Komende grote gedachten

uit de cursus ‘Denkers van de mensheid’ 1955-1956

Bij onze beschouwingen over de meer moderne denkers hebben wij natuurlijk nog niet de allernieuwste tendensen en gedachterichtingen. Er zou bv. nog veel te zeggen zijn over existentialisme, de socialistische en communistische filosofieën, kortom, over alle gedachten, die kentekenend zijn juist voor de periode waarin u leeft. Zo mogelijk zal ik hierop een volgende keer nog terugkomen.

Vandaag echter zou ik graag de aandacht willen wijden aan de komende ontwikkeling van het denken van de mens. Wij hebben kunnen zien dat er een zekere continuïteit in de gedachtegangen bestaat, die door de groteren in de wereld worden gebracht en die na verloop van langere tijd ook gemeengoed worden van de massa. Op grond van hetgeen gedacht werd in bv. de jaren 1880, 1890 kunnen we een schets geven van het hedendaagse denken. Dit vloeit daar onmiddellijk uit voort.

Dit houdt in dat de grootste gedachten van deze tijd het gemeengoed zullen zijn van een toekomstige beschaving; een tijd dus die na de uwe ligt. Ik wil niet te ver in de toekomst grijpen en wil trachten u een beeld te geven van de grote gedachten van grote denkers, zoals ik mij die voorstel over ongeveer 50 jaar; dus rond het jaar 2000.

In de eerste plaats zien wij dat theorieën van grote wetenschapsmensen in deze tijd het denken wel sterk beheersen. Daarbij vinden we dat de levenstheorie die door verscheidene grote mannen op medisch en bio­logisch gebied is voortgebracht, ons toont dat het menselijk leven kan worden teruggebracht tot zuiver materiële waarden. Slechts één factor is niet nader te verklaren of uit te leggen: nl. de achtergrond, het vormend principe dat alles tot stand brengt. De persoonlijkheid is gro­tendeels terug te brengen tot stoffelijke factoren. En het zal misschien niet eens zo lang meer duren, voordat men het eerste leven ‑ zij het in de vorm van grote stukken protoplasma ‑ zal weten te scheppen. Als resultaat moet de filosofie omtrent het leven en het begin daarvan in de komende tijd een grote omwenteling doormaken.

Het oude scheppingsverhaal zal symbolisch waardevol blijven, maar worden vervangen in het denken van de mens door theorieën, die ik ‑ bouwende op hetgeen op het ogenblik hierover wordt gezegd ‑ kan formuleren als volgt: De mens is een samenstel van op zichzelf werkzame en ook afhankelijke factoren” die gebonden worden door de gemeenschappelijke krachtdra­ger “bloed”. Bloed is het belangrijkste vocht. Daarom zal het bloed als eerste factor op de voorgrond komen. Men zal niet meer spreken over God Die de adem inblaast, maar God Die bloed geeft. Men zal niet meer spre­ken over de onvervangbaarheid van de mens, maar wel over de onvervangbaarheid van de krachten die hem doen leven ‑ de eenvoudige voedingsstoffen die door het lichaam worden verwerkt en de gassen die de mens doen bestaan.

Een religieuze opvatting kan in dat geval geen onderscheid meer maken tussen mens en dier, evenmin tussen mens en mens. Heeft men tot nu toe de gedachte aan de ziel als specifiek menselijk bezit gebruikt om een sterke differentiatie in de schepping te maken, deze theorie zal in de toekomst niet houdbaar zijn. Men zal ongeveer als volgt spreken: Ziet, wij allen bestaan uit dezelfde stoffen. In ons bestaat hetzelfde leven. Wij zijn elkaar dus gelijk, Slechts de kleine verschillen die ons als ras of als soort onderscheiden van het andere leven zijn onze speciale eigenschappen. En deze zijn niet met het leven verbonden, maar slechts met de uiting. Alle bewustzijn in stoffelijke vorm is afhankelijk van hetgeen stoffelijk in ons plaatsvindt.

