Kosmische geheimen

19 mei 1969

Er zijn in de kosmos natuurlijk zeer veel geheimen, waar we eigenlijk als mens en zelfs als geest soms heel weinig van af weten. Onze gast van vandaag is iemand, die zich speciaal met die geheimen heeft beziggehouden en die daardoor misschien juist iets valt buiten het gewone kader dat u van een gastspreker gewend bent.

Het is duidelijk dat iemand, die probeert door te dringen in de geheimen van het heelal, in de eerste plaats zich gaat afvragen wat zijn de structuren? Nu kent u geloof ik dat verhaal wel een klein beetje. Wij kunnen het heelal beschouwen als een structuur, waarbij een soort vijfde dimensie bestaat, welke hoofdzakelijk vanuit ons standpunt energetisch is. Die energie heeft dan bepaalde eigenschappen en kwaliteiten. Dat is heel kort en heel eenvoudig gezegd. Maar als wij zeggen ‘energie’, dan hebben wij daarmee eigenlijk niets bepaald. In energie zijn zoveel mogelijkheden, er zijn zoveel verschillende vormen dat wij, al is de gehele andere dimensie voor ons energie, daarin toch een oneindige verscheidenheid zouden kunnen aantreffen. Denkt u maar eens aan bv. plankton. Een naam voor ruim 300, soms meer, soorten van larvae, diertjes etc. Op dezelfde manier moet u denken aan deze energie. Die energie wordt gemakshalve over het algemeen onderscheiden, niet in bepaalde krachten, maar in persoonlijkheden. Dat we dat doen, is ook al weer menselijk. Door iets een naam en een gezicht te geven, menen we dat we het beter kennen. Maar wanneer wij met die krachten daar ergens te maken hebben, dan moeten deze krachten ook op ons inwerken. Of ze nu namen hebben of niet, ze moeten onze persoonlijkheid helpen bepalen en ze moeten in onszelf een zekere reeks mogelijkheden vertegenwoordigen.

Nu pretendeer ik niet dat ik alle kosmische geheimen heb doorgrond. Integendeel, ik weet dat ik pas aan het begin sta van een enorme ontwikkeling, een enorm onderzoek naar dat andere, dat vreemde, dat verkeerde uit menselijk standpunt, omdat het vormloos is. Wat kunnen we dan zeggen t.a.v. de mens, want dat lijkt me toch wel het belangrijkste. Dan zeggen we in de eerste plaats:

De mens bestaat uit een menselijk organisme met mechanische functies (althans mechanische reacties). Hij bestaat verder uit een denkend gedeelte, waarin energieën geleid kunnen worden, waarin een selectieproces bestaat, dat bewust, dat variabel is. Daarachter hebben we de geest in de verschillende voertuigen en krachten en daar weer achter hebben we de ziel. Wanneer we die ziel willen omschrijven, dan zeggen we ook: die ziel is energie. En om er een naam aan te geven: het is de goddelijke energie. Maar niet elke ziel behoeft te bestaan uit dezelfde soort energie. De basiswaarde is misschien wel gelijk, maar de verschijningsvorm kan geheel verschillend zijn. Dat is nu één van de punten, waarover onze gastspreker waarschijnlijk het een en ander te vertellen heeft en die ik daarom vanuit mijn bescheiden en minder bewust standpunt zou willen belichten.

Een ziel is een kracht. Maar aangezien er vele krachten nodig zijn om gezamenlijk het grote evenwicht te vormen dat wij goddelijk noemen of totale kosmos, zouden we ons kunnen voorstellen dat er vanuit ons standpunt gezien verschillende soorten zielen zijn, met een bijzondere attractie in een bepaalde richting, met ook bepaalde moeilijkheden t.a.v. weer andere zielen. Kortom, een situatie, waarbij evenwicht en conflict voortdurend kunnen voorkomen, zelfs op het hoogste niveau. Deze conflicten en evenwichten worden, naar ik aanneem, door ons niet bewust beleefd, tenzij we het allerhoogste bewustzijn hebben bereikt. En aangezien we dan de functie van het geheel kunnen begrijpen, wordt het aanvaardbaar. Maar die aanvaardbaarheid betekent nog niet dat daardoor het fenomeen verandert. De één houdt van scherpe spijzen, de ander niet. Nu kun je zeggen: Als ik nu eenmaal weet waar het goed voor is en hoe prettig het is om het te eten, dan is het voor mij aanvaardbaar geworden, maar de spijs blijft even scherp. Het is uw eigen houding t.a.v. de spijs die u kunt veranderen, maar helemaal niet de kwaliteit zelf.

Nu geloven we dat dit evenwicht van zielen, zich niet alleen beperkt tot de mensheid. We hebben zo het idee dat er grote parallellen bestaan, waarbij we mensen zelfs zouden kunnen vergelijken met krachten als sterren of misschien zelfs heersers van een bepaald deel van een materiële of geestelijke kosmos. Het denkbeeld is natuurlijk op zichzelf een beetje vermetel, maar de geaardheid of de trilling is dezelfde. Indien ik behoor tot een bepaalde ontwikkelingsgang, dan kan ik geen enkele andere ontwikkelingsgang volledig aanvaarden, tenzij als compensatie om een evenwicht te bereiken of als weerstand om daardoor mijzelf te bewijzen. Behoor je tot zo’n bepaalde reeks of keten, dan zal ook in je eigen persoonlijkheid die trilling en daarmee ook een contact, een resonantiemogelijkheid aanwezig zijn t.a.v. alle andere wezens, die tot dezelfde trilling behoren.

Als je die hele kwestie dan verder gaat ontleden, dan blijkt dus dat de ziel met deze trilling (het is maar vergelijkenderwijs gebruikt, ik weet er geen beter woord voor) niet alleen een deel van haar eigen geaardheid en haar eigen noodzaak heeft bepaald, maar ook een groot gedeelte van haar mogelijkheden op geestelijk terrein. En dan trekken wij onmiddellijk de consequentie daaruit en zeggen:

In het proces van de innerlijke bewustwording zal de mens gebonden zijn aan de basiswaarden, die in zijn eigen ziel is gelegen en hij zal zijn steun en ook zijn bewustwording vinden middels contact met of werking van de krachten, waarmee hij direct harmonisch is. Dit houdt ook in dat zielen dus heel verschillende gezichts‑ en standpunten zullen hebben. En als ik onze gastspreker goed heb bekeken (ik heb hem al een paar keer ontmoet), dan heb ik zo het idee dat hij zal gaan spreken over duivels en demonen aan de ene kant en engelen aan de andere kant. Hij zal proberen te bewijzen dat het gelijkwaardige zielen zijn, alleen afgestemd op een andere golflengte.

Indien ik dat afstemmen op golflengte voor de ziel accepteer, dan moet ik verder aannemen dat dit ook geestelijk zal bestaan. Want de geest is bewustzijn, ontstaan rond die ziel, zij draagt in zichzelf ook energie, maar die energie zal mede ontleend zijn aan die ziel (punt l) en (punt 2) het bewustzijn zal selectief zijn door de geaardheid van de ziel. We komen dus aan de vraag of de geest en alle incarnaties van die geest niet eigenlijk eenzijdig zijn. Je hebt wel mogelijkheden, maar die mogelijkheden zullen beperkt blijven tot de basistrilling (basisenergie) en wat meer is: je eigen wereld zal voor jou ook bepaald worden door die basiswaarde.

En nu kom ik tot een punt dat de gastspreker waarschijnlijk niet zal aansnijden, maar m.i. toch wel belangrijk is om een beetje door te dringen in al hetgeen hij zal vertellen.

