Kosmische leerstukken

Inhoudstafel

uit de cursus ‘Kosmische leringen’ ( hoofdstuk 7 ) – april 1973

Als wij denken aan kosmische leringen, dan zijn wij geneigd te denken aan grote Meesters of aan religies. Wij vergeten dat zeer veel op deze wereld is erkend en geopenbaard ten aanzien van menselijk leven, menselijke relatie met de kosmos en andere waarden, dat niet zo vaak in de openbaarheid is gekomen. Nu zijn daar dingen bij, die wel hun weerslag hebben in de leringen van grote Meesters en die wij zelfs nog wel terugvinden in sommige geloofsbelijdenissen.
Als wij b.v. de christelijke artikelen des geloofs citeren, dan vinden wij daarin dat Jezus is gestorven, is herrezen ten derden dage, maar dat hij in die tussentijd ook nog is afgedaald ter helle en later ten hemel is gevaren.
Er is een leerstuk dat iets ouder is dan het christendom (het stamt om precies te zijn uit 690 v. Chr.), waarin een leermeester van een inwijdingsschool sprak:
“Het leven is een voortdurende cirkelgang. Vanuit het licht (de zon) dalen wij af tot de wereld en door het duister gaande leren wij de wereld beseffen en haar beseft hebbende rijzen wij op naar de zon, totdat haar licht ons verblindt en wij niet meer weten waar wij gaan.”
Dit is een citaat dat duidelijk maakt, dat men eigenlijk het leven van de mens beschouwt als een arcane zaak. De duisternis is niet de hel. Neen, de duisternis is een constante situatie, waarin wij worden ondergedompeld, totdat wij in staat zijn het leven in de materie te beseffen. Hier brengen wij de waarden van ons wezen in de stoffelijke persoonlijkheid, wij komen tot rust en bezinning in het duister, wij worden geconfronteerd met onszelf, totdat wij weten wat de wereld betekent. Dan lezen wij de werkelijkheid van ons zijn af uit de wereld en gaan vervolgens via verschillende sferen terug naar onze bron.
Deze stelling hangt samen met een zonnegeloof. De leraar gebruikte daarvoor Baál Shem, een aanduiding van het licht. De zon is het centrum van het leven. Dat centrum is lange tijd gezien als God of als de directe uiting van God. Het is opvallend, dat in zeer vele leringen, die toch kosmisch zijn en zeker niet zo provinciaals als om de zon te stellen als de kern van alle leven of de openbaring van de Allerhoogste, de gelijkenis tussen zon en planeten een rol speelt.
“De werkelijkheid is een ster, die haar baan trekt rond de zon van waarheid.” Wat wordt hier weer gestipuleerd? De werkelijkheid is wel iets wat op zichzelf bestaat, maar dat in haar voortdurende wenteling en werking gebonden is aan een bron, die wij niet werkelijkheid noemen, maar die de werkelijkheid wel bezielt. Dit doet mij denken aan een filosoof uit de 18e eeuw, die tot grote schrik van zijn broeders in de Loge waarvan hij deel uitmaakte, opeens verklaarde; “God is eigenlijk het onwerkelijke. Wij leven in de werkelijkheid en God, het onwerkelijke, is datgene waardoor wij onze werkelijkheid kunnen verdragen.” Ik geloof dat wij, ofschoon het niet als Arcane lering mag worden beschouwd, toch wel moeten aannemen dat wij hier te maken hebben met een vaststelling van een waarheid.
Die waarheid schijnt nog heel wat verder te gaan. Kijken wij naar de grote geheimen, dan vinden wij daarvan een school die heden nog ten dele bestaat en die haar eerste bloeiperiode heeft gehad ongeveer 1700 v. Chr.
Een leraar van die school stelt heel eenvoudig;
”Er is geen werkelijkheid die wij beleven, want wij leven krachtens de onwerkelijkheid die wij zijn.” Hij vervolgt dan:
“Want zie, al hetgeen rond ons is en dat wij kunnen beheersen, kan niet werkelijk zijn, want de werkelijkheid is onaantastbaar. Daarom is het geheel (hier wordt waarschijnlijk gedoeld ook op de magische leringen van deze school) van ons werken illusie, zoals wij in ons leven illusie zijn.”
Hier openbaart zich een achtergrond, die wij later ook zullen terugvinden in bepaalde vormen van het hindoeïsme en die ook in het boeddhisme een rol spelen, het denkbeeld nl. dat wij leven in een wereld van niet – werkelijk zijn. Wij leven in een wereld, waarin de gedachten de hoofdrol spelen. De werkelijke feiten omtrent onszelf en omtrent de wereld zien wij niet, omdat wij steeds bezig zijn ze te voorzien van inhoud en betekenissen, die niets te maken hebben met het feitelijke bestaan. De denkbeelden, die wij hier aantreffen worden ook nog weerkaatst in latere leringen.
Nu zou ik willen grijpen naar een uitspraak van nota bene de laatste Wereldleraar. Deze zegt immers op een gegeven ogenblik:
“Indien wij de werkelijkheid beseffen, zijn wij onveranderlijk. Laten wij dan zoeken naar die punten in ons wezen, die niet veranderen en beseffen, dat al het veranderlijke juist daardoor reeds onbelangrijk is.”
De kwestie is hier niet dat hij beweert dat het leven onbelangrijk is. Hij zegt: er zijn in ons enkele waarden, die nooit veranderen. Die waarden zijn voor ons de hoekstenen van de werkelijkheid. En als wij die werkelijkheid maar weten te vinden en haar kunnen uitbouwen, dan komen wij op een punt waar wij onze werkelijke vorm hebben gevonden.
Is het zo vreemd, dat wij bij één van de vroegere anachoreten een uitspraak vinden op zuiver religieuze basis, die hieraan herinnert?
“Want ziet, wat volmaakt is kan niet veranderen. En wij, die de volmaaktheid nastreven, streven daarmee naar de onveranderlijkheid. In deze onveranderlijkheid eerst vinden wij de werkelijkheid van onze Schepper, van onze Heer (Jezus) en van onszelf.”
