Kosmische filosofie van 4.500 jaar geleden

5 oktober 1958

Wanneer wij  willen nadenken over bepaalde filosofische problemen, dan wil ik aansluiten bij hetgeen wij de vorige malen reeds behandeld hebben. Ik heb voor u vandaag ook een gastspreker, die zal trachten u iets van de kosmische filosofie uit te leggen, zoals die ongeveer 4.500 jaar geleden, dus bijna 3000 jaar voor Christus, bestond in Indië en speciaal in de Hindoerijken.

Aan alle dingen is steeds weer verbonden het zoeken naar eenheid. We kunnen daaraan niet ontkomen. We hebben de vorige malen uitgelegd, hoe dit samenhangt met verdraagzaamheid en met naastenliefde. Deze eenheidsbegrippen kunnen alleen goed verwerkt worden, wanneer wij bepaalde regels in het oog houden. En daar zijn dan verschillende bij, die wat wetenschappelijker klinken. Ik wil ze hier aanhalen in de formulering, die bepaalde kabbalisten groepen hebben gebruikt.

Een kracht werd verdeeld. Toch kan de kracht slechts als zichzelf geheel bestaan. In de verdeeldheid zoeken zo alle delen naar eenheid om niet onder te gaan.

Deze stelling of regel beduidt dus, dat al het leven eigenlijk samen behoort in een onverbrekelijke band. Elke scheiding, die tussen de delen van het leven ontstaan is, is incidenteel en kan nooit een eeuwigheidswaarde hebben. De band moet hersteld worden, want ook het geheel kan niet blijven bestaan, indien de verdeeldheid blijft heersen.

Op grond daarvan zegt de kabbalist verder;

“Alles wat groeit uit de materie, wat ontbloeit in het begrip, kan slechts voleinding betekenen, indien het levenskracht en levensbron met elkaar kan verbinden.”

Hier komt even de oude levensboom naar voren, maar de tekst zelf is alweer duidelijk. Wij kunnen niet leven alleen als geest of alleen als ziel. Wij zullen een voortdurende verbinding moeten vormen tussen de tegenstellingen, waarin God Zich heeft geuit, n.l., Stof, geest en Zichzelf.

Een ietwat andere zegswijze brengt hetzelfde naar voren. De drie (drie-eenheid) zijn met elkaar verbonden door het verschijnsel. In de verschijnselen zal de drie-eenheid één worden. En eerst waar de eenheid bestaat, is de oneindigheid geboren. Een zeer logische opvatting. Want zolang wij onevenwichtig zijn, zolang wij verdeeld zijn tegen onszelf, of wanneer de kosmos of zelfs God tegen Zichzelf verdeeld zou zijn, is er geen sprake van continuïteit. Er zijn verschijnselen. En reeksen van verschijnselen doen ons denken, dat er een voortdurend gebeuren aan de gang is. Maar dat gebeuren bestaat niet werkelijk. Werkelijk is alleen datgene wat ontstaat, wanneer er een volledige eenheid is.

De laatste regel zegt; “Wie de eenheid beseft, heeft de eenheid gewonnen. Hij vormt om.” (Hier wordt aangespeeld op het geestelijk transmutatieproces, waarbij dus elke waarde van een stoffelijk bestaan tot geestelijk kan worden gemaakt of omgekeerd. Een volledig onderlinge verwisselbaarheid van alle krachten, van alle toestanden en werkelijkheden komt hier op de voorgrond. Alle dingen zijn dus gelijk. )

Wanneer ik uw aandacht vestig op deze punten, dan doe ik dit vooral om u de volgende spreker begrijpelijker te maken. Filosofie is een betrekkelijk moeilijke zaak. Want wij moeten uitgaan van allerhande thesen en op een these wordt dan een voorstelling van het heelal gebaseerd. In de oudheid was men daarin ook heel sterk. Men ging echter uit van deze eenheidsgedachte, die ik hier aan de hand van latere bronnen een ogenblik heb uiteengezet. Ik zou u dan ook nu willen verzoeken het voorgaande in gedachten te houden, terwijl u luistert naar onze gast van vandaag. Ik wil hierbij opmerken, dat ik zo dadelijk nog even bij u terug kom om commentaar te geven.

o-o-o-o-o

Wie spreekt over leven, spreekt over oneindigheid. Alle leven is geboren uit een bron en uit het onbesef is de onderlinge verdeeldheid voortgekomen. Wij, die verdeeld zijn, streven naar de eenheid. Wie onder ons de eenheid niet beseft, eert kleine goden. Wie hongert naar de eenheid, eert grote goden. Doch wie de eenheid beseft, eert geen God. Want kan men datgene eren, waarmee men één is? Zal men roemen datgene, wat onverbrekelijk met het eigen wezen is verbonden? Wij moeten goed beseffen, dat de waarheid onmiddellijk begraven is in ons wezen, begraven als een schat, die ten koste van veel moeite moet worden opgedolven.