Indien ik harmonisch ben met een bepaald iets op de wereld, dan zal me dat meer aanspreken dan al het andere. Ik zal het dus bij voorkeur zien. Over andere dingen kijk ik heen. We kunnen ons voorstellen dat iemand voor bepaalde kleuren blind is, dus niet volledig kleurenblind, maar selectief voor bepaalde kleurwaarden. Dan zal die mens automatisch worden getrokken in zijn kleurgevoel, maar vaak ook in zijn sentiment, naar de kleuren die hij wel kan constateren. Hij krijgt dus t.a.v. het geheel een verschoven waardering. En als je hem zou vragen om een landschap te beschrijven, dan zouden daar bepaalde punten uitspringen, want die hebben kleur; de rest is wat grijzig, maar dit heeft kleur. Op dezelfde manier zien wij kleur in ons bestaan, in onze wereld en ook in ons geestelijk leven daar, waar wij harmonisch zijn. En ik geloof dat niet alleen de bewustwordingsgang hierdoor wordt bepaald en ook de mogelijkheid misschien, maar dat daarnaast ook in het bewustzijn de betekenis, die wij hebben in de totaliteit, bepaald zal worden.

Het is heel mooi te zeggen dat alles tenslotte een evenwicht is. Maar zolang we dat niet zelf ervaren, zullen we er niet al te veel aandacht aan besteden. Wanneer ik dus die evenwichtigheid niet kan beseffen, dan moet ik weer verdergaan met mijn conclusies en consequenties en zeggen: de mens zal aan de hand van de eigen trillingswaarde van zijn ziel, dus in het leven een bijzondere affiniteit vertonen voor bepaalde aspecten van het leven en bepaalde verschijnselen. Dit betekent dat (en nu denken we even aan karma) het geheel van zijn stoffelijke incarnaties gebaseerd zal zijn op deze eigenschappen van de totaliteit. Het betekent ook dat zijn eigen ervaren en beleven daartoe beperkt blijven. Geen onbeperkte incarnatiemogelijkheid, maar wel degelijk een selectiviteit, die door de grondwaarde van je eigen wezen mede wordt aangeduid.

Het is natuurlijk wel geen absolute lotsbestemming of voorbeschikking, maar het is toch wel een vrijheidsbeperking. Wanneer ik nu ook nog ga aannemen dat in de materie, maar ook in denkbeelden, zelfs in woorden, in klanken affiniteiten met bepaalde z.g. trillingen kunnen bestaan, dan zal ik mij aangetrokken gevoelen tot die aspecten van het leven, van de muziek, van de literatuur, die behoren bij mijn wezen. Daarin zal dan een heel grote verscheidenheid mogelijk zijn (je kunt dus net zo goed “pulp” hebben in je eigen richting als literatuur, en je kunt de mooiste klassieke muziek hebben als hatchiekidee), maar het blijft in je eigen genre. En dan zou ik nog verder moeten gaan en zeggen: Deze genre‑gevoeligheid verandert dus niet. We zijn eraan gebonden. Je uitdrukkingsmogelijkheid ligt binnen het genre. Zodra je erbuiten probeert te werken, loopt er iets mis. Dat is heel erg belangrijk want wij menen nu wel, dat iedere mens dezelfde krachten zal bezitten en dezelfde innerlijke mogelijkheden, maar het is dus kennelijk niet zo. We doen alsof. Wanneer ik dus met een medemens in contact kom en ik probeer van die mens iets te leren of aan die mens iets te leren, dan zal alleen dat gedeelte, dat toevallig nog enigszins harmonisch is misschien kunnen doordringen. Maar zodra die harmonie niet bestaat, hoort de ander uit mijn woorden een totaal andere betekenis. Hij hoort voor zichzelf volkomen logisch, aanvaardbaar en redelijk iets totaal anders dan ik bedoel. Als dat mogelijk is in het spreken, moet dat ook mogelijk zijn in de gedachtenuitstraling.

Wanneer een medemens denkt, dan zal ik – naarmate ik zelf meer bewust en gespecialiseerd ben – ook bewuster reageren op de harmonieën en eventueel disharmonieën die in onze basiswaarde liggen. Sympathieën en antipathieën kunnen natuurlijk materieel verklaard worden voor een groot gedeelte. Maar daarnaast zijn er bepaalde tegenstellingen of attracties, andere delen van reageren, waarvan je moet zeggen: die zijn eigenlijk bepaald door wat ik in die ander erken of afwijs. Ik kan daar niets aan doen. Je kunt dus niet bepaalde stellingen eenvoudig aanvaarden en ermee werken, omdat ze toevallig mooi en logisch zijn. Want op een gegeven ogenblik gaat het niet; het past niet meer bij je. Je komt direct in strijd met ieder ander die een dergelijke leer zou bestuderen en aanhangen. Je kunt in je leven bepaalde dingen doen, omdat iedereen ze doet, maar je kunt er niet gelukkig mee zijn. Anderen kunnen niet gelukkig zijn zonder die dingen. Hier ligt dus wel een verklaring voor een hele hoop strijdigheden en schijnbare strijdigheden in onze ontwikkeling. Innerlijk betekent dit ook, dat ik dus mijzelf niet kan veranderen, maar dat ik alleen mijzelf kan aanpassen aan de meest harmonische mogelijkheid, die voor mij krachtens mijn grondkarakter, mijn wezen bestaat. Ik kan dus nooit alles bereiken.

Wil ik God zien in mijzelf, dan kan ik God alleen zien zolang die God voor mij harmonisch is met de grondwaarde, waaruit ik ben opgebouwd. Alle andere bestaansvormen of uitingen van God zijn voor mij onkenbaar. Nu zal het u wel duidelijk worden waarom iemand, die bezig is om het heelal te doorvorsen en probeert alle sferen te ontleden, op een gegeven ogenblik toch wel eenzijdig zal blijven. Ik zeg dat, omdat onze gastspreker u misschien het beeld zal geven van iemand, die alles weet. Maar krachtens zijn eigen theorieën en stellingen is hij beperkt. Hij is net zo goed gebonden aan die harmonische grondwaarde als u of ik, als iedereen. En het is heel belangrijk, als u luistert dat u niet zegt: dit is de openbaring. Maar dat u zegt: als mij dit een openbaring lijkt, is dit een harmonie. Er zijn er trouwens voldoende onder u, die dat ook met gastsprekers meemaken. Waarom slaat de ene gastspreker zo ontzettend goed aan, echt zo’n gevoel vanbinnen, terwijl de andere u niets kan zeggen? Die gastspreker is heus goed. Hij heeft heus een hoge geestelijke waarde. Maar behoort hij wel tot dezelfde basistrilling? Is die basistrilling gelijk, dan krijgen we een absolute overdracht. Nu kan het ook zijn dat twee waarden antithesen zijn (de tegenstellingen dus). Tegenstellingen kunnen voor elkaar een evenwicht tot stand brengen; ze kunnen elkaar niet opheffen. Maar wel elkaars werking, elkaars stuwing tijdelijk opheffen en daardoor rust veroorzaken.

Als wij vrede zoeken, dan moeten we dat nooit zoeken bij de krachten, die volledig harmonisch zijn met ons, zo vreemd als het klinkt. Dan moeten we krachten hebben die aan de onze tegengesteld zijn. Deze confronteren ons met werkingen en waarden, die we – hoe eenzijdig we ook interpreteren – dan toch beleven als iets, waardoor uiting overbodig wordt.

Onze gastspreker is iemand, waarvan we werkelijk wel mogen verwachten dat hij zal trachten zoveel mogelijk al die hiaten te overbruggen. Maar voor u zal hij in vele gevallen een antithese zijn. Dan is wat nodig is niet in de eerste plaats begrip, maar in de eerste plaats: vrede, rust. Rust waardoor je in jezelf de beschikking krijgt over die energie, die je normalerwijze naar buiten toe uitstraalt.

