Keuze van geestelijke richting

image_pdf

12 maart 1965

Ik hoop, dat u kritisch zult willen luisteren. Ons onderwerp van heden is: Keuze van geestelijke richting.

Er zijn in uw wereld een groot aantal esoterische scholen, vele godsdiensten, elk nog weer met eigen sekten, terwijl daarnaast nog een reeks van minder georganiseerde systemen bestaan van meer filosofische aard, welke allen pretenderen, de mens in te kunnen leiden tot de hoogste bewustwording, tot de hoogste geestelijke bereiking.

Het zal u duidelijk zijn, dat de pretentie, die de meeste van hen hebben, de enig juiste richting te zijn, niet op waarheid kan berusten; zovele tegenstrijdigheden kunnen wij ontdekken in hun systeem, lering, de wijze, waarop zij hun volgelingen behandelen, dat het moeilijk zal zijn, ook maar één enkel punt van overeenstemming te vinden, met uitzondering van de stelling, dat er maar één God of één voornaamste Godheid is. Toch zullen deze richtingen elk voor zich – en ook dit kunnen wij gemakkelijk constateren – grote geestelijke waarden bezitten en ook vaak de behoeders zijn van zeer belangrijke geestelijke goederen. De belangrijkste vraag die menigeen zich bij dit alles dan ook wel zal stellen luidt veelal: “Waar hoor ik eigenlijk thuis? Hoor ik wel bij de groep, die ik op dit ogenblik volg? Wat is voor mij het beste geschikt en waarom?” Het onderwerp van heden heeft ten doel, u hierin enig inzicht te verschaffen en eventueel een – zij het losse – leidraad te geven bij de keuze van een door u te volgen systeem of denkwijze.

Om te beginnen moeten wij altijd uitgaan van ons eigen begripsvermogen: Een leerstelling, al klinkt hij nog zo mooi, zal nooit voor het ik werkelijke waarde bezitten, wanneer wij haar niet kunnen begrijpen. Een geestelijke eenheid, geestelijke waarde, of bereiking, kan alleen bestaan, wanneer zij in het ik tot stand komt. Er is geen kerk, loge, geheim genootschap, of esoterische kring, die u iets kan geven, wat u niet in uzelf bereiken kunt en wilt.

Vandaar de eerste vraag: Kan ik begrijpen, wat men wil en wat men daarover zegt? Als dit bevestigend kan worden beantwoord, volgt een tweede en zeer belangrijk punt, dat helaas meestal wordt vergeten: Ben ik bereid, het gezag, dat men aan die lering en mijn plaats als leerling daaraan wil ontlenen, ook geheel te aanvaarden? Dit lijkt onbelangrijk. Menigeen zal hier zeggen: Nu ja, ik zoek overal het goede en verder ga ik mijn eigen weg. Maar dan loop je toch weer ergens vast. Een systeem, zoals wij dit vooral in esoterische groepen aantreffen, is wel degelijk gebaseerd op een diepe kennis van de mens, een bestaand en meestal zelfs zeer reëel besef van het bestaan en de waarden van de werelden van de geest en daarnaast een inzicht in de mogelijkheden, die op dit terrein voor de mens bestaan.

Wanneer wij onze eigen weg gaan, kan dit vergeleken worden met iemand, die wel eens gehoord heeft, dat je buskruit kunt maken en nu op eigen houtje gaat experimenteren. Meestal bereikt hij niets. Maar zo hij iets bereikt, is het voor hem, wanneer hij in onze wereld aankomt, meestal te laat. Hetzelfde geldt voor velen, die menen het op dit terrein zonder enige aanvaarding van gezag te kunnen stellen. Dit gezag moet men, en wel vrijwillig, aanvaarden.

Je mag daarbij zelfs wel een voorbehoud maken, maar dit voorbehoud zal dan nooit mogen gelden voor de discipline, die aan de lering verbonden is.

Men kan bv. zeggen: Ik vind de Kerk van Rome zeer interessant, – voel mij daar thuis – zoals een tot voor kort in Nederland zeer belangrijk iemand heeft gedaan. Maar je moet dan ook nog even nagaan, of men ook de stellingen van die kerk, bv. de Marialogie, kan aanvaarden. Zo u dit op het ogenblik niet kunt, maar toch meent binnen dit geloof voor het ik de beste weg te vinden, zo zal men aan alle eisen beantwoorden, met dit voorbehoud: Wanneer ik alles, wat ik bereiken kan in deze Kerk, bereikt heb, zal ik dit vraagstuk opnieuw bezien vanuit het dan verworven inzicht en kennis. Tot die tijd zal ik gehoorzaam zijn en aan alle eisen die men mij stelt, zo goed mogelijk beantwoorden. Is mij dit dan nog niet mogelijk, zo is deze Kerk voor mij, ondanks alle andere waarden, kennelijk toch niet het meest juiste systeem.

Dan volgt de vraag: Wat bereik ik hiermede? Voor velen is dit de vraag, die het moeilijkst van alle eerlijk te beantwoorden is. Wanneer wij een systeem willen volgen of bepaalde leringen willen aanvaarden en volgen, zullen wij ook voor onszelf daarvan iets wijzer moeten worden. U gaat tenslotte ook geen voedsel kopen, om het vervolgens te laten beschimmelen. Wie dat wel doet, is een dwaas; geestelijk voedsel verwerven, dat niet verteerd, verwerkt, omgezet kan worden in een voor het ik werkelijke kracht of beleving, is volgens mij al even dwaas.

Dus, wat kan ik daarmede doen? Het antwoord op deze vraag omvat vele facetten en mogelijkheden, waarvan ik er hier slechts enkele kan aanstippen.

Ik noem u als voorbeeld de vragen: Voel ik mij, dank zij deze leringen of dit geloof, beter op mijn plaats in de wereld? Kan ik, dankzij dit systeem, misschien meer bereiken dan voorheen?

Voel ik mij innerlijk rijker daardoor? enz. Indien u uit het gevolgde systeem of geloof iets verkrijgt, hoe gering dit anderen misschien ook toeschijnt, is de keuze, mits aan de vorige punten voldaan is, geheel verantwoord. Moet u echter zeggen: “Neen”, na enige tijd deze leer, dit systeem, gevolgd te hebben, ontdek ik, dat ik niets verder kom, zo geldt dit geestelijk systeem voor u als niet juist en zult u moeten zoeken naar een andere weg, waarop u meer bereikt. Aan de waarde van de eerste weg voor anderen doet dit echter verder niets af of toe.

Slechts voor u is zij blijkbaar niet de juiste.

Ten laatste wil ik nog het punt van gebondenheid in leerstellingen aansnijden, dat voor zovelen van het hoogste belang schijnt te zijn.

Ik meen, dat een systeem uit kan gaan van stellingen, die wij kunnen betwijfelen, waarvan wij in bepaalde gevallen de onjuistheid desnoods aan kunnen tonen, zonder dat dit systeem als geheel daardoor nu ook verworpen dient te worden. Als voorbeeld noem ik u het axioma, dat op aarde en elders de kortste weg tussen twee punten steeds een rechte lijn zal zijn. Deze stelling is namelijk slechts betrekkelijk waar. Toch is de stelling bruikbaar en binnen bepaalde systemen van oriëntering en berekening zelfs noodzakelijk. In elke geestelijke lering zullen wij een aantal van dergelijke stellingen aantreffen, die dus slechts betrekkelijk waar zullen zijn. Wanneer men echter door op zich niet geheel juiste werkhypothesen op aarde grote resultaten kan behalen en zelfs oplossingen kan vinden voor problemen, waarbij de stelling zelf nader omschreven en beperkt wordt, zal men de waarde daarvan toch zeker niet ontkennen. Indien men binnen een esoterisch, magisch of geestelijk systeem dan ook stellingen en waarden tegenkomt, die men als onjuist kan zien en zelfs kan ontkrachten, betekent dit nog niet, dat zij daarom ook zonder meer waardeloos zijn. Wanneer men dergelijke stellingen en methoden als werkhypothesen behandelt en daardoor meer kan bereiken of innerlijk zijn, is men volgens mij volkomen gerechtigd van dit alles gebruik te maken tot men een juistere en betere stelling vindt, die tot gelijke of betere resultaten voert.

