Kleine lessen van de Wereldmeester

15 november 1959

We leven op het ogenblik in een tijd, die zeker enige nadere aandacht en beschouwing vraagt.  Met uw welnemen allereerst dan enkele gegevens omtrent de huidige wereld en al, wat daarin kan plaats vinden. Het feit, dat een nieuwe wereldleraar zich thans op deze wereld bevindt, betekent niet dat er nu een tijdperk van vreugde en vrede gaat komen. Wereldleraren treden steeds op in perioden van verandering, van grote spanningen. Deze spanningen zijn niet alleen van stoffelijke geaardheid maar tevens van meer geestelijke betekenis.

Naast alle oppervlakkige gegevens, die wij daarover op andere bijeenkomsten ook wel verstrekken, vinden wij in de geboden stof een inwijdingsgang, die zeker de aandacht vergt van een ieder, die in het geestelijk leven en esoterisch streven zoekt naar diepere inhoud en grotere kennis van het eigen “ik”. Ik zal in mijn betoog gebruik maken van enkele citaten der z.g. kleine lessen, die door de wereldmeester worden gegeven, doch wil deze niet afzonderlijk vermelden als citaten.

De grootste moeilijkheid voor iemand, die wil komen tot innerlijke betekenis, is wel het aanvaarden van de wereld, waarin hij leeft. In deze wereld treedt een grote hoeveelheid schijnwaarden op, die wij niet zonder meer kunnen erkennen. De selectie van dat, wat voor ons betekenis heeft en datgene, wat eerder een illusie wordt, is moeilijk. Betekenis echter heeft al datgene, wat voor ons betekent een ingang tot hoger kennen, een uitgebreider beleven van en een sterkere band met de Goddelijke Kracht in ons en de uiterlijke wereld. Hierbij moeten wij rekening houden met het volgende:

Alle levende krachten van dit ogenblik staan onder dezelfde spanning als uzelf. Wanneer ge leeft in deze wereld is het belangrijk deze spanning te elimineren, niet alleen bij uzelf maar ook – wanneer ge kunt – bij anderen. De ware geaardheid van de dingen komt sterker op de voorgrond dan ooit te voren. Het is alsof er slechts een enkele kleine sluier is gelegen tussen de Goddelijke werkelijkheid op deze wereld en de mensheid.

Een inwijding zoekt men natuurlijk door kennis. Deze kennis is onvolledig zolang zij zich niet bezig houdt met de geestelijke inhoud van het bestaan. De geestelijke inhoud van het bestaan in deze tijd kan als volgt worden omschreven:

Gij zijt uzelf en zult moeten trachten uzelf te zijn te allen tijde. Eerst door nooit uzelf te verloochenen maar in uzelf al datgene te vervullen wat u noodzakelijk lijkt, zult ge erkennen hoe in u een meesterpatroon is vastgelegd, een vast patroon dat direct vanuit de schepping op u werd afgedrukt in het eerste ogenblik van uw ontstaan.

Dit patroon is voor iedere mens enigszins verschillend, maar voor ons allen omvat het deze gelijke waarde, wij zullen allen in ons de honger hebben naar het Goddelijke, maar bij elke bereiking die met het Goddelijke in verband staat, elke beleving die het Goddelijke bewust of onbewust ons openbaart een innerlijke verzadiging voelen, een vreugde die als een verruiming van de borst ons leven en ons wezen doortrekt. Zij, die zich te veel aan de uiterlijkheden hechten, zullen dit patroon niet geheel kunnen vullen, maar ook zij, die in de stof leven, zullen uit het stoffelijke zelve delen van dit Goddelijke beleven. De neofiet zal dan ook altijd het uiterlijke en het innerlijke tezamen voegen, daarbij beseffende dat de inhoud van zijn leven niet wordt bepaald door uiterlijke verschijning of gedachten alleen maar vooral door de reactie, die hij vertoont op de wereld. Wanneer gij zoekt in de bossen en velden, lijken zij soms dood, ook wie gaat door de woestijn meent in een levenloze zee te verkeren. Doch wie zich richt op het kleine, zal ontdekken dat zelfs de meest barre rotsen vol leven zijn, dat de wildernis vol is van verborgen bestaan, verborgen vreugden en waarden.

