Kosmische stromingen en de innerlijke aanpassing

uit de cursus ‘Kosmische stromingen en de innerlijke aanpassing’  1961

Inleiding

Wij hebben in de vorige lezingen o.m. het wezen en de ontwikkelingen binnen Aquarius aan een nader onderzoek onderworpen. Wij hebben getracht dit alles te beschrijven. Maar… de veranderingen, die buiten u en buiten ons allen plaatsvinden, kunnen wel onze buitenwereld veran­deren, nimmer echter direct onszelf.

Een invloed, die buiten ons ontstaat, wordt een soort pressie, die op je wordt uitgeoefend. Het is iets dat je in verzet kan brengen. Maar dat betekent nog niet dat je zelf verandert. Je roeit meestal tegen de stroom op. En dat laatste is een zeer treurig aspect. Want slechts als wij in staat zijn ons geheel aan te passen aan de nu heersende kosmische tendensen, aan de nu bestaande mogelijkheden, zullen wij werkelijk resultaten kunnen bereiken. Aanpassing is dus wel zeer belangrijk.

Toch geloof ik dat er voor veel mensen laat ons zeggen “bezwaren” zijn verbonden aan deze aanpassing. Men is opgegroeid in een bepaalde denkwijze met bepaalde vooroordelen misschien t.o.v. ras of godsdienst; met opvattingen omtrent wat goed en niet goed is, enz.

Wanneer er nu een kosmische tendens ontstaat, waarin bv. (ik noem nu maar iets) kinderen eigenlijk eerder dingen zijn, die je erg voorzichtig moet behandelen en die je vooral niet zoveel mogelijk moet voortbrengen, dan komen wij rechtstreeks in strijd met zeer vele godsdiensten. Als de nieuwe tijd de mensen a.h.w. gaat toeroepen: “Denk erom, beperk je” en er tegelijk elders staat dat je verplicht bent om maar steeds voort te brengen, dan ontstaat er een tweestrijd. Een tweestrijd, die ongetwijfeld niet alleen innerlijk wordt uitgedragen, maar die ook naar buiten toe heel veel activiteiten veroorzaakt. En wat dan?

Stel u voor, dat een nieuwe tijd zegt. “Ach, waarom zijn eigenlijk stoffelijke dingen belangrijk; macht kan niet gelegen zijn in stand, in rang en zelfs niet in studie; ze is gelegen in begripsvermogen, in het ontwikkelen van je eigen perceptie, veel meer dan in het leren,” dan zouden heel veel mensen hun wereld plotseling in elkaar zien storten. Want men heeft alles gebouwd op basis van onderricht, van scholing in vele verschillende richtingen en op belangrijke diploma’s of titels. En als dat alles ineen stort, dan kunnen de mensen dat niet verdragen. Een deel van henzelf wordt daardoor aangetast.

Als wij gaan stellen dat vrijheid de eerste en belangrijkste zaak is in de nieuwe kosmische verhoudingen, dan zijn er heel veel mensen, die niet eens weten wat zij met die vrijheid moeten doen. Als je die mensen werkelijk vrij zou maken, vrij van elke sociale druk, kortom vrij van alles wat hen tot nu toe in het gareel houdt (hun geloof, hun sociale opvattingen), dan zouden zij niet meer weten wat hun leven nog voor inhoud had. Ze zouden zeer waarschijnlijk ten onder gaan in de wanhopige strijd om iets te vinden waaraan zij zich nog kunnen vasthouden. En toch, de kosmische tendensen maken deze bindingen steeds minder gewenst, indien zij tevens inhouden, het totaal gebonden zijn aan bepaalde denkbeelden, aan bepaalde handelwijzen.

Ik zou natuurlijk veel meer voorbeelden kunnen aanhalen, maar ik neem aan dat u allen hieruit reeds begrijpt hoe groot de aanpassingsmoeilijkheden zijn die een mens kan ondervinden.

Hoe mooi het nu ook klinkt, als wij luidkeels uitroepen; “De nieu­we kosmische Meester, de nieuwe kosmische kracht, brengt ons vrijheid, brengt ons ontwikkeling op paranormaal en occult terrein, hij geeft ons vrijheid en vernietigt alle sociale banden en alle grenzen, vooral de na­tionale grenzen” dan weten wij zeker, dat dit voor 99% niet aanvaardbaar is. Daarom moeten wij onze aanpassing aan de kosmische tendensen in de eerste plaats zoeken daar, waar ze voor ons mogelijk is. Het is een kwestie van selectie.

U kunt niet in alle nu ontstaande ontwikkelingen onmiddellijk en volledig meegaan met die kosmische krachten en al hetgeen er uit voortkomt. Hou daar rekening mee. Want om dit te doen zou je uzelf plotseling en volledig moeten veranderen. En dit ligt niet in uw vermogen. Elke aanpassing aan een kosmische stroming is dus eigenlijk het zoeken naar de ene mogelijkheid die men heeft om mee te gaan met een heer­sende tendens en zoveel mogelijk alle strijdpunten te verwaarlozen die el­ders bestaan.

Ik wil hiervan graag weer enkele voorbeelden geven.

Neem aan dat voor u geloof, politieke richting enz. enz. altijd zeer belangrijk zijn geweest en dat u daarbij fel prowesters bent. Dan zal misschien het eerste begin moeten zijn, dat u zegt: “Goed, wij moeten aan politiek doen (dat kunt u toch niet ineens ontkennen) en wij moeten ons verdedigen, maar een Amerikaan is net zo goed als een Rus en omgekeerd.”

Of ‑ indien kleurlingen en vooral het blanke ras uw belangstelling heb­ben: “In de kern is de kleurling gelijkwaardig aan de blanke en omgekeerd en dat moeten wij erkennen.”

Zoek een enkel punt uit. Een enkel punt is vaak voldoende. Wanneer je op dat punt nl. je eigen denken aanpast aan de kosmische stroming, dan word je a.h.w. “gepakt” door de kracht, die in deze tijd alles stuwt.

In plaats van ertegenin te gaan, draai je bij. En dat bijdraaien kan dan voorlopig een schijnbare stilstand zijn, maar voor je het weet, ben je zover omgezwenkt dat je werkelijk met die stroom kunt meedrijven. Door dit meedrijven met de stroom word je je bewust van allerhande krachten die je bezit, allerhande mogelijkheden die je hebt. Er ontstaan nieuwe denkbeelden. Je gaat vele oude en voor jou eens vaststaande meningen herzien en je eigen kracht ook inspannen. Dan ga je dus voorwaarts, mede gedragen door de kosmische stroming.

De grootste moeilijkheid waarmee wij te maken krijgen, is altijd weer de sociale samenhang. Wij zijn hier op het ogenblik tezamen als een groep. Wij kunnen dit praktisch niet zijn zonder dat althans een groot gedeelte van ons denken en onze beweegredenen ongeveer gelijkgericht zijn. Een zekere harmonie maakt aldus eerst een rendabel maatschappelijk of sociaal werkend samenzijn etc., mogelijk.