Het is een fantastische uitspraak, als men zich realiseert dat die wordt gedaan door een monnik; een man waarvan helemaal niet wordt verwacht dat hij nadenkt. Er wordt van hem alleen verwacht te geloven en goede werken te doen.
Een bisschop, een zekere Ambrosius, maakt het nog een beetje bonter, als hij zegt;
“Goede werken hebben geen betekenis. De goede werken die wij doen zijn slechts een poging om het goede in onszelf te vinden en waar te maken. Waar wij dit niet doen, zijn onze goede werken slechts een illusie, want het goede dat wij aan anderen doen, kan verkeren in kwaad.”
Een typisch denkbeeld. Maar is het zo irreëel? Alle krachten rond ons hebben hun oervorm, hun werkelijkheid. Indien wij trachten die werkelijkheid op de een of andere manier te benaderen, dan kunnen wij dat alleen doen vanuit ons eigen standpunt. Laten wij het zo zeggen: Wij willen iemand helpen om wat vrolijker te zijn en dringen hem een borrel op, waarop wij ontdekken later dat de man geheelonthouder is en dus zeer ontsteld, is over onze dwang. Wij hebben het goede gewild, maar voor de ander hebben we het kwade gedaan.
Een andere keer zien wij b.v. dat men iemand het water in gooit in de hoop dat hij zal verdrinken, maar het is een zwemkampioen, die reuze blij is dat hij even kan trainen. Ik maak er maar een belachelijk voorbeeld van, maar op die manier is het hele leven eigenlijk opgebouwd. Wie die opbouw begrijpt, iets aanvoelt van de betrekkelijkheid van alle dingen, die kan misschien ook beter begrijpen, waarom sommige geheimscholen vooral het leven na de dood en in de geest totaal anders situeren en opbouwen dan algemeen gangbaar is. Zo is er iemand die zegt:
“Indien ik bedroefd ben en mijn ziel gaat uit, zo is zij een wolk van droefenis, die de zon van geluk voor anderen verduistert. Maar indien ik in mijzelf licht en vreugde ken, voorwaar, indien ik tot in het diepste duister ga, er zal licht zijn.”
Een denkbeeld, dat misschien wel interessant is. Indien wij worden bewogen door de ellende van de hel, dan doven wij ons licht. Wij mogen er geen medelijden mee hebben. Maar wij moeten onze vreugde geven, zelfs als die een kwelling schijnt te zijn, omdat door die vreugde anderen in dat licht kunnen delen. Het is een denkbeeld, dat eigenlijk samenhangt met een kosmisch concept, dat heel wat complexer is dan ik u in korte tijd kan uiteen zetten. Het komt hierop neer;
“Alle lichten aan de hemel zijn levenden, die de hemel hebben veroverd. Zij hebben een eigen leven en een eigen wereld. Hun wereld is niet de onze.”
Dat kunnen we volgen, dat is begrijpelijk. Wij nemen ook aan dat sterren en planeten bezield kunnen zijn. Maar nu het wonderlijke:
“Daar zij onze gelijken zijn en slechts hun beleving een andere is, kunnen wij de wereld betreden waarin zij leven en wij kunnen ons daarin als gelijken tonen, zolang wij willen aanvaarden wat er in hen leeft.”
Het denkbeeld dus van een kosmos, waarin werkelijk bezielde zonnen bestaan, waarin alle licht een ziel is wijkt wel af van de in die tijd gangbare voorstelling, toen ze over het algemeen dachten, dat iemand de hemel niet voldoende had gedicht en dat er daarom hier en daar een straaltje licht doorviel.
Opvallend is verder het denkbeeld van gelijkheid. De mensen in die tijd zoeken ernaar om goden, machten, boven zich te vinden. Zij willen niet een wereld, waarin zij als gelijke kunnen binnentreden. Hoogstens kan een heel grote held een soort halfgod worden. De man, die ik citeer, stelt heel eenvoudig in die leringen, dat wij de gelijken kunnen zijn zelfs van de zon. En dat was in zijn tijd werkelijk sacrilége, dat kan ik u wel vertellen.

De versie van een kosmos, waarin de werelden alleen verschillen door besef en de basis gelijkheid is, vinden wij weerspiegeld in heel veel geheime leringen. De formulering verandert natuurlijk voortdurend. Heel vaak vinden we een soort helden of godenverhaal dat de gelijkenis vormt waaruit wij dat alles moeten afleiden. Men zegt zelfs tot iemand b.v.: Jij bent de herrezen Osiris (Egyptische inwijdingen). Jij bent Nabu, de god van wijsheid, de god die de raadsman is van de goden (Babylon). En zo kan ik verdergaan.
Identificatie van een mens met een god in de verschillende inwijdingsleren maakt duidelijk; dat er een vorm van gelijkheid kan bestaan t.a.v. de hoogste krachten. Als u nu vraagt wat de voorwaarde is die wordt gesteld, dan zijn al die inwijdingsleringen nogal verwarrend. Maar datgene waaruit ik reeds citeerde zegt heel duidelijk: Wij moeten eerst de normen van een ander aanvaarden. Wij moeten onze begrippen niet projecteren in die andere wereld. Wij moeten de begrippen van die andere wereld als op zichzelf staand beschouwen en tot ons laten komen.
Er zijn mystici geweest, die dat op hun eigen wijze hebben vertaald. Er is een zekere Anselmus geweest (een monnik uit Wales), die een aantal ervaringen opschreef. Hij zegt letterlijk.,
“En ziet, ik was in het licht en ik was één met het licht. En ik wilde niet mijzelf zijn, ik wilde niet denken, maar het licht dacht mij. En uit wat het licht mij dacht, werd ik mij bewust van de wereld. En vanuit dit bewustzijn stelde ik mij een taak.”
