Kosmische tendensen in het humanisme

U moet goed begrijpen dat het humanisme een verzamelnaam is. Als wij ver terug willen gaan, dan kunnen wij zelfs humanistische tendensen vinden vooral bij de Grieken. Wij kunnen zeggen, dat er in de middeleeuwen reeds zeer veel humanistische denkwijzen bestonden. In de moderne tijd denkt men: Ach, het humanisme, dat is iets waarin ze zeggen: een mens moet goed zijn, omdat hij mens is. Nu kan ik het met die denkrichtingen eens zijn wat hun stelling betreft, maar ik geloof niet dat wij die als exclusief humanistische groepen kunnen beschouwen. Laten wij proberen ‑ willen wij de kosmische betekenis ervan een beetje begrijpen ‑ eerst eens te zien wat er eigenlijk met het humanisme is gebeurd.

Ik wil de oude filosofen even overslaan (het geheel komt overigens uit de z.g. Arische cultuur voort) en beginnen zo omstreeks 1600 – 1700. Eigenlijk al iets vroeger, want Paracelsus bv. kunnen wij reeds als een humanist beschouwen.

De kerk had een aantal stellingen. Deze kwamen hierop neer:

De mens is op aarde om te lijden en te geloven en zo in duldzaamheid het hemelrijk voor zich te verwerven. Zij zeiden het dan niet precies met zoveel woorden, maar daar kwam het wel op neer. Dat betekende dus, dat de mens kritiekloos alles maar moest aanvaarden, dat hij geen recht had om voor zichzelf op deze wereld ook maar iets na te streven wat hij leuk vond. Het ging er niet om wat hij zelf voelde als juist; het ging erom wat de kerk zei.

Als wij nu te maken krijgen met humanisten, dan zijn dat mensen die zeggen: Ik vind dat allemaal wel leuk wat jullie zeggen, maar hoe zit dat nu eigenlijk in elkaar? De eerste humanisten waren mensen, die geloofsstellingen (de geloofsleer) filosofisch probeerden te verklaren en te ontleden. Zij waren zeker niet ‑ en dat moeten we wel uitdrukkelijk stellen ‑ mensen, die niet in een God geloofden. Zij waren eenvoudig mensen, die zeiden: Onze relatie met de kosmos is een andere dan die de kerk stelt, want de feiten wijzen het uit.

Laten wij nu eens kijken hoe die geloofstellingen dan moeten worden geïnterpreteerd om nog wat dichter bij de werkelijkheid van ons leven te komen.

Dit was een heel grote stap vooruit. Het Vissen‑tijdperk had geleid tot een slaafse aanvaarding van een dictum van een paar z.g. deskundigen. De mensen, die geloofden, waren in wezen onderworpen aan een willekeur, die hun geweten, hun vermogen tot denken aan banden legde.

Nu komen hier de eerste filosofische humanisten. Erasmus is er een van. Spinoza is de grotere, hij komt iets later. Hier krijgen wij dan te maken met het denkbeeld: wij moeten God en alles wat er over God wordt verteld in relatie kunnen brengen met onszelf. Deze aarde is niet een soort wachtkamer van een tandarts, waarin iedereen zit te wachten totdat hij van pijn bevrijd de eeuwige zaligheid kan binnen dartelen. Zo gaan deze denkers dus stellingen opbouwen, waarin de mens eigenlijk meer centraal komt te staan. De mens is niet meer alleen het schepsel Gods dat krachtens zijn rede meer dan een ander schepsel heeft te gehoorzamen en te geloven. Neen, de mens is een wezen dat uit zichzelf denkend probeert God te benaderen. In kosmische zin is dit erg belangrijk, omdat voor de geest ‑ en ongetwijfeld ook voor de mens ‑ het heel prettig is als je zelf op grond van je ervaringen contact met het Oneindige kunt vinden.

Wij vinden dan ook bij de eerste humanisten veel mystici. Maar mystici die hun ervaringen niet meer beschouwen als iets wat door God wordt geregeerd zonder meer, maar die zich afvragen: Waar komt het vandaan? Wat betekent het?

