Kosmische symboliek

image_pdf

7 juni 1968

Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Denk dus zelf na en trek uw eigen conclusies. Maar indien u zich ervan overtuigd hebt, dat deze juist zijn, handel ook daarnaar.

Ik zou enkele dingen willen zeggen over: Kosmische symboliek.

Symbolen van meer kosmische aard en daarmede ook het gebruik van meer kosmische symboliek is reeds zeer oud. Zij gaat terug tot de tijd, dat de mens de wereldruimte en de sterren voor het eerst ging beschouwen als iets wat invloed had op zijn leven. De mens meende in die dagen dat de sterren zijn lot bepaalden, daar zij het schrift waren van de goden, die op deze wijze aan de hemel hun besluiten neerschreven. Dit voerde tot vele beschouwingen over de aard van de sterren en de ruimte. Al snel begint men echter te beseffen dat er een zekere overeenkomst schijnt te bestaan tussen de krachten en raadsbesluiten, zoals dezen aan de hemel (de kosmos van toen) staan en de werkingen en mogelijkheden in de veel kleinere kosmos, die zich mens noemt. Het gevolg is dat de mens zichzelf in de kosmos gaat projecteren.

In Assyrië treffen wij een reeks symbolen aan, waarin de mens wordt geprojecteerd in de hemelruimte en delen van die mens gekentekend worden door de constellaties, die zij bevatten.

Het gaat hier nog niet om sterrenbeelden, zoals u die kent, maar eerder om reeksen van glyphen, een soort schrift, zoals de geleerden van die dagen aan de hemel meenden te erkennen. Dit beeld kunt u, op voor de moderne mens meer begrijpelijke wijze, ook in de nabije middeleeuwen terugvinden. Want ook dan wordt de mens, maar nu omringd door en doorkruist met de beelden der dierenriem afgebeeld. Zijn ledematen worden aangegeven als beheerst door bepaalde planeten, terwijl sommige sterrenbeelden al dan niet binnen het kader van een reeks in elkander lopende ringen zijn wezen en lot verder definiëren. Dergelijke voorstellingen maken duidelijk dat de meer mystiek aangelegde mens ervan overtuigd is, dat de mogelijkheden, kwaliteiten, eigenschappen, die in de kosmos bestaan, eveneens een plaats vinden in zijn eigen wezen.

Wanneer ik spreek over kosmische symboliek, begin ik juist met dergelijke beelden, omdat in het menselijke denken steeds weer de grote verschillen tussen de wereld, vervuld vaak van engelen en demonen, en het eigen ego, een rol spelen. De kosmos is voor de mens niet kenbaar in haar werkelijke wezen. Toch zien wij aan de hand van de gebruikte symbolische voorstellingen, dat esoterie en magie reeds zeer vroeg in de geschiedenis hebben getracht een analogie te vinden tussen het wezen van de mens zelf en de kosmos, hiermede de enige soort kennis, die voor de mens ten aanzien van de grote kosmos bereikbaar is, weergevende. Let wel, het gaat hierbij niet om het constateren van (of het stellen van) een volledige overeenkomst. Kennelijk zijn dergelijke voorstellingen in de eerste plaats bedoeld als een soort gelijkenis, een parabel, waarin men de eigenschappen van de mens door de kosmos, maar gelijktijdig de eigenschappen van de kosmos door de eigenschappen van de mens tracht te illustreren.

Vreemd genoeg blijken dergelijke benaderingen van de mens en de kosmos niet te ver af te wijken van de stellingen die de moderne psychologen en filosofen verkondigen. De mens kent en ziet niet werkelijke objecten, maar gemeenschappelijk in de mensheid levende begrippen.

Hierbij brengt hij dan persoonlijke varianten in de algemene gedachtebeelden aan. Dit wordt wel maya of de begoocheling genoemd. Wat niet veel anders betekent dan: De mens neemt waar in gelijkenissen en middels vergelijkingen, waarbij het werkelijke wezen der dingen hem ontgaat, maar door een persoonlijke benadering van de dingen een leven met deze, en een werken met en door de objecten toch mogelijk is.

Voor het ik was echter niet alleen de gelijkenis met de ruimte, de kosmos van belang, maar ook gelijkenissen, waarin de tijd, die in het menselijke leven immers een zo grote rol speelt, voorkomen, dienden ter verklaring van het leven van de mens en het bestaan van de kosmos.

Vooral in Egypte treffen wij reeds zeer vroeg een reeks voorstellingen aan, die op symbolische wijze de tijd weergeven. Ik kies uit de zeer vele enkele voorstellingen, die gehanteerd werden in de late periode van het zogenaamde Middenrijk. Allereerst dan de slang als symbool voor tijd en kosmos. Deze slang, denk eens aan de Ureus die de vorsten dragen, stelt goddelijke krachten voor. Hij is leven en dood, eeuwigheid en vergankelijkheid tegelijkertijd. Het is een teken van duur, van de tijd. In de bezweringsmagie van Egypte komt de slang of Ureus steeds weer voor als merkteken van degene, die door alle tijden en sferen heen kan zien. Haar invloed reikt tot in de hemel – tot de rechtsplaats der goden – en is de sleutel tot de ‘hallen der herinnering’.

Steeds weer treffen wij de slang aan als kenteken voor de tijdloosheid van de mens.

Verschillende daaraan verbonden spreuken en uitleggingen doen een vergelijking met de levensboom opkomen bij de beschouwer. Daar de mens van toen tijd en leven vaak als verwisselbare waarden beschouwde, krijgt de slang lange tijd magisch en esoterisch grote betekenis als beeld van levenskracht in de kosmos en daarmede wekker van de levenskracht – tijd – in de mens.

In de bijbel treffen wij een voorstelling aan, die wel eens anders wordt uitgelegd, maar geheel past binnen het kader van deze oorspronkelijk Egyptische symboliek. Wanneer een groot deel van het volk van Israël ziek is tijdens de tocht door de woestijn, richt Mozes een kruis op, waaraan een koperen slang is bevestigd. Wie opziet naar die voorstelling, wordt genezen. Het kruis is in feite een T-kruis, later heeft men hiervan vaak een symbool van Jezus’ kruis willen maken. Maar in wezen is het een Tau, die als symbool staat voor de kosmische ordening van levende krachten. Geheel in overeenstemming met de Egyptische magie hangt men hieraan een ‘groenkoperen’ slang op. Groen is de kleur van vruchtbaarheid, in tegenstelling tot het dodelijk bruin van de woestijnen.

Men kan dus het geheel als volgt samenvatten: Zie op naar de tijd, zoals deze verbonden is aan de ordening van het bestaan. Besef en aanvaardt deze voorstelling en het kosmische evenwicht in de mens zal hersteld worden. Overigens is deze uitleg niet van mij, maar ontneem ik haar aan een christelijk alchemistisch werk dat werd geschreven rond 470 na Chr.