U zult hebben bemerkt, dat ik allereerst heb getracht de positie van de mens en zijn houding binnen een geloof of systeem te bepalen. Dit is noodzakelijk, omdat er geen leer kan bestaan, indien er geen leerlingen zijn. Een geloof zonder gelovigen is een stukje halfvergeten folklore; het zijn de gelovigen, die het geloof waarlijk maken tot wat het is, het zijn de leerlingen, die de leer zijn waarde geven – ook al beseft men dit meestal niet. Juist daarom is het zo buitengewoon belangrijk, dat de mens zijn geestelijke richting kiest in overeenstemming met zijn eigen mogelijkheden en eigen persoonlijkheid. De eerstvolgende vraag van belang zal dan ook luiden: “Wat moet ik onder dit alles eigenlijk voor mijzelf zoeken, want ik kan misschien wel 20 systemen vinden op aarde, die alle aan de tot nu toe gestelde eisen voor mij beantwoorden?”

Hier komt het ik zelf in het geding. Wie bent u? Bent u iemand, die van verstandelijke benaderingen houdt? Zoek het dan liever niet bij een geloof, dat aanvaarding zonder meer van u eist: dit past niet bij uw wezen. Zoek het liever in een filosofische leer. Bent u meer mystiek redelijk aangelegd? Dan is de beste weg voor u waarschijnlijk een esoterische school, die een redelijk systeem kent, maar daarbij op openbaringsgeschriften is gebaseerd. Hierbij denk ik bv. aan de theosofie en in iets mindere mate aan de stellingen van de Rozenkruisers e.d. Bent u iemand, die geheel op mystiek en innerlijk beleven is ingesteld? Gelden voor u innerlijke belevingen vooral als gevoelswaarden? Dan hebt u een geloof nodig.

Waarmede u al weer iets nader bent gekomen bij een juiste bepaling van de voor u beste weg.

Let wel, ik zeg niet, dat er een mens op deze wereld is, die een Kerk nodig heeft. Ik stel, dat er mensen zijn, die absoluut voor hun geestelijke ontwikkeling een geloof van node hebben. Een Kerk is een gemeenschap van mensen. Ik kan mij voorstellen, dat, met precies dezelfde geloofsverkondiging, dogma’s, leer, de Kerk van de heer A u bevalt en u er zich thuis gevoelt, terwijl de Kerk van de heer B u een gevoel van leegte laat, zodat u zich daar zeker niet nader tot God gevoelt, terwijl dezelfde lering u in dit milieu eerder ergert dan inzicht verschaft. U moet natuurlijk zoeken naar een gemeenschap, waarin u ook zelf past. Maar dit kunt u eerst doen, wanneer u weet, welk geloof voor u het beste is. En dit hangt weer voor een groot deel af van uw eigen geaardheid. Nu weet ik, dat er vele mensen zijn, die dagdromen. Soms zijn dezen wel erg kinderlijk. Voorbeeld: Binnenkort dreigt de wereld te vergaan, maar ik, sterke jongen – of meid – zal die wereld dan wel eens even gaan redden. Deze droom is identiek aan die van het kind, dat, omdat vader en moeder volgens zijn begrip niet al te lief zijn, zich verdiept in fantasieën van de armoede van de ouders, waarbij het kind dan met een grote auto voor zal komen rijden en zeggen: Meneer en mevrouw, hier is wat voor u te eten, arme en uitgehongerde mensen… Een dergelijk beeld is natuurlijk niet reëel. Wij kunnen het idee wel hebben, dat wij verheven zijn boven alle anderen – ook een beeld dat wij in de kinderlijke fantasie nogal eens tegenkomen, zij het dat het dan de vorm heeft van een: Ik ben niet echt het kind van mijn ouders hoor, ik ben veel beter, ik ben het kind van een graaf, maar boze mensen hebben mij geruild toen ik in de wieg lag enz.

Laat ons a.u.b. bij het zoeken naar de juiste geestelijke richting dergelijke kinderlijkheden terzijde stellen. De keuze van een geestelijke richting kan niet afhankelijk worden gesteld van dergelijke dagdromen. Wanneer je zoekt naar een richting, die je mening over jezelf alleen maar zal bevestigen, vooral wanneer je denkt, dat je in wezen toch wel groot en verheven bent, of een zeer belangrijke taak in het leven zult krijgen, zal je in 9 van de 10 gevallen geheel verkeerd terecht komen. Dit kan namelijk nooit zo in werkelijkheid bestaan, als je het zou willen, meent te mogen veronderstellen zelfs.

Of je zult dan de leer – leerstellingen weg – verkeerd interpreteren en daardoor verdwalen, ofwel men zal je in je illusies sterken en daarmede veel zwakker maken t.o.v. de wereld en de werkelijkheid, zodat je het slachtoffer wordt daarvan. In geen van beide gevallen is het resultaat aangenaam te noemen, vaak reeds in de stof en zeker in de geest. Zoek dus nooit naar een richting, die u zegt, dat u uitverkoren bent, als u in deze gemeenschap wordt aangenomen, of veel meer kans op een uitverkiezing maakt. Zoekt steeds een leer en een groepering, die u past.

Wanneer u eenmaal die groep aanvaardt, rijst vanzelf de volgende vraag: in hoeverre zal deze leer, groep, harmoniëren met mijn totale wezen? Want de keuze, de aanvaarding, zoals wij deze bespreken, geschiedt vanuit een menselijk, een redelijk standpunt.

Hier komt het karma in het geding. De wijze, waarop je denkt, is niet altijd de wijze, waarop je leeft, of zelfs maar kunt leven. De wijze, waarop je leeft, wordt grotendeels door oorzaak- en gevolgwerkingen bepaald, welke in dit leven ontstaan kunnen zijn, maar ook kunnen stammen uit een vorig leven in de stof, of ontwikkelingen tijdens het bestaan in een sfeer.

De gebeurtenissen hebben ons dus veel te zeggen. U kunt bij wijze van spreken uit ideële overweging toetreden tot een vereniging, die zich het redden van drenkelingen stelt. Maar als u lijdt aan watervrees, zou u daar niet op uw plaats zijn en, zelfs indien u zichzelf vaak weet te overwinnen, op het beslissende moment wel eens geheel kunnen falen. Daarom zal men met zijn keuze steeds met eigen wezen en mogelijkheden rekening moeten houden. Men mag zich dus niet zonder meer afvragen: “Wat wil ik bereiken?”, maar zal allereerst een antwoord moeten vinden op de vraag: “Wat ben ik? Wat is mijn leven?”

Dit voert mij tot de volgende punten. Om een geestelijke richting te kunnen bepalen, waartoe ik wil en kan behoren, zal ik allereerst kennis omtrent mij zelf moeten hebben. Zonder dit is elke keuze haast de verkeerde. Nu krijg ik natuurlijk op mijn kop van alle paters, dominees en hun volgelingen, die onmiddellijk uitroepen: “Maar dat zal God dan wel voor u in orde maken”. Dit is misschien wel mogelijk. Maar een keuze, die alleen op dergelijke verwachtingen is gebaseerd, is volgens mij zeker niet verantwoord. Evenals dat een keuze volgens mij zelden juist zal zijn, wanneer men daarbij alleen maar van zijn gevoelens uitgaat en geen rekening houdt met zijn mogelijkheden en de eigenaardigheden van eigen persoonlijkheid.

Als Don Juan terug moet komen op deze wereld en kluizenaar wil worden, lijkt mij dit nog aanvaardbaar. Maar als hij terug wil komen als kapelaan in een stadsparochie of als dominee, leider van de christelijke jonge meisjes vereniging, betwijfel ik, of hij in staat zal zijn zijn goede voornemens ook werkelijk tot uitvoering te brengen. Zoals ik dit met dit voorbeeld stel, wil ik het ook voor u stellen. U hebt een zeker temperament, een bepaald karakter. U heeft bepaalde vaardigheden, onhandigheden en fouten, die a.h.w. ingegroeid zijn in uw persoonlijkheid. Deze dingen kunt u niet zo gemakkelijk veranderen. Daarom moet men juist met deze dingen in sterke mate rekening houden, wanneer men een antwoord zoekt op de vraag: Wat ben ik? Het is aardig te spreken over de noodzaak je te beheersen. Maar als een systeem op die beheersing is gebouwd en je bijna zeker bent, dat je juist hier zult falen, lijkt het u dan verstandig, ja, verantwoord, juist dit systeem te kiezen, zolang er andere mogelijkheden zijn? Wanneer een systeem eisen stelt aan u, waaraan u à priori niet of slechts onder de grootste moeite zult kunnen voldoen, zij het door maatschappelijke positie, leefwijze, karakter, of anderszins, is het dan redelijk juist deze wijze van werken te kiezen? Zo u al meent, dat het kan, redelijk is het volgens mij zeker niet. Daarom stel ik: Zoek eerst jezelf zo goed te kennen, dat je met redelijke zekerheid weet, wat je kunt, wat je fouten en neigingen zijn.

