Kosmisch bewustzijn

uit de cursus ‘Ontwikkeling’ ( hoofdstuk 8) – mei 1975

Kosmisch bewustzijn

Als u begrijpt wat tijd kan zijn, als u begrijpt dat ruimte ook een variabele van het ‘ik’ is, dan krijgt u een idee van wat kosmisch bewustzijn kan betekenen. Nu zijn daar heel veel verschillende benaderingen voor. Ik citeer:
Als het ‘ik’ zich groot voelt en in zich heel het zijn be­vat, dan eerst weet het wat de kracht is die schept.
Hoe zijn de mensen er eigenlijk toe gekomen om die dingen op die manier uit te drukken en waar komt dat vandaan? Dat is toch ook belangrijk. Juist in een tijd als deze waarin bij heel veel mensen innerlijk de behoefte bestaat te groeien om een nieuwere, ruimere visie op het bestaan te krijgen, is het belangrijk te weten waar dat vandaan komt.
Het is heel lang geleden. We moeten eigenlijk teruggaan naar Atlantis, want daar zijn de eersten die met uittredingsbelevingen werken. Maar laten we het iets dichterbij zoeken, ongeveer 8000 v. Chr. bij de geheimscholen van de Indische rijken. Daar ontstaan scholen, die proberen de hemel te bereiken. Nu is dat niet zo moeilijk te begrijpen als men ziet hoe die mensen denken. Voor hen is de hele kosmos een hiërarchie waar ergens achteraan de grote scheppende Kracht staat die verborgen blijft. Daaruit komt de Schepper voort, die dan in drie of vier gestalten kan optreden en daaronder staan, laagje na laagje, alle hemelgeesten, totdat we ten slotte terechtkomen bij de doodgewone geestjes, die zich met de mensen mogen bezighouden.
Het denkbeeld om door te dringen in de richting van de natuurgeesten, is eigenlijk vanzelfsprekend. De mens in die tijd zoekt naar kennis, naar macht, naar beheersing. In die confrontatie met het klein occulte gebeuren dat direct rond de mens plaatsvindt, raakt hij eigenlijk verstrikt in zijn waarnemingen. Het is heel eigenaardig dat iemand zegt dat hij als de maan langs de hemel is gereisd en de wereld heeft zien slapen. Dat is zonder meer aanvaardbaar. Een mens kan uitgetreden boven de aarde uitgaan en er dan iets van zien.
Het is ook opvallend dat deze kleine school – en dat is, ik herhaal het nog eens, ongeveer 8000 v. Chr. – niet over de aarde spreekt als een pannenkoek of als een vierkant dat wordt gedragen door een schildpad, maar het heeft over een bol die zijn weg zoekt in het onbekende. Deze groepering weet helemaal nog niet wat kosmos is, een woord en een begrip dat pas veel later ontstaat. Maar ze maakt kennis met een uitgebreide wereld waarbij je je eigenlijk voortdurend afvraagt: hoe hebben ze dit kunnen concipiëren? Hoe hebben ze iets kunnen begrijpen van planeten? Toch zijn er in hun geschriften aanwijzingen, al worden ze met godennamen aangegeven, dat ze iets wisten van de verhoudingen in het zonnestelsel.
Als we weer een paar duizend jaar overspringen, dan vinden we in China een dichter die iets vertelt waarin wij met onze huidige kennis een beschrijving van het atoom herkennen. Hij heeft het over planeten, die wervelen in een stofje dat wordt gedreven door de wind. Dus ook hier weer een erkenning eigenlijk van delen van de stoffelijke kosmos op een manier die technisch en redelijk niet denkbaar is.
Deze openbaringen zijn waarschijnlijk door vele anderen herbeleefd. Er zijn zelfs hele procedures ontworpen, alleen om in die toestand van uit­treding te komen en waar te nemen over de gehele werelden en te reizen tot buiten die wereld. En aan de hand van die systemen moeten er steeds meer mensen zijn geweest die zeiden: De grens is niet alleen kijken naar de aarde van een afstand. De grens is verder weg gaan en kijken wat er tussen mij en de aarde kan zijn. Zo ontstaat eigenlijk het eerste beeld van een kosmos als een enorm organisme.
De vergelijking gaat wat mank. Maar zo’n 3500 v. Chr. vinden we in de buurt van het huidige Peshawar een school waar letterlijk wordt verteld dat ‘de kracht stroomt als het bloed door de schijf waarin het lichaam van de kosmos berust’. Doet u dat niet denken aan het Melkwegstelsel?
Die school spreekt over de enorme kracht van het denken, die met flit­sen uit het centrum tot aan de randen gaat. Er is zelfs iemand die de ver­gelijking maakt tussen Melkwegstelsel en wat wij een reuzenkwal zouden noemen. Hier zijn dus werkelijk mensen aan het werk die ver in de kosmos zijn doorge­drongen.
