Kosmische spiegelingen en misverstanden

image_pdf

9 oktober 1964

Bij het begin van onze bijeenkomst moet ik u er natuurlijk even aan herinneren, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Waarna ik over kan gaan tot het eigenlijke onderwerp van de avond: Kosmische spiegelingen en misverstanden.

Wanneer u de titel hoort, zo zult u zich wel afvragen: Waar gaat dit eigenlijk over? Wat is een kosmische spiegeling? Om dit duidelijk te maken, zullen wij allereerst maar een heel eenvoudig beeld gaan gebruiken.

Stel hier boven de kosmos, uitgedrukt in krachten, wij kunnen ook zeggen, de wereld der oorspronkelijke Lichten. Stel haar begrenst en trek van de twee uitersten lijnen, die elkaar gelijkmatig kruisende op lager niveau, een even grote lijn begrenzen. Alles beneden het kruispunt noemen wij actieve energie en materie. Verder is er sprake van een overdracht van waarden in overeenstemming met de grenslijnen. Teken u dit eens uit.

Dan is uw wereld een spiegeling van de kosmische wereld: Links werd rechts, rechts werd links. Er was dus een omkering van waarden. Wanneer het deel van God, de kosmische wereld, die wij kunnen beleven, verandert, zo verandert ook de wereld, het spiegelbeeld daarvan, dat wij zien.

Vaak zien wij dit als een beweging, een ontwikkeling. Het vreemde hierbij is echter, dat de waarden op aarde zich in tegengestelde richting schijnen te bewegen van de Hogere ontwikkelingen. Want met de laatste term geven wij meestal ons bewustzijn weer van verandering – beweging – in de kosmos.

Wanneer u dit kunt begrijpen, kan ik u mijn verdere onderwerp waarschijnlijk zonder meer duidelijk voorstellen. Want de wereld van de stof, waarin u, zich op het ogenblik bevindt, ziet de werkingen van de kosmos nu eenmaal als een ontwikkeling. Vandaar waarschijnlijk, dat men op aarde zo graag spreekt van een kosmische evolutie. Daarbij gaat de mens – ik weet niet waarom – de laatste tijd in zijn denken steeds van links naar rechts, ofschoon deze benamingen van bepaalde bestrevingen in staten, waar men niet aan God zegt te geloven, wel eens omgekeerd worden. De feiten blijven echter gelijk.

Dit betekent, dat de mens stelt: Dit is kwaad, dat is goed. Door zijn niet begrijpen van de spiegeling en zijn toch aanvoelen van de kosmische werkelijkheid, zal de mens echter meestal stellen: Het kwaad dringt steeds meer op, de invloed van het kwade in onze wereld wordt steeds sterker. Hij begrijpt daarbij niet, dat zijn kwaad – door de resultaten die het voortbrengt – evenzeer ‘goed’ genoemd kan worden. Hij begrijpt nimmer helemaal, in welke richting de eigenlijke ontwikkeling van de mensheid zich beweegt, en hij meent maar al te vaak, dat de ontwikkelingen, die hij in eigen wereld waarneemt, een rechtlijnige weergave vormen van de kosmische vooruitgang. Ook dit klopt echter niet geheel.

Om dit alles met enkele voorbeelden duidelijk te maken, een vraag: Waar vindt men de meeste heiligen? Antwoord? Daar, waar het “kwaad” het grootste is. Raar, maar waar. En waar treden de grote meesters op? In beschavingen in volle bloei zoals volgens de stellingen van velen het meest logische zou zijn?

Maar dan had Jezus het beste naar Rome kunnen gaan. Zijn opvolgers of volgelingen hebben dat dan ook onmiddellijk gedaan. En de Boeddha had zich waarschijnlijk beter in het Chinese rijk kunnen manifesteren dan te midden van de vele kleine en steeds weer strijdende staatjes van Indië. Zij deden dit echter niet. Waar een brandpunt is, van wat wij verwarring en misère plegen te noemen, daar ontstaat gelijktijdig een werking, waardoor hogere goddelijke waarden en hogere geestelijke waarden in de mens tot uiting komen.

Wanneer wij nu zien, wat er uit de ellende, haat en verwarring van het rond de tijd van Jezus leven nogal zwaar bezette Israël terecht is gekomen en de christenheid van deze dagen bezien, zo zullen wij toe moeten geven, dat, ook al beantwoordt de christenheid zeker niet aan de leer van de Meester in zijn meest ideale vorm – de wereld sterk heeft veranderd en een geheel nieuw geestelijk klimaat heeft geschapen in een groot deel van de wereld. Het gebeuren is dus, nu bezien, een bijzonder gunstig en geestelijk vruchtbaar iets geweest. In de dagen van Jezus zelf zou de in menselijke termen bewuste mens echter waarschijnlijk gezegd hebben: Welk een ellende, wat een kwaad. Rome perst het land uit. De Viervorst rooft wat overblijft, om aan zijn zucht naar weelde, pronk en praal tegemoet te komen. De Romeinse soldaten leven vaak van het land. En bij dit alles komt dan nog een revolutionaire prediker, die het enige, wat ons nog onaangetast mocht blijven, de tempel, ook nog aan gaat vallen. Wat een toename van kwaad op de wereld, welk een duivelse ontwikkeling. Zet dit beeld nu eens om in uw eigen tijd. Dan gaat u misschien ook begrijpen, wat ik met de kosmische spiegeling bedoel.

Een kosmische spiegeling betekent dus in feite, dat de geestelijke en goddelijke waarden dus in vele gevallen niet identiek zijn met de stoffelijke begrippen en waarden, maar vaak juist het omgekeerde beeld tonen.

Nu kunt u misschien begrijpen, waarom door zovele geestelijk bewusten de armoede zalig wordt geprezen, terwijl armoede toch zeker door de meerderheid zal worden verworpen en rijkdom wel een menselijk ideaal genoemd kan worden. Ook hier weer de tegenstelling: De geestelijke rijkdom is iets, wat over het algemeen gepaard gaat met een stoffelijk gebrek, een armoede. In de ogen der mensen zal dit misschien niet altijd opgaan, maar het klopt zelfs volgens deze normen vaak.

Ik neem nu aan, dat u met het begrip spiegeling enigszins vertrouwd bent geraakt en ga nog een stapje verder. Wij hebben dus deze X getekend, met boven het vlak kosmos en beneden het vlak materie. Wij hebben gedaan, of daar verder niets tussen bestaat. Maar er kan wel degelijk worden gesteld, dat hiertussen nog vele waarden bestaan. Wij hebben immers niet alleen te maken met, aan de ene zijde van het bestaan, de eeuwigheid, en aan de andere kant het tijdelijke en materiële. Daartussen zijn nog ongetelde werelden aanwezig.

Daarom breiden wij onze voorstelling uit tot die van een projectie. Wij hebben allereerst het beeld – de goddelijke gedachte en het Licht, de Goddelijke Kracht. Wij zien verder – de X – het lenzenstelsel, waarmede wij projecteren. Het laatste kunnen wij, tezamen met het geprojecteerde beeld, waarschijnlijk nog het beste de goddelijke uiting noemen. Stel nu, dat er in het lenzenstelsel een klein dondervliegje dringt. Op het projectiescherm ziet men nu een voortdurend fladderende schaduw en een verduisteren van een, in verhouding tot de afmetingen van het vliegje, zeer grote verduistering van een deel van het doek. Het schijnt ons, oordelend aan de hand van het geprojecteerde beeld, toe of er heel wat bijzonders aan de hand is, een grote fout bestaat, terwijl het in wezen toch maar een zeer klein en onbelangrijk wezen is, dat met beeld en licht feite niets te maken heeft.

Wanneer men in een bepaalde sfeer een actie ontketent, terwijl deze sfeer hoog genoeg is, om boven de kruising van de X te staan, zullen betrekkelijk kleine veranderingen daar voor de aarde onvoorstelbaar grote schaduwen en zelfs enorme drogbeelden op kunnen roepen. Wanneer er in een sfeer die beneden de kruising ligt, iets gebeurt, is de werking in verhouding veel minder.

Dan lijkt het meer op de meneer, die in een ouderwetse bioscoop opstaat en daarbij even in de straal van de projector komt. Wil je het schaduwbeeld zien als een deel van de film zelf, dan begrijpt men van de getoonde scene niets meer.

Maar beseft men de oorzaak, dan zal men hoogstens zich even ergeren en uitroepen: Ga zitten.

Daarmede hebben wij een voorbeeld van de twee soorten van storingen, die hoofdzakelijk voor kunnen komen in de projectie van de Goddelijke Werkelijkheid, die wij beleven als onze wereld.

