Keuze van levensdoel

uit de cursus ‘Praktische bewustwording’ 1958-1959

Wanneer je in de wereld staat en je hebt geen doel, dan is het leven leeg en zinloos. Je moet een bepaald iets hebben, waarnaar je kunt streven. Er moet een inhoud zijn in je leven. En wanneer je dat alleen stoffelijk kiest, loopt het altijd weer op teleurstelling uit. Want een zuiver stoffelijk doel kan nooit beantwoorden aan de eisen die een mens, bestaande uit stof en geest, stelt aan een doel. Elke bereiking wordt dan een teleurstelling. Wij moeten dus beginnen met vast te stellen dat elk levensdoel dat een mens zich kiest, twee kanten moet hebben. In de eerste plaats moet het stoffelijk kenbaar zijn, in de tweede plaats moet het geestelijke inhouden en consequenties met zich brengen.

Dat doel moeten wij altijd kiezen in verband met wat voor ons het meest belangrijke is. En ik aarzel hier niet als het meest belangrijke in ieders leven te stellen: de band met God of ‑ zo u wilt met de natuur ‑ de levende Kracht zelf dus die ons in staat stelt te denken en te handelen. Zo moet elk doel in de eerste plaats o.i. zijn gericht op het Goddelijke.

Het is niet erg gemakkelijk om dat Goddelijke je voor te stellen. Dat wil dus zeggen dat onze voorstelling van het Goddelijke een beperk­te zal zijn en ons doel op dit beperkte doel van het Goddelijke blijft ge­richt. De voornaamste eigenschappen echter, die wij als redelijk denkende wezens met enig geestelijke inhoud in God zullen vinden, is liefde. De goddelijke liefde overheerst alle dingen. Er bestaat geen enkele twij­fel aan dat een God, Die niet liefdevol is t.o.v. zijn schepping, ons slechts tot een verwerpen van de schepping en de schepper kan aanzetten. Slechts in de verhouding schepsel tot Schepper, gedragen door genegenheid en liefde, kunnen wij ons een doel kiezen en wordt ons het streven inderdaad de moeite waard. Als gevolg stellen wij als regel, dat onze eerste en voornaamste voorwaarde moet zijn bij elk doel ‑ de goddelijke liefde in praktijk brengen, de goddelijke liefde beleven.

Die genegenheid, die goddelijke liefde, kan natuurlijk zeer persoonlijk worden geïnterpreteerd. Maar dit is meestal uit den boze. Wij moeten de goddelijke liefde niet zien als een zuiver op personen te concentreren iets, maar als een alomvattend iets. In elk doel moet de gemeenschap (het zijnde) mee betrokken zijn. Zonder dit zal het doel nooit kunnen beantwoorden aan de verwachtingen die men ervan koestert.

Hebben wij een doel gekozen, dat dus inderdaad de wereld omvat en tevens de goddelijke liefde ons doet beseffen en waar mogelijk in praktijk te brengen, dan rijst echter nog de vraag: In welke richting moet ik een doel kiezen? Ik stel mij een doel. Maar is dit doel voor mij bereikbaar? Is dit praktisch, is dit logisch, is dit voor mij te verwerkelijken? En wanneer wij deze vragen stellen, laten wij eigenlijk automatisch de vraag volgen: kan Ik dit? Is dit voor mij mogelijk? Een antwoord op die vraag, kun je geven, wanneer je bepaalde grondeigenschappen van je eigen wezen erkent.

De grondeigenschappen, waar het in de eerste plaats om gaat, zijn: kunnen wij meer kosmisch denken, d.w.z. kunnen wij de problemen van de persoon losmaken en zien als een algemeen heersend probleem, waarvoor een algemeen heersende oplossing ergens in het Goddelijke te vinden zal zijn. Kunnen wij hierop geen “ja” zeggen, dan behoeft ons streven niet veel verder te gaan. Laat ons dan maar in de kleine kring blijven. Zolang wij niet in staat zijn verder te denken dan een kleine kring, enkele mensen, enkele belangrijke punten, zullen wij in een gees­telijk streven niet verder komen en in de stof steeds geremd worden, zodra wij een handeling willen stellen die verder grijpt dan alleen maar eigen omgeving, eigen milieu, kunnen wij echter deze vraag bevestigend beantwoorden, vinden wij in onszelf het vermogen om naast de eigen pro­blemen de problemen van de wereld te zien en elk probleem te zien in verband met alle problemen van gelijke geaardheid die op de wereld be­staan. Dan hebben wij daarmee ook tevens de eerste algemene factor gevonden die ons doel kan bepalen.

Wat is mijn eigen probleem? Wat is mijn eigen zoeken? Wat is hetgeen waaronder ik lijd? Wat is hetgeen mij vreugde geeft? Het is gemakkelijker om dit te erkennen, dan u denkt. Ge zult zeggen: Ja, maar wij doen dat zo oppervlakkig. Zeker. Maar in die oppervlakkigheid zult u nooit uw persoonlijkheid geheel kunnen ontkennen. Elke definitie “dit is mijn grootste zorg”, “dit is mijn grootste leed”. “Dat is mijn grootste vreugde” geeft u de mogelijkheid om voor uzelf te definiëren in welke richting uw streven moet liggen. En wanneer wij dan bepaald hebben met welke problemen wij ons in de eerste plaats bezighouden, dan komt de tweede factor (ook een zeer belangrijk punt): wat zijn mijn bekwaamheden?

Die bekwaamheden zou u misschien willen zien in een bovennatuurlijke zin. Maar dat is lang niet altijd waar. Elke mens heeft bepaalde bekwaamheden. De één kan misschien goed praten, de volgende kan goed denken, de derde kan mensen genezen en de vierde kan typen. Wat je ook kent, ken je. Je hebt een bepaalde capaciteit. En deze capaciteit is datgene, waarmee je de mensheid het beste kunt gaan dienen. Wanneer je een goede huisvrouw bent en je wilt plotseling een vrouwelijke advocate worden, sta je voor grote moeilijkheden. Dan zal je een hele tijd niet in die gemeenschap kunnen werken. Alleen wanneer uit je hele wezen de noodzaak naar voren komt om die graad te bereiken, heeft het zin er op in te gaan. Verstandiger is het echter te zeggen: “Ik ben een goede huisvrouw”, of “ik ben een goede timmerman” of “ik “ben een goed jour­nalist” of “ik ben een goede boekhouder.” Daarin zal ik in de eerste plaats zoeken mijn doel te verwerkelijken.