Hoe een dergelijk symbool zich kan ontwikkelen is juist aan de hand van dit voorbeeld eenvoudig te zien. Reeds bij de filosofen van Alexandrië en bij verschillende Griekse inwijdings- scholen zien wij namelijk de slang afgebeeld als een ring of een 8, waarbij de staart van de slang in diens muil verdwijnt: de tijd, die zichzelf verslindt. Vergelijk hiermede andere overleveringen omtrent de wereldslang, de Midgaardslang, enzovoorts. U zult zonder veel moeite kunnen begrijpen dat het hier gaat om de tijd, die de gehele menselijke wereld, de kosmos zelf desnoods, omspant, zichzelf voortdurend verslindt en toch steeds zichzelf kan blijven.

Toch wordt dit symbool al snel vervangen. De mens houdt er niet van te veel aan de tijd herinnerd te worden, zeker niet wanneer het beeld hem ervan bewust maakt, dat hij door zijn leven, zijn levenskracht en daarmede zichzelf eigenlijk aan het verslinden is. Toen het christendom en sommige andere geloofsgemeenschappen dan ook de eeuwigheid als deel van elke mens gingen voorstellen, werd de slang veranderd in een lijn, een spiraal. Deze geeft de tijd van ‘leven’ weer, maar gelijktijdig de herhaling van waarden in leven en kosmos, zoals men zich die voorstelde. Dit werd aanleiding tot enkele opmerkelijke symbolische voorstellingen. In één daarvan staat de mens getekend, maar nu met zijn gehele wezen passende in de spiraal die bij de linkervoet begint. Er is hier veel overeenstemming met het beeld dat ik u reeds eerder beschreven heb. Waar in deze voorstelling de mens in het geheel der sferen was geplaatst en zo kosmisch werd voorgesteld als deelhebbende aan alle sferen en krachten, wordt in deze voorstelling met de spiraal de mens voorgesteld als deelhebbende aan alle tijd. De spiraal eindigt dan in een letter alfa. De laatst wending van de spiraal is daarbij zo getekend, dat hij de navel en het hart van de mens verbindt.

Ofschoon ik niet met zekerheid kan zeggen welke van de hierbij gegeven uitleggingen de meest juiste is, lijkt mij toch de stelling aanvaardbaar, dat men hierbij de eeuwigheid aangeeft, door te wijzen op een verbinding tussen de geestelijke geboorte (het hart) en de menselijke geboorte (de navel) welke gezamenlijk de beide kernen van de mens maken tot een omschrijving van het ‘eerste begin’. De wijze waarop men de vele wendingen van de spiraal verklaart, zijn vaak wat gewrongen. Maar wij moeten dan ook niet vergeten dat degenen die met dit symbool werkten, christenen waren en als zodanig althans openlijk de in het Oosten gangbare reïncarnatieleer niet mochten hanteren. In vele gevallen heeft men echter een aardige oplossing gevonden, door de scholing, die het Ik volgens de Oosterse wijzen door wedergeboorte op aarde kan verwerven, in het hiernamaals te verplaatsen: het vagevuur. Het resultaat is een reeks vaak zeer mooie prenten, waarin de spiraal tot een weg wordt, die zich rond een bergtop slingert, waarop een groot licht brandt. Dante heeft van een dergelijke voorstelling gebruik gemaakt in zijn Comedia Divina, door het vagevuur tot een louteringsberg te maken, waarbij de verschillende ‘straffen’ die in wezen ook fasen van bewustzijn weergeven, als de ‘ommegangen’ bekend zijn geworden. Volgens mij heeft de mens met dergelijke symbolen voor de tijd als deel van het leven, vooral getracht zich in eigen denken te bevrijden van een al te grote stoffelijkheid. De materie was voor de mens voldoende in dagen, dat men in de strijd om het bestaan geen tijd kon vinden zich met andere waarden bezig te houden. Ook nu zien wij steeds weer dat de mens, die in de ellende zit, er niet toe komt redelijk na te denken over hogere geestelijke waarden; begrijpelijk: een mens die met een knorrende maag rond moet lopen, luistert eerder naar het knorren van zijn maag dan naar de ingevingen van de geest. De poging in eigen denken aan een al te omvattende stoffelijkheid te ontkomen, was gelijktijdig een streven naar, een zoeken naar eeuwigheid. Alle primaire kosmische symbolen, die wij door de tijden heen ontmoeten hebben dan ook ergens een weergave van de relatie tussen mens en eeuwigheid in zich.

Bovennatuurlijke machten als personificatie van de verschillende sferen spelen natuurlijk steeds weer een grote rol. Zo vinden wij in de vroege middeleeuwen een voorstelling van de kosmos, waarbij de top van alle Zijn wordt weergegeven door een driehoek, waarin vaak nog een alziend oog of een voorstelling van God de Vader is aangebracht. Deze staat boven een cirkel, die kennelijk het bewustzijn, het Hogere in de mens, weergeeft. Deze cirkel rust dan weer op het kruis, al dan niet met Jezus als offer daaraan vastgenageld, terwijl dit kruis dan weer op een gebogen lijn rust die de aarde weergeeft en waarop soms planten, steden en mensen zijn getekend.

Ook hier wordt het geheel vaak omgeven door een voorstelling van een mens, alsof men wilde zeggen: dit is de kosmos, maar dit alles ben ik eigenlijk ook zelf. Steeds weer vinden wij in kosmische symbolen een voorstelling of een teken dat de mens weergeeft, vaak als omlijsting, soms het geheel doorkruisende. Dit is begrijpelijk, daar de mens, die de kosmos beschouwt, niet in staat is, deze als los staande van zichzelf te beseffen. De mens zoekt steeds weer naar parallellen tussen zijn eigen wezen en alle dingen, die hij rond zichzelf erkent. Toch beseft men wel degelijk, dat men als mens niet in staat is de kosmos naar waarheid te kennen of weer te geven. Hier kan het verstand niet verder gaan en zal men in de meeste gevallen blijven steken bij duidelijk kenbare, maar toch enigszins vage gevoelens. Juist om deze gevoelssfeer duidelijk te kunnen maken, zal men ook in de symboliek steeds weer grijpen naar een soort parabel.

Een wel zeer eigenaardige voorstelling van de kosmos is een afbeelding van een cirkel, waardoor zich een kronkelende weg slingert. De mens, staat aan het begin van de weg, de voet geheven om de tocht te beginnen, is daarnaast in het midden van de weg rustende afgebeeld, terwijl deze zelfde mens aan het einde van de weg zichzelf toewenkt. In de meer uitgewerkte voorstellingen is de cirkel gevuld met een soort bergmotief, zodat wij aan kunnen nemen, dat in dit beeld van de eeuwigheid, die tevens de levensweg is, ook de religieuze voorstelling van vagevuur of beproevingen een grote rol kan spelen. Schrijvers als John Bunyan en utopisten als Thomas More hebben in hun werken kennelijk getracht met deze middeleeuwse voorstelling van leven en eeuwigheid iets te doen. Godsdienstige elementen spelen echter steeds sterker een rol bij de symbolen, die meer algemeen verbreid worden. Het lijkt of de mens zich in de legende wil projecteren, om zo een vrede te kunnen vinden tussen zijn denken, zijn ervaren en zijn geloof.

Veelal weigert men dit te erkennen en spreekt over deze symbolen en gelijkenissen als kosmisch.