De mens is geneigd, uit te gaan van een vast systeem, van vaste verhoudingen en denkbeelden. Hij is niet zo plooibaar en past zich niet zo gemakkelijk aan als men aan de hand van de geschiedenis van het ras zou vermoeden. Vooral wanneer het denkbeelden betreft, is dit van kracht. Er zijn mensen, die alles in hun leven willen en kunnen veranderen, maar liever sterven dan hun denkbeelden te veranderen, zelfs al zijn die zo dwaas en koppig, dat zelfs een ezel zich daarvoor zou schamen.

Mensen zullen vaak voor hun – verkeerde – denkbeelden liever sterven, dan ongelijk toe te geven en voor een enkel ogenblik verstandig te zijn. Dergelijke mensen gaan over het algemeen uit van de onveranderlijke waarheid van hun leven en wereld, zoals zij dit zien. Komt er nu in die wereld een niet reële factor – de schaduw van het vliegje – dan is er opeens iets, waarmede zij geen raad weten. Om een mogelijke verklaring te vinden, zullen zij nimmer aannemen, dat er iets aan de gang is in een andere wereld of sfeer, maar zullen zij steeds weer stellen: dit is een ontwikkeling van onze eigen sfeer of wereld. Zo bouwen deze mensen een systeem op, waarbij de in feite zonder belang voor hen zijde storingen in hogere of kosmische werelden, een aanpassen en veranderen van hun systeem moeten betekenen, of iets vormen, waartegen zij ten strijde moeten trekken. Het gevolg is wanorde: Een regel heeft een dergelijke schaduw immers niet.

  • Waar ligt het brandpunt van die X eigenlijk?

Laat ons eenvoudigheidshalve zeggen: precies op de helft van de goddelijke waarheid en de materie. Want de X is uiteindelijk alleen maar een erge vereenvoudiging van de feiten, een voorbeeld.

  • Is het snijpunt verplaatsbaar?

Indien wij het ingewikkeld willen maken? Ja. Het snijpunt is inderdaad verplaatsbaar, omdat de wereld waarop je leeft niet alleen bepaald wordt door de materiële structuur, maar ook door het bewustzijn, dat er op leeft. Naarmate het bewustzijn zich verhoogt, verplaatst zich – voor dit bewustzijn en de materiële vormen waarin het zich uitdrukt – het snijpunt. Dit maakt de zaak echter nodeloos ingewikkeld binnen het kader van onze les van vandaag. Zullen wij eenvoudigheidshalve daarom voorlopig dit punt maar als vaststaand aannemen? Dus: Een vast brandpunt.

Zo, nu komen wij dan tot de misvattingen, die ook in de titel werden genoemd: Wanneer ik ontdek, dat iets bevorderlijk is voor bv. een materiële orde, zo zal men op aarde geneigd zijn dit goed te noemen. Wat ik daarbij vergeet is dan, dat dit gelijktijdig geestelijk kwaad, verkeerd kan zijn. Om een voorbeeld te geven: Ik geef de mensen een steeds grotere zekerheid. Zij zullen dus steeds minder beslissingen hoeven te nemen en steeds minder risico’s hoeven te nemen. Dat is, stoffelijk gezien, een ideale toestand. Wat gebeurt hierdoor echter op geestelijk terrein?

Omdat de behoefte tot een persoonlijk werken en uiten in de stof, in wezen minder wordt en een soort gelijkschakeling op gaat treden, zal de neiging tot een persoonlijk en onafhankelijk geestelijk werken eveneens verslappen. Pas wanneer de zekerheid op zich weer tot een probleem gaat worden, kan daaruit ten laatste toch weer een meer positieve geestelijke ontwikkeling ontstaan.

Je zou kunnen zeggen, dat de gehele wereld ons dergelijke voorbeelden en invloeden oplevert. Of wij nu spreken van economie, van de rechten van de mens, seksualiteit, wetenschap, steeds weer zullen wij met soortgelijke verschijnselen geconfronteerd worden.

De ontwikkeling in de materie loopt zeker niet parallel aan de geestelijke en is in sommige gevallen zelfs daaraan tegengesteld. Wij zouden bv. kunnen zeggen, dat de atoombom niet een grotere kans op wereldvrede en onderling vertrouwen tot stand bracht, maar eerder meer angst in de wereld bracht, wat geestelijk grotere vijandschap en vervreemding bracht.

Nu is dit alles nog te aanvaarden. Uiteindelijk is dit alles nog een effect van de spiegeling. Maar naarmate een grotere discrepantie ontstaat tussen de geestelijke ontwikkeling en het stoffelijke bereikte of waardevol geachte, zal elke projectie uit een andere wereld of sfeer voor de mens een grotere illusie gaan betekenen. De mens wordt dan immers geconfronteerd met iets, dat volgens hem passen moet in zijn wereld en denken. Hij kan deze aanpassing alleen tot stand brengen door de feiten nog verder te verdraaien. Want hierbij zal de mens immers zijn gevoelens van meerwaardigheid, zekerheid enz. immer trachten te behouden. Hij komt dan ook in de toestand te verkeren van een verdorstende man in de woestijn, die zich in een luchtspiegeling van een meer wil gaan baden, die daar wil drinken en zo van de weg afwijkt, die zijn redding nog zou kunnen betekenen.

Dit alles is, t.a.v. de werkelijkheid, niet veel meer dan een inleiding. Nu komt de kosmos zelf aan de beurt.

Wij hebben in deze dagen te maken met een verandering van de voor deze wereld geldende Kosmische Heerser. Hierdoor verschuiven opeens in de projectie van de werkelijkheid, de goddelijke waarden, die van het hogere naar het lagere worden geprojecteerd. Het is, alsof het ene lantaarnplaatje door het andere wordt afgewisseld. Stel, als voorbeeld, dat het eerste plaatje een landkaart is, terwijl ook het tweede een landkaart, maar een andere, bevat. Nu is de oude landkaart aan de mensen bekend. Zij willen dus de wegen gaan, die zij daarop kennen. Nu komt opeens de projectie van een nieuwe landkaart, een andere wereld. De mens past zich niet aan bij de nieuwe kaart en volgt niet de wegen, die daarop aangegeven zijn, maar wil voortgaan, alsof de oude wegen nog aanwezig waren. Wat weer betekent dat men over rotsen moet gaan, gevaar loopt in ravijnen te vallen of voor rivieren komt te staan, zonder dat er sprake is van een brug en wat dies meer zij. Misschien denk je een plein te betreden en kom je in werkelijkheid in een weiland met een stier, die, zo niet de juistheid van richting, toch wel de snelheid van voortbewegen aanmerkelijk vergroot. Dit onvolledige en in wezen wat absurde beeld geeft echter een verandering aan, die feitelijk is. De verandering van Kosmische Heerser heeft zowel voor ons in de sferen als voor u op aarde, verschillende nog niet gekende problemen geschapen.

Deze problemen hangen niet alleen maar samen met de geest en de geestelijke weg. Wanneer de geest zich moet bewegen naar een grotere vrijheid, terwijl gelijktijdig de stof gericht is op een grotere ordening, zo zal dit – kosmisch gezien – volledig in de haak zijn, zolang het bewustzijn ligt boven het snijpunt van de X, waarover wij spraken. Anders gezegd: Wanneer het bewustzijn zich beweegt in een erkenning van het goddelijke, is het – ongeacht de schijnbare tegengerichtheid – in wezen een gelijklopende ontwikkeling in de geest en op aarde. Dit echter is nog niet het geval.

Het gemiddelde bewustzijn van de mens bevindt zich wel wat hoger dan het zuiver materiële vlak, maar toch wel degelijk in hetzelfde deel van de X, in het gebied waar omkering door spiegeling optreedt dus. Daarom wordt de tegenstelling tussen geestelijk peil of mentaliteit, en stoffelijke mogelijkheid of bereiking hem vaak bijna fataal. Door deze spanningen heeft de mens maar weinig oog voor al, wat er in de kosmos nog meer gebeurt. Ik denk daarbij bv. aan het ingrijpen van hogere geesten. Deze geesten immers staan dicht bij God.

De hogere geest ligt dus boven het brandpunt. Nu wil deze hogere geest haar wezen en werken op aarde tot uiting doen komen als een bevordering van naastenliefde. Maar de mens, die de bron niet beseft, stelt: Dit past niet. Dit gaat in tegen mijn sociale orde. Men begrijpt niet, dat dit een kwestie is, die men in de eerste plaats geestelijk op moet lossen. Men wil het materieel oplossen. Wat weer betekent, dat men het geheel tegengestelde van het gezochte bereiken zal.

