Kosmische structuur en kosmische werkingen

‘Geestelijke wetenschappen’ (hoofdstuk 5) – februari 1969

Kosmische structuur en kosmische werkingen.

Als wij trachten vanuit het occultisme het heelal te bezien, dan stranden wij altijd weer op een grote hoeveelheid hemelwerelden, hellewerelden, sferen enz. Toch heeft het Al een structuur. Het is soms wat moeilijk die structuur helemaal te overzien, daar zij variabel is. Daarom zou ik graag willen beginnen met een kleine vergelijking.
Het ijskristal is een vaste vorm. Zodra wij echter komen tot het sneeuwkristal, zijn er een oneindig aantal combinaties mogelijk. De grondbestanddelen zijn dus altijd dezelfde, maar de wijze waarop ze tot uiting komen is totaal verschillend.
Zo zou men dus kunnen spreken over de structuur van het Al, daar dit heelal is opgebouwd uit een groot aantal werelden, elk met zeer verschillende eigenschappen, met zeer verschillende kwaliteiten, vaak met een totaal ander energiegehalte, maar alle vergelijkbaar met uw eigen drie‑ dimensionaal stelsel.
Deze werelden beroeren elkaar niet altijd op precies dezelfde wijze. Als ik te maken heb met een hoge lichtende wereld, dan spreek ik in feite over een wereld, die een heel hoog energiegehalte heeft en op grond daarvan domineert over alle andere werelden. Dat de wezens, die daarin leven, hierdoor heel andere mogelijkheden hebben dan men zich normalerwijze op uw aarde realiseert, zal duidelijk zijn; maar dat is eigenlijk voor ons op het ogenblik niet zo belangrijk. Waar het ons om gaat: die wereld kan op een gegeven moment praktisch in contact zijn met uw wereld. Zij sluit daarop a.h.w. aan. En dat betekent dat uw eigen wereld dan een ogenblik ligt in het hart van het sneeuwkristal, dat wij de kosmos noemen, terwijl op andere ogenblikken juist werelden met een veel lager energiegehalte eveneens nabij of grenzend aan uw wereld kunnen liggen. Deze variabele structuur is de oorzaak van wat men pleegt te noemen: de kosmische stromingen of de kosmische energieën; want in het heelal veranderen de krachtsverhoudingen voortdurend.
Deze verandering alleen maar wijten aan kleine verschuivingen van evenwicht in het eigen Al, is niet juist. Dan zou men veel grotere oorzaken moeten hebben om iets dergelijks te verklaren. Gaat men echter uit van het standpunt dat een andere wereld invloed heeft zodat er a.h.w. een ‘leak‑over’ is van andere dimensionale omstandigheden, dan worden plotseling al die werkingen wel verklaarbaar. Als wij die structuur willen definiëren, zou ik dat het best zo kunnen doen:
Alle eenheden van het Al zijn onderling vergelijkbaar, ofschoon ze in kwaliteit en daardoor in mogelijkheden verschillen. De samenhang van deze onderdelen is altijd zodanig dat tenminste drie werelden gelijk met elkaar in contact zijn.
Ik weet wel dat dat geen erg mooie omschrijving is. Maar u kunt zich altijd voorstellen dat het brandpunt van de werkingen, die wij geestelijk ondergaan, gelegen is in het contactpunt van drie verschillende werelden.
Op aarde nu is men geneigd om die werelden als steeds dezelfde aan te nemen. Zo stelt men dus eenvoudig: Wij hebben te maken met een wereld van levenskracht, met een astrale wereld, met een geestelijke wereld. Die komen samen en daaruit komt iets voort. Dat is in wezen onjuist. Voor een mens is het heel erg moeilijk zich te realiseren dat de astrale wereld van vandaag niet de astrale wereld van morgen is. Toch zijn die verschillen er wel degelijk; en de mens, werkende in die astrale wereld, zal dus ook in het astrale voortdurend andere omstandigheden ontmoeten. Hij zal met heel andere problemen te worstelen krijgen.
Een mens, die contact heeft met de wereld van levenskracht, die men dan de geestelijke wereld noemt, zal daaruit de ene keer heel andere energieën en mogelijkheden putten dan de andere keer. Dat komt omdat het dus niet altijd dezelfde werelden zijn.
U zult zich afvragen of die reconstructie, de herhaling van wisseling, zeer frequent is. Daarvoor is geen vaste maatstaf te geven. Het is namelijk bekend dat sommige van die werelden of sferen maar ongeveer twee of drie dagen met uw wereld in contact zijn, waardoor ze een betrekkelijk geringe wer­king hebben, terwijl andere soms honderd of meer jaren in contact blijven. Juist deze volkomen onregelmatigheid, gezien vanuit menselijk standpunt, maakt het heel moeilijk op aarde een juiste definitie te geven. De mens, die op aarde toch die werking ondergaat, beschouwt haar daarom als kosmische wer­king, voortkomend uit een vaststaande kosmos, waarin de variabiliteit van we­reldcontact geen rol speelt, maar alleen de wil van bepaalde wezens.
Ik wil nu trachten althans enigszins duidelijk te maken hoe kosmische werkingen ontstaan en bestaan en wat de kracht is, die daarbij voor de mens voornamelijk in verschijning treedt.
Ik begin te stellen dat uw wereld een bepaald energiegehalte heeft, noem dat voor mijn part potentiaal. Dit energiegehalte omvat het totaal van alle levende wezens, de eigen kracht van uw aarde en voor u verder alle inwerkingen uit de omgeving: de zon, enz. Hetgeen zo is ontstaan, kan nu in contact komen met wat u noemt ‘een lagere wereld’. Dit ‘lager’ heeft eigenlijk niets te maken met de structuur van de wezens, die erin leven; het betekent eenvoudig dat die andere wereld dus als potentiaal (energetisch vermogen) lager geklasseerd is. Zodra nu deze beide met elkaar in contact komen, ontstaat er een inductie; d.w.z. uw wereld begint in die lagere wereld te projecteren. Op het ogenblik dat dit geschiedt, geeft men voor de mensheid kenbaar (want het is een wisselwerking) a.h.w. veel sneller gestalte aan droombeelden en denkbeelden. Gedachten zijn ook krachten. Gedachten, geprojecteerd in een lagere wereld, krijgen sterk vorm en komen dan weer terug. Ze komen niet terug als energie, maar als een variant van energie. Elektronisch kan men hier een vergelijking maken:
Als ik een transformator heb, dan is de secundaire energetische hoger dan de primaire. De secundaire kan nl. een grotere hoeveelheid energie (veldenergie) veroorzaken en verwerken dan de eerste. Het omgekeerde kan ook wel eens het geval zijn; het ligt eraan wat voor soort transformator men heeft. Maar als ik nu in de ene wikkeling begin met het veroorzaken van een fluctuatie, dan zien wij aan de andere kant in de stroomopname diezelfde fluctuatie ontstaan. Al hebben beide spoelen met elkaar geen reëel contact, wat in de ene gebeurt, beïnvloedt de andere. Die zelf geen energie heeft, geeft energie af.
Als u dat beeld kunt begrijpen en verwerken, dan zal het u ook duidelijk zijn dat alle veranderingen, die men veroorzaakt in een qua energie lager gelegen wereld, terugstralen als veranderingen in de verhouding tussen uw eigen wereld en die andere wereld. Het resultaat is dus, dat uw wereld een reflex krijgt van het gebeuren in de andere wereld. En daar zijn weer bepaalde regels voor: Men kan nl. zeggen:
Naarmate het scheppend vermogen van een wereld zich scherper in de naastgelegen wereld of sfeer uitdrukt, zal het energieverbruik van de laagst gelegen wereld groter worden t.a.v. de eerste wereld. Dus hoe meer vormen u schept in een astrale wereld, die lager ligt dan uw eigen wereld, hoe groter de energieopname uit uw wereld zal worden er daarmee ook hoe meer u zelf aan energie of kracht verliest.