De Graallegende kan hiervan een voorbeeld zijn. Ofschoon zeker kosmische waarden in de Graalsymbolen voorkomen, kan men het geheel toch niet beschouwen als een werkelijke weergave van de relatie tussen de mens en de kosmos. Het geheel heeft een godsdienstig karakter. Ik wil hier dan ook met nadruk vaststellen, dat er een groot verschil is tussen een religieus symbool en een zogenaamd kosmisch symbool. Het eerste veronderstelt kennis van en aanvaarding van het geloof, terwijl het tweede alleen door beschouwing reeds bepaalde gedachten in de mens los kan maken.

Abstractie, gebaseerd op menselijk weten, maar gelijktijdig een beroep doende op ingeschapen besefswaarden van de mens, is voor de ware esotericus van groot belang. Daarom zoekt men het in latere tijd vaak eerder in bijvoorbeeld alchemistische voorstellingen, waarin menselijke acties en geestelijke waarden zonder meer als gelijksoortig of zelfs gelijkwaardig worden aangeduid. Mooie voorstellingen van deze aard houden zich onder meer bezig met het winnen van de zuivere sulfer – altijd als vlam, symbool van levenskracht, besef en Licht, weergegeven.

De alchemist maakt van de gehele kosmos een soort laboratorium, compleet met verschillende personen in actie en rust. Hij tracht in zijn beeld van het onbekende (kosmos) gelijktijdig al het gekende gereedschap, kennis voorgesteld door boeken, grondstoffen en elementen, die de mens kan hanteren een plaats te geven.

Enkele malen laat men echter deze overdaad aan details achterwege. In Duitsland en Zwitserland werd bijvoorbeeld rond 1500 een voorstelling gebruikt, welke een retort weergeeft, omvat door een mens, die daarin bepaalde stoffen werpt en gelijktijdig deze retort warmende door een vlam, die aan zijn lichaam ontspringt. Uit de retort rijst een wolk, waarin bij nadere beschouwing dezelfde mens zichtbaar wordt, maar nu gevleugeld. Wie de tekeningen zonder meer beschouwt, zal dezen waarschijnlijk spookachtig of zelfs vermakelijk vinden. Wie echter over de voorstelling nadenkt, zal al snel beseffen, dat hier in wezen wordt gezegd: voor mijn werken met wat ik ben en weet verwerf ik bewust de eeuwigheid, het onbeperkte Zijn – wat identiek is met kosmisch bestaan.

De gelijktijdigheid van tijd en tijdloosheid hebben de denkers moeilijkheden gebaard. Wie in de tijd leeft, kan zich nu eenmaal de tijdloosheid maar moeilijk voorstellen. In het zoeken naar een analogie, waardoor deze strijdigheid zou worden opgeheven voor de mens, kwam men er toe aan alle gedachtewaarden mannelijke en aan alle scheppende waarden (tijd) vrouwelijke eigenschappen toe te kennen. Op deze wijze kon men zich voorstellen dat de kosmische werkelijkheid voortkwam uit een vereniging van beiden – het huwelijk van de wijsheid met de daad. Ofschoon fallische tekens en de linguam vooral in Azië voorkomen, verschillen zij in wezen niet zoveel van het Egyptische kruis, waarin immers het taukruis, de ordening, wordt bekroond door de ellips, de ruimtelijkheid, waarin de ordening werkzaam moet zijn, om zichzelf tot uiting te kunnen brengen. Waar de Indiërs mannelijke en vrouwelijke tekens vaak gescheiden gebruikten, hebben de Egyptenaren beiden tot één geheel gemaakt, alsof zij wilden zeggen: Het geheel van het Zijn kan slechts beseft worden, wanneer de mannelijke gedachte en de vrouwelijke scheppingskracht of productie samenwerken.

Overigens iets, wat met de werkelijkheid strookt. De man die een vrouw aanvaardt (bemint) ziet haar niet zoals zij is, maar projecteert zijn denkbeelden, idealen, op haar. De vrouw, die dezen van de man aanvaardt, wordt zijn vrouw en begint onmiddellijk de idealen, die de man op haar heeft geprojecteerd, in de man om te zetten in de werkelijkheid. Zij ‘werkt’ aan de man. Is zij met deze arbeid eenmaal geheel klaar of ziet zij geen verdere mogelijkheden, dan blijkt de vrouw voor de man geen ideële belangstelling meer te koesteren. Het klinkt wat vreemd: Wanneer de vrouw bereikt heeft, dat haar man zich heeft aangepast aan de idealen, die hij zelf eens naar haar als denkbeelden projecteerde, komt in haar werkelijk contact met de man tot stilstand en kijkt elders.

Zo u al de waarheid van deze laatste stelling toe wilt geven, zult u toch opmerken, dat dit niet kosmisch, maar zeer menselijk is. U ziet dan over het hoofd, dat elk kosmisch symbool voortkomt uit de mens en een fase van menselijkheid weergeeft of omvat. Men denkt over die dingen meestal niet zo na. Maar wanneer men zeer oude symbolen neemt als bijvoorbeeld de links en rechtsdraaiende swastika, het zonnerad, kruis in cirkel, zogenaamde open zonnekruis en dergelijke, zal men moeten toegeven, dat hiermede niet alleen de kracht van dezen wordt weergegeven, maar tevens het element tijd (bij gesloten cirkel: eeuwigheid), terwijl de opbouw het kruis omvat als mannelijk teken (fallisch van origine dus) en de cirkel (vrouwelijk) waarin het kruis staat. In rust zijn beiden gezamenlijk de eeuwigheid, in beweging (gebroken lijnen van de cirkel) wordt ontwikkeling, schepping, werkzame kracht in tijd weergegeven. Rond 800 v. Chr. werd een verhandeling van enkele brahmaanse filosofen vastgelegd waarin onder meer het volgende voorkomt:  De vrouw is de ruimte waarin de god, de man, schept. De man kan niet voortbrengen, de god kan niet scheppen, waar de ruimte voor hem niet bestaat. Maar de ruimte is ledig en zonder zin, wanneer geen Schepper in haar werkzaam is.

Ik geef graag toe, dat middels commentaren later dit alles sterk in het materiële is betrokken.

Maar is de uitspraak daarom minder waar? Wij leven. De wereld, waarin wij leven is voor ons een soort ledige ruimte. Iets, wat wij met onze eigen daden en begrippen moeten vullen om haar te kunnen beleven. Wij zullen in de wereld moeten scheppen, voort moeten brengen, om zo onszelf in die wereld en daarmede voor onszelf, waar te maken.

Indien ik nu terugkeer tot het beeld van de retort, waarover wij reeds spraken, zo veronderstel ik een soortgelijke gedachtegang bij de middeleeuwer, die voor het eerst dit beeld gebruikte. Hij zegt met deze voorstelling als het ware: “Mens, je moet werken met alle mogelijkheden en middelen, die je bezit, om daaruit tot je eeuwige Ik te worden. De belangrijkheid van de dingen ligt niet in hun bestaan, maar in onze waarneming daarvan en het gebruik, dat wij van het verworven besef en de bestaande mogelijkheden zullen maken.”

