Knooppunten in de geschiedenis

Als we de historie beschouwen, komen we altijd weer in eigenaardige perioden terecht waarin eigenlijk van alles kan gebeuren. Als we dan pro­beren uit te zoeken waar de knoop zit en de mogelijkheid dat de wereld verschillende kanten kan uitgaan, dan ligt dat meestal heel ergens an­ders dan waar u het in de geschiedenisles heeft geleerd.

U hoort bijvoorbeeld over de machtsgreep in Duitsland in 1933 door de Nazi’s, dan denkt u: daar ligt het knooppunt. Vergis u niet! Het knooppunt ligt veel verder terug, in Oostenrijk. Daar was een jongen die aardig kon teke­nen en dacht dat hij ook aardig kon schilderen. Als er toen iemand had ge­zegd: “Nu, probeer het dan maar, ik zal wat werk van je verkopen.” in plaats van te zeggen: “Man, je kunt hoogstens prentbriefkaarten tekenen”, dan was de historie anders gelopen. Adolf was dan een zeer eigenwijze schil­der geworden, een soort structurele Karel Appel met klassieke neigingen. Hij had alles op het doek gesmeten en hij had de wereld niet door elkaar gegooid. Het is eigenlijk altijd zo.

Kijk nu eens naar de tocht van Alexander de Grote. Het klinkt wat vreemd als je zegt dat daar eigenlijk de wereld is veranderd. Toch is dat waar. Want in die dagen was er cultureel praktisch geen uitwisseling tus­sen Europa en Azië, dat was maar zeer beperkt. Alexander’s tocht betekende gelijktijdig de introductie van zienswijzen en filosofieën die Europa dan bereiken. En waar kwam dat nu allemaal uit voort? Uit een vergissing van een hoveling van een Perzisch vorst die een verkeerde frasering koos waarover Alexander boos werd. Zo besloot hij ten oorlog te trekken. En toen hij eenmaal was begonnen, wist hij van geen ophouden meer. Dus als je vraagt: wat is een knooppunt, dan kom je altijd weer tot de conclusie: de werkelijke historie wordt eigenlijk bepaald door enkelingen.

We kunnen nu wel zeggen: “Wij hebben een democratie nodig”, maar wat is een democratie anders dan een massa schapen die een zelfgekozen herder blatend achterna loopt. We kunnen zeggen: er is toch vrijheid nodig? Lieve mensen, als er vrij­heid is, dan is daarnaast ook een uiterst rigide orthodoxie. Het is als het ware Athene en Sparta naast elkaar. Athene waar de heren met geverfde lokken viooltjes plukken op de Agora en Sparta waar kinderen worden gedood, als ze niet mee kunnen in sport.

Het is een vreemde historie van de mensheid. Maar wie werkelijk wil begrijpen wat er aan de hand is, zal ook moeten kijken naar de tijd waarin zo’n knooppunt kan vallen. Want ook daar zijn zeer belangrijke zaken bij. Als ik denk aan de kwestie van Alexander, dan was dat zeker niet al­leen maar een zaak van een wereld die nauwelijks door één man op orde werd gesteld. Het was juist een wereld die wat versuft was. Men had de oude ge­bruiken, de oude technieken, de oude tactieken en de illusie van de eigen grootheid. Het was een wereld waarin een betrekkelijk kleine klasse alles regeerde en waarin een betrekkelijk grote klasse eigenlijk geen onderkomen had. En juist in een dergelijke wereld zijn veranderingen mogelijk. In een dergelijke wereld explodeert op een gegeven ogenblik de situatie, omdat het oude niet meer houdbaar is, vernieuwing binnen het systeem meestal niet mogelijk is en dus elke invloed van buitenaf met overweldigend suc­ces een verandering van omstandigheden kan veroorzaken.

Kijk naar uw eigen tijd. Wat zijn de kenmerken daarvan? Oorlogen op een wereldomvattende schaal zijn in de praktijk onmoge­lijk geworden. Dat betekent dat de grote machten van deze tijd elkaar hoogstens kunnen bevechten op zorgvuldig gekozen strijdtonelen. Vietnam is er één geweest. In Angola speelt zich een vergelijkbaar geval af. Maar dat kan alleen zolang de mensen zich laten leiden door leuzen. Dat gaat niet onbeperkt. Het is op het ogenblik stalemate (een patstelling in het schaak­spel). Zeker, de Russen hebben meer atoombommen dan de Amerikanen. Maar de Amerikanen hebben meer raketten. Er zijn meer Russische atoom­duikboten in omloop dan Amerikaanse. Maar de Amerikanen hebben meer bom­menwerpers en de mogelijkheid om bepaalde missiles te lanceren vanuit vliegtuigen die op afstand bestuurbaar zijn. Niemand kan meer gaan veroveren. Dit betekent dat iedereen een ander grondgebied misgunt. Dekolonisatie is het resultaat van de mislukking van de grote ko­loniale mogendheden. Dat begrijpen de meeste mensen ook niet. Men was er niet voor om bijvoorbeeld Nederlands-Indië vrij te maken. Maar als Enge­land India moest missen ‑ en dat stond vast ‑ dan moesten die Nederlan­ders Indonesië niet behouden. En daarom hebben de Engelsen meegevochten opdat Indonesië vrij zou worden. Overal kunnen we soortgelijke dingen zien: dus nijd.