Heb ik te maken met een hoger gelegen wereld, dan is het veel moei­lijker om daarin een vorm te scheppen, zelfs indien wij aannemen dat ze as­traal is, zodat we daarin met de fijne materie kunnen werken. Want omdat wij in vergelijking betrekkelijk weinig energie hebben, zal in de eerste plaats de kracht van die wereld naar onze wereld toestromen. Eerst de ideeën die daardoor worden gestimuleerd, zijn sterk genoeg om terug te koppelen naar de hoger geladen wereld en daarin vormen te doen ontstaan. Die vormen bepalen dan ‑ vreemd genoeg ‑ het energieverloop. Maar gelijktijdig zal in uw eigen wereld door een overmaat aan energie een grotere uitbarsting van levens­kracht en daarmee zowel van daadkracht als van b.v. getalsvermeerdering optreden. Een geboortegolf is over het algemeen het resultaat ‑ zo vreemd als het moge lijken ‑ van het al dan niet langere tijd gekoppeld zijn aan een wereld van hoger energetisch gehalte.
De praktijk is natuurlijk wel een beetje anders dan het eenvoudige beeld dat ik u gaf; want ik heb nu steeds gesproken over twee werelden, maar er zijn er drie.
Indien die drie werelden nu voldoende van elkaar verschillen, zal de wereld met het hoogste energetische gehalte altijd beïnvloedend optreden ten aanzien van de wereld met het laagste energetische gehalte. De wereld, die daartussen ligt, krijgt dan wat men noemt ‘spiegelverschijningen’ omdat zij eigenlijk bijna niet in het geding is. Daar is de zaak evenwichtiger. De werking, die in de beide andere werelden ontstaat, wordt ‑ vooral in denkvermogen – echter wel geprojecteerd in de derde wereld.
Deze structuur zou een verklaring kunnen vormen voor de plotselinge verandering in denken, die wij bij de mens vinden. Wanneer u opeens over de gehele wereld een bepaalde wetenschappelijke ontwikkeling ziet optreden, dan is het toch wel aan te nemen dat daarvoor een oorzaak is. Zoeken wij die alleen in het bovenbewustzijn van de mensheid, dan moeten wij toch met onze extrapolaties wel een paar vreemde sprongen maken. Nemen wij echter aan dat er een bepaalde invloed van buitenaf is, die de juiste condities gaat scheppen voor een wijze van b.v. wetenschappelijk denken, dan ligt het anders. Dan zal een bepaalde invloed voor alle mensen een gelijke stimulans betekenen; en dat betekent dat de meest harmonische mensen dus de sterkste stimuli ondergaan. En daar deze harmonie eveneens bepaald wordt door denkvermogen en zelfs denkgerichtheid, is het ontstaan van gelijksoortige denkbeelden en ontwikkelingen haast onvermijdelijk. Wij kunnen daarmee als eenvoudige mensen op aarde over het algemeen niet al teveel doen, maar wij zouden misschien wel ‑ en dat is iets anders ‑ rekening kunnen houden met de meest voorkomende feiten. En daartoe moeten wij allereerst weten wat uw eigen heelal qua energie is.
Het heelal, waarin u woont, is een heelal dat in vier fasen van energetisch gehalte kan worden ingedeeld. Het is dus niet helemaal evenwichtig en niet helemaal gelijk. Uw eigen wereld ligt in een gedeelte, dat kan worden ge­rubriceerd als middenklasse. U bent dus een gemiddelde. Daar de gemiddelden betrekkelijk weinig voorkomen, zult u bijna altijd te maken hebben met een hogere en een lagere wereld. Voor de aarde is dat misschien wel erg prettig, want met haar gebondenheid aan vaste vormen en vaste normen zou ze niet zo gemakkelijk tot allerhande ontwikkelingen komen. Maar doordat zij steeds de inductie van de wisselwerking tussen twee andere werelden in zich ondergaat, ontstaan er voortdurend nieuwe stimuli, nieuwe denkbeelden en wat belangrijker is, nieuwe mogelijkheden.
Als uw wereld tijdelijk wordt gedomineerd ( d.w.z. dat de twee werelden waarmee zij op dat ogenblik in contact is, sterker zijn dan zij) zal zij een overmaat aan energie ontvangen. Die energie is echter niet meer gericht. Integendeel, de geaardheid van die energie wordt eigenlijk bepaald door de mensheid, door de aarde zelf. Want in uw heelal is voor u het enig belangrijke punt, dat neem ik toch wel aan, voorlopig de aarde.
Stel ik nu dat op aarde onredelijkheid heerst in het denken, dan zal een contact met twee hoger geklasseerde werelden betekenen dat de onredelijkheid wordt versterkt en dat de inwerking van de andere werelden naarmate het contact langer duurt, onredelijker, chaotischer wordt. Draaien wij de zaak om, dan kan ik ook zeggen: Als er twee lagere werelden zijn, dan is het een periode, dat de aarde het heel erg rustig heeft. Zij zal wat energie, wat momentum verliezen. De mensheid wordt in zo’n periode over het algemeen b.v. behoudzuchtiger, maar gelijktijdig zal al het bestaande in die andere werelden geconcretiseerd worden. De wisselwerking, die ontstaat, geeft dan a.h.w. een mogelijkheid tot juistere detaillering van de eigen behoudzuchtige en reeds bestaande wereldorde. Daarom is het voor de mens op aarde wel zeer belangrijk, waarmee hij nu precies contact heeft.
Die kosmische werkingen zijn zelfs ‑ zo ingewikkeld als ik het nu doe – eenvoudig voorgesteld; dat moet u begrijpen. Er is echter één factor, die wij niet over het hoofd mogen zien, namelijk: Alle werelden en sferen zijn bewoond. Dat wil dus zeggen: er zijn entiteiten, die denken en leven, of zij nu gelijk zijn aan de mens of dat ze het tegengestelde daarvan zijn, ze zijn er.
Wij ontmoeten dus in alle werelden denken. Er is nooit een onbewuste reactie. Elke reactie is ergens bewust. Door deze bewustzijnsoverdracht ontstaan er contacten en, typerend, een harmonie tussen uw wereld en de andere wereld, waarbij persoonlijkheden uit de ene wereld in de andere wereld kunnen worden geprojecteerd. Die projectie is aansprakelijk voor visioenen en voor vele droombeelden. Zij is daarnaast ongetwijfeld ook aansprakelijk voor vele onverklaarbare verschijnselen op aarde, die meestal een korte tijd optreden en daarna verdwijnen. Ik kan u wel een paar voorbeelden noemen:
Er is heel veel heibel geweest in de buurt van Columbia (Zuid‑Amerika) waar zich boven een meertje plotseling op een vaste tijd (6.30 uur ’s avonds, dus even na zonsondergang) een wolk begon te vormen. Deze wolk nam steeds de gestalte aan van mensen (een vrouw of een man), in enkele gevallen ook van een kruis. Men heeft erover gesproken als van een mirakel, een teken, dat de mensheid werd gegeven. In feite werd hier onder speciale condities eenvoudig de bij het invallen van de nacht vervluchtigende wateroppervlakte gebruikt om een gedachte te moduleren. Dat deed iemand uit een andere wereld precies op dezelfde manier als u in een astrale wereld pleegt te doen, als u een astraal voertuig of een astrale schil opbouwt. U ziet dus, dat de zaken eigenlijk veel eenvoudiger zijn dan u zoudt denken.