Onverbrekelijk en één is het Al. Geen mens bestaat en geen dier en geen plant. Er bestaat slechts de kracht, het scheppend leven zelve. Doch wie in het scheppend leven opgaat, mag voor zich geen eisen stellen. Men mag zichzelf niet verheffen noch vernederen. De kern van het Goddelijke vindt de mens in de gematigdheid. Gematigdheid is een moeilijke zaak, want matiging betreft niet slechts datgene, wat de priesters verwerpen, wat de goden eisen. Het betreft alle dingen. Matig moet de mens zijn in zijn gebondenheid aan de aarde, maar ook in zijn verlangen naar een ander bestaan. Matig zal hij zijn in de deugd, doch ook in de ondeugd, Matig in rijkdom, maar ook in armoede. Matig in zijn besef van weten en matig in zijn dwaasheid. Want de matigheid van de mens is een benadering van het gemiddelde. Het gemiddelde nu is de uitdrukking van de grote Kracht, die ademt in alle dingen.

Het juweel der schepping heeft vele facetten. Geslepen eens, toen alle dingen duister waren, werd de kracht uitgezonden om zo te verwerkelijken wat goed is. En wanneer er een leer is, zo zullen wij zeggen: “Ongetwijfeld is deze matig waar.” En zo wijzelf een leer bekennen, zo zullen wij zeggen; “Ongetwijfeld is deze matig onwaar.” Want in het begrip dat niets absoluut is, kan het absolute eerst gevonden worden. Vergeet niet; De eerste kracht werd geboren uit het hoofd van Hem, Die schept en eerst daaruit kwam de vermenigvuldiging der dingen. Zo is het voor ons.

Want wij die leven, zoekende naar de vervulling van al hetgeen ons begeren, van al hetgeen ons verlangen misschien eist van de wereld, wij zullen zelf de onwaarheid scheppen en in de onwaarheid ondergaan. Doch indien wij matig zijn in ons begeren en ons afkeuren, indien wij nooit vragen de volle 100 % van het leven voor onszelf te mogen genieten, dan vinden wij juist de grote aanvaarding. De aanvaarding nu is de vrede. De vrede is de opheffing van de grens, die het eigen wezen vervreemdt van de grote kracht der goden. Boven allen is het leven en de levende kracht. Wie de levende kracht aanvaardt in al zijn schakeringen, wie het leven zelve ondergaat zonder voorkeur of oordeel, zal kunnen komen tot de werkelijke bewustwording, de bewustwording waarbij het “ik” opgaat, de wereld der goden verdwijnt en overblijft de ene en ongebroken waarheid.

Het is een misschien wat kosmische en wat tijdloze filosofie, geboren uit wat voor u al een ver verleden is. Maar om te spreken met de termen van onze vriend; Ook verleden en toekomst zijn maar matig waar. Met andere woorden, er bestaat een band, die alle dingen verbindt in de tijd en de ruimte.

Hij heeft getracht ons weer te geven, hoe de filosofen van zijn tijd dit hebben gezien. Niet als een reeks van tegenstellingen, niet als een reeks van onbeheerste daden of een voortdurende haat. De wijsheid van zijn tijd was gelegen in een zekere bezadigdheid. De mens in zijn z.g, matigheid – dus zijn aanvaarden van beperking – kan doordringen tot het wezen van de schepping. Op het ogenblik dat u zegt; “Dit is goed en dát is slecht,” en u houdt zich daaraan, dan zult u het slechte steeds zozeer verwerpen, dat u het niet begrijpt en het goede zozeer vereren, dat u niet alle consequenties, die eraan verbonden zijn, zult begrijpen. Het gevolg is, dat u juist daardoor uzelf vervreemdt van de kosmos en de kosmische waarheid.

Wij spreken over de Grote Adem of over Atman. Wij spreken over God, de Vader. Onverschillig de naam, die wij gebruiken, geven wij hierbij weer de kracht, die alles in stand houdt. De kracht, die meester is over alle dingen. En dit te beseffen betekent reeds die kracht in alle dingen aanvaarden. Het ontkennen van het kwaad zal ons weinig helpen, evenmin als wij kunnen ontkennen, dat er iets voor ons goed is. Wij zijn kinderen van de schepping. Wij staan tussen voor óns tegengestelde waarden. Wij zullen honderd keer kunnen zeggen, dat alle dingen goed zijn en toch lijden. Wij zullen honderd keer kunnen zeggen, dat er geen vreugde is en toch zullen we ons soms verheugen. Wij kunnen niet ontkomen aan de tegenstellingen, die er bestaan. Het zou dwaasheid zijn, deze tegenstellingen dus van uit onszelf trachten teniet te doen. Dit kan niet.

