Kosmisch bewustzijn

18 januari 1955

Onder kosmisch bewustzijn verstaan wij de kracht, die totale uitdrukking vind in alle wezens gezamenlijk. Wij moeten ons voorstellen, dat het totaal der kosmos een cel is, een wezen, waar alle delen dier schepping dus functioneel in passen. Het is een wezen verder dat in zich een bewustzijn draagt, gebaseerd enerzijds op het totaal der in dit wezen aanwezige invloeden en factoren, aan de andere kant op het voorstellings- en realisatievermogen, dat natuurlijk verre aan het kunnen van de enkeling te beven gaat. Het is dus een boven bewustzijn in de ruimste zin des woords.

Waar nu in dit groots en kosmische bestaande wetten van de kosmos, regerend elk wezen, zal de kosmos denkend zijn wetten weten toe te passen voor elk wezen, dat in de kosmos bestaat.

Tot zover duidelijk? Wij mogen dan hieruit verder besluiten, dat elk wezen, dat zich dus zijn plaats in de kosmos realiseert tevens ook bewust gaat waarnemen de krachten, die in het groot kosmische wezen beheersend werken voor alle materie etc. Daaruit vloeit dan voort, dat het wezen, dat zich voldoende bewust is van het kosmische op de duur het eigen bewustzijn verwerft, niet meer in de zin van een begrensd persoonlijk geluk, maar als het scherp omschreven weten in de eerste plaats van het wezen der kosmos, in de tweede plaats van het doel, dat men daarin zelf uitmaakt.

Dat is eigenlijk de factor, het kosmisch weten, dat, zoals u het in de vergelijking hebt gehoord, één der rivieren, ofwel één der factoren, waardoor de mens bestaat. De kosmische invloeden zijn altijd merkbaar in elke mens, in elke geest, maar zij worden in het beperkte van het persoonlijk bestaan onvolledig gerealiseerd, zodat zij buiten beschouwing blijven in de totale bewustwording tot reeds een betrekkelijk hoge graad werd bereikt. Is dit voldoende?

  • Ik zou u willen vragen over de wijze waarop dit kosmisch bewustzijn wordt verkregen, ook in de sferen en ….. het is moeilijk uit te leggen.

Het kosmisch bewustzijn wordt verkregen, door volledig harmonisch te zijn in die delen van jezelf, die je kent. Hierdoor benader je automatisch het volgende deel, dat tot nu toe niet als een volbewuste factor in je leven tot uitdrukking wist te brengen. En zo kom je uiteindelijk ook tot de kosmische bewustwording. Dit is voor mens en geest volledig gelijk. Voldoende? Iets onduidelijks in? Iets over te vragen, of te zeggen?

  • Is het dan voor de mens in de andere wereld gemakkelijker om te komen tot een kosmische bewustwording dan voor de mens in de stof?

Neen. Dit blijft volledig gelijk. Wanneer de mens in de geest leeft hebben wij te maken met de geestelijke factor plus de mentale of bewustzijnsfactor. Leven wij in de stof dan hebben wij te maken met de mentale en de stoffactor die beiden als gelijkwaardig ten opzichte van elkaar kunnen worden beschouwd, zodat de toestand van het wezen in de geest misschien zich feitelijk en in het bewustzijn anders voor doet, maar de waardering gelijk blijft. Alleen is voor de geest dan de stof buiten het bereik gevallen en zal, wanneer dit niet reeds in een stofleven zodanig tot beheersing werd gebracht, dat het mede verwerkt kon worden in het bewustzijn, dus moeten wachten. Het slaat dan de trap kosmische bewustwording over en reïncarneert, zoals dat heet. U kunt dus zeggen, dat een bepaald moment van het bestaan dan blind wordt, zodat men de daar heersende invloeden en factoren niet onder vindt, niet kan realiseren en daardoor, verder gaande, terugvalt op de eerste trap, waarop men dan onmiddellijk weer begint met dezelfde wordingsgang.

Er is dus geen kwestie van voor zijn van de geest in dit opzicht, of voor zijn in de stof. Beiden hebben gelijke mogelijkheden, want kom ik in de geest tot een volledige bereiking in mentale plus geestelijke waarden, dan zal ik, in de stof terugkerende, in de stof een zodanig harmonieus wezen zijn, dat ik ook zeer snel de stoffelijke beheersing kan verworven en vandaar ook weer kom tot kosmische bewustwording.