U weet nooit precies met welke werelden u in contact bent. U kunt nl. nooit het wezen van die andere werelden concreet omschrijven. Al is het alleen maar omdat u het voorstellingsvermogen niet heeft om het te begrijpen. Maar wat u wel kunt doen: u kunt aanvoelen welke verhoudingen er zijn; en dat is voor het erkennen van kosmische werkingen wel zeer belangrijk.
Als ik het gevoel heb dat er rampen dreigen, dan betekent dat niet dat er een ramp zal gebeuren. Een ramp is voor een mens het onbeheersbare. Droomt u voortdurend van rampen, heeft u het gevoel dat er voortdurend gevaar dreigt, dat het mis dreigt te gaan, dan zult u in 9 van de 10 gevallen een wereld hebben, die ergens in contact is met een sterkere wereld, die u niet kunt definiëren. En dat betekent dat u niet meer, door uzelf te beheersen, voorvallen of werkingen in uw leven kunt verwachten. Hierdoor kan men dus ook praktisch met dat aanvoelen wel degelijk iets doen.
Andere ogenblikken heeft u het gevoel dat u ineens vrij bent om alles te zijn wat u wilt, dat er niets nis kan gaan. Dat is in feite niet waar en het leidt meestal dan ook tot teleurstellingen. Maar wat zit er achter?
U bent in contact met een wereld, die een zoveel hogere energie heeft dan uzelf, dat u het gevoel krijgt sterk te zijn t.a.v. uw normale condities. Dan moet u niet proberen het onmogelijke te doen, want dan gaat het net zo goed mis. U moet ook geen onmogelijke risico’s nemen. U moet zich echter wel reali­seren dat u meer en beter kunt doen dan normaal. En dat is ook belangrijk.
Heeft u te maken met een eigenaardige wisseling, waarbij u het ene ogenblik pessimistisch bent en het andere ogenblik ineens het gevoel heeft van: het gaat wel weer, optimistisch, blij misschien zelfs en u bent normaal niet zo wisselvallig van humeur, dan voelt u dus ook iets aan. We hebben dan kenne­lijk te maken met twee heel verschillende werelden. Wat er ontstaat is een schijnbeeld, geen werkelijk beeld. Het is de projectie van de wisselwerking tussen twee werelden, niet uw eigen wereld omvattend, waaruit u dit gevoel verkrijgt. Dat betekent dat zowel uw pessimisme als uw optimisme ongegrond zijn. Maar dan moet er met die stemming toch iets te doen zijn. En waar die stemmingen heersen, kunnen wij met suggestie en met wilskracht zeer veel en meestal in zeer korte tijd bereiken, omdat andere mensen even onevenwichtig zijn als wijzelf, ook al begrijpen ze het niet en uit het zich anders. In het occultisme en in de magie is dit wel een soort basis geworden. Men heeft daar – zij het dan dat men de astrologie gebruikt bij gebrek aan beter ‑ condities omschreven, die noodzakelijk zijn voor het volvoeren van be­paalde magische acties, het tot stand brengen van bepaalde alchemistische brouwsels enz. Maar in feite gaat het hier om kosmische con­stellaties.
Een groot gedeelte van hetgeen er in uw eigen wereld gebeurt, kan door kosmische werkingen worden afgevlakt of versterkt. Degene, die de kosmische werkingen leert gebruiken, heeft dus altijd iets voor op een ander. En daarmee zijn wij toch aan de praktijk gekomen.
Ik heb u reeds drie voorbeelden gegeven van verschillende inwerkingen, die u toch gevoelsmatig zult ondergaan. Ik wil hier nu verschillende andere dingen aan toevoegen, die ook voor de praktijk nuttig zijn.

  1. Op het ogenblik, dat u te maken heeft met een wereld van hoger energiegehalte, die inwerkt op een andere dan uw eigen wereld van lager energiegehalte, terwijl daarbij een hoger bewustzijn in de hoogste wereld aanwezig is, dan zal dit zich op aarde heel vaak demonstreren door z.g. voertuigdromen en voertuigimpulsen. Een voertuigdroom is: U droomt b.v. dat u in een lichaam bent, dat u niet kunt beheersen; dat u in een auto, een vliegtuig, een tram, een onderzeeboot of wat anders zit; dat u een zee‑egel bent of een zeearend en dat u niet de volledige beheersing hebt. Hier realiseert u zich dat u geestelijk meer zoudt kunnen zijn, maar dat u daarin door uw lichamelijkheid eigenlijk belemmerd wordt. Indien u in uw gewone leven dat vreemde gevoel krijgt, dat u naast uzelf loopt, zo het idee of alles automatisch gaat, of u een robot bent geworden, dan is dat ook weer een aanwijzing. U voelt aan dat de geestelijke mogelijkheden groter zijn dan de norm en daardoor bent u niet in staat helemaal vrede te hebben net uw voertuig. Wat is de kosmische werking? De hogere wereld geeft energie. Die energie is afgesteld op haar eigen trillingsgetal. Als mens bent u een wezen, dat met heel veel werelden verbonden is. De harmonie, die u aanvoelt, zal dus op een bepaald niveau uw eigen wezen betreffen en daarin tot ontlading komen. Maar de reactie van een lagere wereld daarop, zal dus ook in u tot uiting komen.

Heeft u dergelijke dromen, dan heeft u energie. U kunt veranderingen tot stand brengen. U kunt over het algemeen ook met geestelijke krachten in die tijd veel doen en veel bereiken. Maar u zult voortdurend op uw hoede moeten zijn voor gevoelens van onzekerheid, ontevredenheid en van beheerst worden. Deze denkbeelden moet u overwinnen, dan bent u a.h.w. meester van de omstandigheden. Laat u zich overheersen door de reflex van de lagere wereld, dan bent u zo chaotisch, dat u niet in staat bent om zelf goed te reageren en zult u hoogstens de oude sleur continueren (dat is een gewoonte), maar in de meeste gevallen zult u fouten maken in uw optreden tegenover anderen en zo omstandigheden scheppen, die ‑ zonder dat u weet hoe ‑ u in een verkeerd daglicht stellen of in een verkeerde hoek duwen. Daarmee dient rekening te worden gehouden.

  1. Dan hebben wij het contact met twee lagere werelden. Tussen de twee lagere werelden zal uiteraard geen direct contact zijn. Er is contact tussen uw wereld en de laagste wereld. Het gevolg is meestal een gevoel van lusteloosheid. Als wij dit in droombeelden moeten uitdrukken, dan zijn dit de dromen van vele deuren (vaak deuren zonder knop) of trappen, die ophouden ergens in het nergens. Uw eigen besef is niet groot genoeg om de toestand van die lagere we­reld helemaal redelijk te kunnen vatten. Wat vandaar terugkomt is dus het gevoel van niet voldoende bereikt hebben of niet voldoende berei­ken. Maar in de tweede lagere wereld, die eigenlijk het middelpunt gaat vormen, komen de projecties tot stand. En nu het typerende: Deze projec­ties zijn in feite een mengsel van uw eigen wereld én van die lagere we­reld. Zo ontstaan er beelden van onzekerheid. In vele gevallen hebben wij het gevoel, dat wij worden gevolgd. Het is eigenlijk een schizoïde ver­schijnsel. Er zijn zo van die dagen, dat je het idee hebt dat er iemand voortdurend over je schouder kijkt; dat je nooit alleen bent; dat je in een lege straat meent dat er iemand aankomt en ineens zie je niemand. Dan zeggen de mensen vaak: Het zijn geesten. Het zijn geen geesten. Dat is dan een dergelijk contact. De één is er gevoeliger voor dan de ander en projecteert dat wat duidelijker. Maar allen hebben ditzelfde ge­voel.