Wanneer je dat nu allemaal zo bekeken hebt, dan moet je – volgens mij – dat Al een beetje anders gaan bezien. We zijn geneigd te zeggen: De mens is ergens ook een privé heelal. Alles wat erbuiten bestaat, bestaat in hem. Maar dat geldt dus alleen voor de hiërarchie of beter gezegd de trilling, waartoe hij behoort. Al het andere bestaat niet in hem. Wij kunnen in onszelf slechts erkennen of creëren wat tot onze grondgeaardheid behoort. Beseffen we dat niet, dan willen we vaak teveel. Wanneer wij anders willen zijn dan we werkelijk zijn, dan zullen we altijd vastlopen. En naarmate dat esoterisch meer naar binnen toe gericht is, zal de problematiek groter worden, want dan moeten we een deel van onze eigen kracht uitschakelen. We moeten de harmonische waarden en daarmee onze mogelijkheden, niet alleen van erkenning maar ook van het ontvangen van krachten, het werken met krachten, het uitstralen van kracht, onderdrukken.

Dan zou ik daarop wel een raad willen geven. In de eerste plaats: Aanvaard de volle bestaanswaarde, het volle bestaansrecht van alles wat u ziet, maar werk met datgene wat voor u harmonisch is. Laat het andere rusten. In de tweede plaats, begrijp dat uw eigen wordingsgang – door vele incarnaties heen desnoods, plus uw bestaan in sferen – gebonden is aan hetgeen ook nu in u de dominerende, harmonische factor is. Geen verandering, alleen intensifiëring en op den duur beter begrip. In de derde plaats: U kunt alleen samenwerken met krachten, die óf uw volledig tegendeel zijn voor het verkrijgen van rust, stilstand, vrede óf met de krachten die volledig met u harmonisch zijn: het bereiken van krachten, inwerking naar buiten toe. Inwerking naar buiten toe kan alleen in overeenstemming met uw eigen geaardheid en grondwaarde geschieden.

Sferen die u kunt betreden (of dit nu is na de overgang of tijdens een uittreding) worden bepaald door de grondwaarde van uw eigen wezen. U zult dus nooit de totaliteit van geestelijke werelden erkennen en doorvorsen, doch slechts die delen van het Zijn, die met u persoonlijk harmonisch zijn.

Dan moeten we een stap verdergaan en komen we vanzelf op het gedachteleven. Esoterie heeft eigenlijk veel meer met het menselijk gedachteleven te maken dan met het zielenleven zolang je op aarde bent. Want de esoterie is ergens een denkproces. Via dat denkproces komt er een zekere emotie op gang en daardoor komen er belevingen, die dan boven het rationele kunnen uitgaan; maar we beginnen altijd met denkprocessen.

Laten we nu eens redelijk zijn en proberen te zeggen wat dat denkproces inhoudt. In de eerste plaats: Wanneer ik denk, baseer ik mij op mijn ervaringen. Mijn vertaling voor invloeden, die ik ontmoet, zal altijd zijn in de termen van mijn ervaringen. Wanneer u iemand met een vreemd accent ontmoet en u heeft veel met Fransen te maken gehad, dan zijn het Fransen. Heeft u veel met joden te maken gehad, dan zijn het joden, enz. De bepaling of definitie van de kracht die wij ontmoeten in ons denken, bepaalt voor 9/10 de uitingsmogelijkheid van die kracht. Het is heel belangrijk, dat u dat beseft. Want wanneer ik een geestelijke meester ontmoet, (dat komt misschien nogal eens voor, ook u zal er weleens last van hebben, vrees ik) dan ben je geneigd om aan te nemen: die geestelijke meester kan dat allemaal precies vertellen. Maar dat is niet waar. Hij kan het alleen vertellen in de termen die in mij aanwezig zijn. Onthoudt u dat goed. Hij kan het verder alleen vertellen in overeenstemming met mijn eigen harmonische factoren. Hij kan eventueel een beroep doen op wat er in vorige incarnaties van mij is gebeurd, maar dan altijd nog in overeenstemming met mijn persoonlijke afstemming, ook in het heden. Dit is heel belangrijk. Want anders ga je denken: wat die meester zegt is allemaal goed, dat is in orde, daar behoef ik niet over te denken. Maar je moet juist denken.

Als ik een probleem moet oplossen (dat komt in de esoterie ook weleens voor), dan zal ik dat probleem in de eerste plaats vertalen in mijn eigen termen. Geen mens kan een probleem oplossen in de termen, waarin het gesteld wordt, zodra het esoterie betreft. Hij kan het alleen vertalen in zijn persoonlijke waarderingen en termen en dan pas is het op te lossen. Dat betekent dat onze gehele innerlijke bewustwording met alle beelden die erbij te pas komen, met alle belevingen, met alle symbolen en uitdrukkingen in feite terug te voeren is tot ons eigen ‘ik’ en wat daarin bestaat.

Nu zijn we kosmisch gezien natuurlijk enorm groot en enorm klein tegelijkertijd. We omvatten een eeuwigheid en we zijn t.a.v. de oneindigheid een eeuwig vliegenpoepje, meer niet. Maar in het grote dat wij zijn, zijn we gelijktijdig zo beperkt, dat we alleen de verbinding kunnen vinden tussen primaire oorzaak en uiteindelijk gevolg. Al wat ertussen ligt, gaat ons voorbij.

Ik stel: Wanneer ik in mijzelf doordring, heeft het geen nut mijzelf te vergelijken met buiten mij gestelde theorieën. Ik zal deze immers volgens mijn eigen waardering vertalen en daardoor t.a.v. een systeem altijd onjuist maken. Ik kan slechts mijzelf ontleden en erkennen aan de hand van mijn wezen. Het gaat er niet om te weten hoe ik in elkaar zit. Het gaat er wel om te beseffen hoe ik – gezien vanuit mijzelf – reageer op alle waarden die ik in mijzelf besef. Dan lijkt het wel of je heel erg geïsoleerd bent. Ik kan mij dit ook voorstellen, want wie dus alleen maar in zichzelf kan beleven en dan nog alleen zichzelf kan beleven, die zal misschien het gevoel krijgen: ik sta helemaal los van alles. Maar ik trek alles wat mij enigszins harmonisch is aan; ik trek het naar mij toe. Om die aantrekking – op welk terrein of niveau dat ook geschiedt – de juiste inhoud te geven, zal ik in de eerste plaats mijzelf moeten zijn. Maar in de tweede plaats zal ik de ander moeten accepteren, zoals hij zich voor mij begrijpelijk uitdrukt. Als ik nu heel ver in mijzelf doordring, dan krijg ik ook het gevoel dat ik contact heb met andere krachten, met andere waarden. Maar dan kan ik ook niet zeggen: Zo ben ik. Ik moet eenvoudig zijn. Ik moet de ander niet gaan beoordelen en zeggen zo ben jij. Ik moet de ander aanvaarden zoals hij is. In deze aanvaarding ontstaat dan, wat wij noemen, een gedeelde voorstellingswereld.