Denk hierbij eens aan de oude plaat van de man, die in een grot zit met de rug naar het licht.

Dit licht blijkt overigens een voorstelling van de tijd te zijn. De mens ziet niet het licht zelf, hij ziet niet, wat zich daarin openbaart, maar zal alleen de schaduwen zien, die door alles, wat aan hem voorbijtrekt, aan de wand worden geworpen. Hier wordt duidelijk gemaakt, dat de mens niet de werkelijkheid, ziet, maar slechts een schim daarvan. Hij kan de details van de werkelijkheid dan ook niet kennen. Dezen vult hij uit eigen voorstellingsvermogen in. Toch zal hij, door het erkennen van de omtrekken van het werkelijke, kunnen reageren op die werkelijkheid en er zo een wezenlijk deel van zijn. Een kosmisch symbool, daar het de confrontatie van de mens met het tijdloze, het werkelijke, weergeeft en gelijktijdig een speculeren over de wijze, waarop men ook zonder volledig besef reeds met die werkelijkheid kan werken, mogelijk maakt.

Ook de Chinese filosofen blijken ons meerdere voorstellingen en woordbeelden te hebben nagelaten, die in dit verband zeer interessant zijn. Misschien speelt het feit, dat de godsdienstigheid van China (behalve de voorouderverering, die echter geen werkelijke godsdienst was) zeer vast blijft, een rol bij de duidelijke en vooral menselijke weergave van problemen. Zo bestaat er een voorstelling van een pagode met 16 daken. Een priester staat op het punt de pagode binnen te gaan. Naast de voorstelling staan karakters, die zeggen: “Ik ga binnen in de tempel der wereld. Maar word ik tot tempel, zo is de wereld in mij.” Wat in feite kan worden gelezen als: ik omvat de kosmos, terwijl gelijktijdig de kosmos mij omvat. Afmeting, tijd, zijn onbelangrijk. Er is geen werkelijk verschil tussen de oneindigheid en de beperktheid, die de mens voor zich beseft. Wanneer de mens de oneindigheid kan binnengaan en haar aanvaarden, is hij zelf oneindig geworden. Daar hij op aarde leeft, zal hij gelijktijdig de gehele aarde omvatten, want ook ruimte speelt geen rol meer. Uit bijbehorende bladen met spreuken kan overigens nog meer worden afgeleid.

Ik zal hierop maar niet verder ingaan, maar wil nog vermelden, dat op de tekening elk dak van de pagode klokjes draagt, waarin dan weer een letterteken is geschreven. De onderste daken geven ons verschillende tekens, die geluk betekenen. Daarboven komen vier daken, die alle tekens die leven betekenen in de klokjes dragen. Het achtste dak draagt klokjes, waarop ouderdom en jeugd is geschreven. Daarboven zijn de daken voorzien van verschillende deugden, terwijl het bovenste dak op de klokjes de tekens man (mens) en wereld draagt. Het dak zelf draagt dan nog een teken van een huis met daarin een mens, vertaalbaar als woning, thuis of thuiszijn. De bedoeling van het geheel is, dat men pas tot tempel kan worden, wanneer men alle eigenschappen, die worden genoemd, zelf heeft gevonden en beleefd. Eerst dan is men ‘thuis’. Dit zal u onmiddellijk doen denken aan de levensboom. Want ook deze is een kosmisch symbool, een omschrijving van de relatie tussen mens en kosmos en niet alleen een weg, een bewustwordingssymbool, ofschoon de levensboom veelal als zodanig wordt gebruikt. Men beperkt zich dan echter tot een constructie, waarin twee driehoeken boven- en onderzijde vormen, terwijl de hoekpunten door lijnen zijn verbonden. Tussen de lijnen zijn dan nog weer enkele lijnen aangebracht. Op deze wijze kan het geheel inderdaad de bewustwording weergeven. In de oorspronkelijke versie liggen echter zowel onder de onderste als boven de bovenste driehoek nog drie lijnen. En zowel boven de kroon als onder de chaos worden nog andere waarden gemeld. De laagste en de hoogste lijn dragen dezelfde naam – wat wijst op een feitelijk cirkelvormige opzet van begrippen. Deze geeft de tijd weer, terwijl de andere twee lijnen de positieve (boven) en negatieve (onder) namen dragen van elementen. Als kosmisch symbool is de levensboom dan ook de weergave van een kringloop, die alle aspecten van leven en besef omvat. Zij tekent dan ook niet alleen de wegen die de mens kan gaan, maar geeft gelijktijdig (als het ware vergelijkend) een beeld van de mogelijkheden van de kosmos.

Mogelijk vindt u dit alles minder belangrijk of zelfs vervelend. Voor mij is het echter fascinerend te zien, hoe de mens door alle tijden zich bezighoudt met de waarden van de kosmos en de mogelijkheden van eigen wezen in vergelijkende termen. Het is voor mij zelf boeiend te zien, tot welke vreemde conclusies de mensen dan soms komen. Als voorbeeld hiervan citeer ik een voorstelling uit een boekje van iemand, die rond 1700 schreef onder de naam “Malherbe”, zeer terecht, want als je zijn werken leest, kun je je niet aan de gedachte onttrekken, dat deze man wel een onkruid of zelfs een giftig plantje was tijdens zijn leven. In zijn boekje komen enkele opeenvolgende tekeningen voor, een soort strip, waarin de mens staat op een wereldbol en naar een dergelijke bol, kosmos genoemd, grijpt. In de volgende tekeningen draagt hij allereerst de bol op zijn hoofd, dit duidt aan het verwerven van kennis omtrent de wereld. Daarna draagt hij de bol voor zijn borst: Hij ontvangt de wijsheid en het begrip voor de wereld. De daaropvolgende tekening laat zien, hoe hij zich buigt en de wereld, die hij draagt, in contact brengt met de wereld, waarop hij staat. Dit doet een soort rookwolk ontstaan, mogelijk een soort explosie. De laatste tekening laat ons de wereld zien. Zij draagt echter het gezicht van de man uit de voorgaande tekeningen. Hij is kennelijk zelf tot wereld geworden. Daar, waar een mens zijn ledematen heeft, staan hier aan de aarde vastgeketend bepaalde woorden. De laatste tekening is de sleutel tot het geheel. De mens die de kennis van de wereld heeft, de wereld begrijpt en de eigen wereld tot eenheid kan brengen met de werkelijkheid waarin hij leeft, beheerst en schept deze wereld. Daar de auteur magie bedrijft, omschrijft hij naast de wil nog enkele elementen, die voor een algehele beheersing noodzakelijk zouden zijn. Het magische element laten wij in dit betoog natuurlijk verder buiten de discussie. Het ging mij er om te laten zien, hoe ook hier weer een mens, zij het, dat hij mogelijk gedreven wordt door andere dan zuiver geestelijke motieven, zichzelf zegt: Ik ben de kosmos, indien ik voor mijzelf bepaalde dingen maar waar kan maken.