Daarnaast moet er ‑ dat is begrijpelijk ‑ een bindende factor worden gevonden met de eeuwigheidsgedachte die de mens te allen tijde heeft beheerst. Zoals ik u het vorig jaar en ook dit jaar heb getracht aan te tonen, gaat deze nl. vanaf de eerste mensheid tot de ongekende toekomst.

Er moet dan een erkenning komen van een nieuwe factor: de geest. Nu erkent men in de dieptepsychologie reeds het onderscheid tussen geest en ziel. Men erkent twee verschillende factoren die belangrijk zijn in het psychisch samenstel en die elk voor zich als afzonderlijke persoonlijkheid en waarde kunnen worden beschouwd.

Dit uitbreidende zal men komen tot een absolute splitsing, waarbij de geest niet zoals nu wordt beschouwd als een eenheid of kern van het menselijk wezen, maar als een afzonderlijke persoonlijkheid, die moet worden bezien als denkende en ervarende waarde náást de stoffelijke mens. Dit leidt tot omwenteling in bv. het recht. Het recht dat op het ogenblik reeds uitgaat van bescherming van de gemeenschap zonder wraak tegenover de misdadiger, zal waarschijnlijk nog verder worden ontwikkeld. Men zal zeggen. “Wij zijn niet gerechtigd om zieken, die wij niet kunnen genezen te bestraffen omwille van hun ziekte”. Wij mogen ook geen mensen bestraffen omdat ze denkbeelden in praktijk brengen die zij van ons hebben geleerd. Wij moeten dus in plaats van de rechter, de medicus, de geschoolde psychiater stellen.

Ook dit zal een groot verschil betekenen in de toekomst. Want een misdaad is iets waar je je nog op kunt beroemen, een ziekte niet. Verandering dus van waardering voor je eigen werken en daden, voor je eigen fouten. Nu zou hieruit ongetwijfeld een groot zelfbeklag kunnen voortkomen. Maar op het ogenblik reeds bereidt zich een nieuwe wereldleraar voor op het geven van een nieuwe lering, een nieuwe openbaring die voor de mensheid een voortzetting zal betekenen van vele thans reeds bestaande gedachten, en die toch een nieuw element erin brengt. Zijn leer ‑ voor zover ik die thans kan/zal verkondigen – Alle mens, alle geest is gelijk. Er is slechts één God. En deze God is in alle dingen. Er bestaat geen ware godsdienst en geen onware godsdienst. Er bestaat slechts een begrip van God, dat  intenser wordend, het gedrag van de mens en de wijze waarop hij het leven (en daarmee zijn God) benadert, steeds dichter bij het ideaal zal doen komen, waarbij hij als eenheid niet de verdere mensheid optrekt.

De geloofsartikelen zullen ongetwijfeld vager en meer filosofisch zijn dan wat thans nog geldt. Toch zal de kern van de Tien Geboden ook in deze leer steeds weer optreden. Niet omdat zij absoluut goddelijk zijn, maar omdat zij de uitdrukking zijn van het wezen der mensheid en een richtlijn geven voor de wijze waarop hij zijn belevingen wel en niet mag uiten, wil hij mens blijven.

Als resultaat zal zeker ook hierin voorkomen. Eenieder verwerft zich in het leven slechts datgene, wat hij volledig heeft verdiend. Of hem dit aangenaam of onaangenaam is, het is zijn eigen verwerving en dientengevolge ook zijn eigen verantwoordelijkheid. 0, Dat is belangrijk. Dan kan iemand die weet dat hij ziek is, omdat hij iets doet wat niet mag, zich niet meer beroepen op: “Ik, arme, ben ziek.” Want dan moet hij erbij voegen. “Ik, arme, heb dus gefaald. Het is wel degelijk mijn falen.

Ook economisch zullen we andere denkers zien. Want het gemeen­schappelijk denken dat men tot heden toe doet en dat op het ogenblik nog verder wordt ontwikkeld, zal op den duur moeten leiden tot een absoluut beheersen van het leven van het individu door de staat of door de gemeenschap.