Het is altijd een vechten van mensen die macht begeren en die de macht niet meer kunnen baseren op wapengeweld, althans niet meer durven baseren op actief wapengeweld. Het resultaat is dat de oorlog is verschoven in de richting van de handel, manipulatie van valuta’s en al die dingen meer. Dat is ook de oorzaak van het opkomen van de multinationals. Internationa­le ondernemingen zijn eigenlijk pas werkelijk groot en belangrijk geworden in en na de tweede wereldoorlog. Dat weet iedereen. Nu hebben we te maken met een deel van het volk – het vulgus, zoals de Romeinen zeiden – dat bereid is om de regering over te nemen, maar niet in staat of bereid is ‑ laten we dat wel begrijpen ‑ om de verantwoordelijkheden over te nemen. Dit houdt in, dat alles eigenlijk een beetje stuurloos is.

De UNO kent mooie woorden, maar is in feite machteloos. De EEG is een aardige leus die de verbruiker geld kost en sommige heren een salaris oplevert, maar in de praktijk maar verduveld weinig betekent. De BENELUX is zonder lux en de laatste beentjes zijn al bijna afgeknaagd.

Dus waar komen we terecht? In een wereld waar één ingrijpen voldoende is om de hele bestaande toestand van uiterst labiele evenwichten te versto­ren en een actie te veroorzaken die een verandering betekent, niet alleen in machtsevenwicht maar ook in cultureel patroon, gedragspatroon en econo­mische samenhangen. En dat zou moeten betekenen dat de bestaande vormen dan niet meer hanteerbaar zijn. Dat hebben we altijd gezien.

Kijken we weer eens naar Rome – een interessante stad – dan moeten we ons goed realiseren dat die stad te vergelijken is met menige grote stad in deze tijd. Er was een zekere heer Publius, die eens ging kijken hoe het er bij het vulgus uitzag. Hij was een schrijver en wilde dat wel eens ervaren. De man ging naar iemand toe die een armeluiswoning bewoonde en in zijn kost voorzag door onderverhuur. U kent dat systeem wel: wij hebben geen ruimte om in te wonen, wij zitten met z’n twaalven in één kamer. Hoe komen jullie dan aan eten? Wel, wij hebben een paar onderhuurders. Dat beschrijft Publius als: “Ik kom boven, na vijf stinkende trappen te zijn opgegaan, in een kale ruimte, bedompt en zonder vensters of ver­luchting. Het meubilair bestaat uit wat stro op de grond en een enkel kastje dat op instorten staat.”

Dat is hetzelfde Rome ‑ laten we dat niet vergeten ‑ dat de grote ter­men (baden) heeft gebouwd. Het is het Rome met zijn grote rijke villa’s, met zijn paleizen op de Palatijnse heuvel. Rome dat met z’n luxe en schoonheid meer dan een sprookje was. Waarom was dat Rome zo belangrijk? Wel, als het niet zo was geweest, dan had het Christendom Rome nooit kunnen bereiken en veroveren. Dan had Rome Byzantium neergeslagen. Dan was het na de splitsing niet dociel geworden. Dan hadden de armen, die een hemel in het hiernamaals verkieslijker vonden dan een klein beetje extra voedsel en wat spelen in het circus, nimmer voor het Christendom gekozen en daarmee voor een totaal nieuwe moraliteit. Een moraliteit die zich voortzet in de praxis van het dagelijks leven, in de beschouwing die je hebt ten aanzien van hoger geplaatsten, je standpunt tegenover macht, tegenover wat in handel en gedrag wel en niet aanvaardbaar is.

U kunt zeggen dat Nero een beul is geweest. Dat was hij niet. Hij was gewoon een egomaan zoals vele grote heersers. Dat hij op een gegeven ogen­blik probeert de Christenen uit te roeien, is weer begrijpelijk, want de Christenen zijn een andere manier van leven, van denken gewend. Dat past toch niet. Alles zal ineenstorten. Waar blijft dan de macht van de Senato­ren en ‑ niet te vergeten ‑ van de goddelijke keizer?

Dit is een knooppunt dat we terug moeten volgen tot het ogenblik dat een tentenmaker, die geen kans meer zag om in Jeruzalem roem te beha­len met het vervolgen van de ketterse Christenen – een soort joden dat heel verkeerd deed vanuit zijn standpunt -, op weg ging naar Damascus. En als hij toen niet een ontmoeting met God had gehad, dan was er niets gebeurd. Maar toevallig kreeg hij wel die schok. Toevallig kwam hij wel terecht in Damascus waar een Christen door zijn geloof meende verplicht te zijn om als een barmhartige Samaritaan deze Christenvervolger op te nemen. Dan had Paulus nooit ingezien dat het Christendom toch ook wel iets bood: een kans om jezelf uit te leven, om duidelijk te maken wie en wat eigenlijk in die tijd belangrijk was. Want met al die wetten en wetgeleerden boven je kon je hoogstens maar een kleine jongen blijven. Zo ging Paulus op reis. Zo injecteerde hij in vele gemeenschappen een begrip voor het Christendom. Zo bereikte Paulus ‑ dat was natuurlijk zijn aard ‑ zeer veel joodse gemeenten, die hij voor een deel bekeerde. Die jood­se gemeenten hadden waarschijnlijk weer zakencontacten met de grote joodse kolonie van Rome. En zo begon het.