Ik wil u een voorbeeld van dergelijke vergissingen geven. Wij weten allen, dat de nadruk op Godsbeleven, godsdienst, occulte erkenningen en mystiek groter is geworden met het optreden van deze nieuwe kosmische heerser. Zelfs in de wereld zijn de tekenen daarvan niet meer te loochenen. U kunt het overal zien. Maar de mensen bezitten niet voldoende bewustzijn, om deze tendensen als zuiver geestelijk te zien en op hun eigen wijze te beleven. De leus is niet meer: Ik moet opgaan tot God. Maar eerder: Ik moet God tot mij of tot de mensen brengen. Het gevolg is bv., dat de mensen steeds meer kerken willen bouwen, steeds meer zending willen bedrijven, maar het ene niet bezitten, wat van werkelijk belang is: de innerlijke kracht, waardoor men rust kan geven aan de mensen en hen zo in staat kan stellen, om in zich de werkelijke band met God te vinden.

Het is, alsof je iemand in plaats van een gewone rustige slaap, probeert zoet te houden met opiaten. Een tijdlang kun je dat wel volhouden, maar op een gegeven ogenblik gaat het eenvoudig niet meer. Er zijn mensen op aarde, die iets van deze waarheid hebben ingezien.

Maar, materieel georiënteerd als zij zijn, stellen zij onmiddellijk daarop: Dus is godsdienst opium voor het volk. Waardoor de mogelijke erkenning tot misvatting is geworden; de godsdienst op zich is immers geen opium voor het volk, maar de wijze, waarop zij beleeft wordt: De uiterlijkheden, niet de werkelijke waarde van de godsdienst vormen de misleiding, het opiaat. De godsdienst op zich is een vorm, die voert tot parasitisme, waar zij wordt gezien als een organisatie of invloed groep op aarde, maar die een vrijwording van de menselijk geest betekent, zodra de mens hierdoor leert, voor zich tot God te gaan.

Er zijn vele voorbeelden van misvattingen te geven. Schaduwen van kosmische gebeurtenissen en zelfs werkingen in de sferen zien wij bovenal tot uiting komen door in wezen op niets berustende theorieën, die niet begrepen verschijnselen en inwerkingen pretenderen te verklaren en vooral op maatschappelijk vlak hun invloed doen gelden.

Er zijn bijvoorbeeld in de sferen acties geweest. Er was een tijd, dat de aardgebonden geesten invloed trachtten uit te oefenen op de mensen om zo te komen tot wat zij gevoelden als een voor hen noodzakelijke deelname aan het menselijke leven. Zij vormden toen dus a.h.w. het hoofd van de man, die door de straal van de projector loopt: zij kwamen tussen de bron van de Goddelijke kracht en de mensen. De mensen reageerden op deze demonische – vanuit menselijk standpunt – krachten, alsof dezen deel uit maakten van het goddelijke en een blijvende, voor alle tijden geldende waarde betekenden. Zij kwamen hierdoor tot handelwijzen, die geheel strookten met de bedoelingen van deze aardgebonden geesten, ofschoon zij zich in wezen daartegen wilden verzetten, het kwam toen o.m. tot de heksenjacht op “communisten” e.d.

Want ofschoon de werkelijke waarden van de goddelijke wil tegengericht bleven aan de materiële ontwikkeling, was het menselijke denken niet in staat dit geheel te beseffen. Men gebruikte dus de gelijklopende invloed van de meer duistere geesten omdat deze strookte met de stoffelijke noodzaken en ontwikkelingen, zoals de mens deze zag. Een vergissing, die op zijn minst onaangenaam is geweest en de sferen van Licht – inbegrepen die Lichtende sferen, die qua bewustzijn nog onder het brandpunt, de kruising van de X, liggen – heel wat moeilijkheden gaf. Het heeft jaren en jaren van strijd gekost, om de golf van haat, cynisme, wreed doorzetten van eigen denken alleen, welke door de aardgebonden en duistere geesten geprojecteerd werd, weer weg te nemen. Maar zelfs nu nog zijn de resultaten hiervan in de mensen nog kenbaar, al is de invloed zelf ook tot praktisch nul teruggebracht.

Hieruit blijkt de invloed van de werkzaamheden en veranderingen in een geestelijke sfeer op de mens. Of die sfeer nu leeft vanuit het Licht van een steeds groeiende godserkenning, of streeft naar duister, maakt daarbij weinig uit. Zelfs of zij boven of onder het brandpunt staat, is in wezen voor de mensen van weinig belang, want waar zij zich ook bevindt, tussen de goddelijke gedachte en de wereld van materie, zal zij voor de mensen kenbaar zijn.

Het resultaat is in vele gevallen droevig. Er zijn nu mensen, die menen, dat er een vaste en gelijkblijvende stoffelijke wet moet bestaan, omdat de kosmische wetten blijvend zijn, zelfs wanneer zij, zoals voor mens en lagere geest geldt, via een kosmische heerser op aarde wordt afgedrukt.

Zij concluderen dan: Wij moeten dus wetten en regels maken, die even hecht, eeuwig, en altijd geldend zijn als de kosmische wet, die wij in onszelf aanvoelen. Daarbij vergeten zij, dat de goddelijke wet geestelijk is en dus een wet van energie is, niet een wet van verschijning, van vorm. Zij beseffen niet, dat de goddelijke wet een wet is van leven, niet van formatie zonder meer. Zo komt men ertoe om, gedreven door de beste bedoelingen, op aarde denkbeelden te verwezenlijken, die feitelijk niet te houden zijn en gebruikt men procedures, die in wezen zinloos zijn.

Ik denk hierbij bv. aan de wijze waarop men de eenheid van de wereld tracht te bevorderen in de UNO. Als het naar mij ging, zou ik daar eens een stel Fijenoord-supporters heen willen sturen om de staatslieden aan te moedigen met hun: “Geen woorden, maar daden…” Men heeft begrepen, dat de werking, de trilling, het contact machtig zijn. De stoffelijke vorm hiervan is het woord. Zo meent men: Wij moeten met de macht van het woord, van de overtuiging, wereldvrede bouwen. Daarbij hebben zij een ding vergeten: Het ware woord is alleen geestelijk en zelfs kosmisch actief. Voor de meeste mensen is het dus strijdig met hun stoffelijk belang.

Een UNO, zoals zij nu bestaat, kan feitelijk niet functioneren, omdat haar stoffelijke activiteiten en haar geestelijk ideaal in wezen tegengesteld zijn. Het ideaal, geestelijk of ideëel bezien, is de eenheid van de wereld. Stoffelijk gesteld is het ideaal van allen, die de UNO vormen het uitdrukken van eigen belangrijkheid tegenover de wereld. Toch meent men, dat met dit uiten van eigen belangrijkheid, eisen en rechten de eenwording van de wereld gediend zal worden. Zo ontstaan dergelijke vergissingen: Projecties van eeuwige waarden, die wel aangevoeld, maar niet begrepen worden.

Aan de vergelijking kunnen we nog iets meer toevoegen: Wanneer ik bij projectie een zeer lichtscherpe lens heb, een zeer sterk licht, zal een storing in verhouding minder invloed hebben. Het beeld wat geprojecteerd wordt, is briljant en scherp gedefinieerd. De schaduw, die over dit beeld wegtrekt, is niet in staat het werkelijke beeld geheel te doen vergeten. Zelfs door de schaduw ziet men het werkelijke beeld en beseft men de werkelijke lijnen nog wel, zodat men op basis van het werkelijk geprojecteerde beeld blijft denken en werken. De storing blijft wel even aandacht vragen en blijft hinderlijk, maar de invloed, die uitgeoefend wordt op de toeschouwer is, juist omdat hij door het scherpe beeld gefascineerd wordt, veel minder dan in andere omstandigheden. Hoe zwakker wij het licht maken, hoe minder lichtsterk de lens zal zijn, hoe groter de storing, die veroorzaakt kan worden door een op zichzelf onbelangrijk iets als een vliegje in een lenzenstel, of de man die opstaande, even zijn schaduw op het doek werpt. Ook hierover moeten wij nog eens even nadenken.

De meeste mensen stellen zich een kosmische heerser voor als een lantaarnplaatje: In de hemelklok klikt er iets, en waar zo even de vissen nog blonken, staat nu Aquarius, voluit, in alle grootheid en macht. Maar de werkelijkheid is wel even anders: de kracht, die uitging van de vorige Heerser, nam langzaam af. Zijn maximum aan energie – aan licht – heeft hij na de aanlooptijd gegeven.

Daarna was er een steeds grotere aanvaarding van zijn wezen en was er steeds minder weerstand tegen zijn wezen, om hen tot afgifte van energie te prikkelen. Wij krijgen dan dus reeds een licht verzwakking, die steeds groter wordt. Nu komt de volgende kosmische Heerser naar voren. Deze heeft echter, ook na het heengaan van de voorgaande, nog niet voldoende vat op de wereld gekregen, om zich daarin geheel kenbaar te maken. Ook nu is er dus maar weinig licht. Er ontstaat zo als het ware een trog, een dieptepunt, in de voor de mens duidelijk kenbare projectie van goddelijke waarden. Dan zal dus elke storing een overmatig grote afleiding betekenen.