Maar de sociale samenhangen, zoals zij tot op heden bestaan, de maat­schappelijke samenhangen ‑ en dat gaat zelfs tot de organisaties van deze dagen toe ‑ zijn in feite verouderd. Wij moeten een nieuwe weg vinden en het is heel erg moeilijk om precies te ontdekken, waar wij naartoe moeten gaan. Want als wij een groot organisme als de maatschappij of het geloof of iets dergelijks gaan aantasten, dan zullen zeer veel mensen, die ons innerlijk gelijk geven, zich toch met alle geweld tegen ons keren. En dat zou ook voor bepaalde geestelijke krachten waar kunnen zijn. Op het ogenblik, dat onze aanpassing inhoudt, dat wij ons richten tegen erkende belangen en belangengemeenschappen, zullen wij vijanden hebben.

U kunt dan natuurlijk wel zeggen: “Die vijanden moeten wij aanvaarden, want dat is nu eenmaal de zin van het leven.” Maar er zijn niet veel mensen, die in staat zijn dit vol te houden. Zeker, er zijn grote Meesters (als Jezus, Boeddha) geweest, die hun hele leven veranderen en die de hele maatschappij terzijde laten; desnoods tot aan het kruis gaan en verder. Hoeveel mensen zullen dat kunnen doen?

Aan de andere kant kun je ook moeilijk zeggen: “We moeten beginnen die vernieuwing van binnenuit te brengen.” Want als wij een vernieuwende factor willen worden binnen een kerk en binnen een politieke organisatie, dan moeten wij of wij willen of niet voor een groot gedeelte van de tijd tegen de stroom oproeien. Wij hebben weinig kracht, weinig vermogen; onze inzichten vernauwen zich dikwijls eerder dan dat ze zich verruimen; en dat, wat we als zeer belangrijk zien, blijkt later heel vaak van nul en generlei waarde te zijn.

Ik hoop niet dat ik het te praktisch stel. Maar wij moeten ergens beginnen. En deze aanpassing aan de kosmische stroming moet m.i. altijd gebeuren buiten organieke vormen om. Persoonlijk ‑ van mens tot mens ‑ is het beleven, het overdragen, het uitwerken van deze nieuwe krachten en het nieuwe bewustzijn mogelijk. Want de mens is over het algemeen soe­pel en in de mensheid hebben we veel keus. Wij kunnen a.h.w. selecteren wat voor ons harmonisch is en wat voor ons niet harmonisch is.

Wat betreft de organisaties, de gemeenschapsvormen waarmee wij en waarin wij verkeren echter, kunnen wij dat zeker niet doen. Dus… ga uit van het contact van mens tot mens. Laat uw eigen gedragslijn in de eerste plaats bepalend zijn. Onttrek u aan elke vorm van gemeenschap die voor u onjuist lijkt. Wees neutraal tegenover elke groepering of maatschappelijke vorm die voor u op dit ogenblik niet past in of beantwoordt aan de door u erkende nieuwe stroming.

Dat klinkt heel eenvoudig, maar als u er even over nadenkt, wordt het toch wel weer erg moeilijk. Want dat betekent dat u misschien wel wat steun moogt geven aan het Rode Kruis, maar dat u in de eerste plaats zelf hulp moet gaan brengen. Dat betekent dat u ongetwijfeld lid moogt zijn van de Dierenbescherming of wat dat betreft van de O.D.V., maar dat u het principe persoonlijk moet gaan uiten en niet moet afwachten of de vereniging of de Orde niet het één en ander in elkaar zet. Persoonlijke activiteit.

Dat betekent ook dat je niet moet afwachten of een ander iets zal gaan verbieden, maar dat je op een gegeven ogenblik voor jezelf moet zeggen: “Dit kan wel en dat kan niet; hieraan onttrek ik mij en dat ga ik volgen.”

Omdat deze dingen dus erg moeilijk zijn en vooral deze persoonlijke benadering van het probleem, wil ik proberen u een schets te geven van de stromingen die op het ogenblik bestaan. En nu niet alleen op basis van Aquarius of astrologie, maar rekening houdend met alle dingen die wij zo in de wereld waarnemen. Die stromingen wil ik dan trachten te verbinden aan de volgens mij bestaande mogelijkheden tot individueel reageren, individueel optreden.

Allereerst: De op dit ogenblik onder de mensheid overheersende stroming is een mengeling van haast dwaas optimisme, doodsverlangen en vrees. Gebrek aan activiteit, lust tot activiteit, gebrek aan prestatie en scheppingstrots spelen eveneens een rol. De mensheid zelf is dus op het ogenblik bijna even explosief als een tube met nitroglycerine. De geringste schok kan een explosie veroorzaken. Blijven wij er deel van, dan exploderen wij mee; daaraan kunnen wij niets doen. Maken we er geen deel van uit, dan is de mogelijkheid nog zeer groot dat wij bij een explosie daardoor ook bepaalde ervaringen zullen opdoen en lang niet altijd gunstige. De stroming uit de kosmos die hierop inwerkt, is positief. Maar haar positiviteit richt zich niet op het georganiseerd verbeteren van toestanden; integendeel. Zij richt zich op het persoonlijk ingrijpen en verbeteren van toestanden.

Daaruit trek ik de conclusie dat voor de hedendaagse mens de beste aanpassing innerlijk is. Stel jezelf verantwoordelijk voor alles, wat binnen je eigen vermogen ligt en binnen je eigen tijd en plaats direct door jezelf kan worden volbracht. Geen aansprakelijkheid voor anderen. Aanspra­kelijkheid alleen voor jezelf. Als u een kind lucifers geeft, bent u aan­sprakelijk voor het feit, dat u die lucifers geeft en voor het feit dat het kind daarmee brand kan stichten. Ook indien het kind verstandig genoeg is om het niet te doen, bestaat er bij u een zekere schuld.

Omgekeerd: Als u een mens de middelen geeft om zijn eigen leven en dat van vele anderen te redden en hij maakt daarvan een middel om velen te do­den, dan is dat uw schuld, indien u die mogelijkheid besefte. Doch indien ge die mogelijkheid niet had voorzien, gaat het u niet aan; het is niet uw verantwoordelijkheid.

Het is gemakkelijk hier te zeggen. “Ja, maar wij moeten ons innerlijk aansprakelijk voelen voor iedereen, want ten slotte zijn het allen onze broeders en zusters” enz. Het is mooi dit te zeggen, maar u kunt dit niet. U bent niet aansprakelijk voor wat die mens die daar op straat loopt, op het ogenblik doet; of voor die jongeman die daar juist twee straten verder is gestart met een auto en misschien enige, laat ons zeggen, te snelle manoeuvres gaat uitvoeren. U kunt daarvoor niet aansprakelijk zijn. Wanneer u deze aansprakelijkheid voelt, is dat fout.

Daarom, innerlijk gezien: herzie uw begrip van naastenliefde door u te realiseren dat uw naaste alleen degene is, die ge kent. Die dus bestaat voor u. Dat al degenen die niet in werkelijke zin voor u bestaan, buiten uw aansprakelijkheid vallen. Dat uw naastenliefde voor hen alleen tot uiting komt op het ogenblik dat zij (bv. door een zekere behoefte) uw aandacht op zich vestigen en niet eerder.