Ze proberen ook nog goden te pakken te krijgen. Nu bestaan de goden niet zoals zij zich die voorstellen. Als de mysticus vertelt, en dat ge­beurt nogal eens, dat hij die goden heeft ontmoet, dan is dat hoogstens een astraal beleven, het zien van iets wat de mensen zelf met hun gedach­ten hebben geprojecteerd. Maar als het verdergaat, dan vinden we heel vreem­de verhalen. Ik citeer weer uit de Indische overleveringen en geschriften:
“Er is een wereld, die is als voortdurend gekleurd glas. Het licht valt in duizend kleuren binnen. En ofschoon je weet dat je in een vertrek bent, lijkt het of je alle werelden tegelijk kunt zien.” Een vrije vertaling. Hier zegt dus iemand: Ik zie vele verschillende werel­den in vele verschillende kleuren. Dit gaat al heel erg de kant uit van de directe bewustwording, de directe verlichting.
Zo komen ze langzaam maar zeker tot het begrip dat er een grondkracht moet zijn, een grondtrilling die alles beheerst. Voor deze mensen wordt dat de Adem van Brahma, de geheimzinnige kracht die het AL uit stuwt en weer in zich opzuigt. Er is zelfs een mysticus (200 na Chr.) die zegt:
“De Onkenbare of Onzienbare (beide vertalingen zijn mogelijk) ademt ons uit en neemt ons tot zich terug. Wie zal bepalen hoe zijn ademhaling verloopt.” Heel aardig. Alleen, de man had daarmee een argument tegen anderen die zei­den dat de wereld op een bepaald punt ten einde moest gaan, want dan zou Brahma haar weer in zich terugnemen.
Laten we kijken wat Egypte daarmee doet.
Egypte denkt magisch. Magisch denken is altijd weer een beetje anders. Toch merk je, zelfs in die heel vroege half Nubische mystiek van Egypte, dat deze leringen daar zijn doorgedrongen. Hoe, dat kunnen we niet bepalen. Het zijn mensen geweest die vergelijkbare ontwikkelingen hebben doorgemaakt. Maar hoe komen ze dan aan precies dezelfde procedure als degenen in India? De kans lijkt mij groter dat er op de een of andere manier een wisselwerking heeft bestaan tussen bepaalde priesters of mystici van het heel vroege Egypte en de magiërs of mystici van Zuid-Azië. Deze mensen gaan het begrip verder ontleden. Voor hen wordt het kosmisch bewustzijn uitgedrukt in machtwoorden. Dat is magisch denken. De formule moet juist zijn, want de formule is het ding.
Wat zegt de beroemde papyrus die wordt toegeschreven aan Thoth, la­ter aan Hermes Thoth, maar Thoth was de godheid:
“Als ge het eerste blad leest” (dat staat er letterlijk), “dan kent ge de woorden van macht. De geesten van de elementen zullen u gehoorzamen. Gij zult de dieren doen gaan naar uw wil. Gij zult de aarde doen beven of stilstaan. Gij zult zelfs de kracht bezitten om mensen te doden of te doen herleven.” Maar als je de tweede papyrusrol hebt gelezen, dan “Kent ge het Grote Woord en kunt ge de zon uitdoven of weer ontsteken naar believen.”
“Gij kunt de aarde te gronde doen gaan en haar opbouwen naar uw wil.” Nu klinkt dat natuurlijk krankzinnig vanuit een modern standpunt. Maar als je bezig bent met de ontwikkeling van het denken, dan is hier iets bijzon­ders aan de hand. Hier zijn mensen, die zeggen: Er bestaat een begrip. Dat begrip is de macht. Er is hier een kennis die voor ons beleefbaar is.
Dan vraag je je af waarom ze dan nooit de tweede papyrusrol hebben gelezen? Want laten we eerlijk zijn, als ooit een Egyptenaar die papyrus had gelezen, dan zou de hele wereld allang naar de knoppen zijn. (Dat is tegenwoordig precies hetzelfde, knoppen zijn er wel, we wachten alleen op degene die erop durft drukken.) Het concept dat erachter ligt, is dan ook een ander. Het is niet het concept van het machtwoord maar van de beleving die in het woord wordt uitgedrukt.
Nu zijn er verschillende wijsgeren. Menopteth was er een. Hij is een tijd leider geweest van het woestijnklooster van Isis. Dat was iets bij­zonders. Deze wijsgeer omschrijft het zo:
“Wanneer mijn adem zich vermengt met de adem van de Lichtende” (kennelijk bedoelt hij daar iets meer mee dan de zon), “dan ken ik zijn gedachten en Hij kent mijn willen en beide zijn een.” Dat gaat de kant uit van het kosmisch bewustzijn, absoluut. Dat gaat heel wat verder dan het stilletjes in jezelf zoeken, of je misschien God kunt vinden. En zodra je een kaarsje hebt aangestoken, zeg je: Kijk, daar is een lichtje, daar is God. Er zijn veel mensen die het kaarslicht vereren in deze dagen.