Een gedeelde voorstellingswereld betekent niets anders dan dat we behoren tot dezelfde basiswaarde, of misschien tegengestelde basiswaarden, dat kan ook. En daardoor zullen wij voor alles wat wij in onszelf dragen bij de ander een soort echo (antwoord) ontdekken. Dit betekent dat de ander door zijn beantwoording een nieuwe dimensie toevoegt aan onze persoonlijke beleving en waardering. En omgekeerd, dat wij het voor die ander doen. Er is dus geen sprake van een werkelijk isolement. Er is alleen sprake van een grens. Een grens van persoonlijkheid misschien. Je kunt een andere mens ontmoeten. Je kunt met die andere mens desnoods een heel leven optrekken. Je kunt elkaar volledig aanvoelen en aanvullen, maar er blijft een grens bestaan. Er ontstaat geen identiciteit. Er ontstaat slechts een gedeelde harmonie. Harmonie is nog geen ervaring. Dit betekent ook weer: een harmonie bestaat voor ons eigenlijk als iets dat niet meer teloor gaat. Of u nu met een mens een dergelijk contact heeft gehad voor één ogenblik of voor een eeuwigheid, blijft precies hetzelfde. Omdat het nl. niet gaat om de vermenging van persoonlijkheden zoals de mensen vaak verkeerd aannemen, maar het gaat om de overdracht van iets – een gedeelde harmonie. Er is een waarde, die wij in de eeuwigheid, in het totaal van alle zijn, gemeen hebben. En daardoor zullen wij wat dit punt van harmonie betreft, op elk niveau, in elke wereld, in elke sfeer, in de tijd of in tijdloze ervaringen, van elkaar overnemen. We zullen die volgens ons eigen wezen blijven interpreteren, dat is logisch, maar we krijgen dus een extra dimensie erbij.

Nu zult u van onze gastspreker zo dadelijk wel het een en ander te horen krijgen over wat hij dan noemt de harmonische legioenen en zo. Hij gaat uit van het standpunt: Er zijn een groot aantal krachten in de kosmos, die harmonisch zijn, die behoren tot wat we zouden noemen: een hiërarchie. Wie tot die hiërarchie behoort, die stelt zich op als een eenheid t.a.v. elke andere hiërarchie. De hiërarchie, ofschoon samengesteld uit vele persoonlijkheden, fasen en ontwikkelingen gedraagt zich t.a.v. elke andere hiërarchie als een persoonlijkheid. Zodra hiërarchieën elkaar ontmoeten, tellen de delen van de hiërarchieën niet meer, maar alleen het totaalbeeld ervan. Hij zal waarschijnlijk proberen (dat neem ik tenminste aan) duidelijk te maken, hoe dat dan weer aanleiding kan zijn tot het ontstaan van heelallen, sferen en werelden en wat erbij behoort. Dat mag hij zelf doen, daar zal ik mij niet in mengen. Daar weet ik te weinig van. Wat ik wel wil zeggen is dit:

Voor ons, persoonlijk, is dit nooit helemaal waar. Vanuit de hiërarchie bezien, is de eenling onbelangrijk. Maar de eenling beschouwt zichzelf altijd als belangrijk, ook als hij deel van de hiërarchie is. En hij wil misschien t.a.v. de hiërarchie een belangrijkheid verwerven, desnoods door een zekere opoffering van zichzelf, maar doet dit eigenlijk met het gevoel zichzelf dan juist als persoonlijkheid in die hiërarchie te continueren. Omdat dat het geval is, moeten we vanuit ons eigen standpunt redeneren, vind ik. Wanneer we in onszelf gaan, dan komt er een ogenblik dat we zeggen: We moeten ons oplossen in het grote, we moeten ons opofferen. Dan zeg ik: dat is allemaal heel aardig. Vanuit het hogere gezien, is dat volledig juist. Maar ik kan dit alleen doen, indien ik ook zelf ja en amen zeg, niet omwille alleen van de hiërarchie, maar ook op grond van mijn eigen wezen, mijn eigen persoonlijkheid. Doe ik dat niet, dan vervals ik mijn belevingswaarde. Want als ik mijn belevingswaarde vervals, dan zal ik voor mijzelf nooit een deel kunnen zijn van die hiërarchie, bewust en harmonisch.

Iemand kan iets opofferen voor totaliteit om er meer deel van te worden, maar stelt hij een voorwaarde, die eigenlijk tegen zijn wezen indruist, dan is hij voor zijn eigen besef (en dus ook in eventueel latere incarnatie of in sferen of werelden) minder deel van het geheel. U moet dus nooit proberen de zaak te forceren. U moet het altijd heel kalm aandoen.

Wanneer je dan zo te maken krijgt met goden en demonen, engelen en de hele rataplan, dan is het dus geen kwestie van, wat bent u? Maar wat is onze relatie? Hoe bent u voor mij? Dat is bepalend. En dat is toch eigenlijk heel logisch. De God van de één is de duivel van de ander. Het is een persoonlijke relatie. Dit zal niet alleen gelden – dat moeten we heel goed begrijpen – op de wereld t.a.v. verschijnselen en magische inwerking, dat geldt ook in mijzelf. Ik kan krachten ontmoeten die voor iedereen misschien gevaarlijk of demonisch zijn, maar ik ben harmonisch ermee; daardoor valt de demonie weg. Er is voor mij een erkenning, een mogelijkheid om er kracht uit te ontvangen. Er is voor mij een mogelijkheid daarmee en daarin te werken. En misschien kun je dan een geheel heelal scheppen, wie weet. Het zal een eenzijdig heelal zijn en voor een ander zal het demonisch zijn of misschien engelachtig, maar het is mijn heelal. Het is mijn interne reproductie van de mogelijkheden, die ik vanuit mijzelf in de kosmos veronderstel. Dus niet die er zijn, maar die ik veronderstel. Dan zou ik nog één stap verder willen gaan:

Daar er geen enkel vaststaand en algemeen criterium gehanteerd kan worden t.a.v. goed – kwaad, goden – demonen, aanvaardbaarheid of verwerpelijkheid en alles kan worden herleid tot ofwel eenheid (harmonie) dan wel tegenstelling (en daardoor rust), zal ik voor mijzelf de krachten moeten bepalen en definiëren en kan ik nooit een definitie of bepaling omtrent krachten van anderen accepteren. Het is heel erg belangrijk dat u dat begrijpt.

We zijn zo gemakzuchtig. Iemand zegt ons: dat is God. En dan zeggen we: God, halleluja, geloofd zij de Heer. Dan komt er een ander, die zegt: Dat is de duivel. Dan zeggen we: Heer, bescherm ons. Dat is onzin. We moeten ook in onszelf niet bang zijn voor vuur. Vuur kan voor ons hetzelfde zijn wat water voor een ander is: een verfrissing. En dat water, wat voor een ander de grootste zegen is, kan voor ons een vloek zijn. We moeten niet bang zijn voor de innerlijke wereld, die je ontmoet. Maar we moeten trachten te begrijpen hoe zij in ons – want ze moet ergens harmonisch zijn met ons, anders zou ze niet kunnen bestaan – als harmonie kan bestaan. En dan kom je vanzelf uit je isolement. Niet omdat je nu plotseling iedereen ziet zoals hij is, maar omdat je iedereen die harmonisch inwerkt op jezelf in jezelf herschept. En dat is dan meteen mijn eindthese voor deze inleiding.

Alles, wat voor mij harmonisch is in de wereld buiten mij, herschep ik, vorm ik om tot het voor mij een aanvaardbaar deel van mijn leven en in feite van mijn werkelijke wezen wordt en herschep zo de waarde, waarmee ik harmonisch ben buiten mij, in mijzelf als onvervreemdbare waarde.