Een knooppunt in de tijd? Ja. Indien één mens op een bepaald ogenblik een beetje anders had gedacht en gereageerd, indien een gebeuren wat an­ders was gegaan, dan zou de hele wereld er anders uitzien. Het zijn krank­zinnige dingen, die knooppunten in de geschiedenis van de mensheid. Mensen denken altijd dat ze een geleidelijke groei doormaken. Mensen kijken altijd met een zekere meewarigheid terug naar de oude tijd, naar de duiste­re middeleeuwen, naar de domme mensen die toen niet wisten waar ze aan toe waren, naar die arme heidenen en – niet te vergeten – naar de primitieven die vóór het Christendom hun afgoden aanbaden en toch ook niet veel waard wa­ren. Nu ja, ze hebben wat kunstwerken achtergelaten, piramiden en dergelijke. Wat is nu een piramide? Het Christendom heeft wolkenkrabbers vol kantoor­flats opgetrokken. Fantastisch! Dus kijk je terug en je zegt: dat is niet belangrijk. Die oude tijd heeft echter meermalen een keuze getoond. Er is op een gegeven ogenblik iets gebeurd en dat was voldoende om de mensheid in haar geheel een nieuwe ontwikkeling te laten doormaken.

Misschien denkt u dat het Christendom hoogstens voor Europa belang­rijk was. Wacht even! Mohammed nam een deel van zijn visioenen, visies en leringen over uit Jodendom en Christendom. De Islam is een belangrijke factor in het Oosten geworden, in Azië zowel als in Afrika. Het Christendom zelf gaf aanleiding tot vele splitsingen. Het is de gespletenheid van het Christendom waardoor de Verenigde Staten zijn ontstaan en de vrijheid van het Amerikaanse continent. Behalve voor de Indianen die daar woonden, maar daar praten we niet over.

Wij moeten eigenlijk alles zien als een opbouw. We hebben het nu over de VS. Onwillekeurig denk je dan in een periode dat ze hun twee­honderdjarig bestaan vieren aan het teaparty-incident in Boston. Het leek alsof er toen ineens spontaan vanuit het volk een verzet was tegen de Engelsen, en dat vandaar uit de revolutie zonder meer losbarstte. De feitelijke situatie was echter zo: de zoons van landedelen die het minder goed deden, waren voor een deel terechtgekomen in de omgeving van Boston. Daar woonden heren die meenden dat ze respect mochten eisen. Daar kwamen echter ook officieren van echte adel. Zij keken een beetje op die landedelen neer en dat vrat door. Er was dus een spanning. Nu verklaarde de militaire commandant van de stad op een gegeven ogenblik een bepaalde belasting ook van kracht voor deze landedelen.  En dat had hij nu niet moeten doen. Want wat gebeurde er toen? Deze heren zeiden dat het toch eigenlijk krankzinnig was dat ze zoveel moesten betalen voor een moederland dat niets anders ervoor teruggaf dan een verwaande gouverneur, een stel pauwen van officieren en een hoop soldaten die ook niet erg beleefd waren. Toen de gouverneur daarop antwoordde door de heilige drank van de Engelse natie, de thee, extra te belasten, ging men kijken wat eraan te doen was. En inderdaad: als je het gewone volk iets ontneemt waarvan het meent dat het zijn recht is geworden ‑ al is het maar een kopje thee – dan is het geneigd om een ieder te volgen. Het waren twee landedelen, tezamen met drie notabelen van de stad, die de zaak op stelten zetten. Zij vonden mannen – die zelf ook door de taxes waren getroffen – bereid om het volk op te roepen. Er verschenen snel al­lerlei pamfletten en het eerstvolgende schip met thee dat aankwam werd overvallen en de thee ging overboord. Het resultaat is onder meer: Kennedy, Nixon, Maarten Luther King en niet alleen maar Abraham Lincoln. Het is Teddy Roosevelt, zeker, maar het is ook het optreden van verschillende Mahatma’s, het ontstaan van nieuwe geestelijke bewegingen in de VS. Dat komt allemaal daar vandaan. Indien daar toen een gouverneur was geweest die had gezegd: deze belasting is niet redelijk, we moeten er wat anders op vinden, of hij had desnoods gezegd: wij nemen het wel van de armen, die merken dat toch niet zo erg, dan was er niets gebeurd.

Knooppunten in de geschiedenis zijn soms krankzinnige ontwikkelingen. Neem het ontstaan van het beroemde rijk in Mexico, waar men met voorbij­zien van alle anderen de Inca’s en de Azteken de voornaamste volken noemt. Wat is er in feite aan de hand geweest? Er waren een aantal stammen in Zuid‑Amerika. Deze hadden waarschijnlijk in een ver verleden via de oorspronkelijke Atlantische routes van de Atlanten ‑ misschien 40.000 jaar v. Chr. ‑ wat contacten gekregen met over­levenden. Ze waren dus in staat om samen te leven. Maar wat gebeurde er? Deze mensen hadden vestingen en grote steden gebouwd. Die steden nu waren volgens de bosbewoners levensgevaarlijk. Het zouden plaatsen zijn waar demo­nen konden wonen. Dus werden ze aangevallen. Als je die mensen aanviel en de aanval slaagde, dan bleef er aardig wat winst over. Dus werd het leger steeds groter. Het resultaat was dat kleine groepen zich terugtrokken in de heuvels en daar nog een tijdlang hun vestingen en steden hebben verde­digd, maar dat een groot gedeelte van de stammen die dat niet konden, weg­trokken naar het noorden. Daar hebben ze ongeveer 3000 jaar over gedaan totdat ze ergens kwamen waar ze sterker waren dan de aldaar wonende stammen. Toen hebben ze alles wat ze vroeger hadden gedaan daar overgebracht. Hun kalender bijvoorbeeld, maar ook hun registratiemethoden, u bekend als picto­schrift. Ze hebben de grote tempels gebouwd, de tempelpiramiden. Ze hebben steden gebouwd en wegen aangelegd. Ze hebben een bode-systeem ge­sticht, de voorloper van de PTT. Kortom, dat was allemaal niet gebeurd indien er geen ruzie was gekomen tussen een paar stedenbouwers en drie tovenaars. Drie tovenaars die zeiden: deze plaats is heilig. Waarop de ande­ren zeiden: maar hiér ligt de goede steen, dus bouwen wij hiér. Ik zou zeggen: het is net zoiets als het tramtraject over de Hertenkamp, dat roept ook de gemoederen wakker. Dat ze ondertussen half Den Haag al hebben verpest, daar praat niemand over. Zo is het daar ook gegaan.