Het was een mysticus. Het was iemand, die volgens de normen van zijn dagen het midden hield tussen heilig en getikt. Maar hij zei daar iets fantastisch. Hij zei niet: ik dácht of ik besefte het licht. Neen, het licht dacht mij. Hij draaide de relatie om: Wat hij is, kan hij zelf niet bepalen in dat licht. Maar het licht kan hem waarnemen; en de waarneming van het licht is bepalend voor wat hij is. En doordat hij dat aanvaardde maakte hij deel uit van het licht en hij zag de wereld. Met andere woorden zijn besef breidde zich dermate ver uit dat hij plotseling wist: dat is de werkelijkheid van mijn wereld. En als hij dan tot zichzelf terugkeert, zoals hij zegt, als de engel zijn ziel weer in zijn lichaam plaatst (heel mooie formulering), dan weet hij wat hij moet doen.
De meeste mensen denken kosmische leringen zijn alleen maar vervreemding. Alles denken op grote schaal en daarbij het kleine onbelangrijk maken. Ik geloof niet dat dat de bedoeling is. Indien u die kosmische openbaringen, vaststellingen en verklaringen allemaal nagaat, dan komt het er op neer dat de belangrijkheid ligt in de erkenning van de waarde. Het is niet onze maatstaf, die bepalend kan zijn voor iets anders dan wijzelf. Als u daarvan uitgaat, komt u vanzelf ook tot wat meer practische constateringen.
U leeft. Dat wat u op het ogenblik leeft, is slechts een klein deel van uw werkelijke persoonlijkheid. Het is belangrijk, dat uw werkelijke persoonlijkheid tot uiting komt; niet dat u leeft volgens een aantal normen, wetten of regels in uw tijd. Het wees uzelf, het ken uzelf, klinken steeds weer door en vinden eigenlijk in alle inwijdingen op de een of andere manier een plaats. Het is belangrijk, dat ik dus ook vanuit mijzelf leef volgens mijn maatstaven. Ik kan het hogere wel aanvaarden, maar alleen indien ik dat hogere bepalend maak ten aanzien van mijzelf. Daarom moet ik het zo intens kunnen aanvaarden, dat ik niet meer probeer mijzelf te omschrijven. Dan moet ik de omschrijving van mijn wezen aanvaarden, die een ander voor mij geeft.
Een zekere inwijder zegt:
”Elk klein ding dat u doet, elke kleine ademhaling, kan kosmisch belangrijk zijn, want alles wat bestaat in de tijd heeft een functie. Het heeft een functie in de bouw onomstotelijk, blijvend en eeuwig, die de werkelijkheid vormt waaruit wij leven en waarheen wij streven.”
Ik vind de zinsbouw altijd bijzonder plechtig en mooi, maar het maakt toch wel duidelijk waarom het gaat.
De leerstellingen van al die mensen, die schijnbaar zo ver zijn, komen in feite heel dicht bij zodra men zich realiseert dat een kosmische lering ook is: ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet’. Een doodgewoon regeltje, een volksgezegde, maar toch kosmisch. Want door aan een ander datgene toe te voegen wat ik voor mijzelf niet wens, schep ik het in mijzelf. En als ik een ander datgene geef wat ik zelf wens, dan schep ik dit als een besef, als een waarde in mij. Ik kan niet gelijktijdig zus leven en zo ervaren. De schijnbare scheiding, die er bestaat tussen besef en geest en de stoffelijke praktijk is non exsistent, ze bestaat niet.
De oude alchemisten zijn natuurlijk ook altijd interessant. Onder hen is er één, die zich ofschoon dit al de 5e eeuw na Chr. is toch nog tekent als Hermes Trismegistos. Nu is dat een wonder, want als er ooit een echte Hermes Trismegistos is geweest, dan zou hij nooit alle boeken hebben kunnen schrijven, die naar men zegt door hem geschreven zijn. Dan zou de man zijn hele leven in schrijfkramp hebben moeten doorbrengen en nog na zijn dood moeten doorschrijven als een levende automaat.
Deze zich noemende Hermes vertelt:(en dat is een kosmische inwijdingswaarde, een werkelijke openbaring).
“Al wat ik ben, droom ik. Al wat ik droom, ben ik. Indien ik besef wat ik ben, zal mijn droom antwoorden op wat ik ben. Maar indien mijn droom mij beheerst, zo zal ik worden wat mijn droom van mij maakt. Ik ben degene die heerst. Ik ben degene die kiest. Want in mij zijn het vuur en de zwavel. In mij zijn de krachten waardoor ik het levende goud kan maken. Maar alleen, indien ik door mijn wïl deze dingen maak, zo beheers ik de wereld van de illusie en kan ik uit het geheel van mijn wezen de Steen der Wijzen te voorschijn brengen.
De Steen der Wijzen komt er altijd weer bij te pas. Het vreemde is dat degenen, die daarover het meest nadenken veelal onwijs zijn. Maar het is die “steen der wijzen”, welke als het eindproduct van een proces dat door de wil, door de beheersing in jezelf tot stand komt, die waarde heeft.
Roept niet in de Isis-verering iemand uit tot de priester, die inwijding zoekt:
“Nog zijt gij Horus, doch gij zult in u de wil vinden, waarmee ge de boot stuwt door de duisternis en langs de hemelen. En waarlijk, dan zijt gij niet alleen Osiris, dan zijt ge Re,”
Met andere woorden; in uiterlijkheden is het alleen wat wij bewust willen, wat wij bewust zijn. De beheersing, die wij over onszelf vinden, maakt uit in hoeverre wij kosmisch hoog of kosmische laag staan.
Dan kunnen er b.v. brahmanen zijn, die het weer op een heel andere manier uitwerken. Dezen spreken over “de eeuwige weerkaatsing van alle daden”, maar die ergens anders ook zeggen “dat het de blik is die beschouwt, die de waarheid kan onthullen”. Dat komt op precies hetzelfde neer. Wij zijn meester over ons voertuig, wanneer wij dat zelf willen. Als wij niet zeggen “de droom is mijn openbaring”, maar als wij zeggen “in de droom zal ik mijn richting kiezen”.
“Ik leef,” roept een middeleeuws kluizenaar uit, “in een wereld van verwarring. Want ziet, waarheen mijn weg ook voert, nimmer kan ik mijn doel ontwaren, totdat ik de weg beveel om mij tot mijn doel te voeren. En ziet, mijn voeten dwalen niet meer.”