Maar wel kunnen wij onszelf voortdurend matiging opleggen, een zekere beperking. Die beperking staat niet zo ver van de verdraagzaamheid af. Want deze matigheid is een zoeken naar het begrip, een voortdurend in het oog houden ook van tegengestelde waarden. Het brengt ons tot evenwichtigheid. En voor zover het hierom gaat, moeten wij ons nederig neerleggen bij de wijsheid van deze gast.

Heeft het voor ons enige zin om te leven met een vast doel, altijd weer voort te jagen en geen vrede te kennen? Wanneer wij geen rust kennen in onszelf, geen aanvaarding of – zo u het wilt misschien een zekere gelatenheid t.o.v. vreugde zowel als van smart – hoe zullen we dan in staat zijn om werkelijk iets van God te ontdekken? Hoe zullen wij ooit vrede vinden? Hoe zullen we de tijd vinden om onszelf te zijn?

De mens, die eenzijdig is, dwingt zichzelf en mishandelt zichzelf en dwingt en mishandelt de wereld al evenzeer. Daar kan nooit iets goeds uit voortkomen. Het is altijd een verdieping van de begoocheling en van de waan. De matiging in alle oordeel maar ook in alle handeling is de enig juiste weg. Wij erkennen daarmee al hetgeen voor ons misschien toch minder aangenaam of minder aanvaardbaar is als redelijk, als waardevol en kunnen toch binnen het redelijke streven naar het doel. Wij zullen het hele leven zien en niet alleen een deel ervan. Een voorbeeld zal het u misschien duidelijk maken.

Wanneer een mens zegt; “Zwart wil ik niet zien, alleen het absolute wit.” dan bestaat er geen wereld. Dan is hij blind. Wanneer iemand het omdraait, is het precies hetzelfde. Eerst wanneer men wit en zwart accepteert in alle schakeringen, kan er van zien worden gesproken. Maar een te diep zwart trekt het oog te zeer. Een te fel wit verblindt.. Het is dus zaak de uitersten, die nog niet passen voor onze vermogens, eenvoudig buiten beschouwing te laten. Eerst op deze manier kunnen we althans van een groot gedeelte der schepping begrip krijgen. En is dat begrip verworven, hebben wij de rust en de vrede in onszelf, die uit een aanvaarden van een evenwichtige wereld voortkomt, dan kunnen wij op grond van hetgeen in ons ontstaat (het niet omschrijfbare gevoel van eenheid en vrede) ten slotte ons realiseren, wat het perfecte wit, wat het afgronddiepe zwart betekenen.

Geen enkele schilder zal trachten iets alleen met tinten wit uit te drukken, of hij moet een dwaas zijn. Niemand zal trachten iets uit te drukken met een zwart vlak zonder enige variatie. Wij mogen niet trachten in ons leven datzelfde te doen. Wanneer wij zoeken naar een uitdrukking alleen in het goede, dan schilderen wij alleen met wit, en zoeken we naar het kwade, alleen met zwart.

Het leven van de mens is een mengeling van goed en kwaad. U kunt er niet aan ontkomen. Alle waarden, die u op prijs stelt, hebben hun tegendeel. En ofschoon ge het misschien niet altijd gaarne erkent, deze tegendelen spelen een grote rol.

In de gedachten is dit niet te beheersen. Maar gedachten zijn – althans volgens menselijke opvatting – vrij van controle, vrij van tol. Daarom droomt u uw onevenwichtigheden en u handelt in een schijnbaar evenwicht, uzelf verdelend, uzelf verscheurend. Eerst wanneer de gedachten en de daad identiek beginnen te worden, wanneer de tolerantie, die de gedachte kent in de daad wordt neergelegd – niet alleen voor het “ik” maar ook voor anderen – dan is er sprake van een mogelijke vrijwording.

Ik begrijp, dat dat in sommige gevallen voor u een beetje storend is en het past niet bij de christelijke concepten. Het houdt bv. in, dat wij eerlijkheid weliswaar loven, maar een matige oneerlijkheid evenzeer. Dat wij edelmoedigheid loven, maar een zekere onedelmoedigheid eveneens aanvaarden als noodzakelijk. En zo kunt u verdergaan. Stel ze maar tegenover elkaar. Gulheid en bezitzucht, kuisheid en onkuisheid, werkelijkheidszin en droom, waarheid en leugen. Zij alle komen alleen in een mengeling voor. En wanneer wij in die mengeling begrijpen, dat een zekere evenwichtigheid dezer tegendelen in onszelf beter is dan het zoeken naar het extreme en we daardoor in onszelf vaak het tegendeel evenzeer verblindend scheppen, dan hebben we een weg verder gevonden naar de waarheid.

Er zijn natuurlijk nog vele andere punten aan te snijden op dit terrein en we zullen het in de toekomst heus nog wel eens doen. Voor vandaag wil ik u alleen dan nog dit ter overweging geven.