De werkelijkheid van deze mystici is voornamelijk het één worden met het Al. Kosmisch bewustzijn is voor hen een vervagen van grenzen. Dit idee van versmelting zullen we later terugvinden bij bepaalde Griekse filosofen. In de Stoa’s werd er heel veel over gesproken. Daar waren filosofen die erop los filosofeerden, maar in vele gevallen zeiden ze niet wat ze meen­den, doch datgene wat ze meenden dat anderen wilden horen. Per slot van rekening was het voor hen belangrijker om gehoord te worden dan om te den­ken. Dat is ook weer begrijpelijk, want hij die werd gehoord, werd uitgeno­digd. Wie werd uitgenodigd, zat er goed van. Hij had alles, compleet met luit­speelsters en fluitspeelsters (die dames hadden een dubbele functie in die dagen), laurierkransen, sneeuwgekoelde wijn en al die andere lekkere dingen. Dus velen van hen hebben waarschijnlijk gedachten ontwikkeld om er anderen mee te imponeren. Toch zijn er onder hen geweest die dan weer de conclusie trokken: Er moet een macht zijn die de hele kosmos beweegt. Die macht moet ergens in mijzelf ook aanwezig zijn. Nu is het maar de kwestie: hoe kan ik dat samenvoegen. We krijgen dan ook de omschrijving van daimon. Daimon is de lichtgeest. Hij is niet alleen demon. “De daimon in mij is het die spreekt”: ik ben de uitdrukking van een vreemde kracht. Het beleven van die kracht vervreemdt mij eigenlijk van mijzelf maar geeft mij gelijktijdig begrip voor al­le dingen. Zo ontwikkelt zich dat verder.
De mens gaat het zoeken in de meer technische benadering. We krijgen de kabbalistische benadering waarbij iedereen het wil becijferen. Het is uit Babylon gekomen en is door de joden later verder ontwikkeld. Tussen 800 en 1100 is het in Europa in omloop gekomen via Spanje. De gekuiste versie ervan is in ongeveer 1400 in Parijs verspreid, dat in die dagen een centrum van ontwikkelingen in geestelijke beleving was.
Deze mensen proberen het Al te becijferen. Er moet een kenbare regel­maat zijn. Er moet een taal zijn waarin je het Al kunt uitdrukken. Het macht­woord waarvan de Egyptenaren droomden als ze spraken over de tweede rol van de papyrus van Thoth, is nu geworden tot de kosmische formule. Die kosmi­sche formule is in feite scheppingskracht.
Dan zien we de alchemisten die ongeveer in 800 tot 900 overal goed beginnen op te duiken. Voor die tijd zijn ze er wel, maar ze heten nog niet alchemisten. Zij zien het dan weer zo: Je moet werken met twee dingen: je hebt de materie buiten je en de kracht in jezelf. Je moet een eenheid tot stand brengen tussen die twee.
Het is alsof je tegen iemand in deze tijd zou zeggen: Je mag de wetenschap beoefenen, daar heb ik helemaal niets op tegen, maar die wetenschap moet dan de uitdrukking zijn van een innerlijk bewustzijn dat je hebt bereikt.
Omgekeerd, elke proef die je in de materie neemt, moet voor jou weer een stap verder zijn naar het begrip van de totaliteit waaruit alles voortkomt. Een wisselwerking dus tussen innerlijke en uiterlijke wereld.
Dan is er een tijd een stilstand. Het is duidelijk: Europa is in gisting. De Kruistochten hebben aangetoond dat je van een vreemdeling meer kunt ste­len dan van je buurman. Dat betekent dus dat steeds meer vrome leuzen worden gezocht om in oorlog te geraken. Er is het politieke spel van de religie te­gen de macht van de Staat. In die tijd blijft dat allemaal een beetje verbor­gen. Er zijn natuurlijk geheimscholen, zoals die van Rabbi Nathan en nog zo’n paar. Veel halen ze niet uit en al teveel verzandt het een beetje in het formuleren.
De magie is een rituele magie. De natuurmagie wordt uitgeroeid door de heksenvervolgingen. De filosofie is in feite een systematische opbouw van stellingen waarin de werkelijkheid er niets meer toe doet als die stel­lingen maar goed bij elkaar passen. Zelfs de theologen worden erdoor aange­stoken. En ofschoon hun strijdpunten lang niet altijd zo belachelijk zijn als u nu zou denken, gaat het bij hen toch meer om de bepaling van de aard van God, van de hemelen, van het bovennatuurlijke, dan om het te beleven.