Ook in uw leven is het schijnbaar eentonige, het schijnbaar onbetekenende gevuld met leven. Indien dit leven echter wordt verbonden met de plaats waarop ge het vindt, het leven waarin het optreedt, zult ge het nooit in de werkelijke betekenis zien. Wanneer ge gaat door de zandvlakte en ge ziet de schorpioen haastig zijn weg zoeken, ge ziet de slang liggen, één haast met de kleur van het zand, zich voor een ogenblik koesterend in de hete zon, dan zult ge moeten beseffen: dit is geen deel van de woestijn maar deel van God. De eenheid van alle dingen is geopenbaard en in deze tijden sterker dan ooit tevoren.

Nu zult u begrijpen, vrienden, dat deze waarheden al vaak gezegd zijn en door ons tot in den treure worden herhaald. Het gaat hier om een kosmische kracht, die op de wereld werkzaam is. Belangrijk is alleen, dat onze Meester hier vaststelt: “Er is nog slechts een zeer geringe scheiding tussen werkelijkheid en waan.” Deze geringe scheiding tussen werkelijkheid en waan zal menig mens angst aanjagen. Ik kan mij voorstellen dat de ontmaskering van alle dingen voor velen een pijnlijk gebeuren is. Vergeet echter niet dat de neofiet, die wil ingaan tot de geheime gemeenschappen, de grote genootschappen van licht en kracht, eveneens afstand moet doen van veel, dat hem van te voren van het allergrootste belang leek. Als in de dood zal hij, die inwijding zoekt, afstand moeten doen van alle dingen. Hij volgt hierbij niet slechts de woorden van het ritueel, maar verwerkelijkt indirect hetgeen. Jezus raadt aan hen, die hem willen volgen: “Laat alle dingen achter u, bezit en goed, angst en vreugde, ja, uw familie en hen die u lief zijn, want slechts zo zult gij mijn weg kunnen gaan.”

Er is geen andere weg dan deze onthechting, deze wedergeboorte in een nieuwe tijd en een nieuwe wereld. Wij kunnen trachten al datgene, wat thans ons bezit lijkt, te behouden. Wij kunnen trachten ons steeds sterker te hechten aan al datgene, wat rond ons bestaat, maar wij zullen niet in staat zijn de vernieuwing werkelijk tegen te houden. Als de werkelijkheid aan de dag treedt, als de waarheid zich openbaart van achter de laatste sluiers van waan, zullen wij willen wegvluchten om te behouden wat het onze is en zo de nieuwe tijd, de nieuwe verlossing, niet kunnen aanvaarden. De angst van deze tijd is heel vaak de angst voor het verliezen van iets, dat men waardevol acht. Wij kunnen echter niets verliezen, dat werkelijk reëel is. In deze nieuwe tijd is de eerste behoefte van elke mens: vrijheid van vrees en bereidheid tot aanvaarding.

Er zijn vele scholen, die u leren meester te zijn: meester van het metaal en van het hout, meester van de gebouwen die opgaan ten hemel, meester van de geheime wetenschappen der kleinste delen. En in dit meesterschap zult ge een deel van de kosmos beheersen, maar indien gij één zijt daarmede, zo zult ge niet slechts meester zijn in deze zin en weten, doch gij zult een-zijn en daardoor uit al het bestaande datgene kunnen verkiezen, wat noodzakelijk is voor uw wezen en uw inzicht.

Het is duidelijk dat de kennis van deze wereld in vele gevallen tracht het oude te behouden, maar in de vernieuwing komen andere krachten in het spel. Niet voor niets zijn zowel de ziekten en storingen van de psyche als het onderzoek daarvan in de laatste tijd zo zeer toegenomen. De innerlijke wereld wil zich uiten, de in ons verborgen waarheid wil aan de dag treden. Bij elke inwijdingsgang wordt van ons gevergd, dat wij sommige dingen verwerpen. Wij moeten afstand kunnen doen, maar vooral ook ons kunnen beheersen. Deze beheersing en dit afstand doen komen binnen de huidige inwijdingsgang van de wereld tot uiting door een achterlaten van veel, dat ons tot gewoonte werd, een aanvaarden van veel, dat ons onaanvaardbaar scheen. In deze vernieuwing groeit de mens tot een nieuwe wereld en een nieuw besef.