Ik heb nu een paar stellingen, want ik kan uit de historie voorbeel­den blijven putten tot in het oneindige.

Ik stel in de eerste plaats: Alle grote veranderingen in de wereld zijn in feite het gevolg van een zeer labiel evenwicht in de bevolking (de massa), in de situatie van de mensheid plus een toevalligheid waar­door bepaalde personen – vaak tegen beter weten in – tot acties overgaan.

Ik stel in de tweede plaats: Knooppunten in de geschiedenis kunnen nooit met grote regelmaat voorkomen. Toch blijkt dat een deel daarvan be­antwoordt aan een cyclus van ongeveer 720 jaar. Dit kan alleen indien wij aannemen dat de astrologie ergens gelijk heeft. Als ze duidelijk maakt dat er in de natuur een ritme is dat deze instabiliteit van de massa – maar gelijktijdig ook de impulsieve agressiviteit van bepaalde personen – bevor­dert. Als dat waar is, dan kunnen we ook nog anders rekenen.

Stel, dat ongeveer 30 na Chr. een belangrijk jaar is: toen ontstond het Christendom. Kijk nu naar het jaar 750 na Chr. Wat gebeurde er toen? Het rijk van Karel de Grote valt uiteen. Dat wil zeggen, dat een Christelijke eenheid, geba­seerd op de welwillende bekering met geweld, uiteenspat. Er ontstaat zo een aantal rijkjes waarin de stammen een geheel eigen ontwikkeling kunnen doormaken en waarin verschillende soorten Christendom zich gemakkelijker kunnen ontwikkelen. Daardoor wordt de diversiteit en de strijdigheid van het geloof in zich oorzaak van het ontstaan van kennis. Het opgraven van de oude kennis begint namelijk ook in die tijd. Vóór die tijd was het: al wat de Grieken hadden gedaan was slecht. Men heeft zelfs op het Concilie van Nicea gezegd: alle kerkvaders die zich bezighouden met de Griekse filosofie deugen niet, dat zijn ketters, die moeten de kerk uit.  Dus de zaak spat uit elkaar en wat zien we dan? Door die kennis ontstaat er plotseling een grote uitwisseling. Niet alleen dat zich klei­ne rijkjes kristalliseren ‑ dat gebeurt altijd wel ‑ maar in de verschillen­de rijkjes manifesteren zich ook verschillende vormen van kennis. Neutrale gebieden worden brandpunten van die kennis. In 1500 blijkt dat er speciaal bijzon­der veel kennis tot uiting komt in de omgeving van Nederland, in de omgeving van Voor‑Indië en dat – vreemd genoeg – gelijktijdig de zeer ortho­doxe beschaving in het zuiden van Noord‑Amerika te gronde gaat.

Rekenen we verder, dan komen we tot het jaar 2200. Dan moet het hele­maal anders gaan als die astrologische theorie klopt. Maar als dat pas in het jaar 2200 is, waarom zitten we dan nu in zo’n rare periode? Laten we proberen om het te extrapoleren. Laten we kijken wat er is en wat daaruit kan worden.

De techniek is de mens voorbijgestreefd. De mens kan nu een verleng­stuk (appendix) worden van de techniek – er is al een technocratie die al­les aan zich probeert te trekken – of hij kan vechten om zichzelf te zijn. Maar dan moet hij de techniek aanvallen. De mens zou de techniek misschien wel willen aanvallen indien hij daarmee niet tevens afstand zou moeten doen van de voordelen die de techniek hem biedt. Resultaat: een zeer wankel evenwicht van de gemeenschap. Dit geldt voor de gehele zogenaamde tech­nisch ontwikkelde westerse wereld. Gelijktijdig zien wij in de andere delen van de wereld een ontwikkeling waarin die techniek eveneens een rol speelt, maar waarbij de mensen kunnen leren van de fouten welke met die techniek zijn gemaakt. Het resultaat is zeer waarschijnlijk een opstand, niet alleen van de Derde Wereld, maar vooral van de mensen die eerst mens willen zijn en dan pas verlengstuk van een technische maatschappij.