Ik weet niet of u begrijpt wat dat betekent? Het betekent dat je iets wat je werkelijk hebt altijd van jou is, volgens de normen van je eigen wezen. Het betekent dat datgene wat je niet werkelijk kunt aanvoelen als bezit, al heb je het ook tienduizend keer op aarde – nooit je werkelijk bezit kan worden, niet in de eeuwigheid. Het is heel belangrijk dat u leert dat onderscheid te vinden. Want met alle mooie theorieën over de geheimen van de kosmos en alles wat erin zit, word je zo gauw blind voor jezelf. Het is natuurlijk veel mooier om te spreken over de heelallen die uitdijen – over de vele wervelingen in de kosmos – de meer dimensionale stormen en alle projecten daarvan. Het klinkt erg gewichtig. Maar hoe gewichtig het ook klinkt, ze kunnen voor ons alleen waar en werkelijk zijn in zoverre ze deel zijn van onszelf en wij ze in onszelf als een feitelijke werkelijkheid kunnen herscheppen.

U schept uw eigen wereld. En alle geheimen van de kosmos zijn voor u alleen maar dan van belang, indien ze u persoonlijk raken; indien u ze in uzelf een betekenis kunt geven. En die betekenis is altijd een actieve. Er bestaat geen passieve betekenis. Er bestaat geen kennis die je alleen maar opneemt en die verder niets doet, ter ener zijde of ten andere zijde. Er bestaat alleen iets, wat deel wordt van jezelf en waardoor je zelf a.h.w. je benadering van het bestaan en het leven verandert. Het gaat niet om de formulering ervan of om de vorm of de gestalte of welke waarde dan ook. Het gaat niet om de stoffelijke wereld of de hoogste sfeer, het gaat erom dat het in jezelf actief is. En dat kan alleen gebeuren, indien je het – hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk – in jezelf herschept. En daarmee heb ik eigenlijk hetgeen ik mij voorgenomen had te vertellen zo ongeveer gezegd.

Ik kan mij voorstellen dat men zegt: het is allemaal zo ingewikkeld. Want dingen zijn ingewikkeld, indien we proberen er iets anders van te maken, dan we er zelf van begrijpen. Misschien dat ik daarover nog wat mag zeggen.

Wanneer je luistert naar iets of naar iemand, innerlijk of hier, dan kun je zeggen: het is verward. Omdat je erachter zoekt wat die ander misschien zou kunnen bedoelen. Maar als je dat doet, dan is dat al nutteloos. Het is een denkoefening. Maar werkelijk luisteren, het werkelijk opnemen van een geestelijke lering bv., bestaat in het herkennen van bepaalde dingen. Je zegt: Hé, dat heb ik ergens altijd toch wel gevoeld, dat spreekt me aan. Dan is het goed, dan is het voor u. Al het andere, rustig laten liggen. Ook niet overgaan tot geklets, dat is helemaal niet nodig. Als je op een gegeven ogenblik iets hoort en je denkt: dat is wat voor mij, dan is het natuurlijk heel leuk te zeggen dat heb ik altijd zo gevoeld. Maar dan is de vraag In hoeverre heb ik daarmee reeds iets gedaan? Het is nl. nooit zo dat je iets krijgt dat helemaal nieuw is. Je krijgt soms een uitleg voor iets wat je tot nu toe, zoals je het zelf noemt instinctief, dus eigenlijk zonder te weten waarom – hebt gedaan. Nu heb je de uitleg, dus nu kun je het beter doen. En het is nooit zo dat je een gave krijgt die je nog nooit gehad hebt. Het is altijd datgene wat in jezelf is ontstaan, de vormen die je kent in jezelf, dat wereldje, de mogelijkheid, de verhoudingen die je erkent, die dus bewuster worden gemaakt en daardoor beter kunnen worden gebruikt. Zoek daarom, indien u meent iets te herkennen of indien u daar zo’n eigenaardige reactie bij krijgt, in uzelf. Wat betekent het, hoe associeer ik het? Dan heeft u waarschijnlijk ook een aanduiding voor de manier waarop u voortaan de opgedane kennis bewuster kunt gebruiken.

Het is heel leuk om met al die hiërarchieën te kunnen bezig zijn. Maar zelfs die hiërarchie is geen hiërarchie in menselijke zin. Het is alleen maar de aanduiding voor een zekere vorm van samenklank, van gelijkheid, van eenheid op verschillende niveaus. Dus als je daarmee bezig bent, dan kun je toch niets veranderen. Maar je kunt wel iets veranderen door te zeggen: Hé, dat heb ik in mijzelf al begrepen, nu kan ik het beter. En als je dat gaat beseffen, dan zal je ook vinden dat je hele benadering van problemen in het leven, van medemensen, dat die eigenlijk moet worden losgemaakt van de gewrongenheid van voorstellingen en bepaalde beredeneringen. Het is allemaal nutteloos. Want wat er in jou bestaat, wat je dan probeert over te dragen, kun je toch niet helemaal overdragen. Je kunt alleen de harmonische waarde overdragen. Vraag je af, als je met een probleem bezig bent. Wat is dat voor een probleem? Hoe heb ik dat vroeger al eens teruggevonden? Wat weet ik ervan? Pas die kennis toe, dan komt u verder.

Werkelijke esoterie en ook de hoogste geestelijke leringen komen eigenlijk altijd weer neer op toepassing van iets, wat in jezelf bestaat, maar waarvan je je meer bewust wordt. En dat zal ook zo zijn, wanneer u esoterisch zelf wilt leren streven en denken. U moet uitgaan van wat u bent, wat u hebt, wat u erkent. Alleen uit jezelf kun je een groter besef opbouwen. Je kunt het nooit op grond van de waarden, termen of zelfs krachten van anderen zonder meer verkrijgen. Het is een persoonlijk groeiproces. Ga uit van jezelf, doe het op een praktische manier en je wordt ook innerlijk zeer snel bewust. Daar zou ik het bij willen laten.

Denk er eens over na. U zult het misschien nog eens een keer moeten herkauwen. Streep dan eens aan wat je precies aanspreekt uit dit alles. Als het niets is, leg het voortaan opzij. De regels die je aanstreept, die je zeggen: dat treft mij, dat raakt mij, ga ze eens na, hoe zou dat in het verleden in mijn eigen beleven en ervaren passen. Dan weet u wat u ook in de toekomst ermee kunt doen. Dan hoop ik op die manier niet alleen een zekere inleiding te hebben gegeven voor onze gastspreker van vandaag, maar gelijktijdig iets te hebben bijgedragen voor uw persoonlijk succesvolle werkzaamheid in het leven, esoterisch en anderszins.

De Gastspreker

De kosmos is een eigenaardige constructie, waarin het niets zelfs nog betekenis heeft, eigenschappen bezit. Kortom, alle dingen die kenbaar zijn hebben betekenis. En achter al het kenbare schuilen steeds weer nieuwe vista’s, totdat je je afvraagt waar eigenlijk het Zijn ophoudt? Wij allen zijn gebonden aan de structuur van de kosmos, waartoe we behoren. En zo zijn niet alle wegen die wij kunnen gaan ter bewustwording dezelfde, maar we hebben toch bepaalde krachten die voor bijna alle mensen dezelfde zijn. Er bestaan dingen die je op aarde misschien omschrijft met liefde, genegenheid of vriendschap en die kosmisch gezien het best kunnen worden uitgedrukt als harmonie. Nu blijkt dus dat ofschoon wij niet voor eenieder een dergelijke emotie kunnen ondergaan, wij een dergelijk besef kunnen koesteren en de emotie op zichzelf praktisch voor ieder mens een gelijke waarde heeft. Eigenlijk zou ik voor u een schema moeten kunnen tekenen, maar bij gebrek aan mogelijkheid en middelen zal ik proberen het duidelijk te maken met wat gebaren.