Dat is duidelijk overdrachtelijk. Als hij had gezegd: Mijn voeten slapen niet meer, dan had u zich dat kunnen voorstellen. Maar mijn voeten dwalen niet meer wil zeggen: ik beveel de weg. Ik bepaal door mijn wil wat mijn werkelijkheid is. En ik geloof, dat dat voor een mens evengoed geldt, wanneer hij uittreedt, wanneer hij droomt, wanneer hij leeft of bewust is in een wereld. Wat je er zelf van wilt maken, dat is de werkelijkheid.
Nu moet ik een heel eind teruggaan, bijna 15 000 jaar. Toen is er ook een school geweest, die nog bepaalde Atlantische tradities kende. Daar werd het volgende geleerd:
“Alle kracht, die we ons kunnen voorstellen, is de kracht die we bezitten. Want we kunnen slechts datgene concipiëren wat we zijn.”
Nu de conclusie die je eruit trekt: Als ik mij dus machteloos gevoel, zo ben ik het die mijzelf aan banden leg. Daar waar ik mij de mindere voel, zal ik de mindere zijn. Doch daar waar ik mij voel gelijk te zijn aan de hoogste krachten, daar zal ik de natuurkrachten e.d. regeren en zij zullen mij gehoorzamen, mij vrezend als hun vorst, omdat ze niet zich kunnen onttrekken aan de werkelijkheid, die ik nu in mijzelf heb ontdekt. In die lering komt ook iets practisch voor, dat ik hier maar meteen citeer.
“Indien ge gelooft in wat ge wilt volbrengen en u zich het eindproduct kunt voorstellen, zo is het waar.
Roept ge een geest op, roep dan een naam, maar zie bij de naam de gestalte, dan zal ze niet kunnen weigeren en ze zal verschijnen.
Indien gij een kracht roept die gij vreest, bescherm u wel, want ge zult ten onder gaan. Maar indien ge een kracht roept in de zekerheid dat ge evenveel licht en kracht in uzelf draagt (licht en kracht zijn mijn vertaling van een ander begrip), dan zult ge zelfs de machtigste demon bedwingen.
In de termen van onze tijd komt dat eigenlijk hierop neer: Als u maar het gevoel heeft dat u iets kunt doen, bent u ook wel in staat om het tot stand te brengen. Als u met geestelijke problemen wordt geconfronteerd en u zegt: Ik kan ze niet aan, dan zullen die problemen u regeren. Op het ogenblik dat u zegt: Ik kan die beheersing niet aanvaarden, moet u niet zeggen: nu moet ik mijn weg zoeken door de problemen. Dan moet u zeggen: Ik sta boven die problemen. Als we op die dingen a.h.w. neerkijken en ze als onbelangrijk beschouwen, dan vinden wij onze weg zonder meer. Indien wij ze beschouwen als belangrijk en toch vrij willen zijn, dan vormen ze een doolhof, waaruit we niet altijd de weg kunnen terugvinden. En als we menen, dat we de mindere zijn, worden we geleefd door de omstandigheden. Ik meen, dat dat wel heel belangrijks is.
Misschien dat Jezus ook iets in die richting bedoelt, als hij in verschillende toespraken zegt: “Ik ben het die bepaalt.” Als hij zegt: “Er is een van u die mij zal verraden,” dan komt volgens een bepaalde Apocrief een groot protest van verscheidene leerlingen waaronder Petrus en Andreas. Die zeggen: ”Heer, hoe kunt u dan met hen aanzitten ?” Dan zegt Jezus: “Ik zit met hen aan, niet gij.” Met andere woorden: jullie weten het niet. Maak je er niet druk over. Ik weet het. Ik wil met hen aanzitten, dat is mijn zaak. Op een ander ogenblik vraagt iemand: Wat moet ik doen Meester, om u te volgen? Waarop Jezus heel rustig zegt: Laat alles achter je. Met andere woorden: ontdoe je van de dingen die je beheersen. Ontdoe je van je beperkingen. Want pas als je vrij bent, kunt je je eigen richting kiezen.
Ook de Boeddha zegt iets dergelijks. Op een gegeven moment zegt iemand “Meester, hoe kan ik u volgen?” De Boeddha antwoordt: “Heel eenvoudig, laat alles achter en loop achter mij aan.” Een doodeenvoudige oplossing. Iedereen denkt dat het een grap is, maar het is geen grap. Het is wel degelijk hier een directe kosmische beginregel: Ik kan slechts de weg volgen die ik kies, indien ik mij vrij maak van al het andere. Die vrijheid betekent dat ik over mijzelf beschik en zelf beslis. Indien ik dat niet kan aanvaarden, zal ik nooit bereiken.
Nu wil ik nog terugkeren naar enkele andere kosmische grondbeginselen.
“Leven op zichzelf is een verschijnsel van het bestaan. Het bestaande omvat al datgene wat zich in het leven kan openbaren. Het leven is dus slechts een kleine weerspiegeling van de werkelijkheid.”
“Al wat behoort tot het stoffelijk leven is daarom onderworpen aan de werkelijkheid, die tot de geest behoort, omdat zij slechts beseft.”
“Mijn werkelijk ‘ik’ (wij zouden misschien zeggen super ego) is meester over alle dingen, ook levende in de stof, als het niet ontkent de gefixeerde werkelijkheid die daarin bestaat.” Hier ligt de nadruk op het gefixeerde.
“Ik ben die ik ben.” God zegt ook: Ik ben Die ik ben. Ik ben het zijnde, Ik ben het onveranderlijke.
Wij zeggen ook: ik ben die ik ben. Met andere woorden: ik ben het onveranderlijke dat in God bestaat. Indien ik dit aanvaard, dan kom ik bijna automatisch tot de erkenning: alles wat er rond mij bestaat zegt mij wat ik ben.
Een heel aardige formulering van een stelling vinden wij overigens bij een medicijnman bij de Hurons (indianenstam), die aan zijn jongeren leerde:
“Indien gij wilt weten wie uw vijand is of wie gijzelve zijt, kijk naar de sterren, kijk naar de bomen, kijk naar de wind en naar de aarde en zij zeggen u wie gij zijt en wie de ander is. Want dat wat gij zijt is vastgelegd in al wat is. Daarom zijn de tekenen onmiskenbaar en is de waarheid voor de lezer in de werkelijkheid nimmer verborgen.” (de vertaling is van mij.)