Dan hebben wij dus al twee punten gevonden. Uitgaande van het goddelijke en de goddelijke kracht, uitgaande verder van onze problemen, hebben wij een idee. Er is iets wat in de stof zowel als in de geest bereikt kan worden. Wat wij kunnen bereiken door onze eigen werkzaamheid op aarde, die ‑ geestelijk weerspiegeld ‑ bovendien een geestelijke ge­richtheid inhoudt. En het middel dat wij daartoe gebruiken, is ons eigen vermogen, onze eigen capaciteit. Een schijnbaar eenzijdig doel dus. Maar schijnbaar niet werkelijk. Want op het ogenblik dat wij proberen al­les in kosmische zin te gaan doen ‑ zelfs wanneer wij een opstelling ma­ken van 788 getallen vanwege de boekhouding ‑ wanneer wij proberen dit niet alleen te begrijpen als het optellen van cijfers, maar als het ver­vullen van een functie, het helpen verwerkelijken van iets, dan zullen wij juist daardoor ons instellen op bepaalde krachten in het Al.

Nu hebt u in de vorige les het een en ander te horen gekregen over harmonieën. Harmonisch zijn is zeer belangrijk. Niet alleen in jezelf maar harmonisch zijn met God. Op het ogenblik dat u met een doelbewust werken, een bepaalde taak aanvaardt en volbrengt, zult u daardoor in harmonie zijn met een bepaald deel van de kosmos. En in die kosmos leeft God in alle dingen. Elke werkelijk eerlijke en oprechte taakvervulling brengt contact met het goddelijke. Elk contact met het goddelijke betekent een verder ontwaken van de persoonlijkheid.

Nu zullen wij maar al te vaak geneigd zijn te zeggen: “ja, maar het doel dat ik mij kies, moet wat meer zijn, dan wat ik zo gewoon doe, wat ik zo normaal doe. Inderdaad, dat kan op de duur verwerkelijkt worden. Maar u zult steeds moeten beginnen bij datgene wat u nu kent, wat u nu doet, wat u nu heeft. De mogelijkheden die u vindt om uw eigen interpretatie van goddelijke liefde, van eenheid, van harmonie te verwezenlijken en uit te dragen, zijn groot genoeg. Voor u ligt daarin de mogelijkheid tot scholing.

Natuurlijk, er komt steeds meer bij. En dat “meer” beantwoordt aan een wet. Een wet die een directe afleiding is van de kosmische wet van evenwicht. Die wet zegt ons dit: Naarmate mijn streven meer op het Al gericht is, zal meer van het Al in mij weerkaatst worden. Er is een wisselwerking tussen mijn streven naar het Al en de werking van het Al in mij. Hoe egoïstischer ik ben, hoe minder de schepping en het goddelijke in mij kunnen spreken en hoe meer ik mijzelf gelijk blijf, tot stilstand gedoemd ben. Hoe meer ik echter zoek te streven voor de mensheid, voor de kosmos, voor God a.h.w., hoe meer deze waarden in mij levend worden en mijn bewustzijn uitbreiden. Elke bewustzijnsuitbreiding betekent tevens een vergroting van weten. Vergroting van weten houdt in vergroting van daadwerkelijke capaciteit. Een vergroting van daadwerkelijke capaciteit betekent een ruimere doelstelling, maar gelijktijdig een benadering van het eerst gestelde doel.

Op deze wijze kunnen wij krachtens de harmonie die in ons leeft, komen tot een veel verder ingrijpen in ons eigen bestaan dan velen voor mogelijk zouden houden. En dan gaat het niet in de eerste plaats om de buitengewone capaciteiten en eigenschappen als helderziendheid, helderhorendheid en wat erbij hoort. Deze zijn nevenproducten van het streven, nl. het ontwaken van een deel van het wezen dat normalerwijze sluimert en niet tot ontwikkeling komt in de mens. Als uw bewustzijn groot genoeg is, dan ontwaken deze capaciteiten vanzelf. Stel dus nooit een dergelijke capaciteit als doel. Integendeel, stel uzelf als doel te streven naar het Goddelijke en accepteer wat u gegeven wordt met vreugde.

Er zijn natuurlijk nog heel wat meer bepalingen en ook beperkingen voor de keuze van een doel. En laat mij aan allereerst beginnen met verder nog enige beperkingen te noemen. Je mag nooit een doel kiezen, dat je dwingt anderen terzijde te stellen. Op het ogenblik nl., dat het doel belangrijker wordt dan je omgeving in de wereld, zal je dit zelf als een soort onrecht ervaren. Hierdoor ontstaat een psychische verenging, een psychische vernauwing en is men niet in staat de volle resultaten van een harmonie met kosmische waarden te verwerven. Men kan niet tot een totale harmonie komen. Wanneer wij echter bij de keuze van een doel rekening houden met de behoeften en noodzaken van onze omgeving, dan zullen wij juist daarin in staat zijn een steeds grotere vrijheid te gewinnen en zonder onze medemensen dus aan overlast of beledigingen of ergernis bloot te stellen, in staat zijn in een steeds sterker erkennen van goddelijke waarden ook ons eigen wezen te ontplooien.

Dan mogen wij ook nooit een doel kiezen dat buiten ons eigen­lijk gezichtsbereik ligt. Wanneer u hier staat aan de kust bij Scheveningen en u zegt: Ik kies mij als doel Buenos Aires, dan is de kans even groot dat u aan de zuidpool terecht komt als dat u ergens in New York belandt. Wanneer wij staande in een beperkt bewustzijn gaan zeggen: Wij stellen ons als doel God te erkennen, dan weten wij niet waar het doel uithangt. Het doel dat wij ons stellen, moet een doel zijn dat wij kunnen zien.