    Als u dan toch in die conditie bent, is het ook mogelijk om u een beeld te scheppen van iets wat u wilt ontmoeten. U zult gedachten onder dergelijke condities gemakkelijker kunnen overdragen, indien u ze maar goed genoeg weet te formuleren en te richten. (Als ik u daarbij een raad mag geven: Als u gedachten wilt formuleren en naar een ander toe zenden, doe het langzaam, eenvoudig en duidelijk, maar zo intens als u kunt. U heeft dan de beste resultaten.)

Onder deze condities zult u bijna altijd een reactie krijgen. De mensen zijn niet gewend om bewust te reageren; hun reactie is dus meestal onbewust. Maar dat hindert niet, want als u weet waar u naar moet kijken voor een reactie, dan kunt u ook heel vaak a.h.w. telepathisch of ge­voelsmatig iets projecteren en daardoor de weg plaveien.
Voorbeeld: U gaat naar een cliënt toe. U heeft hem van tevoren door deze omstandigheden kunnen bewerken. De man verwacht u onbewust en zal u daarom welkom heten waar hij anders misschien geen tijd voor u heeft en zal u in staat stellen om gemakkelijker zaken af te sluiten. U ziet, er zijn heel veel praktische mogelijkheden.
Stellen wij nu dat u te maken krijgt ‑ en dat gebeurt een enkele keer ‑ met een z.g. kringinductie. Ik heb gezegd: Er zijn tenminste drie werelden verbonden. Ik heb het daar­ op gehouden omdat dat de eenvoudigst voorstelling is. Maar als u denkt aan een sneeuwkristal, dan weet u wel dat dat bijna nooit het geval is. Voor de mens is over het algemeen dat drievoud bepalend, maar het is mogelijk dat er geen splitsing is (drie, die in één middelpunt samenkomen), maar dat er een verbin­ding is, die een soort kringloop vormt. Twee polen zijn met elkaar door andere polen verbonden en de aarde zit daar op als een soort antenne‑ontvanger. Op zo’n ogenblik ontstaat er wat men noemt ‘een opslingering’. Wederom een elektronische term. Het betekent dat bepaalde gedachten in deze kringloop worden opgenomen en in het oneindige worden herhaald. Ze zijn dus niet te vergelijken met b.v. een manische reactie, maar ze betekenen eenvoudig dat elke impuls, die ontstaat, na verloop van tijd versterkt terugkeert. Gelukkig hebben wij hiervoor een regel, anders zou het moeilijk zijn. De regel is nl. deze, dat in een ringinductie nimmer méér dan 9 factoren en nimmer minder dan 6 factoren aanwezig zullen zijn. (Factor is hier gelijk aan een wereld of sfeer.) Daardoor kunnen wij zeggen dat zodra een dergelijke inductie ontstaat (die over het algemeen een loopduur heeft van 7 tot 10 jaar, dat kunnen wij er nog bij zeggen), het weerkeren van impulsen plaatsvindt met een periodiciteit, die ligt tussen de 3 maanden (om precies te zijn 92 dagen) en on­geveer de 187 dagen. Daar slingert die frequentie tussen. Hebben wij tweemaal gezien dat een bepaalde ontwikkeling met die tussen­ruimte plaatsvond, terwijl het verloop der gebeurtenissen wijst op dezelfde ori­gine of dezelfde denkwijze, dan moeten wij dus aannemen dat dit zich tussen 3 en 6 maanden later zal herhalen. En omdat de afstand tussen de eerste twee gebeurtenissen praktisch bepalend is voor de bestaande kringinductie, kunnen wij aannemen dat de tussenliggende termijn niet zal worden overschreden met meer dan tien dagen, terwijl de volgende impuls meestal ook niet sneller komt dan hoogstens tien dagen eerder.
Dit betekent: Wanneer er op een gegeven ogenblik een bijzonder gunstige of desnoods meer verwarrende conditie ontstaat en deze herhaalt zich 91 tot 92 dagen nadien, dat wij rekening moeten houden met een herhaling wederom na 91 of 92 dagen. De eerste impuls heeft ons onvoorbereid gevonden. In de tweede hadden wij ervaring, maar we konden niet vooruit zien. Bij het derde optreden van de impuls kunnen wij dit wel en kunnen dus tevoren ons gedrag bepalen. Wij kunnen a.h.w. voor ons uit werken, onze reacties vastleggen en daarmee planmatig de kracht, die uit de ruimte ontstaat, gebruiken voor onze doeleinden.
Nu weet ik wel dat het niet prettig is, als je zo’n cyclus hebt en je zo lang moet wachten. Soms moet je 11 jaar wachten of meer, voordat je eigenlijk de zaak pas kunt gebruiken. Aan de andere kant zijn dergelijke impulsen vaak van een zodanig belang voor de hele wereld, dat het de moeite van het wachten toch wel waard is. Je kunt dan zeer veel in zeer korte tijd bereiken, niet alleen voor jezelf maar ook voor anderen.
Ook een lijninductie komt eveneens wel voor, maar deze is voor de mensheid over het algemeen nogal moeilijk te verwerken.
Wij hebben hier nl. te maken met een aantal aaneengesloten werelden, dat ligt tussen de 7 en de 12. Hierbij is uw eigen wereld één van de werelden, die tijdelijk in een keten optreden. Er zijn dus geen zij-contacten voor uw wereld. En nu het typerende: Er ontstaat dus een stroming, een krachtsverloop, dat voor de gehele keten geldt, ook voor uw wereld. Deze kracht bestaat uit een zeer sterke stijging, gevolgd door een zeer sterke daling van energie, van vindingrijkheid en daarnaast heel vaak ook van denkvermogen of geheugen.
Als u tot de conclusie komt dat geheugenzwakte met een bepaalde tussenruimte optreedt (4 tot 7 weken), dan moet u aannemen dat dit wel enige tijd zal voortgaan. 2,5 tot ongeveer 4,5 jaar is de gemiddelde duur van een dergelijke lineaire constructie.
Treedt het op, dan weet u dus van tevoren: ik heb twee of drie perioden gehad, waarin mijn denkvermogen op een andere manier functioneerde of waarin mijn geheugen faalde. Ik moet elke keer met dezelfde tussentijd in het bijzonder rekening houden met het hernieuwd optreden van deze fout.
Heeft u bijzondere energie, wat ook wel eens kan voorkomen in een dergelijke structuur, dan moet u er rekening mee houden dat die sterke energie kort aanhoudt, dat ze na een gelijke tussenruimte terugkomt en dat u dus ‑ wetend wanneer zij terugkomt ‑ alle bijzondere activiteiten (geestelijk, magisch, stoffelijk) op dat ogenblik het best kunt volvoeren.