Nu zeggen vandaag de dag al vele stemmen dat een te sterk beschermen van het individu betekent, de individualiteit  en daarmee alle voordelen van dien uitmergelen en tenslotte doden. Men zegt nu reeds dat het noodzakelijk is een stimulans te schep­pen, waardoor de mens zich boven anderen kan verheffen en geprikkeld wordt een grotere verantwoordelijkheid te dragen dan die zijn medemensen aanvaarden. Of om het eenvoudig te zeggen: loon naar werken en waarde­ring naar prestatie. Dit zal natuurlijk ook in de toekomst verder worden ontwikkeld.

Maar toch zal men de gemeenschappelijke vorm van leven, die wij in zovele landen vinden uitgedrukt, zeker niet geheel terzijde gezet zien worden. Dat kan niet meer. Zo krijgen wij een individualistische ontwikkeling, waarbij de persoon zelf kiest, zelf verwerft, zelf presteert, maar niet meer alleen wordt gedreven door zuiver financiële voordelen.

De grote denkers van de toekomst zullen dit ongetwijfeld formuleren en neerschrijven: “Het is een mens niet genoeg te bezitten. Bezit betekent voor een mens slechts iets, indien hij door het gebruik, door het genieten ervan kan komen tot een sterk onderscheid tussen zijn eigen wezen en zijn mede­mens.

Laat ons dan elke eigenschap die ons het respect van anderen kan doen verdienen, elke kwaliteit die ook voor de wereld van betekenis is, verder ontwikkelen, opdat we ons door onze bemoeiingen, door onze eigen strijd, zullen kunnen verheffen boven de massa.

Dat houdt in dat de topfiguren in een betrekkelijk nabije toekomst nog meer zullen worden vereerd dan op het ogenblik het geval is. Maar daar staat ook iets tegenover. Er kunnen slechts een beperkt aantal topfiguren zijn. Dus moet er ook voor de gewone, man, voor de mens met het gemiddelde prestatievermogen, het gemiddeld begrip, een zekere waardering worden geschapen. Ik stel mij voor dat dit als volgt gebeurt: Eenieder die naar kracht en vermogen het maximum presteert voor zijn medemens, zal reeds daardoor het respect van die medemensen ver­dienen. Dan wordt het oordeel van de omgeving tot drijfveer voor de prestatie.

Dat zou een grote verbetering kunnen betekenen van de materiële omstandigheden, maar ook geestelijk ons dichter brengen bij de werkelijk grote gedachte die over een 50‑tal jaren in deze wereld moet worden uitgesproken: “Er is slechts een eenheid, waarin ik mij bewust kan zijn, indien ik mij stel boven het gemiddelde. Zolang ik onderga in de massa, kan ik nooit beseffen waartoe ik behoor. Zo is het mijn taak mij te verheffen totdat ik ‑ uit de massa tredende ‑ haar kan begrijpen en door mijn begrip haar kan verheffen tot mijn eigen peil, waarna ik in de massa weer­ onderga.”

Deze filosofie zal ongetwijfeld worden begeleid door een verdere ontwikkeling van de relativiteitsleer. Men zal op deze wereld steeds meer zeggen dat zwart niet altijd zwart en wit niet altijd wit behoeft te zijn, want dat dit van de ervaring afhangt of men iets nu zwart of wit zal noemen. De stellingen daarover zijn eigenlijk vandaag al geschreven en ik geloof niet dat die in de komende tijd veel verder ontwikkeld zullen worden.

Ook heden zegt men immers reeds: “Onze eigen persoonlijkheid schept de waardering volgens eigen capaciteiten. Er bestaat nooit een gemeenschappelijke waardering die vol­ledig gedeeld wordt door het geheel. Als wij spreken over eer, waarde, geven we een gemiddelde weer, waarbij onze interpretatie altijd iets  anders zal zijn dan de interpretatie van degenen die ons de omschrij­ving horen geven.”