Het moet iets zijn wat dichterbij ons ligt. Iets wat reëel genoeg is om daadwerkelijk elke daad daarop te richten. Bewustwording en streven mo­gen geen loterij worden. Zoiets van: Nu ja, ik zal wel met mijn gedachten verdergaan en dan komt er wel eens iets. Zeker, diezelfde kans heeft u als u een lot in de loterij heeft. Maar ik garandeer u, wanneer u een lot koopt, hebt u meestal niets en maar heel zelden de 100.000. Zo gaat het geestelijk precies hetzelfde. Kies een doel dat u kunt zien. U kunt misschien niet begrijpen op dit ogenblik wat de verwezenlijking van dat doel inhoudt. Dat neem ik graag aan. Maar u kunt u voorstellen wat het is en wat u moet doen om er te komen. En alleen als uw eigen voorstellingsvermogen het u mogelijk maakt die weg van verwerkelijking af te tekenen, heeft het zin een dergelijk doel te kiezen.

Een andere beperking: wij mogen nooit een doel kiezen dat strijdig is met onze leefwijze. Het is heel aardig om op een gegeven moment te zeggen: “Nu gaan wij eens even een doel kiezen van zuiver geestelijke instelling,” terwijl wij eigenlijk veel houden van een bioscoop, een cabaret, een gezellig borreltje op een terrasje en alle meer mondaine vreugden. Het is logisch, dat wij nooit dat doel zullen kunnen bereiken. Onze instelling is tegengesteld. Hoe kunnen wij onze gedachtegang vereenzelvigen met die leefwijze? Dan moeten wij eerst die hele leefwijze veranderen, afbreken, voordat wij één stap verder komen. Nutteloze moeite. En heel vaak nodeloze moeite, want we krijgen het niet helemaal voor elkaar. Dus kies je een doel in overeenstemming met wat je bent, de wijze waarop je leeft, de wijze waarop je denkt. Zorg dat wat er nu bestaat de directe basis kan zijn voor je streven en voor het doel.

En dan nog een voorbehoud. Wie in de stof leeft kan wel streven naar een geestelijke bereiking, maar hij kan nooit streven naar een bereiking met zuiver geestelijke waarden. Levend in de stof heb je de taak in die stof te bestaan en te werken en zal je niet een zuiver geestelijk doel kunnen bereiken zonder gelijktijdig een stoffelijke uitdrukking eraan    te geven. Stof is voor u primair, ons ziet u niet. En wanneer u ons moet horen, dan moet het eerst gaan door klanken die wij moeten overbrengen op de lucht, trillingen die bij u weer worden omgezet in woorden en ge­dachten en begrippen. Laat ons duidelijk zijn. Stoffelijk moet er een verwerkelijkingsmogelijkheid aanwezig zijn voor uw streven, anders heeft hetgeen zin. Er moet stoffelijk en metterdaad een basis kunnen worden gelegd. Die basis kan soms zeer gering zijn, maar ze moet aanwezig zijn. Zonder dit heeft het “je stellen van een doel” geen zin.

Dan heb ik u gezegd dat ik nog een paar regeltjes zou opsommen. Ik heb u nu 4 grote beperkingen genoemd. En die regels zijn eigenlijk ook nogal eenvoudig. In de eerste plaats: probeer nooit een doel te verwer­kelijken zonder eerst de tussenliggende trappen die ter bereiking voe­ren, overwogen en in praktijk getracht te hebben. Als je te ver grijpt, val je elke keer weer op je neus. En het is wel gemakkelijk om te spre­ken van vallen en opstaan, maar vallen en opstaan ontneemt je zo vaak de moed om dan nog verder te gaan. Wanneer je je een doel hebt gesteld en je zegt: “Ik moet ineens dat doel bereiken” dan kun je er nooit ko­men, nietwaar? De wet zegt dat elke bewustwording een geleidelijke ont­plooiing van het wezen is met een uiteindelijke congruentie met het god­delijke scheppingsplan. En daaraan moeten we ons houden. Wanneer wij een doel kiezen, moeten wij dat doel langzaam nastreven, maar gestadig!

De tweede regel ‑ ook al heel eenvoudig ‑ leert ons dit: op het ogenblik dat ik mij een doel heb gesteld, wordt het voor mij noodzakelijk dit doel mij steeds voor ogen te houden. Om een doel werkelijk te bereiken, zal men zich dat doel steeds weer voor ogen moeten stellen door het te omschrijven en voor zichzelf uit te spreken. En zelfs wanneer dit doel in de loop der tijd iets varieert, is het slechts belangrijk dat de hoofdgedachte dezelfde blijft. Hierdoor wordt bereiking vereenvoudigd en sneller mogelijk gemaakt. Wij zien het doel steeds en zullen dus elke gedachte daarop richten.

Dan is er nog een leuk regeltje. En dat regeltje is een directe afleiding van de wet van oorzaak en gevolg. Dat vertelt ons zo maar, heel plompverloren: om te streven naar geestelijke krachten moet een geestelijk ontwaken plaats gehad hebben. Elk streven naar een geeste­lijk ontwaken bevordert het ontplooien van geestelijke krachten. Maar het trachten geestelijke krachten geforceerd te gebruiken, voordat het eigen wezen daaraan is aangepast, zal het bereiken van het doel tegenhouden en in vele gevallen een absolute verwarring van bewustzijn ten gevolge hebben.

En ja, aan nog een laatste regel: wie streven wil, moet zich buiten het directe doel een ideaal kiezen. Het ideaal is in zekere zin een fantasie. Het is een droom die uit jezelf is voortgekomen, een droom waarin je je werkelijke verlangens geheel kunt uitstorten. Deze fantasie echter moet in overeenstemming zijn met het doel. Het doel is voor ons steeds een eerste benadering van het ideaal. Aangezien een ideaal ver­dergaat dan stoffelijke of geestelijke waarden, maar een directe interpre­tatie is van goddelijke eigenschappen volgens ons weten en denken, zullen wij door ons tevens het ideaal voor ogen te stellen God steeds dichter bij ons brengen en daardoor steeds meer kunnen profiteren van de goddelijke kracht bij ons streven naar het doel, dat wij willen bereiken.

