt met filosofie en wijsbegeerte, weet hij. Wanneer deze goede man moet gaan spreken over een modern tv-toestel, kunt u ervan verzekerd zijn, dat zelfs Tartarin een minder fortuinlijke bokkenschieter zal zijn geweest, dan de hooggeleerde heer. Dit is niet verwonderlijk. De professor weet van tv weinig of niets. Zijn kennis is hoofdzakelijk tot zijn eigen vak beperkt.

Nu menen dergelijke mensen vaak, dat zien wij steeds weer, dat zij – gezien hun kennis op één enkel punt der wetenschap – tevens gerechtigd zijn tot oordelen op alle andere punten. Deze beoordelingen zijn zeker niet zonder gevaren. Wij kunnen dezen dan ook niet zonder meer aanvaarden.

Wanneer iemand zich een oordeel aanmatigt aan de hand van vaststaande regels of wetten, kunnen wij dit als een benadering beschouwen, waarbij wij ons als leken neer moeten leggen.

Wanneer echter iemand een oordeel uit gaat spreken over iets, waarvan hij geen flauw begrip heeft en dit zelfs pleegt te doen, zonder dat er voor hem een werkelijke noodzaak tot oordelen bestaat, wordt het voor ons wel een wat wonderlijke en onbetrouwbare geschiedenis. Toch komt die wonderlijke neiging tot onbevoegd beoordelen in het dagelijkse leven steeds weer voor. U zult begrijpen, dat dit alles alleen maar een inleiding is tot hetgeen voor ons in de geest bovenal belangrijk is. Het oordeel dat voor mens en geest het meest belangrijk is en ook het meest gevaarlijk kan zijn, vinden wij niet in wetenschap, politiek of godsdienst. Het meest belangrijke vanuit ons standpunt is de wijze, waarop eenvoudige mensen menen te mogen oordelen over anderen. Ik zal trachten aan te tonen, dat juist deze beoordelingen in vele gevallen onrechtvaardig, of onjuist zijn.

Wij hebben een zekere kennis. Wij weten enigszins hoe de maatschappij in elkaar zit. Wij weten dus ook wel, welke regels over het algemeen als goed aanvaard worden. Een medemens kan die regels anders interpreteren. Dan begint onmiddellijk de beoordeling en wordt dit tot een veroordeling. “Wat? Geloof je niet dat wij de enige waarheid hebben? Pas op vriend, dan ben je verdoemd. Dan deug je niet.” Op zijn minst ben je volgens dit oordeel dan een arm mens aan wie alle genade onthouden is. “Wat zegt u? Meent u, dat deze regel der beleefdheid geen zin heeft? Meneer, mevrouw, u bent slecht opgevoed, u bent onbeschoft en onbillijk. Hoe komt u ertoe, hoe vindt u de euvele moed in te gaan tegen een regel, die wij allen erkennen?” Hoe vaak hoort u een dergelijk oordeel niet uitspreken in meer gematigde termen. “Wat wilt u? Wilt u mij met mijn academische opleiding vertellen dat dit niet juist is? Ik heb mijn diploma’s. U hebt er geen. Ik zeg alleen nog maar: Foei”.

Hoe vaak komt dit niet voor? Weet u hoe dit komt? Men verwart eenvoudigweg beperkte kennis en weten met waarheid en recht. Kennis is betrekkelijk, zoals binnen de Schepping alle dingen betrekkelijk zijn. U kunt veel weten op onverschillig welk terrein, u kunt veel begrijpen, maar wanneer u eerlijk bent, zult u steeds weer toe moeten geven dat uw begrip en kennis niet meer zijn dan een speldeknop in een zee van feiten. Je hebt mensen die heerlijk gezapig spreken over vierde en vijfde dimensies. Er zijn zelfs mensen die u met een stalen gezicht komen vertellen, dat zij elke nacht rondzwemmen in de vierde dimensie en wanneer zij behoorlijk hoog geestelijk gestemd zijn, vandaar tezamen met een geestelijke leraar even gaan kijken of er in de vijfde dimensie iets bijzonders te doen is. Dit is een absolute misinterpretatie. Maar een zekere kennis en een zeker begrip is zelfs voor een dergelijke onjuiste bewering noodzakelijk. Want je moet toch eerst maar eens weten dat er een vierde, of zelfs een vijfde dimensie kán bestaan en daarvan een voorstelling hebben, voor je zelfs dergelijke bokken kunt schieten. Dergelijke dwaasheden zijn nog wel te tolereren, maar erger wordt het, wanneer men zich zonder andere redenen dan deze vermeende wetenschap een superioriteit ten overstaan van anderen aan gaat meten, die gevaarlijk is voor anderen en schadelijk voor de mens zelf. Laat ons daarom eerst eens de ware inhoud van kennis en weten nog iets nader bezien.

U weet precies hoe in uw dagen een fatsoenlijk mens zich te gedragen heeft. Uw buurman is nu tegen zijn echtgenote niet al te vriendelijk. De buurvrouw aan de andere kant slaat haar kinderen. Dit klopt niet met de regels van gedrag, die wij als juist hebben aanvaard. Nu gaan wij oordelen. Want – zo menen wij – die man heeft met zijn handen van zijn vrouw af te blijven. Die moeder heeft helemaal geen recht die kinderen zo maar te slaan. Zij zou daardoor voorgoed de tere kinderzieltjes kunnen krenken. Maar dat de gewelddadigheid tussen man en vrouw wederkerig was, is u niet bekend. Dat de vrouw mede, of zelfs alleen aansprakelijk moet worden gesteld voor het geschil, weet men niet. Er is geen sprake van een werkelijk kennen van alle feiten en omstandigheden. Maar toch staat u met uw oordeel klaar. Daarbij komt vaak, dat het oordeel boven alle mate hard is. Ook in het andere geval vinden wij dezelfde fouten. Die vrouw mag haar kinderen niet slaan. Dat is onverantwoordelijk. U meent misschien dat een kind alleen tot een gelukkig mens op kan groeien, wanneer het de mogelijkheid krijgt in de jeugd zijn persoonlijkheid zonder remmingen te uiten.

Ik wil gaarne toegeven, dat degene die oordeelt, kan menen voldoende kennis op dit terrein te bezitten. Men heeft misschien tien boeken over kinderpsychologie bestudeerd, misschien wel 100. Wat men bij het oordeel niet weet is bv., dat buurvrouw wat overspannen is, omdat zij te veel moet doen, terwijl de kinderen steeds blijven zeuren. Ofwel, dat de kinderen juist dat ene kostbare stuk in haar huishouden kapot hadden geslagen, door opzet of onevenwichtigheid, dat voor haar een dierbare en onvervangbare herinnering was. Dat weet men niet, maar men oordeelt. Deze neiging om alleen vanuit eigen standpunt en zonder voldoende feitelijke kennis te oordelen, zet zich overal voort. Een automobilist rijdt door de stad. Ik geef u graag toe, dat hij wat haastig rijdt. Aan alle kanten kunnen wij het oordeel horen: Kijk eens wat een wegpiraat! Wat een verkeersmisdadiger! Dat die man misschien op weg is naar een ziekenhuis in de hoop nog de laatste woorden van vrouw of ouder te horen, weet u niet, maar u oordeelt. Zeker, de regels van het verkeer zeggen dat geen snelheid mag worden gebruikt, die gevaarlijk is voor anderen. Indien de wet op grond van de daarin vastgelegde regels wordt gebruikt om deze man te bestraffen, kan men daar geen bezwaar tegen hebben, maar zelf mag men niet oordelen. Men weet hier niet genoeg van de mogelijke aanleiding. Ik wil niet beweren dat u zo bent, maar veel mensen zijn zo.

Er zijn veel mensen die een kennis bezitten die hen heilig is. Iemand heeft vanaf zijn jeugd tot zijn 30ste jaar voortdurend gestudeerd. Hij heeft zich helemaal gewijd aan een bepaalde tak van wetenschap bv. economie, medicijnen, historie, of wat anders. Uiteindelijk heeft hij het recht verworven de belangrijke letters drs. voor zijn naam te zetten, of misschien zelfs dr. De tijd gaat verder. Er vinden steeds nieuwe ontwikkelingen plaats, steeds nieuwe feiten komen op de voorgrond. Er worden nieuwe ontdekkingen gedaan, maar deze komen nu eens van iemand die onze vriend een leek noemt, omdat hij immers niet dezelfde opleiding heeft gehad. Dan is men al snel geneigd nieuwe krachten, feiten en ontdekkingen te verwerpen. De achtergrond is dan maar al te vaak: Met veel moeite en kosten heb ik mijn gezag en kennis verworven. Daar moet iedereen van af blijven. Men noemt dan de andere een sukkel, een oplichter, of bedrieger, een dwaas. Een oordeel dus, dat maar al te vaak wordt gevolgd, zonder de feiten werkelijk onder ogen te zien.