We hebben hier de kosmos, onbepaald in vorm. In die kosmos zijn banen van kenbaarheid. Denk aan een duisternis doorsneden door een lichtbundel, waardoor al wat daarin is, tot het kleinste stofje toe, zichtbaar wordt. Er zijn vele van die bundels, maar ze worden gescheiden door een zekere duisternis. Die duisternis is voor ons niet alleen maar duister, ze is onbegrip, het onoverschrijdbare, het onoverbrugbare. Wij behoren tot één van die bundels. Al wat in die bundel bestaat, kunnen we zien, dat kunnen we beleven, dat is onze weg naar de bewustwording. Maar wat blijkt nu? Er zijn in al die bundels op een bepaald moment iets wat je als een soort lijn zou kunnen zien. Die lijn valt natuurlijk in het onkenbare voor ons weg, maar zij blijkt kenbaar te zijn in alle andere lichtbundels. En daardoor spreken wij dan van een gedeeltelijke resonantie tussen op zichzelf vaak niet-­harmonische waarden.

Men heeft mij verzocht om dit eenvoudig te houden. Ik vrees dat ook hier moeilijkheden zullen rijzen. Want datgene wat de één eenvoud noemt, is voor de andere reeds verward. En wat verwarring is voor hen die veel kunnen doorzien, is misschien een klare eenvoud voor degenen die niet zover gevorderd zijn. Wanneer ik dus tracht mij aan te passen, zo zult u mij willen vergeven, indien ik misschien hier of daar voor u te eenvoudig of te verward schijn te spreken.

Wanneer er een resonantie kan bestaan op grond van een bepaalde eigenschap, een bepaalde benadering, dan houdt het in dat alle op zichzelf dus niet harmonische krachten op dat punt tijdelijk harmonisch kunnen zijn. Wanneer ik God zie op mijn manier, dan is dat beeld sterk verschillend van het Godsbeeld dat anderen kennen. Maar op het ogenblik dat ik aan die God een zekere betekenis geef, die bv. menselijk is, zal die menselijke betekenis – mits ze een gevoelswaarde bevat – voor al die anderen met een totaal ander Godsbeeld, opeens wel begrijpelijk zijn. We kunnen onze God niet in een voorstelling of een beeld gezamenlijk vinden, maar wel in een menselijke emotie.

Wat voor de mens geldt, moet voor de kosmos gelden. De kosmos is een ingewikkeld geheel. Wanneer wij zien, alleen reeds rond uw eigen aarde, de reeks eigenaardige werelden en sferen, die op velerlei geestelijke niveaus gecreëerd zijn, die soms uw stoffelijke aarde ook doorsnijden, dan vragen wij ons af, of dit heelal eigenlijk wel te overzien is. Maar er bestaat die regel, er bestaat die factor, die overal weer optreedt – of u leeft in uw stoffelijke wereld of in een geestelijke wereld; wanneer u hier het begrip hebt van harmonie, zal het ook daar bestaan. De werelden zijn voor u verschillend, uw mogelijkheden zijn verschillend, maar die waarde blijft gelijk. Wanneer ik spreek tot uw wereld, dan doe ik dit op grond van mijn eigen harmonie met die wereld. Ik ben deel geweest van uw wereld en ik heb daarin a.h.w. mijzelf gevonden. Misschien lijkt het wat op de liefde die iemand kan hebben voor de plaats waar hij in zijn kinderjaren gelukkig is geweest. Op dezelfde wijze keer ik terug naar u en hervind ik iets van de menselijkheid, die ik in mijn eigen bestaan allang voor andere waarden heb moeten verwisselen. Die harmonie zal blijven bestaan, ook al zou ik – geestelijk gezien – ver boven alle sferen uit gerezen zijn, boven alle beperking die nog voorstelbaar is. Want dit is van mij en blijft in mij bestaan. En wanneer ik een kracht zie die in mijn denken, in mijn wezen voor mij kwaad is, dan zal dat kwaad, als dat een emotie is, altijd blijven bestaan. De vijandschappen die ik ken in het heelal, zullen misschien eens worden opgelost in de totaliteit. Maar voor zover ik in het Al heb kunnen doordringen en die kosmos heb kunnen verkennen, blijkt mij dat die vijandschap blijft bestaan. Maar die vijandschap bestaat niet uit denken of uit wat wij misschien leren, het bestaat uit een gevoelsreactie. Anders kun je het niet noemen. Er zijn mensen, die bang zijn voor onweer en anderen, die vinden het schitterend. Wanneer je bang bent voor het onweer, zal je het verschijnsel altijd – ook wanneer je je hebt leren beheersen – onaangenaam blijven vinden; je bent er disharmonisch mee. Wanneer je het bewondert, dan zal de grootsheid daarvan misschien in je ogen wat veranderen, maar het blijft attractief. En op deze manier bevinden wij ons tussen verschillende levenssferen en werelden die engelen en duivelen genoemd zouden kunnen worden, tussen eigenaardige verbondenheden van krachten die met de menselijke wereld niets van doen hebben en wij zijn daarmee op een bepaald terrein harmonisch. We bewonderen, we aanvaarden, en op een ander terrein wijzen we af.

Nu blijkt dus ook hier weer die aanvaarding, die bewondering, dat begrip een soort horizontale lijn te vormen tussen die bundels. Daar waar ik – al noemt de wereld het demonisch of noem ik het zelf demonisch – mij aangetrokken voel, emotioneel verbonden voel met een kracht, die totaal anders is en die duister is, dan is die kracht voor mij op dit punt positief; ik zal er kracht uit kunnen putten. Zij kan mij verder helpen, zij voert mij tot nieuw besef, tot nieuwe bereiking misschien. Het is een bron, waaruit je kunt putten. En dit geldt ook voor de lichtere wereld, Daar, waar een engel voor mij een ridicule figuur wordt, kan ik uit die engel, uit die hemelsfeer en voorstelling geen krachten putten. Maar waar ik mij verwant voel met een lichtheid en een vreugde van een paradijs, waar ik in mijzelf een ogenblik deze vrede, deze rust, deze enorme kracht ervaar, daar kan ik putten, en altijd.

Er is geen goed en kwaad in de werkelijke zin van het woord, het is alles relatief. Maar in die relativiteit bestaan voor onszelf wel degelijk waarden, waarmee we harmonisch en niet‑harmonisch zijn. En dat is bepalend. Ik hoop dat ik niet te ingewikkeld word, als ik zeg: goed en kwaad zijn voorstellingen. Deze voorstellingen ken ik toe aan bepaalde hiërarchieën, aan bepaalde lichtkrachten, aan bepaalde stralen en eventueel zelfs aan de originerende kracht daarvan: de Heer of Heerser van de stralen.

Wanneer wij van een gelijke straal zijn, dan zullen wij met elkaar zonder voorbehoud en zonder goed en kwaad kunnen communiceren. Die communicatie wordt door niets beperkt buiten onze verwantschap. Op het ogenblik dat wij tot verschillende stralen behoren, kunnen wij niet communiceren, tenzij op basis van een verbinding; dus de gevoelsmatige sympathie of antipathie. Nu heb ik geprobeerd om dit gehele kosmische stelsel te ontleden. Het is moeilijk om dat eenvoudig te stellen.