Hiermee heb ik geprobeerd om enkele meer praktische aanwijzingen te geven. Toch ben ik nog niet klaar met mijn onderwerp, want niet alle mensen zijn even harmonisch voor gelijke invloeden. Dat wil zeggen dat bepaalde van die kosmische invloeden uit de andere werelden voor de ene mens veel sterker optreden dan voor de andere. De kosmische beïnvloedingen betekenen voor de mens niet alleen een algemeen en wereldbepalend ritme, maar daarnaast een persoonlijk ritme dat in intensiteit, maar niet in duur, verschilt van dat van anderen in zijn wereld. Daar iedere mens zijn eigen gevoeligheden heeft en daarmee ook zijn eigen mogelijkheden, is het misschien goed eens na te gaan, of in uw eigen leven bepaalde factoren bijzonder sterk spreken. Daaronder zou ik dan in de eerste plaats niet redelijke mogelijkheden of ervaringen rekenen, maar emotionele feiten.
Welke perioden heeft u gehad van bijzondere zwaarmoedigheid? Welke perioden heeft u gehad van buitengewoon slagen, van buitengewoon prettig zijn? Welke perioden heeft u gehad van bestaan zonder enige belangstelling voor de feiten? Welke tijden heeft u gehad dat zelfs het kleinste u interesseerde? Als u dat nu eens nagaat, dan zult u zien dat in uw leven een zeker patroon voorkomt en dat b.v. de wanhoop wordt gevolgd door een langere periode van bijzondere interesse; of omgekeerd, bijzondere interesse wordt gevolgd door reden tot wanhoop en verzet, die soms heel lang duurt. Op die manier kunt u iets van uw eigen geaardheid te weten komen; en dat is heel belangrijk.
Ik heb u reeds gezegd: U bent eigenlijk harmonisch met heel veel werelden omdat u buiten de structuur om er toch deel van bent. Sommige werelden beïnvloeden u kennelijk veel sterker dan andere. Indien u weet welke invloeden op u het sterkst inwerken, dan kunt dus ook weten voor welke beïnvloedingen u het sterkst vatbaar bent. Want datgene, wat in uw leven het meest voorkomt, geeft aan wat voor u de sterkst aansprekende factor van het karakter, van het eigen wezen misschien, zelfs is t.o.v. kosmische beïnvloedingen en krachten. Heeft u dit geconstateerd, dan kunt u zich gaan afvragen of er in die situaties positieve mogelijkheden zijn.
Heeft u een positieve mogelijkheid gevonden, probeer haar voor uzelf uit te drukken in een leefregel. Houd het leefregeltje bij de hand, zoals een suikerzieke zijn insuline. Op het ogenblik, dat u voelt: nu begin ik aan die periode van buitengewone opgewektheid of neerslachtigheid, stelt u dat leefregeltje in werking. U begint systematisch te worden. Doordat u systematisch werkt, krijgt u een beheersing, ook over waarden die eigenlijk alleen maar emotioneel zijn en die dus normalerwijze niet onder de redelijke beheersing vallen.
Wat zo’n leefregel kan zijn, zoudt u natuurlijk willen weten. Om u een voorbeeld te geven:
Iemand ontdekt dat zijn grootste periode van neerslachtigheid gepaard gaat met het gevoel dat de hele wereld geen waardering voor het ‘ik’ heeft. Dat komt vaak voor. Dan zou de regel moeten luiden: Indien ik nú waardering krijg voor mijn ‘ik’, moet ik trachten deze waardering in feiten om te zetten. Wanneer mijn neerslachtigheid komt, zal ik terugvallen op die feiten en daar­mee werken. U zult ontdekken. dat de neerslachtigheid wordt overwonnen.
Omgekeerd kun je dus ook hetzelfde doen en zeggen: Ik ben nu neerslachtig. In die neerslachtigheid zijn bepaalde waarden in mijn denken superieur, ze domineren mij eigenlijk. Bijvoorbeeld: Iedereen heeft het nu juist op mij begrepen én ik krijg overal de schuld van. Of: iedereen wil alles door mij laten doen en zelf doen ze niets. Dan zeg je: Wat is de relatie, die ik nu zie. En dan zeg je tegen jezelf: Zo dadelijk krijg ik de kans om dat in orde te maken. Nu vechten, heeft geen zin. Maar wat wil ik eigenlijk anders hebben? Want als die golf van energie komt en alles schijnt mee te lopen, kun je verandering tot stand brengen. Het is dus eigenlijk allemaal betrekkelijk eenvoudig, indien je de kern maar te pakken hebt.
Het moeilijke is dat je nooit algemene regels kunt samenstellen, die voor iedereen opgaan. De door mij gegeven perioden zijn ongeveer juist. Maar u heeft wel begrepen dat, al heb ik een tijd aangehouden voor een bepaalde cyclus van b.v. 90 à 92 dagen, deze ‑ gezien hetgeen ik heb gezegd ‑ kan uitlopen tot het tweevoudige daarvan. Je moet open oog hebben voor de invloed, die regelmatig weerkeert. Iemand, die dat eerst nu wil gaan doen, zal vaak in moeilijkheden komen omdat hij teveel tijd nodig heeft. Maar iemand, die terugkijkt naar het verleden, kan vaak gemakkelijker een periodiciteit zien. Laat mij proberen een voorbeeld te geven:
Het afgelopen jaar september ‑ oktober was voor u negatief. De periode december ‑ februari (daar bent u nu aan bezig) was meer positief; het gaat nog iets verder. Ga ik nu diezelfde tijd van een paar maanden terug, dan kom ik tot de conclusie: Hé, in april was ik ook negatief of positief. Dat kun je je meestal nog wel herinneren. Schrijf het eens voor jezelf neer en realiseer je, dat je daarmee eigenlijk een schema hebt gekregen van invloeden (kosmische krachten), die op je hebben ingewerkt. Realiseer u nu dat bij het voortdurend wisselen van de kosmische structuur, de waarde van die invloed voor u wel voortdurend kan veranderen, maar dat over het algemeen de periodiciteit toch nog wel een tijdje verder doorloopt.
Invloeden, die maar drie dagen of een maand duren, omdat de werelden dan weer in een andere verhouding samenkomen, ach, die zeggen weinig. Die hebben te weinig invloed om in uw leven tot uitdrukking te komen. Maar langdurige tendensen lopen vaak tussen de 7 en 8 jaar. Als u dus weet: in mijn leven is het afgelopen jaar die verandering opgetreden en dat is met die periodiciteit gebeurd, dan kunt u aannemen dat dat een paar jaar verdergaat en kunt u er dus iets mee doen.
Nu moet ik overstappen naar iets, wat meer theoretisch is en tevens mijn onderwerp voor u moet besluiten. Geest is voor de mens eigenlijk iets onbegrijpelijks. Een geestelijke wereld is ook iets dat hij niet begrijpt, maar dat hij kan vertalen in stoffelijke beelden, die in feite alleen een vergelijking, een soort proberen uit te drukken.
Je behoort als mens tot vele geestelijke werelden. Maar in je denken heb je toch vaak een voorkeur voor een bepaalde wereld of een bepaalde verhouding. Als dat het geval is, zul je ook ontdekken dat er associaties bestaan met je eigen wereld. Dus het beeld van “wat wil ik ?” of: “wat zou ik geestelijk ideaal vinden?” gaat gepaard met een voorstelling van je eigen wereld: daar zou ik het zo willen hebben. Die twee lopen dus a.h.w. parallel.