In de tweede plaats zou ik stellen: ga steeds uit van het standpunt, dat men, wanneer men een geestelijke richting kiest, niet alleen zelf daarvan rijker mag worden, maar ook allen die binnen deze richting met u streven zult moeten verrijken. Alle leven berust op wisselwerkingen. Een geestelijke gemeenschap, kerk, geloof, genootschap, staat op het peil, dat door de leden daarvan en niet slechts door de leringen, bepaald wordt. Ik heb u dit reeds gezegd. Het betekent dus ook, dat de betekenis van de leden voor elkander, datgene, wat de leden elkander weten te geven, het werkelijke geestelijke peil bepaalt.

Ik geef een voorbeeld. Stel een loge van de vrijmetselarij. De leden daarvan zijn wel enigszins esoterisch georiënteerd, maar voor hen zijn relaties en zaken toch wel het belangrijkste; het gaat hen in de loge haast evenzeer om het behoren tot een selecte groep en het maken van relaties als om de esoterie. Het resultaat is, dat men in die loge op de duur zal proberen wijsbegeerte per pond te slijten aan de hoogste bieders. Deze loge heeft dan geestelijk weinig of geen betekenis en is gevaarlijk voor haar leden door de pretenties, die zij in hen doet ontstaan.

Het streven naar zelfkennis wordt daar tot een wederkerige zelfbegoocheling van de leden ervan. Stel nu, dat in dezelfde groepering, eenzelfde loge, de mensen bereid zijn te vergeten, wie en wat zij zijn, hun rangen en belangen ter zijde te stellen, zich als enig doel stellende: onderling begrip, samenwerking, meningsuitwisseling, waardoor men elkander verrijkt. Dan zal deze loge grote en zeer goede geestelijke resultaten af kunnen werpen.

Hieruit blijkt wel, dat het niet alleen de richting is, die beslissende invloed zal hebben. Ook wordt hierdoor duidelijk, dat niet alleen de leer, maar vooral uzelf uit zult maken, wat het resultaat is van een bepaald streven, een bepaalde richting. Christendom bv. is goed, maar de christenen deugen vaak niet. Ligt dat aan het christendom? Neen, dat komt door de pseudo-christenen, die zich met hun christendom op de borst plegen te kloppen, zonder aan de geest daarvan ook maar te denken. Goed? Aanvaard dan het feit, dat de belangrijkheid en vruchtbaarheid van de door u gekozen richting af zal hangen van de vraag: wat wilt en kunt u geven?

Wat is de uitwisselingsmogelijkheid, die u voor uzelf als noodzakelijk ziet of erkent als aanvaardbaar en volgens u onder mensen het meest gewenst? Baseer uw zoeken naar een voor u juist geestelijke richting mede hierop. Op die manier zult u, hetgeen door het karma voor u bepaald wordt, mede in uw keus kunnen verwerken en, wat meer is, hierbij mogelijkheden voor uzelf scheppen, waardoor de geestelijke elementen van uw wezen meer op de voorgrond kunnen komen. Want door te kiezen in harmonie met je lot, kies je wel degelijk ook in overeenstemming met het doel, dat de geest heeft met haar leven op aarde, en bereikt dan het snelst de juiste resultaten.

Er is nog iets, waarmede wij wel heel voorzichtig moeten zijn. Zoals u weet werkt de Orde samen met de Witte Broederschap. Misschien zou ook u gaarne met de Broederschap samen willen werken. Ja, misschien werkt u al mee binnen dit kader, misschien bent u reeds lid van dit grote geheime genootschap, dat juist voor de geestelijke bewustwording van de mensheid zo onnoemelijk veel doet. Het is natuurlijk erg prettig te kunnen zeggen: ik behoor ook tot de Broederschap. Maar zoekt men in dergelijke verklaringen prestige? Dan is de keuze reeds verkeerd. Wie een lering kiest om wat zij geeft aan prestige of illusies, heeft reeds een zeer grote fout gemaakt.

Ik geloof, dat wij hiermede het eerste deel van mijn betoog gevoeglijk af kunnen sluiten.  Dan ga ik over tot het tweede deel van mijn betoog.

Elk geestelijk werk, elke geestelijke richting, eist van de mens, dat hij zichzelf bewijst. Zichzelf bewijzen wordt dan vaak geformuleerd, zelfs via een doop, belijdenis, of anderszins door een plechtigheid, beproeving, examen, als een verlaten van alles, wat je was. Het element dood speelt bv. in elke esoterische groep een rol. De gedachte aan sterven – of iemand, die voor u gestorven is, of het wezen van de dood – is de kern van praktisch elke godsdienst. Dit is niet om niets; om een geestelijke richting goed te kunnen volgen, moet je afstand doen van het verleden. Wat ons brengt tot een voor velen wat minder aangenaam punt: Je kunt niet twee dingen tegelijk doen. Je kunt dus niet gelijktijdig bv. een betrekkelijk primitief geloof blijven volgen en toch tegelijkertijd een betrekkelijk groot esoterisch geheim in jezelf dragen, zonder ergens tegenover je zelf schuldig te worden. En deze schuldigheid maakt aan de ene kant een verder aanvaarden van de werkingen van het eenvoudige geloof onmogelijk – dit wordt leeg en dood – maar zal aan de andere kant een bereiken in de esoterie eveneens verder onmogelijk maken, omdat er een grote terughoudendheid ontstaat.

Dus, je kunt geen twee dingen tegelijk doen. Maar kan men dan misschien in hoog tempo wisselen tussen leringen en richtingen? U kent wel van die mensen, die alle kerken aflopen, daarna alle leringen en bijeenkomsten, alle seances enz. Deze mensen maken voortdurend de ronde en menen daarmede iets te bereiken. Maar geeft dit een redelijke kans op ontwikkeling?

Volgens mij niet. Ik meen, dat men bij het kiezen van een geestelijke richting, of het aanvaarden van een systeem, dit systeem of die richting enige tijd met uitsluiting van alle andere richtingen of systemen zal moeten volgen. Wat voorlichting en meningsvorming betreft, heeft men natuurlijk wel het recht van andere richtingen kennis te nemen, hier geldt zelfs meer dan elders: onderzoekt alle dingen en behoudt het goede. Maar zelfs als u enkel al het goede behoudt, zult u op een bepaald ogenblik toch moeten kiezen. Nogmaals, men kan dus niet met enige hoop op resultaten – andere dan enig inzicht in wat er alzo bestaat – meerdere richtingen naast elkander volgen.

Bij dit punt nu komt een vergissing naar voren, die vaak wordt gemaakt: men denkt wel eens, dat de wereld een soort geestelijke universiteit is, waarbinnen eenieder in algehele vrijheid en bij voortduring, van dag tot dag kan bepalen, welke leringen hij wel of niet wenst te volgen. Denk niet, dat dit in werkelijkheid mogelijk is.

Juist omdat ieder systeem in zich een zeer bepaald, bewust en meestal ook zeer goed opgebouwd systeem is, waarmee het Ik in bewustzijn verhoogd kan worden, zal men – juist door meerdere systemen naast elkander te beschouwen en te willen volgen – aan de bewustwordingsmogelijkheid in het systeem voorbij gaan en alle werkelijke bewustwording in het ik tegen houden.