Maar, leef ik in de stof, dan zal ik de geestelijke en dan ook de kosmische bewustwording krijgen. Dus dit a.h.w. de Rota, die in zichzelf een viertal waarden behoudt, maar op elke wijze kan worden geschreven of uitgesproken, zelfs als Tarot, ofschoon dat niet juist is, dan is een letter verdubbeld, er is een T aan toegevoegd. Maar Rota is het principe van de kosmische bewustwording, waarin vier factoren zo gerangschikt zijn, dat zij een woord vormen, maar tot elk ander, hieruit samengesteld woord kunnen omgevormd worden en zo dus een nieuwe betekenis krijgen en toch zich zelf in waarde gelijk blijven. Van welke trap men ook uit gaat, de kringloop der letters blijft gelijk. Ik weet niet, of u het voorbeeld kent, dat ik hier aanhaal, maar anders kunt u het voor u zelf proberen, Schrijft u Rota op, neem dan steeds de achterste letter weg en voeg die er voor. Dan zult u zien, dat u een voortdurende wordingsgang krijgt. Een voortdurende rondgang. U kunt het ook doen door de letters in een kruis te zetten en steeds bij een nieuwe arm van het kruis beginnen met lezen. Dan krijgt u een volledig inzicht in de gelijkwaardigheid van elke arm ten opzichte van de anderen, ofschoon de uitdrukking, die verkregen wordt, dan anders klinkt, anders lijkt, de kernwaarde blijft echter dezelfde. Ik meen, dat dit voldoen de is.  Dan kunnen wij misschien nog iets verder gaan met het onderwerp: Kosmische Wetten. Er zijn met u verschillende wetten besproken en als ik mij niet vergis, heeft u de laatste keer onderling kunnen bespreken de wet der evenwichtigheden. Nu zou ik willen bespreken een andere wet, die evenzeer bestaat voor elk uiting van stof. Ik kan daarvoor echter in de stof geen naam vinden, maar omschrijvende, kunnen wij zeggen, dat het de wet is van het gelijkblijvend middelpunt. Elk bestaan, elke stoffelijke of geestelijke uiting speelt zich af om een kern. Op het moment, dat ik de kernwaarde verander, de kern zelf verplaatst, verandert de totale waarde van hetgeen zich rond die kern afspeelt. Is dat duidelijk? Het is dus begrijpelijk, dat de kernwaarde voortdurend gelijk moet blijven, wil een uitingsmogelijkheid buiten die kern blijven bestaan, in de zin, die wij noemen, persoonlijkheid of geaardheid. Dit bestaat evenzeer voor geestelijke als voor stoffelijke waarden. De vergelijking kunnen wij nemen van een atoomwater, waaraan wij een kerndeeltje toevoegen, dat de kern zelf, het positron, versterkt. Op dat moment is deze waterstof van geaardheid verandert. Zij is geen waterstof meer en vertoont plotseling vreemde eigenschappen. Men kan het in geen normale reactie meer als waterstof gebruiken. Het past dus niet meer in zijn vroeger milieu of omgeving.

Wat was is weggevallen en de persoonlijkheid, deeltje waterstof bestaat niet meer. Nu kan dit uiteindelijk wel eens gebeuren, maar binnen dit al van geest en stof komt dit niet voor in zoverre geestelijke bewustwordingen hier mede betrokken zijn. Anders gezegd: Wanneer u een persoonlijkheid heeft, dan is het onmogelijk om de kern daarvan te veranderen. Deze zal altijd gelijk blijven. De verschijnselen naar buiten kunnen wel veranderen, maar zullen altijd een bepaalde reactie tot de kernwaarde vertonen, die voortdurend in zich zelf gelijk blijft. Het resultaat, dat wij dan krijgen, is dus een vaste sjablone, waarin elk wezen afgetekend kan worden en waaruit het totaal van belevingsmogelijkheden voor elk wezen te destilleren is, daardoor weten wij dan ook, dat het aantal wezens wederom tezamen een groter lichaam vormen. Dit grotere lichaam op zijn beurt heeft een kernpunt. Keert u dat kernpunt weg, verandert u dat van waarde, dan valt de greep uiteen. Nader voorbeeld zult u daarvan in de komende tweehonderd, tweehonderd vijftig jaar wel kunnen zien. Denkt u niet, dat u het niet zult zien, want je ziet heel veel dingen, ook wanneer je niet meer op aarde leeft. Dat is o.a. het wegvallen van de kernwaarde van het blanke ras. De waarde wordt n.l. veranderd; de bindende factoren zijn al grotendeels te niet gedaan. Wij zullen het langzaam uiteen zien vallen en zich vermengen met andere rassen, waarbij dan ook een ander ras dominerend wordt en de werkelijke beschaving bepaalt van deze wereld. Er moet dus een kern bestaan voor een volk en weer voor een groep volkeren, die tezamen een ras vormen, voor een aantal rassen, die tezamen de mensheid vormen.