Denk u nu niet dat een dergelijk vooroordeel alleen geldt tegen kleine en onbelangrijke mensen, dat deze wijze van reageren alleen voorkomt wanneer het om minder belangrijke dingen gaat.

Denk eens aan het oordeel, dat jarenlang door vele dokters uitgesproken werd over Pasteur, de man die de noodzaak tot ontsmetten van wonden en instrumenten inzag. Denk aan de moeilijkheden die de “geleerden” Edison in de weg trachtten te leggen, toen hij de eerste bruikbare elektrische lamp vervaardigde. Oordelen en protesten, die op dit: “mijn kennis is heilig” gebaseerd waren, vinden wij ook bij de eerste demonstratie van de zuil van Volta en in de bestrijding van de Hertz-golftheorie. Menige belangrijke ontdekker werd in werk en persoonlijkheid aangevallen, toen hij zijn ontdekkingen en stellingen aan de wereld voorlegde. Dit is men nu vergeten, want de stellingen en feiten behoren tot de hedendaagse wetenschap. Vele van de stellingen die tot verdachtmakingen enz. aanleiding gaven, behoren nu tot de dingen, die u ook kent, zelfs wanneer u geen hogere opleiding gevolgd hebt.

Soms lijkt het of deze methode van veroordelen zonder de beklaagde te horen, of zijn stellingen ook maar te zien, juist in de laatste tijd ontstellend is toegenomen. Toen Archimedes summier bekleed zijn bad verliet om verheugd de wereld mede te delen, dat hij een nieuwe wet had gevonden, werd hij alleen maar uitgelachen. Men lachte om zijn minimaal kostuum en men noemde hem een zonderling. Het is voor hem maar goed geweest, dat dit niet in de moderne tijd is gebeurd. In de moderne tijd heeft men wel meer kennis, maar zeker juist voor werkelijke vernieuwingen heeft men minder begrip. In deze dagen zou Archimedes waarschijnlijk via het politiebureau naar een gekkenhuis zijn overgebracht. Tenzij hij met papieren en diploma’s zou kunnen bewijzen een belangrijk wetenschapsmens te zijn, zou het hem waarschijnlijk zelfs onmogelijk zijn geweest anderen naar zijn stelling te doen luisteren. Misschien lijkt u dit alles wat overdreven. Toch zijn dit de nuchtere feiten van vandaag.

Voor uw medemensen komt, door uw onvolledige kennis en uw niet voldoende gefundeerd oordelen, een nieuw gevaar opzetten. Voorbeeld: Een medicus ontkent elke mogelijkheid tot paranormale genezing. Voor hem zelf is dit zijn goed recht. Voor anderen mag hij alleen oordelen, nadat hij zich werkelijk en feitelijk overtuigd heeft, dat de paranormale genezer inderdaad geen enkele verbetering tot stand kan brengen. A priori zal hij vaak stellen: deze mens heeft geen medische opleiding gehad, dus kan hij ook niet genezen, of tot genezing bijdragen. Hij vergeet daarbij dat nog niet zo lang geleden de geneeskunde hoofdzakelijk door niet-gediplomeerden werd beoefend, terwijl in de oudheid de priesters – wier geneeswijze meestal ten dele, of zelfs geheel op het paranormale was gebaseerd – de grondslag hebben gelegd voor zijn kennis en ook vele mensen het leven wisten te redden. Hij vergeet, dat het hoofdzakelijk de leken en zonderlingen zijn, waaraan hij zijn huidige kennis en de grondslagen van de farmacopee dankt. Dat er buiten de stoffelijke vakopleiding nog andere wegen, of mogelijkheden zouden kunnen bestaan, ziet men over het algemeen over het hoofd. Men begint op grond van deze stellingen dan met een nauwelijks meer gerechtvaardigde campagne tegen kwakzalverij.

De meer gematigde en redelijke mens zal toegeven, dat tussen de vele kwakzalvers er ook nog wel schuilen, die goed doen. Terwijl men de kennis van de medicijnmannen in de oerwouden met veel kosten en moeite tracht te leren kennen, wijst men op eigen terrein zelfs een ernstig onderzoek van andere dan de gangbare geneeswijzen af. De enkeling die dan misschien wel iets kan of bereikt, moet dan maar lijden met de rest. Wat men hierbij vergeet is, dat men door zijn vooroordeel het kind met het badwater weggooit. Vele goede mogelijkheden blijven door een dergelijke instelling ongebruikt en er kunnen zelfs levens teloor gaan, die door de tussenkomst, of hulp van een leek behouden zouden kunnen blijven.

Ook het omgekeerde komt vaak voor: Wat weet een boertje van Biezenkwabbelbuiten, dat geneest met kruiden en handoplegging, van de kennis die een dokter moet bezitten? Voor zich zal het ventje misschien weten, dat het vaak – al dan niet met redelijk geldelijk gewin – mensen kan helpen en genezen. Wat wordt er nu gezegd? Denk er om: Dokters zijn alleen maar de leveranciers van de doodgravers, ga daar vooral niet heen. Heel gevaarlijk, want daardoor zullen mensen sterven, of blijvend ziek worden, die door een arts nog te redden waren geweest.

Een heel grote fout, want een dergelijke fout maakt ook de arts die het werk van een paranormale genezer – die zijn patiënt misschien had kunnen redden – verwerpt, alleen ter wille van zijn prestige. In zijn verwerpen van geestelijke gaven en volkskennis maakt hij een even grote fout als het boertje, dat meent alle bereikingen van eeuwen wetenschappelijk werk opzij te kunnen zetten en alleen te mogen vertrouwen op een eigen aanvoelen. Geen van beiden zijn feilloos.

Ziet u hoe gevaarlijk een oordeel kan zijn, vooral voor anderen? Men gaat altijd maar alleen uit van hetgeen men zelf weet, of meent te weten. Alleen, wat men zelf denkt en wat men zelf verworven heeft, telt. Het standpunt van anderen acht men niet. Dit is geen uitzondering, doch een regel. Wanneer mensen, of geesten, oordelen, zullen zij dit ongetwijfeld doen vanuit hun standpunt. Daarin ligt de kern van mijn betoog voor deze avond. U meent misschien dat het betrekkelijk eenvoudig is een oordeel te geven, en haast niemand in staat is een oordeel uit te spreken, dat geheel juist is. Ook wij niet, want niemand onder ons is in staat alle feiten te kennen. Niemand onder ons – stof of geest – heeft een weten dat hem in staat stelt werkelijk bewust en met zekerheid vanuit eigen standpunt juist in te grijpen in het leven van anderen en dezen op voor hen juiste wijze te veranderen. Men kan zich slechts houden aan hetgeen men voor zichzelf heeft geleerd en dit op zichzelf toepassen.

Buitengewoon jammer is het ook, dat kennis bij de mens steeds weer de neiging vertoont om tot dogma te worden. Onvolledige kennis vooral. Wanneer wij hier komen en naar een wand kijken, kunnen wij stellen, dat deze grijs is. Een ander kan stellen, dat deze wand niet grijs is. Uw eerste reactie zal zijn, dat de ander zich vergist, of zelfs kleurenblind is. Maar weet u op welke wijze deze mens de kleuren waarneemt? Wanneer u met meerderen dezelfde mening huldigt, kunt u ten hoogste stellen: Het kan in jouw ogen nu wel groen zijn, maar wij menen dat dit grijs is… . Zou men zeker en juist willen reageren, dan zou eerst door een reeks van tests moeten worden uitgemaakt, waarin het verschil tussen u en die anderen op het gebied van kleurwaardering is gelegen. Eerst daarna zult u met zekerheid kunnen zeggen: “Ik heb dus mijn mening terecht, of ten onrechte – bv. als de andere gevoeliger is voor nuances – als juist genoemd”. Deze moeite getroost men zich veelal niet. Terecht misschien. Maar dan kan ook niet worden gesteld dat uw oordeel in een dergelijke zaak boven verdenkingen absoluut juist is. De gevaren en bezwaren die uit kennis en oordeel voortkomen, zijn dus wel vele.

Eén ding meen ik te mogen stellen: Alle kennis moet uiteindelijk praktisch zijn. Het heeft geen zin er over te debatteren, of de slag bij Nieuwpoort nu werkelijk in 1600, of eerst in 1601 werd uitgevochten, tenzij u uw leven geheel daaraan wijdt. Wilt u dergelijke dingen nagaan, dan is dit misschien voor u zeker heel interessant. Belangrijker is een begrip van hetgeen de slag bij Nieuwpoort voor Nederland en dus uiteindelijk ook voor de huidige ontwikkelingen betekend heeft. Hieruit kunt u zekere kennis omtrent de mens en het menselijk gedrag winnen, die ook in het heden nog van toepassing kan zijn. De toepassingen zullen steeds in betrekking tot uzelf staan. Weten, hoe het nu precies in het verleden was, is haast niet mogelijk. Zelfs wanneer men zich op een grote kennis van het verleden kan beroepen, is dit alleen maar een kennen van feiten zonder meer.