Ook Paracelsus heeft een oplossing voor het probleem mens-kosmos ontworpen. Misschien weten enkelen onder u niet, dat deze Theophrastus Bombastus von Hohenheim meerdere boeken heeft geschreven over de elementen in de natuur, de metalen enz. Het meest geniale, maar zover ik weet nimmer algemeen toegankelijk gepubliceerd, is een klein boekje, dat zich aankondigt als Cosmogonische Wirklichkeit. Het is geen kosmogonie, maar omvat een reeks van omschrijvingen en tekeningen – samengesteld uit magische en alchemistische symbolen – waarmede de schrijver zoekt uit te drukken, wat mens en kosmos in relatie tot elkander zijn en hoe deze verhouding in de mens een werkzame kracht vormt. Hij stelt onder meer: Mens en kosmos zijn de twee einden van dezelfde stok – wij zouden zeggen de polen van één magneet.

Eerst wanneer de mens de kosmos aanvaardt als deel van zich en zo ook door de kosmos als bewust deel daarvan aanvaard kan worden, ontstaat besef van de werkelijkheid. Na dit beredeneerd te hebben, stelt hij onder meer: waar de werkelijkheid voor de mens ontstaat, is ook de mogelijkheid tot algehele beheersing ontstaan. Hij concludeert verder: God is de enige algeheel beheersende kracht in de kosmos, De mens, die de beheersing bereikt door harmonie met de kosmos, is één met God. Hij, die één is met God, is degene, die alles weet, niets gelooft, niets doet en toch alles veroorzaakt.

Vooral dit laatste vind ik treffend. Wat heeft Paracelsus namelijk gedaan? Uit zijn ongetwijfeld betrekkelijk grote materiële kennis (hij was ingewijde van bepaalde groepen) brengt hij zo goed mogelijk alle denkbeelden omtrent rijzen door de sferen enzovoort, terug tot het vinden van een eenvoudig, maar alomvattend evenwicht. De mens, die één is met God als deel van Gods schepping, geeft hij uiteindelijk dan weer als een eenvoudig lijntje met twee streepjes aan het einde. Bij het ene streepje staat homo (mens), bij het andere kosmos. Wereld, kosmos en mens zijn in de uiterste consequentie één en hetzelfde. Opvallend is, dat, ofschoon hij de tijd in het begin wel degelijk noemt en zelfs de astrologische bepaling van de juiste tijd van groot belang acht, nu daarover niet meer spreekt. Het is de logische consequentie van zijn stelling: Tijd is slechts een verschijnsel, geen bepalende waarde in het wezen van de kosmos.

Uit zijn werk kunnen wij dan nog verder vernemen, dat alle elementen in wezen gelijk zijn, overeenstemmen met het menselijke leven, enz. enz., maar in de tijd differente uitingen van dezelfde oerkracht vormen. Hij trekt hieruit ook conclusies t.a.v. genezing: “Naarmate ik in mijn persoonlijkheid, de door mij gebruikte symbolen, middelen enzovoort, dichter kom bij het evenwicht, dat de kosmische harmonie weergeeft, zal ik met minder symbolen en middelen meer kunnen bereiken en op de duur met zeer weinig middelen het totaal weer kunnen geven. Door een bewust en juist gebruik van deze enkele symbolen zal ik dan het geheel van zijn Zijnde kunnen beheersen, mits ik daarbij naar evenwicht blijf streven.”

Uit dit alles blijkt overigens, evenals uit de door hem gebruikte ‘zegels voor genezing’, dat de grote genezer Paracelsus méér dan een weinig op de magie was ingesteld. Het voorgaande maakt duidelijk, dat de mens steeds weer heeft getracht het onzegbare te zeggen. Men heeft dit gedaan middels diagrammen, zeer eenvoudige constructies en zeer ingewikkelde tekeningen.

Het doel was steeds hetzelfde: Eenheid met de kosmos te vinden en zijn eigen beperktheid op te heffen. Maar altijd weer blijkt ook, dat men het onmogelijke tracht te doen. Want de mens beschikt niet over de middelen, waarmede de kosmos ook maar enigszins zuiver kan worden weergegeven in al haar sferen, mogelijkheden en krachten.

In deze tijd heeft men geprobeerd, door het werken met een vierde dimensie, de waarheid meer te benaderen. In California heeft een mystiek aangelegd mathematicus getracht het geheel duidelijk te maken door het vervaardigen van een tesseract, een meerdimensionale uitslag van een kubus. Het zou te ver voeren, hier de gehele stelling te citeren. Ik vat echter de essentie van het in tekeningen weergegeven hier samen: “Wij leven in een wereld. Er zijn (voor ons) verschillende sferen en werelden denkbaar buiten de onze. Dat komt voort uit ons punt van uitgang: Dat een wereld een beperkte en afgesloten ruimte is. Zodra wij de niet ruimtelijkheid in menselijke zin van onze eigen wereld of een deel daarvan gaan erkennen, blijkt elke wand van onze ruimte op zich een soortgelijke ruimte te zijn. Wij kunnen nu als het ware van de ene ruimte in de andere treden met dien verstande, dat wij nimmer bij een terugkeer in de oude (desnoods eerst  met een schrede verlaten) ruimte terug kunnen keren. Wij kunnen alleen verder gaan, niet terug. Richting heeft hier geen betekenis meer. Men kan naar boven gaan en beneden uitkomen. Elke ‘besloten ruimte’ heeft als wanden andere, voor het ego soortgelijke ruimtelijkheden. Wie dit begrijpt, zal, steeds voorwaarts gaande, alles kunnen bereiken in ruimte en tijd. Hij beschikt over de gehele kosmos, de besefswaarde maakt de mens zelf tot de gedachten, waarop de kosmos is gebaseerd, de bron van alle werelden en verschijnselen.”

Dit klinkt ingewikkeld, maar ik kan misschien nog iets vereenvoudigen: Ik leef altijd in de gehele kosmos. Zolang ik mij beperk tot het besef van ruimtelijkheid, dat mijn zintuigen mij geven, is mijn wereld besloten. Een besloten wereld betekent een schijn van vrijheid, die echter nimmer werkelijk zal worden door de te grote beperking van voor het ik aanvaardbare mogelijkheden.

Zodra men echter beseft, dat ik eigen leven ook meerdimensionaal kan verwezenlijken, is het aantal mogelijkheden praktisch onbeperkt, men kiest eenvoudig een nieuwe ruimte, die zintuigelijk omschreven kan worden en leeft schijnbaar in dezelfde wereld voort, maar numet een nieuwe en door eigen keuze sterk bepaalde inhoud. Dit proces kan steeds weer herhaald worden. Er is dus geen sprake van het verliezen van de wereld, waarin men leeft voor bv. een geestelijke wereld, maar men verkrijgt eenvoudig een geheel nieuwe reeks van mogelijkheden.