Er komt weer een grote verandering tot stand, ongeveer in 1600. Het is in die tijd net of er een golf van onrust over de wereld gaat. Er komen refor­maties, nieuwe denkwijzen, de wetenschap doet nieuwe vondsten, de kunst krijgt een nieuwe impuls. Er zijn veranderingen aan de gang. In die veranderingen ontwaken er ook weer een aantal mensen, die voor zichzelf gaan zoeken naar de kosmische totaliteit, het bewustzijn van het Al. Daarvoor kiezen ze dan de weg van het beleefde symbool: de Mandala. Een bepaalde groepering ervan moet zelfs vluchten uit Beieren. (Beieren had een koning waarvan ze toega­ven dat hij krankzinnig was.) Deze mensen wijken voor een deel uit naar Zwit­serland, dat de neiging heeft een soort vrijplaats te worden. Anderen trekken de kant uit van de Franse Jura. Zij ontwikkelen een systeem dat niets meer gemeen heeft met de formule. Het is niet de theorie of de formule, het is een symbolische uitdrukking van evenwicht waarin vele oude symbolen weer tot leven komen, zoals de oude symbolen van de Gnostici b.v. maar waar het er toch voornamelijk om gaat een beeld te vinden waardoor je je deel kunt gaan voelen van wat zij noemen: het kosmisch ritme.
Het is deze groepering, die dan een grote impuls geeft aan de Loges die langzaam maar zeker van occult-geestelijk amusement gaan evolueren, via allerlei rituelen, naar het belevingselement dat het belangrijkste is van de innerlijke mystiek.
De Franse Revolutie komt en ook deze verandert heel veel. Voor het eerst gaat men de rede verheerlijken in plaats van de stomme aanvaarding. De autoriteiten toen wisten ook niet wat ze deden. Tegenwoordig is het omgekeerd, nu wordt de stomme aanvaarding weer gepredikt en de rede moet worden afgezwakt. Niet in Nederland, omdat de Nederlanders het onder el­kaar nog niet eens zijn geworden over de vraag hoeveel redelijkheid staat­kundig redelijk moet worden geacht als de onderdanen ervan gebruikmaken.
Wij gaan langzaam maar zeker naar deze tijd toe. De zaak wordt losge­maakt van de dogmatische benadering. De innerlijke beleving is niet alleen meer de beleving van een God, men komt weer tot de beleving van het uni­versum. En daarmee bereikt men, maar nu met een andere kennis, een to­taal ander wereldbeeld. Het is eigenlijk precies hetzelfde wat er van 12000 jaar tot 8000 jaar v. Chr. al is geprobeerd. In een meer bekend geworden wereld zoekt de mens vanuit zich de synthese te vinden waarin alles in evenwicht is uitgedrukt. Dan zijn we aan de moderne tijd gekomen.
Er zijn in deze tijd onnoemelijk veel organisaties die zich met die za­ken bezighouden. Dat is aantrekkelijk. Het is een nieuw terrein en het is bovendien, en dat is erg belangrijk, een terrein dat je kunt betreden zonder dat je diploma’s moet hebben behaald.
Veel mensen werpen zich op het occultisme en de mystiek. We zien het ontstaan van de theosofie. We krijgen de denkwijze van Heindel. We worden geconfronteerd met het ontstaan van het antroposofisch benaderen van het Al. We worden geconfronteerd met nieuwe impulsen in de grote maçonnieke Loges als: Het Grote Oosten, De weg van Licht en nog enkele andere. Al die verschillende groepen in hun formalisme, dat ze nog zeker bezitten, proberen uit de begrenzing van het ‘ik’ weg te komen. De een probeert het door de karmische loop te erkennen. De ander probeert het door zich los te maken van de werkelijkheid en deze te beschouwen als een verschijnsel zonder betekenis en de achtergrond en de hogere waarden te zoeken.
De spiritisten komen ook op. De spiritisten en spiritualisten en hoe ze zich verder noemen, houden zich bezig met stemmen uit de geest. Kerkelijke organisatietjes ontstaan waarin de leden plotseling bezeten wor­den en profeteren vaak in de stemmen der goden. Dat was erg gunstig want niemand kon verstaan wat er werd gezegd, dus kon men het uitleggen zoals men wilde. Zo komen we in een wereld die steeds in gisting raakt en tegen zichzelf verdeeld is.
De Eerste Wereldoorlog. De rust is verstoord. Je moet leven, maar leven alleen is niet genoeg. Hunkering naar een diepere betekenis blijft bestaan en wordt zelfs sterker, juist op het ogenblik dat een crisis de gehele wereld aantast. Een economische crisis, die geen zin van bestaan heeft, maar die alleen wordt veroorzaakt door de fictieve waarden die de mens hanteert. En zo sukkelt de wereld, haast onontkoombaar, naar de Tweede Wereldoorlog toe want ze is niet in staat de problemen, die liggen tussen geld en werkelijke waarde, op te lossen.
In de Tweede Wereldoorlog worden alle waarden weer kapot geslagen. De laatste vaste vormen gaan teloor. De mensen hebben in het begin nog wel een houvast: we moeten de wereld opbouwen. Denkt u maar aan Herrijzend Nederland en dergelijke groepen. (Ik zou zeggen als het toch herrezen is, hadden ze het dan niet een beetje mooier kunnen maken.)