Wanneer wij ons een doel kiezen, dan beperkt dit in zekere zin onze inspanning. Want wanneer je een doel gekozen hebt, dan zal je alleen daarnaar streven. Veelzijdigheid is uit den boze. Er zijn wel mensen die denken dat je plotseling een heilige kunt worden of plotseling alle kwade eigenschappen achter kunt laten. Geloof mij: dat is een illusie. De zgn. kwade eigenschap die op zichzelf meestal niet zo kwaad is als u wel denkt, wordt getransponeerd op een ander vlak, waardoor u haar niet meer erkent, maar ze blijft aanwezig. Er is slechts één punt, waarop vaak een absolute overwinning noodzakelijk is, en dat is juist in de richting van het doel. Onze wijze van streven wordt bepaald door het onszelf overwinnen, voor zover het voor het doel noodzakelijk is. Voor de rest maken wij ons niet zo druk. Alleen wanneer ons doel in gevaar komt, zullen wij alle krachten inspannen, alle zeilen bijzetten.

Natuurlijk komt dan de grote vraag naar voren. Maar doen wij dan ondanks ons streven naar een goed doel eigenlijk niet te veel kwaad? Kijkt u eens, wanneer u een doel kiest en daarnaar streeft in harmonie met het Goddelijke, dan kunt u toch nooit iets doen wat tegen het Goddelijke ingaat, nietwaar? Bovendien, God heeft alle dingen geschapen, niet alleen maar enkele. Er zit in de dingen, in de feiten en de mogelijkheden zelf nooit kwaad. Dat kunt u er alleen inleggen. Wanneer u nu begint met zeer veel dingen te veroordelen in de wereld, dan dwingt u zichzelf om dus zeer veel kwaad te vermijden. Hoe meer kwaad u moet gaan overwinnen of vermijden in uzelf, hoe minder ver u komt. Vandaar dat het “oordeel niet” ‑ met erachter: het vermanende: “opdat gij niet geoordeeld worde”‑ hier wel in het bijzonder zijn kracht krijgt en zijn betekenis. Wanneer je weet wat je wilt, dan moet je daarnaar streven. Dat is goed, dat is een doel dat je je hebt gesteld, dat is een ideaal dat je voor ogen zweeft. Verwerkelijk het ongeacht de kosten. Maar houd je dan niet bezig met al die kleinigheden daarbij.

Ik mag misschien voorbeelden geven om duidelijk te maken, wat ik daarmede bedoel. Iemand heeft zich voorgenomen om ter wille van de harmonie met God zich op een bepaald gebied te ontwikkelen of op een bepaald gebied arbeid te verrichten. Dat kan zijn tekenen, schrijven, componeren, dichten of meer praktisch sociaal werk, kortom het kan van alles zijn. Maar nu neemt die taak een zeker deel van je tijd in beslag. Wanneer je daarbij gestoord wordt, dan ben je wel eens kregel, dan blaf je een ander af en dat is natuurlijk niet goed. Neen, logisch, goed is dat niet. Maar het is een nevenproduct van ons streven. Is het nu kwaad? Het is slechts dan kwaad, wanneer wij het opzettelijk doen. Het moet slechts dan overwonnen worden, wanneer het uit ergernis of haat tegen een bepaalde persoon voortkomt. Maar het behoeft niet overwonnen te worden als het een normaal bijproduct is. Wij mogen rustig eens een keer kregel zijn, dat geeft niet. We kunnen zeggen: Ja, maar het drinken van een glas wijn of het roken van een sigaret is eigenlijk toch niet 100 % juist. Het is een kwade eigenschap, het is een verslaafdheid. Die moet je overwinnen. Dat ben ik direct met u eens, wanneer u zich dit als doel hebt gesteld. Maar wanneer uw doel nu bv. is een boek te schrijven en u kunt alleen maar schrijven, wanneer u een sigaret tussen de lippen heeft of zo nu en dan een glas wijn drinkt of een kop sterke koffie, heeft het dan zin eerst die kwaal te gaan overwinnen en dan pas te gaan werken? Dan kom je nooit tot het schrijven van je boek of tot het componeren van het stuk, dan zal je nooit je sociaal werk op de juiste wijze kunnen verrichten. Het is dwaasheid deze kleinigheden te gaan overwinnen en het doel uit het oog te verliezen.

Zo zijn er meer van die punten. Er zijn mensen, die leven op hun eigen wijze. Ze denken op hun eigen wijze. En wanneer u vanuit een maatschappelijk milieu daarmee in contact komt, dan zegt u: “Daar deugt iets niet.” Dat kan nu wel allemaal waar zijn, maar wat deugt hier niet? Iets volgens uw idee van de maatschappij? Of is er iets aanwezig wat absoluut strijdig is met uw doel? Is het inderdaad strijdig met het doel dat u zich gesteld hebt, dan verwijdert u zich van die mensen. U laat hen vrij hun gang gaan, maar u verwijdert zich van hen. Want u hebt niet het recht in de vrijheid van die anderen in te grijpen, maar u moet uw doel verwerkelijken. Alleen wanneer ‑ en dat kan dus ook voorkomen ‑ de verandering of verbetering van deze mensen volgens hun eigen bewustzijn en inzicht maar krachtens uw werkzaamheid uw doel is, hebt u het recht en dan nog op zeer‑ bescheiden wijze ‑ om u met die anderen en hun leven te gaan bemoeien. Anders niet.