Een kosmische waarheid. Wij denken misschien dat wij met astrologie het een en ander kunnen doen. Wij zeggen, de sterren wijzen wel, maar ze dwingen niet. En wij menen dat we in de toekomst kunnen zien. Maar je ziet een mogelijkheid, niet een gefixeerde werkelijkheid. Dat is allemaal waar vanuit een bepaald standpunt. Maar je kunt het ook nog anders beschouwen.
Als wij naar de sterren kijken en naar de tekenen rond ons, misschien wichelen met stokjes of het gooien van munten (I Tsjing) dan doen wij eigenlijk niets anders dan constateren dat de hele wereld een antwoord geeft. De hele wereld omschrijft wat wij zijn en daarom ook wat wij moeten zijn. Er is inderdaad een gefixeerde werkelijkheid. Dat is niet een noodlot; iets wat in stoffelijke zaken gewoon te omschrijven is. Maar het is gefixeerd. Misschien dat we dan meteen kunnen aanhaken aan een stelling van latere origine. Ik denk, dat ze gesitueerd moet worden in het begin van de 19e eeuw, waarin men zegt:
“Wij wandelen langs de spiraal des levens, zo voortdurend dezelfde kracht ervarend op hetzelfde moment in elke omwenteling, die ons leven uitmaakt. Maar de werkelijkheid, die wij zijn is de spiraal, niet de beweging die wij maken langs de weg.”
Wij zijn het totaal van alle levens, die wij ooit zullen zijn. Dat wordt daarmee gezegd. De invloeden, die wij ontmoeten zijn de invloeden, die altijd voor ons bestaan. De invloeden die voor ons kunnen werken en voor anderen kunnen wij niet eens concipiëren. Wij worden gewoon geconfronteerd met een werkelijkheid, die altijd op ons inwerkt, alleen ervaren wij dat achtereenvolgens, omdat wij het beeld van het geheel niet kunnen aanvaarden.
Misschien mag ik hier dan de als profeet en Meester vaak versmade Mohammed aanhalen, die kort na de voltooiing van de eerste Hadj spreekt tot zijn vrouw, zijn secretaris en zijn volgelingen, die hij bij zich had:
“Ik ben gegaan tot aan de hemelen en ik heb mijzelf zien staan in de zevende hemel.
Hij had de sferen doorlopen, hij had alle vormen van zijn bestaan geproefd, hij had zichzelf zien staan en als hij erover spreekt dat hij is opgestegen tot de zevende hemel, dan bedoelt hij niet: ik, Mohammed de mens, ben in de zevende hemel geweest. Maar: ik, wezen dat nu Mohammed heet, leeft ook in de zevende hemel. Dat geeft hij later in bepaalde commentaren toe, die overigens door zijn volgeling Ali onmiddellijk geschrapt zijn.
Het is opvallend, dat de meest openbarende waarheden door grote Meester, op deze wereld, gebracht heel graag worden geschrapt en dat openbaringen van kosmische grondprincipes heel snel tot geheimleer worden gemaakt. Misschien is men wel bang voor die dingen. Misschien is de mens bang om zich te realiseren, dat al dat heen en weer rennen om belangrijk te lijken niets verandert. Dat het enige dat je kunt doen is: het waarmaken wat je zelf bent; de rest blijft een komedie die zinloos is. Het is een schijnwereld waarmee je niet verder komt.
Ik wil afsluiten met een lering, de betrekkelijk vroeg is gesteld. Ze stamt uit een inwijdingsschool van de z.g. Witte Priesters ongeveer 4000 v. Chr. De formulering heb ik uit de aard der zaak wat aangepast aan de moderne tijd.
“Alle krachten rond ons zijn ëén en dezelfde kracht en alle werkelijkheden rond ons zijn één en dezelfde kracht. Zo is het dus niet belangrijk hoe wij deze kracht erkennen. Het is slechts belangrijk dat wij haar beleven.”
Alle krachten en alle vormen en alle werelden zijn één en hetzelfde. Indien ik de waarheid ken en ik weiger daarnaar te handelen, zo zullen zelfs de stenen mij de waarheid toeroepen. Dat doet mij denken aan Balaam en zijn ezel. Hier gaat het dus om de kwestie; alles maakt mij duidelijk wat ik ben en wat voor mij goed en juist is. Ik heb wel de vrijheid ervan af te wijken, maar alles zal het mij duidelijk maken. Het principe daarvan is dit: Alle dingen zijn één en gelijk. Daar waar ik de gelijkheid voor mijzelf verstoor, ontstaat er een tekort aan kracht. Laat mij het voor u vertalen. Er is een voortdurend evenwicht in de werkelijkheid. Daar waar wij voor ons het evenwicht verstoren, ontbreekt ons die kracht waardoor de verstoring tot stand is gekomen en lijden wij onder de onevenwichtigheid, die wij zelf hebben veroorzaakt. En volgens dezelfde leer:
“Niets kan teloor gaan. Gij kunt niets doen verdwijnen. Gij kunt het slechts veranderen of verplaatsen.”
Begrijpelijk, dat ze het zo zeggen, want het gaat om magie. In onze termen betekent het:
Er gaat geen kracht verloren. Niets van hetgeen wij vernietigen of scheppen verandert in wezen, want de kracht (de werkelijkheid) blijft altijd gelijk. Wij kunnen niets vernietigen, wij kunnen niets waarlijk bouwen, wij kunnen slechts voor onszelf teniet doen of voor onszelf waarmaken. Daar geen enkele kracht verloren gaat, kan niets waarlijk sterven. Daar geen enkele kracht kan worden versterkt buiten het normale evenwicht, zal niets in het bijzonder leven. Het evenwicht is een zaak van onszelf. Indien wij dat evenwicht aanvaarden, zijn wij één met de kosmos en zal al wat wij zijn voortdurend geuit zijn. Het zal voortdurend de gelijke kracht en gelijke mogelijkheid zijn. Verbreken wij dit, dan moeten wij zelf het evenwicht herstellen. Maar de kracht van de onevenwichtigheid ontbreekt ons.