Nu zitten we in een tijd dat ook deze impuls afzwakt. De dagelijkse dingen zijn er wel en ze zijn wel belangrijk, maar hun belangrijkheid ontle­nen ze aan een verband met de totaliteit. Dit is een tijd die weer gunstig is voor het zoeken naar, maar ook voor het ontstaan van kosmisch bewustzijn.
Een mens is een deel van de mensheid. De mensheid is een onsterfelijk wezen waarvan je deel blijft uitmaken zoals een druppel water van de oceaan, wat voor tocht die ook maakt. De mens is deel van een levende kracht, ook al weet hij niet precies wat die kracht is. De mens droomt over verre werelden, die ergens in de ruimte zijn. Hij houdt zich bezig met Vliegende Schotels en verbindt daaraan allerlei verwachtin­gen. Maar gelijktijdig doordringt hem steeds meer het besef: er is een totaal aan leven en aan levende vormen en ergens heb ik daar mijn plaats. Maar ik kan die plaats niet beseffen indien ik het andere niet heb leren kennen. En zo gaat de groei verder naar wat men het Kosmisch Bewustzijn noemt.
In deze dagen gaat dat bewustzijn nog heel wat verder dan in het verleden. Vroeger dacht men niet aan sferen en toestanden in de geest, als dingen die in een eenheid horen. Ze werden beschouwd als buiten en boven de wereld staand. Nu beginnen meer mensen te begrijpen dat eigenlijk al die geestelijke werelden en je eigen stoffelijke wereld niet ruimtelijk gescheiden zijn. De hemel ligt niet achter de sterren. De hemel is hier, als je maar innerlijk resoneert met het bestaan van een absolute vrede. De hel is ook hier, niet ergens diep onder de aarde. Men heeft geen goed geschoolde koks voor de helse keuken meer nodig om met hun ­augurkenvorkjes de zieltjes om te keren als ze te bruin worden in de olie. Wat ze nu nodig hebben, is het begrip ‘duisternis’. En zo komt men steeds dichter bij het begrip van de totale wording.
De totale wording is eigenlijk de weg van chaos naar vorming. Wat de meeste mensen niet beseffen, is dat absolute vorming automatisch de dood is of het ontstaan van chaos. Je kunt niet zeggen: We beginnen in de chaos, we vinden de volmaaktheid en het is afgelopen. Want de volmaaktheid in zich betekent weer de volledige bewustzijnstoestand, de erkenning van alles wat deel is van het leven. Zolang er een persoonlijkheid is, zal ieder zijn eigen ontwikkeling kennen. En als ieder in zijn eigen ontwikkeling het maximaal mogelijke geestelijk heeft behaald, dan is er weer chaos, want eenieder schept. Als iedereen schept, dan is er chaos in stoffelijke en eigenlijk ook een beetje in geestelijke zin. Dan is verenigende kracht alleen nog het Scheppend Vermogen. Het is de Energie waar uit alles voortkomt, verder niets.
Alles ontwikkelt zich, dus in deze dagen langzaam maar zeker de behoefte om deel te zijn van het Groter Geheel. Men zou a.h.w. een symbiose willen aangaan met al die andere sferen waarbij er een bewuste wisselwerking bestaat tussen het stoffelijk bestaan en de geestelijke krachten en machten en ten slotte tussen God en Duivel en Ego. Waar mensen zo gaan denken, waar mensen reizen gaan maken diep in zichzelf om de waarheid te ontdekken of vanuit zich proberen de kosmos te overzien om de werkelijkheid te ontdekken, daar komt die werkelijkheid een beetje dichterbij.
Ik ben geen grote optimist, dat heeft u wel eens meer gemerkt. Ik geloof niet dat we nu plotseling een tijd tegemoet gaan waarin alle mensen kosmisch bewust zullen worden. Maar de mogelijkheid dat meer mensen dan anders kosmisch bewust zullen worden in deze tijd, kan ik niet ontkennen, want alle feiten daarvoor zijn er.
Er is de spanning in de wereld. Er is een verandering van materiegebondenheid bij heel veel mensen. Er is de behoefte om zich één te voelen, een communicatie die door niets wordt belemmerd. En vergeet niet dat deze behoefte om werkelijk het eigen ‘ik’ met het andere of de ander te delen ook wel aansprakelijk kan worden gesteld voor vele toestanden die men in deze tijd vooral door ouderen betreurd ziet als vormverlies, normverlies en dergelijke dingen. Dan zeggen de mensen: Vroeger maakte je elkaar het hof en nu ga je ‘hokken’. Nu ja, die hokken staan daar in de hof en van een hofhouding wordt het wel weer een huishouding.