De steller van dit werkje geeft als voorbeeld: Indien ik een tesseract als woning zou bouwen in bijvoorbeeld California, zou een van mijn vensters bijvoorbeeld een gezicht van de aarde tonen als gezien vanaf de maan, een ander vertrek zou mij een woestijn in Afrika tonen, enzovoorts, terwijl tenminste een van de vensters zou uitzien op een werkelijk niets – wat voor de mens het meest dreigende beeld is, wat hij zich kan voorstellen. Door de vensters te openen zou men de plaatsen, waarop zij uitzien, kunnen betreden. Hoe fantastisch dit alles ook moge klinken, toch lijkt mij ook dit een symbool van de kosmos, gezien in relatie tot de mens en daarmede een modern tegenhanger van alle andere beelden, die wij bespraken.

Hoe opvallend klopt de eindconclusie niet met de stellingen van bepaalde inwijdingen, esoterische en magische disciplines? Het komt erop neer, dat men niet aan plaats gebonden is op het ogenblik, dat men beseft, dat de gebondenheid schijn is. Zoals men in wezen in alle plaatsen is, maar slechts één daarvan beseft, zo leeft men in alle tijden, ofschoon het besef van de mens hem tot bewustzijn van het bestaan in een enkele tijd pleegt terug te dwingen. Wijziging van besef betekent dus wijziging van tijd en/of plaats. Daar alle dingen in mij als mogelijkheid aanwezig zijn, ben ik in wezen het totaal van alle tijden en plaatsen, die voor mij toegankelijk zouden kunnen zijn. Waarop de steller besluit met de opmerking: ik kan het totaal van mijn mogelijkheden eerst waarmaken door het ene deel van mijn mogelijkheden met een ander deel te vergelijken en zo mijn besef van het mogelijke uit te breiden. Ik zou zeggen, dat hiermede tevens het werkelijke verschil tussen mens en God wordt weergegeven: God is alles en zich van alles geheel bewust, de mens kan echter steeds slechts delen van het geheel dat hij is beseffen, door het met andere delen van zijn ik te vergelijken.

Over dit alles zou natuurlijk nog veel meer te zeggen zijn. Ik meen echter, dat het voorgaande een afgerond geheel is, hoe oppervlakkig ook.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Vragen

  • Zijn de getallen 7 en 13 op aarde kosmische symbolen?

In systemen is dit mogelijk. Een getal is echter zonder een systeem geen symbool, maar een waarde aanduiding. De 7 was in de Oudheid het getal der erkende dwaalsterren – planeten. 13 zou het aantal zijn van alle planeten plus de zon, enzovoorts. U zult echter hebben bemerkt dat ik mij beperkte tot die symbolen, welke de relatie tussen mens en kosmos trachten uit te drukken. Dit is namelijk de enige relatie, die in de symboliek kan worden uitgedrukt en herkend, zonder dat een systeem noodzakelijk is, waaruit de samenhangen allereerst worden gedefinieerd. Ik koos deze weg om te voorkomen, dat wij verdwalen in de (vaak strijdige) interpretaties van verschillende, systemen. De door mij genoemde symbolen zullen in de beschouwer zonder meer reacties wekken (bij langere bestudering en beschouwing) welke gelijksoortig zijn aan de door mij gegeven reactie. Systemen zijn alleen bruikbaar, wanneer je ze goed kent en hebben bovendien het nadeel, dat zij al te vaak zonder meer maar aannemen, dat bepaalde dingen in de kosmos of de mens zus of zo zijn, zonder dat het innerlijk van de mens dit bevestigt als onvermijdelijk waar. De wereld van symbolen is zo rijk, dat wij over de op aarde gangbare symboliek vele dagen zouden kunnen praten. Ik meende echter mij in dit betoog te mogen beperken tot die symbolen, die zonder meer duidelijk maken, hoe de mens die verder zoekt, zijn relatie met de kosmos beleeft. Het ging hierbij om uit het geheel van de mensheid voortkomende gevoelens en gevoelserkenningen, die in bepaalde beelden werden gefixeerd.

  • De tempel van Salomo kunnen wij toch als kosmisch symbool beschouwen, daar zij een weergave kan zijn van het Al.

In een bepaalde groepssymboliek wordt aangenomen, dat de structuur van Salomo’s tempel, inclusief de daarin voorkomende getalsverhoudingen – en de daarin geprojecteerde waarden als bijvoorbeeld het grote bronzen bekken met zijn afmetingen, ofschoon dit nooit werkelijk tot stand kwam – een beeld is van de gehele mensheid en haar waarde in de kosmos.

Het gaat hier dus in de eerste plaats om de mensheid, het kosmische is als het ware een nevenverschijnsel. De tempel zou op zich geen symbool zijn van de mens of de kosmos volgens anderen, doch slechts een weergave van de verhoudingen die God in de kosmos schept.

Misschien zou men de tempel zelf het beste kunnen omschrijven als een in structuur uitgedrukte weergave van het zegel van Salomo, waarop de naam Gods als een bliksemschicht zich in het geschapene uitdrukt, gelijktijdig kracht, macht en bevel zijnde. Mijns inziens zal men dit symbool echter, gezien de oorsprong en de daarin voor het geheel der mensheid niet zonder meer kenbare associaties, moeten beschouwen als een religieus symbool van niet zuiver kosmische aard.

Uitgaande van de nu nog gangbare, in wezen godsdienstige symboliek, aan deze tempel verbonden, is zij de weergave van de werelden en sferen, die elkander omsluiten en in het midden de eigenlijke heilige ruimten bevatten. Toch vormt alles één geheel en is niet gescheiden van elkander te denken. De scheidingen komen voort uit de functie van de delen van de tempel en het besef van de mensen. In de vrije lucht bijvoorbeeld, de heilige ruimten met reuk- en slachtaltaren, het heilige, bestaande uit een kleedruimte en de zaal waarin de symbolen staan als de kandelaar, de tafel met toonbroden enz. Doorschrijdt men deze ruimte, dan komt men aan de voorhang, waar zich de heilige der heiligen genoemde ruimte achter verbergt. Hierin staat de ark, die in zich de goddelijke wet draagt en bekroond wordt door de Serafim; tussen hun vleugelen zou zich God kenbaar maken als een licht. Ik blijf er echter bij, dat als symbool dit geheel van godsdienstige aard is en wel omdat men allereerst alles, wat in het jodendom (en dus in het christendom) omtrent God wordt gesteld als juist moet aanvaarden. Zonder dit is namelijk het symbool zinloos. Verder zal men aan moeten nemen, dat hetgeen als de wet Gods wordt gesteld, dit inderdaad is, terwijl de projectie van de mens in de kosmos alleen mogelijk zou zijn uit en middels deze wet.

Voor velen zal dit niet aanvaardbaar zijn. Velen op aarde zullen zelfs deze begrippen niet kunnen omvatten zonder langdurige studie en voorlichting. Ook ik zelf loop vast, wanneer ik dit alles wil zien als ‘kosmisch’ omdat ik niet kan aannemen, dat er een vaste en menselijk vastgestelde wet is, die de mogelijkheden in de schepping voor de mens zou beperken, maar slecht kan aanvaarden dat Gods eigenschappen gelijktijdig de wet zijn, die wij niet kunnen overtreden, maar waarvan het wezen voor ons slechts in een tijdloze kosmos duidelijk kan worden. Dit is echter een persoonlijke visie. U houdt zich bezig met de bouwsymboliek, die in haar wezen religieus is. Men kan aan haar beelden nu wel een kosmische betekenis toekennen (persoonlijk of als groep) maar dit betekent nog niet dat wij een dergelijke symboliek ook zonder meer als kosmische symboliek kunnen aanspreken in de zin, waarin ik dit onderwerp heb behandeld.