In de eerste plaats; Naastenliefde heeft alleen zin, wanneer ze matig wordt beoefend. Want wie de naaste meer liefheeft dan zichzelf, doodt zichzelf en zo de naastenliefde. Naastenliefde en een zekere zelfzucht behoren samen te gaan. Het is de gelijkstelling van beide waarden, die aan de naastenliefde haar inhoud geeft en het “ik” voor het leven betekenis geeft.

Met verdraagzaamheid is het al precies hetzelfde. De verdraagzaamheid is een noodzaak. Maar wie te verdraagzaam is, doodt de verdraagzaamheid en zichzelf. Wie echter de verdraagzaamheid weet te paren aan een zeker behoud van eigenwaarde – in feite dus een zekere onverdraagzaamheid – zal een evenwicht vinden, waardoor hij de wereld kan aanvaarden zonder zichzelf te verliezen. En onszelf zijn een niet te voorkomen kwaad – als het misschien sommigen onzer moge lijken – is niet slechts een taak, doch een plicht ons opgelegd. Het is ons wezen. Het is het enige waardoor wij kunnen komen tot een kennen van God. Laten we dit steeds beseffen en laten we in de wet der matiging de voor ons juiste uitdrukking zoeken van naastenliefde en verdraagzaamheid, omdat wij zo de bewustwording kunnen doormaken, die misschien slechts matig waar is, maar die juist daardoor het totaal der schepping openbaart.

o-o-o-o-o

Wanneer wij zo al deze waarheden en wijsheden horen, gaan mijn gedachten onwillekeurig naar meer stoffelijke en meer recente wijsheid.

Kort geleden werd een ouderling in het rijk van Mao aangehouden. Men zegde tot hem; “Gij” zijt een vijand van het volk, want gij verzamelt rijkdommen voor uzelf.” De oude zegde toen tot Mao of tot zijn rechters; “Ga naar mijn dorp en vraag, hoeveel mensen ik met mijn rijkdom in het leven heb gehouden toen er hongersnood was.” En dat bleken er velen te zijn. Zo zei de ouderling; “Ziet ge, heer, deze anderen volgen u volledig en ik heb hen voor u gered. Zo ben ik u – al heet ik de vijand – meer waard dan twintig volgelingen. Want ziet, ik heb er u bijna dertig gegeven.” Maar de rechter zegde; “Toch zijt gij een vijand van het volk,” en hij doodde de ouderling. Toen deze moest sterven, sprak hij slechts enkele woorden; “Hoe jammer voor hen, die moeten sterven, omdat ik niet besta.” En daarin gaf hij een volledige weerklank van de werkelijkheid.

Wij kunnen zeggen, dat communisme niet goed is; wij kunnen zeggen, dat kapitalisme niet goed is, maar in feite kunnen zij alleen elkaar helpen, wanneer zij elkaar durven waarderen en durven zien wat er aan inhoud in gelegen is. Wij kunnen de staf breken over alle gedachten, die niet met de onze stroken. Er zijn fascisten en nationaal-socialisten, die niet deugen; er zijn socialisten, die niet deugen; er zijn christelijk anti-revolutionairen, die niet deugen en zo gaan we verder. Al die partijen deugen niet. Liberalen deugen ook niet, (ik zeg dit alleen, omdat u mij misschien zoudt verdenken van liberalisme. Ik geloof hieraan wel in de geest maar slechts in beperkte mate in de stof.) Maar wanneer al die dingen slecht zijn, wat is er dan goed? De wereld, die zij samen kunnen bouwen.

Ten slotte moeten wij niet vergeten, dat de grootste vijanden op deze wereld de man en de vrouw zijn. Toch kan een wereld van vrouwen alleen niet bestaan en ook niet van mannen alleen. Er zijn mannen en vrouwen nodig om een wereld te vormen. Tegenstellingen dienen elkaar aan te vullen, eerst dan kunnen wij komen tot een werkelijke bewustwording. Daarom is het misschien wel aardig, wanneer ik u mijn persoonlijke visie probeer duidelijk te maken.

Wanneer je met een westerling spreekt, zegt hij heel vaak wat hij denkt. Hij zegt het zelfs zonder na te denken. En zo schept hij groot oproer en grote verwarring. Het belangrijkste punt in de westerse politiek bv., is de dementi, de ontkenning.

Het oosten is tegengesteld. Het denkt zeer veel en zegt meestal niet wat het denkt. Wanneer het spreekt, gebruikt het een wapen, dat met zijn indirectheid strookt, n.l. de beschuldiging. De beschuldiging wordt nooit gedementeerd, ze moet een langzame dood sterven. Vandaar dat oost en west elkaar nooit kunnen bereiken. Verschil in handelwijze en opvatting.