Hieruit mag ik dan nu wel een regeltje trekken, dat naar ik meen, voor eenieder wel hanteerbaar is:

Naarmate wij dichter staan bij het absolute punt van wisseling tussen twee kosmische Heersers, zullen kleine invloeden een grotere werking hebben, ofschoon zij voor de mens geen reële, maar schijnbeelden produceren. Dit zal buitengewoon verwarrend worden.

Naarmate een Heerser aan geweld wint, zal de kleinere invloed, als bv. de inwerking van planeten vanuit eigen karakter, of sferen vanuit eigen werking, van minder belang zijn voor de reacties en het gedragspatroon van de mens. Ik sprak van planetaire invloeden in de zin, waarin de astroloog deze pleegt te zien, van invloeden van sferen in de zin van een ingrijpen vanuit een geestelijke wereld op aarde. Waarmede ik – naar ik hoop – althans een enkel punt gescoord heb in deze lezing.

Om dit alles duidelijk en redelijk vatbaar voor te stellen, zullen wij echter nog wat over drogbeelden moeten spreken. Want de verwarringen en vergissingen ontstaan door drogbeelden.

Wanneer je als mens de wereld beziet, zo leef je driedimensionaal voor je stoffelijk bestel. Gelijktijdig besta je geestelijk vierdimensionaal, terwijl je over een stoffelijk voorstellingsvermogen beschikt, dat alle problemen tweedimensionaal pleegt uit te drukken. Dit betekent dus, dat elke kosmische verhouding en zelfs elke beleving wordt teruggebracht tot een plat vlak, zodra het redelijk denken erbij betrokken wordt, waardoor aan perspectief veel teloor gaat en geen werkelijke diepte meer in de problemen lijkt te bestaan.

Ik geloof, dat wij hiermee goed rekening moeten houden, wanneer wij de werkelijke belangrijkheid van drog- en waanbeelden willen beseffen.

Een schaduw in een drie dimensionale wereld is slechts een accent, dat binnen het kader van het zijnde wordt gelegd. Deze zelfde schaduw zal op een tweedimensionaal vlak echter alle lijnen werkelijk overvleugelen en worden tot iets, wat als uit eigen recht bestaat. Dan zal iets, wat voor de mens met een goed geestelijk bewustzijn geheel onschadelijk is en in een driedimensionale wereld nog geen feitelijke invloed kan zijn, binnen het menselijk voorstellingsvermogen een kracht en een geweld verkrijgen, waardoor andere, meer reëel bestaande factoren voor dit bewustzijn tijdelijk of zelfs blijvend worden uitgewist. En dan wordt het lastig. Want wij krijgen nu te maken met het menselijke denken, de menselijke voorstellingen.

Op het gevaar af, dat u zegt “dat hebben wij al lang gehoord”, wil ik hier de ervaring van een vriend citeren, die eens een geest moest afhalen die op aarde wel heel erg vroom was aangelegd en daarom na zijn sterven een comité van engelen of duivels verwachtte.

Onze vriend toonde zich in zijn normale vorm, die heus niet zo afstotend werkt, en werd prompt afgewezen, omdat hij in de ogen van de ander een duivel moest zijn. Onze vriend nam toen de schijnvorm aan van een traditionele engel – die hij in wezen nog heus niet is – en werd daarom aanvaard voor dat, wat hij in werkelijk was en wilde zijn, een begeleider en helper. Hier hebben wij een aardig voorbeeld van de reactie van de mens op een beeld, dat niet past bij zijn eigen voorstellingsvermogen. Op dezelfde wijze zal een mens op een – op zich goede en juiste – inwerking uit de kosmos reageren, die niet binnen het kader van zijn denken past en daardoor voor hen aanvaardbaarheid ontbeert. Zo een dergelijke kracht of werking al erkend wordt, neemt de mens, krachtens zijn denken, reeds onmiddellijk aan, dat deze kracht – omdat zij strijdig is met zijn eigen denken – geen goede kracht kan zijn en dus kwaad beduiden moet.

In plaats zich te verrijken met de energie die vanuit de kosmos zo vaak gegeven wordt, worstelt de mens daarmee en verspilt daarbij de weinige energie, waarover men zelf nog beschikken kan. Dan zullen storingen op gaan treden, die zich bv. lichamelijk kunnen uiten in vele zenuwkwalen. Ook kan het een kwestie van uitputting worden of een afwijzen van de gehele wereld, omdat men er geen raad meer mee weet. Toch is dit alles alleen maar het resultaat van de kosmische spiegeling en het onbegrip voor de werkelijke waarden van stof en geest, waardoor men schijnbeelden ziet en aan bijkomende invloeden of storingen een in verhouding zeer onredelijke belangrijkheid toekent.

Belangrijk hierbij is de mogelijkheid tot associatie van inkomende impulsen met in het ik bestaande voorstellingen en waarden. Zoals in het gegeven beeld de overgegane alles, wat niet met zijn beeld van ‘engel’ strookte, onmiddellijk met de duivel associeerde, zal menig mens alles wat niet met zijn denkbeelden van bloei en groei strookt, onmiddellijk associëren met ondergang.

Iemand krijgt een impuls, die op zich geheel juist en waardevol is. Dit is de kosmische kracht, waardoor de goddelijke gedachte, of een deel daarvan, hem onvervormd bereikte, of slechts een kleine en onbelangrijke vervorming optrad. Nu heeft deze mens een vroegere storing, een schaduw in het Licht van de kosmos, als een volledige werkelijkheid aanvaard. Hij heeft dit in zijn denken uitgetekend als bv. een zwart vlak. Daarin mag dus geen Licht meer binnen dringen.

Zijn behoudzucht weigert die mogelijkheid ook maar te overwegen. Wanneer er geen weg in was, mag er ook nu geen weg in bestaan. Ieder en alles zal dit “zwarte” gebied voortaan moeten mijden, zal daarom heen moeten gaan. Het is een afgesloten terrein binnen het denken van deze mens.

Nu gebeurt het, dat er vanuit de kosmische werkelijkheid toch Licht op de plaats van dit duistere doordringt, dat in het lijnloze vlak toch een lijn kenbaar wordt. Wat zien wij nu? Deze mens ziet iets, wat in zich waar is, als duivelse misleiding. Hij beschouwt nu iets, wat in wezen groei is, als ondergang. Wat hem tracht te redden, ziet hij als een aanval enz.

Wanneer je die mens gaat ontleden, zo zegt hij: Ik had het denkbeeld, dat ik leefde in een zomerse tuin en nu, met deze invloed, opeens in een stad vol uitgestorven ruïnes en spoken terecht kwam. De mens voelt zich onbehagelijk, wil verwerpen. Zijn gevoelens en voorstelling gebruikt hij als iets absoluuts. Wat zij in wezen nooit kunnen zijn, want zowel de zomerse tuin als de spookstad vol ruïnes, komen immers uit zijn eigen voorstellingsvermogen, zijn persoonlijke associaties, geen feitelijke vaststellingen. Het feit, dat een voor de mens bestaand taboe, en onaantastbaar vlak, werd aangetast, brengt hem er zonder meer toe een vreugdige aanvaarding – het zomerlandschap – te veranderen in een angstige verwerping – de dode stad.

Misschien zit u zich nu af te vragen, of dit alles werkelijk wel zo belangrijk is op de wereld. Ik zou zeggen van ja. Want de wereld is op het ogenblik sterk aan het veranderen. Of u dit nu beseft of niet op aarde, er verandert op het ogenblik onnoemelijk veel. Vroeger had je bv. een begin van welvaart met vele armen. Nu heeft men wel geen armen meer, maar de werkelijke welvaart is eveneens verdwenen. Met welvaart bedoel ik hier niet alleen het hebben van bepaalde dingen, maar ontwikkeling, groei. Op dezelfde manier kan ik duizenden beelden uit het menselijke bestaan, waarmee ik een verandering aan kan tonen, die door de mensen niet beseft wordt, of, zo zij al beseffen dat er iets verandert, als kwaad en duister wordt bestreden en verworpen.

Veel van deze misvattingen, van deze vergissingen zijn te wijten aan tijdelijke invloeden, die eens door een Meester in de hoogste sferen of lagere geesten in een lagere sfeer werden geprojecteerd. Deze veranderende waarden zijn in het menselijk voorstellingsvermogen als vaste waarden verankert. Er is haast geen mens, die niet in mindere of meerdere mate aan deze vertekening van waardebesef lijdt. Daarom is het volgens mij wel heel erg belangrijk, dat wij de werking van de kosmische spiegeling en de daardoor mogelijk wordende vergissingen en fixaties leren begrijpen.

Nu moeten wij de kosmische spiegeling nog even trachten te zien in zijn werkelijke verhoudingen.