Indien gij één zijt met mij of een zijt met allen, die in deze wereld met of zonder lichaam streven en werken voor de voltooiing van het grootse: de éénwording van stof en geest, het huwelijk tussen weten en geloven, zo zal in u en in ons allen de stem van het onstoffelijke steeds duidelijker hoorbaar worden. Geen demonen kunnen u bedreigen zo ge hen niet vreest, geen engelen kunnen u openbaren wat gij niet zelve weet. In uzelf draagt ge de volledigheid van de schepping en uit het schijnbare Niet komt tot u de grote waarheid in vele gestalten. Vele vormen en vele tongen heeft het nieuwe gekregen, dat thans op de wereld een uiting zoekt. Het is voor ons allen noodzakelijk de krachten en waarden van de geest steeds sterker te verwerkelijken.

De mens is geneigd te wachten op de luid klinkende stem, die hem toeroept wat te doen. Hij meent dat het verstandig is de geest alleen dan te volgen, indien hij in kenbare tekenen een openbaring geeft. Maar de tekenen, die eens wonderen waren, zijn in deze tijd ondergegaan in een zee van technische wonderen, een zee van schijnbaar ongeloofwaardige gebeurtenissen, die het de mens onmogelijk maken het werkelijke wonder te zien en te herkennen. Deze tijd kent zijn eigen tekenen, maar de mens zal ze niet zien, en toch zal in deze tekenen het lot van de aarde vervuld worden en geboren worden een nieuwe wet. De wet die ik u verkondig.

De wet van deze nieuwe tijd is een wet van geestelijke kracht en geestelijk inzicht. Dit kan alleen van binnenuit groeien. De mens benadert de nieuwe waarheid door in zich steeds gevoeliger te worden voor invloeden, die hij niet kan omschrijven. Er zijn stemmingen die u bewegen en gedachten die onverwacht opflitsen. U krijgt impulsen die schijnbaar volkomen onredelijk zijn en die toch in feite een zeer grote zin hebben. In kleine, haast onmerkbare tekenen bemoeit zich de kracht van de Schepper langs de weg van vele sferen en van de geest met uw wezen. In deze dagen zult ge niet uzelf kunnen zijn en uw eigen wegen gaan, indien gij deze leiding verwerpt. Slechts wie de leiding, die gegeven wordt. aanvaardt, wie bewust in gezelschap van de geest verder streeft, zal zich kunnen realiseren wat verborgen ligt achter de laatste sluier. En het ogenblik is nabij dat die sluier wordt opgeheven.

Wie weet zal ingaan. Wie echter niet wil erkennen, zal deze planeet niet meer betreden, maar in andere gloeiende en duistere werelden hernieuwd de gang moeten doormaken van primitief wezen tot mens. Deze laatste waarheid aarzelen wij uit te spreken. Zij is en zij geldt voor de komende 4-500 jaren zeker. Eerst daarna zal op deze wereld weer kunnen intreden wat de waarheid verloochend heeft en dan nog slechts met mate.

Hoe beslissend de huidige tijd is in geestelijk opzicht kan u moeilijk worden duidelijk gemaakt. Het is een balans op het scherp van een zwaard. Moeizaam en gevaarlijk. Een ogenblik een onjuiste houding en het zwaard zal u snijden, één ogenblik van angst en ge zult neerstorten te linker of te rechter zijde. Dit geldt voor uw hele wereld. De balans is in de eerste plaats een geestelijke balans en het zwaard – of schoon ook stoffelijk kenbaar – in de eerste plaats een zwaard, gesmeed uit het gouden licht van een nieuwe tijd.