Als ik nu een beeld heb van b.v. de toestand op aarde die ik wens plus het beeld van hetgeen ik geestelijk wil, dan kan ik daarmee een harmonie met een geestelijke wereld tot stand brengen. Ook met een geestelijke wereld waarmee mijn aarde niet onmiddellijk in beroering is. En als de intensiteit groot genoeg is, dan trek ik die geestelijke wereld a.h.w. dichter bij. Het is een soort magnetisme. Als veel mensen goed denken, dan gebeurt er iets goeds. Als veel mensen kwaad denken, gebeurt er iets kwaads, zonder dat de mensen er iets aan doen. Dat is erg verwonderlijk, indien je je niet realiseert dat in de kosmische structuur alle delen eigenlijk voortdurend los en bewegelijk zijn en dat ze zich verplaatsen volgens een regel van gelijkheid of van aantrekking. Als u denkt aan eer. hogere geestelijke wereld, dan heeft u daarmee niet alleen contact en kunt u daaruit middels allerhande meer stoffelijke beelden of misschien zelfs riten voor uzelf voordeel putten, maar u trekt die wereld ook naar u toe. U maakt dus ook voor anderen meer waar wat u voor uzelf nastreeft. Omdat bij een benadering ‑ zij het zwak ‑ die inductie toch een rol gaat spelen, zullen ‑ alleen al door de wijze waarop u leeft en denkt ‑ de kosmische verhoudingen beïnvloed worden en anderen gaan mee werken aan het tot stand brengen van een juiste harmonie, die weer aantrekkingskracht wordt.
Zo heeft de mens een veel grotere beslissingsmogelijkheid in zijn wereld dan hij pleegt te beseffen, want zij gaat veel verder dan de wereld, die hij zich voor­stelt.
De kosmos is qua structuur een aantal in waarde gelijke, maar in energie-inhoud verschillende werelden. Elk van die werelden ziet er voor een mens natuurlijk totaal anders uit. Ze heeft een heel andere indeling misschien vanuit een menselijk standpunt, maar er zijn zoveel parallellen dat je toch kunt zeggen: ze zijn onderling vergelijkbaar. En wat blijkt nu? Al deze werelden zijn in hun verhoudingen te beïnvloeden door het verschijnsel dat wij ‘harmonie’ noemen of wat we ‘gerichtheid’ zouden kunnen noemen. Het is net of elke wereld of elke kosmos op een gegeven ogenblik als een soort magneet werkt. De noordpool trekt de zuidpool aan. De zuidpool de noordpool. Je veroorzaakt een gerichtheid. Alleen hebben wij niet te maken met een vaststaand magnetisch veld. We hebben te maken met een sfeer, een soort denken dat heel erg variabel is; een gevoelswereld, die naar buiten toe moeilijk omschrijfbaar is misschien, maar die de gehele mensheid in haar greep heeft. Daardoor trekt u dus andere werelden aan en u veroorzaakt de gerichtheid van andere werelden, die met de uwe evenwel in contact zijn. Het is heel belangrijk dit te begrijpen, want de planloosheid, die voor de mens ligt in de schijnbare willekeur, waarin wereld na wereld met uw aarde contact krijgt en zich terugtrekt, wordt dan plotseling ‑ en zeer begrijpelijk ‑ een vaste regel, een vaste structuur, waarbij de beweeglijkheid alleen maar uitdrukking geeft aan de vastheid van de structuur. En daarmee komt men ook tot een andere waardering van die krachten en invloeden uit de kosmos. Ze zijn niet willekeurig. Ze zijn een antwoord.
Nu weet ik wel dat voor het hele Melkwegstelsel b.v. vele varianten van invloeden kunnen optreden. Maar laten we één ding niet vergeten: wat ik zeg, geldt vooral voor uw deel van de wereld. Zeker, er zijn ogenblikken dat uw kosmos (Melkwegstelsel) zich plotseling vlak bij een ander geestelijk Melkwegstelsel bevindt; en dat de beïnvloeding dus totaal is. Maar heel vaak zijn die beïnvloedingen op een bepaald punt het sterkst. En aangezien u aan de buitenkant ligt en daardoor uw eigen invloed niet zo snel door andere wordt opgeheven, is de kans zeer groot dat u inderdaad door gericht denken heel veel invloed tot stand brengt. Dit houdt in dat niet alleen uw geestelijke mogelijkheden maar ook uw geestelijke verantwoordelijkheid groter zal zijn dan men zich pleegt voor te stellen.
Werelden, die aan de uwe grenzen en die u naar u toe hebt getrokken, worden door u geestelijk betreden. Wat u daaruit terugbrengt, drukt u uit in menselijke analogieën. U drukt het uit in daden, die in beginsel harmonisch zijn met hetgeen u in de andere wereld heeft gevonden. Een dergelijke harmonie tot stand brengen en bevorderen, betekent voor de totaliteit van het ego, dat een deel van dit gehele ‘ik’ bijzonder sterk wordt beïnvloed, zeer grote kracht verwerft en daarmede zelfs tijdelijk het totale ego kan domineren tot het lichaam toe. De bronnen van kracht, die daarin gelegen zijn, zowel als de mogelijkheid tot begrip en bereiking, die daarin verborgen zijn, zijn haast onvoorstelbaar.

Gebruik van voorstellingsvermogen

Om contact te krijgen met een mens, met een geest, langs niet‑ stoffelijke weg is een voorstelling noodzakelijk. Als u met een mens over grote afstand contact wilt opnemen, dan is het voor u belangrijk dat u een voorstelling hebt van hoe die mens eruit ziet of desnoods hoe zijn omgeving eruit ziet. Hierdoor kunt u zich gemakkelijker instellen en krijgt u gemakkelijker contact.
Dit is overigens een feit dat in de telepathie bij proefnemingen is be­wezen. Maar als dit nu t.a.v. een geest is, blijft de mens op precies gelijke wijze reageren. Toch heb je van een geest vaak geen concrete voorstelling. En de grote moeilijkheid voor de mens is dan ook om die geest zo te benaderen dat hij, zonder dat die geest nu direct bezig is om contact op te nemen, toch die entiteit kan bereiken.
De vraag hoe dit het best kan geschieden, wordt ten dele door het eerste beeld, dat ik u gaf, al beantwoord. Ik moet iets weten, of denken dat ik iets weet, over de omgeving of over de persoon. Daar een geest voor een mens wat minder grijpbaar is dan een stoffelijk milieu of een stoffelijke figuur, zal men over het algemeen beginnen met een naam. Of een geest een naam heeft, die gelijk staat met wat u zich met die naam voorstelt, is niet eens zo erg belangrijk, zodra er maar tussen de naam en de figuur (de entiteit) voor u een voldoende associatie is ontstaan.
Maar een naam is nog te algemeen. Wij moeten dus andere eigenschappen van die entiteit vinden, waardoor wij gemakkelijker contact krijgen. Ik weet b.v. dat onze vriend Henri heel wat meer wordt lastig gevallen dan b.v. ondergetekende. En dat is zeker mee te danken aan het feit, dat men zich op hem gemakkelijker kan instellen. Men heeft een naam (al is het niet zijn werkelijke naam), men heeft een voorstelling van hem, kortom, hij heeft een aantal specifieke eigenschappen in uw denken, waardoor u zich gemakkelijker de persoonlijkheid voorstelt en daarmee u ook beter richt op die persoonlijkheid. Het voorstellingsvermogen speelt dan ook in het contact, dat je met de geest kunt krijgen, vaak een heel grote rol.
Absolute neutraliteit is een middel, zodra de geest door u wil werken. Maar als die geest geen bijzondere voorkeur heeft om zich met u in verbinding te stellen, dan zal het van u moeten uitgaan.
Er bestaan verschillende methoden, die alle toch wel een zekere fantasie, een uit het denken opgebouwd beeld met zich brengen. Ik zal u een paar voorbeelden geven in de hoop dat dat de zaak verduidelijkt.