  • Kunnen wij ten aanzien van uw betoog ook geen verband zoeken met de in Tibet gebruikte symbolieken als bijvoorbeeld het drievoudig juweel?

Dat kan wel, maar het drievoudig juweel heeft in wezen niets te maken met de kosmos als zodanig, doch geeft de mens weer, die zichzelf overwint en in daadloze erkenning het geheel van zijn zijnde aanvaardende opgaat in de totaliteit, om slechts daarin te ageren. De term ‘drievoudig juweel’ kan op de persoon slaan van wie men aanneemt, dat hij dit bereikt heeft, of op de weg die men met gaan, om dit te bereiken. Hier gaat het dus over de mens, niet over de kosmos of zelfs de verhouding tussen mens en kosmos als een evenwicht.

Wel kent Tibet een kosmisch symbool: de vijver, waarin zich twee bergen weerspiegelen, terwijl het geheel wordt omgeven door een lijn, die gelijk is aan de omgrenzing van de vijver. Deze voorstelling zegt namelijk: de gespiegelde wereld in het water en de zogenaamde echte wereld van de bergen zijn aan elkaar identiek als voorstelling. De lotus (het bewustzijn) ontkomt aan de spiegeling om te leven tussen de bergen en beseft zo eigen wezen beter – dat werkelijkheid is, ook in de gespiegelde wereld. Maar in wezen zijn beide beelden, spiegelbeeld en zogenaamde werkelijkheid, gelijkwaardig. Slechts de spiegellijst, waarin beiden gevat zijn, drukt de werkelijkheid uit. Hier treffen wij: Omschrijving van het wezen van de kosmos, de erkenning van de plaats van de mens in de kosmos en de werkelijkheid, waarin mens, kosmos en schijn één geheel vormen in gelijkwaardigheid. Vandaar dat dit mijns inziens als kosmisch symbool kan worden aangesproken, ofschoon de eis, dat eenieder na beschouwing, dit aan moet kunnen voelen, niet geheel wordt vervuld, daar men de symboolbetekenissen van lotus en vijver moet kennen, voor het geheel spreekt.

  • Yin en Yang?

In de eerste plaats een menselijk symbool, waarin het innerlijk evenwicht in de mens(heid) wordt weergegeven. Het heeft weliswaar een kosmische betekenis, daar wordt verondersteld, dat de verdeling van licht en duister binnen de perfecte cirkel de kosmos betreft, maar de verdeling in licht en duister is menselijk. Zelfs de vorm van yang en yin maken reeds duidelijk, dat deze waarden uit het beginsel mens tot stand komen. Zij hebben voor de mens betekenis in een eigen brandpunt, aangeduid door de punten die in beide helften voorkomen.

Wel kosmisch is een aan de voorstelling ontleende woordsymboliek, waarbij yin en yang tot geheel andere waarden worden verheven. Dan zegt mij: in mijzelf ben ik licht en duister, want uit licht en duister is de totaliteit. Zo licht en duister in mijzelf in evenwicht zijn, zal het geheel evenwichtig zijn, en waar ik in evenwicht ben met de totaliteit ben ik de totaliteit door in licht en duister mijn bestemming te vervullen. In de vervulling hiervan ben ik deel van, en één met, het geheel en realiseer ik mij de hoogste vorm van bestaan.

Dit is weer zuiver kosmische symboliek. Mijn vertaling is bijzonder vrij, zoals u misschien zult begrijpen. De oorspronkelijke tekst stamt van de filosoof Tzen Pu.

  • En de lotus? Is dit geen kosmisch symbool?

Geen kosmisch maar een bewustwordingssymbool: de mens groeit naar de bewustwording van de waarheid, grijpende met zijn wortels naar de modder van het aardse bestaan, drijvende in de wereld van besef, maar langzaam zich tot bloesem ontplooiende in de wereld van de zuivere geest, waarin hij het zonlicht van de goddelijke werkelijkheid erkent.

  • Wat u zo-even vertelde over die Serafim, geldt dat ook voor de Serafims, die stonden op de graftombe van Tut Ankh Ammon?

Neen. De Serafims in de tempel maken deel uit van een bepaalde symboliek, voortkomende uit een geloof. Bij de graftombe van Tut Ankh Ammon vinden wij inderdaad gevleugelde wachters. Maar dezen, soms geheel menselijk, soms als dier met mensenhoofd of mens met dierenhoofd afgebeeld, zijn een weergave van natuurlijke en geestelijke waarden als eenheid. In dergelijke afbeeldingen vloeien dan de krachten van de beide weergegeven werelden samen als bescherming voor eenieder, die als het ware onder de vleugels wil schuilen. Vandaar ook dat u bij de oude steden in het Oosten altijd weer ingelegd of geschilderd dergelijke figuren zult aantreffen, nabij de poorten. Zij zijn de gevleugelde wachters, die boze geesten en vijanden ver moeten houden. Vergelijk de tempelwachters (beelden) die u aantreft bij tempels in Java en Bali. Deze figuren zijn soms, maar zelden, gevleugeld. Zij dragen echter steeds symbolen van hun bovenaardse, of goddelijke oorsprong, en dienen boze geesten en vijanden te weren van heilige plaatsen. Bij Tut ging het dus om bescherming. Bovendien moet ik u erop wijzen dat het een grote fout is om aan te nemen, dat soortgelijke voorstellingen in alle tijden en bij alle volkeren een gelijke symbolische betekenis zullen hebben. Dit is wel mogelijk, maar in de praktijk komen de voorstellingen eerst tot stand, worden dan tot symbool van iets, waarnaar de oorspronkelijke voorstelling verfijnd en aangepast wordt, soms tot zij een waarlijk kosmisch symbool zijn geworden.

Verder wil ik nog opmerken, dat Tut Ankh Ammon eigenlijk als farao maar een arme, domme zwakkeling was, die in feite niets te betekenen had. Hij werd geheel door zijn moeder en haar kliek gedomineerd en ging onmiddellijk ter ziele, toen hij dit trachtte te veranderen. Hij was als persoon een onbetekenend iemand, die zeker geen groot magisch of geestelijk bewustzijn bezat.

Wij kunnen dan ook wel stellen, dat de bekendheid van Tut Ankh Ammon in deze dagen te danken is aan het feit, dat hij eens zo onbelangrijk was, dat zijn grafgift in verhouding tot die van andere vorsten maar zeer klein was. Hierdoor werd naar zijn graf niet zo ijverig gezocht en konden egyptologen de eersten zijn om zijn graf te openen.