Indien wij zouden moeten spreken in kleuren, zou ik willen zeggen: Deze wereld wordt tot een steeds stralender blauw. Eens was de aarde de groene planeet, nu echter gaat zij veranderen. Haar kleur is van dofrood gekomen tot blauw – het blauw waaruit het weten en de wijsheid, de erkenning en de inwijding gaan spreken. niet al deze dingen zullen in uw eigen dagen vervuld worden, maar zien zult gij ze allen en beleven evenzeer. Indien gij het weten wilt aanvullen met datgene, wat u gegeven wordt door de geest – niet op deze kenbare wijze in de eerste plaats maar vooral als een innerlijke stem, als een innerlijk beleven – zo zult ge reeds voor de wereld het beseft, weten hoe te gaan en te handelen en ge zult in staat zijn – zowel voor uzelf als voor anderen – de overgang van kleur en van licht, de overgang van menselijke werkelijkheid naar meer Goddelijke werkelijkheid mogelijk te maken. Ik ben gekomen om tot u te spreken over datgene, wat ge vreest in uwe harten.

Gij hebt gezegd: “In het nageslacht ligt de zegen van onze God.” Ik zeg u echter: “De geslachten die na u komen zullen treuren of jubelen, niet als zegen van uwe God of vloek van uwe God, maar krachtens datgene, wat Gij roept uit: “In de veelheid die geschonken wordt aan de mensheid dezer aarde is haar grootheid uitgedrukt.” Maar ik zeg u: “Haar grootheid zal ten onder gaan, tenzij de mens in zich de waarheid vindt en deze waarheid breng ik u. Aanvaard de wereld, maar wees meester over uzelf.”

“Erken, dat wat in u leeft en u beweegt gelijkelijk belangrijk is als alle wetenschap, die ge u kunt verwerven. Dat wat ge hier kent, bezit en zijt moet worden samengevoegd met dat, wat in u leeft en ge zult niet meer zeggen.: “Dit is de wet,” of “Dat is de waarheid,” doch zoekend vanuit uzelf zeggen: “Dit is mijn weg tot de waarheid.”

Dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen hen die geloven op deze en op gene wijze.

Dat er geen onderscheid zij tussen hen, die hun God verloochenen en hun God aanvaarden, doch dat zij allen in eenheid aanvaarden wat zich op hun wereld openbaart en wat in hun leven merkbaar wordt.

Ik ben de stem, maar de kracht ontelbaar in aantal.

Ik ben de boodschap, maar ik ben slechts een echo van dat, wat in u spreekt.

Ik zeg u: Onthoudt u van alle geweld, wees meester over uw begeren en besef, dat wat in de stilte tot ons spreekt meer is dan mens of gezondene u ooit kunnen openbaren.

In de stilte die daarop volgt worden soms gedachten gegeven. Het systeem van stilte en gezamenlijke meditatie is in het Oosten meer bekend dan hier en toch is het mogelijk op deze wijze door te dringen tot waarden, die een menselijk woord ternauwernood omschrijven kan.
Ik wil trachten ook deze gedachten weer te geven en het beeld van deze inwijdingstijd af te ronden. Zoals de zee zich beweegt, zo beweegt zich de ziel. Indien de ziel wordt gekluisterd aan vaste vormen, aan vaste plaatsen en vaste normen, zo is zij als een vogel, die gekooid is. Maar de tijd is nabij dat zij zal vliegen. Het is alsof de lichamen zich vervluchtigen en de geesten vrijelijk rondwaren, niet slechts over hun eigen wereld maar over vele werelden, waarin zij geleefd hebben en zullen leven. De tijd schijnt traag te gaan en taai te zijn, zoals suikergebak uit een bazaar, maar boven haar ligt de grote vloeibaarheid van het element tijd, dat zich richt naar de wil van hem en van haar, die het kan kanaliseren. Meesterschap over de tijd, erkennen van nieuwe geestelijke krachten en werelden is de belofte, die wordt gegeven aan een ieder, die streeft naar de inwijding.

De stemmen die spreken in het wezen zijn belangrijker dan alle woorden, omdat zij beelden wekken, die op geen enkele andere wijze te vertolken of te beschrijven zijn. Er is iets van een licht dat groeit en groeit, dat een stem heeft en spreekt, dat beelden, toont van een nieuwe wereld, een wereld vol parken, waarin de gebouwen een ogenblik naar de zon streven of zich uitstrekken als opengeplooide bloemen.

Er is een beeld van wezens, die elkaar begrijpen en niet slechts tot elkaar spreken.