En wanneer dit politiek zo bestaat, zo is het religieus al precies hetzelfde. Want, ga naar de westerling. Hij zal u vertellen; “Het is belangrijk om goed te leven.” Ga naar het oosten. Men zal u zeggen; “Het belangrijkste van het leven is goed te sterven.” Wanneer men spreekt met het westen, zegt mens “Het leven moet je verdedigen, want het is het kostbaarste dat je bezit.” “Het leven,” zegt de oosterling, “is alleen waard geleefd te worden, als we aanzien bezitten, Wie geen aanzien heeft in zijn eigen stand volgens eigen taak, die heeft geen leven.” Dus is eer belangrijker dan leven.

En zo zien we het in de godsdiensten ook. De werkelijke oosterling is van een zekere verdraagzaamheid. “Want,” zo zegt hij, “mijn geloof is een geloof, dat over alle tijden gaat. En wanneer ik het ook ontkend zie door anderen, eens komt de tijd, dat men het niet ontkennen kan.” De westerling draait het om. “In mijn tijd moet ieder mijn geloof aanhangen, moet ieder mijn geloof aanvaarden, want dit is alleen belangrijk.” En wat is het gevolg geweest? Het oosten had veel vooruitgang kunnen maken, maar was laks. Want het zegde; “De gedachten zijn toch veel belangrijker dan de daad. Beter gelukkig te zijn en feest te vieren dan te werken en iets te bereiken.” Het westen ging vooruit met rasse schreden. Want het zegde: “Werken is belangrijker dan iets anders.” Maar het vergat te denken.

En zo zien we een verdeeldheid in de wereld. Wat kunnen wij dan doen om die verdeeldheid op te heffen? Om de matigheid van zo even nog weer aan te halen; “We moeten niet te hard werken en niet te hard filosoferen, maar wij moeten zorgen, dat onze gedachten en filosofieën passen bij de daden, die wij stellen en omgekeerd.” Op het ogenblik dat de mens harmonie kent, wanneer hij innerlijke eenheid kent, is er niets voor hem onmogelijk geworden, want door zijn eenheid heeft hij het totaal van zijn krachten ter beschikking. Door zijn eenheid heeft hij inzicht in al hetgeen geestelijk voor hem bereikbaar is.

Er was eens een monnikje, dat droomde. En nu dromen monnikjes meestal van dingen, waarvan je aanneemt, dat monnikjes niet dromen. Maar deze monnik droomde dan, dat hij een gewoon mens was. Hij zag een schone vrouw, hij huwde haar en kreeg vele kinderen. En hij zag zijn nageslacht en zegde tot zichzelf; “Dat is toch beter dan monnik zijn.” Hij stierf, stervende ging hij over naar een hogere wereld en daar zat hij in zijn heerlijke gelukzaligheid op een opengebloeide lotus te midden van een zee van blauw water. En hij dacht; “Hier kan ik de werkelijke bespiegeling vinden, die ik als monnik op aarde nooit gevonden heb.” Maar nauw was hij aan zijn eerste gedachte begonnen, of daar riep hem een stem; “Vader, ik weet niet, hoe ik verder moet met leven.” Hij keek naar beneden en zag zijn kind. Als een goed vader kun je je kind niet verlaten. Hij steeg uit zijn lotus, ging naar de wereld en ten koste van veel vermoeienis hielp hij zijn kind.

Toen ging hij weer opwaarts en zette zich in zijn lotus en zegde; “Zo zal ik dan nu de vrede vinden.” Maar daar riepen al andere stemmen; En nauw waren de kinderen uit de zorg, of daar riepen de kleinkinderen.

Toen greep ons monnikje zich bij het hoofd en zegde; “Wat is het toch veel verstandiger en beter om monnik te zijn en geen nageslacht te hebben.” Maar terwijl hij zo klaagde, dreef plotseling een grote gouden lotus voorbij, waarop een waardige heer was gezeten, wiens uiterlijk overvloed aantoonde. Hij zegde; “Wat klaagt ge toch, mijn vriend?” “Ach,” zei het monnikje, “ik had monnik kunnen zijn, maar ben huisvader geworden. En ziet, mijn kinderen roepen en mijn kleinkinderen roepen. En hoe langer het duurt, hoe meer het wordt en ik kom nooit klaar met deze taak. Toen zegde de oude; “Kijk eens, mijn vriend, een monnik heeft niet de vreugde, dat zijn kinderen leven. Ik heb heel wat kinderen gehad en meer dan mijn wettige gade wist zelfs en ik heb voor hen allen zorg gedragen. Maar de zorg voor hun kinderen heb ik aan henzelf overgelaten. Zo ken ik de voldoening van het vaderschap en toch de gelukkige bezinning, die gij, monnikje, niet hebt. Want gij denkt, dat ge alle dingen moet doen. Maar de waarbewuste doet niet alle dingen. Hij doet slechts dat, wat noodzakelijk is om de ervaring te verwerken.”