Als men dat zo bekijkt, kan er geen grote verandering komen. Ik zal duidelijk maken waarom. Zonder de technische middelen die de mensheid op het ogenblik over­al gebruikt, zou ze niet in staat zijn om de hongersnood op de wereld uit te bannen. De mens zal evenmin in staat zijn om zijn levensstandaard ook maar enigszins te handhaven. Hij zal de techniek dus moeten blijven aanvaar­den. Hij kan ook niet terug naar de natuur zoals sommige mensen willen, want “terug naar de natuur” betekent eigenlijk: terug naar een selectie waarbij dood door natuurlijke oorzaken het ras wel verbetert, maar onder­tussen de slachtoffers tot natuurlijke mest maakt zowel voor ideeën als voor plantengroei. Dat is niet de bedoeling, want niemand wil ten onder gaan.

Alle machtsstructuren in deze tijd zijn in meer of mindere mate geba­seerd op de techniek. Het technisch denken heeft een aparte klasse gevormd die zoveel invloed heeft dat ze de gehele wereld in feite in haar greep heeft. Al deze factoren kunnen niet meer teniet worden gedaan. Welke ver­andering is er dan te verwachten? Laten we eerst het volgende eens bekijken. Juist dankzij de techniek zijn verschillende middelen en mogelijkheden bereikbaar geworden voor de gewone man. Niet alleen eindproducten, maar ook productiemethoden. Om u een voorbeeld te geven: LSD kan een student tegenwoordig maken in een achterkamertje. Hetzelfde geldt voor bepaalde explosieven. Wapens zou men voor een groot gedeelte – als men dat zou willen doen – ergens in een keldertje kunnen vervaardigen. Al deze mogelijkheden zijn er. Dus anders gezegd: de techniek heeft een tegen­techniek geschapen. Die tegentechniek brengt ook weer een eigen machts­klasse voort: de bestaande technocratie. (Neemt u mij niet kwalijk dat ik vele politici ook als technocraten zie: het zijn namelijk de mensen die we­ten wat zij doen). Over de gehele wereld bezien, staat het er ongeveer voor zoals ik het u heb geschetst.

Dan stel ik: een verandering van machtsverhoudingen zal binnen korte tijd plaatsvinden. Een verschuiving van maatschappelijke waarden is op dit moment al onstuitbaar aan de gang. Een wijziging van economische samenhangen zal weer trager geschieden maar is eveneens niet tegen te houden. Er is een langzame verandering. Deze verandering komt echter niemand ten goede. Hierdoor blijft dezelfde wankelmoedigheid bestaan.

Als er nu één mens komt – het behoeft er maar één te zijn – die, gedreven tot het uiterste, begrijpt hoe hij de massa achter zich kan krijgen, dan krij­gen we een tijdelijke omwenteling. Die tijdelijke omwenteling zal in deze pe­riode altijd leiden tot dictatuur. Iets anders is nu niet denkbaar. Dergelijke dictaturen zullen – omdat ze in zichzelf strijdig zijn – nooit een lang leven hebben: 60 tot 100 jaar is het maximum dat zoiets kan bestaan. Op grond hiervan stel ik dat rond het jaar 2200 inderdaad het aanzien van de aarde zeer sterk zal veranderen. De kennis en de benadering van de mens zullen eveneens zeer sterk veranderd zijn.

Dan hebben we ook nog te maken met een geestelijke omwenteling. Nu blijkt dat geestelijke omwentelingen frequenter voorkomen dan maatschappelijke. Om u enkele voorbeelden te geven:

30 na Chr. het eerste Christendom 200 na Chr. het vorm‑Christendom 400 na Chr. het machts-Christendom 800 na Chr. het gespleten Christendom (de Albigenzen). Dan krijgen we als vanzelf ook infiltraties. Ik neem hier het Christen­dom als voorbeeld omdat u dit het best kent. Het Christendom baseert zich op het Jodendom, maar maakt zich daar ongeveer 60 na Chr. van los. Het Christendom verwerpt filosofieën ongeveer 200 na Chr. Een deel van het Christendom integreert oude wijsheid in nieuwe Christelijke terminologieën ongeveer 350 na Chr. Er ontstaat een herleving van het denken van de oude filosofen, onder meer de Griekse filosofen, ongeveer 700 na Chr. Dus in de tijd dat Karel de Grote nog bezig was om met Elegast allerlei sprookjes uit te vechten.

Gaan we verder:

Dan zien we in ongeveer dezelfde tijd via Spanje een invasie in Europa van de Afrikaan­se cultuur, inclusief restanten van de oude Chaldese cultuur en de Egypti­sche wijsheid, met een brandpunt ongeveer in het jaar 1000 na Chr. In deze tijd zien we onder meer de Kabbala ontstaan. We zien geheel nieuwe beschouwingssystemen en ook worden dan de eerste nieuwe discipli­nes ontdekt. Er ontstaat een vorm van geestelijke samenleving en samenwerking die later van uitermate groot belang kan worden. Socialisering van deze groe­pen betekent gelijktijdig het ontstaan van een geheel eigen westerse theolo­gie, die gelijktijdig praktische leringen bevat onder meer voor het bereiken van God en het Koninkrijk Gods in zichzelf. Dit begint reeds in het jaar 1250 en voltooit zich ongeveer in 1450.

Gelijktijdig gaat in deze periode de geeste­lijkheid meer algemeen onderwijzend werken. Het betekent dat het analfabetisme terugloopt in de jaren 1500 ‑ 1600. In deze periode worden er vele nieuwe ontdekkingen gedaan, ook oude ontdekkingen komen weer naar voren, gebruiken van elders worden op eniger­lei wijze in het westen toegepast. In het Christendom scheiden de filosofen zich af in praktische Christenen en de muggenzifters. Er is een strijd gaande waarin de vrijheid steeds belang­rijker wordt. Kijken we naar Calvijn, Zwingli, Luther (hervormers), dan zijn dit mensen die eigenlijk nog heel enghartig denken.