Waar het om gaat is eigenlijk dat men zoekt om niet alleen te zijn. En dan niet in de stoffelijke zin van bevrediging e.d. maar het vervullen van het geestelijk besef van verbondenheid dat ergens in het ‘ik’ op de achtergrond bestaat en dat maar geen uitdrukking kan vinden. Steeds meer mensen zullen ook weer ontdekken dat je dat stoffelijk niet kunt doen. Je kunt met de halve wereld naar bed gaan en nog geen stap verder zijn gekomen naar een werkelijke communicatie, een werkelijk contact. Dan ga je je afvragen: Hoe zit het dan in mijzelf? En in jezelf krijg je dan de confrontatie met de beperkingen van dat ‘ik’, maar ook met de kracht die daarbuiten is, de kracht die je in een ander kunt erkennen. En dan ga je afstand nemen van jezelf, van je wereldbeeld en van je wereld. In dat afstand nemen ligt dan gelijktijdig het bestijgen van de trap der bewustwording omdat je, hoe verder je weg komt van dat onderwerpen van het Al aan je eigen bekrompen persoon­lijkheid, hoe meer je in dit Al kunt opgaan en meer werkelijk en concreet kunt deelhebben aan die complete kosmos. Dat is de kosmische bewustwording die ik zie.
Nu staan we op het ogenblik al betrekkelijk dicht bij de Wessac-bijeen­komst. Ik heb het gevoel dat wij de invloeden van licht, die ook deze keer weer sterk zullen zijn, moeten zien als een mogelijkheid waardoor ook de ­eigen persoonlijkheid van de mens meer contact krijgt met die totale Werke­lijkheid. Als je beseft hoe je deel bent van het geheel, hoe je functioneren hier alleen maar het uitvoeren is van het noodzakelijke in het geheel, zodat je interpretatie eigenlijk niet ter zake doet maar je beleving van de werkelijkheid voor jou het meest belangrijke wordt, dan moet je toch zeggen: Ik verwacht van die kracht ook weer een mogelijkheid tot groei van het menselijk bewust worden in de kosmische richting, de richting van het alomvattende en van de eenheid.
Dan kan ik God er natuurlijk weer bij halen, maar waarom zou ik dat eigenlijk doen? God wordt er overal bij de haren bijgesleept. Als wij ons van de kosmos bewust worden, zijn we ons ook wel bewust van God. Maar waarom zouden wij ons in het bijzonder daarmee bezighouden? Hij is Zich van ons be­wust, dat is al heel veel. Wij moeten ons bewust worden van Zijn uiting, en dan niet als een soort door de molen gedraaid gehakt. Dan moeten we als het ware de levende koe terugvinden. Het terugvinden van eenheid uit ver­brokkeling. Het terugvinden van de persoonlijke vrijheid, het persoonlijk besef van verantwoordelijkheid, dus een gebondenheid in het geheel en daar bovenuit het gevoel van de eigen verbondenheid met het geheel, de beleving van het geheel. Dat lijkt mij de grote stap die nu moet worden gedaan.
Ik wil hieraan enkele beschouwingen over deze tijd toevoegen.
Het zal u opgevallen zijn dat we nu, althans officieel, van de oor­log in Vietnam af zijn. Er is schijnbaar een strijdpunt minder. Nu krijgen we de strijd van het fanatisme in diezelfde plaatsen, en dat betekent voor de geest zeker nog overuren bij de afhaaldienst. De wereld moet uitkristalli­seren. Het gaat er niet om of je links bent of rechts. Het gaat er zelfs niet om wat voor systeem je volgt. Het gaat erom wat voor een mens je bent.
Het beroep in deze tijd op de menselijke waarden in de mens zal steeds groter moeten worden. Want oorlog of niet, de wereld kan te gronde gaan aan haar onmenselijkheid. En daar zullen niet alleen conflicten uit voortkomen en allerlei wonderlijke economische en politieke verschijnselen, maar er zal volgens mij ook een beweging uit voortkomen, die niet meer zo sterk nationaal gebonden is. Geen communisme, geen kapitalisme, maar gewoon menselijkheid. Een soort Bond van Samenwerking zonder religieuze achtergrond, zonder opper­hoofden. Je zou het misschien kunnen omschrijven als een Bond van Onderlinge Hulp en Gastvrijheid. En als die groepen eenmaal kunnen ontstaan, dan zijn we een heel eind verder.
Het is niet zo belangrijk of de mensen nu wel of niet verschillend zijn, geloven of denken. Het is erg belangrijk dat de mensen bereid zijn om elkaars menselijkheid in de eerste plaats te erkennen. Het is ook niet zo belangrijk of deze regeling wordt gevolgd of gene. Daar maken ze ook nog wel eens een grote vergissing mee. Er zijn mensen die denken dat ze vrij zijn als ze kunnen stemmen. Gelooft u mij, aan uw werkelijke vrijheid zal stemmen niets toevoegen en niets afdoen. Vrijheid ligt in uw bereidheid om met uw medemensen ten koste van alles zo te leven als u voelt dat juist is.