Ik bouwde zo even een beeld voor u op van een X, waar de bovenkant begrensd wordt door de goddelijke wereld of macrokosmos, terwijl de onderkant de microkosmos, de menselijke wereld omvat. Deze voorstelling, hoe bruikbaar ook, om een begrip te krijgen van de verschillende mogelijkheden en gevaren, is echter slechts ten dele juist. De goddelijke wereld is identiek met de menselijke wereld en de menselijke wereld is identiek met de goddelijke wereld of althans met een deel daarvan. Wat wij dus bespraken over projectie, spiegelingen enz., zal alleen van kracht zijn, zolang de mens een scheiding maakt tussen zijn stoffelijk bestaan, menselijk beleven en denken, en een goddelijke wereld, die hij “boven” zich projecteert binnen eigen begrip en wereldaanvaarding.

De kosmische spiegelingen en de vergissingen, die daaruit voortkomen, kunnen gemakkelijk vermeden worden. Wanneer de mens maar begrijpt dat hij, de mens, niet een tijdelijk verschijnsel is, maar een eeuwig wezen, dat in een van geen belang zijnde verschijningsvorm een taak volvoert binnen de eeuwigheid.

Zodra dit element in het menselijke denken op gaat treden, is er de innerlijke harmonie, ja, gelijkheid met God. De kosmische Heerser is dan voor de mens slechts een vriend, die hem er toe aanzet op een bepaald deel van zijn eigenschappen en karakter wat meer de nadruk te legden en andere delen van zijn mogelijkheden tijdelijk eens wat rust te gunnen. De nieuwe kosmische heerser is dan niet iemand, die alles verandert of mens en wereld aan grote beproevingen onderwerpt, maar iemand, die de mens er op attent maakt, dat hij zijn werkstuk nu met andere werktuigen beter zal kunnen afmaken.

Hierin ligt het belangrijkste van deze tijd voor ons. Want de mens, die zich bewust is van de eeuwigheid in hem plus de eeuwigheid van zijn taak – die niet bestaat uit louter stoffelijke en kleine dingen, maar uit het scheppen van een relatie binnen de mensheid en de kosmos – zal door de kosmische verandering slechts gesterkt worden en niet lijden onder de vergissingen die, voortvloeiende uit de kosmische spiegeling van waarden, de komst van een nieuwe Heerser vaak schijnen te verkondigen. De storende elementen uit andere sferen, de golven van voor de mens negatieve en positieve kosmische werkingen, die zo vele mensen beïnvloeden en opzwepen, zullen voor zo een mens niet meer bestaan. Voor hem is er alleen nog maar sprake van een steeds gelijkblijvende en praktisch onuitputtelijke krachtbron in eigen ik.

Wie in deze dagen ziet, hoe er in de wereld steeds meer vervalsingen van de werkelijkheid naar voren treden, zal ook begrijpen dat de kosmische spiegelingen en de daarbij mogelijke vergissingen op het ogenblik wel zeer sterk in moeten werken op het geheel van de mensheid.

Wie inziet hoe de denkbeelden zich steeds meer verwijderen van de feiten, van de werkelijkheid, beseft dat er ergens schaduwen bestaan, die de mensen ten koste van alles willen ontgaan: Dingen, die men niet alleen niet als consequentie durft aanvaarden, maar die men zelfs niet durft te zien, te beroeren, omdat men vreest, daaraan ten onder te gaan.

Wie in deze dagen kijkt naar de manier, waarop vele mensen menen te moeten streven, wordt ook al weer getroffen door het feit, dat hun stellingen en handelwijzen volkomen diametraal tegenover elkander staan. Misschien oordeelt men dan en zegt: Deze mensen deugen niet. Maar dat hoeft niet waar te zijn. Want soms is deze tegenstelling verantwoord en zelfs noodzakelijk, wanneer eigen geestelijk bewustzijn maar hoog genoeg staat.

Daarnaast zien wij mensen, die een ideaal kennen, dat wel degelijk gelijklopend kan zijn met de mogelijkheden van de materie, maar, door een tot uitvoering brengen daarvan eveneens in conflict met zichzelf blijken te komen, omdat zij niet begrijpen, dat een bereiken in de stof een teruggang van geestelijke waarde, en een bereiken en verwerkelijken van geestelijke waarden een teruggang in de stof zal moeten betekenen.

Er zijn op aarde zeer vele mensen, die aan dergelijke vergissingen en fixaties laboreren. Je kunt nu weer voorbeelden uit de praktijk op gaan sommen. Er zijn mensen, die menen, dat het belangrijker is de vaststelling te doen dat de paus onfeilbaar is – of feilbaar – dan de leefregel van het christendom: De broederschap in Christus, de liefde tot de naaste. Zodat zij menen, dat eerst dit probleem moet worden opgelost – of aanvaard – voor je christen onder de christenen kunt zijn. Dat is wel de grootste kolder, die er bestaat, maar zo denkt de mens, zo reageert de mens nu eenmaal vaak.

De vraag, of je gelijktijdig democraat kunt zijn en toch anderen hun zeggenschap onthouden of ontnemen, is eveneens een dergelijk vraagstuk, dat ik in deze dagen steeds weer naar voren zie komen. Er zijn zelfs dwaze problemen te vinden, zoals de vraag, of je als werkgever nu wel recht hebt om eisen te stellen aan je werknemers en omgekeerd, of men als werknemer nu wel het recht bezit, om eisen te stellen aan de werkgever.

Dit is een probleem, dat op het ogenblik wel naar buiten toe gemakkelijk met wat leuzen en wetten wordt opgelost, maar bij velen innerlijk nog intens leeft, vooral nu de mogelijke gevolgen van een onrechtmatig eisen steeds meer zichtbaar gaan worden.

Al deze problemen, plus vele geestelijke problemen, als het bij velen voorkomende zweven, waarbij zij trachten aan de werkelijkheid van laag menselijk zijn te ontkomen door te vluchten in een schijnwereld van geestelijke waarden, vormen voorbeelden van de belangrijkheid, die het besproken probleem voor de hedendaagse mens heeft. Daarbij is de oplossing van vele problemen zeer eenvoudig, wanneer men maar wil begrijpen, wat er nu eigenlijk aan de hand is.

Wat wij bv. astrologisch aan de sterren af kunnen lezen, is eigenlijk tegengesteld aan dat, wat achter het Al aan kosmische waarden verborgen is. Wij kunnen pas begrijpen, wat er geestelijk gebeurt, wanneer wij ook beseffen, dat de geestelijke ontwikkeling zich vaak als een tegenstelling van de onmiddellijk kenbare stoffelijke ontwikkelingen zal vertonen. Om een oplossing te vinden zal men in ieder geval dus moeten komen tot een nieuwe waardering van het bestaan.

Het is noodzakelijk, dat men begrijpt, hoe onbelangrijke factoren uit het kosmisch bestel – een enkel stofje desnoods – voor de mens tijdelijk de vorm aan kunnen nemen van iets enorm – een berg bv. – maar dat het daarom nog niet blijvend en eeuwig een berg is, ja, in feite nooit een berg is geweest. Zolang men blijft handelen, alsof een stofje werkelijk een berg is, zal men niet enkel zijn doel niet bereiken, maar bovendien tot dwaasheden komen. Men zal a.h.w. zijn nek breken, omdat men klimmen wil, waar geen mogelijkheid tot klimmen bestaat. Allereerst moet je dus stellen, – en dit zijn volgens mij de punten die in het betoog van heden voor u de meest belangrijke zullen zijn: Al datgene, wat ik uiterlijk zie, is in feite tegengesteld aan de geestelijke ontwikkeling, die zich afspeelt. Elk beeld, dat niet past in de stoffelijke ontwikkeling, elk beeld, dat niet past binnen mijn eigen geestelijk streven, moet nauwkeurig beproefd worden, of het geen schaduw, geen waan is van een invloed, een waanbeeld, in deze dagen opgedaan, waarin immers de tussen mens en goddelijke staande krachten – volgens huidig bewustzijn dan – zo groot schijnen te zijn.

Dan moeten wij stellen: Indien ik al niet kan komen tot een besef van de eeuwigheid, die in mij leeft en de werkelijkheid van mijn eigen wezen, zo zal ik toch in ieder geval moeten proberen, om God zo dicht mogelijk bij mij te gevoelen. Hoe dichter ik mijzelf verbonden weet met het Kosmisch Wezen, hoe kleiner het aantal storingen en misleidingen, dat – ongeacht de bestaande spiegeling enz. – mij kan beroeren.

Ten laatste moeten wij zeggen: de enige weg om waarlijk niet slechts de wereld en de mensheid maar het leven te dienen, is het terugvinden van de volkomen en innerlijke eenheid daarmee, waardoor vergissingen, waanvoorstellingen e.d. eenvoudig onmogelijk worden en men leeft in een werkelijkheid zonder einde met onuitputtelijke bronnen aan wijsheid en kracht.