Begrip hiervoor is ook zeer belangrijk. Begrijpen dat er verschil­len zijn, is op zichzelf al goed. Begrijpen dat de verschillen niet kunnen worden gedefinieerd en er dus een zekere vaagheidsfactor in alle ‑ zelfs de meest exacte ‑ uitdrukking blijft bestaan, vergroot ons begrip voor de wereld en zal gelijktijdig onze bewondering voor onszelf verminderen. Want wij beseffen nu dat slechts ons eigen oordeel over onszelf toont zoals we in eigen ogen zijn.

De techniek van de toekomst zal ongetwijfeld de mens ook het denken grotendeels ontnemen. Zeer vele van de gedachtewerkingen die zeer bewonderd worden er berusten op geheugen plus voorstellingsvermogen, zullen worden overgenomen door elektronische instrumenten.

Dit wil zeg­gen dat de hoofdarbeid niet meer zozeer zal worden bewonderd. Toch heeft de mens iets nodig, waardoor hij kan uitblinken ook boven de machine. In de toekomstige ontwikkeling zal ’t zeker de scheppende arbeid zijn; want de machine kan wel scheppen, maar slechts onbezield. Alleen de mens kan in zijn product de volledige waarde leggen die tot de ziel van zijn medemens spreekt.

Het optreden van deze nieuwe factoren brengt ook in de denkwijze van de mens een verandering. Op het ogenblik bewondert men in de mens het meest wat hij bereikt, wat hij is, wat hij presteert. Maar er zal een ogenblik komen, dat men in de toekomst slechts datgene bewondert, wat hij aan schoonheid geboren doet wordt. Of deze prestatie nuttig is of niet, zal van minder belang zijn. Hierdoor ‑ ook dat mogen wij rustig aannemen ‑ zal steeds meer en steeds sterker de gedachtegang van de mens op de schepping worden gericht. Hij zal de schepping gaan zien als iets dat niet machinaal maar bewust werd gevormd en geschapen.

Ik geloof dat ik aan het einde van mijn betoog deze toekomstige ontdekking dan wel als volgt mag schetsen. De mensheid zal verdergaan, zoals zij altijd is gegaan. Maar haar grote denkers zullen meer dan anders gehoor vinden. Meer dan anders zal het scheppingsvermogen van de mens de aandacht van zijn medemensen wakker roepen en hen daardoor brengen tot nadenken.

De grootste schepping van de toekomstige tijd zal zijn een nieuwe gedachte. Een gedachte die boven alle tijd en alle techniek uitgaat. Een gedachte die zegt: “Eeuwig is de mens. Vanwaar hij is gekomen dat kunnen wij niet precies nagaan. Waarheen hij gaat, blijft een raadsel. Maar eeuwig is de mens, want uit zichzelf schept hij. En scheppende baart hij nieuwe gedachten, mogelijkheden en schoonheden. De mens is deel van een scheppend principe. En de gedachte in de mens is de werking van de hoogste Kracht, waardoor de schepping tot stand kwam.” “Allen zijn gelijk. Geen mens zal plichten kennen behalve de plich­ten die hij zichzelf oplegt. Geen mens zal lasten dragen, behalve de las­ten die hij vrijwillig aanvaardt. Vrij zal de mens zijn en slechts gebonden door de scheppende drang die in hem leeft. En in zijn schepping zal de mens zichzelf erkennen. En erkennende zichzelf zal hij het eeuwigheidsbegrip in zich verwerven.”

Deze gedachte is nog niet uitgesproken. En de woorden waarmee zij wordt uitgesproken, zullen misschien anders zijn. Maar deze gedachte is de grote ontplooiing van het menselijk denken in de toekomst. Een toekomst waarin de vormen moeten vallen, waarin het formalisme moet ondergaan, omdat‑ zo deze niet zou vallen ‑ de mens ondergaat.