Kosmisch bewustzijn

image_pdf

24 januari 1964

Aan het begin van deze bijeenkomst wil ik u er op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Wat mijn onderwerp betreft: Een vorige maal hebben wij de negatieve zijde bezien, het venijn in de wereld. Ik meen dat het goed is daar op deze avond tegenover te stellen: Kosmisch bewustzijn.

Wanneer wij ons afvragen, wat een kosmisch bewustzijn is, lopen wij reeds onmiddellijk vast op het feit, dat dit een bewustzijn inhoudt van de kosmos en als zodanig ver uitgaat boven de menselijk begrensde, maar juist daardoor voor de mens redelijk omschrijfbare wereld.

Wanneer wij in de geschiedenis de verschillende grote geesten op aarde als ingewijden en verlichten volgen in hun betogen komen wij, tot onze verbazing, dan ook steeds weer beschrijvingen tegen, die kennelijk slaan op kosmisch bewustzijn, maar toch in de ogen van een redelijk denkende mens wel wat veel op sprookjes lijken. Mohammed stijgt, gaande door de verschillende sferen, tot de zevende hemel op en ontmoet daar God. Paulus wordt opgenomen, tot “in de derde hemel”. En zo kunnen wij doorgaan. Men ontmoet goden, men ziet de engelen en heeft visioenen van de eeuwigheid.

Maar altijd ontbreekt er iets; er is geen samenhang met onze, met de menselijke wereld. Het geheel doet even onwaarschijnlijk en onwaarachtig zoetelijk aan als engeltjes, gedreven door Botticelli of geschilderd tegen een plafond, waarvan je weet, dat het geen werkelijke hemel, maar alleen maar gips is. Zo echter een beschrijven kennelijk tot de onmogelijkheden behoort, kunnen wij toch misschien een antwoord vinden op de vraag, wat dit kosmisch bewustzijn dan wel kan betekenen. In de eerste plaats merken wij dan op, dat dit bewustzijn ongetwijfeld door alle eeuwen heen is voorgekomen. Elke keer weer, wanneer wij geconfronteerd worden met tijden van strijd en verval, met een grensperiode tussen twee beschavingen, treffen wij grootmeesters of verlichten aan, die onder de meest verschillende vormen lering geven.

Zij tonen daarbij overigens weinig of geen neiging verder op de voorgrond te treden: zij brengen hun leer. Of zij dit nu doen als een Plato of eerder op de wijze van Socrates, of zij hun weg kiezen als de Gautama Boeddha, of eerder optreden als de verborgen meesters, die slechts een kleine groep tot zich toe laten, altijd weer worden wij allereerst geconfronteerd met hun nederigheid. Zij schijnen verder het leven niet belangrijk te vinden. Zij kennen dan

ook geen werkelijke angst voor de dood. Misschien dat er onder hen zijn, die enige angst tonen voor pijn. Toch is ook dit voor hen kennelijk iets, wat evenals de dood rustig aanvaard moet worden en uiteindelijk slechts van ondergeschikt belang is. Wij zien dan ook steeds weer, dat zij de dood, zelfs een gewelddadige dood onder pijnen, steeds weer waardig aanvaarden, wanneer het eenmaal zover is.

Wij vragen ons dan wel eens af, of al deze verlichten en groten dan zo buitengewoon moedig zijn. De geschiedenis van de vele verlichten leert ons echter, dat er onder hen velen waren, die ergens toch angst kenden of zelfs trachtten, persoonlijk de consequenties van de door hen verkondigde leer te omzeilen. Dergelijke figuren, die een zekere voorzichtigheid of zelfs lafheid verweten zou kunnen worden op bepaalde ogenblikken van hun werken en leren, treffen wij zowel onder de filosofen van Griekenland als onder de groten van Egypte en de latere meesters en ingewijden. Kennelijk is een van de eerste punten van het kosmisch bewustzijn echter, dat de waarde van het begrip dood geheel verandert: Zelfs degenen, die in onze ogen laf zijn, blijken deze niet te vrezen.

Uit de leringen, die de verlichten ons nalaten, kunnen wij hieromtrent veel leren: Geen van hen beschouwt klaarblijkelijk het menselijk leven als volledig of werkelijk, terwijl allen weten – of overtuigd zijn – dat het werkelijke bestaan niet gebonden is aan lichamelijke waarden. Jezus spreekt ons dan ook over het koninkrijk der hemelen. De Boeddha vertelt over de werelden, waarin de ziel na de dood kan vertoeven en beschrijft daarnaast het grote niets, de status van absolute tevredenheid, waarin de mens uiteindelijk kan opgaan. Mohammed tekent ons een land vol verrukkingen, waarin de goede mens na de dood voort zal leven. De Egyptenaren tonen ons een onderwereld, maar daarnaast een soort vergeestelijkt Kemt, waar het graan aren heeft, die vol zijn tot de grond toe, waarin alles rijkdom en vreugde is, waar de zon altijd schijnt en nooit gebrek is aan bier.

Indien wij dit alles bezien, komt daaruit duidelijk naar voren, dat deze ingewijden, deze bewusten, een vorm van bestaan kennen, die de gewone mens niet bekend is. Zij zien deze vorm van bestaan echter ook niet, als slechts voorkomende na de dood of zelfs maar onverbrekelijk verbonden met het begrip dood: De meesten onder hen vertellen niet alleen over een wereld in het hiernamaals, maar leren de mensen ook, dat men reeds nu, terwijl men nog mens is, een verlichting kan verwerven, waardoor men feitelijk reeds in die wereld leeft.

Aan de andere kant nemen zij kennelijk aan, dat een ieder, die geestelijk waardig is, binnen dit bestaan eeuwig is en daarvan bewust of onbewust ook reeds nu deel uitmaakt. Voor hen is de werkelijke mens, de kern van het leven, onvergankelijk. Dat men in het verleden dit eeuwig leven heeft beperkt tot hooggeplaatsten en het aan stoffelijke voorwaarden heeft gebonden, kwam voort uit volk en priesters. Het zijn voorstellingen, die vaak door de heersende politieke machten wordt uitgebuit. De verlichten zelf echter stellen reeds in een ver verleden, wanneer het geloof aan een voortbestaan algemeen hoogstens een soort huiverige voorouder verering is, dat de mens eeuwig is.

Kosmisch bewustzijn betekent dus zeer duidelijk: Erkennen van de eeuwigheid. Maar hoe ontmoet men deze eeuwigheid dan? Soms schijnt dit in een enkele flits te gebeuren, in andere gevallen duurt de beleving enkele uren of dagen. Er zijn zelfs bewusten geweest, die naar believen deze vreemde en onbeschrijfelijke wereld konden binnentreden. Uit degenen die hen hebben gade geslagen en de door hen gedane verhalen kunnen wij nog wat meer gegevens verwerven: Wanneer de verlichten in deze toestand verkeren, zo vertelt men ons, zijn zij als dood voor de wereld. Begrijpelijk, want zij leven in een andere wereld. De wereld van de mensen is voor hen onbelangrijk geworden en wat hen betreft, staat de tijd van de mensen stil.

Steeds weer vernemen wij ook, dat de verlichten in deze toestand en soms enige tijd daarna een wonderlijke gloed uitstraalden. Soms wordt deze beschreven als een rossige wolk, soms ook als een gouden glans of als “lichtstralen van verblindende witheid, die uitging van hun aangezicht”. Kennelijk is dus de uitstraling van degenen, die zich in een contact met de kosmische werkelijkheid bevinden of daarin opgenomen zijn, dus veel sterker dan normaal.