Hier wordt het principe van de gelijkblijvende velden, de wet van harmonie en de wet van evenwicht even samengevat. Maar weer met een heel practische bedoeling. Er wordt eenvoudig gezegd: Als je op welk punt dan ook onevenwichtig bent, dan moet je dat evenwicht herstellen, anders word je er niet beter van, maar wel slechter.
Een hele tijd later (in 1800) vinden wij de leer van transmutatie van krachten. Deze leer zegt:
“De kracht, die ik op het ene niveau niet gebruik, zal ik kunnen richten en daardoor kunnen gebruiken op het andere vlak.”
De transmutatie is dus eigenlijk alleen maar een evenwicht herstellende functie. Indien ik iets niet kan uiten op de ene manier, dan moet ik dat doen op een andere. En als die uiting voor mij noodzakelijk is en ik laat haar achterwege, dan lijd ik eronder.
Die grondregels of kosmische geheimen zijn ontzettend practisch. Misschien wel omdat wij zelf deel zijn van de kosmos. Wij kunnen niet zeggen dat de kosmische regels alleen ver boven ons gelden; dan zouden het geen kosmische regels zijn. Ze zijn alleen waar en belangrijk, als ze voor ons werken. Dezelfde kracht, die het evenwicht van de kosmische velden in stand houdt, die ervoor zorgt dat sterrennevels elkaar in balans houden, die zorgt er ook voor dat wij in onszelf primair evenwichtig zijn. Als wij door onze denkbeelden het evenwicht verstoren, dan kunnen wij dat nooit op één punt doen; dan gaat dat altijd op vele punten tegelijk. Zo eenvoudig is het.
Als wij spreken over de spiraal van tijd, dan kunnen we zeggen: Wij gaan langs die spiraal en geloven het verder wel. Misschien maken we er een Louteringsberg van waarlangs wij omhoog klauteren, terwijl onze vijanden nog in marteling geboeid zijn. Maar de werkelijkheid is, dat wij de hele spiraal zijn. Zodra wij durven beseffen vanuit de totaliteit van ons wezen, dan zal op elk moment en in elke vorm het totaal van kracht en van kennis aanwezig zijn. Daarop kunnen wij ons beroepen. Maar dan moeten wij wel met het idee breken, dat het nu en de daad van morgen en het gebeuren van gisteren belangrijk zijn. Wij moeten inzien dat dat een uitdrukking is van een totaliteit. Dan pas komen wij verder.
Ik weet niet, of ik u hiermede iets dichter bij kosmisch begrip heb gebracht. Ik had natuurlijk nog heel wat meer citaten kunnen geven, maar is het wel nuttig om al die woorden te citeren. Als je zegt: In het boek Yang staat; of Jezus heeft gezegd, of de Wereldmeester heeft verkondigd, dan staan de mensen stil in ontzag en zeggen: Ja, voor die groten is dat zo, dat zal wel waar zijn. Maar kan er iets zijn, indien ik het zelf niet waarmaak?
Ik geloof, dat ons grote probleem altijd weer is, dat wij de dingen ver boven ons stellen. Dat wij de hemel en de hel ergens ver weg plaatsen en denken dat wij er zelf tussenin dobberen. Maar wij zijn deel van de hemel en wij zijn deel van de hel. Daaraan kunnen wij niet ontkomen. Als wij dit maar begrijpen de kosmos vindt in ons, voor ons zijn brandpunt. Al wat er in de kosmos bestaat, omschrijft ons en erkent ons, zoals wij vanuit onszelf alles erkennen en omschrijven. Zoals er staat van Adam: Hij ging rond en hij benoemde de dieren en gaf de planten hun namen. Zo zijn wij. Wij gaan rond. Wij benoemen de wereld, naar we veranderen haar niet. Maar wat Adam was, werd door wat hij deed en door hetgeen er rond hem was in wezen bepaald. Want hij was mens, omdat het andere niet mens was. Daardoor was de harmonie in een volledige scala in het paradijs uitgedrukt.
Zo is het met ons. Wij moeten gewoon ervaren wat wij zijn. Niet als eenling of als tegenstelling tot het geheel, maar als een brandpunt volgens ons eigen besef, waarin alles wat rond ons bestaat ons omschrijft en alles wat wij zijn vanuit onszelf gelijktijdig de gehele kosmos bepaalt. Niet alleen één moment of één wereld, maar de eeuwigheid.
Als wij dat kunnen vinden, hebben wij de spiraal en de kringloop gevonden. Dan hebben wij het kosmisch geheim van de bezielde sterren gevonden en de werkelijkheid van onszelf, de oneindigheid van ons werkelijk “ik” en de vliedende onbelangrijkheid van de projecties van dit “ik”, waarin het ten hoogste zichzelf erkent, maar nimmer zichzelf kan wijzigen.

De kosmos

Wat is de kosmos? De kosmos is de naam, die wij geven aan alle dingen samengevat zonder precies te weten wat erin zit. Kosmos is een hutspot, die je eet in een vreemd restaurant. Wat zit er dan al zo in?
De grondbestanddelen zijn bekend: energie, materie, krachtvelden en geest. Maar behoort de hel nu ook tot de kosmos? Er zijn veel mensen, die zeggen; “ja”. Ik zou zeggen; eigenlijk niet. De ziel is het ei vanwaaruit de kosmos is uitgebroed. In de praktijk komt het hierop neer:
Er is een ziel. De ziel behoort niet bij het vorm bezittende. En als je er niet bij hoort, kun je er ook niet in zitten. De werkelijke ziel is datgene waaruit de rest voortkomt.