Nu hoor ik heel vaak als doel: wij willen de mensheid helpen en wij willen genezing, wij willen vrede op aarde brengen. Een heel mooi doel. Maar een doel dat pas inhoud en zin kan krijgen, wanneer het veel nauwkeuriger wordt gedefinieerd. We kunnen natuurlijk iets doen voor de vrede op aarde, wij kunnen ons denken en leven daarop instellen, we kunnen grotere harmonie produceren en daardoor naast vrede ongetwijfeld ook genezing en wat er verder is brengen. Maar als wij dit richten op de wereld, dan staat het te ver van ons eigen leven af, dan kunnen wij niets bereiken. Wij moeten wel degelijk beginnen in de naaste omgeving. Als je begint met te zeggen “vrede op aarde”, begin dan met geen ruzie te maken in je eigen omgeving. Dan kom je een stap verder, eerder niet. Wanneer je zegt “ik wil genezen” probeer dan eerst eens voor jezelf te zorgen. Probeer eerst op de meest normale wijze degenen, die in je omgeving zijn, te helpen. Dan zal je ten slotte anderen kunnen helpen. Wanneer je zegt ” ik wil groter geestelijke leiding hebben”, dan is dat een doel dat ik ongetwijfeld kan appreciëren. Maar ik stel daartegenover dat die groter geestelijke leiding alleen dan zin heeft, wanneer je eigen bewustzijn voortdurend sterker en groter wordt. Eerst in de ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid ligt de mogelijkheid tot verdere en betere geestelijke leiding besloten.

En dan is er nog een punt. Men verwart maar al te vaak geestelijke en menselijke verhoudingen. Het is misschien duidelijker, wanneer ik dit vanuit het standpunt van de geest nog even formuleer. Voor de geest is het absoluut niet van belang wat u stoffelijk doet. Het gaat nl. niet om die daden. Of u op de markt staat, of dronken in de goot ligt, of in hotel des Indes soupeert, dat maakt helemaal geen verschil. Het enige waar het om gaat is, of hetgeen uzelf stoffelijk doet en beleeft in strijd is met het doel dat u zich gesteld hebt en waarnaar u streeft, of niet. Het andere komt er niet op aan. Voor de geest is het absoluut onbelangrijk of u putjesschepper bent of de meest bekende professor of lector aan een universiteit. Dat maakt geen verschil uit. Rang en stand maken geen verschil uit. Sekse en sociale positie maken geen verschil uit. Het enige dat voor de geest telt, is oprechtheid. En wanneer u be­grijpt dat die oprechtheid belangrijk is, dan zult u ook begrijpen dat wij vanuit ons standpunt ons alleen kunnen richten tot degenen die oprecht zijn in hun streven. En dat streven moet liggen – denkt u aan de regels die genoemd zijn ‑ in hun eigen wereld en hun eigen gebied van mogelijkheden. Vanaf het ogenblik dat een dergelijke keuze bestaat, zullen wij kunnen meewerken. Maar dit medewerken heeft niets te doen met het doel dat u zich gekozen hebt of de wijze waarop u leeft. Het heeft allen te doen met de harmonie die er bestaat tussen u en ons in de goddelijke zin van het harmonisch kosmisch zijn. Dat is het enig belangrijke.

Nu u dit zo hoort uit de geest, kunt u vanzelf wel begrijpen dat dit ook in de stof zo moet zijn. Het is helemaal niet belangrijk met wat voor mensen u te maken heeft. En u zou eigenlijk van het vooroordeel moeten afstappen dat soms gebonden is aan een bepaalde wijze van spreken, een bepaalde wijze van reageren. Dat heeft absoluut geen zin. Al die stoffelijke dingen zou u moeten zien als iets bijkomstig. Iets wat stoffelijk misschien aardig en interessant of ergerlijk en vernederend kan zijn, maar wat op zichzelf geestelijk geen inhoud heeft. Alleen wanneer het met ons stoffelijk (dat geldt dus voor u) bepaalde doel in strijd komt, mogen wij ertegen ageren. En alleen dan in zoverre als het ons doel dus in de weg staat. Dat betekent een leven van ontzettend veel tolerantie. Meer tolerantie dan de doorsneemens opbrengt. Het betekent een veel sterker erkennen van het recht op zelfstandig en voor zichzelf leven van de medemensen, jong of oud, dan men normalerwijze geneigd is te geven. Toch is die houding de enige die het ons mogelijk maakt onze energie te bewaren voor datgene wat de moeite waard is, ons doel en ons streven.

Nu kan ik mij voorstellen dat er onder u zijn, die eigenlijk ver­langen naar het magische resultaat. Dat u zich als doel gaat stellen het werken uit de geest en het kenbaar maken van de gevolgen daarvan in de stof. Laat mij u dan herinneren aan een van de hoofdregels van de ma­gie. De magiër kan zich slechts richten tot die geesten met wie hij in overeenstemming is krachtens de wetten en machtwoorden die hij kent. Er is dus harmonie plus kennis betrokken bij elk oproepen van krachten buiten uw normale milieu en het projecteren van deze krachten in uw nor­male milieu. U kunt allen magisch werken en handelen ‑ ongeacht het doel dat u zich gekozen hebt ‑ mits u in dit doel voldoende hebt geleerd om het ingrijpen van de geest, het werken van de geest en de kracht van de geest, zoals ze op aarde kenbaar wordt, voor uzelf te begrijpen. Begrip is een van de meest belangrijke factoren, niet alleen bij het kie­zen van het doel maar ook bij het verwerkelijken ervan.

En nu ben ik bijna aan het einde van mijn betoog gekomen. Want het ging hier over een levensdoel. Over een doel dat wij voor onszelf kiezen, om daar ons hele leven aan te wijden. Dat hele leven is een zeer betrekkelijke term. Een 80‑jarige kan zich ook nog een nieuw levensdoel kiezen, ook al is de tijd tot verwerkelijking misschien klein. Onthoud echter dit: elk doel dat u gekozen hebt in dit leven en dat u hebt nagestreefd op de juiste wijze, is een factor die door alle geestelijke bestaansvormen heen voortdurend zich blijft doen gelden. Wat eenmaal verworven is, blijft verworven. Het doel dat eenmaal nagestreefd werd in de stof en niet bereikt werd in de stof, wordt geestelijk bereikt en meestal op eenvoudiger wijze, doordat men dan over grotere geestelijke vermogens en krachten beschikt. Er bestaat geen enkele belemmering voor uw streven, ongeacht in welke richting.