Dit is het dan voor vandaag. Maar velen, die nu reeds innerlijk mompelen en in de pauze zich niet onbetuigd zullen laten, willen vragen: “Wat moeten wij nu met dit alles doen?”

Om het de moeite van het veelvuldig stellen van deze vraag in alle variaties te besparen, geef ik daarop dus reeds nu even antwoord:

Degene, die uit het voorgaande een beeld heeft gekregen van de mogelijke vergissingen die er bestaan, zal zich moeten realiseren, en dat is in deze dagen zeer belangrijk: Mijn geestelijk streven dient in deze dagen vrij te staan van de stoffelijke ontwikkelingen, het is een op zichzelf staand iets, wat ik niet kan toetsen aan een soortgelijke stoffelijke ontwikkeling. Wel kan ik het toetsen aan de resultaten, die voor mij in de materie vanuit het bereikte geestelijk standpunt mogelijk zijn.

Praktisch kan men er dan het volgende mee doen: Door het vergroten van het geestelijk bewustzijn zal men, ongeacht de schijnbare teruggang van zekerheid, verantwoordelijkheid of mogelijkheid in de materie, kunnen komen tot het dragen van een veel grotere aansprakelijkheid voor zich en anderen. Men zal veel grotere krachten tot uiting kunnen brengen binnen de materie en vanuit die materie ook een grotere bewustwording voor zichzelf kunnen verwerven.

Naar ik meen, heeft dit al zeer veel praktische waarde. Maar er is nog iets, wat zelfs wat dichter bij uw wereld ligt:

Alles wat wordt gezegd, geeft slechts een tweedimensionaal beeld. Dit betekent dat elke woordomschrijving innerlijk moet worden gereconstrueerd en wij aan het woord de extra dimensie in ons zelf moeten toevoegen, die het in de uiting altijd in minder of meerdere mate ontbeert. Deze dimensie is dus menselijkheid, gevoel, geestelijke waarden en begrip voor andere mogelijkheden, zoals deze in ons reeds leven. Zo kunnen wij uit het geheel van woorden, dat op aarde bestaat, de ware toestand, de ware gestalte terug vinden, die zich er achter verschuilt en, ongeacht de al dan niet bewuste misleiding, die in woorden gelegen kan zijn, komen tot een erkenning van de waarheid, die even goed van kracht is en blijft gelden, wanneer het hierbij gaat over godsdienst, economie, politiek, of de hoogste esoterische problemen.

Dan wil ik u nog de volgende praktische raad geven:

Laat u niet door uw dromen en stemmingen al te veel beïnvloeden. Wanneer zij u opeens een idee van somberheid of verval geven, toets dan deze beelden en stemmingen eens door uw wil ten goede daar tegenover te stellen. U zult zien, dat dan in de droom de ruïne weer tot leven en schoonheid komt, terwijl in de werkelijkheid van uw denken een wereld van somberheid, doelloosheid, prikkelbaarheid en gevoel van onvoldaanheid al snel kan veranderen in een gevoel van nuttig actief zijn en een besef van eigen mogelijkheden, plus besef voor de grote beloften, die de toekomst voor ons allen heeft, in plaats van de door velen alleen ervaren grote dreigingen van het morgen.

Op deze wijze kan men komen tot een grotere gemoedsrust, een juister gebruik van eigen vermogen en krachten en zeker ook tot een reëler waarderen van de wereld, waarin je leeft en de omstandigheden, die men – echt of schijnbaar – daarin rond je heeft geschapen.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

Vragen.

  •  Is de kosmische evolutie te vergelijken met een spiraal? De tijden van achteruitgang – vanuit geestelijk standpunt gezien – worden dan toch weer gevolgd door de volgende opwaartse kronkeling van de spiraal, zodat de wanhoop, die de mensheid vaak bevangt bij het zien van slechtheid, toch wel wat misplaatst is?

Ik ben het volledig met het laatste eens. In het begin van mijn betoog heb ik reeds duidelijk willen maken dat daar, waar volgens de mens slechtheid of ellende regeert, vaak nieuwe belangrijke, nieuwe kosmische of geestelijke waarden in en voor de mensheid worden geschapen.

Wat betreft de kwestie van de spiraal. Ach, wij kunnen het zo zeggen en op nog 1000 andere wijzen. Juist zijn die beelden zelden. Ik vrees dan ook, dat de wijze waarop dit beeld gesteld werd, niet geheel juist is. Ik meen dit wel in de eerste plaats, omdat daarbij een evolutie wordt aangenomen, dit is een groei naar een bepaald doel toe. Dit doel bestaat reeds. Het is er reeds, volledig en volmaakt. Datgene, wat u evolutie noemt, is geestelijk gezien niets anders dan de realisatie van datgene, wat reeds is. Ik acht dit niet in overeenstemming met de werkelijkheid en vraag mij af of men, sprekende over de levensspiraal, wel van een evolutie in meer stoffelijke zin spreken mag.

Maar goed. Het heeft weinig zin, over deze dingen met elkander te twisten, mits wij het in deze tijd maar met elkander eens kunnen zijn over één punt: Dat de ellende, het lijden, de z.g. slechtheid van de mens enz. nooit nutteloos is, dan dat dit alles steeds weer gepaard gaat met geestelijke mogelijkheden en verschijnselen, die dan evenzeer positief zijn in geestelijke zin, als de materiële ontwikkelingen ons negatief toe lijken.

  • Maar de geest moet toch uit de doeken ontdaan worden. Dat is toch een evolutie in tegenstelling tot een involutie…?

Een aardig beeld, wanneer je het Licht – of desnoods de geest – wilt bezien als een soort eeuwige mummie. Ook hier acht ik het niet noodzakelijk over de voorstelling te twisten. Maar zij doet mij typisch menselijk aan, want het Licht is eeuwig, het is, is altijd actief en wordt niet van windselen ontdaan. De windselen van onze eigen geest maken wij zelf. Ten hoogste zou ik dus met u willen zeggen, dat wij er naar streven, onze blinddoek wat minder dicht te maken.

Dit is echter geen kwestie van het licht. Voor ons zelf is het eindresultaat een kennen van ons zelf en het kennen van de kracht, waarvan wij deel zijn. Daarom kan er, volgens mij, wel gesproken worden van een persoonlijke evolutie naar het volledige begrip, wat dan weer een keren in onszelf, dus een involutie, ten gevolge heeft.

Verder merk ik op dat, zo men bewustwording als een evolutionair proces wenst te beschouwen, hierbij geen sprake is van de golfbeweging, die wij in de kosmos vinden, zodat er geen sprake is van een teruggaan in bewustzijn, om later weer hetzelfde peil te bereiken. Een argument te meer tegen de spiraaltheorie.

  • Heeft linkshandigheid iets te maken met hetgeen u ons zo-even gegeven heeft?

Om eerlijk te zijn: Dit is geen kosmisch proces, al is er wel enige overeenkomst. Hier speelt namelijk de locatie en sterkste ontwikkeling van bepaalde centra in grote en kleine hersenen een rol, waarbij de sterkste ontwikkeling enz. in tegenstelling met het gebruikelijke in de rechter hersenhelft voorkomen, waardoor dus de reactie in de linkerhelft van het lichaam gemakkelijker en sneller is dan in de rechterhelft van het lichaam en de beheersingsmogelijkheid, die mede de voorkeur tot hantering bepaalt, lichamelijk links ligt.

Vergeef mij de volgende opmerkingen. Ik wil zeker met de vraag niet de draak steken. Maar de mens wil vaak teveel in kosmische zin beschouwen en komt er dan bv. toe te zeggen, dat een vlo een kosmos op zichzelf is. Theoretisch is dit volledig waar. De uitwerking van dit denkbeeld brengt zoveel vraagstukken met zich, die nutteloos zijn. Bijvoorbeeld, wanneer ik een vlo doodknijp, vernietig ik een kosmos! Ontstaat die nu weer elders? Er kan toch niets werkelijk verloren gaan enz.  Waarmee ik maar wil bewijzen, dat je, door van alles het principe van alle dingen te hoog te maken en te zeer te specificeren, men vaak zijn stellingen ad absurdum door zal gaan voeren en zo onnodig tijd en moeite gaat besteden aan problemen, waarvoor men als mens zeker niet rijp is.