En dan weer voor een aantal groepsgeesten, ik kan het niet anders noemen, die elk voor zich een bepaald ras op aarde vertegenwoordigen en gezamenlijk weer roteren om een kern, die wij dan aarde kunnen noemen. De aarde roteert weer om de zon, de zon beweegt zich weer in een gesloten baan rond een andere onzichtbare kern etc. Het gelijk blijven van deze kern is zeer gewichtig. Weten wij dit niet, dan zullen wij bv. aan kunnen nemen, dat de mens een volledig verandering zou kunnen ondergaan. Dit is niet mogelijk. Wanneer een mens zeer gezond verstandelijk denkt, of dat hijwaanzinnig is, of een mens zeer materialistisch, of zeer vergetelijk is, de kern van zijn wezen blijft gelijk. Daardoor ook de wijze waarop hij zijn doel nastreeft, de wijze, waarop hij voor zich bepaalde waarden tracht te realiseren, we weten voor ons zelf dus nu, aan de hand van deze wetmatigheid, dat het onmogelijk is, dat wij teloor gaan, want op het moment, dat wij teloor zouden gaan, zou ook de waarde van de kern rond welke wij ons bewegen, moeten veranderen er deze compenserend voor ons verlies, zou daarmee het totaal van bestaande in wezen aan geaardheid zodanig veranderen, dat het als niet meer bestaand, in de zin van het heden, kan worden beschouwd.

Op punt van de persoonlijkheid is het belangrijkste, wat wij uit deze wet kunnen leren, wanneer wij nu een bepaald wezen zijn, dan zullen wij zo lang als de waarde de versleutelde waarden, die wij als schakels van een ketting zich zien rijen tot het grote onzichtbare middelpunt, waarop het hele Al zich beweegt met een draaiend vliedende en draaiend krimpende beweging. Zolang als dat bestaat, zullen wij bestaan, zal de kern van ons wezen volledig gelijk blijven en een mogelijkheid van ons wezen nooit veranderen. De mogelijkheid van ons wezen wordt bepaald door de kernwaarde, die in, zich de uiterlijke verschijnselen controleert en redigeert.

U streeft naar geestelijke bewustwording. Ik kan mij voorstellen, dat er ergens op aarde iets bestaat, dat hetzelfde wil. Een adelaar, een bij, die ook hetzelfde heeft. Elk voor zich kunnen zij een volledige ontwikkeling meemaken, maar zij kunnen nooit hun wezen veranderen. D.w.z. de geest in de reeks der figuren, die zij tijdens haar bewustwording in de stof bezit, voortdurende haar eigen wezenheid uitdrukt. Ik kan dus zeggen, dat een bepaald mens een slang is en dan heb ik gelijk. Ik kan ook zeggen, dat iemand een leeuw is, dan heb ik ook gelijk. Want de geaardheid, de kern van de persoonlijkheid druk ik vergelijkend uit tot de kernwaarden, die in het dier minder ontwikkeld, minder uiterlijk en redelijk kenbaar zijn gelijktijdig voor deden. Ik kan zelfs zover gaan, dat ik aan de hand van de huidige waarde reeds zie of bepaal, wat aan het einde wan de ontwikkeling, de bewustwording, deze mens, dit wezen zal zijn, want de kern blijft gelijk. Dit staat gelijk met het eeuwig voortbestaan van de persoonlijkheid. Op het moment echter, dat een kernwaarde verandert, moet de gehele kosmos veranderen om te compenseren voor het geen hier gebeurt.

Wanneer een mens te niet zou gaan, ja nog sterker, wanneer een eendagsvliegje in wezensgeaardheid zodanig veranderde, dat hierdoor de kern gebroken werd, zou de gehele huidige kosmos ophouden te bestaan.  Nu brengt deze waarde verder voor ons nog een zeer interessante les mee. Want onmiddellijk aan deze gelijkblijvende kernwaarde zit iets verbonden, dat wij maar al te vaak vergeten. Op het moment, dat twee kernen zich verenigen, zal het aantal der uiterlijkheden zich vereenvoudigen in overeenstemming met de vereenvoudiging der kernen, wil het totale evenwicht gelijk blijven. Echter zullen twee kernen elkaar alleen kunnen naderen, wanneer zij behoren tot dezelfde groep. Ook dit duidelijk? Dit houdt in, dat, wanneer twee ongelijke waarden elkaar benaderen, zij tot een tijdelijk samengaan komende, een deel van zich zelf zullen moeten vernietigen en daarmede ook van de kosmos, wat tot op heden niet gebeurd is. Ofwel wederom van elkaar zullen moeten wijken.