In 1700 zien we dat steeds meer mensen zich gaan wenden tot de kennis en de filosofie zonder dat daarbij Christelijke normen zonder meer bepalend zijn. Ook vóórdien is het wel gebeurd, maar de kerk heeft elke keer ge­zegd: neen, de aarde draait niet, dus draaide ze niet. Dus een­voudig gezegd: in 1700 voltrekt zich een geestelijke revolutie waarin ‑ en dit is toch werkelijk iets bijzonders ‑ voor het eerst vanuit het volk tot denken geschoolden gaan ingrijpen in de ontwikkeling. Napoleon kan daar niets aan af of toe doen. Ook in zijn tijd blijft het voortbestaan. Het is eigenlijk de basis van een totaal nieuwe denkwijze. De Loges bijvoorbeeld die er eerst zijn krijgen plotseling een veel sensibeler karakter: ze zijn ook verstandiger. Wij krijgen te maken met de ontdekking van de wereld. Maar het is ook de ontdekking van een nieuw geestelijk bestaan, een nieuwe geestelijke vrijheid.

In 1800 zien we een ontwikkeling van het wereldbewustzijn gepaard gaand met de ontdekking ‑ laten we dat niet vergeten ‑ van de geestelijke krachten, die men in het Christendom tot nu toe een beetje op de achtergrond had gehouden, tenzij ze toevallig als de Heilige Maagd of zo tevoorschijn kwamen, dan waren ze aanvaardbaar. Er zat bovendien een inkomen aan vast in een bedevaartplaats.

1900: De nieuwe revolutie van het denken: de dageraad. De dageraad is niet – zoals men wel denkt – God loochenen zonder meer, het is: uitgaan van de mens. Het is het humanisme, nu ook door­gezet tegen de godsdienstige dictatuur. Het is het zoeken naar een eigen levensbeschouwing, een eigen menswaardigheid. Maar ook een zoeken naar eigen krachten en daardoor een stimulans voor een totaal nieuwe ontwikkeling in de menselijke filosofieën, het menselijk denken, het menselijk beleven van God en de wereld.

1976: Een tijd waarin de spasmen van de oude maat­schappij tegen het nieuwe bewustzijn, vooral het vrijheidsbewustzijn, zich reeds grotendeels in de mensen hebben afgespeeld. Het blijkt dat we nu worden geconfronteerd met de noodzaak om in de plaats van de stoffelijke strijd een ideële strijd te stellen die echter alleen gebaseerd kan zijn op de kwaliteit van de mensen die de strijd voe­ren. Tot op dit ogenblik is het mogelijk geweest om vrijheidsstrijder te zijn en er zelf beter van te worden. Nu kun je alleen een andere evenwichtigheid vinden, wil je in staat zijn de onevenwichtigheden van de wereld te verdragen en eventueel te corrigeren en te veran­deren.

We zitten nu in een tijd dat het paranormale op de voorgrond gaat komen. En zoals dergelijke zaken altijd zo’n 20 à 30 jaren hebben ge­vergd, zo zal dat nu ook het geval zijn. Dat impliceert dat er te­gen het jaar 2000 een nieuw beleven van mens‑zijn en menselijke mo­gelijkheden zal zijn. Dat houdt nog niet in dat er een sociale her­vorming is zonder meer, maar wel dat er een andere vorm van mense­lijk begrip en menselijke samenwerking ontstaat tussen steeds meer mensen. En dat betekent weer dat wat nu nog paranormaal wordt ge­noemd en wat de geest is, dichter bij de mensheid komt. Dat er dus een grotere eenheid komt. Er is dan de mogelijkheid om meer wéten af te tappen. Er is een mogelijkheid voor de mensen elkaar beter te begrijpen. Dus krijgen we een opbouw die gebaseerd is op de werkelijkheid van de mens en niet op leuzen en illusies zoals nu nog steeds het geval is.

Waar ligt dan het knooppunt? Het knooppunt van deze tijd ligt eigenlijk, als we het goed uitrekenen, in het jaar 1955 ‑ 1956. Dat is heel vreemd, toch is het waar. Het is de tijd van de teleurstelling. Het is de tijd dat de mensen gaan zoeken naar een droom om de werkelijkheid te vervangen die in deze vorm zo afwijkt van alles waarvoor ze hebben geleden en gestreden dat ze daar niet meer mee terechtkunnen. In deze huidige tijd zijn er een paar mensen die worden getroffen door het Oosten. De Oosterse denkwijzen, de Oosterse filosofieën dringen binnen. Maar die zijn op zichzelf niet zo belangrijk. Neen, het belangrijke is dat de bovenzintuiglijke beleving, de intens diepe innerlijke beleving op de voorgrond gaat komen. En dat vindt dan zijn uiting in de meer psychedeli­sche effecten van de muziek. Het voert naar de Beatles-verafgoding, maar te­vens naar een nieuwe benadering. Dat is het belangrijke van het leven. Het is duidelijk dat niemand daar voldoende van afweet, maar dat is vroe­ger ook zo geweest.