Naarmate de graad, waarin de verzinking in de kosmische werkelijkheid optreedt, is de uitstraling en dus ook de binnen aura of persoon optredende kracht groter. Uit de verslagen van de oor- en ooggetuigen kan verder worden opgemaakt, dat degenen, die vanuit deze toestand weer terugkeren tot de wereld van de mensen, als verdwaasd zijn. Het kost klaarblijkelijk dus moeite je weer in de menselijke wereld te oriënteren, nadat je de grotere wereld ontmoet en beleefd hebt.

De verklaringen omtrent het beleefde, zoals deze uit de opmerkingen en commentaren van de verlichten naar voren komen, zijn steeds weer onsamenhangend en worden over het algemeen niet in directe leringen of vaststellingen gebracht, maar uitgedrukt in gelijkenissen of belevingsverhalen, die, zoals ik reeds opmerkte, verdacht veel op sprookjes lijken. In ieder geval is er sprake van een verandering, die niet alleen de lichamelijke toestand betreft, maar ook in zekere mate de redelijke vermogens en de geest. Het verstand is niet in staat alles te beschrijven, maar kent de hoofdwaarden van het beleefde toch schijnbaar wel.

Anders zouden wij niet zo vaak de indruk krijgen, dat men wanhopig zoekt naar termen, om aan het ervarene en geleerde uiting te geven. Verder blijkt, dat degenen, die een voldoende contact met de kosmos konden bereiken, inzicht hebben in gebeurtenissen op afstand en in tijd. Zij weten niet alleen, wat gebeurt op andere plaatsen, maar schijnen ook in staat te zijn op deze afstand te werken: Jezus geneest het dochtertje van een romeinse hoofdman op afstand. De Boeddha weet, wanneer hij van het hof, waar hij zijn leringen geeft, terug moet keren om nog tijdig aan het sterfbed van zijn vader aanwezig te kunnen zijn. Hij wijst meerdere boden, die spreken over sterven binnen enige uren of dagen af en weet dus kennelijk, wanneer de overgang van zijn vader in de toekomst plaats zal vinden.

Ook latere verlichten bezitten deze gaven: Wanneer in Parijs de graaf de St. Germain tijdens zijn afwezigheid wordt aangevallen en verdacht gemaakt, blijkt hij reeds uit Rouan vertrokken te zijn en is daardoor tijdig genoeg ter plaatse om te voorkomen, dat hij in ongenade valt en zijn bezit verbeurd wordt verklaard. Er zijn nog meerdere van deze voorbeelden te geven.

Zij wijzen op een kennis van veel, wat buiten het eigen ik ligt. De kosmische wereld omvat dus kennelijk mogelijkheden, gegevens en feiten, die veel meer omvatten dan door de mens ooit zintuiglijk waargenomen kan worden. Het ik kan zich klaarblijkelijk ook onafhankelijk van stoffelijke beperkingen manifesteren, wanneer dit wenselijk of noodzakelijk is. Een goed voorbeeld hiervan is o.m. de verplaatsing van Apollonius, die enkele ogenblikken nadat hij verdwijnt in Rome, waar hij voor de rechtbank gedaagd is, reeds verschijnt aan enkele bezorgde vrienden en leerlingen in Ostia. Hij blijft enige dagen hun gast en vertrekt vervolgens te voet weer naar elders.

Dit voorbeeld, dat eveneens kan worden aangevuld met vele dergelijke wonderverhalen, wijst er op, dat degenen, die een kosmisch bewustzijn bezitten minder dan andere mensen gebonden zijn aan beperkingen van ruimte en waarschijnlijk eveneens grotere mogelijkheden bezitten in de tijd. Ofschoon dit alles ons niet dichter brengt bij een begrip van de waarden, die het kosmisch bewustzijn inhoudt, kunnen wij toch enige conclusies trekken. Wij mogen immers aannemen, dat de prestaties, maar ook gedrags- en leefwijze van de verlichten voortkomen uit dit bewustzijn dan wel er onmiddellijk mee in verband staan. Nu blijkt uit het gedrag van de verlichten haast altijd een zekere gelatenheid, het is, alsof deze kosmisch bewusten reeds weten, wat er zal gaan gebeuren, ook met hen en de onontkoombaarheid daarvan tenminste voor zich beseffen.

Zouden zij misschien de zin van hun eigen leven begrepen hebben en daardoor toestanden en gedragingen als noodzakelijk en onontkoombaar aanvaarden, die een normale mens door zijn keuzemogelijkheden zou kunnen ontwijken en dan ook zeker als niet aanvaardbaar voor zich zou verwerpen? Het aanvaarden van gebeurtenissen en toestanden verschilt dan ook sterk van de reacties van een normale mens, die de noodzaken in eigen leven niet beseft en dus meent iets te kunnen ontgaan, zij het, dat dit ontgaan altijd later maar voorlopig blijkt te zijn. Laat ons eens optellen, wat wij tot nu toe gesteld hebben: Kosmisch bewustzijn wordt soms langdurig, in de meeste gevallen echter kort, soms zelfs maar een ondeelbaar klein ogenblik, ervaren. Sommige mensen vinden dit bewustzijn slechts eens in hun leven. Anderen daarentegen blijken in staat te zijn op den duur door eigen wil dit bewustzijn voortdurend weer te beleven. Uitdrukking te geven aan hetgeen men in die toestand ondergaat of al, wat men gedurende die toestand als waar en bestaand beseft, is in menselijke termen niet mogelijk. Wel blijkt het mogelijk in deze toestand conclusies te trekken, die betrekking hebben op de wereld van de mensen, inzichten te verwerven, die andere plaatsen of tijden betreffen. Verder is het mogelijk om krachten uit te zenden naar andere plaatsen – en mogelijk ook tijden, maar hiervan zijn geen voorbeelden of zelfs maar overleveringen te vinden – terwijl men zich bovendien onder omstandigheden, dankzij dit kosmisch bewustzijn, schijnt te kunnen verplaatsen, zonder tussenliggende ruimten te doorschrijden. Deze gegevens wettigen reeds een – zij het beperkte – conclusie: Kosmisch bewustzijn betekent een loskomen van alle beperkingen op aarde, van het stoffelijke bestaan en het menselijke denken, zover deze niet tevens van totaal kosmische geaardheid zijn en in de kosmische werkelijkheid gelijkelijk en gelijkwaardig bestaan. Welke vaststelling het geheel interessant maakt, maar een vraag doet rijzen: Zijn er dan veel mensen, die dit bewustzijn vinden? Het schijnen er niet zo gek veel te zijn. Wanneer wij echter de tijden en tijdperken nagaan, zo schijnt echter het aantal steeds toe te nemen. Wanneer op een zeker ogenblik op aarde 20 verlichten leven, zien wij enkele honderden jaren later, dat er reeds 40 zijn. Op het ogenblik is het aantal veel groter, zodat kan worden gezegd, dat het aantal kosmisch bewusten in de loop der tijden sterk is toegenomen, ofschoon soms een terugval van het aantal schijnt voor te komen.

Een andere vraag is het, wanneer wij willen weten, wanneer dit kosmisch bewustzijn op pleegt te treden. In de bewustwording van de mensheid blijkt er een periode te zijn, waarin het denken van de normale mens van die dagen hoofdzakelijk animaal, dierlijk, is. Op ’t ogenblik, dat dit dierlijk denken met zijn hoofdzakelijk instinctieve reacties overgaat in een meer redelijk denken, zijn er verlichten op aarde. Op het ogenblik, dat sprake is van een redelijk egocentrisch denken en dit overgaat in een totaal redelijk denken, blijken er verlichten en meesters op te treden. Op ’t ogenblik, dat het totaal redelijk denken mede de mogelijkheid tot abstract denken gaat omvatten en het vermogen hiertoe meer algemeen wordt, zijn er op aarde meesters en verlichten. Hun aantallen zijn in deze perioden altijd groter dan normaal, terwijl zij verder in dergelijke perioden meer op de voorgrond treden dan onder normale condities van een verlichte verwacht kan worden.