Andere mensen in deze tijd roepen: Wij moeten ontwapenen! Het is nu niet het gebroken geweertje; het is nu meer de gespleten atoombom of de gekraak­te NATO die in de mode zijn. Het is toch niet belangrijk of een mens wapens heeft. Het is belangrijk of hij bereid is ze anders te gebruiken dan om zichzelf te beschermen. In deze dagen moet dit gaan doordringen. Het is geen kwestie van economische belangen afwegen tegen b.v. ecolo­gische belangen. Het is geen kwestie van arbeidsgelegenheid afmeten tegen verspilling, belastingen e.d. Het is gewoon een kwestie van een solidariteit, die niet wordt bepaald door de een of andere groepering maar door het mens-zijn zelf.
In deze dagen zullen steeds meer mensen ontdekken dat ze alleen door samenwerking drijvende kunnen blijven. Als je dat niet doet, word je steeds meer gedreven door de omstandigheden. Ik zie dan ook dat de ont­wikkelingen van deze tijd de mens haast dwingen om zijn bewustzijn van een beperkt egoïstisch standpunt om te vormen tot een tenminste meer commu­naal bewust standpunt. Niet: de gemeenschap kan alles doen ten koste van de leden daarvan, maar: wij vormen tezamen een gemeenschap en wij zijn bereid als gemeenschap offers te brengen omdat dit voor de gemeenschap goed is. Hierdoor voorzie ik dus een grote mentale verandering, die mis­schien wel de sociale veranderingen voorafgaat.
Ik geloof dat in de plaats van de organisatie meer de vrije samen­werking en het persoonlijk denken komt. Ik geloof dat in de plaats van de grote infiltratie van bepaalde dogmatische denkbeelden in alle lagen van de maatschappij, men zou moeten komen tot een bewust erkennen van beïnvloedingen en het afwijzen daarvan. Ik laat mij niet beïnvloeden tot een bepaald gedrag, maar ik ga reageren vanuit een bepaald besef waardoor mijn relatie tot de kosmos, zoals ik die ken en tenminste tot de mensheid zo­als ik die beleef, wordt bepaald door mijn behoefte om in de mensheid mijn eigen partij mee te spelen, niet dominerend, niet ondergeschikt, maar func­tioneel in het geheel.
U zult zeggen: Dat is meer politiek dan wat anders. Zeker, dat is het ergens ook. Maar je kunt een kosmisch bewustzijn niet los denken van de verschijnselen van een menselijke wereld.
Ik heb u het een en ander geschetst over de oudheid. De wijze waarop de mensen dachten en streefden werd wel degelijk bepaald door de mogelijk­heden van hun wereld, maar ook door hun eigen besef, hun eigen wetenschap. Het magische geloof van Egypte b.v. brengt automatisch een andere benadering van de kosmos, van het kosmisch wezen dan dat het geval is geweest in het zuiden van Azië. Dat is onvermijdelijk.
Deze tijd brengt ook zijn eigen benadering van het kosmisch bewustzijn. Maar één ding is zeker: praktijk naar buiten toe en werken innerlijk moeten samengaan. Die kunnen niet van elkaar worden gescheiden. Dat betekent dus ook dat het egoïsme moet plaatsmaken, niet voor een absoluut altruïsme zoals sommigen denken, maar voor een bewust meewerken met anderen. Niet: ­anderen werken voor mij of ik werk voor anderen, maar: ik werk met ande­ren samen. Want als wij naar de kosmos toegaan, dan is het ook geen kwestie van: ik omvat de gehele kosmos, of ik ken die kosmos, of ik word door de kosmos beheerst. Dan is het geen kwestie van: ik leef nu alleen voor de kosmos en ben zelf onbelangrijk. Het is ook niet zo dat je zegt: Ik moet nu zelf een richting kiezen. Neen, dan zeg je: Ik ben deel van de kosmos. Ik moet de harmonie van de kosmos voelen, erkennen, beleven en daaruit moet ik bewust functioneren als een deel van de kosmos, op elk vlak waarop ik een levensbesef en een gevoel van handelingsvrijheid bezit. Dat is kenmer­kend voor deze tijd en de daarin mogelijke kosmische bewustwording.
Ik predik niet de dood van het egoïsme, want de mens met zijn egocen­trisch besef kan haast niet anders zijn dan in meer of minder beperkte mate egoïst. Maar ik ga het ‘ik’ zien als verbonden met alle dingen. Ik geloof dat het egoïsme van de mens een minder beperkte betekenis krijgt en dat juist daardoor, zonder dat we kunnen spreken van een altruïsme, de verbondenheden voor die mens belangrijker gaan worden. En waar een mens eenmaal streeft naar harmonieën, waar dan ook en hoe dan ook, daar is de kans groot dat hij ze geestelijk in zich gaat beleven. En wie eenmaal harmonieën beleeft, die zal in de harmonie steeds verder moeten streven, totdat hij weet: buiten ruimte en buiten tijd is de samenvatting van materie, van geest, van al wat denkbaar is in een werkelijke kracht die ik beleef, waaruit ik functioneer en die ik innerlijk aanvoelend en erkennend waarmaak, waar dan ook, omdat ik alleen zo het gevoel kan behouden van eenheid met het Al.