Het standpunt van benadering is bij het verwerven van kennis voor de doorsnee mens het belangrijkste geworden. De praktische toepassing daarvan komt voor de meeste mensen pas in de tweede plaats.

Verder zou ik er op willen wijzen dat kennis alleen dan waardevol kan zijn, wanneer zij in het heden voor ons een werkelijke betekenis heeft. Men kan alleen oordelen aan de hand van toestanden in het heden en de toepassingen van wat in het heden bekend is en praktisch bruikbaar is. Zelfs dan behelst het oordeel nog slechts eigen belevingen en standpunt, met een bijna geheel verwaarlozen van de standpunten en belevingen van anderen. Elk oordeel is dus een persoonlijk oordeel. Een dictatuur is een instelling, waarbij men deze mogelijkheid tot persoonlijk oordelen zover mogelijk onderdrukt, onverschillig of het gaat over werkelijke feiten, dan wel over onware stellingen, of het kennis betreft of schijnbare kennis. Alles, wat dan binnen die dictatuur gezegd wordt, is waar. Wanneer de dictator decreteert, dat rood zwart is en zwart alleen vuilwit mag worden genoemd, dan is dit – althans uiterlijk – zo. Niemand zal de moed hebben om iets anders te beweren.

Het vreemde is dat, ongeacht de verschuivingen van terminologie, de oorspronkelijke en praktische erkenningen gelijk zullen blijven. Het is niet mogelijk kennis en weten zonder meer te vervangen door andere waarden. Wel is het mogelijk de terminologie te wijzigen, waarbij hetzelfde onderscheid tussen praktische waarden en dezelfde mogelijkheid tot hantering van de omschreven waarden blijft bestaan. De termen die men in het leven gebruikt om bepaalde mogelijkheden, of omstandigheden, te omschrijven, zijn vaak verschillend. Hierbij spelen niet alleen weten, maar ook vermeend weten mede een rol. Zelfs wanneer dezelfde termen worden gebruikt, kunnen deze een geheel verschillende inhoud hebben.

Er is een groot verschil tussen de intentie van de gelovige die over God spreekt en de animist die hetzelfde doet. Wanneer het verschil van waarde in de uiterlijk gelijke termen wordt beseft, ontstaan er onaangename en vreemde geschillen. Men kan dit misschien nog het best zien wanneer men nagaat, hoe katholiek, protestant, mohammedaan en boeddhist elkaar vaak met woorden te lijf gaan, maar niet in staat blijken elkanders bedoelingen geheel te begrijpen. Zij vergeten maar al te vaak dat dezelfde woorden voor elk van hen een geheel andere inhoud en betekenis kunnen hebben. Hun weten en geloof wordt binnen die termen door allen gelijkelijk uitgedrukt,

maar de in het Ik levende opvattingen zijn te zeer verschillend om een begrip ook maar toe te laten, voor men zich het standpunt van de ander ook helemaal eigen heeft gemaakt. Elk oordeel dat op grond van eigen weten, geloof en kennis wordt uitgesproken over anderen, terwijl bij interpretatie alleen wordt uitgegaan van eigen woordinhouden, zal een onjuist oordeel zijn.

De oordelen en de maatregelen die op grond van het dusdanig ervaren zullen worden genomen, zijn dus misleidend en verwarrend. In de plaats van het oordeel zou ik dan ook over heel de wereld graag het begrip gesteld zien. Oordelen brengt ons nooit verder, tenzij wij over onszelf oordelen. Elk oordeel, ten goede of ten kwade, kan de mens – of geest – leiden tot een verdere verwijdering van het einddoel. Alleen het vergaren van begrip over anderen, aan de hand van de in ons bestaande mogelijkheden en kennis, zal ons brengen tot een steeds verdere uitbreiding van zowel kennis als begrijpen. Dit kan ons een groter begrip van de werkelijke eenheid der wereld geven.

Het is niet voor niets, dat in praktisch elke inwijdingsleer een ogenblik komt dat de mens die naar inwijding zoekt, moet sterven, ook al is die dood alleen symbolisch. De mens moet leren afstand doen van alles; van zijn kennis, zijn weten, zijn oordeel en zijn meningen; hij moet al datgene weten te verliezen, wat hij was en worden tot een nieuwe mens, voor hij verder kan gaan. Het oordelen wordt met deze hergeboorte voor hem onmogelijk. Wel heeft hij in zichzelf de noodzaak tot het verwerven van verdere kennis en begrip geschapen. Vergeleken bij het verleden zijn zelfs de esoterische scholen en geheimscholen van deze tijd tam en materialistisch.

Wat vroeger gold, geldt nu nog: Om werkelijk geestelijk verder te komen, moet je je in de eerste plaats het oordeel over anderen ontzeggen. Je mag niet meer oordelen, maar moet steeds weer trachten te begrijpen. Ik meen, dat in elk geloof een weerspiegeling van deze les te vinden is.

“Mij is de wrake”, zegt de Heer.

“Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld worde”.

“De kracht, het oordeel en de kennis zijn van Allah. Alleen Zijn wil is waarheid”.

“Slechts hij, die ingaat in het grote Niet, weet, wat werkelijkheid is”.

“Wie bevrijd is van het Rad en treedt in de wereld der Goden, beseft de waarheid.

Daarom zult gij niet oordelen, doch de wet vervullen, tot gij zijt doorgedrongen tot het Rijk der Goden”.

Dit zijn maar een paar citaten. Het is niet belangrijk dat ook u deze alle kent. Dat zou alleen kennis zijn die op zich nutteloos blijft, tot men voor zich er naar leeft en zich aan de consequenties van deze kennis geheel bindt. In voornoemd geval is dit voor vele en in aard geheel verschillende vormen van geloof steeds weer: niet te oordelen. Op het ogenblik dat u – ongeacht om welke reden – één oordeel uitspreekt over een andere mens, instelling, of toestand, en dit oordeel niet meer kunt zien als alleen-bepalend voor uw eigen houding, doch het beschouwt als een bepaling in waarheid over de ander, dan maakt u een fout.

De eenzijdige benadering die voor de enkeling mogelijk is tot de kosmos, maakt het hem onmogelijk die kosmos en haar wetten helemaal te begrijpen. Alle kennis van mensen, alle woorden buiten het Ene Woord, zijn niets anders dan trage en vaak lakse pogingen om ergens een band tot stand te brengen. Maar wanneer twee mensen dezelfde beleving – of gedachte – uit moeten drukken, kiezen zij daarvoor al andere woorden. Wanneer twee mensen over hetzelfde spreken, kunnen zij nog elkaar misverstaan. Wanneer twee mensen voor zich dezelfde consequentie trekken uit een feit, kunnen zij als gevolg hiervan nog tot totaal andere handelingen komen. Wanneer men dit begrijpt, zal men het oordeel verwerpen. Dan beseft men, dat het juist is te zeggen: Ik mag geen oordeel vellen, indien ik wil vermijden dat door de fouten die in dit oordeel schuilen, ook over mij een oordeel geveld zal worden, echter door grotere krachten en aan de hand van ware en onveranderlijke wetten.

Evenzeer zal dan duidelijk zijn, dat begrip voor de mens een noodzaak is. En begrip kan alleen gebaseerd worden op kennis en feiten. Pas wanneer je werkelijk alle achtergronden van de dingen kent en je persoonlijkheid kunt uitschakelen, is het mogelijk hun betekenis voor jezelf en mogelijk zelfs voor anderen geheel te definiëren. Dan eerst kunt u weten wat die dingen voor u betekenen en aan de hand daarvan volgens de wetten en mogelijkheden van de kosmos ook bewust stellen, welke wegen u verder wilt gaan. Bovendien kan men door een verkeerd oordeel voor anderen, maar ook voor zichzelf, een reeks van onaangename ervaringen oproepen.

“Die jongen van mij werkt niet hard genoeg. Hij heeft alweer een slecht rapport gehaald.” Dat is een oordeel, maar het heeft alleen betekenis, wanneer het berust op feitelijke kennis en dus reeds is vastgesteld, dat (a) het kind – zonder een aanvaardbare reden – niet wil werken, (b) niet werkt, en (c) bij het werken ook niet door innerlijke, of lichamelijk onbekwaamheid gehinderd wordt. Eerst wanneer dit alles onderzocht is, is een redelijk oordeel enigszins mogelijk. Toch zal men zeggen: Wanneer een kind in het leven iets wil worden, moet het leren en moet het cijfers halen, die redelijk zijn. Dit heeft het in de wereld van vandaag nu eenmaal nodig.