Dit geldt eigenaardig genoeg niet, zoals u misschien zou denken, voor de rassen. De rassen hebben n.l. de gelijke waarde, mens en de uiterlijke verschillen zijn veel groter dan door de kernwaarde wordt gerechtvaardigd, zodat hierdoor een wankele balans kan ontstaan, een halfbloed. Deze zal in sommige gevallen een moeilijk leven hebben dan een ander, omdat tweeërlei waarden tegelijk in zijn wezen geuit worden. Maar hij heeft aan de andere kant de bereikingmogelijkheden van beide rassen en zal zich moeten bekennen tot de ene of de andere groep. Men is echter nooit zeker, of dit blijvend gebeurt, want in werkelijkheid bevindt een dergelijk wezen zich in suspensie tussen twee in zichzelf ondergeschikte kernen van aantrekking, die beiden hun waarde ook genetisch uitwerken. Is hierover iets te vragen?

  • Dan zou eigenlijk de rassen vermenging tegen gesproken moeten worden?

Ik zeg nogmaals, er is geen waarde verandering, maar in vele gevallen zien wij een suspensie.

D.w.z. dat tijdelijk de eigen beweging zodanig geremd wordt, dat naar twee kanten ten opzichte van de kern, de kern van de mens, kan worden gereageerd. Dit brengt tweestrijd in de mens zelf, maar kan op de duur opgelost worden, naarmate n.l. de kernen, die beiden meewerken aan het tot stand komen van de mens nader tot elkaar komen, zal de loop van de mens vrijer worden tussen deze beide kernen. Op het moment, dat zij zich verenigen, is juist deze mens de enig aangepaste aan de nieuwe waarde. Dat klinkt misschien voor u wat vreemd. Maar onthoudt u goed; wanneer twee volkeren van rassen en dat is in de geschiedenis misschien meer gebeurd, dan u wel denkt; het Duitse volk is een aardig voorbeeld daarvan, de Engelsen zijn een aardig voorbeeld daarvan om nog niet eens te spreken van de Amerikanen. Nu noem ik er maar een paar. Deze volkeren bestaan uit verschillende groepen, die door onderlinge huwelijken bv. zo dicht tot elkaar komen, zoveel factoren gemeen hebben, dat uiteindelijk deze kernen samensmelten. In deze samensmelting ontstaan uiterlijk nieuwe waarden, terwijl alle delen in zichzelf gelijk blijven. Is dat duidelijk?

Dus het tegen spreken van de vermenging der rassen, of het trachten dit te veranderen zou in feite niets gunstig zijn. Zou zeer een versatief zijn. En een versatisme heeft de neiging om tot stilstand te komen, want de kern zelf moet haar eigen baan volbrengen. Op het moment, dat de zon stilstaat in de ruimte, vallen alle planeten weg. Dan sterft de zon zelf en blijft er niets over. Maar dan zal de grote kern ook weer een nieuw evenwicht moeten zoeken. Dat houdt in, dat niet alleen een paar planeten en slechts een ster doven of veranderen, maar dat daar buiten een groot aantal waarden verandert. De kern waarden van sterren en planeten blijven dan verder gelijk, maar worden in een nieuw verband tot de hoofdwaarden gezet. Is dit nog duidelijk? Of wordt het wat verward?

  • Dan had ik u nog willen vragen, ik zit n.l. met een moeilijkheid van voorstelling. Dat is als die kernen, die leven maar zo oneindig door. Nu is er aan een oneindigheid geen begin en geen eind. Dus dan moet ik mij voorstellen, dat die schepping van het heelal gebeurt in één moment en in één punt, dus het puntheelal z.g. Als wij dat puntheelal aannemen, dan zit ik ook met een moeilijkheid. Want ik zie, dat hier op deze aarde, d.w.z. het specimen mens, daar is een toename van aantal in. Nu kunt u zeggen, er is een aantal potentieel aanwezig geweest. Dat ben ik volledig met u Maar ik kom nu op de moeilijkheid, waarmee ik zit, n.l. de toename van aantal. En dan zou ik toch moeten hebben, hetzij splitsingen van deze kernen of creatie van kernen er bij. En daar kom ik op twee tegengestelde theorieën; het puntheelal, dus de generatio spontanea en het nog steeds in schepping zijnde universum, dat zijn twee tegengestelde richtingen. 