Ons monnikje ontwaakte. Ontwaakte direct na deze schone woorden en vroeg zich af; “Wat moet ik nu doen?” Ik zal het u vertellen. Ons monnikje is huisvader geworden, maar drie maanden in elk jaar is hij weer monnik. En zoals hij nu leeft, zo zal hij later leven, zich verdelende tussen de hooggeestelijke waarden en het stoffelijke, dat misschien lager maar toch zeker ook soms erenswaard is. Beter is de wijsheid.

Op het ogenblik dat wij monniken willen zijn, brengen wij er niets van terecht. Op het ogenblik dat wij proberen de verantwoordelijkheid te dragen voor alle dingen, brengen wij er ook niets van terecht. Maar als wij aanvaarden, dat onze aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid beperkt zijn en ook ons vermogen tot geestelijk stijgen, dan vinden wij gelukzaligheid en vrede. Dan kunnen oost en west samenkomen. Want het monnikje is het oosten, de huisvader, die hij later werd, is het westen. Het westen zorgt niet alleen voor het heden, maar ook voor de komende geslachten tot 1000 jaar verder, als het kan. De oosterling overpeinst en zorgt niet eens voor het heden, tenzij toevallig de noodzaak of de honger hem daartoe aansporen. Men leeft op dit ogenblik en dat is voldoende.

Geen van beiden kunnen zij geluk hebben. Het monnikje was steriel. Het bracht niets nieuws voort. Het had geen werkelijk leven, het bleef bij droombeelden, die niet te verwerkelijken waren. Het monnikje als huisvader trachtte te veel te doen, vond te veel om voor te zorgen, wilde te veel verantwoordelijkheid dragen en kon geen geluk vinden en geen vrede. Daardoor was het geestelijk leven steriel geworden. Maar degene, die beide dingen in zich wist te combineren, die kende de gelukzalige verheffing en vrede, die de monnik begeerde en gelijktijdig de vervulling van leven en een deelgenootschap aan de schepping, die de monnik verbrak.

Op deze manier moet de mens het leven zien. Oosten en westen zullen elkaar moeten aanvullen. De stellingen van het oosten alleen zijn voor de westerling niet genoeg; de stellingen van het westen alleen voor de oosterling slechts een vervloeking, waaraan hij dreigt ten onder te gaan, zodra hij er zich teveel aan vastklampt. Maar wie de weg weet te vinden tussen deze beide, wie oost en west in zich draagt, wie stoffelijke daad en geestelijke bestreving met elkaar weet te verenen, die vindt ware bewustwording en waar geluk.

En bovendien is er nog een punt. De mens, die geestelijk kan streven en stoffelijk leven, kan uit de geest de krachten putten, die nodig zijn voor de stof, maar ook uit de stof de krachten, die nodig zijn voor de geest.

Wanneer een waag in evenwicht is, registreert zij elke kleine verandering van druk. Zij is een nauwkeurig instrument geworden, dat alle variaties in de omgeving aangeeft. Maar hangt een schaal zwaar naar beneden, dan zal het wel heel moeilijk zijn haar evenwicht zo ver nog te beïnvloeden, dat zij reageert op de omstandigheden rond haar.

De evenwichtige mens, die stof en geest tegen elkaar balanceert, die wordt bewogen door elke wind van de oneindigheid. En geloof mij, rond ons gaan de stromingen van tijd, van ruimte van eeuwigheid, zo, dat zij ons telkens weer beroeren. Wie evenwichtig is, wie de balans heeft gevonden, die wordt voortdurend verrijkt. Want in elke kleine wijziging en elke compensatie, die hij daarvoor zoekt, vindt hij grotere kennis omtrent de waarheid. Datgene, wat onzichtbaar is, maar ons beïnvloedt.

Maar wee degene, die eenzijdig is. Hij zal menen, dat hij de wereld kent, want niets beroert hem, behalve zijn eigen wezen. En in zijn eigen wezen is hij gebannen uit alle plaatsen, uit alle oorden van vreugde.

Ziet ge, vrienden, dat is eigenlijk de werkelijkheid, zoals ik haar zie. De matigheid in alles is goed, maar ze moet worden gecombineerd met de praktijk. Het leven zelf is belangrijk. En als wij het leven juist leven, kan het nooit eindigen. Want op het ogenblik dat gij uw stoflichaam verliest en dus de geestelijke impuls zo sterk zou moeten worden, dat hij al overvleugelt, krijgt ge een redelijke belangstelling voor de stof. En zo is het geestelijke leven uw werkelijkheid. Maar wat eens uw denken is geweest, is nu uw werken in en uw ervaringen met de stof. En zo gaat ge verder, keer na keer.

Ik geloof, dat ge zult begrijpen en het misschien met mij eens zijn, dat op deze manier leven betekent; De ene kracht erkennen, die het evenwicht zelf is. Want uit de voortdurende wisseling van verschijnselen vloeit de waarheid. Maar wie de wisseling der verschijnselen tracht te verwerpen of te onderdrukken, die leeft in een begoocheling, waaruit geen bevrijding mogelijk is.