Vanuit dit standpunt zal de bezorgdheid geen oordeel inhouden, maar is zij slechts een uiting van de bezorgdheid, die u koestert voor het welzijn van het kind. U mag het kind zelf niet beter – of slechter – achten aan de hand van zijn bereikingen.

Dit laatste gebeurt helaas nogal eens. In de capaciteiten kan men zich overigens ook wel eens vergissen… . Hoe vaak heb ik het oordeel niet gehoord: Daar deugt niets van. Van de ene school afgetrapt, op de andere met moeite aangenomen, maar nooit iets geleerd. Daar komt nooit iets van terecht. Men handelt dan vaak volgens dit oordeel. Betrekkelijk zinloos overigens, want wanneer wij de praktijk nagaan, blijkt, dat velen die het in het leven ver brengen, nooit hebben gestudeerd, dan wel eerst op latere leeftijd hun studies zijn begonnen. Het zijn meestal niet de knappe koppen uit de schooljaren die later de beste resultaten boeken. Dezen zijn immers niet zozeer afhankelijk van schoolkennis, dan wel van de innerlijke wil tot bereiken en daarover kun je moeilijk oordelen, voor de mens volwassen geworden is.

Ook het beoordelen van medemensen brengt moeilijkheden met zich. Wanneer u hier zo samen zit, kan ik mij voorstellen dat u zegt: Wat een zemelaar zit daar. Of die? Nu ja, die zweeft… .

Omgekeerd: Die is zo laag bij de grond, daar kun je geestelijk toch niets van verwachten. Wat doet die eigenlijk hier? In al deze gevallen maakt men een fout. Men stelt eigen standpunt en benadering als bepalend voor de vruchten die een avond als deze voor anderen kan dragen. Dat men het gedrag van de ander volgens eigen maatstaven nagaat om zo de waarde van die ander te bepalen, is niet redelijk. Natuurlijk kun je zeggen: Wat mij betreft is het gepraat van deze mens zo zeer gezemel, dat ik er liever niet naar luister… Het is begrijpelijk, dat u zich bekenden en vrienden zult zoeken onder degenen die u beter liggen. Daarmee ben ik het ook geheel eens.

Maar dat geeft u niet het recht te stellen dat een ander niet deugt, of dat er toch geen verstand bij zit. Dat weet u niet. U mag voor uzelf altijd de consequenties trekken uit uw eigen ervaringen, de kennis die u op kunt doen en alles wat u weet. Zolang die consequenties alleen uzelf en uw eigen leven betreffen. Maar het is absoluut verboden volgens kosmische wetten anderen aan de hand van deze waarden te beoordelen.

Wanneer een misdadiger veroordeeld wordt aan de hand van de kennis die u draagt over door hem gepleegde strafbare feiten, mag u rustig zeggen: “Wij kunnen en mogen die daad niet tolereren, volgens ons beste weten is dit niet toelaatbaar. Daarom moet die mens bestraft worden.” Wat u nooit mag zeggen: deze mens is geheel slecht…, dat kan je nooit weten. Mijn gehele betoog van vandaag komt steeds weer op hetzelfde punt terug: Hoe meer kennis u opdoet en hoe meer u die kennis in de praktijk weet om te zetten, hoe beter. Oordelen mag u alleen wanneer het uzelf betreft. De dingen die in u leven, de bekwaamheden die u bezit, zullen u vaak tot een oordeel dwingen. Dit oordeel betekent nog niet, dat een andere benaderingswijze van hetzelfde probleem niet even goed, of beter kan zijn. Het houdt slechts in, dat u op het ogenblik tot geen andere benadering geneigd, of in staat bent. Indien u hieraan voortdurend aandacht blijft schenken en zo uzelf er voor behoedt teveel over anderen te oordelen, of zelfs hen te veroordelen, ja – zelfs uzelf ervan weet te weerhouden om uw oordeel over de waarden van uw wereld en leven te zien als onveranderlijk – dan zult u hierdoor in de eerste plaats uw kennis aanmerkelijk vergroten. Zo zult u immers steeds een open oog kunnen behouden voor alles wat afwijkt van uw eigen ervaringen, stellingen en meningen.

In de tweede plaats zult u hierdoor zelf een werkelijk en steeds meer bewust levend deel van de levende kosmos zijn en niet alleen maar een stagnerend bewustzijn in menselijke vorm, dat gestrand is in een wereld die verder gaat en daardoor deze menselijke vorm en inhoud steeds meer achter laat. Ieder heeft recht op zijn eigen voorkeur, zijn eigen inzichten, en iedere mens is verantwoordelijk voor zijn eigen handelingen en daden. Maar niemand heeft het recht een ander te beoordelen en te veroordelen, tenzij in directe betrekking tot eigen leven en wezen en zelfs dan alleen nog maar, in zoverre dit de eventuele gevolgen voor het ik, eigen handelingen, enz. betreft.

  • Gaarne in verband met het voorgaande uw mening over de veroordeling van Socrates, die beschuldigd werd dat hij de jeugd bedierf.

Wij mogen niet vergeten, dat de aanklacht, zowel als het oordeel, aanmerkelijk verdergaande achtergronden had. Zonder zelf te oordelen over hetgeen er indertijd is gebeurd, wil ik u erop wijzen dat de stellingen van Socrates niet in overeenstemming waren met de regering van de staat en de ideeën omtrent de staat, zoals die toen bestonden. Hij was als revolutionair een gevaar voor de staat. Wij mogen zijn zaak dus vergelijken met de processen, die in Rusland tegen vrienden van Amerika en in Amerika tegen communisten worden gehouden. Deze zaken zijn nooit rechtvaardig, wanneer zij worden gezien als een veroordelen van de mens. Zij kunnen alleen enigszins gerechtvaardigd worden geacht vanuit het standpunt der rechters, wanneer wij ons realiseren dat zij in feite een poging zijn het eigen systeem in stand te houden.

Ik meen dan ook, dat Socrates dit heel goed heeft begrepen en juist daardoor rustiger de beker met scheerlingsap kon drinken. Hij wist immers dat dit de enige weg was, waarop hij als een rechtvaardig mens – volgens eigen inzicht en geweten – verder kon gaan zonder een strijd te ontketenen die hem tot een reeks van onverantwoorde handelingen en beoordelingen zou nopen, die geheel met zijn wezen en denken in strijd waren.

Levensblijheid

Levensblijheid zou men eerst moeten formuleren. In feite is het volgens mij een zo juist besef ook van de betekenis van je eigen bestaan voor jezelf, dat je blij bent te leven, ongeacht wat het leven dan verder aan beleven met zich meebrengt. Dat klinkt u misschien vreemd in de oren.

Het betekent dan ook, dat je zelfs blij met je leven moet en kunt zijn, wanneer je een hele hoop ellende hebt door te maken, omdat je immers zonder dit leven helemaal niets zou kunnen ervaren. De ware levensvreugde betekent verder ook, dat je alle vreugden die je bij anderen ziet, ook beschouwt als een vreugde, een punt ten gunste van het bestaan. Het wil verder zeggen dat je al het goede, wat je in je leven ervaart en alle mogelijkheden van het leven optelt en optelt, voortdurend weer, nooit zeggende: zoveel moet ik in dit leven missen, maar: zoveel is mij in dit leven toch nog gegeven… .

Levensblijheid is de positieve, maar feitelijke benadering van het leven zelf. Het feit alleen dat je bestaat, dient je een voortdurende bron van vreugde te zijn. Het feit dat je adem kunt halen, dat rond je de lucht is, het feit dat je als geest waar kunt nemen in eigen en misschien in andere wereld, al die dingen zijn aanleiding tot het ervaren van steeds meer vreugde. Er is een wijsgeer die opmerkte: Liever zou ik eeuwig branden in het diepste van de hel, dan niet te leven. Want in mijn lijden in dit leven zou ik toch nog weten omtrent het bestaan. Doch zonder bestaan zouden God en de wereld voor mij niet bestaan en zou dus niets van het geopenbaarde en geschapene voor mij zin kunnen hebben. Ik zou dan immers niet denken, niet weten, niet zijn… . Ik meen dat deze mens wel ver gaat, maar toch een gedachte naar voren brengt die wij niet te snel mogen vergeten. Want het feit dat hij lijden kan, is dus voor hem nog een bron van vreugde, daar hem hierdoor tenminste nog wordt bevestigd, dat hij leeft, dat hij is, dat hij betekenis heeft.

Wanneer de mens in zijn eigen wereld rondziet, wordt hij maar al te vaak mismoedig. Hij ziet atoombommen, hongersnood, vliegtuigongelukken, rampen, belastingaanslagen, rechtszaken en wat dies meer zij. Dan zegt hij: wat gaat het mij toch slecht. Nu komt er weer huurverhoging.