Laten wij ons aan het volgende houden: Alle dingen, die vanuit menselijke waarden verklaarbaar zijn, zullen wij eerst vanuit die menselijke waarden moeten bezien. Slechts waar die menselijke verklaring voor ons onvoldoende is, of te grote hiaten overblijven, dan wel ons bewustzijn daarachter grote mogelijkheden en waarden vermoedt, die men ook direct denkt te kunnen gebruiken, zullen wij met reden en zin verder mogen en kunnen zoeken naar het Hogere. Laat ons blijven bij de eenvoudigste waarden en waarderingen. Dan kan het kosmische aspect ons helpen, wanneer wij die normale waarden niet meer kunnen hanteren of in tweestrijd komen. Of, indien men het kosmische ten koste van alles wil beleven en kennen: zoek dit in u zelf en niet meer in een wereld buiten u. Zoek het niet meer in voorstellingen, maar in de innerlijke beleving. Dan hebben wij immers geen vragen meer.

  • Een geestelijke impuls wordt in de materie bv. getransformeerd tot een gedachte. Dit kan als rechtlijnige uitstraling worden voorgesteld. In welk vlak vindt nu breking plaats?

Wanneer wij spreken van breking, is dit niet geheel juist. Ik geef de voorkeur aan: Waar treedt het moment van spiegeling op? Dit kan dan als volgt geformuleerd worden: Daar, waar het goddelijke niet meer in zichzelf beseft wordt, doch slechts als een milieu wordt beleefd, is de spiegeling aanwezig. Daar, waar het goddelijke onmiddellijk en innerlijk beleefd wordt, is het rechtlijnig en waar in zichzelf. Daar, waar beide gebieden elkander beroeren, kan men zeggen, dat de breking optreedt.

Om het nog eenvoudiger te maken: Daar, waar het witte Licht, het verblindende Licht, dat geen nuancering meer kent, – het witte Licht, dat dus nog enigszins genuanceerd is – ligt het punt, waar de lijnen van de X elkaar kruisen. Daar dus, sprekende nu vanuit een meer menselijk standpunt, komt de verwisseling van links en rechts tot stand. Er is dus geen sprake van een afwijking. De band, die een directe verbinding nog mogelijk maakt, ligt tussen twee punten: Trek een rechte lijn door het midden van de X, zodat zij bovenvlak en benedenvlak raakt. Er is dan echter geen sprake van een besef – dit kan in één enkel punt niet bestaan, maar van een niet verder te formuleren, te beseffen of uit te drukken contact. De kruising van het ik is een bijzonder punt, omdat hier geen links of rechts kan bestaan, maar een enkel punt tussen twee vlakken of werelden het geheel van de Goddelijke uiting binnen de voorstelling omvat. Voor een mens kan dit laatste omschreven worden als het ogenblik, waarop de mens zich geheel verliest in God en nog niet zichzelf in God hervonden heeft.

Interessant is, dat oorspronkelijk de vroege esoterische christenen een X doorkruist door een I als symbool voor Jezus – als de Weg – gebruikten. Later heeft men dit teken wel willen verklaren als symbool voor Ichthus, een van de geheime tekenen en namen voor Jezus in de eerste tijd van het christendom. Bezien vanuit het door ons gebruikte voorbeeld betekent I echter meer. Het wil zeggen: Jezus, vorm van Christus, is het brandpunt waarin het goddelijke werkelijkheid geheel aanwezig is. Door ons te richten op hem, bereiken wij rechtlijnig, de Goddelijke waarheid. Zo geeft het teken eigenlijk ook nog de reden weer, waarom Jezus zegt: “Ik ben u de Weg en de Waarheid.” Later werd dit een Rö.

  • Graag een voorbeeld van onze tweedimensionale voorstellingswijze. Wanneer men bv. kamer hoort, of handboeken leest, blijkt alles niet alleen in de lengte en de breedte, maar ook in de diepte uit te zijn gemeten.

Mag ik een heel eenvoudig voorbeeld geven? Er is een Kamerdebat over bv. Rem, weggeld of iets dergelijks. Zeg: Weggeld. Nu redeneert men menselijk. Dit weggeld is noodzakelijk, want wij kunnen geen afstand gaan doen, van wat reeds aan benzineaccijns en wegenbelasting onttrokken werd. Wij moeten dus extra geld eisen, om aan de behoefte tot wegenbouw tegemoet te komen. Deze redenering is tweedimensionaal, want daarbij wordt buiten beschouwing gelaten de dieptewerking van de emotie.

  1. Er wordt iets meer bereikt met dit besluit dan het verkrijgen van middelen, om het wegennet uit te breiden of te verbeteren. Er wordt in feite ingegrepen in het gehele sociale leven plus het gemoeds- en gedachteleven van een groot aantal mensen.
  2. Het probleem laat buiten beschouwing, dat andere waarden dan de behoefte aan middelen variabel zouden zijn, zoals bv. de uitgaven, die normalerwijze mede uit wegenbelasting e.d. gefinancierd werden.
  3. De vraag, of deze oplossing opportuun, bruikbaar en van blijvende betekenis kan zijn, werd evenmin voldoende overzien.

De hoofdzaak was in het menselijke denken, dat hier sprake was van een politiek aanvaardbare oplossing. Zelfs bij het berekenen van het gewin aan aanzien, dat bereikt kon worden door het niet goedkeuren van deze maatregel werd geen rekening gehouden met de politieke gevolgen, die aan dit alles verbonden zijn. Ook hier kunnen wij zeggen, ontbrak er een dimensie.

Dit is een voorbeeld aan de hand van de praktijk. Nu een wat meer theoretisch beeld, om het geheel af te ronden.

Wanneer een mens spreekt over een standpunt en een doel, stelt hij zich als de enige en meest juiste weg steeds weer de rechte lijn voor, die volgens hem de beide punten langs de kortste weg verbindt. Men houdt zelden voldoende rekening, met hinderpalen, die men op de gekozen weg ontmoeten zal, rekent niet met de eventuele moeilijkheden, die door het volgen van de rechte weg ook voor het huidige standpunt en ideaal zouden kunnen ontstaan.

Ten laatste weigert de mens niet slechts te erkennen, dat hij door een kromme baan te volgen betere resultaten bereiken zal, maar zo hij, door omstandigheden gedwongen, een kronkelpad volgt, zal hij nog steeds voor zich en zelfs tegenover anderen beweren, dat hij de kortste en enige rechte weg volgt.

  • Uw woorden doen er aan denken, dat, indien men een redenering a contrario toepast op het stoffelijk denken en gebeuren, er geen kosmisch geheim meer bestaat. Want deze redenering verklaart de werkelijkheid. De waarschijnlijkheid lijkt mij groot, alhoewel te simpel om te geloven.

Ik zou haast zeggen: Het mysterie van de kosmos en zelfs het mysterie van God, bestaat hierin, dat zowel God als de kosmos zo eenvoudig zijn, dat geen denkend wezen zich dit voor kan stellen. Men kan zich eenvoudig niet indenken, dat zo iets de kern is van het gehele bestaan. Waarmee ik maar wil zeggen, dat deze dingen eigenlijk niet zijn om te geloven, maar eerder een opsomming van mogelijkheden vormen, die u eens zou moeten overwegen, ook al ben ik persoonlijk van de volle waarheid, in mijn woorden gelegen, overtuigd. Toch kan men wel leren – maar niet beseffen – dat God eenvoudiger is dan alles, wat er in het menselijke denken bestaat: God is het Woord. In dat ene woord is de gehele schepping omvat. De gehele schepping binnen één Woord, plus alle krachten daarvan, plus alle mogelijkheden en waarden. De mens zoekt dit met miljoenen woorden te verklaren, doordat zijn denken nog niet in staat is de betekenis van dit ene woord te bevatten. Dat is het mysterie.

Het mysterie bestaat dus niet krachtens zichzelf als mysterium. Het bestaat krachtens ons onvermogen te begrijpen. Zoals – indien u mij een oneerbiedige vergelijking wilt vergeven – het konijntje, dat de goochelaar uit de lege hoed haalt, daar op een volkomen natuurlijke wijze in is gekomen. Maar doordat de hand sneller is dan het oog, wordt voor de bewonderende kleine toeschouwers het mysterie geschapen.

Ons vermogen tot waarnemen en reageren is eenvoudig niet goed genoeg om te kunnen begrijpen, hoe eenvoudig alles in wezen is. De verklaring, die ik u geef, lost misschien theoretisch het mysterium op. Maar het werkelijk voor zich oplossen kan de mens alleen in zich. Hij bereikt dit, door zichzelf te verliezen in de eeuwigheid die hij in wezen is. Hierdoor treedt hij niet slechts tot maar ook in de God, die in werkelijkheid altijd geheel zijn wezen en bestaan heeft uitgemaakt. En dat is nu eenmaal iets, wat je niet zo in een-twee-drie doet. De weg, die je daartoe moet volgen, blijft jezelf nog steeds een mysterie, omdat je je niet in kunt denken, dat dat belangrijke ego, waaraan je zoveel werkt en polijst, eerst moet ten onder gaan, zoals het lichaam van de rups, opdat het werkelijke wezen zich als een vlinder kan ontplooien in alle schoonheid.