Wij kunnen dan ook wel zeggen, dat de meer openlijk optredende meesters en verlichten een soort mijlpalen zijn van de menselijke bewustwording. Zou dan misschien ook gesteld kunnen worden, dat het kosmische bewustzijn een soort einddoel is, het hoogste bewustzijn, dat in menselijke vorm bereikt kan worden? Deze laatste stelling is voor mij zonder enig voorbehoud juist en waar, ofschoon het u natuurlijk vrij staat hierover anders te denken. Want tot het ogenblik, dat een kosmisch bewustzijn in de stof bereikbaar is geworden, is het leven op aarde met al zijn beperkingen en gebeurtenissen voor het menselijk bewustzijn ook geestelijk gezien nog van enig belang. Maar op het ogenblik, dat je, ook al leef je in de stof, is – zoals ook uit het voorgaande is af te lezen – de stoffelijke wereld zelf steeds minder belangrijk. Ten hoogste kan het stoffelijke leven door de verlichte nog gebruikt worden voor anderen, die nog niet zover gevorderd zijn met hun bewustwording. Maar er is geen reden buiten deze meer, om nog als mens in stoffelijk beperkte vorm voort te leven.

Indien wij aannemen, dat, na de mens zoals deze nu bestaat, een nieuwe soort van mens op zal moeten gaan treden, dan lijkt het mij redelijk om aan te nemen, dat deze nieuwe mens over een vorm van kosmisch bewustzijn zal gaan beschikken, waar dit m.i. de logisch volgende trap is na het redelijk bewustzijn – dat immers reeds abstracte waarden kan bevatten – zoals in deze tijd bestaat. Stel ik dit, dan heb ik – en dit is belangrijk – tevens gesteld, dat het werkelijke doel van alle invloeden, die op het ogenblik optreden en alle veranderingen, waaraan de wereld in deze tijd onderhevig is, zowel de problemen, waarmee zij in toenemende mate geconfronteerd wordt, is de mens voor te bereiden op een meer algemene kosmische bewustwording. Dat betekent niet, dat nu binnen enkele jaren overal mensen kosmisch bewust zullen gaan worden en dit dan ook verder blijvend zullen zijn. Volgens mij houdt dit echter wel in dat, zeker nadat de eerste tijden van verandering voorbij zijn en de eerste stabilisaties weer gaan beginnen, steeds meer mensen dat ene moment van kosmisch bewustzijn zullen gaan ondervinden.

Voor hen wordt de vraag dan, hoe dit tot uitdrukking te brengen. Wij kunnen er wel zeker van zijn, dat zeer veel mensen dit in het begin verkeerd zullen doen. Maar er is dan tenminste een begin gemaakt. Steeds meer mensen krijgen een begrip van iets, dat verder ligt, verder grijpt dan het normale bewustzijn. De mensheid zal dan ook langzaam maar zeker af moeten buigen van het zuiver verstandelijke en zelfs van het zuiver emotionele, naar het kosmisch beleefde. Van geslacht tot geslacht zal zo het aantal mensen, dat kosmisch bewust kan worden – en uiteindelijk blijven – toenemen. Stel, dat er in het begin misschien 100 zijn en een tiental jaren daarna misschien 1000 dan zal er op den duur toch een ogenblik komen, dat een zeer groot deel van de mensheid een kosmisch bewustzijn bezit. Daarmee kunnen wij dan nu wel stellen, dat na ongeveer 370 tot 380 jaren gerekend vanaf heden, een toenemen van kosmisch bewustzijn in zodanige mate verwacht kan worden, dat het op de menselijke samenleving en de menselijke bestrevingen een direct stempel drukt. Alle venijn, waarover wij het de vorige keer zo uitdrukkelijk hebben gehad, alle verzet, alle vernietigingsdrift plus de stabilisatie behoeften die in het heden zo grote rol spelen, zullen ongetwijfeld reeds nu ten dele voortkomen uit een nog niet bewust gerealiseerde angst voor de overschrijding van deze grens naar hoger bewustzijn.

De mens voor zich zal dit alles misschien niet beseffen. Voor hem is het kosmische bewustzijn nog steeds een soort bliksemstraal, iets wat je voor een ogenblik in een gloed zet om je daarna achter te laten met een soort heimwee naar het onbekende. Als geheel gaan de mensen reeds nu echter wel beseffen, dat een wijziging van het denken ook betekent, dat hun wereld ineenstort. Zij hebben immers geen inzicht in de betekenis van deze grotere wereld? Het resultaat is dan ook duidelijk: Men heeft angst hiervoor en probeert de komst van een grotere wereld, een vernieuwde mensheid, uit te stellen. Dit klinkt u misschien ongelofelijk. Laat ons echter niet vergeten, dat ingewijden, kosmisch bewusten, eisen aan hun medemensen hebben gesteld – ook in het verleden – die vanuit het hedendaagse standpunt niet aanvaardbaar zijn.

Jezus zegt: Laat alle dingen achter en volg mij. En Hij bedoelt daarmee niet alleen de bezittingen van de mens, ofschoon hij meerdere malen zegt: Geef uw bezit aan de armen. Hij blijkt ook alle menselijke verplichtingen en relaties te bedoelen. Hij erkent geen bindingen meer buiten het kosmische. Wanneer daarbuiten menselijke verhoudingen optreden zal Hij deze respecteren en zich daarnaar voegen, zover dit mogelijk en noodzakelijk is, maar alleen wanneer dit niet in strijd komt met zijn kosmisch bewustzijn, zijn zin voor eigen leven en eigen taak. De Boeddha zegt tot zijn volgelingen: Gij zult niets bezitten en gij zult niets begeren, niets ook zult gij vrezen en uw voedsel zult gij vragen van de vromen.

Stel u nu eens voor, dat men nu tot u zou zeggen: Ga de straat maar op en bedel om je voedsel. U zou ongetwijfeld dank je zeggen. Wanneer er gevaar zou zijn, dat iemand het zo ver zou brengen, dat u wel verplicht zou zijn dit te gaan doen, zo zou u zich met alle middelen te weer zetten, eerlijke en oneerlijke. Is het dan zo vreemd, dat een wereld, die aanvoelt, dat kosmisch bewustzijn een zekere mate van bezitloosheid en absolute ongebondenheid inhoudt, bang daarvoor wordt? Wij mogen volgens mij dus wel aannemen, dat het naderbij komen van de mogelijkheid tot kosmisch bewustzijn voor velen eveneens gepaard zal gaan met een angst daarvoor. Dat deze angst voor de bereiking bij sommigen sterker kan worden dan de angst voor de dood, lijkt mij onvermijdelijk. Tot welke conflicten dit zal voeren in de komende 100 jaren, is niet te overzien. Dat er voor de mensheid grote problemen en conflicten zullen ontstaan, ook juist op basis van het aanvoelen van deze nieuwe mogelijkheden en de vage erkenning van een nieuwe vorm van bewustzijn is m.i. niet uit te sluiten.

Wat zal het kosmisch bewustzijn doen, zo zal men willen vragen. Wij kunnen het kosmische bewustzijn niet beschouwen als een denkend wezen. Wij kunnen niet aannemen, dat dit kosmische bewustzijn als een soort super godheid de mens eenvoudig tot zich zal opheffen. Wij behoeven ook niet verwachten, dat het kosmisch bewustzijn hen, die daar naar streven, beschermen zal: Het kosmische bewustzijn is een status, een toestand, geen persoonlijkheid.