Ik meen dat het Petronius jr. is geweest – niet de schrijver maar kennelijk wel een afstammeling van hem – die heeft gezegd: “Het Christen­dom is wel groots en goed, maar het berooft ons van onze mannelijkheid.” Hij bedoelde daarmee ook strijdvaardigheid. Hij zegt er onmiddellijk na: “De zachtheid die wij in onszelf zoeken, kunnen wij niet verdragen als wij ermee worden geconfronteerd in de wereld.” De man had volkomen gelijk. Kijk maar naar de Orde der Verdraagzamen. Een erg verdraagzame groepering. Die overigens in dit knooppunt ook meewerkt, onder ons gezegd en gezwegen. Niet dat ze veel doen, maar ze doen wat en dat is al meer dan de meeste doen. Wat is nu typerend? Er zijn een hoop mensen die zeggen: ik ben blij dat ik bij die Orde hoor, we zijn toch maar bevoorrecht. Al die arme zielen in de Theosofische en Antroposofische bewegingen, in de Vrijmetselaarsloges en bij andere mediums en geestelijke groepen. Al die arme gelovigen die nog in de kerk zitten, wat zijn wij toch uitverkoren. En dan zeggen ze het heel verdraagzaam, maar ze hebben het toch wel erg mis want iedereen kan zijn eigen ontwik­keling zoeken. Maar deze tendens zit er op het ogenblik nog erg in. Er zijn mensen die zeggen: wij vinden in de een of andere stimulans – al is het hasj – een nieuwe vrijheid en een nieuwe wereld en daarom zijn we meer dan anderen. Je bent niet meer dan een ander, maar je hebt in je de mogelijkheid om een nieuwe beleving, een nieuwe benadering te ontwikkelen en die te gebruiken.

Ik heb u een paar punten gegeven van geestelijke veranderingen. Ik ben ervan overtuigd dat de geestelijke verandering – die eigenlijk al in 1957 is begonnen – zich nu gaat hernieuwen en zich dus op een meer ken­bare manier gaat waarmaken. Dat zal dan ongeveer moeten zijn in de jaren 1978 tot 1984. Dat is de periode waarin de geestelijke waarden en omwen­telingen een grote rol moeten gaan spelen. Dat kan niet anders, want het is een knooppunt.

Er is geestelijk een heel grote onevenwichtigheid. De een getuigt van Jehova, de ander van Ba’hula en de derde denkt: nu ja, “Lamahoela”. Ik wil maar zeggen, op het ogenblik getuigt iedereen van alles. Maar men moet naar een geestelijke beleving toe. En daar moet men wat mee doen. In deze tijd komt dat steeds meer voor. Alleen denken ze nog steeds: ik ben meer dan een ander en daar moeten ze van afkomen. Dat krijgen ze echter in een paar jaren nog niet voor elkaar. Als ze nu maar eerst leren om met de geestelijke waarden samen te werken.

Dan heb ik nu de twee belangrijkste delen van mijn voordracht afgewerkt. Ik heb hiermede het volgende aangetoond:

Telkenmale zijn er in de historie van de mensheid perioden waarin eigenlijk niemand weet welke kant het uitgaat. Het zijn perioden van onevenwich­tigheid, van verdeeldheid. Het is in dergelijke perioden dat mensen, die op de een of andere manier worden gedreven, ertoe komen om als het ware het lot bij de lok te grijpen. U weet het, het lot moet je van voren bij de lok grijpen, van achteren is het kaal. Dat heeft Hitler gedaan, maar ook Napoleon. Zelfs een Gustaaf Adolf, de koning van Zweden, die rijk is geworden aan de verkondiging van het ware evangelie. Hij is een heel belangrijk man geweest. Waar we ook kijken, altijd weer is één ding belangrijk: de wereld moet verdeeld zijn, want als ze een hechte gemeenschap vormt, dan kan niemand er iets aan doen. Een hechte gemeenschap kan nooit bestaan uit een dwang. Ze komt tot stand door een volledige en gelijke aanvaarding van het bestaan. Wanneer er een periode aanbreekt waarin die onevenwichtigheid steeds groter wordt, dan zullen we in toenemende mate worden geconfronteerd met personen die ingrijpen en die daardoor grote veranderingen tot stand brengen.

Een voorbeeld: Zonder de Duitse bezetting zat u nu niet met een goede sociale wet­geving. De sociale wetgeving van nu is in feite gebaseerd op de benadering, zoals die door de Duitsers oorspronkelijk met “Kraft durch Freude” en dergelijke in Duitsland is gelanceerd en voor een deel naar Ne­derland is overgebracht. Door diezelfde bezetting werden bepaalde machten die tot op dat ogenblik in Nederland heersten, weggeveegd en kwamen er ande­re, mijns inziens actievere groepen met een meer algemene belangstelling, aan de regering zoals Drees bijvoorbeeld. Van hem kan men zeggen: hij is nooit een goed staatsman geweest, maar hij is een goed mens en hij wist waar hij naartoe wilde, daarvoor heeft hij gevochten.

Kijk, dat zijn de mensen die grote veranderingen brengen. Het zijn nooit de helden en de grote staatslieden. Nixon kon weinig veranderen aan de loop van de wereld. Johnson nog minder. Kissinger kan er alleen voor zorgen dat de olieschaarste iets toeneemt door het overmatig ge­bruik van hoogwaardige vliegtuigbenzine. Voor de rest bereikt hij ook niet veel van blijvende waarde. Breznjev kan niet bepalen wat er precies gebeurt in Rusland. Mao zelf is iemand die alleen achteraf kan beseffen wat hij tot stand heeft gebracht, zonder dat zelf te willen. Al deze men­sen zijn uiterlijkheden. De verandering ligt altijd bij de onopvallende per­sonen.