Er is een beeld van oceanen, die bedwongen zijn en van kracht, die uit de zon zelve wordt gehaald om zo de wereld te ontplooien, te bewegen. Deze beelden worden afgewisseld met flitsen van werelden, die geen beschrijving verdragen. Het is of voortdurend – springend als verkeerd gemonteerde filmbeelden – deze werelden door elkaar lopen en ten slotte blijft er over een licht, dat ons doet denken aan een grote kathedraal, waarin de zon schijnt door gebrandschilderde ramen.

Het is moeilijk om een visioen of een innerlijke beleving weer te geven in woorden, maar dit is de gedachtegang en ik hoop dat ge zult beseffen wat er achter is. Er is een groei- en wordingsproces aan de gang. Het is alsof de mensheid opnieuw wordt geboren in de materie maar nu met een kennis van de ouders, de krachten van de geest en het Goddelijke. De inwijding zal zich voor uzelf kunnen openbaren in steeds sterkere tekens in u, in een steeds scherper weten. Aanvaard dit weten, maar gebruik het niet, alsof het een bevel zou zijn of een leidstem zonder meer. Al wat u wordt gegeven aan innerlijk weten en innerlijke kracht, elke ongezochte gedachte die in u rijst, elke reactie en reflex die verder gaat dan het normale, kan een van deze waarden zijn, die u leert u te heroriënteren, die het u gemakkelijker zal maken prijs te geven wat thans uw bezit schijnt om daarvoor te verwerven wat ge werkelijk zijt: de eenheid met het zijnde en de kosmos.

De boodschap van deze dagen is een boodschap van vrijheid en bevrijding. De boodschap van deze dagen is er een van vreugde en van verlossing. Maar gijzelf zult deze dingen moeten scheppen.

Er wordt u al gegeven wat ge nodig hebt om deze dingen te bereiken, te bouwen en te verwerkelijken, maar ge zult ze moeten aanvaarden en ge zult het kleine niet moeten minachten, slechts wachtend op het grote en onvoorstelbare wonder. Vele kleine wonderen omringen u. Aanvaard ze, verwerk ze en gebruik ze. Eer het kleine wonder dat tot u spreekt van het grote wonder, dat zal worden voltrokken aan deze aarde en aan hen, die haar bewonen. Eer het kleine wonder, omdat het een teken is van volmaaktheid van geestelijk-zijn, die ook voor u tot een steeds dichterbij liggende werkelijkheid wordt gemaakt.

U hebt ongetwijfeld gemerkt, vrienden, dat ik tijdens dit betoog zeer vaak heb geciteerd en het zal tot u zijn doorgedrongen, dat er bepaalde aspecten zijn, die onvoldoende konden worden uitgesproken. Ik hoop dat u mij dit laatste zult vergeven. Het is voor mij zeer moeilijk een werkelijkheid weer te geven, die voor u niet bestaat – nog niet – bestaat. Overdenk deze dingen en bereidt u voor. Voor u is het moment van inwijding evenzeer nabij als voor hen, die wachten in de eenzaamheid van een katafalk op het ogenblik dat zij zullen worden binnengeleid in de nieuwe kring, in het nieuwe geheim, op de nieuwe weg.

De aarde siddert en schijnt te sterven: in feite kondigt ze aan dat stof en geest gezamenlijk ook in u een herboren leven doen ontstaan. Neem het weten dat de wereld u geeft en aanvaard het weten dat de geest u geeft. Aanvaard daarnaast het geloof en het denken, dat in u leeft en breng deze tot een eenheid, die nooit verloochend wordt. Zo zult ge binnen kunnen treden met deze wereld in korte tijden en jaren in het nieuwe zijn, ook wanneer gij heen zoudt gaan van deze wereld. Want een en verbonden zijn wij allen met dit bestaan en met deze wereld.