In God zijn alle dingen goed en aanvaardbaar. Maar om te kunnen streven op een eerlijke en overtuigde wijze, moet ge datgene wat ge als doel gesteld hebt, zelf “goed” heten. Laat ons dus ons afvragen: wat is voor ons het goede? Wat is voor ons het mogelijke? Laat ons niet aarzelen met een doel te kiezen, ook al ligt dat misschien een beetje verder dan wij normaal willen denken. Als we maar zien dat we er kunnen komen. In het niet nu en in dit leven, dan misschien in een volgend leven. We moeten overtuigd zijn het te kunnen bereiken. Zonder die overtuiging heeft het streven geen zin. En onze hele levenshouding zal dan afhangen van het doel dat wij ons gekozen hebben.

Dat doel kan passief of actief zijn. Dat wil zeggen: wij kunnen het in de eerste plaats zoeken in de ontwikkeling van het gedachteleven en in het erkennen van het schimmenspel wereld dat door een buiten ons staand vermogen ten slotte toch wordt geleid. Of we kunnen het zoeken in een direct actief beïnvloeden van die wereld, het worden tot de directe uitdrukking van de goddelijke wil in een zeer beperkt gebied en op zeer beperkte wijze. Het is onze eigen zaak hoe we dat willen doen. God belet ons niets. God geeft ons alle dingen. Hij geeft ons alle mogelijkheden en alle vrijheid, mits wijzelf geneigd zijn die te accepteren en niet in onszelf deze “kwaad” heten.

Op het ogenblik echter dat wij handelen met een schuldbewustzijn, handelen wij tegen onszelf. Elke handeling die tegen onszelf is gericht, betekent een vertraging van bereiking van het doel en soms zelfs een verliezen van het doel. Elke doelloosheid is een niet in harmonie zijn met de kosmos, zoals ze voor ons bestaat. Ze betekent stilstand, vertraging en vernedering die zich voortzet niet alleen in een menselijk leven, maar in vele geestelijke levens.

Laat ons dus zorgen voor de toekomst door ons heden een doel te kiezen na rijp overwegen en rijp denken en naar dit doel te streven met alle middelen. Dan zullen wij zeker kunnen zeggen: Ziet, wij hebben meer bereikt dan wij verwachtten. Ons zijn meer krachten geestelijk en stoffelijk gegeven dan wij meenden ooit te kunnen bezitten. En in deze rijkdom hebben wij God duidelijker erkend dan ooit tevoren.

Zelfgenezing

Het is praktisch een axioma dat elk ziekteverschijnsel of wel een psychische oorzaak dan wel een psychische werking heeft. Dat wil dus zeggen dat met elk ziekteverschijnsel – onverschillig van welke oorsprong het is ‑ altijd een bepaalde psychische factor verbonden is. Die psyché berust op denken, onderbewustzijn, de verschillende reacties daarmee verbonden, bovenbewustzijn, suggestieve factoren e.d. Het zou dus mogelijk zijn om een patiënt zich beter te doen gevoelen alleen door op die psyché in te werken.

Wij vinden dergelijke methoden o.a. terug in de leerstellingen van Coué. Coué, die u aanbeveelt om elke dag uzelf te vertellen, dat het u steeds beter gaat. Een suggestie die ongetwijfeld soms wel eens wat overdreven is. Toch heeft zijn stelling klaarblijkelijk grote indruk gemaakt, want wij zien dat vele grote staatslieden dit t.o.v. hun volkeren evenzeer volhouden. Met die methode Coué krijgen wij dus de suggestie. Deze suggestie doet ons, ons beter voelen. Er is dus geen remming meer van psychische zijde tegen de normale genezende werking in het lichaam. Het resultaat is, dat zo er een genezingsmogelijkheid is, deze ongetwijfeld sneller gebruikt wordt.

De krachten, daarvoor beschikbaar, moeten echter uit het lichaam en de psyché zelf komen. Het is duidelijk dat deze methode Coué dus voor zelfgenezing bepaalde nadelen heeft. In de eerste plaats geeft zij ons niet de mogelijkheid om onmiddellijk de bron van het euvel in de stof aan te tasten. In de tweede plaats geeft zij ons niet de gelegenheid eventueel andere krachten van minder stoffelijke geaardheid onmiddellijk aan het lichaam toe te voeren in een zodanige mate dat hierdoor een werkelijk ernstige bestrijding van het ziekteproces buiten het lichamelijk normale kan plaatsvinden.

Een volgend punt is dat deze zelfsuggestie niet altijd opgaat en velen, die deze suggestie zichzelf voortdurend trachten op te leggen, juist door de herhaling zich bewust wordt van het ongerijmde. Hiermee is de werking van de methode natuurlijk tenietgedaan. Suggestie en zelfsuggestie zijn echter voor de genezing van een patiënt ongetwijfeld belangrijk.

Een andere methode is die van het geloof. Wij vinden bv. bij de Christian Science een instelling van: alles is volmaakt en alles is goed. Wanneer ik in dit goede en volmaakte geloof, zal dit zich in mij weerspiegelen, want ik kan stoffelijk slechts de weerspiegeling zijn van hetgeen ik geestelijk beteken. Als gevolg zal mijn aanvaarden van de Christus op de meest volledige wijze mij onmiddellijk stoffelijk genezen, ongeacht de kwaal en wel met de kracht van de Christus.

Ook dit systeem is niet feilloos. In de eerste plaats vergt het een groot geloof dat lang niet iedereen kan opbrengen. In de tweede plaats is het een beperkte formulering. En in deze beperkte formulering ligt weer het nadeel dat zij niet voor iedereen acceptabel kan zijn. Er zouden ook uit de geneeswijze van Christian Science dus bepaalde gewetensbezwa­ren kunnen ontstaan, die elke gunstige werking tenietdoen. Een opvallend gunstige factor is echter het inschakelen van het geloof. Door dit geloof wordt de mens nl. meer in harmonie gebracht met zijn omgeving. Hierdoor zal hij meer krachten uit die omgeving kunnen opnemen. Er is sprake van een ontspannen zijn in geestelijke en meestal ook enigszins in lichamelijke zin. Het resultaat is dat geest en lichaam op deze wijze een zo groot mogelijk nut kunnen trekken uit alle kracht, die hen van buiten wordt toegevoerd.