Ga niet uit van de gedachte dat wij moeten zorgen voor de arme heidenen of zo. (Trouwens de meeste arme heidenen wonen tegenwoordig in de hoog beschaafde gebieden, dus wat dat betreft, zou u toch al dicht bij huis aan het werk kunnen gaan.) U hebt geen verantwoordelijkheid voor wat elders gebeurt, tenzij daar verwarringen ontstaan mede dankzij uw ingrijpen of uw lijdzaamheid.

Herzie uw begrip van aansprakelijkheid. Probeer u aan te passen in een wereld, waarin uw aansprakelijkheid steeds beperkt blijft tot wat ge zelf doet en de consequenties die dit met uw weten (althans met uw vermoeden) kan hebben. Vraag daarbij niet alleen: “Wat is het eindresultaat?” Maar: “Waarom heb ik dit gedaan en welke mogelijkheden heb ik daarin gezien?”

Misschien klinkt dit als het intrappen van een open deur. Geloof mij echter, dit is het eerste en belangrijkste punt. Het gaat er niet om dat u een ander leert goed te leven, maar dat u zélf goed leeft. Het gaat er niet om een ander te redden; het gaat er om te voorkomen dat gij door anderen gered moet worden.

Wanneer u deze eerste instelling hebt gevonden, dan komt ge vanzelf tot het tweede punt. Waarheen moet ik mij dus wenden met mijn denken en mijn streven, zullen velen zich afvragen.

De invloeden onder de mensheid zijn praktisch chaotisch. Zij gaan enerzijds de richting uit van: Waarom zouden wij niet alles genieten, wat er voor ons te genieten is? En anderzijds in de richting van: Dit is zondig en dit is niet toelaatbaar en wij mogen ook niet toelaten dat anderen dit doen. Het is eigenlijk een zeer chaotische toestand. De kosmische invloeden van deze tijd houden o.m. in een meer reëler waardering. Men houdt zich niet meer bezig met de sterk romantische mythen van het verleden, men laat zich niet meer misleiden door sentiment, maar is zakelijk. In deze zakelijkheid overweegt men alle mogelijkheden en consequenties, want dat brengt de tijd met zich mee.

De grootste macht, die werkzaam is (Aquarius zelf), brengt daarbij een algehele welwillendheid, dus een werkzaamheid ten gunste van de wereld. In de nabije toekomst zien wij verder een rechterlijke invloed optreden. Er zijn krachten in het Al, die u niets kunnen doen, tenzij u zelf hen ontvangt.

Er bestaat een oud sprookje dat een vampier nimmer kan binnen­treden in uw vertrekken, tenzij u hem driemaal daartoe hebt uitgenodigd. En dat sprookje zou misschien een aardige weergave kunnen zijn wat betreft bepaalde beproevers. In uw eigen zonnestelsel geldt de planeet Saturnus als zodanig; hij is rechter, beproever en beul, vooral wanneer hij samenwerkt met Jupiter.

Deze invloeden toetsen op het ogenblik de mens. Innerlijk kunt u nooit meer vertrouwen op wat buiten u bestaat. Het gaat er niet om: wat zijn de vormen buiten mij, wat is de rechtvaardigheid buiten mij?

Het gaat erom: hoe kan ik innerlijk reageren? Ik heb een buitengewoon groot geduld nodig. Ik moet mij er aan wennen om de gebeurtenissen, die niet onmiddellijk binnen mijn beheersing liggen, te ondergaan, als het niet an­ders mogelijk is. Ik moet gelijktijdig leren direct in te grijpen, waar de mogelijkheden daartoe bestaan. Ik moet zelf actief worden en nimmer mijn acties uitsluitend door anderen laten bepalen. Ik moet in mijn denken en in mijn scholing de esoterische weg, de verinnerlijking, onmiddellijk kun­nen omzetten in de praktijk. Ik moet a.h.w. geest en stof tot een eenheid weten samen te smeden. Alleen dan kan ik aan al die tegenstrijdigheden ont­komen. Alleen dan kan ik zonder een overmaat van genotzoekerij te stellen als doel van mijn leven of ‑ als tegenstelling ‑ de natuur te verachten en te doden, mijn eigen weg gaan. Alleen zo kan ik mij aanpassen aan de vrijere tendensen van de komende tijd, zonder gelijktijdig te zondigen tegenover mij­zelf, mijn beeld van God en de wetten die ik in mijzelf toch altijd blijf erkennen.

Een derde punt is in veler ogen misschien een beetje komisch. Wij zijn allen gewend het goede te willen. De gehele wereld bestaat uit men­sen, die voor 99% van goeden wille zijn. Tsjombe wil heus wel een goed Congo stichten. Alleen de voorwaarden, die hij aan zijn goedwillendheid en goed streven verbindt, zijn onaanvaardbaar. De goedwillendheid is het die de nieuwste bommen en de nieuwste bacteriologische wapens heeft geschapen. Men wil een vrede afdwingen en daarom maakt men wapens. Hoe mach­tiger wapens men maakt, hoe gevaarlijker het wordt en hoe gemakkelijker een oorlog kan uitbreken. Dit is een soort vicieuze cirkel, waarin men vastzit.

Nu komt er uit de kosmos een heel eigenaardige invloed. Deze is nl. de volgende: Je wordt op een gegeven ogenblik door de kosmische tendensen alle tezamen gedwongen om datgene wat je bent, ook direct en volle­dig te zijn. Datgene, wat je eenmaal bent begonnen, door te zetten. Datgene, wat je eenmaal hebt afgewezen, te blijven afwijzen, hoe begeerlijk het ook later is geworden.

Dat is een heel typische situatie. En deze ontstaat alweer uit de drang naar vrijheid, maar anderzijds ook uit de rechtlijnigheid van deze tijd. Wij kunnen voor de mens niet meer rekenen op een kosmische tendens, die het hem mogelijk maakt om duizend malen te overwegen. Men zal misschien in een opwelling van drift zeggen: oorlog. Maar dan kan men ook geen vrede meer sluiten. Dan moet die oorlog eerst worden uitgevochten. Men kan zeggen: “Ik wil met u niets meer te doen hebben” en in een opwelling weglopen en dit later ten zeerste betreuren. Maar men zal dan een heel lange weg moeten gaan, voordat langs geheel andere wegen een soortgelijke mogelijkheid tot contact weer ontstaat. Begrijpt u waar ik op doel met deze tendensen?

Hoe moeten wij ons innerlijk daartegenover stellen? Dat is een beetje lastig, want wij zijn altijd gewend geweest ons te verschuilen. Dat doen wij op twee manieren. Aan de ene kant houden wij ervan om mooie hoogdravende begrippen te hanteren en daarachter dan de minder aanvaardbare factoren te verbergen. Bijvoorbeeld:

“Natuurlijk, deze zakelijke transactie betekent de ondergang van vele mensen; maar ik heb toch in volle vroomheid en naar mijn beste weten volgens Gods wet gehandeld. En als God niet had gewild dat dit zou gebeuren, dan had Hij het mij wel onmogelijk gemaakt.”