Een medium stelt zich in op een bepaald niveau, dat meestal wordt geassocieerd niet een kleur. In 9 van de 10 gevallen zal zo iemand, bewust of onbe­wust, een associatie krijgen met iets, waarop anderen zich richten. Dat kan voor iemand in het binnenland zijn: een hoge boom in een vlakte; voor iemand aan zee zal dat vaak een vuurtoren zijn; misschien is dat voor iemand in de stad een hooggelegen lichtreclame. Die beelden heeft men misschien niet helemaal bewust.
Men stelt zich daar toch wel op in. Men associeert dus een bepaalde sfeer vaak ook met een bepaalde kleur. Als ik dus een straal blauw uit mijn vuurtoren uitzend, dan zullen allen, die tot een sfeer behoren, waarin die kleur belangrijk is, daarop kunnen reageren. Anderen zullen dat niet doen. Op deze wijze kan een medium dus een selectieproces tot stand brengen.
Als nu een bepaalde persoon uit een bepaalde sfeer wordt gezocht, dan wordt het iets moeilijker. Wil men alleen de persoon hebben, dan zal men ook een voorstelling van die persoon moeten hebben. Wil men echter uit een groep personen iemand bereiken, dan hebben die personen vaak een gemeenschappelijk .kenmerk. Denkt u aan een fanfare‑orkest, dat geüniformeerd is. Aan het uniform kun je de leden van het orkest herkennen. Zo hebben velen dus een eigen kenmerk of een eigen symbool.
Als men nu aan een dergelijk symbool denkt en dat nog in een bepaalde kleur, dan heeft men zich dus gericht tot allen, die deel hebben aan een bepaalde denkwijze of aan een bepaalde groep. Op die manier is het contact weer vereenvoudigd.
Gaat men naar hoge meesters toe, dan zien wij bij de mens heel veel moeilijk­heden optreden. Wanneer een mens nl. een hoge meester zoekt, dan is hij vaak ge­neigd om niet uit te gaan van een gestalte of een gesteldheid, maar hij gaat uit van een theorie. Indien men contact wil hebben met b.v. Jezus, dan neemt men de Bergrede om zich op te concentreren. Maar de Bergrede omvat waarheden, die op andere wijze door zovelen zijn geformuleerd op aarde. Het resultaat is dus dat men geen selectie krijgt voor Jezus, maar wel voor een bepaalde sfeer van entiteiten. Heeft men nu meesters, die een minder algemeen systeem verkondigen, dan krijgen wij heel vaak de kans dat wij niet meer de entiteit aantrekken, die wij zoeken (de meester), maar dat wij degene aantrekken, die zich het meest gebonden acht aan de stelling waaraan wij denken. Daarom is het zeer belangrijk dat men in zijn voorstellingsvermogen nooit bepaalde formules of stellingen laat prevaleren, indien men een geest zoekt.
Probeer eerder die geest te zien in een verhouding tot uzelf; want die verhouding komt niet zo vaak voor. Probeer daarnaast de kentekenen of eigenschappen van een dergelijke hoge geest zo goed mogelijk voor uzelf te definiëren, zodat u een denkbeeld krijgt. En dan is het helemaal niet zo belangrijk of u denkt aan een lange mijnheer in een witte soepjurk met allerhande magische details en desnoods ook nog een punthoed en een baard (een soort vergeestelijkte Merlijn) of dat u denkt aan een engel met vleugeltjes, harp en stralenkrans. Dat vormverschil speelt nl. in de sfeer geen rol; maar wel wat erdoor wordt uitgedrukt.
In het eerste beeld heb ik eigenlijk voor mijzelf de idee van magie, van tovenarij, van occulte kennis vastgelegd. Ik zal dus nooit een entiteit daarmee kunnen bereiken, die zich b.v. alleen bezig heeft gehouden met naastenlief­de. Omgekeerd zal ik met de voorstelling van een engel nooit contact kunnen krijgen met een meester, die een meer concrete instructie geeft t.a.v. aardse aangelegenheden. Dat zit er niet in. En daarom zijn er algemene regels, die u kunt gebruiken, indien u uw voorstellingsvermogen op paalde entiteiten richt.
Indien u geen voorstelling heeft van een entiteit, dan zal het u zeer moeilijk vallen om deze werkelijk aan te trekken, ook als u bepaalde namen kent. Maar kunt u een symbool, hoe eenvoudig ook, gebruiken steeds voor dezelfde entiteit, dan zal ‑ nadat het contact eenmaal is gelegd ‑ van het symbool het contact altijd weer opnieuw kunnen worden gevonden.
Een sfeer is in haar kwaliteiten voor u als mens moeilijk te bepalen. Wanneer u zich tot een sfeer wendt, moet u niet trachten deze te omschrijven, maar wel haar uit te drukken in een emotie, een gevoel. Als u de stilte van een kerk voelt, de nabijheid van God, dan heeft u daarmee ongetwijfeld een hogere sfeer aangegeven. Als u dan in die sfeer een bepaalde entiteit zoekt aan de hand van een symbool, dan heeft u een contact. Dit contact betekent niet, dat de entiteit aan de voorstelling beantwoordt, maar wel dat zij zal behoren tot de sfeer, die u zoekt en dat ‑ zo het niet de persoon is, die u eigenlijk zoekt te bereiken ‑ degene, die tot u komt en waarmee u verbinding krijgt, bereid of in staat zal zijn om u bij het tot stand brengen van een juister contact te helpen.
Veel mensen stellen zich geesten en entiteiten voor als wezens, die op aarde alles weten, die alles beter weten en die dus klakkeloos moeten worden gediend en gevolgd. Hierdoor stelt men zich in op die entiteiten, die behoefte hebben aan het uitoefenen van macht, van heerschappij. Dezen zijn nooit hoge entiteiten. Tracht daarom nooit u een geest voor te stellen als iemand, die zonder enig voorbehoud gehoorzaamd moet worden, maar eerder als een gezel of mentor, die bereid is u raad te geven, ter­wijl u uw eigen beslissingen neemt. Op deze wijze kunnen contacten met ho­gere geesten wel worden verkregen; echter nooit door het stellen van een machtsverhouding. Deze betreft altijd lagere sferen.
Soms wil men in contact komen met overgegane familieleden e.d. Nu is dit niet aan te raden, omdat hierdoor de eigen geestelijke ontwikkeling van dergelijke personen geremd zou kunnen worden. Vergelijk: U bent ingespannen aan het werk en iemand haalt u uit de con­centratie. Het kost u vaak erg veel tijd; en als men dit doet voor onbe­langrijke zaken, dan zult u bovendien nog een zekere ergernis ervaren. Daarom is het verstandig om zo weinig mogelijk vanuit zichzelf een contact te zoeken met overgeganen, die nog niet zolang de wereld hebben verlaten. Doet men dit toch, dan is het verstandig de aardse voorstelling (dus de aardse figuur) als concentratie te nemen, al dan niet vergezeld gaand met de naam, zo mogelijk een persoonlijke naam. Doet men dit, dan zal hierdoor de gerichtheid op de persoon gemakkelijk worden verkregen en kunnen contac­ten worden bereikt.
Wilt u dit contact met alle geweld afdwingen, dan zult u daarbij moeten uitgaan van hetgeen die ander heeft gedacht, geloofd, geleefd en dan iets uitzoeken als dwingende factor om de ander tot u te brengen. Bijvoorbeeld: U heeft een echtgenoot gehad, die erg bang was voor de directeur. Dan kunt u het beeld van de directeur gebruiken als symbool voor de macht, waarmee u uw echtgenoot tot u dwingt. Overigens raad ik u niet aan dit te doen, want dat kan in vele gevallen tot ellendige misvattingen voeren.