Nu de redenering a contrario ofwel de redenering van de tegengerichte waarden – en niet alleen zoals men uit de beredenering zou kunnen afleiden – de beredenering van de tegengestelde waarde.

Het beredeneren van de tegengestelde waarde heeft namelijk geen zin, tenzij wij eerst de oorspronkelijke waarde geheel gedefinieerd hebben.

Dit is in voldoende volledigheid binnen dit probleem onmogelijk. Daarom is het gebruik van de redenering a contrario, de tegengestelde waarde volgens het spraakgebruik, hier onmogelijk.

Wel kunnen wij de wisselwerking en daarmede de verhouding tussen twee waarden definiëren, zonder beiden daarom geheel te moeten kennen en begrijpen.

Wanneer wij dit doen, kunnen wij dit immers doen aan de hand van de feiten. Wij kunnen nagaan bv. onder welke omstandigheden de grootste uitvindingen ontstonden. Wij zullen dan moeten concluderen, dat dit over het algemeen alleen plaats vond onder benarde omstandigheden, waardoor directe nood of emoties daarbij sterk betrokken waren. Zij worden dus geboren uit nood en ellende. Zien wij naar de grootste kunstwerken, dan blijkt wederom, dat juist deze geboren werden in een tijd, dat de kunstenaar persoonlijk om de een of andere reden onder zware druk stond. Wederom, de negativiteit van het beleven wordt gecompenseerd door scheppingskracht. Zien wij naar de tijden, waarin grote leermeesters optreden, zo blijkt dit steeds weer te geschieden in tijden en streken, waarin de verwarring toch wel zeer groot is. Verder gaande op dit alles kunnen wij dan de stelling vinden van de tegengerichtheid, die ik naar voren bracht. Maar dit zie ik nog niet als een oratio a contrario, een beredenering van de tegengesteldheid der waarden zonder meer.

  • Speelt oorzaak en gevolg hierbij ook geen grote rol?

Neen. Oorzaak en gevolg bepalen de stoffelijke samenhang der erkende – of nog niet erkende maar kenbare – ontwikkelingen. D.w.z. dat een oorzaak alleen een kenbaar gevolg heeft, wanneer wij de oorzaak kennen en het gevolg ondergaan, een kennen van het verband zonder meer is niet noodzakelijk. Hier hebben wij te maken met iets, wat eerder ressorteert onder de wet van compensatie, die kosmisch bekend staat als de wet van gelijkblijvende velden.

In onszelf bestaat zij echter ook. Op het ogenblik, dat de grootste nood ontstaat – dus bv. de grootste uitputting of spanning – ontstaat gelijktijdig een maximum aan kracht. Deze gaat aan de normaal lichamelijke kracht te boven en is gebaseerd op geestelijke waarden of op besef. Bij de kunstenaar wordt het te veel aan kracht omgezet in inspiratie, waarbij hij een overprestatie levert, dus boven zijn normale bezieling en kennen komt. Naarmate de spanning langer bestaat, zal hij een oeuvre scheppen, dat meer boven de norm ligt.

Voorbeeld: Naarmate Beethoven dover werd, worstelde hij meer met zich om nog de schoonheid van de muziek te vinden en schiep hij zijn meest majestueuze werken. Zo zal een mens in nood bv. ook eerder grijpen naar zijn God, naar krachten en mogelijkheden, die hij in zijn normale leven ontkent of terzijde laat en vaak daarmee resultaten behalen die geheel buiten zijn normale mogelijkheden liggen.

Nu gaan wij de zaak nog even besluiten.

Daarbij wil ik graag terug komen op de praktijk. Een groot deel van de avond hebben wij gewijd aan de theorie – die volgens mij met de feiten strookt – waarover u alleen nu nog maar zelf verder na kunt denken. Zolang als dit alles ver van eigen huis blijft, is het niet zo belangrijk. Wij gaan immers uit van een persoonlijke beleving, waarbij in wezen alleen wat voor ons zelf geldt of bestaat, geheel geldt. Zo de kosmische spiegelingen en vooral de vergissingen, die daaruit ontstaan, vaak belangrijk, groot en soms zelfs fataal zijn, zullen wij daarvan zelfs vaak maar weinig merken. Het gaat eenvoudig aan ons voorbij, want wij hebben het immers toch nog goed, of: Bij ons bestaat immers nog de innerlijke waarheid?

Een begrijpelijk standpunt. Vandaar dat ik niet kan zeggen: Mensen, die dingen moet je nu gebruiken, om je gehele wereld te ontleden. Daar heb je zo zonder meer maar weinig aan. Het gaat er dus meer om, je persoonlijke problemen eens vanuit dit standpunt te gaan bezien, je eens af te vragen in hoeverre er in je eigen bewustzijn misschien misleidende schaduwen zijn gekomen, plekken van gefixeerd begrip zonder werkelijke en blijvende redenen, waar je toch niet aan durft komen. Het belangrijke is voor u persoonlijk niet, dat die kosmische spiegeling bestaat, of dat een bepaalde gerichtheid van geestelijke en stoffelijke ontwikkelingen zich toont, daaraan heeft u niet veel. Wel hebt u er iets aan, wanneer u eindelijk een verklaring vindt voor de tegenstellingen, die er bestaan tussen al wat er u stoffelijk geschiedt en uw geestelijke ervaringen.

Van belang is het voor u, wanneer u uw eigen krachteloosheid eindelijk eens beter leert begrijpen en er iets aan kunt doen. Het is voor u nog niet belangrijk, of het met de gehele wereld in orde komt – al denkt u dit misschien – maar om u te kunnen oriënteren binnen die wereld, opdat u zelf kunt leven in een redelijke harmonie van stof en geest. Want als de geest de ene kant uit gaat en de stof de andere, dan kun je misschien zeggen: mij gaat het met beiden prima. Maar uiteindelijk wordt je geestelijk gevierendeeld: Er ontstaat een steeds groeiende breuk tussen geestelijk en materieel leven. En dat kunnen wij in de menselijke fase van bewustwording zeker niet hebben.

Daarom: Ga je eigen leven en gedrag na. Vraag je af, of er misschien in je leven en denken blinde plekken zijn, waar je niet aan durft komen, die je niet durft bedenken zelfs, uit angst, dat je wereld ineen zal storten.

Ontdekt u bij uzelf zo iets, tracht dan deze gebieden te omgrenzen en zo mogelijk zelfs te ontleden. Want in 999 van de 1000 gevallen is hier sprake van een schaduw – denk aan mijn inleiding – die in uw begrippen, in de plaats van zijn tijdelijk en onbelangrijk bestaan, iets van onaantastbare eeuwigheid heeft verkregen, een bedoeling, een gezag en bestemming, die de oorzaak zelf niet bezat. Wanneer u conflicten kent in innerlijk en gevoelsleven, vraag u af, of ook deze niet gebaseerd zijn op iets dergelijks. Of die voor u schijnbaar zo belangrijke dingen wel werkelijk echt zijn.

Probeer uzelf te leren kennen. En als het zelfs dan niet meer gaat, tracht eens niet een beroep te doen op een verre en onbekende God, hier zijn immers steeds weer vele mogelijkheden tot misleidingen, verwarringen en vergissingen. Doe een beroep op de Kracht, die in jezelf leeft. Geloof mij: De mens draagt, als eeuwig wezen, krachten en mogelijkheden in zich, die hem in staat stellen al zijn problemen op te lossen, zodra hij daarvan bewust gebruik maakt. Probeer eens hier iets mee te doen. Het zal u meevallen.

En ten laatste: Laat u niet misleiden door associaties. Ik gaf u hiervoor reeds het beeld van de tuin en de ruïne. Vele andere beelden staan mij zo nodig ter beschikking. Alles wat geschiedt, heeft echter een eigen doorslagkracht, een eigen betekenis. Wanneer uw associaties ertoe voeren, dat u zich niet prettig voelt bij de feiten, vraag u eens af, of dat misschien voortkomt uit het toepassen van een stoffelijke maatstaf op een geestelijke ontwikkeling of omgekeerd. Vraag je ook af, of de dingen wel werkelijk zin hebben en tracht innerlijk vrijer te worden door je niet alleen maar voor jezelf uit te drukken in de oude gewende formules en gemeenplaatsen. Tracht uw wezen de extra dimensie te geven, waardoor u dichter bij de waarheid komt.

Misschien dat ook u dan het volle leven leert kennen, waarin tussen God en ik geen tussenfasen meer noodzakelijk zijn, omdat zij in uw wezen en besef onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn.

Hiermede wil ik de bijeenkomst beëindigen. Hoe u ook over het gebrachte denkt, tracht in ieder geval mij au sérieux te nemen. Want veel van hetgeen ik u bracht, zal in deze tijd ook voor u grote betekenis hebben of krijgen.

image_pdf