Dat is natuurlijk een volkomen verkeerde redenering. Alleen in deze tijd wordt ze onmogelijk gemaakt. Want als u in deze moeilijkheid verkeert, dat u het voor uzelf goed moet praten, dan wordt u geconfronteerd met een conflict. En dat conflict betekent dat u – en nu bewust en wetend – hard en onrechtvaardig moet optreden, ofwel al hetgeen u meende te heb­ben gewonnen en veel erbij te moeten prijsgeven.

Een tweede methode van maskerade is: “Nu ja, het is toch eigenlijk niet belangrijk. Ach, wat geeft het.” Zo in de stijl van: “Nu ja, ik ben op dieet en ik moet vermageren. Maar ach, één bonbonnetje, het is zo lekker ­en wat geeft het.” En dan eet je een kilo bonbons en zeg je: “Maar in mijn maaltijden ben ik beperkt.” Ook een mentaliteit, die helaas niet alleen uit het verstand en de uiterlijke redenering voortkomt, maar uit de eeuwige innerlijke behoefte tot zelfrechtvaardiging.

Luister goed: in de komende tijd zal die zelfrechtvaardiging onmogelijk worden. Want wanneer wij denken onszelf te kunnen rechtvaardigen, omdat de gevolgen zo ver weg liggen of ons niet onmiddellijk beroeren, worden wij onmiddellijk met de gevolgen geconfronteerd. Wij moeten ons aanwennen om precies te weten wat we doen en waarom. Wij moeten ons aanwennen om die dingen bewust te doen en rekening te houden met alle consequenties die eruit kunnen voortvloeien. Wij moeten rekening houden met al hetgeen wij voor anderen zijn en willen zijn, niet alleen uiterlijk maar ook inner­lijk. Waar wij gedeeltelijk leugenachtig zijn, zal die leugen onthuld worden en we worden er het slachtoffer van. Innerlijke eerlijkheid, die voor zover mogelijk ook in het leven tot uitdrukking komt, is één van de beste metho­den om in de komende perioden van verwarring en van vormverandering on­middellijk juist georiënteerd te zijn, je gesteund te weten door de kosmische krachten en deze direct te erkennen.

En dan heb ik nog een laatste punt, tenminste voor vandaag, want we zullen hierover nog een lezing houden.

U hebt misschien al bemerkt dat heel veel mensen zich op het ogenblik ­onzeker gevoelen. Zij proberen die onzekerheid te verbergen door eisen. Zij zoeken grotere stoffelijke welvaart, ze zoeken luxe, ze zoeken macht, ze willen laten zien dat ze er zijn en dat ze meetellen. En ver­telt u nu niet, dat u daarvan niets hebt gemerkt. Want dat bestaat heus niet alleen ergens in Frankrijk of in een Kamervergadering, maar ook in uw naaste omgeving precies zo, ook voor u. De Duitster noemt dat Geltungsdrang, maar dan ook materieel uitgedrukt.

Nu moet u heel goed luisteren. Deze in de mens bestaande tendens is een direct conflict met een kosmische tendens, welke stoffelijke waarden en luxe steeds meer bestrijdt. U zult zeggen: dat kan niet. Toch is het waar en u zult de gevolgen daarvan in de komende tijd zelf wel kunnen constateren. Alles wat zuiver luxe is, gaat steeds sneller verloren. Het wordt steeds minder rendabel en betekent steeds meer last en ergernis. Onthoudt u dat maar.

Denk nu goed na. Het gaat tegen luxe. Het gaat ook tegen de wil om jezelf op de voorgrond te stellen, alleen om jezelf te laten gelden. Het gaat tegen de angst voor onbetekenendheid en teleurstelling in. Wanneer wij menen dat wij niet voldoende zijn of doen in deze wereld, bang dat wij tekortschieten, dan moeten wij beginnen met te stellen dat ons dit geen titteltje en geen jota aangaat, tenzij wij er iets aan kunnen doen. Het is belangrijker dat wij met de nu aanwezige middelen en de nu voor ons bestaande mogelijkheden zo goed, zo juist en zo rechtlijnig mogelijk handelen, dan dat wij nu beginnen met zeer veel werk en zeer veel overwegingen een situatie langzaam op te bouwen, die misschien als de Berlijnse muur in elkaar zakt. Begrijp dat goed!

Innerlijk moeten wij dus afstand doen van het idee: “Ja, maar waar blijft mijn gezag dan?” En: “Ja, waar blijft mijn winst dan?” En: “Ja, maar hoe kunnen wij dat nu nog luxueuzer hebben?” Deze dingen zijn een reactie op angst, ik weet het en zij komen voort uit wat men noemt “de normale ontwikkeling” van deze wereld. Maar in de komende tijd wordt dit steeds schadelijker.

Tracht innerlijk terug te gaan tot de meest eenvoudige denkwijzen. Ontken nimmer dat u op een bepaald terrein een zeker gezag nodig hebt, maar beperk elke uiting daarvan en elk gezagsbewustzijn zoveel mogelijk. Zoek in de plaats van gezag: samenwerking en in de plaats van luxe: vol­doende bekwaamheid en eventueel voldoende begrip voor de werkelijke nood­zakelijkheden in het leven.

Zoek niet vrienden, vooral niet naar dingen, waarmee je meer kunt ver­dienen of de zaak mooier kunt voorstellen of wat dan ook. Zoek naar dat­gene, wat voor jezelf zo waar mogelijk is.

Bedenk wel dat elke dienstbaarheid die uit vrije wil wordt ondergaan, in directe overeenstemming is met de kosmische krachten en met hun kosmische invloed van deze tijd. Die dienstbaarheid betekent dat u hier of daar een veer moet laten. Dat is wel zeker. Maar dat hindert niet. Want voor die uiterlijke veer die u laat, vindt u er een innerlijke kracht bij. De mens die zich weet te onttrekken aan de heersende verwarring van denkbeelden en terugkeert tot het simpele beeld van “wat is noodzakelijk voor mijn leven, voor mijn denken (maar dan ook alleen direct noodzakelijk!) en hoe kan ik daarmee in samenwerking met anderen zoveel mogelijk vreugde op de wereld scheppen en zoveel mogelijk geluk”, die heeft de juiste houding gevonden.

Naastenliefde gaat in deze dagen niet uit van de verheerlijking van anderen en ook niet van de absolute verplichting voor anderen te zorgen. Het is een nuchtere zelferkenning, waarbij de samenwerking het element der eenheid vanzelf bevordert.

Dan wil ik nog een woordje wijden aan de kwestie van onze innerlijke bewustwording, want deze speelt ook een zeer grote rol in het leven, zowel in de stof als in de geest.

Een innerlijke bewustwording kan in deze tijden niet worden gebaseerd op zuiver geestelijke of zuiver stoffelijke ervaringen. Slechts daar, waar een voortdurende samengang of een voortdurende aanvulling van beide aan­wezig is, is een werkelijke bewustwording noodzakelijk en mogelijk. Stilstand is echter voor het later geestelijke bestaan onplezierig en dan schadelijk. Vooruitgang of stilstand zijn de twee enig aanvaardbare facto­ren in de stof.

Stilstand is geestelijk niet aanvaardbaar na de dood; zo blijft over, de vooruitgang.