Een vergelijkend voorbeeld kunt u vinden in de ademhaling. Wanneer u ontspannen en langzaam ademhaalt, zult u met een betrekkelijk gering krachtsverbruik een meer dan voldoende zuurstoftoevoer tot het lichaam kunnen bereiken. Er is geen sprake van vermoeienis of krampachtigheid. Zolang deze ontspannen ademhaling kan worden gehandhaafd, is door deze ademhaling het lichaam in staat zeer grote inspanningen te verdragen, zonder kramp, ademmoeilijkheden of gebreken in de bloedsomloop door ge­brek aan zuurstoftoevoer. Op dezelfde manier kan dus bv. Christian Science en faith‑healing ons helpen om te komen tot een absorberen van geestelijke kracht en daarnaast een ontspanning op stoffelijk terrein.

Het is wel duidelijk dat dit niet altijd zal helpen. Slechts daar, waar de suggestieve waarden plus de mogelijkheid tot absorptie van krachten uit de buitenwereld buitengewoon groot is, zal het bv. mogelijk zijn een of andere ulcer, een of andere zweer weg te nemen zonder meer. Dergelijke zelfbehandelingswijzen zijn dus niet zonder gevaar. Want als je zelf ook maar even aarzelt of fout bent, dan kun je de kwaal niet bestrijden, zij gaat in haar normaal woekerend proces eventueel verder voort en komt zo tot een bijna niet meer te herstellen zijn, ook via andere middelen.

Daarnaast vinden wij een bepaalde religieuze instelling, die in ze­kere zin van Christian Science wel iets verschilt, maar toch ook weer veel overeenkomsten vertoont. Ik denk hier aan de gebedsgenezing, zoals die hier in Nederland is vertoond en nog vertoond wordt op instigatie van een bepaalde Amerikaanse prediker. Hierbij gaat men uit van het stand­punt dat elke ziekte door een demon of een duivel wordt veroorzaakt. Het is natuurlijk maar hoe je het kind een naam geeft. Als je een bacil de naam geeft van een demon, ja, dan kan een infectieziekte dus door een demon veroorzaakt worden. Maar de vraag is of je die kunt uitdrijven door gebed. In deze methode tracht men dus duivelen uit te drijven en daardoor genezing tot stand te brengen. Men baseert deze ideeën op het feit dat Jezus bij zijn genezingen ook duivelen uitdreef. Maar men kan klaarblijkelijk geen verschil maken tussen een organisch ziekteverschijnsel en een geestelijk ziekteverschijnsel dat door aanhechting of iets dergelijks is ontstaan en zich zo in het mentale weerspiegelt. Hier is het grootste nadeel wel, dat wanneer de genezing niet gelukt, de patiënt een enorme depressie ondergaat. Want dan is hij klaarblijkelijk dus ook geestelijk onrijp. Een nadeel dat niet te onderschatten is. Wanneer wij voor onszelf van een dergelijke methode tot genezing gebruik zouden willen maken, dan zouden wij wel zeer sterk gelovig moeten zijn. Is dit geloof niet aanwezig, dan is er absoluut van genezing of beter­schap geen sprake.

Nu rijst ons de vraag of er dan wel methoden bestaan, waardoor genezing van het “ik” bewerkstelligd kan worden. Het antwoord is: ja. Er zijn methoden, waardoor wij onszelf kunnen genezen, maar deze zijn niet toepasselijk in gevallen, die reeds bijna acuut zijn. Dus alleen over een langere periode kan de genezing plaatsvinden en de afremming van de kwade invloeden vraagt enige tijd.

Daarvoor moeten wij o.m. de werking van het zenuwstelsel een ogenblik bezien. De prikkels van het zenuwstelsel zijn nl. voor de reacties in het lichaam bepalend. Wanneer ergens een ontsteking wordt vastgesteld door het zenuwstelsel, die niet in feite aanwezig is, dan krijgen wij daar toch een toevoer van witte bloedlichaampjes, waardoor een verschijnsel als van een infectie ontstaat. Wanneer het zenuwstelsel meent een brandwond te constateren, dan worden de omringende weefsels zo beïnvloed, dat iets ontstaat wat ons toch zeer sterk aan een brandwond herinnert, enz. Wanneer wij nu echter het zenuwstelsel zodanig kunnen regelen, dat de krachten, daarin behouden, een zo voordelig mogelijke baan lopen en alle bijkomstige prikkels worden genegeerd, dan zal het geheel werken op een sterke harmonisatie van de verhoudingen binnen het lichaam. En dat betekent ook het in harmonische verhouding brengen van de verschillende soorten bloedlichaampjes, het in harmonische verhouding brengen van alle afscheidingen, die binnen het lichaam plaatsvinden, het in harmonische verhouding brengen van bv. de zuren van de spijsvertering t.o.v. de door het lichaam opgenomen spijzen. Het gevolg is dat wij dus alleen reeds door onze zenuwspanningen af te reageren op de juiste wijze, een aanmerkelijke verbetering van onszelf kunnen krijgen.

Daarnaast echter heeft elke mens een geest. Deze geest is in staat om zich ook buiten het stoffelijke te verplaatsen en zich daar bewust te zijn. Wordt dit bewustzijn al dan niet door de stof gedeeld, dan kunnen wij krachtens deze verplaatsing dus ook geestelijke krachten actief maken. Het eigenaardige nu van deze geestelijke kracht is, dat zij wordt omgezet in iets wat de zenuwkracht zeer sterk gelijkkomt, terwijl in andere gevallen een kracht wordt geproduceerd, die ongeveer gelijk is aan een moleculair‑binding in een celkern. Het resultaat is dat hier een feitelijke opbouwende kracht aanwezig is. Door deze kracht sterk te concentreren op die punten, waar ons organisme niet harmonisch (dus niet gezond) is, kunnen wij een aanmerkelijke versnelling van genezende processen tot stand brengen. In hypothese zou kunnen worden gezegd dat uit de in het lichaam aanwezige bouwstoffen elke begeerde cel onmiddellijk en volledig nieuw kan worden bijgebouwd. Het zou dus bv. mogelijk zijn een plotselinge sterkere groei van de beenderen te doen ontstaan op een tijdstip dat deze normalerwijze zich niet verder ontwikkelen. Het zou mogelijk zijn om voor een bv. door tuberculose aangetast longweefsel een totale reeks van nieuwe longcellen te bouwen. Deze mogelijkheid bestaat inderdaad. Maar zij vraagt over het algemeen een veel grotere potentie dan de doorsneemens kan opbrengen. Wij moeten deze gevallen als uitzonderingsgevallen beschouwen en kunnen zeker niet trachten onszelf in dergelijke situaties te genezen.