Het enige, wat je kunt concluderen als de gekende feiten in de sferen en op aarde is, dat het kosmische bewustzijn, waar dit mogelijk is, sneller en duidelijker zal doen gevoelen. Dat het hierbij de gevoeligheden van de mens zoveel mogelijk zou kunnen sparen, is niet gelegen in het bewustzijn, maar in de mens, die het verwerft. Hij ervaart zijn persoonlijke verhoging van bewustzijn, zijn ervaringen van een nieuwe wereld, maar vergeet daarbij meestal de werkelijkheid, die hij onderging en zal dus van daaruit ook niet rekening kunnen houden met de menselijke gevoeligheden.

Degene, die het kosmische bewustzijn voor een ogenblik onderging, zal dit niet kunnen – of willen – behouden en beschrijven, maar zal stellen: ik heb een licht gezien en was daarin gelukkig. In wezen echter heeft hij de kosmos zelf gezien. Hij beroept zich dan op deze kracht en tracht zo nu en dan zelfs vanuit deze kracht te leven. Gelijktijdig wordt hij door deze kracht niet gedwongen tot de volledige veranderingen, de algehele omstelling, die uit een volbewust aanvaarden en erkennen van de kosmos zou volgen. Hij wordt daardoor dus niet geconfronteerd met innerlijke tweestrijd, voor hij daarvoor rijp genoeg is, waarbij de tweestrijd dus vaak tot zelfvernietiging voert. Dit heeft tot gevolg, dat de kosmische krachten in het dagelijkse leven meer en meer een rol gaan spelen. Alle verzet daartegen, alle venijnigheden en onaangenaamheden, alle oneerlijkheden, zullen op den duur het veld moeten gaan ruimen voor deze kracht. Langzaam en haast ongemerkt verandert daardoor ook de wereld.

Degenen, die een kosmisch bewustzijn bezitten, kunnen elkaar ook begrijpen, wanneer zij spreken in onvolkomen mensenwoorden over de kosmische werkelijkheid. Zij worden doordrongen van een begrip, dat veel verder gaat dan woorden en een groot deel van hun communicaties is onuitspreekbaar, maar als een soort gedachteband voor hen toch geheel duidelijk.

Onmogelijkheid tot volledige communicatie met anderen, die het kosmische bewustzijn nog niet voldoende bereikten, betekent tevens, dat de kosmisch bewusten aan de wereld geen dwang op kunnen leggen. De wereld wordt niet geconfronteerd met het feit, dat er steeds meer kosmisch bewusten zijn, maar zal tot de ontdekking komen: Er zijn steeds meer mensen, die onze waarden niet achten. Daartegen kan men zich verzetten.

Nu blijkt echter, dat bij deze afwijkende gedragingen de mensen geen angst meer kennen.

Omdat er geen angst meer is, hebben de dwangmaatregelen weinig of geen uitwerking. Een verslaan door ombrengen – wat vanuit het kosmische bewustzijn slechts betekent, dat men ingaat tot een grotere vrijheid – betekent alleen, dat in degenen, die blijven, het licht nog scherper en duidelijker gaat branden. Zo min als men een vuur kan blussen door er benzine bij te gooien, zo min kan men kosmisch bewustzijn onderdrukken door dwang te gebruiken tegen alle uitingen ervan. Zo zal de wereld, met al haar regelingen en maatregelen, in wezen slechts zichzelf steeds meer beperken in haar mogelijkheden en zo op den duur zichzelf verslaan.

Want juist door haar verzet schept zij omstandigheden, waarin het kosmisch bewustzijn steeds meer mensen – eerst als een flits, later langduriger – kan beroeren. De grenzen breken en vallen weg.

Wij hebben de laatste tijd nogal eens onderwerpen behandeld, waarvan u heeft gedacht: nou nou, is dat nu werkelijk noodzakelijk? Probeer u nu eens voor te stellen, dat al deze onderwerpen wijzen op de manieren, waarmee de wereld dit kosmische bewustzijn a.h.w. bestrijdt.

Wij toonden de onjuistheden, de gewrongenheden, die in dit verweer liggen. Een mens die al deze punten overweegt, zal voor zich kunnen zeggen: Wanneer deze punten van verzet op zich alleen kunnen bestaan in een algehele onredelijkheid en in wezen alleen op drogredenen gebaseerd zijn, zo kom ik voor de keuze te staan mijn werkelijk mens-zijn prijs te geven en het oude te handhaven – al zal dit niet lang mogelijk zijn – of het nieuwe te aanvaarden en daardoor meer dan alleen maar mens te worden, zelfs reeds tijdens mijn bestaan op aarde.

Wij worden in deze tijd ook geconfronteerd met Meesters. Een Meester is over het algemeen iemand, die dit kosmische bewustzijn in meerdere of mindere mate permanent bezit. Wanneer deze meesters in de geest leven en tot uw wereld komen, blijken voor hen dezelfde moeilijkheden te bestaan, die ook de meesters op aarde vroeger ondervonden hebben: Er zijn geen woorden te vinden om dat weer te geven, wat zij willen zeggen.

Dan klinkt steeds weer dat oude lied, dat voor de mensen van heden haast vervelend dreigt te worden: Heb uw naasten lief, haat niet, vergeef hen, die u schuldig zijn en zoek vergeving daar, waar u zelf schuldig bent. Wees eerlijk en oprecht, eis niets. Leef eenvoudig. De mensen zeggen dan al snel: Dat hebben wij al zo lang en zo vaak gehoord. Daar worden wij niet wijzer of beter van. Het is daarom, dat ook de meesters, die vanuit de invloeden van deze tijd werken – en zich dus mede als doel hebben gesteld het kosmisch bewustzijn tot stand te brengen – trachten om een 2e werkwijze te gebruiken.

Dit is een werkwijze, waarbij zij niet in de eerste plaats trachten met woorden de grote werkelijkheid te evoceren, maar trachten een sfeer te scheppen, waardoor de gevoelens van deze 2e werkelijkheid – die overigens lang niet allen voor de mens even aangenaam zullen zijn – dichter bij de mensen te brengen. Het gaat hen a.h.w. om een versterken van uw eigen sfeer, uw eigen uitstraling, uw eigen aura.

Op het ogenblik, dat iemand de 2e werkelijkheid beleeft, de toestand van kosmisch bewustzijn bereikt, zo stelden wij reeds, wordt hij zelfs voor niet paranormaal begaafde waarnemers op kenbare wijze gehuld in een gloed of gouden licht. Wanneer u bereikt wordt door de werking van een meester, zult u natuurlijk niet die volheid van kracht ervaren, waardoor uw eigen aura onmiddellijk stralend wordt. Maar misschien kan de eigen stralingsintensiteit van deze aura toch wel iets worden opgevoerd. Wanneer dit gebeurt, zou uw eigen gevoeligheid, geestelijk zowel als materieel tijdelijk opgevoerd zijn. Ik vertel u dit, omdat op deze wereld van u op het ogenblik zeer veel met sfeer en stemmingen wordt gewerkt, heel wat meer dan alleen maar hier op een avond als deze b.v..

Elke keer, wanneer dit gebeurt, ontstaat er in de menselijke aura een geladenheid. Naarmate de aura sterker is, wordt zij meer door de kosmische werkelijkheid beïnvloed en neemt meer van de kosmische inwerkingen, invloeden en details in zich op, dan het verstand verwerken kan. Het verstand van de mens wordt zo echter geconditioneerd. Het wordt via deze niet redelijk kenbare inwerkingen tot een juistere harmonie met het grotere gebracht. Het is, alsof iemand een soort drempel ziet liggen tussen de mens en de grotere werkelijkheid en nu, stukje bij beetje, probeert er iets af te slijpen, tot de overgang van menselijke werkelijkheid tot kosmische werkelijkheid haast onbemerkt plaats kan vinden. Het bereiken van deze mogelijkheid is mede een kwestie van harmonie. Daarop is, naar ik meen, in de laatste tijd wel voldoende de nadruk gelegd. U kunt nu echter wel begrijpen, dat deze harmonie niet alleen ten doel heeft de contacten van de mensen onderling en van de mensen met hun God te versterken. Het is ook belangrijk deze harmonie te vinden en te bewaren, omdat het juist hierdoor mogelijk wordt een geleidelijke overgang te vinden vanuit je eigen levensbereik, je eigen levensweg, je eigen nu gekende persoonlijke noodzaken, naar een beter begrip voor het geheel.