o-o-o-o-o

Wat moet je eigenlijk met al die openbaringen doen? Het is zo moeilijk daaraan wat toe te voegen, dat werkelijk zin heeft en aan de andere kant wil ik toch ook wel zorgen, dat u niet tekort komt. Daarom zou ik van uit deze nieuwe tijd willen overstappen naar een veel oudere tijd – de tijd van Jezus zelf – want daarin hebben wij n.l. een zekere echo gezien van hetgeen u zo-even hoorde. En eveneens a.h.w. een voorzeggen van hetgeen zich in deze dagen gaat verwerkelijken. Het lijkt mij dan ook dat naast al datgene wat nieuw is de waarheid van het oude mag worden gezegd. En aangezien mijn voorganger het noodzakelijk vond vele uitspraken van de nieuwe wereldleraar voor u te vertalen en eventueel te interpreteren, vind ik dat ik wel mag grijpen naar die – op de wereld – oude Meester, die nog leeft en de wereld soms betreedt, die ze op aarde noemen Jezus Christus, die in feite is Jezus of lang voor die tijd Esir’s  zoon. Deze spreekt n.l. ook met zijn leerlingen over allerhande dingen. Hij heeft het dan heel vaak over het Koninkrijk Gods. Daar vind ik bv. een opmerking, die wel heel passend is in verband met hetgeen hier wordt verteld. Jezus zegt n.l. tot de twaalf – zoals dat heet – “Want,  zo zeg ik,  slechts in u leeft de werkelijkheid en in u kunt ge deel zijn van het Koninkrijk Gods. Dit is het vuur van de scheppende kracht Gods, die in u leeft. Doch, ik zeg u, dat op een dag dit vuur zal uitbreken door de wanden der aarde en zal gaan als een vonk van uit de ogen der mensen, ontstekend alle dingen in een nieuw vuur. Ik ben u een nieuw verbond, doch slechts in de voltooiing zult ge mij geopenbaard zien in mijn glorie en werkelijkheid.”

Nu zou je zeggen dat die “glorie en die werkelijkheid” meer iets is voor de pastoor en de dominee dan voor Jezus. Hij spreekt er dan ook heel weinig over. Maar hier vindt hij het noodzakelijk er even de nadruk op te leggen: er komt een ogenblik dat men hem zal zien voor wat hij is: zijn glorie en zijn werkelijkheid. Klaarblijkelijk is er dus nog wel een verschil tussen het een en het ander en hij geeft ons zelfs een zekere vingerwijzing in de richting, waarin wij dat moeten zoeken. Nu is dat niet de openbaring, Hij spreekt niet over de “Zoon des mensen, gezeten aan de rechterhand des Vaders, komende op de wolken en zijnde een teken in de lucht en oordelende wat leeft en wat dood is.” Daar heeft hij het niet over, Maar hij zegt: “Zoals ik altijd geleefd heb in u en met u, zo zal ik zijn door alle tijden. Gij ziet mij en gij kent mij niet, gij hoort mij en verstaat mij niet, doch eens zult gij zien en horen en weten, dat mijn wezen deel is van het Grote Wezen en uw wezen deel is van het Grote Wezen. En dan zult gij mij noemen broeder en met mij tezamen gaan.” Waarop Johannes onmiddellijk zegt: “Heer, worden wij dan in het Koninkrijk Gods herboren?” Ik kan mij zo echt voorstellen, dat Jezus op dat moment even gegrinnikt heeft. Zijn antwoord is tenminste niet vrij van een zekere ironie. Hij zegt n.l. tot Johannes:“Hoe kan ik herboren worden in het Koninkrijk Gods, wanneer het Koninkrijk in mij is en niets is in mij dan het Koninkrijk? Wat in mij leeft is eeuwig en de kracht des Vaders en wat in u leeft is eeuwig en de kracht des Vaders. Eerst wanneer gij hiertoe ontwaakt, zult gij mij kennen.”

En die arme Johannes zal wel eens even achter zijn oren gekrabd hebben en gedacht: Heer, heer, ik begrijp veel van u maar toch niet alles. Jezus kondigt daar kennelijk een periode van waarheid aan. En wat hebt u zo net gehoord? “De laatste sluier wordt weggenomen.” zei mijn voorganger. Jezus zegt het anders: “De waarheid breekt van binnen naar buiten.” Het Goddelijke in ons gaat zich openbaren, gaat zich roeren.