  • Iemand die vermoord wordt, moet toch niet zo onbetekenend geweest zijn, als u dit voorstel

Zolang er een farao is, kan geen ander de trouw en gehoorzaamheid, aan deze rang verschuldigd, ontvangen. Of de man nu belangrijk was of niet, hij werd vaak vermoord, omdat alleen op deze wijze een bepaalde hofkliek haar eigen zienswijze kon doorzetten en een eigen pretendent (uit het geslacht van de farao natuurlijk) op de troon brengen. Onaangename en onbelangrijke vorsten hadden meestal minder trouwe dienaren en vrienden en werden in  verhouding op jongere leeftijd omgebracht, meestal door vergif en de daaropvolgende ‘geneeskundige behandeling’, waarbij trepanatie werd uitgevoerd.

  • Sinds Blavatsky en de brieven van de Meesters is veel gesproken over planeetketens enz. Bestaat in uw sfeer materiaal omtrent dergelijke evolutieketens?

Eenvoudig gezegd: Op bepaalde planeten speelt zich een evolutie af. Zodra de planeet een geestelijke of technische top bereikt, ontstaan problemen, welke kunnen voeren tot verval en chaos. Het onmiddellijke resultaat is vaak, nadat het proces zich ettelijke malen heeft voltrokken, een ras, dat niet meer levensvatbaar is. In andere gevallen, vooral wanneer de laatste ontwikkelingen vallen in een technische periode, wordt de gehele planeet onbewoonbaar of zelfs vernietigd. Entiteiten van deze planeten, die nog verder moeten incarneren, zullen daartoe een planeet moeten zoeken, die voor hun doeleinden voldoende geschikt zal zijn. Op de nieuwe planeet begint het proces dan vaak van voren af aan. Maar er bestaan vaak vele en soms zeer intense bindingen tussen degenen, die op de oude planeet hun bewustwording in de stof konden beëindigen en de incarnerenden. Het gevolg is, dat de geesten die in wezen tot de oude planeet behoren op de nieuwe planeet vooral in de beginperiode op plegen te treden als geestelijke leiders, helpers en opvoeders. Dergelijke ‘verhuizingen’ zullen altijd aan de omgeving van de oude planeet de voorkeur geven, zodat, waar dit mogelijk is, de nieuwe planeet in hetzelfde zonnestelsel ligt, in andere gevallen zo dicht mogelijk daarbij. Ik kan u geen redenen geven Voor deze kennelijk steeds weer optredende beperking in ruimtelijk opzicht bij de keuze van een nieuwe planeet. Binnen een zonnestelsel zou men nog kunnen stellen, dat er sprake is van een geestelijke band met de geest van de moederzon. De ervaring leert ons, dat dergelijke processen zich zowel in uw eigen zonnestelsel als in vele andere zonnestelsels hebben afgespeeld.

En hiermede wil ik gaan besluiten. Uit uw vragen heb ik wel gezien, dat mijn onderwerp u interesseerde, ofschoon u het kennelijk niet allen onmiddellijk hebt begrepen en kunnen volgen.

Voor ik eindig echter nog het volgende:  Symbolen zijn mooi, wanneer wij hun betekenis precies begrijpen, of door beschouwing kunnen leren kennen. Wij moeten echter voorzichtig blijven met het als algemene waarde stellen van symbolen. Ik heb dit zelf in enkele gevallen gedaan vanavond. Ik deed dit, omdat in genoemde gevallen werd uitgegaan van een bepaald in de gehele mensheid levend besef, dat met een bepaalde voorstelling juist werd weergegeven, en bij alle mensen ongeveer dezelfde associaties zou kunnen oproepen. Dit betekent echter nog niet, dat er geen andere voorstellingen bestaan, waarmede hetzelfde kan worden weergegeven. De levensboom werd door mij aangehaald als kosmisch symbool om haar betekenis in de oorspronkelijke voorstelling, waarbij de meer meetkundige figuur is verwerkt in de takken van een boom. Hierbij zijn associaties mogelijk, mede door de erbij gevoegde letterwaarden.

Algemeen gesproken kunnen wij zeggen, dat het symbool het kortschrift van weten en besef vormt. Zoals men in de wiskunde met één enkele formule eindeloze onderzoekingen, discussies en gedachten kan samenvatten, zo is het symbool steeds weer een samenvatting van vele beschouwingen, redeneringen, stellingen en kennis, neergelegd in een beeld, waardoor het geheel met zijn conclusies hervonden kan worden. Dit betekent, dat wij eigenlijk altijd zouden moeten weten, wat de basis van het symbool is, tenzij het oerwaarden van de mensheid voorstelt op een voor alle mensen door natuurlijke associatie te beseffen wijze. Werp u echter liever niet al te fel op de symboliek en zo u dit al doet: Begrijp de beperktheid van uw eigen symbolen.

Maak onderscheid tussen die symbolen, die een relatie tussen de mens en iets anders direct weergeven en de symbolen, waarin een bepaalde ontwikkeling wordt gestipuleerd. Deze laatsten zijn filosofisch en kunnen slechts dienen als punt van uitgang voor persoonlijke bespiegelingen.

Blijkt, dat binnen het symbool of een symboolsysteem zonder meer wordt aangenomen, dat bepaalde krachten gegeven worden of verdiend zullen worden, zonder dat hiervoor een verdere rechtvaardiging wordt gegeven, dient men aan te nemen, dat het symbool van godsdienstige aard is en alleen voor de gelovige waarde zal hebben. Met dit besef is het eenvoudiger, een onderscheid te maken tussen symbolen, die menselijk, verstandelijk of gevoelsmatig voor het ik bruikbaar en hanteerbaar zijn, en die symbolen, die voor het Ik geen werkelijke betekenis hebben. U voorkomt dan een onnodige verspilling van krachten en energie aan dingen, die u uiteindelijk toch niets te zeggen hebben. En wat uzelf betreft: gebruik alstublieft niet te veel symbolen. Maar indien er in u beelden leven, die voor u belangrijk zijn in het leven, zult u er goed aan doen hiervoor een symbool te zoeken, dat zo eenvoudig is, dat u het neer kunt krabbelen op een stukje papier met gesloten ogen, wanneer het nodig mocht zijn. Overweeg de keuze van het symbool goed en bezie daarbij alles, wat u daarmede wilt uitdrukken. U hebt dan op een eenvoudige wijze eigen beleven, eigen weten en conclusies samengevat en zult bij het beschouwen van het symbool in staat zijn het geheel van de daaraan verbonden waarden onmiddellijk en geheel weer te beseffen. U kunt dan over alle delen van het geheel beschikken, zonder dat eerst weer een proces van beredenering en afleiding plaats hoeft te vinden.

Symbolen zijn eigenlijk sleutels tot een deel van het besef. Dit vooral is de reden, dat men symbolen, zegels, talismans e.d., ook zonder de invloed van het bijgeloof is blijven hanteren in vele groepen. Want het symbool is het kortschrift van eigen bewustzijn en kosmische erkenning.

Daarom raad ik ook aan, wanneer u zeer belangrijke dingen hebt, die u steeds weer bij de hand wilt hebben, zij het gevoelens, feitenmateriaal of iets anders: Maak er wel overdacht een symbool voor. Het zal u veel tijd en moeite besparen. Voor u is dit waarschijnlijk voorlopig het belangrijkste, wat de symboliek aan praktische waarde voor u inhouden kan.

image_pdf