Dat zijn twee schijnbaar tegengestelde richtingen. Maar dat komt, omdat het in ontwikkeling zijnde al beantwoord aan de menselijke voorstelling, terwijl het punt heelal geen tijd toelaat en dus betekent een volmaaktheid van zijn, waarbij elke wordingsgang tot stand komt door de verplaatsing van het bewustzijn van kern tot kern, wat ook zou kunnen worden uitgemaakt, indien u het anders zou willen zeggen, door een verschillende rotatietijd van het stoffelijke en het geestelijke, waardoor het stoffelijke ten opzichte van het geestelijke een verschuiving vertoont en hierdoor komen een tijdsbesef plus een ontwikkelingsgedachte tot aanzijn.

  • Maar dan blijft toch mijn aantal hetzelfde. Dan zitten wij toch met een constant aantal.

Dat is wel duidelijk. Dat wil dus zeggen, dat elke cel, die in de oerzee leefde vandaag aan de dag mens zou kunnen zijn. Dat wil verder zeggen, dat elke kern, die op haar baan zich onttrekt aan deze stof, dus haar eigen omloopsnelheid heeft, op elk ogenblik in de stof terug kan keren, dat dit volgens haar baan geweest is. Dit terwijl zij daarbij geen rekening behoeft te houden met de banen van andere eenheden, dus dat er geen sprake is van een gelijkblijvendheid ten opzichte van de kernen, die zich rond een hoofdkern bewegen. Nu komt u tot een uitbreiding van getal. Mag ik u vragen, of u weet hoe veel insecten de mens alleen in de laatste vijftig jaar verdelgd heeft? M.a.w. in welke mate het leven van kleine insecten is afgenomen in deze wereld? (Dat zal een mooi getal zijn). Ja, dat is ontstellend.

  • De principiële kwestie is hier, dat wij zitten met het uitdijen van het bewustzijn. Wij hebben een correlatie met het uitdijend heelal. Nu wordt aangenomen, dat het heelal, althans voor een groot deel opgevuld is met waterstof, dus met de partikels, die u  zo-even noemde. Nu is het eigenaardige, dat, niettegenstaande het uitdijende heelal men een eenparig versnelde snelheid de densiteit van de waterstof constant blijft. Wat dus in zich sluit dat we een creatie moeten hebben van waterstofatomen, die recht evenredig is met het uitdijen van het heelal. Dus dat houdt in, dat wij nog steeds leven in de hand van de levende God en niet, dat de de scheppingsdaad is een generatio spontanea. Dus uitgaande van het puntheelal……     Aannemende, dat er nog steeds een scheppende God zou zijn, dat is de eerste vraag, kan die scheppende God volmaakt zijn, zoals wij dit aannemen en toch voort blijven scheppen, dus aan Zichzelf en aan Zijn Schepping iets toe blijven voegen? Ik geloof niet, dat dat mogelijk is.

Het ene sluit n.l. het andere uit. Het volmaakte kan slechts het volmaakte uiten, want uit het volmaakte het onvolmaakte, dan wordt het in zichzelf door de uiting tot onvolmaakt. Dat is meer theologisch filosofisch.

  • Enige tijd geleden hebben wij hier over het op een bijeenkomst ook gehad. Naar ik meen, hebben wij toen vastgesteld, dat het volmaakte het onvolmaakte in zich sloot. Dit, omdat dit twee aspecten van een wezen, de beide kanten zijn.

Zeer juist, Maar het onvolmaakte kan noodgedwongen door het volmaakte niet geuit worden, omdat het onvolmaakte slechts in het volmaakte kan bestaan, maar uit het volmaakte geprojecteerd, het volmaakte zelf tot onvolmaaktheid zou maken. Ik zou dit eerst maar eens op mijn gemak bestuderen. Dit is een punt, dat op het ogenblik verder buiten beschouwing kan blijven, dunkt mij.

  • Ik wou nog iets vragen. U had het over de kern, mens kern en laten wij zeggen insect kern. Die kunnen niet met elkaar verenigd worden, want dan zou een vernietiging er komen. Op welk punt kunnen zij dan wel in een andere vorm overgaan? Als groep?