Denkt u dat elke wereld een schilderij is. Maar een schilderij gemaakt door een pointillist (iemand, die met puntjes zijn beelden componeert). Elk puntje is dan een wereldje op zichzelf. Van welk punt ik nu ook uitga, het totaalbeeld blijft bestaan. Wanneer u op aarde leeft, dan zit aan die aarde verbonden een kosmisch denkbeeld van een oneindig aantal mogelijkheden en werelden. Die drukken gezamenlijk uit wat wij dan het beeld Gods noemen of wat dan ook. Dit totale beeld echter, houdt niet in dat het het enige beeld is. Het blijkt dat we – zoals je soms weleens hebt bij doeken die verschillende malen gebruikt zijn – de ene laag kunnen afpellen en daaronder een ander beeld aantreffen. Dat andere beeld bestaat dan ook uit puntjes van kleur. Nu kunnen we één puntje van kleur laten staan. Dat is onze wereld. Dat moeten we laten staan. Zolang het nu niet detoneert in die andere voorstelling, kunnen wij een nieuw beeld van de kosmos krijgen. Maar dat nieuwe beeld van de kosmos is in feite een andere kosmos. Zo dring je door in werelden waar krachten van de geest materieel bestaan en waarin uw materiële kennis een soort vage magie wordt. Je dringt door in werelden, waar uittreding een normale wijze van communicatie is en je komt in werelden, waarin uittreding absoluut onvoorstelbaar is. Zolang je jezelf blijft, kun je een groot aantal van de verschillende voorstellingen van het Al, die er zijn, vinden, En dan kom je tot de conclusie dat het Al niet bepaald wordt door de voorstelling, maar door het kader, door het raam dat er omheen zit. Zoals je van die schilderstukken, wanneer je de verf weghaalt van de doeken kunt zeggen ze hebben één ding in ieder geval gemeen, dat is de afmeting van het doek.

Ik heb geprobeerd – misschien niet met volledig succes, wie zal het zeggen – op deze manier door te dringen in de diepte van het Al en ik kan u zeggen, dat ik voor mijzelf meer dan 70 verschillende voorstellingen heb gevonden, waarin mijn eigen wereldbeeld nog voldoende harmonisch kon bestaan om ze te constateren. Dat is veel. Het betekent dat er waarschijnlijk oneindig veel meer zijn. Ik heb toen getracht om van al die werelden het kenmerkende te bepalen en ik kwam toen in de eerste plaats tot de begrenzing.

De begrenzing schijnt te bestaan uit de verstoring van een krachtsevenwicht. Je hebt dus een rustende energie die alles omgeeft. In die eigenaardige zeepbel te midden van de rustende kracht krijgen wij een voortdurend veranderend aantal mogelijkheden en voorstellingen. En die zijn allemaal weerkaatsingen van wat er in die kracht mogelijk is. Religieus zou je kunnen stellen: de mogelijkheden Gods zijn oneindig en worden alle gelijktijdig weerspiegeld in de eindigheid die binnen haar, rustbeweging is geworden. Als ik dus zeg: “God”, dan zeg ik een totaal van mogelijkheden. Het totaal van mogelijkheden wordt weerkaatst in één en dezelfde wereldmogelijkheid: kosmos. Op elk ogenblik en van elk standpunt uit kunnen dus alle waarden in de kosmos veranderen. Daaruit komt dan vanzelf voor mij het denkbeeld dat elke waarde die ik ken in zichzelf op elk ogenblik veranderen kan. Maar dat ik mijzelf moet beschouwen als het vaste punt in het heelal. Ik ben het enige vast onveranderlijke, voor mijzelf. En van daaruit ga ik dan verder en zeg: Daar waar ik mijn eigen sympathieën of harmonieën kan vinden met dat Al, onverschillig hoe, zullen zij in elke weerkaatsing van de oneindigheid opnieuw optreden. Mijn harmonie met een mens of met een sfeer of met een bloem of een kleur weerkaatst zich in elke mogelijkheid van het Goddelijke. Schijnbaar zijn alle vormen en werelden voortdurend veranderlijk en kunnen uitgeblust worden door een volgend beeld. Maar voor mij blijven dus mijn persoonlijke relaties onveranderd door al uw werelden. Mag ik dan misschien zeggen dat mijn Godserkenning voor mij is gelegen in de voor mij persoonlijk voelbare en kenbare relatie met het andere, zonder dat dit andere bepaald behoeft te worden.

Ik vrees, dat ik toch nog weer aan de zware kant ben. Maar niets is moeilijker dan terug te keren tot eenvoud, wanneer je in je denken de complexiteit van het geheel hebt gezien. Wat je beseft, is eenvoudig. Maar wat je moet uitdrukken, is zo veelvoudig, dat de chaos je bedreigt, voordat je het beseft. Zo is het mij gegaan. Ik ben zeer verward geweest toen ik ging begrijpen dat mijn persoonlijke gevoelens en relaties bepalend waren voor dat hele Al, voor zover het mij betrof en dat het daarbij niet ging om objecten of bepaalde waarden of voorstellingen. Die waren variabel, onderling vervangbaar, maar mijn gevoelswaarde, mijn benadering, mijn aanvaarding van een wereld was bepalend voor alle werelden en alle mogelijkheden. En dan ga je ook meer begrijpen waarom men soms zegt: “Indien gij alle dingen hebt, en gij hebt de liefde niet, zo hebt gij niets.” Want de liefde of de goedheid of het geloof zijn onze persoonlijke relatie met het onbepaalbare. De vormbepaling valt weg, maar wat overblijft is de relatie met het geheel. Het is alsof wij voor onszelf worden tot het middelpunt van die bol, die kosmos heet met al zijn veranderende facetten en werelden, met zijn voortdurend veranderende samenstelling en zo naar buiten, naar het kader toe die lijnen te trekken, waardoor wij schoor staan als een vast vergrendeld middelpunt in een onbekend Al. En zodra wij dat beseffen en kunnen, is er niets meer wat werkelijk belangrijk is, wat werkelijk bepalend kan worden geacht. Er blijft slechts over voor mijzelf de noodzaak om eerlijk te zijn t.a.v. mijn eigen gevoel. De noodzaak om eerlijk te zijn t.a.v. mijn aanvaarding en verwerpingen. Zolang ik eerlijk ben t.a.v. mijzelf, bezit ik een relatie, die onverwoestbaar is, onverstoorbaar.

Men kan spreken over de sferen en geesten van de overgeganen. En velerlei verbindingen zich voorstellen tussen de levende mens en de wereld van hen, die men de doden noemt. Maar de verbinding bestaat op grond van een gevoel. En dat betekent dat de gezichten kunnen verbleken, de vormen kunnen veranderen, maar dat de waarde die ik erkend heb in elke nieuwe vorm, dezelfde blijft voor mij.

Het eeuwigheidsprincipe dat ik heb gevonden in het Al, was niet in de eerste plaats een oneindige tijd of een in zichzelf te­rugkerend tijdsverloop. Het was in de eerste plaats de vreemde onveranderlijke relatie met datgene, waaruit het leven voortkomt en dat ik toch geen leven durf noemen. Het feit dat ik een gefixeerd punt word, zoals die vreemde, rustende krachten daar buiten het Al, te midden van een Al. Ik heb veel nagedacht over deze dingen. Ik heb getracht met de wetten te werken die de kosmos kent. Ik heb gezocht naar oorzaak‑en‑gevolg en ik heb gezien dat de samenhangen niet al­leen maar nuchter en logisch zijn. Ze zijn een deel van mijn wereld, maar ze worden voor mij bepaald door mijzelf. Ik heb gezocht naar wetten van evenwicht, naar wetten van harmonie en de kosmische eenheid. Ik heb moeten ontdekken dat ze alle te herleiden zijn tot mijzelf. Er is een ogenblik geweest dat ik mij heb afgevraagd, ben ik dan zelve de kosmische wet? Maar ook dat is niet waar. Want of ik de wet erken of niet, bezit of niet, ze werkt. Ze schijnt een deel te zijn van mijn mogelijkheden. En zodra ik mijzelf met het Goddelijke, met het onbepaalde verbonden heb – hoe dan ook – blijken deze wetten voor mij dingen te zijn die vanuit mij werken en vanuit mij zelfs bepaalbaar worden. Ik ben een slaaf van het noodlot, zo­lang ik niet met het oneindige verbonden ben. Zolang ik mij bezig­houd met het beperkte Al alleen, waarin ik alleen sta, heb ik niets.