Waar moet ik dit nu weer van betalen? Er is nu dit dan weer dat…. Steeds denkt hij aan problemen die niet de zijne zijn, of het gevolg zijn van zijn wijze van leven en hij is ontevreden.

Hij heeft vele zorgen en realiseert zich niet dat nog steeds de zon opgaat en zelfs nog niemand een belasting op het zonlicht heeft uitgevonden. Iets, wat toch zeker een vreugde, een reden tot blijheid en beleven zou moeten zijn.

De mens realiseert zich vaak niet, dat hij zo nu en dan een ogenblik zou kunnen zeggen, dat hij voor het goede, dat in zijn leven is, een ogenblik dankbaar zou moeten zijn. Er zijn zoveel goede dingen in het leven. Een snee brood, wanneer je honger hebt. Dat hoeft heus geen kostbaar gerecht te zijn. Reden tot blijheid. Het regent, de straten spiegelen en lichten op. Er is opeens een nieuwe soort schoonheid. Wanneer je die in je op kunt nemen, is dit een reden tot blijheid.

Het leven is vol met blije dingen. Het is gevuld met voortdurende verwondering en verrassingen voor degenen die daarvoor open staan. Het leven is een zee van nieuwe belevingen, nieuwe bewustwording, nieuwe innerlijke rijkdommen. Een mens, een geest, die leeft, is rijk. Moment na moment stapelen zich de schatten van begrip, weten en overtuiging op. Moment na moment is er de mogelijkheid tot contact met anderen, het groeiende begrip voor anderen, en is er ook de Goddelijke liefde, die je benadert. Ook is er de vriendschap die je vindt in de wereld, het contact met anderen, het begrip voor anderen. Er is altijd weer de liefde die je benadert, de vriendschap die je vindt in wereld en sfeer. Als je dan je fouten en nadelen niet met uitsluiting van al dit goede blijft bezien, zal je blij zijn dat je leeft.

Er is een dichter geweest, die daarover een vreemde mening had. Hij stelde: Het lijden is de tol die ik het leven moet betalen, maar elke dag is mijn weg vol vreugden. Dezen zijn meer dan lonend voor alles wat ik moest ondergaan. Deze Chinese dichter – Li Pong Ho uit de familie Li – had naar mijn inzien hier de juiste instelling gevonden. Het feit dat je leeft, dat er vooruitgang moet zijn en bewustwording, brengt met zich dat je problemen en zorgen zult hebben en is er de oorzaak van dat niet alles zo gaat, als je wilt.

Wanneer je als mens leeft, brengt de aard van het lichaam met zich, dat er op bepaalde ogenblikken van ziekte sprake zal zijn en zelfs uiteindelijk van de dood. Maar dat is nog geen reden heel het leven te zien als een sombere gang naar het graf.

Het is heus niet voldoende om aan te nemen dat de mens niets anders te doen staat dan in een zo groot mogelijke gezapigheid en zekerheid voort te sukkelen, tot hij van staatswege wordt begraven – of gecremeerd – waarna alles ten einde moet zijn. Er zijn veel mensen die leven alsof dit laatste beeld de waarheid is. Mensen die zich alleen nog geboeid kunnen voelen door het flimmerend beeld van de tv, waarvoor zij gapende zitten te luisteren naar redevoeringen, waarvan zij niets begrijpen en suf stomp lachen om moppen die – wat de baard betreft – reeds met St. Nicolaas konden concurreren, voor de toeschouwers geboren werden. Er zijn mensen die menen alleen met wat van “je hela-hola-lol” en een kunstmatige roos enige vreugde in het leven te kunnen vinden. Mensen die niet begrijpen kunnen dat het juist de kleine en eenvoudige dingen in het leven zijn die de vreugde kunnen geven, die je blij kunnen maken.

Hoeveel mensen zijn er die eenvoudigweg thuis kunnen gaan zitten, eens rond zich kijken en bewust durven zeggen: hier ben ik gelukkig mee. Hoevelen die dit zouden kunnen doen, hebben de moed dit ook inderdaad te doen? Hoeveel mensen zullen er zijn onder u, die, wanneer zij zo dadelijk naar buiten gaan, even omhoog zullen kijken naar de nachtlucht en ziende zeggen: Wat ben ik blij dat ik dit kan zien; wat ben ik blij dat ik daartoe nog in staat ben… . Hoevelen zullen er zijn, die zelfs wanneer het hen niet zo heel goed gaat, wanneer zij een bedelaar iets geven, of iets in een collectebusje kunnen doen, zeggen: “Goddank, dat ik dit nog kan doen. Wat ben ik toch rijk.” Toch is dat dan waar. De hele dag is gevuld met de normale zorgen van het leven en de kleine ergernissen. Daaraan ontkom je nu eenmaal niet. Maar in dit alles ligt toch ook steeds weer de vreugde iets te kunnen doen, iets waar te kunnen nemen, te mogen beleven.

Levensvreugde is niets anders dan een juist besef van het bestaan. Een werkelijk besef van werkelijke dingen. Geen sombere zwartgalligheid kan daaraan iets veranderen. Waarom moeten er zoveel sombere gezichten zijn tegenwoordig? De romans wemelen van prostituees, driehoeksverhoudingen, ondergang en zelfmoord. Biedt men de mens dit niet als ontspanning aan, dan is er toch tenminste sprake van rokende revolvers, blitsende dolken en pistolen, van een wereld vol moord, intrige en spionage. Is er in het leven dan niets gelukkiger om over te schrijven? Waarom wel een epos wijden aan de decadenties van de mens en waarom niet een ogenblik van dichterlijk besef in de zin van een Kleine Johannes, zoals Frederik van Eeden dit bracht? Waarom Chansons Tristes, vol van Vallende Bladeren en de weemoed van de herfst, die je hart toenijpt, tot je van zuiver medeleven wel van de Eiffeltoren zou willen springen? Waarom niet de verzuchtingen als: “Herfst, levensgoud tegen grauwe luchten, contrast vol schoonheid?”

Waarom altijd en altijd weer die eeuwige liedjes van mensen, die beetjes van elkaar houden, maar elkaar niet vertrouwen, of iets dergelijks? Waarom niet een lied over de vrije aanvaarding van het leven? Waarom de zinloze somberheid van droomlandschappen, neergegooid in perfect abstracte stijl, vol van werkzame kleurcontrasten in vakjes en lijntjes, die de mens uiteindelijk steeds weer suggereren dat hij in een gekkenhuis, of een gevangenis leeft? Waarom niet de vrolijkheid van het leven en de blijheid, die toch ook heus bestaat, eens uitgebeeld?

Het leven van vele mensen – ik denk hierbij aan van Gogh – was niet gemakkelijk, maar zij wisten schoonheid te vinden en vreugde. Kijkt u maar eens naar zijn werken, naar zijn “Zicht op Arles”, of zijn visie van de wijnbergen. Kijk goed en zie, hoe daarin een vreugde van beleving is uitgedrukt in de doorzichtige felheid van kleuren. Schoonheid heeft hij geschilderd en beleefd.

Schoonheid, waarvoor men in de musea vol bewondering stil blijft staan, maar die de mensen klaarblijkelijk zelf vroeger nooit hebben gezien en zelfs nu – met het geschilderde beeld voor zich – nog niet in werkelijkheid kunnen zien. Niet zien, ofschoon zij voortdurend te midden van dergelijke schoonheid van licht, kleur en vormen leven.

Waarom altijd de nuchtere somberheid als van een weerbericht? Verwacht: harde wind, windsterkte 7 vanuit noordoosten. Verwacht ellende van dit of dat? Leer de mensen eerder met regenjas en al naar boven te kijken in de parelgrijze luchten en zich te verwonderen over de vormen in de jagende flarden wolken, die over hen stormen. De meeste mensen zien dit wonderlijke spel haast niet. Zij kijken niet naar boven en zien niet, hoe wonderlijke vormen als een heir van geesten rond de wereld stormen. De mensen zien niet, hoe door de wind de toppen van het woud fel golven, tot het woud zelf haast een wild schuimende zee van groen schijnt te zijn geworden. Zij zien de zee zelfs niet, wanneer het water in oproer komt en de witte koppen boven het water door de lucht schijnen te vliegen in loodsombere en toch nog lichtende luchten.

Hoe weinig mensen weten ook te midden van alledag, zonder een afzonderlijke zoeken naar het schouwspel, deze schoonheid als een vreugde te genieten? Men leeft verkeerd, men ziet verkeerd. Wanneer de mensen door de straten gaan, is de kans groter dat zij zich ergeren aan de weggeworpen stukken papier en de deposito’s van de herenhonden, dan dat zij zich verheugen over de steeds veranderende weerkaatsing van licht en lucht in de ruiten. De meesten vinden in hun somberheid de tijd haast niet even te lachen om de begerigheid van drukdoende mensen voor de ruiten, of de onbeholpenheid waarmee een klein kind opeens zijn moeder achterna loopt. Waarom niet?