Onredelijkheid

Wat is onredelijk? Indien redelijk betekent ‘verstandelijk juist’, dan moeten we zeggen dat de onredelijkheid zo onjuist niet kan zijn. Want al datgene wat de mens redelijk tot stand heeft gebracht tot nu toe, is niet zo florissant dat je daarover naar huis behoeft te schrij­ven.
Sommige mensen zijn onredelijk omdat ze eenvoudig niet willen begrijpen dat de rede voor de mens de enige methode is om een commu­nicatie met anderen te vinden. Emoties kun je moeilijk overdragen, argumenten wel. Dan zou ik zeggen:
Een mens moet redelijk zijn in en vanuit zichzelf. Hij moet die redelijkheid niet zien als iets wat zijn eigen leven, zijn streven en zijn oordeel bepaalt, maar hij moet er wel gebruik van maken om daar­door zijn wezen zo juist en aanvaardbaar mogelijk aan anderen voor te stellen en al hetgeen er in hem leeft aan besef, aan wensen e.d. aan anderen te kunnen overdragen.
Als u onredelijk wilt zijn, wees het dan in uzelf. Laat u alstu­blieft niet teveel bepalen door allerlei logica, door dingen die, als u zo redeneert, nu eenmaal niet anders kunnen zijn. Besef dat u in u een inhoud heeft die geestelijk heel wat meer waard is dan alle redelijke argumenten.
De rede is voor de mens het instrument waardoor hij zich tegen­over anderen waarmaakt. Het is niet de basis waaruit zijn bestaan voor hemzelf voortkomt. Het is zeker ook niet het bewustzijn waardoor hij wordt beheerst.
Wij worden beheerst door onredelijkheid. Wij kunnen niet redelijk zijn. Zelfs een geest kan niet redelijk zijn. Maar onze contacten met de wereld om ons heen vergen een mate van redelijkheid. En als ik u dat zeg, dan zult u misschien begrijpen dat onredelijkheid in mijn ogen alleen verwerpelijk is, indien ze niet een directe en bewuste uitdruk­king is van een innerlijke waarheid of besef, maar eerder een verweer tegen de communicatie met anderen, waarvan men de redelijkheid wel er­kent maar niet wil aanvaarden.
Wees onredelijk op zijn tijd, dat zal u zeker geen kwaad doen. Maar wees nooit onredelijk tegen anderen zonder dat u in uw besef (dus bewust] zelf een reden daartoe erkent. En bovenal:
Denk niet dat een u verheffen boven de rede, u het recht geeft anderen te zeggen wat ze moeten doen of moeten laten, hoe ze moeten zijn of hoe ze moeten leven.
De onredelijkheid is datgene waardoor ons eigen leven kan worden bepaald, onze eigen harmonie bestemd en onze ontwikkeling een vorm en richting kan krijgen. En de redelijkheid is dan het middel waardoor we dit moeten proberen waar te maken op een wijze die voor alle anderen aanvaardbaar kan blijven.

Verbeelding

Iets wat heel veel mensen hebben, want elke mens bouwt voor zich­zelf beelden uit zijn illusie en noemt deze werkelijkheid.
Wij leven in een wereld van waan. Die waan wordt ons niet van bui­tenaf opgelegd, maar wordt van binnenuit gecreëerd omdat wij de werke­lijkheid onaanvaardbaar achten. Wij moeten ons dan ook voortdurend be­wust zijn van het feit een deel van hetgeen wij in de wereld zien, bele­ven of menen te constateren, als waan te beschouwen. Hierdoor relative­ren wij het geheel dat rond ons bestaat en zelfs onze eigen belangrijk­heid en onze relatie met de wereld.
Door het stellen van die betrekkelijkheid echter, komen wij tot een begrip van datgene wat niet varieert en wat altijd aanwezig is. De wer­kelijkheid komt nader naarmate wij de relativiteit van de wereld, zoals wij die zien, begrijpen. Objectiviteit is voor een mens niet bereikbaar, maar zijn verbeelding stelt hem toch vaak in staat om uit de waan die elementen te puren welke dicht bij de werkelijkheid komen. En de mens die in zich een beeld opbouwt dat dicht bij de werkelijkheid ligt, zal op de kracht van die werkelijkheid kunnen reageren en vanuit die werkelijk­heid zelfs in zijn schijnwereld grote resultaten kunnen behalen.
Onze bewustwording is voor een groot gedeelte afhankelijk van onze mogelijkheid om in alle verbeelding onderscheid te maken tussen wat wij als werkelijkheid projecteren en datgene wat de werkelijkheid is.
Het beeld van God leeft in ons maar kan alleen bestaan, indien wij het ontdoen van de aanhangsels die onze waan en onze fantasie daar­omheen hebben gedrapeerd.