Vooruitgang zoeken betekent voor onszelf: openstaan voor alle nieuwe waar­den. Wij kunnen onze bewustwording niet bevorderen door ons af te sluiten voor onverschillig welke stem. Ook in de dwaasheid van anderen vinden wij soms wijsheid. In de schijnbare onbenulligheden van elke dag liggen even­veel mogelijkheden tot lering als in de grote gebeurtenissen ergens in de wereld of in de kosmos. Er is ‑ gezien de heersende tendensen wat de geestelijke bewustwording betreft – geen enkel verschil tussen het geestelijk werken en het stoffelijk werken, zolang men zich maar volledig en met het gehele bewustzijn inzet.

Daarom zou ik u de raad willen geven: Leer in deze dagen vooral zelfstandig denken. Wij zeggen veel, maar u moet erover denken. U moet uitmaken wat voor u aanvaardbaar en juist is. En dat geldt ook voor wat de dominee zegt, de pastoor, de minister van Financiën, de minister van Defensie, de minister‑president van de USA, of van de USSR of van wat dan ook. U moet denken, zelfstandig. U moet trachten aan te voelen wat juist en wat waar is.

Laat u nimmer leiden door de ramingen van anderen. Wanneer iemand zegt: “Daar staan 1000 soldaten,” dan moet u niet zeggen: “Dus dan zijn er ook 1000.” Dan moet u nog eens kijken. En wanneer het u intrigeert, kunt u hen beter zelf tellen, dan bent u er zeker van. Doe dit vooral voor die dingen die in uw eigen leven van onmiddellijk belang zijn. Wanneer men u een contract geeft, zeggende: “Dit en dat staat erin,” lees het dan geheel na. Overdenk het. Wanneer iets niet duidelijk is, vraag het na en zie er desnoods een wettelijke uitleg van te krijgen of wat dan ook. Maar ga het precies na.

U zult dan zeggen: “Wat heb ik daar nu geestelijk aan?” Daardoor realiseert u zich de werkelijke feiten en voorkomt u dat u door bv. een verkeerde schatting van anderen als juist aan te nemen, zelf verkeerde schattingen maakt op een ogenblik dat die voor u wel gevaarlijk of fataal kunnen zijn. Door het nalezen van het contract voorkomt u dat er een clausule in staat die u later zorg en last kan bezorgen. Kortom, het brengt uw eigen verhouding t.o.v. de wereld op een juister vlak. Maar daarmee moogt u niet volstaan, want ik noem enkele punten.

Bezie alle dingen. Kijk niet weg. Ook niet als er een ongelukkige aankomt. Natuurlijk, u behoeft hem niet te kwetsen door hem te bekijken als iets wonderlijks, maar kijk niet de andere kant uit. Wanneer er bloed vloeit, evenmin. Wanneer er vreugde is, kijk niet weg. Neem de dingen in u op.

Zie alles wat rond u is. Zie, wat er in de étalages ligt en wat er over de straten loopt. Zie, hoe de gordijnen in de huizen hangen bij wijze van spreken en wat voor planten er staan. Neem de dingen in u op.

Probeer zoveel mogelijk ervan in u op te nemen en vooral de sfeer. Leer voortdu­rend al deze gegevens met die sfeer in uzelf te verwerken. Dat kan niet bewust geschieden. Het is een onderbewust proces voor u. Bewust kunt u dat niet in korte tijd leren. Maar dit onderbewuste proces stelt u in staat om daar, waar uw eigen ervaringen en dus voor uw geestelijke bewustwording vaak belangrijke belevingen naar voren treden, op de juiste wijze te reageren. Het maakt het u mogelijk om meer en meer als een harmonisch mens te leven. En het is beter in deze dagen in jezelf harmonisch te zijn, dan in harmonie te zijn met geheel de wereld en innerlijk niet te weten waarheen je gaat. Doelbewustheid is voor bewustwording zowel als voor juist leven in deze dagen de grote noodzakelijkheid.

Ik hoop dan ook dat u uit de voorgaande aanwijzingen voor uzelf een conclusie zult durven en willen trekken, die niet alleen gebruikt wordt als filosofisch betoog, maar als een mogelijkheid om desnoods door experi­ment na te gaan op welke wijze u uw leven kunt wijzigen in overeenstemming met de nu heersende kosmische invloeden en zo uw bewustzijn, uw vermogen en uw eenheid met het Goddelijke a.h.w. verder te vergroten en te voltooien.

Inwijdingsgang

Een inwijding betekent a.h.w. een wakker worden voor hogere werelden. Een mens kan niet alleen naar het licht gaan. Want wie alleen naar het licht gaat, weet niet meer wat het duister is. Eenzijdigheid in ontwikkeling en in een inwijding betekent in feite te verliezen wat je hebt gewonnen en dit is niet in overeenstemming met de wil van de kosmische Schepper.

Laat ons daarom uitgaan van het standpunt dat elke inwijding bete­kent, een beter en verdergaand begrip verkrijgen van alle krachten die in het Al voorkomen en de betekenis die zij hebben binnen het totale scheppingsplan.

Deze inwijdingen worden over het algemeen voorgesteld door een voort­durende wisseling van wereld. Wij kennen natuurlijk voorstellingen van ladders of trappen, voorstellingen van een rad met vele werelden. Wij kennen ook ‑ en misschien wel als de meest interessante ‑ de slang, die zichzelf verslindt. In al deze beelden wordt getracht ‑ duidelijk te maken dat een inwijding eigenlijk een terugkeer is tot het middelpunt van het zijn.

De wereld van verschijnselen kan alleen daar bestaan, waar beweging is, waar contrasten zijn. Contrasten echter zijn daar het scherpst merkbaar, waar de kosmische waarheid zelf in vele delen uiteen schijnt te vallen.

Komen wij tot het middelpunt, dan houden de tegenstellingen op, maar wordt het kosmische daarentegen weer kenbaar.

Wanneer wij zelf een inwijding willen ondergaan, dan zijn wij geneigd, deze te zien als het binnentreden in een soort hemel. Beelden van het doorschrijden der poorten, de wachters bij de poort, het klimmen op het pad der bewustwording, de tocht langs de verschillende inwijders zijn dan ook gebruikelijk.

Laat mij trachten u een beeld te geven dat niet is gebaseerd op deze gelijkenissen, maar waarbij de inwijdingsgang vooral wordt gezien als een voortdurende wijziging van de eigen instelling t.o.v. het Al; een verandering van harmonische verhouding tot het Al en de delen ervan; en ten laatste en zeker niet ten minste een langzaam beseffen van eigen werke­lijkheid en betekenis.

Wanneer je begint, dan is je eerste gedachte altijd aan jezelf. Want de eerste stap die de mens op het pad der bewustwording zet, is de realisatie dat hij is. Zijn bestaan en op den duur de begrenzingen van zijn eigen wezen, vormen het punt van uitgang. Door zeer vele werelden en belevingen blijft deze begrenzing voor hem het belangrijkst. Hij denkt vanuit zichzelf naar de wereld toe Hij erkent de verschijnselen in die wereld alleen voor zover ze hemzelf direct betreffen en beïnvloeden.