Vaak blijkt verder, dat bij de keuze van richtingen, ook de volgorde waarin men kiest, er veel aan toe doet. Ik weet niet, of u het oude rijm kent: “Bier, wijn, jenever, is goed voor drinker en gever, maar jenever, bier en wijn laat zijn.” Waarmee men wil zeggen, dat de volgorde, waarin men deze dranken drinkt voor de gevolgen erg belangrijk is. Zoals dit geldt voor roes, eventuele katers en andere katachtige werkingen, die uit een drankgebruik kunnen voortkomen, zo kan men ook voor de geest stellen: Wanneer wij een verkeerde volgorde nemen van gevolgde systemen, is de kans groot, dat wij een verschrikkelijke kater krijgen. Kiest u een geestelijke richting, die tot scholing wordt en een strakke discipline eist, om van daaruit terug te gaan tot een voor het ik heel wat gemakkelijker en minder vereisend geloof, dan moet men er rekening mee houden, dat dit voor het ik een verkeerde werking heeft, met als eindresultaat een verwerpen van alles, wat in geloof en lering van waarde was en een toestand, die ik met een grote geestelijke en morele kater het best omschreven acht. Gaat u vanuit een Kerk over naar een esoterisch systeem of richting, dan is het resultaat veel beter; dat wat in het begin, in de Kerk, reeds in u bestond, versterkt dan alles, wat u in de nieuwe richting zoekt te bereiken. Kiest daarom altijd een klimmende reeks. Ga nooit terug naar iets, wat gemakkelijker is, maar grijp steeds naar iets, wat moeilijker wordt.

Misschien vindt u dit minder aardig van mij. Het is immers zo prettig, als je altijd weer kunt zeggen: Nu ja, het komt er niet zo erg op aan. Wanneer het mij te zwaar wordt, kies ik doodgewoon een richting, die iets eenvoudiger in zijn eisen is. Maar in een geloof kom je tot een contact met God. Hoever dit contact met God gaat, is uw eigen zaak. Wanneer dit contact met God bestaat, maar niet gehanteerd kan worden, omdat er geen directe mogelijkheid tot uiting wordt gevonden, dan is er een systeem noodzakelijk – magisch of esoterisch – waarin dit wel het geval zal zijn. Binnen een geestelijke school komt men dus vooral wel tot het uitdrukking geven aan het binnen het ik bestaande contact met God. Maar hierdoor worden aan het ik ook hogere eisen gesteld, zowel aan tijd, kracht, energie, kennis zelfs, zowel als beheersing. Wanneer u nu op een gegeven ogenblik – om redenen van de gestelde eisen enz. dus – besluit, tot een eenvoudiger geloof terug te keren, zo houdt dit in, dat het contact met God in wezen wordt opgegeven, zodat er geen werkelijk geloof meer bestaat. Indien het systeem dus voor u kennelijk niet deugt, grijp naar een volgend systeem, maar probeer niet gelijktijdig van de lasten van het geestelijk streven in mindere of meerdere mate bevrijd te worden. Wanneer ik hierbij nog een ander commentaar mag voegen? Denk nimmer, dat iets zonder moeite verkregen kan worden; ook op dit terrein bestaat dit eenvoudigweg niet. Degene die, bij het kiezen van een geestelijke richting het verstandigste handelt, kiest steeds een geestelijke groep of richting, die iets meer van het ik eist, dan in het verleden door geloof of richting reeds van hem werd geëist. Maak het rustig jezelf iets moeilijker, elke keer weer. Dit is een vorm van training. Laat u a.u.b. daarbij niet misleiden door het denkbeeld, dat een leer, die uit het Oosten komt, een leer, waarbij men vele vreemde woorden gebruikt, beter is dan iets wat meer eenvoudige woorden en leringen gebruikt. Het gaat immers niet om de wijze waarop een bepaalde kennis wordt gegeven, maar om de waarde, die daarin voor de volgeling besloten ligt.

De waarde van deze leringen kunt u kennen aan de moeite, die het u kost, daaraan volgens alle regels te werken, de gemakkelijke begripsmogelijkheid, die voor u in de leer bestaat en de steeds gemakkelijker wordende gelegenheid de krachten, die u in uzelf erkent, ook naar buiten toe te uiten.

Dit was het tweede deel van mijn betoog en brengt ons, wanneer uw geduld niet is uitgeput, aan het traditionele derde deel van het betoog.

De menselijke geest is het doel van alle geestelijk streven. De materie moet dus langzaam maar zeker worden gesublimeerd, zodat de geest in de materie grotere zeggenschap krijgt en de werkingen van die geest in de materie steeds duidelijker en steeds meer een normaal verschijnsel worden. De geest bezit vele capaciteiten, die in de stof niet of alleen zeer beperkt tot uiting plegen te komen. Wanneer wij slagen in de door ons gekozen geestelijke richting, zullen wij altijd ontdekken, dat de geest niet enkel meer meespeelt en meer zeggenschap in de materie vertoont, maar dat ook de eigenschappen van die geest in steeds sterkere mate worden overgedragen aan de materie.

Nu is het moeilijk om hier een criterium te geven: Helderziendheid, helderhorendheid, magnetische begaafdheden van een bepaalde aard, inspiratief ontvangen  van waarden enz. kunnen allen uitingen zijn daarvan. Er bestaan echter ook vele andere werkingen, als bv. een beheersing van tijd, tijdsbegrip, vergroting van reactiesnelheid ook, waarin geestelijke waarden een grote rol kunnen spelen. Er is een vorm van gevoeligheid en zelfs een vinden van bepaalde vormen van innerlijke vrede, die kunnen worden gezien als meer directe uitingen van de geest in de stof. Eén ding echter is hier weer zeker: Alles wat vanuit de geest op de juiste wijze verworven wordt, zal via de stof tot uitdrukking gebracht kunnen worden in eigen wereld.

Datgene, wat in u ligt, maar door u niet kenbaar geuit kan worden, zal daarom door u niet als onmiddellijk uit de geest stammende aanvaard mogen worden. Het is wel mogelijk, dat dit toch het geval is, maar dan zullen wij daarmede in onszelf zolang verder moeten werken, tot wij het kenbaar kunnen uiten en zo, aan de gevolgen van dit werken, kunnen constateren, wát het is. In de wereld maak je, als mens zowel als geest, deel uit van een geheel. De geest is deel van de totale mensheid door alle tijden, de mens in de stof is deel van de groepen binnen de maatschappij waartoe hij behoort.

Het is duidelijk, dat wij, door dit behoren tot die groep, steeds ook uitdrukking zullen moeten geven aan elementen, die voor de gehele groep bestaan. Wanneer u hier in Nederland bij wijze van spreken opvattingen zou huldigen, die niet passen binnen de maatschappij, wordt u uitgestoten uit die maatschappij. Wanneer je als geest in zou willen gaan tegen alles, wat norm en nut is voor de totale mensheid, zal je eveneens buiten deze mensheid staan. Als geest houdt dit een isolement in, waardoor je alleen komt te staan en geen blijvende, maar hoogstens zeer persoonlijke en tijdelijke resultaten kunt verwachten. Houdt er dus, wanneer u een geestelijke richting kiest, steeds rekening mee, dat deze niet alleen op een kleine groep gericht mag zijn.

Wanneer u bv. gezegd wordt: “Gij zult, wanneer gij tot onze groep behoort, een van de uitverkorenen zijn, maar alle anderen zullen ten onder gaan”, zo betekent dit op zich reeds, dat die groep niet aanvaardbaar en juist is. Houdt daarmede rekening. Wanneer men in een groep stelt: In onze gemeenschap kunt u, maar alleen voor bepaalde mensen in de wereld, belangrijk werk verrichten, zo is ook deze groep niet aanvaardbaar.

Slechts indien een geestelijke groepering u leert voor de gehele mensheid steeds meer te betekenen, heeft zij zin en betekenis. Want het lot van de mensheid wordt bepaald door de geestelijk eenheid, de grote en totale mensheid, die eens uit het goddelijke is voortgekomen en ondanks alle uiterlijke verschillen der delen toch één geheel vormt. Het is deze mensheid waar wij in wezen naar zoeken.

Laat u niet misleiden door de doelstellingen van vele groepen, die zeker zeer fraai klinken, maar geen werkelijke betekenis hebben voor allen. Bijvoorbeeld, wij zoeken de vrede van Christus te vinden en zo, als uitverkorenen, eens in te mogen gaan tot het hemelse Jeruzalem. M.a.w., wij willen vanuit de hemel neerzien op allen, die ten onder moesten gaan, omdat zij niet wilden erkennen dat wij het wisten. Wat is dit voor een levenshouding? Ik zou zeggen, dat dit een vorm van godsdienstig en geestelijke nazisme is.