Er is nog iets wat belangrijk is, wanneer wij onszelf willen genezen. En dat is onze eigen levenshouding, ons denken. Naarmate ons denken meer is gericht op anderen en dus een minder besef van lijden, verongelijkt zijn e.d. in onszelf optreedt, zullen wij ook mentaal rustiger zijn. Kunnen wij deze mentale rust vinden, dan kunnen wij hieruit krachten putten. Wij kunnen verder door deze evenwichtigheid uit de gehele omgeving datgene putten wat nodig is. Bij betrekkelijk kleine hoeveelheden voedsel is het dan mogelijk te komen tot een perfecte onttrekking van alle voor het lichaam benodigde bouwstoffen. Het is mogelijk de eventuele chemische omzettingen die in het lichaam moeten plaatsvinden, zich zeer versneld te doen afspelen. Het is mogelijk om uit de omgeving (dus ook uit de lucht) bepaalde potentialen weg te nemen. Er bestaat nu eenmaal een lucht‑potentiaal, dat t.o.v. de aarde gemeten op enkele meters hoogte reeds honderden volts kan bedragen. Deze energie kan worden omgezet in lichamelijke energie, in bouwvermogen dus, recuperatievermogen, enz. Maar alleen wanneer wij in staat zijn haar op te nemen, kan zij binnen ons werkzaam zijn. Absolute innerlijke rust is daarvoor nodig. Een mens die in wanhoop probeert zichzelf te genezen, zal nimmer kunnen slagen. De mens die dit in een vol vertrouwen doet, heeft een redelijk grote mogelijkheid zichzelf te genezen. De mens die tot een absolute ontspanning kan komen ‑ t.o.v. de omgeving zowel als in zichzelf – heeft echter de grootste mogelijkheid tot een zo groot mogelijk en snel mogelijk herstel te geraken.

Het zal u echter duidelijk zijn dat een dergelijk herstel bij de doorsneemens slechts geleidelijk plaatsvindt. Wanneer wij te maken hebben met een ziekte die sterk voortschrijdt, kan wel een remming van dit voortschrijden optreden, maar misschien zelfs nog geen stilstand worden bereikt. Het duurt soms een week, voordat zo’n ziekte tot stilstand is gekomen. Indien deze nu gepaard gaat met uitputtende koortsen of weefselverval, is het duidelijk dat soms die ene week net voldoende is om het kritieke punt te overschrijden. Er bestaat dan voor ons geen mogelijkheid meer tot zelfgenezing volgens de normale norm. De enige weg, die dan nog overblijft, is een weg die slechts de ingewijde kan betreden. Het is nl. mogelijk om de lichamelijke materie te ontbinden in haar bestanddelen. Dit is een verschijnsel als bv. tijdens Jezus’ hemelvaart kenbaar werd. Het omzetten dus van de normale trilling van de stof en de normale verhouding van de stof tot lichamelijk een veel hogere, die in een overgangsfase bv. ook als licht zichtbaar kan worden. Bij een hernieuwd samenstellen van het lichaam is het dan mogelijk door een begrip van perfectie deze energie in een nu perfecte matrijs te persen, waardoor de volmaakt gezonde mens opstaat in de plaats van het ziekelijke lichaam dat vervluchtigde.

Zoals ik reeds zei, dit is alleen praktisch voor een ingewijde in praktijk te brengen. Soms kan een ingewijde u daarbij helpen en dus voor u dit mogelijk maken. Maar dan is het geen zelfgenezing meer. En bovendien, personen die in staat zijn dergelijke effecten met anderen te bereiken, zijn zeldzaam op aarde en zullen over het algemeen niet in­ grijpen, tenzij zij het ziekteproces zien als volledig vijandig aan de kosmische wil en bedoeling.

Voor zelfgenezing heb ik hiermee al datgene vastgesteld wat m.i. van groot belang was. Ik hoop dan ook dat u dit als een voldoende behandeling zult willen beschouwen.

Grenzen

Grenzen. Lijnen, getrokken op het land, die

mensen van elkander houden, lijnen

getrokken door de zee, schendend vrijheid

van de mensen, zeggend: “Tot hier slechts

zult gij gaan.”

Grenzen. Grenzen, die zeggen: “Zo zal je

Leven, zo zal je streven en sterven, altijd.”

Grenzen, die de mens beletten te beseffen,

dat hij leeft in Gods oneindigheid.

Grenzen. Grenzen van daden en grenzen van

woorden, grenzen van goedheid, en grenzen van

kwaad, grenzen van leven en van genade, altijd

weer grenzen, waarvoor je staat, remmen, die

het leven doden.

Grenzen.

Grenzen, die ’s levens noden vergroten,

grenzen, vloek van onbegrip.

Vloek van zelfzucht, van zoeken slechts naar

eigen wezen.

Teken van de stille vrezen

voor ’t leven rond je, die je verteren.

Grenzen, De enige grens, die werkelijk is,

is ons door God geschapen. Er is slechts

één grens, dat je niet sterven kunt, dat

je voort moet leven en niet vredig op kunt

gaan in ’t niet.

Leven moet je, een werkelijkheid,

gaande van God en gaande tot God. Dat

is de weg, je afgepaald, dat is het

lot, je opgelegd, de noodlotsweg, die

je moet gaan. Dat is de enig ware

grens, die er bestaat en moet bestaan.

Eén grens slechts: Gods wil. Geen

grenzen.