Een tijdje later zit Jezus weer heel gezellig te praten met een paar van zijn leerlingen en dan komen zij daarop terug. Nu is dat te begrijpen, want die goede jongens hadden allemaal nog de hoop, dat zij minister zouden worden als kracht achter de troon in het Koninkrijk Gods, waarin Jezus dan eens even de baantjes zou verdelen en liefst zo gauw mogelijk en liefst met als hoofdstad Jeruzalem. Dat was de beste en mooiste stad, die zij kenden. Dus je kunt het hun niet kwalijk nemen, dat zij erop terugkomen op een primitieve manier. En dan vraagt er een: “Heer, hoe zal het koninkrijk zijn?” Die denkt natuurlijk: Als je mij nu eens even vertelt wat je gaat beginnen, dan kan ik tenminste vast vragen wat ik hebben wil. En dan lacht Jezus en zegt dit: “Ik zeg u, voordat geschreven werd (hij bedoelt hier klaarblijkelijk de heilige boeken) was ik en wanneer de laatste letter verbleekt is, zal ik zijn. En dit is het Koninkrijk. En gij waart, doch kende mij niet: gij zijt en gij ziet mij niet, doch eens zult gij zijn en mij kennen. Want dit is de wet des Vaders, dat uit het onbewustzijn het weten groeit, dat uit de duisternis het licht wordt geboren, zoals de nacht de dag baart en de dag in haar sterven zelve de kracht tot stand brengt, die haar hernieuwd zal doen uitgaan. Zo nu ben ik en zo is het Koninkrijk. Er zal duisternis zijn en uit die duisternis wordt die mensheid herboren. In de dag van Goddelijk Licht echter wordt de nieuwe weg der mensheid bereid.” En dan wordt dus weer op de duisternis gezinspeeld.

Nu kan ik nog een hele tijd verder gaan met die lessen, maar ik geloof dat ik verstandiger doe even te vertellen hoe wij dat zien: Er komt een tijd, dat natuurlijk het Goddelijk Licht en het Koninkrijk werkelijkheid is. Maar Jezus gebruikt de termen “dag” en “nacht”. Als wij nu eens voor de nacht zetten “materie” en voor de dag zetten “het volledig Godsbewustzijn”, dan zijn wij al een aardige stap verder. Want zoals u allen weet, wordt uit het stoffelijk bestaan het bewustzijn van het Goddelijke geboren, wordt u geestelijk de mogelijkheid geopenbaard verder en verder te gaan in de sferen. En aan de andere kant zal het u ook duidelijk zijn dat het de geest is geweest, die eens de vormenwereld tot stand heeft gebracht, want de geest had behoefte aan het instrument “de stof” om zich te uiten. Nu ziet Jezus dit klaarblijkelijk als een wisselwerking. Hij was reeds als geestelijke kracht in het begin, hij heeft mee helpen vormen. Daarna is hij – als geestelijke kracht dus – uit de stof ontheven geweest. De vorming van de stof is verdergegaan, nu komt hij erin, hij openbaart zich. En typisch is daarbij dat hij op een gegeven ogenblik, sprekend over deze dingen, zegt: “Het ochtendgloren is nabij.” Petrus en Levi zitten daarbij en hebben daar later een beetje een potje van gemaakt. Petrus en de overige apostelen hebben daarvan gemaakt: Nu, jongens, we behoeven niet lang meer te wachten, het Koninkrijk Gods is nabij. En dat hebben ze dan ook duchtig gepreekt. Degenen die zich lieten verbranden, door leeuwen opeten e.d. hadden zo het idee dat het niet lang meer zou duren. Als zij toen hadden kunnen vermoeden dat de wereld nog 2000 jaar zou moeten wachten, dan waren zij waarschijnlijk niet zo enthousiast geweest. Maar Jezus bedoelde met “het ochtendgloren is nabij” het ogenblik dat er een nieuwe dag aanbreekt. Dan moet er een waarschuwende stem zijn, dan is er een vals licht, voordat de zon boven de horizon uitkomt.

Ik geloof dat Jezus zichzelf zag als dit eerste licht. Dit weerkaatsen van de zon, zonder dat de zon zelve zichtbaar is. En aangezien Jezus dus a.h.w. maar een paar minuten is eigenlijk, het begin van het licht en dat, wat in het christendom en uit het christendom is voortgekomen op deze wereld als de morgenstond vóór het rijzen van de zon, wordt het duidelijk dat wij op het ogenblik aardig tegen het rijzen van die zon aanstaan. Gelukkig geeft Jezus ons, zelfs daar enige raad over. Hij zegt: n.l. dit: “Wanneer de zon aan de einder rijst is zij groot, maar haar stralen hebben geen kracht. Zo zal het zijn wanneer het Rijk zich u openbaart. Doch naarmate zij stijgt en haar krachten gewint, zoeken wij de schaduw.”