Want of je nu zegt: “Mein Kampf, wir Ubermenschen” of “mijn bijbel, wij uitverkorenen”, gehanteerd als middel tot zelfverheffing komt het alles op hetzelfde neer. Het is natuurlijk verleidelijk te mogen horen, dat jij uitverkoren bent, dat jij meerwaardig bent en dat alle anderen minder waard zijn dan jij. Maar als je je daaraan houdt, scheid je je af van de werkelijke en totale mensheid, waarvan je deel uitmaakt. Komt men echter, zoals het doel is van vele geestelijke en godsdienstige groepen, tot een bewust deel zijn van de algehele mensheid, dan ben je uiteindelijk niet alleen maar deel van die mensheid. Want wat wij mensheid noemen, is een enorm lichaam, daarin bevinden zich ook zintuigen en organen, die voor het geheel reageren. Noem deze mijnentwege Sephiroth, zoals sommigen doen, noem hen ‘engelen’, uitingen van God of goden. De naam doet er verder niet veel toe. Deze grote krachten in het geheel geven vorm en gestalte aan het geheel, zij zijn het, die voor ons een directe bewustwordingswaarde inhouden.

Wij kunnen echter niet gelijktijdig al die waarden beleven, met al die waarden gelijktijdig in bewust contact staan. Wij zullen trapsgewijs met al deze krachten kennis moeten maken en beseffende wat zij betekenen voor de mensheid als geheel, wij zullen als mensen verder moeten gaan, tot wij het totale Zijn van de mensheid leren begrijpen. In deze grote gemeenschap van de mensheid vinden wij namelijk het begrip of evenbeeld van God. Er is geen andere weg. Elk geestelijk systeem, elke leerstelling, komt uiteindelijk hierop neer. Vraag u dan af of deze erkenning duidelijk genoeg tot uiting komt. Vraag u af, of u het eens kunt zijn met de wijze, waarop de groep in kwestie als deel van de mensheid werkt.

Beschouw nooit een geestelijke richting als iets, wat op zich zelf staat. Er zijn altijd samenhangen met de gehele mensheid. In de meeste gevallen kan men de grote geheimscholen en esoterische richtingen beschouwen als een soort zenuwstelsel van de mensheid, waardoor de impulsen van de goddelijke waarheid tot de mensheid komen en zo binnen die mensheid de juiste, op God gerichte, reacties tot stand brengen. De Witte Broederschap kunt u als een van de zenuwen van het motorisch zenuwstelsel van de mensheid beschouwen binnen dit beeld. Meer niet. Deze waarden zijn, gezien tegenover het geheel van de mensheid, vaak onbelangrijk, hoewel zij ons buitengewoon belangrijk toeschijnen. Zij zijn onbelangrijk, maar, voor het geheel van de mensheid daarom niet minder noodzakelijk. Deze groepen en systemen maken het ons, ongeacht hun werkelijke belangrijkheid binnen het totaal van de mensheid, mogelijk eigen wezen in het geheel van die mensheid te integreren op de juiste wijze en juiste plaats.

Wanneer wij die plaats niet kunnen vinden, is het systeem voor ons waardeloos. Misschien is het u wel eens voorgekomen, dat u met een elektrische lamp aan kwam dragen in een huis, waar men nog gaslicht gebruikte. U kon daarmede dan ook niet veel doen, al is elektrisch licht eenvoudiger, moderner en doelmatiger dan gaslicht. Het hoogste geestelijke licht is waardeloos, tenzij het past in het systeem van de mensheid, waartoe je behoort; en daaronder valt dus ook de stoffelijke mensheid. Daarom moet het totaal van de keuze voor ons mede bepaald worden door eventuele stoffelijke consequenties. Eenmaal gekozen moet de leer of weg ook aanvaard worden met al zijn stoffelijke consequenties. Anders heeft zij geen zin. Heeft men echter de weg als voor zich juist erkend en aanvaard, met alle bijkomende stoffelijke werkingen en verplichtingen, dan is het ook een kracht van groot belang.

Mijne vrienden, geestelijke waarheid erken je in jezelf. Nergens anders dus. Dat, wat je in jezelf erkent, moet geuit worden. Dit uiten kan men als eenling in de wereld niet voldoende vinden, zelfs niet met de hulp van alle geestelijke krachten samen. Jezus zelfs had leerlingen nodig om zijn werk op aarde te kunnen volvoeren. Besef dit. Zoek een groepering, waarin en waarmede u kunt werken. Laat u door niets daarvan terughouden. Zoekt steeds naar kennelijke en ook stoffelijk kenbare bewijzen voor de juistheid van uw streven. Duizend zogenaamde wonderen zijn niets waard, wanneer zij alleen bestaan uit iets, wat de gelovige aanneemt of wat verondersteld wordt een wonder te zijn, zonder dat dit bewijsbaar is. De symboliek, de sacramentele en rituele waarden van een geestelijke groepering of richting hebben alleen dan zin, wanneer zij in de mens iets werkelijks doen ontstaan, wanneer zij resultaten brengen die beleefd en geuit kunnen worden. De grootste leer van transformatie en wonderlijke inwerkingen is alleen iets waard, wanneer er naast de mooie woorden en theorieën ook nog iets anders overblijft.

Dit betekent, dat uw keuze een voorzichtige moet zijn. Laat mij hieraan toevoegen, dat de Orde der Verdraagzamen en de Witte Broederschap als geheel zich niet ten doel stellen, u één enkele, enig juist levensrichting te tonen. Wij trachten slechts u zover op te voeden, dat u tot een bewuste en zelfstandige keuze in staat bent. U zou het zo kunnen uitdrukken: Wij hebben alle redenen om in geestelijk opzicht niet in de geldigheid van een tot alles verplichtende kinderdoop te geloven, omdat hierbij alleen maar een werking vanuit het goddelijke verondersteld wordt, maar geen rekening wordt gehouden met de mogelijkheden en eigenschappen van het wezen zelf. Een mens, die bewust zijn God kiest, zoekt te dienen op een bepaalde wijze; wie bewust een esoterische richting inslaat, zal dit met geheel zijn wezen doen. Hij zal dan ook de waarden van zijn weg vollediger kunnen beleven en iets bereiken daarmede.

Degene, die het alles komt aanwaaien of, erger nog, zijn geloof en innerlijke praktijk opgelegd krijgt van buitenaf, zal echter daarmede weinig of niets doen. Hij handelt uit gewoonte, omdat hij nooit anders heeft geleerd, omdat hij meent, dat het zo wel goed zal zijn, maar is zich van de werkelijke waarden en vooral van zijn eigen deelgenootschap in leer enz. niet bewust, zodat hij de praktijk – die vaak zeer belangrijk is – meestal maar met een korreltje zout meent te mogen nemen en zijn weg naar eigen believen en behoefte pleegt uit te leggen en aan te passen, waardoor haar werkelijke zin en betekenis hem voorbij gaat.

Wij wensen alleen u te helpen bij het zoeken naar een weg, het kiezen van een voor u geschikte richting. U kunt deze richting desnoods ook vinden binnen deze gemeenschap. Daar is niets op tegen. Maar denk niet, dat dit het enige werkelijke, het enige juiste doel, de enig juiste weg kan zijn. Ook wanneer onder de hoorders van de ODV, een groep, een geestelijke richting ontstaat, zullen zij zelf deze waar moeten maken. Zelfs de geest kan dit niet voor hen doen. Ga dus uw eigen weg, maar ga die weg nimmer alleen.

Zoek uw eigen waarheid, maar draag er dan ook zorg voor, dat u die waarheid tijdens uw streven daarmede nimmer hoeft te betwijfelen of te verloochenen in de gedachten of in daden.

Zoekt uw eigen kracht te vinden. Zo gij haar ontdekt, gebruik haar. Indien gij vermoedt of meent een kracht te bezitten, bewijs dan uzelf en anderen ook, dat deze kracht feitelijk bestaat. Kies uw eigen wetten, zeden, riten. Dit is alles niet zo belangrijk, mits u er maar voor zorgt, dat de wetten, riten en zeden, die u voor uzelf aanvaardt, niet nutteloos zijn. Wanneer zij geen werkelijke betekenis en waarde voor u hebben, maakt u zich schuldig aan een van de gevaarlijkste bezigheden, die er kunnen bestaan: Het spelen met geestelijk vuur.