Wat is kenmerkend voor de kosmos? Er zijn grote leegten in en er zijn agglomeraties van materie. Waarom zijn er grote leegten? Een eenvoudig mens zou zeggen: Omdat er niet voldoende materie is om alles vol te stoppen. De praktijk is wel dit: de materie is a.h.w. een hiaat in wat wij de leegte noemen. De mensen denken, dat de gaten in de kaas de enige substantie is. Maar het is omgekeerd. In de kosmische kaas is, wat wij leegte noemen, de potentie van het bestaan, en alles wat wij daarin zien als sterren, planeten en zelfs de kosmische stofkorreltjes zijn eigenlijk de gaatjes, want deze dingen hebben kosmisch gezien geen reëel bestaan. De realiteit bestaat voor ons, omdat wij toevallig zo zijn ingesteld dat wij sterker reageren op een veld van in zichzelf gebonden materie dan op het vrije veld van energetische potentialiteit. Maar dat neemt niet weg dat daar waar materie is, er eigenlijk een breuklijn ontstaat; een soort gat in de eenheid van een kosmisch veld. Als wij dan spreken van kosmische stralingen, dan moeten wij ons realiseren dat deze stralingen voor een heel groot gedeelte niets anders zijn dan de gevolgen van een evenwichtsverstoring in het op zichzelf harmonische geheel van de kosmos, dat deel dat wij de leegte noemen.
Ik stel nu het volgende:
Wat wij zien als kosmische velden is in wezen de reactie van de kosmische energie op het bestaan van hiaten in haar eigen veldlijnenstructuur. Dan is het duidelijk, dat het evenwicht van de kosmische velden mede zal worden bepaald door de hoeveelheid materie die aanwezig is en de wijze waarop die materie onderling verdeeld is. Datgene wat wij de leegte noemen, is in wezen de directe reproductie van de scheppende Kracht. Anders gezegd: het beeld van God dat voor ons het dichtst bij de werkelijkheid ligt, is de leegte waarin de materie bestaat.
Die leegte zelf bezit een energie, groter dan van alle zonnen bij elkaar. Als we alle zonnen van een Melkwegstelsel bij elkaar nemen, dan hebben we alleen maar een klein sputterend vonkje in de zee van licht, die wij als leegte beschouwen.
De ruimte heeft haar eigen spanning en structuur, ook als die ruimte vanuit ons standpunt leeg is. Daarom zal in dit hele, zeg, lege deel van de kosmos wel degelijk een structuur aanwezig zijn. Deze structuur bepaalt de buiging van alle verschijnselen. Dit betekent, dat licht niet in een werkelijk rechte lijn gaan kan en dat de intensiteit, waarmee het licht uit de bron (het is een straling) wordt uitgezonden, bepalend is voor de buiging die dit licht ondergaat. Zou het onderweg geen verlies aan energie lijden, dan zal het tenslotte tot zijn bron terugkeren. Daardoor is het gehele Al besloten voor een ieder, die ziet op basis van licht. De begrenzing is dan gelegen in het feit, dat licht zich niet rechtlijnig kan voortplanten.
Op het ogenblik, dat ik in staat ben om mij in de kosmos a.h.w. rechtlijnig te bewegen tegen haar lijnstructuur in, kom ik in een situatie te verkeren, die men als een andere dimensie gaat beschouwen, omdat alle wetten van tijd en ruimte, zoals die normaal bestaan, worden opgeheven en gecompenseerd door de invloeden die wij bij het snijden van de kosmische krachtlijnen zelf zullen ondergaan.
Als u dat zo bekijkt, is de kosmos dan niet een ontzettend ingewikkeld ding? Dat lijkt zo, toch is ze in wezen eenvoudig. Je zou het misschien zo kunnen zeggen: Ons beeld is gespikkeld. Dat maakt het complexer. Maar wij begrijpen niet, dat zodra wij die storing opheffen, wij één geheel zien.
Voor de geest is het nu toevallig zo, dat zij anders reageert op diezelfde krachtlijnen van de kosmos dan de materie. Voor de geest geldt nl. dit: zij kan voor zichzelf aan elke krachtlijn energie onttrekken zolang die behoort tot de kosmische structuur; u zou zeggen; tot de leegte. Op het ogenblik, dat de geest zich echter beweegt in een afwijking van deze structuur, zal zij afgesloten zijn van die krachtbron en zal zij andere krachtbronnen voor zich moeten aanboren. Dit kan zij slechts op basis van haar eigen harmonie en eigen afstemming. Dan is het dus heel eenvoudig te zeggen: De sferen, waarin de geest volgens haar eigen besef normaal leeft, zijn vanuit uw standpunt leegte. Wanneer de geest zich openbaart, dan is de grens die zij moet overwinnen die van het leven in een kosmisch geheel naar het leven in een beperkt of materieel gebonden geheel.
Nu komen we aan een heel vreemd punt. Wij hebben gezegd: de geest voedt zich met het krachtveld, uit te drukken als krachtlijnen, waarin de leegte haar potentie a.h.w. bewaart. Indien wij geesten nu naar de aarde komen, wat zou dan denkt u een van de krachtbronnen kunnen zijn? Het eerste idee zou zijn: het aard magnetisch veld. Maar het aardmagnetisch veld wijkt in de eigen energie nogal sterk af van dat wat de geest kan gebruiken. Dan is er nog maar één krachtbron dat zich ook als een veld rond de aarde beweegt en dat is het lucht electrisch potentiaal of als we het anders willen uitdrukken; het statisch verschil tussen buitenste atmosfeer en aarde. Hier ontstaat namelijk een in zichzelf energiebevattend veld, dat bovendien door de aardrotatie voortdurend wordt aangevuld. Bij uw aarde draait namelijk de atmosfeer net een klein tikkeltje langzamer dan de aarde zelf. Als de mensen dat merken, dan zeggen ze niet: De aarde draait sneller dan de lucht, maar ze zeggen; Er is een jet- wind.
De geest leeft in een eigen wereld; maar die wereld is vaak beperkt. Waar komt die beperking vandaan? U zoudt kunnen zeggen: Dat ligt aan het besef van de geest. Dat is wel waar, maar er komt ook nog iets anders bij; het ligt aan de opbouw, welke de geest voor zichzelf maakt. Hoe meer ze de voorstelling baseert op materie, des te minder ze geneigd is om van de werkelijke potentie van die z.g. leegte gebruik te maken. Wanneer dus een geest haar begrip van vorm verliest, wordt ze in wezen krachtiger, omdat ze meer kracht kan onttrekken aan de kosmische werkelijkheid waarin ze bestaat.