Wanneer lering wordt gegeven, die ten doel heeft, deze harmonie zuiverder, duidelijker en juister naar voren te brengen en een begrip voor de grotere wereld te vormen, komen er – ook bij ons – onderwerpen naar voren, waarvoor velen wat huiverig zijn. Zij vragen zich af: waarom zoveel gezegd over magie? Maar magie is een wetenschap, waarbij de krachten van de 2e of kosmische werkelijkheid actief optreden. En waarom moet er over deze 2e werkelijkheid gesproken worden? Omdat dit een uitdrukkingsvorm is – zij het een beperkte – voor waarden van dit kosmische bewustzijn, dat toch het doel is van mens en geest. Wij hebben in de afgelopen jaren alles gedaan, wat wij konden, voor dit alles bij u een begrip wakker te roepen. Nu komt de tijd, dat dit alles wat meer uw eigen zaak wordt. Ons werk is een beetje afgelopen, het wil niet zeggen, dat wij niet meer tot u zullen of willen spreken, maar wel, dat het verdere verloop uit onze handen is.

Wij hebben in het verleden stimulansen kunnen geven, ideeën in u wakker geroepen. Wij hebben getracht bepaalde stemmingen in u te wekken en u een zekere visie te geven op uzelf en op het leven. Nu zijn er zoveel grotere invloeden, invloeden, waaruit het kosmische bewustzijn ook u kan bereiken. Wij kunnen voorlopig niet verder meer gaan en moeten nu eventjes pas op de plaats blijven maken. Wij zullen u altijd wel weer iets nieuws kunnen vertellen, maar verder gaan wordt voorlopig moeilijk. Er is ergens een begripsgrens, een grens van mogelijkheden. Wij kunnen u nu nog niet confronteren met voorschriften, toestanden, leefwijzen, vooral met een werkelijkheid, die voor u nu nog schrikwekkend, storend en in strijd met uw eigen denken en voelen kan zijn. Het kosmische bewustzijn komt voor vele mensen dichterbij. Wij van onze kant zullen klaarstaan om deze mensen te helpen, hun nieuw gevonden waarden tot werkelijkheid te maken. Maar wij kunnen deze mensen niet over de grens tillen, kunnen niet zeggen: Treed binnen, hier is de nieuwe wereld.

Wij kunnen slechts zeggen: U staat voor de drempel. Zoek nu naar een manier om de laatste schrede zelf te doen. Dit alles was voor ons dan ook aanleiding tot het zoeken naar steeds weer nieuwe onderwerpen, waarin wij de laatste tijd u deze drempelwaarden konden doen aanvoelen. Soms bewogen wij ons geheel aan uw zijde van de drempel, soms ook enigszins aan de kosmische kant daarvan. Er zijn op het ogenblik rond de aarde grotere krachten, die, naar ik meen, van groot belang zijn voor alles, wat er verder zal gaan gebeuren in dit opzicht.

Ik kan u zelfs reeds verklappen, dat wij zo dadelijk te maken krijgen met iemand, die – eindelijk zult u wel zeggen – u iets komt vertellen over leringen, waarden en waarheid van de nieuwe wereldleraar. De mogelijkheid, dat wij deze meester ook zelf eens zullen mogen ontmoeten hier, is niet uitgesloten, want hij is op het ogenblik geestelijk zeer actief.

Belangrijk blijft echter, dat u in staat bent al deze dingen te ontvangen. Daarom wil ik nu mijn betoog afronden – ik heb, naar ik meen, hierover nu genoeg gezegd – door u een paar tips te geven. Praktische aanwijzingen? Dat hangt van uzelf af, van de vraag, in hoeverre u hiervan zelf praktisch gebruik kunt maken en weet te maken. In de eerste plaats: Kosmisch bewustzijn kan niet geleidelijk ontstaan. Je ziet of de totale werkelijkheid, of je ziet haar niet. Wanneer u dus een ervaring hebt van een bepaald licht – zoals men dit later pleegt te noemen – gepaard gaande met gevoelens van vreugde, vrijheid, grootheid en intensiteit van leven en dit wonderlijk gevoel en kennen verdwijnt, mag u dit niet als het verliezen van iets beschouwen. Zie dit eerder als een vooruitlopen op een bewustwording, die voor u dan toch wel mogelijk begint te worden.

In de 2e plaats: Realiseer u heel goed, dat zelfs zo een ogenblik van verlichting voortkomt uit een sfeer, uit een eigen gesteldheid. Deze eigen gesteldheid zult u nooit voldoende kunnen imiteren, om van hetzelfde effect verzekerd te zijn: U weet niet genoeg over uzelf, om alle waarden gelijk te maken. Wel kunt u echter zeggen: een bepaalde wijze van leven draagt tot deze ervaringen bij. Deze leefwijze is dan gebaseerd op een absolute vrijheid van vooroordelen, een zo groot mogelijke eerlijkheid tegenover jezelf en een zo groot mogelijke goedwillendheid tegen of liefde voor de wereld, die je omringt en het leven, dat nu je bestaan vormt.

In de derde plaats moet u goed begrijpen, dat kosmische bewustwording en kosmisch licht waarden zijn, die alleen in uzelf kunnen ontstaan. Zij kunnen u door geen enkele uiterlijke kracht worden gebracht, zij kunnen door niemand in u worden veroorzaakt. U kunt er alleen op een bepaald ogenblik zozeer mee één zijn, dat het bewustzijn er iets van beseft en behoudt.

Beschouw alles, wat u wordt gegeven, vanuit de geest, vanuit hoge leringen, vanuit heilige boeken van de oudheid en nieuwere openbaringen dan ook niet als een middel, waardoor dit licht in u ontstoken wordt, maar eerder als een methode, waardoor uzelf zover kunt komen, dat u in staat bent dit licht te beseffen en te ontvangen.

Dan, als laatste punt, het volgende: Voor alles is, voor het ontvangen van een kosmisch bewustzijn nodig, dat men in staat is de beperkingen van zijn redelijk bewustzijn te beseffen en dit ondergeschikt te maken – al is dit desnoods alleen in eigen denken – aan eigen beleven en bestaan. Zoek niet naar een redelijke uitleg of verklaring van dit alles, doch leer ondergaan. Laat uit dit ondergaan voor u een nieuw weten geboren worden, dat steeds dichter bij de werkelijkheid komt. Wees vrij. Vrij en vreugdig, vrij, omdat u beseft, dat niets, zelfs dood en lijden niet, u blijvend kunnen ketenen.

Wees vreugdig in het besef, dat uw bestaan reeds zo dicht staat bij de grenzen van het grote bestaan, dat oneindig is, waarin alleen nog de vreugde van het zijn en de ervaring van de zinrijkheid van eigen bestaan naar voren treden. Het klinkt als een punt van geloof en in de oren van velen zelfs als een dooddoener. Maar juist dit laatste punt is belangrijk, want allen die het kosmisch bewustzijn bereikten waren uiteindelijk vreugdige, rustige, blije en opgewekte mensen, die ook blij waren, dat zij mochten bestaan. Zij waren nergens voor bevreesd, omdat zij alles als tijdelijk en van voorbijgaande aard zagen buiten dit ene: Het ware bestaan, dat in zichzelf en krachtens zichzelf vreugdig is. Ik kan u dit niet met redenen omkleden en redelijk duidelijk maken.