Daaruit kan hij langzaam maar zeker ongetwijfeld ook een begrip van zichzelf opbouwen. Maar zolang je ‑ zelfs als je jezelf geheel kent ‑ het Al alleen ziet als een wisselwerking in oorzaak-en-gevolg-kwesties zonder meer, kun je niet goed begrijpen waarom je zo leeft en waarom dit jouw doel of jouw betekenis is.

De mens, die verder wil gaan, zal dus moeten zeggen: “Er is een kwestie van een eigen wezen, dat veel verder reikt.”

De oude en algemeen gangbare voorstelling hiervoor is dus het rad dat terugkeert tot zijn punt van uitgang. “Eens zal ik terugkeren, wetend omtrent mijzelf en de wereld, tot het punt waar ik kan zeggen: ik ben.”

In die tussentijd zal het ik‑bewustzijn vaak vervagen. Wij zullen ons afvragen, waarom wij juist dit moeten doorleven, waarom dit onze taak is, waarom wij zus geschapen zijn en niet zo. De inwijdingsgang heeft nu ten doel om dit alles te regelen.

Elke inwijding is afhankelijk van een inwijder. Zo zal in het begin, wanneer het bewustzijn zich voor het eerst ontplooit, een Al-kracht aanwe­zig zijn, die zich als een direct contrast tot het eigen bestaan en wezen kenbaar maakt. Daardoor worden wij genoopt ons onze beperktheid meer te realiseren en onze eigen grenzen en eigen vermogens te omschrijven.

Als wij dit hebben gedaan, vallen wij onder een groepsgeest. Wij heb­ben a.h.w. gekozen. Door de verhouding, die in ons bestaat t.o.v. het God­delijke, komen wij in een zekere overeenstemming en harmonie met een groeps­geest. Deze groepsgeest helpt ons en gebruikt ons gelijktijdig als bezie­lende kracht om in een bepaalde vorm te leven. Het kan een zeer simpele ééncellige vorm zijn, het kan een hoog gevormde plant of dier zijn; maar on­der deze kracht leven wij.

Hoe meer ons bewustzijn ontwaakt, des te meer kan ook een zekere zelfstandigheid van ons worden verwacht. Wij worden harmonisch met krach­ten, die enerzijds een veel ingewikkelder denk- en scheppingsplan kunnen realiseren, maar aan de andere kant ook weer veel minder aandacht voor details hebben dan wij. Zo stijgen wij langs de vlakken van het dierlijk be­wustzijn en de sluimering in de geest langzaam maar zeker naar het blij­vend ik‑bewustzijn dat op aarde hoofdzakelijk is gebonden aan de gewervelde dieren (de vertebraten) en in het bijzonder aan de warmbloedige dieren.

Nu weet ik dus: ik leef. Ik weet dat ik iets ben en ik kan beginnen te beseffen wat ik in de wereld ben. Maar ik ben in harmonie met een bepaalde kracht. Die kracht geeft mij wel grote vrijheid. Al is hij niet meer de groepsgeest van het dier, doch eerder een rassen‑ of volksgeest, ik ben toch nog aan hem onderdanig, ik ben met hem verbonden. Want altijd weer, wanneer ik een hoge kracht aanvaard en daarmede harmonisch ben, zal deze op mijn wezen haar invloed doen gelden.

Nu besef ik op een gegeven ogenblik dat dit voor mij niet meer voldoende is. Ik mag dat niet baseren op wat rond mij bestaat. Dat kan ik onmogelijk doen. Neen, ik moet uitgaan van het verlangen, het werkelijke verlangen dat in mij leeft. En ik ga nu alles zoeken, wat voor dit verlangen binnen de beperkte vrijheid die ik bezit een verwerkelijking kan betekenen. Op deze wijze verwerf ik werktuigen en daarmede ga ik dan in mijn leven verandering brengen.

Realisatie betekent een andere daad, een andere oorzaak‑en‑gevolg‑verhouding en een andere functie in het leven. Daardoor verander ik van niveau.

Dit niveau brengt mij dan in contact met een hogere geest. En om u een heel eenvoudig voorbeeld te geven: Er zijn op het ogenblik binnen het menselijk ras 17 trappen mogelijk. Er zijn dus 17 grote machten die elk voor zich een bepaald bewustzijn be­hoeden en vreemd genoeg kan een overkoepeling van rassen daarbij optreden.

Iemand, die oorspronkelijk onder een volksgeest staat, kan dus opgaan tot­dat hij één wordt met een rassengeest. In die rassengeest erkent hij zich­zelf niet voldoende. Nu wordt hij één met een geestelijke macht op de we­reld, die echter uit alle rassen de harmonische factoren bij elkaar brengt.

Heb je dit bereikt, dan wordt je leven over het algemeen wat ver­ward en wat moeilijk. Want je bent voortdurend in strijd met alle dingen in je omgeving. Je gaat je afvragen: Hoe komt het nu dat het in de wereld voor anderen zus loopt en voor mij zo? Ik sta toch geestelijk vrijer, ik pro­beer meer te doen. Waarom kan deze mens bepaalde gave ontwikkelen en die niet?

Op die vragen kun je natuurlijk een antwoord geven door het geloof. Zo zien wij in deze fase mensen, die als een soort zelfverdediging tegen de voortdurende vragen die van uit de wereld tot hen komen, zich binnen de beperking van het geloof opsluiten. Zij worden de negatieve kloosterlingen; zij worden de fakirs ‑ dus niet de werkelijke yogi’s; zij worden de bekrompen denkers die zich aan allerhande dogma’s binden, welke hun dan een antwoord kunnen geven. Maar dit genormaliseerde antwoord is nooit voldoende. Komen zij in een geestelijke sfeer, dan blijkt dat hun antwoorden niet juist zijn. Zij worden met de vraag geconfronteerd en zullen toch weer moeten terugkeren tot een punt in hun leven, waar zij weer contact kunnen krijgen met een wereld, in welke zij naar beantwoording kunnen streven.

Met elke schrede die ik hoger ga, word ik vrijer. Ik heb meer delen van mijn leven en denken onder mijn beheersing, maar gelijktijdig is de leiding wat de hoofdlijn van mijn leven betreft ook sterker en ik kan daar moeilij­ker van afwijken. Er komt een ogenblik dat ik misschien machtig kan zijn t.o.v. alle mensen. Ik heb bv. geestelijke macht, ik kan wonderen doen.

Ik heb een verstand dat alle dingen doorziet. Maar juist dan leeft in mij een zeer sterk besef dat mij aan de besluiten van de kracht bindt, die mij leidt en die ik dan misschien God noem.

Daarom mag worden gezegd dat voor de doorsneemens de belangrijkste fase van inwijding tijdens het stoffelijk leven wordt bereikt op het ogenblik dat hij zelfstandig zoekt naar een antwoord op alle vragen die hemzelf betreffen. Wanneer hij die vragen alleen gaat stellen omtrent kosmische krachten, loopt hij vast.

Wanneer ik mij afvraag: “wat is God?” dan stel ik mij een vraag, waarop geen reëel antwoord mogelijk is. Waar geen reëel antwoord moge­lijk is, verval ik in waan. Ik kom niet verder en ik verkrijg op deze wijze ook geen harmonie met een hogere geestelijke kracht.