Vrienden, ik hoop, dat u ook mij zult willen verontschuldigen, wanneer ik misschien onjuist heb gesproken in uw ogen. Ik heb getracht u mijn mening te geven als een kleine aanvulling op voorgaande sprekers.

0-0-0-0-0-0-0-0

DE GULDEN MIDDENWEG.

De gulden middenweg, de gouden weg, die gelegen is tussen de tegendelen. Wanneer wij de weg gaan, die tussen alle uitersten ligt, dan kunnen wij ver komen. Wanneer wij de uitersten zelf zoeken, dan komen wij voor een grens, die ons het voortgaan belet.

Is het wel verstandig die gouden weg van het midden te volgen? Wij mogen ons niet teveel verheffen op hetgeen wij bereiken. Dat heeft in de eerste plaats geen zin, maar in de tweede plaats; Elk je verheffen op een bereiken, betekent verdere bereiking onderdrukken. En voortgaan is toch wel belangrijk. Wanneer je dat zou moeten uitdrukken in regels of in woorden, zou je het misschien zo mogen zeggen;

De gulden middenweg is; Verdedig je, wanneer men je bedreigt, maar slechts om jezelf te behouden. Wanneer iemand je schenkt, schenk verder, opdat niet jouw bezit vergroot wordt. Indien iemand je wijsheid geeft, aanvaard de wijsheid en beoordeel haar niet naar de bron, maar naar haar wezen, wanneer je meent arm te zijn, zie naar hen, die armer zijn, meen je rijk te zijn, zie naar hen, die rijker zijn. Erken ook, dat buiten je altijd een meerderheid bestaat; iets wat groter is dan jij, iets wat sterker is. Dan misschien kun je beseffen, hoe je zelf in het leven staat. Niet als rechter, niet als drager van een kruis, maar alleen als een mens te midden van mensen. Een mens met een eigen weg, een eigen taak.

Dit te beseffen, anderen hun waarheid te laten, je eigen waarheid te kennen en toch niet aan anderen op te leggen, dat is wel het belangrijkste op dit pad. Die weg gaat niet alleen door de dreven van de stof of zelfs van de vormensfeer. De gulden middenweg voert tot het hart van God, de kern van God. De uitingen, die rond ons zijn, zijn ten slotte allemaal maar beperkt in tegendelen. Datgene, wat zij samen vormen in ons, dat is God Zelf.

Wanneer wij het zo beseffen, dan is juist die gulden middenweg voor ons de werkelijke weg, de enige bevrijding en de enige oplossing. Een oplossing, die niet op rede of op geloof berust, maar die beide in zich bevat. Een oplossing, die niet berust op goed zijn of kwaad, maar eerder op een begrip, waarin beide een rol spelen. De weg van het gulden midden te gaan is dan ook wel voor ons zó belangrijk, dat ik het nog wil omschrijven op een andere manier.

Wanneer je de weg van het midden gaat, dan, heb je de haat al verloren. Liefde en genegenheid, zij zijn geen band, die bindt tot in oneindigheid, maar eerder sporen van het leven zelf.

Wanneer je zo spreekt van noodzaak en plicht, van volbrengen ten koste van al, dan toon je de wereld wat in jezelf de werkelijkheid worden zal van het “ik”. Als mensen spreken van plicht zonder grens, van iets wat staat boven wereld en mens, dan marcheren de legers, spuwt de hemel weer vuur, vernietigt de mens in onmenselijk uur meer dan de wereld in jaren kan scheppen.

Maar wanneer je aanvaardt – zonder haat – en je bouwt, dan hervorm je, dan wordt je de wereld vertrouwd en hernieuwt zij zichzelf voortdurend opnieuw. Dan geeft ze je krachten en rijkdom en machten, die je voor jezelf niet begeert en die daardoor juist vrijheid je schenken.

Het is in de vrijheid, dat de mens altijd leert om niet meer zichzelf maar God te gedenken. Zijn kracht, die leeft in het heelal. Zijn kracht, die spreekt in de kleinste daden en uitdrukt Zijn grote genade in stof en in geest, in de zon en het licht….in de duisternis ook.

God te erkennen is werkelijkheid, het andere begoocheling en waan. Men kan niet in werkelijkheid voortbestaan, terwijl men nog meent; Er is maar één recht of één plicht. Of: Op mij rust nog het recht van de haat en de plicht om te wreken. Wat dan ontstaat is waan, die men moeilijk kan breken.

De weg van het gulden midden is de weg naar de waarheid. Een waarheid, die niet berust op hetgeen buiten u bestaat, maar op hetgeen in u ontstaat. Hij is een weg naar God, omdat de goddelijke waarheid geopenbaard wordt in uzelf en nooit van buiten tot u komt. Hij is een weg naar algehele onthechting, omdat juist in de tolerantie, die de weg van het gulden midden kent, de oplossing wordt gevonden voor het zelf veroordelen, voor het je wreken op jezelf; in de plaats waarvan alle kracht kan worden gevonden voor een werkelijk en eeuwig leven.