Ten hoogste kan ik u er op wijzen, dat dit terug te vinden is in elk heilig boek, in elke openbaring, wanneer u de moeite neemt om er naar te zoeken. Voor uzelf kunt u dit echter alleen in uzelf vinden en waarmaken. Wanneer u in deze tijden geconfronteerd wordt met vreemde ongeregeldheden, met wonderlijke situaties, ja, met angsten zowel als ongekende vreugden, met dromen, die teniet gaan of in de alledag opeens werkelijk schijnen te ontstaan, herinner u dan dit: Het kosmische bewustzijn is dichtbij. Wanneer u in staat bent om zonder daartegen te strijden of het af te willen dwingen, voortdurend in harmonie te blijven met leven en wereld, is de kans groot, dat ook u daaraan nog in dit leven in meerdere of mindere mate deel zal hebben.

Esoterie

Oude waarheden in moderne vorm

Elke openbaring wordt gesteld in de taal en de begrippen van een bepaalde tijd. Ofschoon de waarheid eeuwig is, zijn de woorden, waarin zij vertolkt kan worden, steeds weer andere. Zo is, niet al te lang geleden volgens uw aardse tijd, wederom getracht de oude waarheden, de oude leer van bewustzijn en leven, in een modernere vorm weer te geven. Het is mijn taak u hedenavond hiervan een kort beeld te geven. Wij moeten daarbij allereerst beseffen, dat het begrip van de mens zich wijzigt met zijn belangstelling voor zijn omgeving. Naarmate de mens zich meer meester acht van al, wat hij rond zich ziet, zal het gelijktijdig moeilijker en noodzakelijker worden hem in eigentijdse termen te wijzen op de werkelijkheid van het leven en de waarden, daaraan verbonden.

Dit werd gedaan vanuit een wat technisch standpunt. Begrijpelijk, want uw tijd wordt geregeerd door de techniek en het technisch denken. De waarheden van het verleden gaan heel vaak teloor. Wanneer zij blijven voortbestaan worden zij door de geslachten vervormd. Zo is de noodzaak om het oude te vernieuwen niet slechts de noodzaak, uitdrukking te geven in moderne termen aan dat, wat reeds bestond. maar ook het doen wegvallen van de vele bijkomstigheden, die de werkelijke zin hebben vertroebeld. De leer als geheel klinkt in de oren van de mensen van deze tijd wat revolutionair: Zij houdt geen rekening met de geliefde heilige huisjes, zij houdt geen rekening met bestaande instellingen en opvattingen.

Men zal haar daarom vaak af willen wijzen, vergetende dat de stellingen van anderen in hun tijd eveneens revolutionair waren: De wereld, die Jezus zijn leer hoorde verkondigen, zag in hem een gevaarlijk revolutionair, een mens die sterven moest, omdat alleen zo de waarde en waardigheid van een geheel volk gehandhaafd konden worden. De Boeddha werd door zeer velen beschouwd als de grootste vijand van de enige als juist bekend staande bestuursvorm, het absoluut oliarchaat.

Onze leraar uit deze dagen wordt dan ook in vele gevallen beschouwd als een anarchist, als een bestrijder van veel, wat de mensheid heilig is, een profeet, die de ondergang verkondigt van de meeste waardevolle zaken die de mens zich in de loop van de eeuwen heeft verworven.

Maar Jezus leer heeft, ondanks alle misverstanden, zoveel invloed uitgeoefend, dat het begrip naastenliefde althans in theorie, thans meer wordt gehanteerd dan het oog om oog, tand om tand van een vroeger tijdperk.

Wanneer wij de leer van onze meester in dit verband willen zien, zo zullen wij ons allereerst moeten realiseren, dat zij niet ogenblikkelijk aanvaardbaar of leefbaar is voor de mens van heden, doch dat zij een richtlijn kan vormen, waardoor de wijze van leven en denken in komende jaren steeds meer beïnvloed wordt, zodat men rijp zal zijn voor een hernieuwde en misschien verder gaande openbaring.

Indien ik in enkele artikelen deze leerstellingen moet samenvatten, zo wil ik allereerst het volgens mij belangrijkste punt aanhalen: Elke mens is deel van hetzelfde Al. Wie zichzelf mint, mint het Al. Wie het Al mint, zal er niet aan ontkomen ook zijn naasten te beminnen. Aan de liefde zijn geen grenzen gesteld: Zij berust niet op dat, wat anderen schenken, maar op onze eigen capaciteit tot geven, die groter zal worden, naarmate wij groeien naar de grote werkelijkheid van het leven zelf. Tegen dit “geen beperkingen” zal men in vele gevallen in opstand komen. Men zal zich afvragen: “Zijn er dan geen beperkingen aan bv. materiële liefde? Zijn er geen beperkingen aan hetgeen wij voor anderen mogen en kunnen doen?” Het antwoord, dat onze Meester gaf op soortgelijke vragen en tegenwerpingen, is ongeveer het volgende:  “Waar werkelijk begrip, waar werkelijke harmonie en liefde bestaan, is geen enkele grens gerechtvaardigd. Want de grenzen, die de Schepping zelf stelt, kunnen door ons niet overschreden worden. De grenzen, die wij onszelf stellen, zijn echter schadelijk, zodra zij voeren tot liefdeloosheid.”

Een 2e, even belangrijk punt, is dit: “Zo u beseft, dat uw weten slechts een eiland is in de oceaan van onwetendheid, zult u kunnen geloven. En ziet: Wie gelooft, maakt het zichzelf mogelijk ook buiten de vaste bodem van de rede te gaan in het Al en er de krachten van te vinden, er het licht van te ervaren.

Daarom zeg ik u: Verwerp niet datgene, wat u geleerd heeft, doch zie het slechts als de redelijke uitdrukking voor al datgene, wat u in uzelf draagt, doch niet beseft. Geloof in de krachten rond u, de krachten in u en de bestemming van uw eigen wezen, opdat u in staat mag zijn te bewijzen, dat uw vermogens verder gaan dan die van de rede.” Velen hebben hier gevraagd: “Meester, kunnen wij dan wonderen doen”? Zijn antwoord was: “U zal dan wonderen doen, wanneer u de producten van uw kennis aanvult met de krachten van uw wezen en het niet redelijk intuïtief besef, dat in u leeft. Want waarlijk, handelend uit een geloof, doch gebaseerd op uw eigen werkelijkheid, zal u kunnen volbrengen, wat mensen onmogelijk achten.”

Ik meen, dat ook dit commentaar voldoende is.

U zult, zo zegt de Meester, niemand van zijn vrijheid beroven. U zult hem niet sluiten in een gevangenis van steen en staal, u zult hem niet insluiten in een gevangenis van begrippen, u zult hem niet insluiten in de gevangenis van uw waarderingen en wetten. Wees vrij en laat de vrijheid rond u zijn voor allen. Want zie: Zo u gevangenen bevrijdt uit eigen geschapen kerkers en die van de mensheid, zullen zij de lichtende vreugde zijn van het Al, die spreekt tot u. Zo mensen lijden, ga tot hen. Niet omdat u hun lijden ongedaan kunt maken, maar omdat u alle lijden, dat zij niet zelf begeren en veroorzaken ongedaan kunt maken.

Zo een mens arm is, besef, dat u hem van uw rijkdom niet schenken kunt, zonder hem tot afgunst en haat te bewegen. Daarom zegt ik u: Wees armer dan de armen. Laat uw rijkdom stammen uit uw geest, opdat u de armen tot een rijkdom mag brengen, die blijvender is dan een bezit van stoffelijke waarden.