Als groep, inderdaad. Nu is het eigenaardig, dat men vaak uit het oog verliest, dat wij hier spreken over geestelijke kernen, zodat de uiterlijke verschijningsvorm niet direct hoeft bepaald te worden door de geestelijke inhoud of omgekeerd. Wanneer dus een aantal muggen een bepaalde groep met een geestelijke kern dus, een bewustzijn bereiken en zij worden honden, dan zullen deze honden zich zo in de schepping plaatsen, dat zij onderling verder kunnen gaan. Tot hun kern als zo danig een volledige harmonische relatie heeft gevonden tot de groep God. Pas op dit moment kunnen deze wezens werkelijk als hond worden aangesproken. Voor die tijd blijven zij daarvan gescheiden, ondanks de uiterlijke overeenkomst, die zij met het wezen hond vertonen. Maar ik wilde eerst even die eerste vraag verder afhandelen. Dan krijgen wij het volgende punt. Wanneer wij zeggen, dat het heelal zich uitdijt en dat de densiteit der waterstof volledig gelijk blijft, kunnen wij natuurlijk aannemen een voortdurende creatie van waterstof, die overigens, sta mij toe dit op te merken, zeer zeker niet het hele Al vult, of alleen aanwezig is in de Melkwegstelsels, maar overal en dan nog in zeer verschillende samenstellingen. Want er is niet alleen waterstof, maar er zijn ook stromingen, van carbon, er komt magnesium voor. Enfin, noemt u maar op. Een hele reeks samenstellingen, die niet alleen maar elementair, maar zelfs al moleculair zijn, komen plaatselijk in stromingen voor.

Alle elementen komen dus voor in die ruimte en niet slechts een. Maar dit wil zeggen, dat, wanneer wij zeggen de densiteit blijft gelijk, en spreken van een puntheelal, er nog een andere conclusie mogelijk is, dan degene, die u trekt. Wanneer wij van dat standpunt uitgaan en wij willen het verdedigen, dan kunnen wij n.l. ook zeggen: de verwijdering is schijnbaar. M.a.w. de beweging van het Al is een relatieve kwestie, waarbij geen reële vlieding van het Al behoeft plaats te hebben, maar de realisatie van een verkleining van het eigen wezen hetzelfde zou betekenen. Dus, wanneer een Melkwegstelsel als het uwe voortdurend slinkt, doordat het zijn krachten geuit heeft tot de hoogste grens en terug valt, zal voor elk, die in dat stelsel zich bevindt, dit zich voor doen als uitdijen. Ook dat heeft men schijnbaar buiten beschouwing gelaten. Dan het derde punt. Wanneer wij spreken over waterstof in de ruimte, mogen wij nooit vergeten, dat dit alleen vastgesteld kan worden door spectraal analyse op de aarde, waarbij noodgedwongen aardse factoren en opvattingen beïnvloedend zijn voor het beeld, dat men zich vormt. Wanneer men dus zoekt naar de blinde lijn in het spectrum en op grond hiervan het getal bepaalde van de materie, die aanwezig is, is het lang niet zeker, dat deze materie zelf aanwezig is. Ik kan mij voorstellen, dat er zich een veld bevindt met een bepaald trillingsgetal, dat op het spectrum een volledig gelijke uitwerking heeft. Indien dat veld gehandhaafd blijft, filterend bv. rond de aarde, zal voortdurend dezelfde vaststelling worden gedaan omtrent de ruimte, ofschoon er in die ruimte zelf in feite niets aanwezig behoeft te zijn. Ik heb dit alleen maar naar voren gebracht om u aan te tonen, dat de z.g. vaste staande of wetenschappelijke feiten niet zonder meer voetstoots behoeven te worden aangenomen.

Maar nu wil ik een andere vergelijking nemen. Een primitieve cel kan een uitzettings- en slinkingsproces ondergaan, waarbij zij voortdurend, ofschoon in geringe mate pulseert, totdat zij op een ogenblik haar kritieke punt overschrijdt en komt tot een vergroting, die leidt tot celdeling. Ik weet niet, of u dat kent?  Aangenomen, dat wat wij over kernen gezegd hebben, juist is, krijgen wij dus het pulseren van het wezen Al. Misschien tot het moment, dat het wezen Al zich deelt in twee wezens Al, die elk in zich kleiner zijn, dezelfde pulsatie blijven vertonen, waarbij beiden wederom de mogelijkheid hebben, hun kritieke punt te overschrijden en tot deling over te gaan. Wanneer wij nu onszelf zien, dan zal gedurende deze zeer kleine beweging praktisch de densiteit van het zich daarin bevindende praktisch volledig gelijk zijn, ondanks het feit, dat zich daarin ook bepaalde verdichtingen, zoals u bekend, voordoen. Nu zou ten opzichte van die kleinere punten, die zich in de cel bevinden, dus gezegd kunnen worden; ons heelal dijt uit, krimpt, maar de densiteit blijft gelijk. Zo is deze mogelijkheid. En wanneer wij van deze kerntheorie uitgaan, kom ik dus tot het moment, waarop ik moet zeggen: er is een wezen Al, dat in zich zelf de volmaaktheid is, of misschien wel het Goddelijke, wie weet, en in zich levensprocessen vertoont, zoals de cel, toen ik het over die kernwaarden had. Waarbij dus de enormiteit van dit wezen voor de bewustzijnsvormen binnen dit wezen geen reële beoordeling meer mogelijk is. Want wat voor het Al zeer klein is, een breukdeel van een seconde, is voor de mens, als ik mij niet vergis, een beweging, die ettelijke miljarden lichtjaren bedraagt en een periode van ongeveer anderhalf miljoen jaren in beslag neemt. Dat mogen wij niet vergeten.