Met deze regels heb ik getracht u duidelijk te maken dat het voorstellings­vermogen in het contact met geestelijke werelden een vaak beslissende rol speelt. Het lijkt misschien wat vreemd, aIs je een mens zegt dat je geesten het gemakkelijkst bereikt als je fantasie hebt. Maar het zal u duidelijk zijn dat je alleen kunt spreken met iemand wiens taal je kent of tenminste kunt aanvoelen.
De taal van de geest is die van de gedachte. De wereld van de geest is die van de voorstelling, die vanuit het ‘ik’ wordt gecreëerd. Het zal u duidelijk zijn dat een oproep naar een andere wereld, uitgedrukt in koele menselijke formules, geen antwoord zal kunnen uitlokken. Slechts datgene, wat voldoende gelijk is aan de eigen wereld, kan invloed hebben.
Nu zult u hierdoor misschien denken dat alle contact met de geest en met de sferen toch wel een beetje fantasterij is. Het voorstellingsvermogen kan u hier inderdaad parten spelen. U kunt uzelf suggereren dat er dingen zijn, die er niet zijn. U kunt uzelf suggereren dat hetgeen u wenst, wordt bevestigd. Maar dat gebeurt alleen, indien u dat heel intens doet.
Als een mens fantaseert en zich zo een voorstelling bouwt van een entiteit, dan zal die geest een eigen leven kunnen gaan voeren. En indien u dan niet probeert daarop invloed uit te oefenen, zal uw fantasie wijzigingen ondergaan, die een werkelijk ingrijpen betekenen. Dat ingrijpen kunt u dan weer in uw eigen wereld gebruiken en interpreteren.
Misschien vinden heel veel mensen dat je daar je handen maar van af moet houden. Nu heb ik slechts één argument. Hoeveel mensen op aarde vinden het niet noodzakelijk om regelmatig tot God te bidden? En hoe kun je tot God bidden, als je geen voorstelling hebt (die in je eigen wereld niet reëel en bewijsbaar is) van een almachtig, algoed Wezen, dat invloed op je hoeft, dat iets voor je kan doen? Zo is het voorstellingsvermogen eigenlijk ook in het menselijk geloof, in de filosofie, ja, in grote delen van de wetenschap de werkelijk beslissende factor.
Als je met abstracte formules werkt, dan moet je er iets aan verbinden. Je moet een voorstelling hebben, anders blijven de formules ledig en kun je er niet mee werken. Zeker niet, indien je de formules verder ontwikkelt. Zo is het voorstellingsvermogen een dragende factor geworden. Een dragende factor ook voor vele minder te vatten waarden van het menselijk leven.
De communicatie, de economie, de politiek bestaan voor een groot gedeelte uit voorstellingen, die niet reëel zijn. Dit accepteert men. Waarom zou men dan niet aanvaarden dat het voorstellingsvermogen ook andere, binnen het ‘ik’ soms veel belangrijkere factoren kan stimuleren? Waarom zou men aannemen dat het geen kwaad kan om een fantastisch beeld van morgen te ontwikkelen in de een of andere lezing over futurologie, terwijl het verkeerd is om een beeld te maken van een geest, die contact met je kan krijgen? De futuroloog krijgt door zijn beelden misschien een visie op de ontwikkelingen van vandaag. De mens, die zich een voorstelling maakt van een geest, krijgt misschien daardoor een gevoel voor het werkelijke contact met die entiteit.
De scheiding, die tussen een geestelijke en een menselijke wereld ligt, is eigenlijk zo groot en zo klein tegelijkertijd. Groot, indien wij gaan rekenen met afstanden en waarden; klein, indien wij beseffen dat harmonie ‑ geestelijk gezien ‑ praktisch eenheid betekent.
Eenheid met de geest van alle sferen is voor u voortdurend mogelijk, indien u zich eerst kunt instellen op een zodanige wijze, dat die harmonie bereikbaar is. Daarvoor heeft men voorstellingsvermogen nodig.
Zegt u nu niet: Laat die geesten mij nu maar liever van het lijf blijven, want ik vind het maar griezelig. Zeker, geesten kunnen griezelig zijn, dat weet ik net zo goed als u. Voor u omdat u niet weet wat het is. Maar er zijn zoveel dingen in uw leven, waarmee u geen raad weet. Er zijn dingen, die voor u met hetzelfde gebrek aan redelijke grondslag misschien griezelig zijn. Als u de geest in uw voorstellingsvermogen een beetje kunt ontdoen van dat gevoel van ‘anders’ en ‘gevaarlijk’, dan is die griezeligheid al verdwenen. Je kunt een slang tot huisdier raken, indien je eerst je eigenaardige gevoelens tegenover een reptiel kunt bedwingen; en dan leer je dat het anders is.
Met je voorstellingsvermogen kun je de verbindingen tussen mens en geest niet alleen harmonisch tot stand brengen, maar je kunt ze ook ontdoen van de vele bijkomstigheden, de onjuiste of aangeleerde emoties, die juist op dit gebied enorme hinderpalen vormen.
Ik eindig dit betoog met nog een paar eenvoudige richtlijnen;

  1. Wanneer je iets oproept, waarvoor je bang bent, dan zul je die angst overwinnen, voordat van een redelijk contact sprake is. Je weet zelden of je daartoe in staat bent. In geval van twijfel, onthoudt u ervan.
  2. Contact met de geest is voor u een onstoffelijke waarde, die zich voor een groot gedeelte in uzelf afspeelt. Bedenk echter dat de uitdrukking van dit contact voor u in uw eigen wereld noodzakelijk is. Je kunt niet alleen in jezelf leven als mens. Zo kun je ook geestelijke waarden niet slechts in jezelf beseffen, zonder ze te uiten. Stel daarom voortdurend: al hetgeen ik aan contact met de geest, geestelijke waarden of erkenning in mijzelf vind, zal ik uitdrukken, opdat het voor mij een hanteerbare werkelijkheid wordt.
  3. Wees niet bang om te fantaseren, zolang u maar niet bang wordt voor uw eigen fantasie. Bouw voorstellingen op zoveel u wilt, maar wees bereid om die voorstellingen dan ook een ogenblik alleen te laten. Laat ze staan, alsof het standbeelden zijn, die u in uzelf heeft gemaakt. Wanneer ze dan bewegen, weet u dat ze niet bewegen op grond van uw gedachten en de door u gestelde wetten, maar omdat een andere waarde zich daarin openbaart. Richt u dan op de waarde van b.v. de beweging of van het woord, niet meer op de gestalte. De waarheid van degene, die zich aan u wil manifesteren, zal voor u duidelijk kenbaar zijn.
    Het erkennen van de geest en de geestelijke waarden, is in de bewustwordingsgang van de mens een noodzakelijke en belangrijke stap voorwaarts op het pad naar algemene verlichting en begrip.

Wanneer de kleuren veranderen
in de caleidoscoop van zon en regen,
beseft de mens de nattigheid en niet de zegen,
die uit de regen en het licht
hem steeds het leven weer hergeeft.
Maar wie in vreugde al beseft,
daardoor intens en werkelijk leeft,
is wel degeen, die tot de hoogste kracht
zijn diepste zijn verheft.

Wie in de kilte reeds de warmte speurt
en in het duister reeds het licht ontwaart,
heeft de aard van het zijn erkend;
waar tegendelen samenspelen
en het geheel zich als een wezen
tot de ene bron steeds wendt.