Men heeft hier de vraag gesteld: Moet ik dan alles wegschenken? Zijn antwoord was dit: “Zo u niet gebonden bent aan hetgeen men uw bezit noemt en het niet als uw recht of bezitting beschouwt, behoudt wat u heeft. Want zie, wanneer er nood is of behoefte bij anderen, of zelfs maar een onstilbaar begeren bij anderen, u zult immers het uwe aan hen geven, wetend, dat het hen meer toekomt dan u. Doch zo u zich gebonden acht aan uw bezit, zo zeg ik u, schenk alles weg, opdat u niet de innerlijke waarheid verloochent ter wille van het bezit, dat u uw eigendom acht”.

Dit is reeds duidelijk genoeg, doch een 2e vraag, die naar aanleiding hiervan werd gesteld, wil ik hierbij behandelen. “Meester, indien wij niets bezitten, zijn wij afhankelijk van anderen. Is het dan goed, van anderen afhankelijk te zijn?”

Zijn antwoord was: “De bewuste is slechts afhankelijk van de kracht, die hem voortbrengt. Indien u arm bent, zo zult u in u de kracht en de kennis dragen, om uw bestaan te rechtvaardigen. Zij, die dit erkennen, zullen u schenken, wat u nodig heeft. Doch indien u waardeloos bent, zo zal men u niets schenken; bedenk echter wel, dat u dan ook geen betekenis heeft in deze wereld. Het is dus goed om afhankelijk te zijn, mits men geven kan aan de wereld. Want men stelt haar in staat om zichzelf te erkennen in het schenken. Indien u echter waardeloos bent, zo is het goed, dat de wereld u haar gaven onthoudt. Want daarin zult u erkennen, dat u faalt en bewogen worden tot een nieuw en beter streven.”

Dan is er een reeks uitspraken, die ik hier tracht samen te vatten, welke betrekking hebben op de hedendaagse toestand in de wereld.

Indien u waarlijk mens bent en u bewust van uw erfdeel, zo zult u niet zijn … (er volgt een hele lijst van partijen in het land in kwestie, door ons te vertalen met: communist of democraat, socialist of conservatief )… want er is geen richting van streven, die voor allen waar is. Er is slechts een wijze van leven, die, altijd de mens en zijn Schepper waardig zijnde, de mens de menselijke waardigheid verleent en hem het geestelijke bewustzijn schenkt.

U zult geen grenzen stellen, u zult geen grenzen kennen. Want zie, wat geschapen is, is onbreekbaar in de Kracht van de Schepper. U zult niet verdelen, wat Hij als geheel heeft gesteld. Acht dan ook niet hen, die wel verdelen, doch ken de eenheid van alle dingen.

U zult begrijpen, dat dit aanleiding was tot vragen als: “Moeten wij het dan zonder staatsvorm stellen?” De meester gaf daarop o.m. dit antwoord: “Zoals het voor kinderen nodig is, dat gezag wordt uitgeoefend, zo is het voor de onrijpe mens vaak noodzakelijk, dat boven hem gezag gesteld is, dit gezag ligt echter niet in eigen recht, maar in de noodzaken, die in anderen gelegen zijn. Een gezag van onrijpen echter vergroot de onrijpheid. Het is beter dat geen gezag bestaat, dan dat er een gezag bestaat, dat niet in staat is waarlijk menselijke waarden en eeuwige waarden te vertolken.

U zult, zo zei de leraar, uw brood verdienen met uw arbeid. Want zie, hij die werkt in de stof, hij die werkt in de geest, is zijn bestaan waardig. Hij echter, die niet arbeidt, is zijn bestaan onwaardig, want in hem is niet het streven. Het streven is belangrijker dan de bereiking. Want hij die streeft, ontdekt in zich de nieuwe krachten, de nieuwe wegen en mogelijkheden. Hij die niet streeft is echter met al zijn rijkdom een dode, die niet waarlijk leeft en de krachten van het leven ontberen moet. Waar de materie u dient, laat haar dienen, doch neem nimmer de diensten van de materie als een recht, dat u toebehoort, zo u haar niet zelf, regeren kunt.”

Dit laatste was aanleiding tot verschillende moeilijkheden en vragen, aanleiding ook tot enkele gelijkenissen. Ter verduidelijking geef ik u een daarvan: “U rijdt in een auto. U weet echter niet, hoe het voertuig zich beweegt en functioneert. Het dient u niet door uw eigen kennis, maar door de kennis van anderen. Zo het faalt, bent u de slaaf ervan. Want zie: het staakt zijn bezigheden. In de woestijn. En u komt om, voor anderen u kunnen redden. Indien u echter de kennis bezit, zo zult u de fout herstellen en in waar meesterschap zonder schade voortgaan.”

Deze gelijkenis werd gesproken tegen een ingenieur van een oliemaatschappij. Hij heeft deze begrepen. Ik hoop, dat dit ook met u het geval is. Vrijheid, zo sprak de Meester, is niet de ongebondenheid. De ware vrijheid is het erkennen van de innerlijke band, die uit eigen noodzaak en de harmonie met het Al voortvloeit. Wie slechts gebonden is op deze wijze, is waarlijk vrij. Want in vrijheid en uit eigen wil dient hij het Al en bevestigt hij zichzelf. Onvrij is echter hij, die zichzelf geen wetten en beperkingen op durft leggen, omdat hij slaaf is van datgene, wat hem tot het verbreken van wetten aanzet en zo, gebonden aan de fouten, die hem regeren, niet in staat is zijn innerlijke waarheid en waarden te beleven.

Deugd, zo zei de Meester, is nimmer het beantwoorden aan de normen, die “men” heeft gesteld. Want wie beantwoordt aan de normen van anderen, leeft niet zijn eigen leven. En wie niet zichzelf is, kan zichzelf niet kennen, zal niet keren in zichzelf en niet de eeuwigheid vinden, die in zijn wezen rust. Deugd echter is het te beantwoorden aan eigen innerlijke waarden zonder ophouden en zonder slaafsheid, erkennende dat, wat noodzakelijk is, om eigen hogere begrippen en waarden waar te maken. Daarom zeg ik u: Zij, die zich op hun deugden beroepen, bezitten deze niet, doch zij, die hun weg gaan en slechts vragen naar de zin van de dingen, zijn deugdzaam.

De zonde, sprak de Meester, is het schrikbeeld, dat de mens zichzelf heeft geschapen, om zo zichzelf te beletten zo binnen te treden in die gebieden van leven, die hij niet beheersen kan. Ik echter zeg u: zonde wordt geboren uit de mens en zij telt slechts voor de mens, die haar ervaart. Zo u zich schuldig voelt, zondigt u. Zo u zich niet schuldig voelt en beseft de wereld en uzelf gediend te hebben ten beste, zo zondigt u niet.

Hel en demonen, zo sprak de Meester, zijn de angsten van de mensen, die vormen aannemen, zodra hij zichzelf verlaat. En zie: de hel, die de mens zich zelf schept is een kwelling, groter dan een Schepper zijn schepselen ooit zou opleggen. De demonen, die de mens zich zelf schept, zijn verschrikkelijker dan de meest vreselijke wezens, die uit de kosmos zouden kunnen voortkomen. Daarom zeg ik u; u, die voortdurend denkt aan de hel; u schept u deze zelf. U, die droomt van demonen: U brengt deze zelf tot stand. Doch u, die leeft in het licht en kent de vreugden van het licht, u delgt de hel, u blust de demonen en u leeft de waarheid.

Dit laatste werd geïnterpreteerd als een aanval op menselijk geloof. Ik meen echter, dat de Meester duidelijk wilde maken, dat er geen algemene hel kan bestaan, doch slechts het duister van begrip, waarin men door zichzelf dreigt onder te gaan.