  • Ja, hetgeen waar ik zo-even zo nieuwsgierig naar was, de synthese van deze twee antithesen, want wanneer wij dit oplossen, komen wij natuurlijk ook weer tot twee waarden. Volgens de wet der evenwichtig heden moet dit zo zijn, voelt u?

Maar volgens de wet der kernen vloeien zij dan ook tot een constante eenheid terug. En dat is deze: het wezen Al is een punt. Een denkbeeld, het blijft in zichzelf volledig gelijk. Maar het totaal van de zich daarin voordoende waarden en veranderingen moet noodzakelijkerwijze juist door de begrensdheid en beperktheid van het punt denken de grootst mogelijke veelheid van versnelling en beweging in zich veroorzaken. M.a.w. hoe groter het Al is, hoe kleiner het aantal verschijnselen, hoe kleiner het Al, hoe groter het aantal verschijnselen en hoe sneller de volgorde, waarin zij zich voordoen.

  • Dat is de veelheid der dingen.

De veelheid der dingen, die alleen kan bestaan, wanneer zij in zich zelf een eenheid zijn.

Daardoor kunnen wij dus de beide antithesen tot een these terug brengen. Dan kunnen wij zeggen, dat het hele Al en alle kernen uiteindelijk terug te brengen zijn tot verschijnselen, die in zichzelf door het niet zijn werden veroorzaakt. Of gaat U dat te diep?

  • Neen, dat kan ik voelen.

Wat is n.l. de kernwaarde van het hele geval? God is en God is niet. Want slechts op het moment, dat God niet is, dus voor schepselen en voor Zichzelf, kan Hij zijn door Zijn Schepping, waarin Hij Zichzelf uit. Op het moment, dat de schepping terug valt tot niet, is het Goddelijk. Dit is natuurlijk een zeer boute theorie. Maar, enfin, dat zit weer met andere wetten in verband en ik weet niet, of wij er de tijd voor hebben, om dat allemaal uit te gaan werken.

Wij komen daar later nog wel toe, want zowel mijn collega, die dit onderwerp begonnen is, als ook ik zelf, interesseren ons zeer voor het onderwerp en hopen dit dan ook nog meer malen te kunnen bespreken. Het wonderlijke van deze zaak is wel; wij lezen al deze wetten af. Nu zijn deze wetten voor ons volledig vaststaand. Dat moet wel betekenen, dat zij uit een ander standpunt volledig niet bestaand moeten zijn. Klinkt het u als wartaal, of kunt u nog aanvoelen, wat ik hier zeg? Het resultaat is, dat ik alleen maar kan komen tot de volgende conclusie: deze wetten bestaan voor mij, omdat ik niet ben, wat ik denk te zijn, want zou ik zijn, wat ik denk te zijn, dan zouden deze wetten niet kunnen bestaan. De verborgen waarde binnen mijzelf brengt wetten tot stand, die ik herkennen kan. Maar dit alleen doordat ik mijzelf niet ken, voor ik ben. Op het moment, dat ik mijzelf ken voor wat ik ben, houdt de wet op te bestaan en is dit mijn wezen. Nu; ik geloof, dat ik dit wel met deze korte conclusie kan besluiten en beter doe eerst te zien, wat u op te merken heeft.

  • U had het daareven terloops over een ruimte, waar niets in was. Is dat mogelijk?