De inwijdingsgang kan nu op verschillende wijzen worden voortgezet. De meest gebruikelijke is dat men leert inzien dat men een bepaalde taak en verantwoordelijkheid heeft ‑ krachtens eigen gaven en denken ‑ tegenover de mensheid. Deze taak ligt in het “ik”. Zij is onafhankelijk van al het andere. Men dient.

In dit dienen leert men, want men wil steeds beter dienen. Daardoor vloeien twee waarden samen: ervaring (de poging te helpen en haar resultaten) en lering (de theorie waardoor ik betere dienstbaarheid tracht te bereiken). Ik word tot een nieuw we­reldbeeld gebracht. De mens noemt dit meestal een sterk filosofisch beeld. En in dit filosofische beeld kom ik a.h.w. weer onder een hogere kracht.

Deze hogere kracht nu brengt mij in een wereld, die irreëel heet. Want op een bepaald ogenblik in de inwijding heb ik te maken met tenminste twee werkelijkheden. Een werkelijkheid die voor allen rond mij geldt en een werkelijkheid die voor mij en voor enkelen geldt die eenzelfde vlak van inwijding bereikt hebben. Ik ga dan natuurlijk op twee wijzen handelen en streven. Uit de tegenstelling die zo ontstaat, vloeit ‑ mits ik op beide wijzen zo juist mogelijk reageer ‑ voor mij weer lering voort, waarin ervaring en kennis samensmelten en ik kom tot de bewuste eenheid, die bv. ligt in de hogere krachten van de Witte Broederschap.

Nu moet u goed begrijpen dat alle trappen, die daarna komen, hoofdzakelijk op geestelijk terrein liggen. Tot en met die trap, waarop wij zeggen: “Men wordt bewust leider en helper” (een soort Meester zoals men dat wel noemt), is men nog mens, dan heeft men nog volledig de menselijke eigenschappen en kwaliteiten. Komt men daarboven, dan is dat zgn. geestelijk. De stof wordt steeds minder belangrijk en zo zij nog bestaat, wordt zij alleen gehanteerd als werktuig en is niet meer het middelpunt van eigen denken en bewustzijn.

Zo ga je langzaam verder. De harmonie, die je bereikt met een bepaal­de geest, gaat niet teloor. Wanneer ik dus bv. ben gekomen tot het punt waar ik kan streven naar de eenheid van een Witte Broederschap (het be­wustzijn van eigen taak t.o.v. anderen), dan zal ik in harmonie zijn met al­le krachten, die in de schepping aan de ontplooiing van mijn wezen hebben meegewerkt. Door mijn verleden ben ik met het Goddelijke (het voortbrengen­de) en met elke fase van groepsgeest, beschermgeest, geleidegeest enz. in harmonie. Al wat mijn verleden mij heeft geleerd is voor mij de harmoni­sche achtergrond, waaruit ik te allen tijde weer hulp kan krijgen.

U weet misschien dat op een bepaalde graad van innerlijk bewustzijn men in staat is bv. dieren te beheersen. Er zijn zg. heiligen, die wil­de dieren aan zich onderwerpen; voor wie de slang een dienaar wordt of zelfs – zoals voor de Gautama Boeddha ‑ een beschermer, die haar kap uitbreidt om hem tegen de zonnestralen te beschermen en hem dreigend verde­digt tegen al het boze, wat rond hem is. Dat is een uitvloeisel van harmonie.

De harmonie omvat dus altijd het totaal van de wereld, die wij reeds hebben ervaren. Elke schrede vooruit in de inwijdingscyclus betekent een uitbreiding van de harmonische macht, maar deze overkoepelt steeds weer het verleden. Het gevolg is dat in elke fase van bestaan onze instelling van groot belang wordt. Zijn wij nl. één met onszelf, dan blijkt dat alle geestelijke krachten, die ooit in het verleden met ons in betrekking stonden ‑ zomede waarschijnlijk een groot gedeelte van de krachten, waarmee wij gezamenlijk bv. binnen een groepsgeest hebben geleefd ‑ voor ons hulp en steun zijn.

Mijn instelling moet steeds op mijn ware wezen gericht zijn, zoals ik dit erken en op mijn ware verantwoordelijkheid. De kennis van anderen kan alleen worden gebruikt om mijn eigen verantwoordelijkheid juister te erkennen, niet om deze te veranderen. Zolang ik op deze wijze denk, ben ik in harmonie met het verleden en heb daardoor een steun.

U hebt misschien weleens de poppen gezien, die kinderen uit een stukje papier of een stukje huid snijden; zij kleuren ze mooi, maar ze moeten ook blijven staan. Dat kunnen ze niet, tenzij er een blokje aan de achterkant wordt aangebracht of iets, waarin zij kunnen worden vastgeklemd. De steun, die ons in geestelijk opzicht binnen de inwijdingscyclus staande houdt, is altijd het totaal van de krachten uit het verleden. Op het ogenblik dat wij deze kracht verwaarlozen of door menselijk redelijk denken terzijde stellen, valt de steun weg. Wanneer de steun ontbreekt, zijn wij geen meester meer van onszelf. Wij zijn als de pop; wij worden door de gebeurtenissen eenvoudig omvergewaaid. Wij zijn niet meer zelfstandig, ook al denken wij zelf te handelen.

Zo blijkt binnen de bewustwording steeds weer dat het zich baseren op het verleden van belang is, mits dit verleden steeds weer wordt omgezet in nieuwe waarden.

Er kan nu in de inwijding een periode komen dat de mens wordt ge­confronteerd met het verleden. Want hoe meer je je bewust moet worden van al die dingen, hoe meer contact je er ook mee moet hebben. Dan kan het zijn dat in een zeer korte periode achtereenvolgens bepaalde onbestemde, ik‑gevoelens (heel vaak uitgedrukt in sommige lichamelijke kwalen), bepaal­de dierlijke elementen (zoals gedreven in ééncellige wezens), bepaalde plant‑elementen (een bespiegelend zoeken naar licht en naar zonneschijn), bepaalde dierlijke elementen (het zoeken naar zelfbehoud en bevrediging) samenvallen met de meer menselijke aspecten. Daarom wordt wel eens gezegd, dat elke nieuwe fase of trap van inwijding een korte herhaling is van alle vorige elementen, die echter dan volgens het nu eigen hoogste bewustzijn worden uitgedrukt.

De inwijdingsgang kan ons voeren door vele verschillende werelden. Onze vriend zou hier zeggen: wij gaan door de hel en het vagevuur naar de hemelberg.

Wanneer wij zeggen: “Wij gaan naar een hellewereld,” dan erken­nen wij de werkingen van de disharmonie. Elke erkenning van disharmonische aspecten is belangrijk; want ik weet daardoor, dat ik alleen door zelf de hoogste harmonie te handhaven mijzelf kan zijn.

Wie in een hellewereld gebonden is, is het slachtoffer van zijn eigen waan en strijdigheden die hij niet wenst op te lossen. Hellewerelden zijn daarom nooit blijvend; de oplossingsmogelijkheid blijft bestaan. Zodra men terug­valt op de achtergronden die men heeft, kan men ‑ dankzij bepaalde gees­telijke harmonieën ‑ bevrijd worden en langzaam verdergaan.