Als u nu denkt dat dit alles ingewikkeld is, dan heeft u zich waarschijnlijk nog niet beziggehouden met de consequentie, die verbonden is aan de binding tussen ziel en geest.
Kunnen wij nu de ziel uitdrukken als een energie? Wij doen dat meestal wel. Wij zeggen: De ziel is de eeuwig brandende vonk, het werkelijke bestaan, waaromheen zich het bewustzijn groepeert en daar kan dan bovendien de stof nog bij komen. Maar als we kosmisch de ziel willen beschouwen, wat is de ziel dan?
De ziel is een functie, die t.a.v. de kosmos negatief is, want ze bezit geen eigen energie. Zij bezit slechts een eigen fixatie t.a.v. de bron; en deze fixatie op zichzelf houdt geen kracht in. De ziel bezit dus alleen het vermogen tot bezielen. Zij kan door dit bezielen in zich begrip krijgen voor haar relatie met de bron waarvan zij deel uitmaakt, maar verder dan dat gaat het niet. Laten we het zo zeggen: Een stukje mozaïek is in staat zich te personifiëren in b.v. een cel van het oog van een beschouwer. Het kan daardoor de zenuwsignalen ontvangen waardoor het beeld van het geheel ook wordt ontvangen. Het stukje weet nu wat de voorstelling is waarvan het deel uitmaakt, maar het blijft zichzelf.
Nu zitten we met de grote moeilijkheid: Wat doet nu die ziel? Wel, de ziel realiseert zich haar eigen deel aan de totaliteit. Of anders gezegd; De ziel is een functie van het Goddelijke, welke door haar projectie van haar eigen wezen naar materie en kosmos voor zichzelf een beeld krijgt van een functionaliteit en daarmee haar noodzaak zichzelf te beperken verliest.
Dit zijn allemaal heel mooie gezegden. We zouden het misschien nog ingewikkelder kunnen maken door God erbij te halen.
God is iets wat de mens gebruikt ter vereenvoudiging van de vraagstukken waarmee hij anders geen raad weet. Maar als u God als een werkelijkheid gaat beschouwen, dan is dat het meest complexe dat er bestaat. Het maakt alles wat er voor ons bestaat nog veel ingewikkelder, omdat God daarin aanwezig is, maar wij niet weten waar, hoe of wat.
Ik heb altijd een hekel gehad aan mensen, die God erbij haalden. Natuurlijk, God is de basis van de kosmos. Dat geloof ik direct. Maar wat is de basis van iets wat in zich niets is, doorspikkeld met een paar gaatjes van iets wat wij iets noemen. Ik geloof niet, dat je daarvoor ooit een formule kunt vinden. Daarom ben ik geneigd om God een beetje buiten beschouwing te laten. Niet als de Kracht, als de Werkelijkheid. Dat ervaar ik wel. Maar ik vind gewoon, dat je er niet over moet praten.
Nu kom ik tot een paar eindconclusies;
1. Indien wij de kosmos beschouwen als een geheel, moeten wij beseffen dat de meerderheid van alles (zelfs van de materie) in wezen leegte is. Deze leegte is de essentiële waarde van de kosmos. Indien wij het als leegte beschouwen, maken we waarschijnlijk een fout. Wij zien het geheel als het ware in negatief, waar wij zwart-wit noemen en wit-zwart. Daardoor wordt voor ons de materie belangrijk. De wijze, waarop wij de materie belangrijk achten, is voor ons noodzakelijk, omdat wij zo tot een vormomschrijving van onszelf komen. Maar hebben wij eenmaal die vormomschrijving, dan zullen we zien dat wij geen vormen, maar eigenlijk eigenschappen hebben omschreven. Eigenschappen kunnen in het Niets als potentie bestaan, zonder dat uiting noodzakelijk is. Als wij over dat kosmische Niets praten op die manier, dan zitten wij heel dicht bij wat men wel Nirwana noemt.
2. De mens is een wezen, dat aan zijn negatie van kosmische waarden zijn ervaring pleegt te ontlenen. Daar waar de kosmische waarden door de mens volledig worden aanvaard en ervaren, zal hij zichzelf oplossen, omdat de kern van zijn wezen en structuur datgene is wat wij Niets noemen. Dit is heel belangrijk voor mensen die denken, dat ze iets zijn. Want hoe meer ze proberen iets te worden, hoe verder ze afdwalen van de werkelijkheid van hun wezen dat altijd niets blijft.
3. De band tussen ziel, geest en stof komt kosmisch tot uitdrukking door het feit dat de ziel – niet tot de kosmos behorend, zoals deze bestaat in stoffelijke en geestelijke zin althans – daarin waarneemt, daarin zich tracht te projecteren en daaruit een definitie van eigen functie kan verwerven.
4. De geest in zichzelf is een bewustzijn. Het behoort tot het wezen van de kosmische structuur en is dus als zodanig ingesteld op de krachtlijnen, de velden, die het Niets in wezen bevat.
5. Het lichaam, dat in de materie bestaat, is ten aanzien van de geest dan een negatieve factor. Het is iets wat voor een ogenblik als verschijnsel aanvaardbaar is maar niet continu. Daarom moet de mens vanuit zichzelf de belangrijkheid van het lichaam een beetje relativeren. Pas dan zal hij beseffen dat zijn geest, die de werkelijke kracht aan de kosmos kan ontlenen, dit alleen kan doen, indien het stoffelijk besef tijdelijk terzijde wordt gesteld. Deze kracht die de geest bevat, kan wel naar de stof worden overgebracht. Iemand, die dit besef tussen lichaam en geest laat circuleren, zal heel wat meer kracht kunnen verkrijgen, ondanks de beperkingen die daarvoor bestaan als je in de stof leeft.
Daarmee geloof ik, dat ik over de kosmos wel het een en ander heb gezegd. Waarschijnlijk niet voldoende, maar dat is het nooit. Ik meen, dat het genoeg is om er eens over na te denken.