De kern van dit alles kan in enkele woorden worden vastgelegd, woorden, die u na deze beschouwing ongetwijfeld zult kunnen begrijpen: Het ego gaat zijn weg door het Goddelijke om tot de erkenning van dit Goddelijke te geraken. Maar het zal slechts het Goddelijke waarlijk erkennen, beleven en de kracht daarvan uiten, wanneer het gezamenlijk met al het zijnde die Godheid aanvaardt en deze nimmer als exclusiviteit voor zich zoekt te verwerven.

Vragen

  • Worden er door de kinderdoop geen kanalen gemaakt, waardoor het kind mogelijkheden verkrijgt, die het zonder de doop zou missen?

Ik zei reeds, dat ik het met de kinderdoop niet eens ben. Indien de gelijke kanalen al zouden worden gemaakt, zouden zij toch gemaakt worden krachtens het geloof van de ouders en anderen, die bij de plechtigheid betrokken zijn, ongeacht of dit voor het kind al dan niet passend en juist is. Wij kennen bij de doop de leer van de uitstorting van de H. Geest – een deel van de genadeleer, geborgen in dit sacrament – toch wordt de doop over het algemeen alleen beschouwd als een entree bewijs voor het Koninkrijk der Hemelen voor het geval, dat het kind voortijdig zou overlijden. Men stelt in vele godsdiensten namelijk dat een ongedoopt kind niet in de hemel zal worden toegelaten, maar gedoemd is voortaan te spelen in het voorgeborchte der hel.

Zover het geloof, maar nu de feiten. In plaats van een eenmalig leven op aarde en daarbij, dus de noodzaak in dit leven onmiddellijk het hemelrijk te bereiken, hebben wij in feite te maken met een langzame groei van het bewustzijn, waarbij vaak meerdere levens in de stof mogelijk zijn en in ieder geval een leven op verschillende geestelijke vlakken – of in opeenvolgende sferen – plaats vindt. De doop verandert dus niets aan zijn mogelijkheden door de doop. Het zal ook zonder dit eenvoudig als geest terugkeren in zijn wereld en daar zijn bestaan voortzetten. De doop verandert hieraan niets.

Een tweede vraag luidt dan, of door de doop bepaalde kanalen worden geopend, waardoor het kind mogelijkheden verkrijgt, die het zonder dit niet zou bezitten. Zo dit al het geval is, is daarvan niet veel te bemerken. Bovendien zouden dan de gedoopten – die zelf daarop geen invloed hebben en daaraan weinig of niets kunnen doen – een zeer groot voordeel hebben op alle andere kinderen in de wereld. God zou dan dus onrechtvaardigheid tonen tegenover het niet gedoopte deel van de mensheid. Ik geloof echter niet, dat God onrechtvaardig is. Door de doop zou het kind vromer worden en eerder tot God komen, zegt men wel. Maar naar mijn ervaring verkrijgt men de vroomheid van kinderen meestal meer door ransel dan door doopsel. Ik meen zelfs, dat de kinderdoop en de daaraan gekoppelde noodzaak tot gedwongen vroom zijn, bij zeer velen op latere leeftijd een verzet wakker roept tegen de – op zich zeer goede – regels van hun geloof. Deze rebellie neemt dan vormen aan, die wij volgens de christelijke terminologie eerder aan de duivel dan aan de H. Geest toe moeten toeschrijven.

In de praktijk blijkt van een gesteld nut van de doop dus maar heel weinig. Het kind nu zal op het al dan niet gedoopt worden geen invloed uit kunnen oefenen, ofschoon in het menselijke denken aan dit gedoopt zijn vele verplichtingen verbonden zijn. Het kind kent deze niet en zal als op aarde nog niet vol bewuste geest deze ook niet kunnen beseffen in al hun mogelijke consequenties. Het kind wordt dus gebonden aan een geloofsaanvaarding en leefwijze, die met de mogelijke geestelijke vorming, en behoeften van de geest in dit kind helemaal niet strookt en zelfs een rem op verdere geestelijke ontwikkeling en bewustwording kan vormen.

Daarom is volgens mij de kinderdoop niet aanvaardbaar. Wanneer iemand bewust is van al, wat geschiedt en de keuze kent, die hij door het aanvaarden van een doopsel doet, met besef ook van alle daaraan verbonden gevolgen en een daarbij passende instelling heeft, zal de doop wel bepaalde kanalen open maken en geestelijke mogelijkheden, omdat gezien de gesteldheid plus het geloof, de sacramentele handeling, de emotie van het ogenblik en tijdelijk veranderde instellingen daarmede een contact met hogere goddelijke waarden tot stand kunnen brengen. Ik heb geen bezwaar tegen de doop van volwassenen en meen, dat hieruit onder omstandigheden zeer begerenswaardige gevolgen kunnen voortkomen. Maar ik heb bezwaar tegen de kinderdoop, die bovendien door velen schijnbaar vooral wordt gezien als een soort ziekenfonds voor zielen.

  • Hoe kan een contact met het hogere door middel van de doop tot stand komen?

Allereerst spelen hier bepaalde psychologische factoren een rol: Men ondergaat de doop om het bewustzijn of de verwachting, dat hierdoor een bijzonder contact met God tot stand zal komen. De eigen geest zal dan ook sterker dan anders voor het Goddelijke openstaan.

Men heeft zich verder – en na rijp beraad – bereid verklaard, alle consequenties van het gedoopt worden te aanvaarden. Dit is een omslag in de mentaliteit, waarbij zelfgerechtigheid en overschatting van eigen belangrijkheid geen rol spelen, maar een nederige aanvaarding van de goddelijke wet alles overheerst. Het gevolg is, dat een openbaring van die wet binnen de mens eenvoudiger en sterker tot stand kan komen.

De plechtigheid van het geheel, de rituele handelingen enz., de omgeving – mensen zowel als dingen – werken uitermate suggestief. De dopeling ondergaat dan ook meestal de plechtigheid in een toestand van verhoogd bewustzijn. Hij komt door de suggestie tot een toestand, waarbij hij een ogenblik de wereld en haar waarden geheel achter zich laat, daaraan niet meer denkt.

Een dergelijke toestand is nu bijzonder gunstig voor het ontvangen van inspiratie, contact met de geestelijke wereld. Het samenwerken van deze factoren maakt een ontladen van geestelijke krachten op de persoon in kwestie mogelijk. Bij een enigszins juiste instelling van de dopeling is een sterke werking van deze aard zelfs waarschijnlijk.

Door de schok, de grote ontlading van geestelijke kracht, kan vaak een contact tot stand komen, wordt een capaciteit in de mens wakker geroepen, die het de mens mogelijk maakt ook later – zij het vager – deze verbinding met hogere werelden te behouden. Hier meen ik, dat de volwassene, die de doop ondergaat – al zie ik het water als symbool en niet als uit zich reinigend sacrament – daaruit belangrijke waarde en zelfs blijvende werkingen zal kunnen verkrijgen.

  • Wat u zegt, houdt dus in dat de ouder het recht niet heeft de godsdienst voor zijn kind te kiezen?

Ik meen, dat de ouder niet het recht heeft aan het kind verplichtingen voor later op te leggen, die het kind zelf nog niet beseffen en aanvaarden kan. Vergelijk: U koopt op afbetaling, maar uw eigen inkomen laat dit niet toe. Daarom sluit u een contract, waarbij het kind later het door u begeerde zal moeten beginnen te betalen. Indien u dit onredelijk acht, moet u zich eens in gemoed afvragen, of het redelijk is, dat de ouders een kind de beperkingen en verplichtingen, die verbonden zijn aan het behoren tot een bepaald geloof, oplegt, zonder dat dit kind zich enig beeld kan maken van alle moeilijkheden en mogelijkheden, die later uit dit behoren tot een bepaald geloof voort zullen vloeien.

Volgens mij heeft een ouder dan ook niet waarlijk het recht zijn kinderen aan een kerk en kerkgenootschap te binden, zoals dit tot op heden voortdurend gebeurt. Dit houdt niet in, dat volgens mij de ouders het recht niet zouden hebben hun kind over hun geloof voor te lichten en, maar dan op grond van ouderlijk, maar niet op grond van goddelijk gezag, van het kind mogen vergen, dat het zich in het ouderlijk huis zal houden aan de regels, die de godsdienst van de ouders oplegt. Dit betekent een bevooroordeling van het kind in die richting, dat is waar. Maar zelfs dan blijft nog altijd het feit bestaan, dat het kind later voor zich, en zich bewust van de verplichtingen en moeilijkheden, verbonden aan dit geloof, kan bepalen, dit geloof voor zich te aanvaarden of te verwerpen. Het is dan ook vrij om een andere weg of desnoods geheel geen weg te kiezen.