Een tijd van onevenwichtigheid is bijna altijd een knooppunt waarin vele invloeden samenkomen en waar de mogelijkheid bestaat om een nieuwe toekomst voor de mensheid te scheppen. Vanuit het onaanzienlijke komt dan de verandering voort, die de gehele wereld meesleept en het denken en beleven van de gehele mensheid wijzigt, zodat een nieuwe toekomst mo­gelijk is.

Afsluiting:

U leeft in een tijd, waarin geestelijk grote veranderingen plaatsvinden en waarin stoffelijke veranderingen, die nog een tijd op zich laten wachten, zich in feite reeds aankondigen. Het is een tijd, waarin je in de eerste plaats in jezelf moet zoeken, want in de wereld kun je weinig of niets werkelijk en blijvend bereiken wat je ook denkt. Je kunt misschien wat boven is naar beneden halen en wat onder is naar boven brengen. Verder kom je nog niet. Een omwenteling kan eerst werkelijk plaatsvinden, indien de mensen innerlijk anders geworden zijn. Daarom is de periode van innerlijke verandering in deze tijd zo belangrijk. Daarom betekent de sociale ontwikkeling van deze tijd eigenlijk alleen maar een langzaam werken naar dat punt waarop deze in labiel evenwicht levende mensheid een nieuwe weg zal kunnen en durven inslaan. In het verleden zijn er veel soortgelijke momenten geweest. De wereld is nu wat meer één en daarom zal een verandering, die werkelijk komt, een grotere betekenis hebben. Maar dat wil niet zeggen, dat ze daarom anders is. Ergens herhaalt de historie zich toch wel een beetje. Met andere mensen, met andere ontwikkelingen, maar toch weer met gelijksoortige verhoudingen.

Wat wij vandaag hebben geprobeerd te doen is duidelijk maken, dat elke tijd een bepaalde kernwaarde heeft die evenwichtig is. Die waarde kun je niet aantasten of veranderen. Elke tijd heeft ook zijn zeer wankele evenwichten. Daarin is een verandering denkbaar. Maar de grote verandering ‑ of die nu in de maatschappij is of in het geestelijk beleven ‑ moet vanuit de mens zelf komen. Wij kunnen nooit de wereld voor een ander veranderen, als we de ander niet eerst leren zichzelf te veranderen. Dat lijkt mij het belangrijk­ste punt in deze dagen waarin heel veel mensen denken: als ik maar hard genoeg schreeuw en desnoods terreur gebruik, dan zullen de mensen wel anders worden. Je moet de mens leren anders te zijn. En dat kun je vaak beter doen met je eigen geestelijke krachten, door de ontwikkeling van de geestelijke gaven dan met veel geschreeuw en veel geweld dat tenslotte toch weer verstikt in de onberoerdheid van een zwijgende meerderheid, die denkt: zolang het mij niet raakt, is het niet belang. Maar een geestelijke kracht raakt hen wel degelijk. Streven naar een geestelijke verandering, een verandering van de innerlijke benadering van het leven en van de verschijnselen ervan, dat is hetgeen wat in deze dagen mogelijk wordt en in de komende jaren zich ook meer gaat manifesteren. Ik denk dat sommige rijken zullen sterven, misschien wel aan hun eigen overschatting, zoals Rome eens. Ik denk, dat er rijken zijn, die in hun samenvoeging, zoals eens Egypte, iets van hun mobiliteit verliezen en daardoor wegvegeteren als monumenten van iets wat in feite niet meer bestaat. Maar ik heb het diepe vertrouwen in de mensheid en een diep geloof in de mensheid, dat mij duidelijk maakt. Achter de uiterlijkheden ligt de belangrijke ontwikkeling. Achter de uiterlijkheden liggen de nieuwe contacten met stof en geest. Leermeesters en boekwerken zijn daarbij misschien wel bruikbaar. Zelfs de Orde kan soms wel eens goede diensten bewijzen. Maar het enig werkelijk belangrijke moet zich in de mens afspelen. Daar kun je van buitenaf niet veel aan doen. Je kunt hoogstens proberen een begrip te scheppen waardoor de mens zelf verdergaat. Om een oude wijsheid als slot te gebruiken:

Wanneer je tussen de Zuilen staat, kijk je in de spiegel. Daar zie je jezelf als derde Zuil. Dat kun je alleen maar zijn, indien je uitgroeit totdat je de Boog kunt bereiken, die de Zuilen verenigt en je verder kunt klimmen in de Zuil, die boven de Eenheid staat, zodat je achter Kether binnentreedt in de ware Kosmos.

Maçonniek, zeker, maar ook een werkelijkheid voor u. Kijk naar de geestelijke en stoffelijke wereld en besef: ik sta er tussenin. Ik moet groeien. Niet die wereld, ik moet groeien. Ik moet mij ontwikkelen. Ik moet het evenwicht van geest en stof in de wereld door mijn wezen helpen beïnvloeden. En dan kun je misschien treden voorbij de begrenzingen van vormvoorstelling, van beperkte beleving en iets vinden van de kosmische werkelijkheid, zoals eens Siddartha, zittend onder de Boaboom, zeide: “Niets kan mij beroeren.” En zo in zich een vrede vond, die de mogelijkheid schept vrede te zijn voor anderen.