Mijne vrienden, gij zegt de gulden middenweg. De gulden middenweg is te leven in jezelf voor jezelf. Wijsheid te aanvaarden uit de wereld en wijsheid te geven aan de wereld, maar altijd ommentwille van jezelf en nooit ommentwille van die wereld. Het klinkt misschien als egoïsme, maar het is het niet. Want slechts hij, die zichzelf werkelijk is, kan de wereld dienen in waarheid. Slechts wie in waarheid zichzelf tracht te zijn, wie uit de wereld niets eist en aan de wereld niets geeft, kan geven aan God en ontvangen van God.

De grote kosmische kracht is belangrijker dan de verschijnselen. Zolang je tot de uitersten gaat, neem je van de verschijnselen en geef je aan de verschijnselen. Dat is niet meer van belang. Boven de tijd staat dit ene; Een te zijn met je God en Schepper. Daartoe voert de weg van het gulden midden. En in die weg vindt Gods aanvaarding ook in de wereld zijn uitdrukking.

0-0-0-0-0-0-0

DROOM

Wanneer je droomt, leef je in een werkelijkheid, die teloor gaat zodra je ontwaakt. Maar wat is eigenlijk werkelijk? Heb je in de droom niet gelacht en, geleefd en geleden, zoals in de wereld zelf? Men zegt, dat de droom uit gedachten is voortgekomen; een spel van invloeden, van vergane dagen, van misschien nog prikkels, die het lichaam een ogenblik bereikten, terwijl het sliep. Maar is die werkelijkheid daarom minder? Is ze minder belangrijk, minder reëel? U heeft misschien gedroomd in beelden, die u stoffelijk niet eens geheel kunt begrijpen. Maar brengt ge ondanks dat niet soms de kracht en de vreugde mee uit de droom, of de vermoeidheid en de neerslachtigheid? Droom, mijne vrienden, kan werkelijk zijn. Werkelijker misschien dan wat gij werkelijkheid noemt. En het is daarom, dat ik dan droom als volgt wil omschrijven;

Droom, flitsend spel van beelden, voorbijgaand zonder reden, zonder rijm, en brengend soms mij in een toekomst. Of van het heden gaande tot het oerslijm, waaruit eens het eerste wezen hier ontstond.

Droom, gij, die in ‘t ontwaken tot de werkelijkheden verstomt en dra uw stem verliest en het begrip niet achterlaat, wat zijt ge meer dan leven?

Gij, werkelijkheid, die u beroemt, dat meer dan droom aan u continuïteit en voortzetting van alle waarden is gegeven, wat zijt ge meer? Is ‘t niet het leven zelf, dat werkelijkheid ons is?

Wanneer het hart wordt beroerd, wanneer angst u kwelt, of vreugde plots uw hart doet juichen, dan kent ge uwe werkelijkheid. En komt dan ook de droom of na ‘t ontwaken de realiteit u overtuigen, dat ‘t niet waar is, niet geschied…..voor u is ‘t waar. Dan is ‘t vergaan weer in het niet van het verleden.

Droom is alle leven. Een droom, waarin wij menen voort te gaan langs wegen, die God ons heeft voorgeschreven.

Droom, dat is met menen in onvolmaaktheid te bestaan, terwijl de werkelijkheid reeds lang voor ons geschapen werd, volmaakt en zonder grens.

Droom is het nog te streven als een mens, terwijl je toch reeds goddelijk aanzijn werd gegeven.

Droom, mijne vrienden, is de lering, waarin het “ik” zichzelf leert te leven en zichzelf te zijn. Die droom noemt mensheid leven soms en heden; soms slaap.

Maar elk beeld, dat in de mens kan ontstaan, spreekt God. In elke daad onverschillig of ze in droom of in de werkelijkheid bestaat vinden wij God te allen tijde weer. Al wat wij leven noemen, is zoeken naar en erkennen van God, niet meer.

Wanneer u dus droomt, droomt van dingen in uw bestaan van heden, of misschien geheimzinnig in de nachten, onbewust haast, vraag u niet af; Wat is de zin? Want een zin kunt u even weinig vinden in de springende beelden van een nachtmerrie als in de aaneenrijging van gebeurtenissen in het leven. Deze dingen hebben geen werkelijke zin, tenzij een tonen van God, een tonen van de waarheid, een openbaring van uw eigen wezen in de krachten, waarmee ge eeuwig en onveranderlijk verbonden zijt.

En als ge zo uw droom wilt gebruiken om het bewust ontwaken in de onveranderlijke werkelijkheid voor te bereiden, dan wens ik u toe; droom goed, droom wel en veel. Maar zoek achter de droom God en de werkelijkheid van uw wezen. Eerst dan heeft de droom of heeft het leven betekenis.