Ik meen, dat er in een mensenleven onnoemelijk veel vreugde kan zijn; werkelijke levensvreugde. Niet, omdat alle dingen meelopen, omdat men zoveel rijker of beter is dan een ander, maar alleen al, omdat men in staat is steeds weer die kleine momenten van geluk te grijpen die elke dag weer aan alle mensen worden geboden. Het leven is een tuin met een pad van kleine bloemen, waarlangs je je weg kunt gaan, indien je maar wilt. In de kleine bloemen van het leven ligt de zin van het leven zelf, datgene, wat voor u steeds weer een aanleiding tot aanvaarding moet zijn en een antwoord op de vele vragen over de zin van het leven.

Misschien klinkt het voor anderen overdreven, wanneer je zegt: Mijn God, ik dank U, dat ik besta. Of: Mijn God, wat is Uw Schepping mooi! Wat heeft de schoonheid ervan mij getroffen… .

Het kan overdreven lijken en het is niet noodzakelijk. Wanneer je maar blij weet te zijn met het leven en de schoonheid ervan in jezelf. Wanneer je maar durft te leven in een eerlijke vreugde, die zijn aanleiding niet hoeft te zoeken in een roes, een zichzelf ontlopen, of een wegdringen van alle verantwoordelijkheid en schuldgevoelens achter een oppervlakkigheid, die niet echt is. Leer het gewone leven te aanvaarden en te leven in vreugde. Dan lijkt mij, dat er niets meer is waar je boven alles naar zult verlangen; dan ben je vrij van begeren en ken je je God.

In de boeken staat geschreven, dat het paradijs op aarde is geweest, een tuin waarin de mens wandelde met God. Ook staat daarin geschreven, dat het paradijs voor de mensen voorgoed gesloten werd door een engel met een vlammend zwaard. Ik voor mij geloof dat het paradijs nog op de wereld ligt, juist als toen. Dat het hier en overal is voor de mens die zijn God durft ontdekken en leren kennen in de kleine vreugden van het bestaan. De mens die God dankbaar durft te zijn voor zijn leven, zonder eisen te stellen en God te verwijten dat Hij de wereld en de mensen niet precies heeft geschapen zoals de mens dit zou verlangen, staat dicht bij God. Het bewustzijn van Gods werken in alle dingen rond u en het aanvaarden van de schoonheid die God in alle dingen heeft gelegd, zelfs in die dingen die u op het ogenblik lelijk vindt, doet de mens het paradijs herwinnen en maakt het hem mogelijk ook in de wereld van heden te wandelen met God.

Het zou mij helemaal niet verbazen, dat de mens die dit weet te vinden in zichzelf, zonder zelfs maar aan de dood te denken, met heel zijn wezen in de eeuwigheid binnen zou kunnen schrijden om dichter nog tot zijn Schepper te gaan en dan te ervaren, hoe de samengevoegde schoonheid en juistheid van alle leven en tijd is geworden tot iets, wat in jou een gevoel wekt, dat zelfs geen levensblijheid meer is, maar een alomvattende vreugde, waarin je haast dreigt te verdrinken, terwijl je in die vreugde altijd voort kunt leven.

Zo, dit is dan mijn mening over het door u opgegeven onderwerp. Ik hoop dat u zelf in staat zult blijken deze dingen in de praktijk te beleven, want geestelijke en stoffelijke waarden krijgen pas betekenis, wanneer je er niet alleen over spreekt, over denkt, maar er ook iets aan doet.

Ruimte en tijd

Ik zou u – in meer esoterische zin – dan willen spreken over: “ruimte en tijd”.

Wanneer ik de mens bezie, kom ik tot de conclusie, dat voor hem in het leven de tijd over het algemeen de belangrijkste factor is. Zij schijnt hem een verschijnsel, waaraan hij te allen tijde onderworpen zal zijn, terwijl het tevens onafhankelijk is van de ruimte, daar de tijd hem toeschijnt steeds een constante waarde te blijven. In esoterische zin is dit laatste niet helemaal waar. Het blijkt ons, dat de tijdszin van de mens afhankelijk is van de reeksen indrukken die hij achtereenvolgens in zich op kan nemen. Dit houdt in, dat mensen die in één enkele indruk verzonken zijn, geen besef meer hebben van de normaal geldende tijdswaardering. Gezien t.o.v. de norm gaat de tijd hen veel te snel. Omgekeerd weten wij ook, dat bij een gebrek aan impulsen over verlangde indrukken de tijd onnoemelijk traag kan schijnen. Er is dus sprake van een zuiver persoonlijke, subjectieve waardering voor een beleving van de tijd.

Wat de ruimte betreft, schijnt het op het eerste ogenblik, of wij nooit tot een meer persoonlijke interpretatie zullen kunnen komen. De ruimte, waarin je je beweegt, zo zegt de mens, is een vaste waarde. Aan de consequenties van afmetingen en afstanden kun je nu eenmaal niet ontkomen. Toch kan de mens lichamelijk op de ene plaats en gelijktijdig met zijn gedachten op een heel andere plaats aanwezig zijn. Men meen dat dit fantasie is. Maar het komt voor dat iemand die lichamelijk op deze plaats is, geestelijk zozeer op gene plaats is geconcentreerd, dat hij zich van deze eerste plaats helemaal niet meer bewust is. Het komt zelfs voor dat hij het gebeuren van een plaats, waarop hij niet lichamelijk aanwezig is, geheel kan kennen en meemaken, alsof hij persoonlijk daar wel aanwezig was. Voor het bewustzijn kan dus ruimte en ook het begrip plaats klaarblijkelijk toch niet geheel als een vaste waarde worden gezien.

Een ruimte, waarin de mens gelijktijdig op twee verschillende plaatsen aanwezig kan zijn, zij het misschien ten dele, is niet meer een ruimte die gans aan de waarden der euclidische meetkunde beantwoordt. Uit deze stellingen rijzen natuurlijk vragen. In de eerste plaats hebben wij al de stellingen van Einstein die de mensen trachtte duidelijk te maken, dat tijd-ruimtelijk de waarden van plaats A op tijd A geheel identiek kan zijn met plaats B op tijd B, zodat deze waarden A en B in het tijd-ruimtelijke vlak parallel schijnen te zijn, of zelfs gelijk en in ieder geval vlak bij elkaar moeten liggen. Praktische waarde heeft deze vaststelling voor de mens nog niet.

Eigenaardig genoeg bezit zij deze waarde wel voor de geest. Aangezien wij over de esoterische zijde van het probleem spreken en ook over de innerlijke waarden van de mens, is dit punt erg belangrijk, wanneer je erover nadenkt hoe je ook als mens geestelijk van de eigenschappen van tijd en ruimte profijten kunt trekken. Dan komen wij tot de volgende stelling: Wanneer mijn verblijf hier op dit ogenblik gans identiek is met een andere tijd op een andere plaats – desnoods op een andere planeet, of in een andere gelijkwaardige wereld – zal voor mij een richten van de gedachten voldoende zijn, om in de geest de werkelijke ontwikkelingen op die andere plaats en tijd als geheel reëel te ervaren. Ik kan dan met dezelfde moeite – alleen door mijn gedachten anders te richten – mij weer dan deze plaats en ruimte – eventueel ook de ruimte en tijd, die voor mij lichamelijk gelden – bewust worden.

Dit vormt voor de mensheid op het ogenblik nog een groot raadsel. Want indien dit volledig juist en waar is, zijn tijd en ruimte in feite geen constante waarden meer. Dit brengt dan met zich mee, dat geen constante waardering in ons kan bestaan, voor alles wat in tijd en ruimte geschiedt. In de eerste plaats alles, wat goed en kwaad betreft. Wat wij vandaag hier goed doen, zal morgen daar slecht zijn en omgekeerd. Ten tweede kan worden gesteld, dat alle ervaringen in hun werkelijke innerlijke waarde worden bepaald door alle plaatsen en alle tijden, die op een bepaald ogenblik parallellen, of harmonisch zijn. Hierdoor wordt de leer der relativiteit met een grote betekenis werkzaam in alle esoterische bestrevingen. Er moeten ook op deze wijze nog regels te vinden zijn, waaraan wij ons kunnen houden. De enige vaste waarde daarin zijn wijzelf. Deze regels houden in, dat tijd en ruimte beide ervaringswaarden zijn voor het innerlijk. Zij hebben voor het wezen geen feitelijke betekenis, doch worden door ons gedefinieerd door de indruk die zij op ons wezen maken en het bewustzijn, dat hieruit voor het ik voortvloeit. Geestelijk kan worden gezien, dat, zodra wij harmonisch zijn met een bepaalde tijd en ruimte uitgedrukte ervaringsmogelijkheid, wij deel zullen hebben met ons wezen aan het geheel van de daar optredende mogelijkheden, zodra de bevoertuiging en innerlijke gesteldheid van het voertuig ons dit mogelijk maakt. Voor de geest, die niet stof-gebonden is, houdt dit in, dat die hun instelling en belangstelling voortdurend zullen bepalen, waar en in welke tijd wij ons bewegen zullen en zullen ervaren.