  • Maar het stempel is dan op het kind gedrukt?

Inderdaad. Maar het kind heeft dan nog steeds het besef, dat het zelf een oordeel zal mogen vellen. Ik meen, dat juist het recht zelf te kunnen oordelen, voor de ontwikkeling van de mens van het grootste belang is. Een mens, die aanvaard uit gemakzucht of om andere redenen, zonder te oordelen, vergooit daarmede vaak een groot deel van eigen geestelijke mogelijkheden en zal hierdoor ook stoffelijk in onoverzienlijk knopen verward geraken, waaruit een uitweg alleen via veel onnodig leed en moeite gevonden kan worden. Denk hier eens aan de gemengde huwelijken enz. Voor vele mensen blijkt de godsdienst, die hen zonder eigen wil of inzicht in de kinderjaren is opgelegd, in latere jaren een soort geestelijke artritis te worden, hen verlammende, waardoor zij strompelend en lijdend door een leven gaan, waarin zij eigenlijk bestemd waren om vreugdig in Gods’ Licht te dansen.

  • De doop is een zaak van de ouders, niet van het kind. Als je het maar verder vrij laat, zal het later altijd nog zijn weg zelf kunnen kiezen.

Een redenering vanuit de ouders, waarbij het kind buiten beschouwing blijft.

Misschien mag ik u wijzen op een paar punten, die u misschien over het hoofd hebt gezien?

Wanneer u gedoopt bent in een christelijke kerk – ongeacht de gemeenschap – zal deze gemeenschap u levenslang als tot deze groep behorende christen blijven beschouwen, tenzij u uitdrukkelijk van dit geloof afvalt, door een ander geloof te aanvaarden. Zelfs dan zal men alles doen, om de “apostaat” tot terugkeer in eigen gemeente te bewegen. U wordt voortdurend als onderdanig aan, of horig aan de gemeenschap beschouwd, wat vele pressies met zich brengt, als kerkbelasting, verzoek om bijdragen, huisbezoek door ouderlingen, predikers en priesters enz.

Het is natuurlijk, dat de kerken de kinderdoop als belangrijk voorstellen en de ouders zelfs de plicht op willen leggen, hun kinderen te laten dopen. Voor hen betekent dit een continuering van hun gezag, een uitbreiding van hun macht. Wanneer het kind zelf zou moeten kiezen, zouden immers de kerken zo eenvoudig moeten spreken, dat ook een kind het kan begrijpen – en dat maakt vele theologische handigheidjes, waarmede men zich boven anderen verheft, onhoudbaar. Verder zou deze kerk zo moeten leven en zijn, dat het kind de redelijkheid van haar stellingen ook aan de praktijk zou kunnen toetsen, voor het zich tot de kerk zal bekennen. De kerken beseffen zeer wel, dat zij, wat praktijk betreft, niet direct een goed figuur slaan en leggen ook daarom de verplichting op aan de ouders hun kinderen in een soort geestelijke slavernij te verkopen kort na de geboorte.

Bovendien, heeft Jezus ooit tegen wie dan ook gezegd: “Later zullen wij er wel eens over praten, of je mij ook zult volgen, maar hiermede roep ik u alvast en zegen ik u. Nu zijt gij mijn leerling.” Jezus deed dit nimmer, de kerken doen het – in Zijn Naam – wel. Een God, die zou handelen volgens hetgeen de kerken vaak verkondigen omtrent de doop, is een dwaze, een onredelijke, een onrechtvaardige, een wrede god. Aan een dergelijke God wil ik niet geloven. Ik geloof aan een volmaakte God, een God van liefde, een Rechtvaardige God, die niemand zal afwijzen of tot zich roepen, omdat hij zich al dan niet aan een formaliteit heeft onderworpen.

Ik geloof, dat de relatie tussen mens en God niet afhankelijk is van het geloof, dat de mens belijdt, of de rituele uitdrukking, die daaraan werd gegeven, maar bepaald wordt door het innerlijk contact, dat tussen mens en God bestaat. Zolang een mens in kerken, in geestelijke groeperingen en richtingen van geestelijk streven dit criterium niet wenst te aanvaarden, zeg ik, dat zij, die de leer verkondigen, fout zijn en voor zich zelf wel beseffen, dat hun stellingen onjuist zijn. Ik zeg, dat zij dan niet streven naar de werkelijke beleving van God door anderen volgens hun openbaring, wet of lering – maar dat zij slechts streven naar een uitbreiding van hun macht en aanzien, door voortdurend met alle middelen, desnoods. Heel nominaal, het aantal van hun volgelingen uit te breiden. Ik acht een dergelijk spel met macht, politiek en ontwijkingen van de werkelijkheid onwaardig aan alles, wat een weg tot God zou moeten zijn.

Wanneer de ouders hieraan gehoorzamen in de eenvoud huns harten, om vervolgens hun kinderen toch vrij te laten in hun keus van godsdienst of geestelijk streven, zal ik er niet teveel van zeggen. Maar zelfs al zijn die kinderen dan in het gezin vrij een eigen keus te maken, toch wordt dan een stempel op hen gedrukt, staan zij ergens geregistreerd als katholiek, evangelisch, protestants gereformeerd of iets anders, en de gevolgen van die registratie zullen in hun verdere leven steeds weer op kunnen duiken. Of dit nu door het kind – de mens later – gewend wordt of niet, het zal, als gevolg van deze registratie voortdurend onderworpen worden aan rubriceringen en pressies, die volgens mij toch niet vanuit geestelijk standpunt verantwoord kunnen worden geacht.

  • Men zegt wel, dat de kinderdoop een voortzetting is van de besnijdenis. Is dit zo? Was de besnijdenis een hygiënische maatregel, of had zij zuiver godsdienstige betekenis?

De besnijdenis was oorspronkelijk een hygiënische maatregel, die in de godsdienst werd ingelegd om daardoor een handhaving van deze hygiëne op grotere schaal mogelijk te maken. U kunt zich de redenen het best begrijpen, wanneer u denkt aan mensen, die niet gewend waren zich met broekjes te tooien, maar zich alleen in hemdachtige gewaden bewogen door woestijnen met stofstormen enz. waar verder de mogelijkheid tot grondig reinigen en wassen vaak ontbrak. Wanneer u zich realiseert, hoe gemakkelijk onder deze condities aan het niet besneden onderdeel ontstekingen, opeenhopingen van smetstoffen e.d. voor kunnen komen, zult u beseffen, dat dit een maatregel was, die vooral de gezondheid wilde bevorderen. Later werd echter, ook wanneer dit niet meer noodzakelijk was, dit besneden zijn gezien als kenmerk van het behoren tot de godsdienst. Het is opvallend, dat wij de besnijdenis dan ook vinden als voorschrift bij godsdiensten, die allereerst ontstonden onder volkeren, die de woestijngebieden bewoonden. Ook de Islam kent bv. de besnijdenis, en ontstond in de woestijn.

De doop, een oud gebruik, maar in het christendom een symbool van Jezus’ doop in de Jordaan, tracht het behoren tot het geloof op een andere wijze uit te drukken. Toch moet ik u er aan herinneren, dat in de eerste dagen van het christendom de doop niet zonder meer als een regel, een behoren tot de kerk werd gezien en men er zelfs ruim 100 jaren over heeft gestreden, of men, om christen te kunnen zijn, voor de doop niet eerst de besnijdenis moest ondergaan. Doop en besnijdenis zijn dan ook verschillende dingen en het lijkt mij onjuist te stellen, dat zij één en dezelfde betekenis zouden hebben.

Het opnemen van deze dingen in de riten van de godsdienst is begrijpelijk, omdat men daarmee, vooral wat de besnijdenis betreft, vele tegenwerpingen voorkwam.