Wat u noemt vagevuur, louteringswereld of louteringsberg, kan het best worden vergeleken met een beproeving. Want een mens maakt fouten. Deze fouten maakt hij meestal niet door zijn feitelijke daden maar in zijn denken. Waar een te groot verschil bestaat tussen het innerlijk bewustzijn van goed en de realisatie daarvan, ontstaat de louteringsberg en deze moet de mens leren zichzelf te zijn.

Wij noemen deze fasen meestal poorten of tussentrappen en eerst van daaruit kunnen wij een nieuwe wereld betreden. Hoe kan ik immers in harmonie komen met een hogere kracht, als ik in mijzelf niet harmonisch ben? Ik moet volgens mijn huidig denken en bewustzijn ‑ maar dan eerlijk, oprecht en onpartijdig ‑ een zo groot mogelijke innerlijke eenheid verwezenlijken. Eerst wanneer ik één ben in mijzelf met een redelijke aanvaarding van en als het even kan ‑ genegenheid vóór de wereld waarin ik leef, heb ik de juiste instelling, waardoor een nieuwe kracht zich in mij kan openbaren.

Nu denkt een mens misschien: deze groei is geleidelijk. Maar wanneer u uit een kamer gaat door een deur naar een andere kamer, dan is de overgang in feite plotseling. Alleen de handeling van het openen van de deur ligt ertussen, maar geen afstand. De geleidelijkheid van de overgang kan in het bewustzijn van de mens liggen, omdat hij weet waar hij naartoe gaat. Maar dat komt in de kosmische wereld betrekkelijk zelden voor.

Inwijding is vaak, het je bewegen in de richting van een deur. Je noemt het een doel. Je weet niet wat het doel inhoudt. Pas wanneer je het doel meent te bereiken, blijkt dat je door het doel te bereiken een andere wereld binnentreedt. De verandering die je geestelijk onder­gaat en die ook voor de stofmens onmiddellijk in zijn bewustzijn wordt weer­spiegeld, is bijna ogenblikkelijk. Het gewennen aan de nieuwe situatie in een kamer, (vergelijkenderwijs dus te leren waar de meubelen staan en welke mogelijkheden en welke ruimte men heeft) vergt enige tijd. Maar de bewust­zijnswaarde en verandering als zodanig is altijd direct.

Een buitengewoon belangrijke factor is in deze cyclus onveranderlijk het element van naastenliefde. Zodra het element van zelfverloochening of gevoel van eenheid met anderen sterk optreedt, zonder dat daar zuiver egocentrische drijfveren voor zijn, ontstaat nl. een afstemming die ons met de kern van ons wezen (de goddelijke Kracht) in verbinding brengt en tevens met de buitenwereld. Er ontstaat een driehoek, waarin alle voor ons belangrijke krachten zijn uitgedrukt. En ‑ als ik u eraan mag herinne­ren ‑ bepaalde inwijdingspoorten werden vroeger vaak voorzien van een trapeziumvormige of zelfs driehoekige timpaan, een soort overbrugging, een soort stap, maar dan in de hoogte, om aan te duiden dat men doorgaat.

Ook de tempels hebben heel vaak dergelijke driehoek‑uitdrukkingen.

Want wanneer het hoogst Goddelijke met mijn bereiking en mijn ervaring mijn “ik” voor een ogenblik bepalen, bestaat voor mij overal harmonie. Deze is niet meer te zien alleen in verband met het verleden of alleen met de toekomst. Zij is direct en volledig en mijn wezen kan nu met de hoogste kracht die voor het “ik” bereikbaar en begrijpelijk is, een harmonie aangaan, die blijvend is.

Het einde van de inwijdingsgang brengt ons dan naar steeds minder stoffelijke gebieden. Wij worden op den duur zelfs een soort groepsgeest en als zodanig gaan wij onder leiding van anderen invloed uitoefenen op lager of hoger leven. Op den duur wordt het deel van de schepping, waarmee wij ons bezighouden (en dit nu eens niet meer afhankelijk van een tijdsverloop of ontwikkeling; er is dan weinig meer van heden of verleden) voor ons een actief deelhebben in een steeds groter deel der schepping. Het lijkt alsof wij ons steeds identificeren met een meer omvattend deel van het scheppend vermogen, waardoor wij intenser en juister een groter deel van de schepping overzien en de betekenis daarvan leren kennen. Zo wordt gelijktijdig de wereld buiten ons groter, terwijl het “ik” meer vrijheid aan die wereld daarbuiten gevende zelf in zijn werking beperkter en compacter, maar ook complexer wordt.

Zo naderen wij de kern van het rad. Tot wij tenslotte rond ons alle levens en mogelijkheden van onszelf en anderen zien liggen, alle krachten waarmee wij eens harmonisch zijn geweest en onze inwijdingsgang hebben volbracht, niet door voortdurend dezelfde reeks levens af te gaan of alleen in een spiraal te lopen, maar door het bewustzijn terug te brengen tot het middelpunt.

Als het bewustzijn in het middelpunt bestaat, dan kan onze uiting nog plaatsvinden in elk deel van het rad. Wij kunnen dan identiek zijn met onverschillig welke geest of welke mens. Wij kunnen zelfs meehelpen de goddelijke Kracht of de kracht van een hogere geest te openbaren. Maar ons bewustzijn laat ons niet meer toe dit te zien als een persoonlijke uiting in een bepaald aspect. Wij ervaren dit in een beperkte vorm misschien. Ik kan dan mijn eigen wezen nog zien als een mens die leraar is bv.; maar in mijn leraarschap is de ware betekenis voor mij niet alleen meer het stoffelijke of hetgeen ik dan filosofisch en geestelijk onderwijs, maar de betekenis die dit kan hebben in het totaal van een bepaald deel van de inwijding. En zo is het eigenaardige dat dus de inwijdende entiteiten waarmee wij harmonie zoeken door onze instelling, slechts zelden ‑ al zien wij hen als één persoonlijkheid ‑ werkelijk één persoonlijkheid zijn.

Het zijn in feite groepen wezens met een zo volkomen gelijk bewustzijn, dat zij eenvoudig naar buiten toe één-zijn voor ons, zodat wij rustig kunnen zeggen: dit is hun naam.

Vooruitlopend op onderwerpen die voor u later misschien zullen worden behandeld, wil ik er u nog op wijzen dat lang voordat de aarde bewoond werd door de mens er andere planeten zijn geweest met volkeren die wijs en goed waren en die gestorven zijn. Een deel van deze volkeren behoort weer tot de leiders en inwijders van uw planeet. Groepen van hen, die misschien vergeleken kunnen worden met volkeren en steden, hebben een bepaalde taak op zich genomen in het bewustmaken van de minder­bewusten zoals wij.

En wanneer wij eens zijn opgegaan tot dit punt, zo vraag ik mij af, of er dan voor ons ook weer niet een wereld zal zijn, waarop wij dan zul­len moeten optreden als inwijders. Want datgene wat wij bereiken, moeten wij gelijktijdig weer voor anderen zijn. Dat is het eigenaardig geheim van de inwijdingsgang, waarvan ook wij – mens en geest – deel uitmaken.