Het is dus niet zo, dat het verleden werkelijk geheel achter ons ligt, of de toekomst werkelijk nog ongrijpbaar is. Wel kan worden gesteld, dat wij aan de feiten van het verleden niets meer kunnen veranderen, zelfs indien wij eens aan de totstandkoming van deze gebeurtenissen eens deel hebben gehad. Indien ik dus als geest vandaag een piratenstemming ken, die harmonisch is met iets uit de werkelijkheid, zal ik dit beleven en vind ik mijzelf als geest opeens terug op het dak van het piratenschip van Bloody Jack in het jaar 1600 en deel de ervaringen die daar optraden. Zelfs het feit van vlucht voor een fregat, of de aanval op een schip, wordt mede door mijn instelling bepaald, want ik kan alleen daar ervaren, waar alles beantwoordt aan mijn ogenblikkelijke instelling. De innerlijke en geestelijke, bereikingen kunnen dus voor mij voortdurend in de praktijk worden geïllustreerd door feiten, die reeds plaats hebben gevonden, of nog plaats zullen vinden, dit alles ongeacht de wijze, of de tijd, waarin je stoffelijk hebt bestaan.

Deze ingewikkeld theorieën – meer kan het voor de meesten onder jullie tijdens uw stoffelijk bestaan niet worden – wil ik nu nog even van een andere kant bezien. Wanneer wij stellen dat God volmaaktheid is, is Hij eenmalig omvattend, alom tegenwoordig. Hij is alle dingen te allen tijde, voor zover het Zijn wezen en bewustzijn betreft. Nu spreken wij over onszelf als mensen, of persoonlijkheden, maar zijn feitelijk deel van de Schepping en daarmede van God. Wij spreken dan ook over onze ziel, of de Goddelijke vonk, die in ons leeft. Alle bezwaren tegen de uitdrukking Goddelijke Vonk kunnen op Bijbelse basis worden opgelost. Toen God Adam schiep, blies Hij hem zijn adem in en hij leefde. Het licht, de vonk die in ons leeft, is niets anders dan hetgeen hier de adem Gods wordt genoemd. Een deel van Hem, dat tijdelijk voor ons bewustzijn van Hem is afgescheiden. Waar God volmaakt is en niets voor Zijn wezen gescheiden kan zijn van Zijn wezen, of teloor kan gaan voor Zijn wezen, is het logisch aan te nemen, dat Gods adem, of Zijn Licht altijd tot Zijn wezen terug zal keren. Beter misschien nog is het te zeggen dat deze adem, of dit Licht, voortdurend deel van het Goddelijke wezen uit blijft maken. Wij moeten wel aannemen, dat er in den beginnen niets was dan het woord. En het woord was God. Waar niets is, is zelfs geen leegte, die in zich weer ruimte vergt om te bestaan. Dus moet alles in God, uit God en door God bestaan.

Wanneer wij van tijdsmoment tot tijdsmoment gaan, of onze werelden en ons ruimtelijk besef wisselen, betekent dit niet, dat de waarden die wij niet ervaren, of zien, toch niet voortdurend aanwezig zijn. Zij zijn alleen voor ons niet aanwezig. Hieruit kan volgen, dat, zodra ons wezen door concentratie harmonisch is, of wordt met een bepaald deel van God – en wij niet door ons eigen denken daarbij belemmerd worden – wij dit deel Gods ook onmiddellijk kunnen beleven.

Deze vaststelling is ook in de praktijk belangrijk. Veel belangrijker dan men op het eerste gezicht bij het aanhoren van deze stellingen zou zeggen. Stel u zich voor dat er een bijzondere ontdekking op esoterisch, of wetenschappelijk gebied is geweest. Dan kunt u in de geest – in de stof speelt haast niemand dit klaar – daarbij tegenwoordig zijn en elke fase daarvan meemaken. Daardoor wordt het u mogelijk emotioneel bepaalde indrukken op te doen en deze om te zetten in voor het Ik bestemde aanvullingen van eigen weten, ja zelfs is het mogelijk hierdoor tot een juistere definitie van eigen verhouding tegenover God te komen.

Ik moet opmerken dat het niet gaat om de droom. Het heeft geen zin te gaan dromen over oude Egyptische tempels, of van chroom en glas glinsterende toekomststeden. Dromen is al te vaak het op eigen initiatief beleven van voorstellingen, die slechts binnen het Ik bestaan als een werkelijkheid die ook tot het innerlijk van het Ik beperkt blijft. Deze verplaatsing in tijd en ruimte kan niet bewust en met keuze worden opgewekt. Het is een spontaan verschijnsel, dat vooral bij de geest, die de vormenwereld achter zich heeft gelaten, sterk op de voorgrond kan treden. Het eigen wezen bepaalt in zeer grote mate welke delen van….. zeg maar het kosmische geheugen….. voor u kenbaar worden. Op het ogenblik dat zij voor u kenbaar zijn, betekenen zij voor u een volledige beleving, waaraan u geheel deel zult hebben. Mogelijkerwijze door identificatie met een der personen, die in deze tijd en ruimte leefde en handelde. Zolang u in de stof leeft, handelt u zelf. Dit betekent dat u, te midden van de bestemde gebeurtenissen die door de wet van causaliteit worden bepaald, uw eigen deel daaraan, of tenminste eigen indrukken en de betekenis van het geheel voor het ik kunt wijzigen.

Het is niet mogelijk aan alle gebeurtenissen helemaal te ontkomen. Wel kunt u de betekenis van deze gebeurtenissen voor uzelf wijzigen. Zo hebt u op de betekenis en ervaringsinhoud van uw eigen stoffelijk leven dus een heel grote invloed. Maar zodra je in de geest dergelijke ervaringen op gaat doen, wordt dit bepaald door de mogelijke harmonie. Wanneer je op deze wijze door identificatie terecht komt bij een oude alchemist, kunt u geen tittel of jota meer aan zijn handelen, denken, ervaren, of bereiken, wijzigen. Wel kunt u het geheel van zijn emoties, handelingen en gedachten volgen en doormaken, alsof het uw eigen beleven zou zijn. Ook dit is belangrijk. Aan de hand van deze waarheid kan immers worden vastgesteld, dat wij voor onze ervaringen niet alleen beperkt zijn tot onze eigen ervaringen en ons eigen bestaan alleen.

Men heeft vaak gedacht, dat de bewustwordingsgang alleen bestaat uit het persoonlijk opdoen van allerlei ervaringen. Meestal stelt men daarbij: Door vele levens waarbij zonder stoffelijke werkelijkheid geen verdere bewustwording of ervaring, mogelijk is dan alleen het juist rangschikken van eenmaal opgedane ervaringen en eventueel nog het enigszins in de geest voortgaan op reeds stoffelijk verworven kennis en geestelijk bezit. Door deze mogelijkheid om deel te hebben aan het leven en beleven van anderen kom je tot een reeks ervaringen, die geen persoonlijk stoffelijk beleven meer noodzakelijk maken. Bovendien neemt een reeks van dergelijke belevingen geen tijd in beslag, volgens het persoonlijk weten. Het gehele leven van de mens kan door de geest worden beleefd in een tijd, die te vergelijken is in waarde met de betekenis van een enkele seconde voor u. Ook in de droom van mensen komt een dergelijke verschuiving van tijdsverhoudingen voor, zodat men een halve levensloop kan dromen en geheel doormaken in minder dan drie minuten. Dit laatste komt overigens niet zo vaak voor, maar is toch in ieder geval een voorkomend verschijnsel in het droomleven van de mens.

De geest die eenmaal aan het vormbewustzijn ontkomen is, kan op deze manier deel hebben aan het totaal van het leven. Ter verheldering grijp ik terug op het oude symbool van de levensboom. Wij zien de levensboom veelal als een symbool van de band tussen hemel en aarde. De mens zien wij als een boom, die op moet groeien en zich vooral in het hogere beleven dient te vertakken, tot hij uiteindelijk met zijn hoogste top van bewustzijn God bereikt. Wij kunnen dit beeld ook anders uitleggen: De levensboom is het geheel van de Schepping zelf, het leven. Wij zijn niet een deel van de boom, maar zijn eerder iets als het sap, dat door de boom opgezogen wordt, naar de bladeren gestuwd en vandaar weer verdampt. Wat hoog is gelegen, kan dus door dit proces als neerslag terug keren tot de aarde en hernieuwd hetzelfde proces beginnen. Wij kunnen ook opstijgen naar de hemel, ongeacht op welke hoogte van de boom wij in damp worden omgezet. Dan kun je in de hemel terecht komen en deel uit gaan maken van de wolken.