Wees waardig, zo sprak de Meester. Indien u ingaat tot een vorst, gedraagt u zich hoffelijk en draagt uw beste kleed. Indien u het leven in gaat en u niet hoffelijk gedraagt en niet het beste toont, wat uw wezen bekleedt, bent u schuldig. Want slechts wie zijn eigen waarden ten volle uit, zal een antwoord krijgen uit de werkelijkheid. Wie echter zichzelf onwaardig is, ontvangt geen antwoord uit het Al en voor de Schepper is hij als niet zijnde.

Leef vreugdig, zo sprak de Meester. Zie in elke ademtocht de vreugden van het bestaan, zie de schoonheid rond u en verlustig u daarin. Want waarlijk, u bent geschapen voor volmaaktheid en volmaaktheid omvat vreugde. Zo u de vreugde verwerpt, zult u de volmaaktheid nimmer beseffen.

Wees sterk, zo sprak de Meester. Want zie: Zo u gelooft in uzelf en de kracht, die in u leeft, bent u sterker dan alle waarden. Het leven kan u misschien een stoffelijk voertuig ontnemen, maar nimmer uw werkelijkheid, uw kracht en uw vreugde. Zo u sterk bent in uzelf en getrouw uzelf, ik zeg u, u zult de waarheid bezitten en in deze waarheid de kennis om alle dingen, die u nu niet ziet. Doch zo u zwak bent en vreest, zo zeg ik u: U zult voor uzelf de vensters sluiten en de deuren vergrendelen, tot u gevangen bent in een duisternis, die u zichzelf gemaakt heeft. En eerst, wanneer u ontwaakt tot eigen kracht en besef, zult u uw ketenen dan weer verbreken.

Durf te lachen, zei de Meester. Want hij, die lacht om zichzelf, hij die lacht uit vreugde, hij die lacht om de vreemdheid, die in het leven zo vaak naar voren komt, hij glimlacht om de waarheid die zich toont achter de dwaasheid. Daarom zeg ik tot u: Lach en wees vreugdig.

Doch lach niet om hen, die lijden. Lach niet om het leed of de armoede van anderen. Want hij, die slechts lacht, omdat hij rijker is dan anderen of zichzelf waardiger en wijzer acht dan anderen, is een dwaas, omdat hij een deel van de schepping verwerpt en al lachende zichzelf verarmt.

Wees geduldig, sprak de Meester, want de tijd, die u kent, blijft achter bij de vlucht van uw gedachten en de tijd van de eeuwigheid, die onmeetbaar is, vervult alle dingen. Indien u rusten kunt en wachten, daar, waar niet uw eigen macht en kracht noodzakelijk zijn, daar zult u zien, hoe het hogere verwezenlijkt. Indien u echter nastreeft nu te verwezenlijken, wat u begeerlijk acht, u zult erkennen, dat de tijd dit niet toelaat en dat de eeuwigheid uitwerpt, wat niet past in het heden.

Ten laatste: De Meester zei; zoek wijsheid. Wees wijs door uw inzicht in de krachten, in de begrippen en het wezen van de dingen rond u. Want waarlijk het is het beter één mens te begrijpen, dan de kennis van 10.000 mensen te bezitten. Beter is het één te zijn met een kracht van de natuur, dan te weten, hoe alle elementen geconstrueerd zijn. De wijsheid is het begrip, waardoor men één wordt met de dingen. Vanuit de eenheid ontstaat het begrip van het eeuwige, waaruit die kennis en alle wijsheid voortkomen. Zoek wijsheid, opdat u niet verschrompelen mag in uw kennis, maar mag bloeien in uw begrip van een steeds grotere verbondenheid.

Ik heb u met deze korte samenvatting van vaak langere lezingen van de Meester een inzicht willen geven in essentiële punten van zijn leer. Er is in zijn leer veel meer gelegen, dan ik in zo’n korte tijd tot uiting kan brengen, maar hij heeft altijd weer getracht de mens terug te voeren tot zichzelf. Het is daarom misschien wat vreemd voor u, dat ook hij zijn gebed en zijn zegeningen bad, wanneer hij samen was met zijn leerlingen. Ik wil u daarom ook een deel hiervan zo letterlijk mogelijk vertaald weergeven.

“Eeuwige Kracht, waarin wij allen verbonden zijn, verbindt ons begrip en laat ons tot eenheid versmelten in uw wezen. Geef ons, o Kracht, het besef en het vermogen, waardoor wij waardig zijn aan Uw Wezen in onze huidige beperkingen. Bevrijd ons van al datgene, wat ons verwijderen kan van dit begrip, opdat wij in staat mogen zijn eens onszelf te verdedigen en, de eenheid beseffende, te ontsnappen aan alle angst en vrezen. Voed ons met Uw kracht, voed ons met Uw licht en maak ons sterk, om uit Uw Wezen en Werkelijkheid te schenken aan hen, die arm zijn en behoeftig in deze dingen.”

En Hij voegde daaraan toe deze zegenspreuk: “In de Naam van het Al, waardoor ieder van ons is, één met allen en wij allen één zijn met de Scheppende Kracht, die voortbrengt, geef ik u dat Licht, wat is in mijn wezen, geef ik u de kracht, die mij geschonken is, opdat de eeuwige kracht moge ontwaken in uw wezen en u gesterkt en waardig zult zijn het tijdloze ik, waaruit u bent voortgekomen. Ik geef u deze kracht in de Naam van de Vader, die alle dingen voortbrengt, in de naam van de materie, de moeder, die alle dingen draagt en vormt, uit de naam van het bewustzijn, waardoor de eenheid van de dingen bewezen wordt”.

Deze vertaling, zo letterlijk mogelijk, laat misschien nog iets van de betekenis ondoorgrond.

Maar dit zeg ik u: Deze leringen, waarvan u er enkele heeft gehoord, zullen bepalend zijn voor komende tijden. De verwezenlijking van deze leringen zal beslissen over het Licht, dat in de mensen leven kan en de eeuwige waardigheid, die in de mens kan worden uitgedrukt. Moge het ons allen gegeven zijn mede te werken aan de verwezenlijking van dit grote doel, moge het ons allen gegeven zijn de eenheid, waartoe ook Hij ons voeren wilde, te ervaren, uit de kracht daarvan duidelijk kenbaar te maken de werkelijkheid, waarin wij leven.

Nabeschouwing

Ik ben zo vrij nog voor een kort ogenblik het medium over te nemen, niet zozeer om een commentaar te spreken als om zekere invloeden te doen afebben. Datgene, wat in het 2e deel van deze bijeenkomst is gebracht, is stof om te overwegen, niet stof om zonder meer aan te nemen.

Het is voor ons belangrijk, dat wij leren, ook de leer van de Nieuwe Wereldleraar te begrijpen, opdat wij niet Zijn waardigheid en waarden vervalsen, maar het essentiële, wat Hij op aarde tot uiting bracht – en dat deel uitmaakt van alle inwijding en alle bewustzijn van de grote kosmos – binnen onszelf te verwezenlijken en in onze werelden van geest en stof uit te dragen.

De kracht, die verborgen lag achter deze woorden, zal aan menigeen voorbij zijn gegaan. Toch geloof ik, dat u, met enig begrip voor hetgeen gesteld werd, deze kracht voor uzelf kunt herbeleven en dan ontdekken zult, dat zij u in staat stelt om vele dingen te volbrengen, die ook voor u op het ogenblik misschien onmogelijk schijnen en vele dingen te dragen, die voor u op het ogenblik misschien ondragelijk schijnen. En vooral kan zij u helpen om iets te bereiken, dat eeuwig is en niet alleen maar tijdelijk.

 

 

image_pdf