Neen, want dan is daar nog altijd de ruimte. Het niets is in zichzelf iets. Daarom is het; het niets. Dus er kan niet een ruimte zijn, waar geheel niets in is, want dan is die ruimte nog gevuld met het wezen Niets, wat in zich een negatieve wezensverschijning is en dus zijn tegendeel in zich draagt, in zich dus onbestaanbaar. Maar ik gebruikte het, zoals u zich zult herinneren in mijn beschrijving van mogelijkheden en maakte daarbij de opmerking, dat het mogelijk zou zijn. Er zijn in het Al inderdaad bepaalde plaatsen, kan ik daaraan toevoegen, waar volgens ons niets is. Nu gaat er bij ons het volgende verhaal, misschien heeft u het al eens gehoord. Op het moment, dat ik geestelijk stijg, veranderen zich de waarden der dingen. Wat ik gezien heb vroeger, wordt voor mij tot niets. Wat vroeger voor nog vast was, wordt voor mij tot vloeistof. Wat echter voor mij vroeger lucht was, wordt voor mij vaste materie, zodat een voortdurende verschuiving in waardering plaats vindt binnen het bewustzijn, waaruit weer zou kunnen volgen, dat wat voor ons niets is, de enige werkelijkheid is voor anderen, terwijl uw wereld voor hen een duisternis kan zijn en wij alleen maar niets schijnen. Zonder meer.

  • Maar dat betreft allemaal het schijnbare. Werkelijk is het dus niet.

Ja, dat is nu juist de grote moeilijkheid. Kijk eens, wij zijn op het ogenblik uit de esoterie een beetje in de filosofie terecht gekomen. En in de filosofie is, zo u weet, alles mogelijk. De grote vraag wordt dan; bestaat er wel iets? Begrijpt u, wat ik bedoel? Of is er een toestand, die ik niet beschrijven kan, die, continu gehandhaafd ik iets nog niets kan noemen, omdat ik daarin geen tegendelen ken, waarin ik persoonlijk en u allen met mij, tegenstellingen leen te erkennen, waardoor wij in een op zichzelf onbegrijpelijk iets, dat tevens natuurlijk ook weer een onbegrijpelijk niets moet zijn, of wel iets en niets tegelijk is. Kunt u er nog uit komen?

  • Ja

 Het is voor mij n.l. tamelijk moeilijk, want wat moet ik zeggen voor iets en niets, die elkaar opheffen? Zeg ik evenwicht, dan impliceer ik nog, dat er iets is. Maar laten wij toch maar hiervoor even dan het woord evenwicht gebruiken. Dat is eenvoudiger. Dus wanneer er een volledig evenwicht is en ik in mijzelf binnen dat evenwicht onderscheiden meen waar te nemen, dan kan ik alleen door deze mening voor mijzelf een wereld van tegenstellingen scheppen. Dan beleef ik deze wereld van tegenstellingen, zonder dat reëel zijn, want zij zijn eigenlijk wel en niet tegelijk. Wel voor mij, niet in het totale. Dan komen wij tot de bekende filosofie der waan, of over waan en werkelijkheid. Als er een waan bestaat, moet er een werkelijkheid zijn. Dus kunnen wij proberen uit de aard der waan op de werkelijkheid te besluiten en dan ontdekken dat dit een zuiver persoonlijke kwestie is. Op het moment, dat ik dus ga proberen om mijn waan vast te stellen, moet ik noodzakelijk de werkelijkheid nauwer bepalen, doordat ik de waan nauwer bepaal. Begrijpt u? En dat is nu eigenlijk het feit, waar de esoterie over gaat. Zij is enerzijds bezig de waan te bepalen en te beperken en hoopt daardoor elders een werkelijkheid te scheppen. Een werkelijkheid, die in zich misschien ook weer waan is, maar dan een grotere waan dan het ik. En is dat een maal tot ons wezen geworden, is dat onze werkelijkheid, dan zullen wij hierin weer een aantal delen kunnen vinden, die wij elimineren als waan. Wat wij aan het einde overhouden, zal waarschijnlijk zijn een aantal door ons niet begrepen en voor ons onuitdrukbare waarden, waarin wij onszelf als een harmonisch deel vinden. Nu hoop ik maar, dat ik u niet al te veel in de war heb gebracht met al deze betogen. Nu heb ik het o a. gehad over de wet der kernen. Is dat duidelijk genoeg uitgedrukt, of moeten wij daar eens volgende keer eens op terug komen? Nu, dan hoop ik de volgende keer met u te spreken over elkaar opheffende velden. Daar bestaan namelijk ook nog een paar aardige wetten over, wij kunnen n.l. daarin een groot deel van onze eigen psychische werkingen erkennen en bovendien weer het totaal van het zijn omschrijven.