Maar zodra van mij uit die harmonische trillingen alle bundels en mogelijkheden van bestaan gaan verbinden en harmonisch worden, dan kom ik bij een Niet. Daar in dat Niet ben ik gefixeerd. En wat er ook gebeurt en waar ik ook ben en hoe ik ook ben, deze vergrendeling blijft bestaan.

Wij zijn niet alleen maar eeuwigheid. Wij zijn ergens een deel van datgene wat wij niet anders kunnen omschrijven als een Niet. Een Niet dat iets in zich draagt, maar dat we eenvoudig niet benaderen kunnen. Onze voorstellingen scheppen onze werelden. En steeds weer beleven we die wereld uit het totaal van mogelijkheden die we op dit moment beseffen. Zeker, het aantal mogelijkheden zal beperkt zijn, maar wij creëren vanuit onszelf, voor onszelf, zolang we harmonisch daarmee onszelf gelijk kunnen blijven, elke wereld die we hebben willen. We zijn gelijktijdig machtig en machteloos. Machteloos, omdat we zonder onze harmonische verbinding met al deze waarden die niet meer voor ons kenbaar bestaan, machteloos zijn. Maar we zijn bijna almachtig; want zodra wij die verbinding hebben, is er ook niets meer dat ons van onze plaats kan brengen. Dan zijn wij geworden tot het persoonlijk middelpunt van een persoonlijk heelal dat in élk facet van de schepping kan veranderen, zonder dat wij het besef verliezen of de waarde en de mogelijkheid van ons wezen verliezen.

Het is lang geleden, dat ik met een astroscoop (een heel eenvoudig apparaat) probeerde om de sterren te fixeren en hun loop te zien. Sedertdien ben ik doorgedrongen tot ver achter de sterren. Ik heb gezien hoe hun loop eigenlijk voortdurend te wijzigen valt in andere mogelijkheden. Ik heb de elementen, voor u de primitieve elementen, bestudeerd. Ik heb gezocht naar de samenhangen in de chemie. En in al die dingen heb ik tenslotte moeten constateren dat wat ik kennis en besef noemde, wegwaait als kaf wanneer je het koren in de wind gooit. Wat er overblijft is mijn relatie met het oneindige. Niet de chemische kennis heeft nog betekenis voor mij, maar de wijze waarop ik een verwantschap besef daardoor, is nu nog bepalend voor mijn wezen.

Ik spreek zoveel over mijzelf, omdat ik probeer u op deze manier iets duidelijk te maken omtrent mijzelf. Hoe kan ik spreken over een andere wereld dan een wereld, waarin ik centraal ben en waarin u deel bent van mijn wereld. Ik tracht een harmonische verbinding tot stand te brengen met u, opdat mijn wereld mijzelf a.h.w. nieuwe mogelijkheden zal geven tot het fixeren van werkelijkheden. Misschien klinkt dit alles erg mystiek. Ik kan u verzekeren dat ik niet als mysticus geboren ben op uw wereld en dat ik niet als mysticus in de geest zoek. Ik zoek feiten. Maar er zijn geen feiten dan die feiten, die in mij vergrendeld zijn en met mijzelf verbonden. Er zijn geen andere feiten te noemen dan mijn eigen relatie t.a.v. het onkenbare. En daarom heb ik met dit verzoek om tot u te spreken niet alleen gehoor willen geven, maar heb ik getracht u iets van mijzelf te laten zien.

Geloof me, wanneer je beseft hoe onveranderlijk je werkelijkheid is, hoe onbetekenend al het andere is, ben je gelukkig. Je vindt een vrede in jezelf, waardoor je de bijkomstigheden veel gemakkelijker kunt verdragen. Je vindt op den duur de beheersing, waardoor je je harmonie a.h.w. aan je wereld kunt opleggen. Elke mens kan zo gelukkig zijn. Elk wezen dat denkt, kan zo een verbinding krijgen met de oneindigheid. Uw wisseling van werelden en tijden maakt geen verschil uit. Wij zijn onszelf. En zelfs de veranderingen van vorm zijn niets anders dan de uitdrukking van één en hetzelfde, onze verbondenheden met het Al.

Ik zou u veel kunnen vertellen over legioenen van duivelen en legioenen van engelen. Ik zou u veel kunnen vertellen over geheimzinnige dolende legers van geesten en de vreemde mengeling van nog niet verstorven diervormen, die ergens astraal kruisend uw eigen wereld voortbestaan, tot ze in een aarzeling zich vervormen en in een vaagheid nieuwe gestalte geven. Gestalte aan wat? Nog onbekend, maar al die dingen, dat heb ik beseft, zijn bijkomstig. De krachten van de geest die rond u zijn, zijn voor u werkelijk, indien u zich met die geest verbonden gevoelt, maar dan zijn ze werkelijk. Niet omdat ze in uw eigen wereld hebben bestaan of manifest zijn in een andere wereld, maar omdat er in u een verbondenheid leeft, waarin een mens, een geest, een vorm voor u mede de uitdrukking is geworden van een totale verbondenheid: die met het onbekende.

Leer weg te zien over de vormen. Probeer voor jezelf de rust te vinden, waardoor de wereld rond je wentelt; niet jou veranderende maar slechts je besef omtrent je relatie met het enige vaste vergrotend. Want wanneer wij beseffen hoezeer wij verbonden zijn met die vreemde ongeuite mogelijkheden die we dan maar God noemen, hoe sterker wij onze wereld bepalen en op den duur zelfs onszelf met elke wereld één kunnen voelen, zonder beperking.

Geef gezicht aan goden en geesten. Het staat u vrij. Maar besef dat de vormen veranderen en dat de harmonie bestaat en blijft bestaan. Wanneer alles zou zijn uitgeblust dat Al is, zo zal deze verbondenheid daardoor niet worden uitgeblust. Mijn stelling, die ik hoop u op deze avond duidelijk gemaakt te hebben, is deze:

Alles, wat wij denken te zijn, kan vergaan. Onze werkelijke ver­bondenheden vergaan niet. Zij zijn de werkelijkheid van het ‘ik’, dat onsterfelijk is. Het wijkende, verdwijnende, stervende Al kan daarmee ons zijn niet bepalen of belemmeren. Wij zijn niet eeuwig, wij zijn. Wij zijn niet veranderlijk. Wij zijn onveranderlijkheid, verbonden met onveranderlijkheid. Het spel van tijd en vormen is niets anders dan de droom, gedroomd door wie? Waarin wij moeten leren onze eigen werkelijkheid te beseffen. Dat is alles wat ik u kan geven. Men heeft mij gevraagd eenvoudig te blijven. Het heeft geen zin te spreken over vreemde, verre bevolkte werelden, te spreken van vreemde sferen met vormen en bouwsels. Sferen, die niets anders zijn dan een vibratie, sneller dan de vleugels van een kolibrie. Een zucht in de wind, die oneindigheden uitdrukt en toch vorm heeft. Die dingen zult u misschien eens kennen. Maar uw verbondenheden kent u reeds heden. Zodra zij eerlijk en oprecht beleefd een besef worden van kosmische betekenis, sterven de vormen en gezichten, daaraan verbonden, langzaam weg en blijft de enige werkelijkheid over. Zoveel heb ik al geleerd. Ik hoop dat ik iets van mijn besef met u heb mogen delen: een kleine harmonie tussen u en mij, waarin we eeuwig zijn. Hoe ook de vormen veranderen, de tijd schijnt voort te gaan.