Als je dat nu eens even gaat omzetten, dan krijg je dit; wij zullen voor een ogenblik staan voor een totale openbaring. Zoals je de zon – wanneer ze pas opkomt – kunt bekijken, er in kunt kijken, zo zal het Goddelijk raadsel zich in het begin schijnbaar volledig openbaren. We zullen zeggen: “Dat is het Licht, dat is de schepping. Maar naarmate die schepping werkzaam wordt in onszelf, zullen wij ontdekken dat wij de kracht van het licht en de waarheid onderschat hebben en dan wordt het voor ons noodzakelijk ons soms te behoeden tegen een te directe werking van God. Wij kunnen God indirect altijd accepteren, maar in Zijn volle glorie kunnen wij Hem niet direct zien. Wie de ogen opslaat tot de Vader zal verblind zijn.” Dat is overigens niet van Jezus maar een van de predikingen van Bartholomeus, een van de leerlingen.

Ik wil u erop wijzen dat al hetgeen Jezus gezegd heeft – zij het vermengd of vervormd – de ondergrond is geworden van de Openbaringen van Johannes. En daar hebben de mensen allerhande wonderverwachtingen en angsten uit geput: De ruiters die over de wereld zullen gaan, de engelen met hun zegel, enz.. Maar dit visioen was in Johannes, zoals het Koninkrijk Gods in u is. Zouden wij dan niet mogen zeggen, vrienden, dat een groot gedeelte van dit gebeuren zich in de mens afspeelt en in de geest? Als dat nu zo is, dan zou ik zeggen: Kijk uit, want hier en daar dreunt het al van de paardenhoeven. De ruiters zijn verduveld dicht in de buurt en als je daar in de weg gaat staan, dan loop je vast. Wanneer je zegt: Ik kan deze kracht niet accepteren, basta, dan ga je tegen de vlakte. Je kunt natuurlijk proberen jezelf en dat, wat in je werkt te bedriegen en dan ben je net als die man bij de achtervolging van die misdadiger in het Wilde Westen. Er kwam een hele troep aan en ze vroegen hem: “Where did: he go?” en de man wees twee kanten tegelijk uit: “He went that way.” Hij dacht: gaan jullie nu maar weg, dan heb ik geen last van je. Maar dat kunnen wij niet doen. Wij kunnen deze krachten op den duur niet misleiden. Wat Jezus ons heeft voorzegd en wat die nieuwe wereldleraar weer brengt, is dat het er vandaag op aan komt.

Eigenlijk kunnen wij er zelfs gebruik van maken, stoffelijk zowel als geestelijk. Want zegt Jezus niet: “Wanneer de Kracht in u is en de Geest (bedoelende hier dus klaarblijkelijk de kracht Gods en de Heilige Geest, zoals de kerken zeggen), zo zal niets u weerhouden, water noch vuur, rots noch oceaan. En op uw woord zullen zij luisteren.” Met andere woorden: Wanneer je de zaak goed aanpakt en je luistert naar al hetgeen er in je leeft en in je bestaat, reageert op de impulsen, die naar boven komen en je luistert ernaar, niet als iets van “vooruit jongens, nu gaan we dat eens doen”, maar als “dit is een behoefte”, “dit is een werkelijkheid”,”een zekerheid”, dan heb ik zo het idee, dat je daardoor het besef verkrijgt dat nodig is om de stof en de geest te beheersen. Dan hebben we niets anders gedaan dan wat Jezus aan zijn leerlingen steeds heeft opgedragen en wat ze tot nog toe verduveld slecht doen n.l. meester te zijn over de wereld van stof en van geest en de waarheid en het licht te doen doordringen overal. Wij zijn toch een tikje de erfgenamen van Jezus, zou ik zo zeggen. Zonder direct aan potverteren te denken,  is het geen tijd dat wij beginnen om kapitaal en rente aan te spreken? Kracht is er genoeg.