De boom verandert daardoor niet. Wanneer je terug zou keren, zo is er een ongeteld aantal kanalen, waardoor sappen gestuwd kunnen worden, elk weer in zich dragende takken, twijgen en bladen als verbinding. Het aantal mogelijkheden dat bestaat, is niet telbaar.

Dit zijn de ervaringsmogelijkheden van het persoonlijke leven. Wij kunnen de wegen geheel, ten halve, of slechts een enkele maal voor één enkel doel van het leven gaan. Wij kunnen zelfs op grond van bepaalde harmonische verschijnselen ons bewustzijn wisselen van het ene kanaal van de levensboom naar de andere, zonder dat de boom hieronder lijdt. Steeds zullen wij in de boom moeten worden beschouwd als een soort levensessence, zonder welke geen leven voor de boom mogelijk is. Zonder ons bestaat zij wel, maar leeft zij niet. Indien wij één worden met alle verdampte sappen, zullen wij door de andere delen van de levensessence alle kanalen in de boom en heel het wezen van de boom leren kennen.

Dit alles heeft weinig zin, tenzij wij ook voor u hier meer praktische wijsheid uit kunnen putten. Voor de stof is deze praktische ervaring en mogelijkheid moeilijker dan voor de geest. Ik kan als geest immers stellen dat, indien ik mij bevrijd van eigen wereldvoorstellingen en harmonisch ben met verschijnselen binnen het Goddelijke, ik alle ervaringen kan opdoen, die mij een beter inzicht geven in eigen leven, en de waarde die het beleven van deze verschijnselen der harmonie voor mij hebben, zodat ik vandaar uit tot een hernieuwde geestelijke instelling kan komen met een hoger, of meer omvattend doel. Voor een mens is dat nog niet zo. Een mens kan eens dromen. Hij kan misschien eens fantaseren, of piekeren. Maar hij komt er niet zo gauw toe een geestelijke reis te maken.

Ik wil trachten u iets te leren: Wanneer u werkelijk oprecht streeft naar een geestelijk groeien, een bewuster worden, weet u ook wat concentratie en contemplatie kunnen betekenen. Nu stel ik mij voor dat u op een gegeven ogenblik als mens wordt getroffen, dat voor u een probleem inhoudt, of een slechts onvolledig zich van uw mogelijkheden bewust zijn. Wanneer u dit probleem fel genoeg voor uzelf weet te stellen en er niet van uitgaat, dat u de oplossing van het probleem alleen voor uzelf eist, doch voor het geheel, de kosmos en het daarin levende bewustzijn, dan zult u daardoor automatisch een harmonie met de desbetreffende delen van de kosmos tot stand brengen, ook wanneer u dit lichamelijk nog niet gans kunt verwerken, of verwerkelijken. Hieruit volgt, dat de mens, die zich weet te concentreren op een probleem en zich in weet te stellen, waarbij hij zo nodig weet te contempleren over een bepaalde waarde in de kosmos, geestelijk een reeks van nieuw weten en beleving verwerft. Daar het menselijk bewustzijn zelden in staat is dergelijke impulsen op te nemen in het direct voor het bewustzijn toegankelijk geheugen, zal een zeer groot deel hiervan, of het geheel hiervan, deel uit gaan maken van het onderbewustzijn. Maar het menselijk onderbewustzijn zal aan de hand van deze ervaringen impulsen en reacties scheppen, die de oplossing van het probleem ten goede komen, wanneer het intussen nog niet is opgelost en gelijktijdig juistere reacties mogelijk maakt bij een hernieuwd rijzen van een soortgelijk probleem. Voor de mens, die naar harmonie streeft en in al zijn handelingen de meest harmonische oplossing zoekt, bestaat dus inderdaad de mogelijkheid om reeds in de stof – alleen door een juiste geestelijke instelling – alle belevingen die voor hem belangrijk zijn, te realiseren en vandaar uit – zij dit via het filter van het onderbewustzijn – voldoende waarden te putten van een juist, gelukkig en bewust handelen in eigen leven te putten.

  • Hoe zou ik dit in de praktijk moeten brengen?

Voorbeeld: Er was eens een mijnheer Jansen. Hij worstelde met vele problemen, o.m. met de vraag, waar hij gans in het begin nu eigenlijk vandaan was gekomen. Hij wist dit evenmin als de doorsnee mens. Om dit probleem op te lossen begon hij na te denken over de vraag: wie en wat is Jansen? Op deze vraag kreeg hij geen antwoord. Hij stelde daarom de vraag anders: Jansen is een mens. Wat en hoe is een mens en wat betekent zijn leven eigenlijk?

Die vraag bleef lange tijd in hem doorklinken. Zo lang dacht hij, dat hij langzaam in slaap sukkelde. Toen hij wakker werd, bleek hij opeens meer te weten. Hij werd actief. “Wij, Jansens” – zo sprak hij – “zijn terug te voeren op een zekere Jansen, de Molenaar”. Vanaf dit ogenblik zocht hij alle doopboeken en kaartsystemen na. Het was hem mogelijk te begrijpen waarom bepaalde eigenschappen in hem zo sterk op de voorgrond kwamen. Maar het antwoord op de vraag: wie en wat de mens Jansen is, had hij nog niet gevonden. Dankzij de inlichtingen over zijn voorouders kon hij reeds veel begrijpen. Hij vond een nieuwe benadering voor de vraag: wat betekent mens-zijn? In zijn droom zag hij een groot uurwerk, waarin een heel klein lagertje zat op een van de vele assen. In dat lagertje zat een heel klein kogeltje, waarop de naam Jansen stond gegraveerd. Bij nadere beschouwing bleek hem, dat alle Jansens, ja, alle nakomelingen van Jan de Molenaar, eveneens op dat zelfde kogeltje vermeld stonden. Hierin vond hij een deel van zijn antwoord. Ik ben een deel van iets, en functioneel van iets… . Maar van wat? Hij bezag het uurwerk aandachtig en kwam tot de ontdekking, dat dit de tijd, de Schepping was. Hiermede had hij antwoord gevonden op zijn vraag: Wat ben ik? Wat is mijn taak? Zijn taak was klaarblijkelijk iets te stabiliseren, wat boven zijn begrip lag. De tijd zelf misschien. Ongeacht de raadsels die hem nog bleven, besloot hij voortaan alle onnodige strijd te vermijden en dus zo goed mogelijk de functie, die hij voor zich had erkend, als stabilisator, te vervullen. Dit betekende, dat hij veel meer leerde begrijpen in de wereld.

Het antwoord op zijn laatste vraag kreeg hij hernieuwd in een droom. Hij droomde dat er een zon was, die vele lichtstralen uitstuurde in de ruimte. Tot al die stralen sprak die zon: Ga zo ver als je kunt. Zodra je niet meer verder kunt, keer je tot mij terug… . Hij was één enkel deeltje van een lichtstraal. Waar deze straal de ruimte beroerde, ontstonden werelden, leven en kracht. Zo kwam hij voor zich tot het innerlijke bewustzijn, dat de mens niet veel meer is dan een vonk van Goddelijk leven, die wordt uitgezonden om Gods Schepping te verlichten, volgens de Goddelijke wil. Daarmee had hij het belangrijkste antwoord voor zich gevonden en was hij verder tevreden met zijn bestaan. Zijn leven werd daardoor gelukkiger en gemakkelijker.

Uit dit beeld volgt vanzelf, hoe het voorgaande in de praktijk om te zetten. Wanneer er een vraag is, die belangrijk is voor je eigen bewustwording, maar die je niet op kunt lossen, moet je er eens over denken. Indien je de moed hebt op een antwoord te wachten, kom je uiteindelijk tot steeds meer begrip. Het antwoord blijft niet uit, wanneer je geduld hebt. Maar je moet de moed hebben dit buiten het redelijke te laten. Het antwoord is niet een van u uitgaand iets.

Kort gezegd: De vraag moet uw wezen beroeren als de klepel van een klok, zodat vanuit heel uw wezen die vraag de ruimte ingaat. Vanuit die wereld komen dan als een soort echo harmonische waarden tot u terug, die in u een antwoord doen ontstaan. Wanneer je dus in de knoop zit, moet je het probleem eerst goed voor jezelf formuleren. Daarna moet je je realiseren wat de oplossing van het probleem voor je betekent. Je moet dit voelen.

Verwacht een antwoord, zonder te zeggen, wanneer het komt. Leg het probleem naast u neer. Wanneer het probleem als uit zich weer in uw gedachten komt, zult u bij nader beschouwen zien, dat u vele nieuwe gezichtspunten en groter begrip hebt gekregen.

 

 

image_pdf