Zie deze dingen dus in het juiste verband en besef, dat de besnijdenis bij de geboorte werd volbracht, maar de jonge mens zodra hij manbaar was – zich na onderzoek van kennis en een bewuste onderwerping aan de wet, een soort belijdenis – als volwaardig lid van de religieuze gemeenschap werd opgenomen. Bij de doop is dit laatste niet het geval. De doop zelf bepaalt zonder meer het volwaardig lidmaatschap van de gemeenschap, ofschoon wij een afschaduwen van de bewuste aanvaarding nog terug kunnen vinden in de belijdenis bij reformatorische gemeenten en het vormsel in de katholieke kerk.

  • U zegt, dat wij niet moeten streven naar wat gemakkelijker is, maar naar het moeilijkere. Toch is er in ons een drang naar grotere eenvoud. Hoe dit te combineren?

Qua stelling is datgene, wat meer van u vergt, eenvoudiger. Wanneer ik u vele voorschriften geef, die ingewikkeld zijn en aan het einde daarvan zeg, dat u zich op God moet concentreren, zult u dit waarschijnlijk wel doen en bereiken. Indien men u echter zegt: trek u te midden van alle drukte even uit de wereld terug en ken alleen uw God, dan is dit veel moeilijker en zal men ook eerder zich verontschuldigen door te zeggen, dat men daarvoor geen tijd of mogelijkheid kan vinden. In dit laatste geval is de persoonlijke aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid dus wel veel groter.

Het ingewikkelde is een beginfase. Hoe eenvoudiger de leer wordt, hoe moeilijker het volvoeren daarvan in wezen is, hoe groter de persoonlijke aansprakelijkheid, maar ook hoe minder men een eventueel falen op anderen kan afwentelen. Wanneer je kracht krijgt van anderen en precies krijgt te horen, wat je daarmede moet doen en hoe, dan is geestelijk werk eenvoudig.

Wanneer je in jezelf krachten kunt verkrijgen voor werken, die anderen noodzakelijk noemen, is het al moeilijker. Wanneer je in jezelf een kracht bezit en alleen en voor jezelf moet beslissen, waar en hoe je deze kracht zult gebruiken, is de taak nóg veel moeilijker. Hopelijk maakt u dit duidelijk, dat eenvoud van stelling en begrip niet inhoudt, dat het ook gemakkelijker wordt. Ik zou zelfs willen zeggen: De eis en dus de moeilijkheid wordt groter, naarmate de eenvoud toeneemt.

Onze aanvaarding is in wezen zeer ingewikkeld. Het is een proces, waarbij de mens alle eigen denken, bewustzijn en verantwoordelijkheid pleegt af te schuiven op anderen, die dan maar alles moeten weten en de aansprakelijkheid dan ook maar moeten dragen. De mens echter, die meer bewust wordt, beseft uiteindelijk, dat hij zelf zal moeten beantwoorden aan bepaalde eisen en dit niet dient te doen, omdat dit voorschrift is of de wil van anderen, maar omdat hij de noodzaak voor zich erkent. Dit laatste is veel moeilijker, ook wanneer de stellingen, die hiertoe voeren, de moeilijke constructie ontberen van regels en leringen, die rekening houden met een afschuiven van alle aansprakelijkheden en een voortdurend beroep op sterkeren.

Daarom kiest de mens in het begin steeds weer leringen, die zeer ingewikkeld zijn of gemaakt worden, voorzien van vele voorschriften en beloften. Wie verder gaat zal de stellingen eenvoudiger zoeken te maken maar gelijktijdig zichzelf zwaardere verplichtingen opleggen, omdat men innerlijk aan de eisen gaat beantwoorden in plaats van een alleen uiterlijk aan gestelde eisen te beantwoorden, zoals in de beginfase meestal voorkomt. U zult begrijpen, dat het daarom niet juist is, terug te gaan op zijn schreden en eigen besef weer in te ruilen voor een niet controleerbaar gezag van anderen, aangevoelde plichten te ruilen voor voorschriften, waarvan men de zin soms niet eens beseft.

  • Wanneer de bijbel spreekt van het uitverkoren volk, is dit dan niet een uitsluiten van al, wat buiten dit volk valt?

 De bijbel is niet door God geschreven, maar door mensen. Zo er al een goddelijke inspiratie is geweest, zal de vertaling van die inspiratie door mensen zijn geschiedt. Wij weten nu, dat in het verleden zeer vele volkeren zich als uitverkoren hebben beschouwd. Dit komt zelfs nu nog voor, onder meer in Nederland, waar een geestelijke groep, die aan de vishandel is geparenteerd zich bijzonder uitverkoren schijnt te voelen… Lou, inderdaad.

Wanneer men de bijbel als letterlijk Gods’ woord verdedigt, zijn de argumenten wat eigenaardig: “De bijbel is Gods woord, want dat staat in de bijbel…” “Vrienden, ik ben de aartsengel Gabriël. En het staat vast, dat dit waar is, want ik zeg het zelf…” Dit is geen bewijsvoering, geen juist argument.

Uitverkoren volk is een, in de tijd waarin de bijbel geschreven werd, gangbare term, die wij ook elders aantreffen. Alleen bleken de leerstellingen van de joden duurzamer te, zijn dan de meeste leringen die van een uitverkiezing spraken in het verleden. Israël is de uitverkorene van zijn God. Hun god is voor hen de enige ware God, alle andere goden zijn duivels. Dat is het ware verschil tussen de leringen van Israël en die van de stadstaten uit de tijden der aartsvaders. De uitverkiezing wordt gebaseerd op de belofte, gedaan aan Abraham, dat zijn nageslacht talrijk zal zijn als de korrels zand in de woestijn. Wij kunnen dit zien als een ingrijpen van God.

Maar ook hier rijst weer de vraag: Was dit de algehele, de totale God, of de God van Israël?

Want er wordt steeds gesproken over de God van Israël. God echter geeft zijn wezen en kracht aan alle volkeren. Conclusie: Zo er al van een uitverkiezing sprake is, is dit een uitverkoren zijn door een rassengeest, de stamgod van Israël. Dat deze identiek is met de Heer van alle Leven wordt eerst veel later als vanzelfsprekend aangenomen. Volgens, mij is er geen sprake van een onrechtvaardigheid van de Schepper, maar van een aanmatiging vanuit de godsdienst. Ik hoop niet, dat men dit zal zien als een uiting van antisemitisme. Men is daarmede in deze dagen nogal snel. Maar: Als de Schepper van hemel en aarde de Joden had uitverkoren boven alle mensen, was dit, zeker tegenover vele andere volkeren, die meer volgens de goddelijke wetten leefden dan de aartsvaders, een onrechtvaardigheid, maar voor mij gaat het hier kennelijk om de relatie met een entiteit of geleidegeest van de stam.

  • Hoe is uw oordeel over de volgende Oosterse geloofsrichtingen voor de Westerse mens? Boeddhisme, Bahia-geloof, Islam?

Het boeddhisme lijkt mij voor de Westerse mens alleen aanvaardbaar, wanneer hij voldoende contemplatief is aangelegd en dus afstand kan doen van het te praktische leven in de wereld. De doorsnee Westerse mens is volgens mij echter te zeer in zijn wereld verknoopt en verward, om een goed boeddhist te kunnen zijn. De wijsheid van het boeddhisme acht ik voor de Westerse wereld wel van belang, en meen, dat men deze leerstelling als aanvulling op het christelijk denken zeer goed kan gebruiken. Men zal deze m.i. echter nimmer volledig in praktijk kunnen brengen.

Wat het Bahia-geloof betreft, zo meen ik, dat dit voor de mentaliteit van de doorsnee Europeaan niet geheel schijnt te passen. De gevonden synthese op zich is wonderlijk mooi. De gemeenschap echter bestaat uit mensen, die zovele eigen voorkeuren en vooroordelen hebben, evenals volop zelfgerechtigheid, dat iedereen eigen zienswijzen en argumenten het zwaarste wil laten leven. Ik meen, dat men daardoor aan de grote rust en bewustwording, die Bahia’ Ullah wil brengen, meestal wel voorbij zal lopen. Volgens mij is deze leer voor de westerse mentaliteit eveneens te weinig militant en vergt een aparte, weinig zwevende instelling die weinigen op kunnen brengen.

De islam lijkt mij voor de Westerse mens aanvaardbaar, omdat deze leer in de gangbare explicatie misschien wel wat simpel lijkt, maar een discipline vergt, zelfbeheersing, trouw en daarnaast voldoende mogelijkheid biedt tot strijd en zelfontwikkeling, om aanvaardbaar te kunnen zijn.

image_pdf