Dan vinden wij mensen, die proberen de menselijke samenleving a.h.w mede filosofisch te ontleden. De relatie van maatschappij en God wordt dan eveneens gedefinieerd. Op den duur komt men tot de conclusie (ik kan hier natuurlijk niet alle fasen helemaal gaan behandelen) dat de mens deel is van de natuur. Rousseau is onder meer een van degenen, die in dit opzicht voor de humanisten heel erg belangrijk is. Deze filosofen stelden: Het is de natuur waarvan wij deel zijn. De natuur is de goddelijke schepping als men het zo wil zeggen, maar het is vooral onze wereld. Wij moeten leven in overeenstemming met de natuur. Wij kunnen ons niet losmaken van het feit, dat wij deel van de natuur zijn. Je kunt nu wel vertellen dat God dit of dat eist, maar dat is absoluut onlogisch want dan had hij ons eenvoudig niet neergezet in de wereld zoals Hij die heeft geschapen. Wij zijn deel van de schepping, wij staan er niet boven. Wij behoren ook bij de beestjes. Daardoor begint men ook met de logica te werken. Dat is een nieuwe omwenteling, die weer heel belangrijk is al zit daar eigenlijk ook wel weer een haakje aan.

Als ik logisch denk, dan ga ik uit van alle mij bekende feiten. Als God wil dat ik meer aanvaard dan de door mij erkende feiten en mijn interpretatie daarvan, dan is het Zijn volste recht. Het is Zijn macht, Zijn kracht om in mij of buiten mij de gegevens te verstrekken, waardoor ik mijn logische gedachtegang verder kan voortzetten in de richting van hetgeen God wil. En als dat niet zo is, waar is dan de reden dat men beweert “dit is Gods wil”, of: “zo is het lot van de mens.” Daarmee gaat de mens dus zijn eigen waarde beter beseffen, maar ook zijn persoonlijke verplichting, zijn aansprakelijkheid. O zeker, in deze tijd is er nog een groot tekort aan begrip voor persoonlijke verplichting, voor persoonlijke aansprakelijkheid, dat geef ik toe. Vaak toch zijn het die mensen geweest, die hiermee een begin hebben gemaakt.

Zij hebben gezegd: Je bent mens. Je bent als mens deel van de natuur. Je gehele omgeving is gebaseerd op een aantal feiten, die vanuit menselijk standpunt een logische samenhang hebben. Indien deze samenhang in de feitelijke wereld niet wordt bestreden, weiger ik om een ander soort logica toe te passen voor het bovennatuurlijke. Ik wil eventueel het bovennatuurlijke aanvaarden, maar mijn eigen gedrag kan slechts gebaseerd zijn op de logica van mijn persoonlijk bestaan.

Voor een geest betekent dit, dat zij niet meer wacht. Het idee van wachten totdat God je binnenleidt in het eeuwige rijk of je door een schop tegen het geestelijk achterwerk naar lagere, hetere regionen zendt, dat is voorbij. Ik ben. Ik, mens, sta tegenover God. Wat God met mij doet, dat is Zijn zaak. Maar ik als mens moet leven vanuit mijn mogelijkheid, mijn benadering van God en van de gehele wereld. In deze tijd komen er dan ook mensen die zeggen: Ja, maar die God waarover jullie praten, dat is niets. Ik geloof, dat dat ook wel erg nuttig is. Weet u, de meeste mensen vereren goden, die zijzelf hebben gemaakt en ik meen, dat de christenen daarop geen uitzondering maken. Het gaat er niet om wat achter die God of in die God verborgen zit maar het gaat doodgewoon om datgene,wat zij vereren, om de denkbeelden die zij hebben.

Als u bv. Afrikaanse christenen en Nederlandse christenen neemt, dan ziet u twee volkomen verschillende Godsvoorstellingen, twee totaal verschillende denkwerelden, een geheel verschillende geloofsbenadering, een geheel andere gedachtebenadering van die godsdienst. Moet men dan nog zeggen, dat het een geheel is? Ja, natuurlijk, het wordt u verteld., het is een geheel, Rome is een heilige kerk en het christendom ‑ ook na de Reformatie ‑ is in wezen een geheel waarbij allen verbonden worden door Christus. En dan vergeten zij er maar bij dat Christus in bepaalde negergroeperingen meer wordt beschouwd als een soort heilige sjamaan, een toverdokter, die alles goed maakt en die als helpers zijn apostelen heeft en bovendien nog een stelletje evangelisten, want die worden ook vereerd. Dan zeggen zij: Marcus, Lucas, Johannes komen tezamen en die zullen met Paulus ons wel eens even helpen om te bereiken wat wij zelf niet kunnen.

Deze grote verschillen in denken en in geloof moeten wij gewoon erkennen. Het is geen kwestie meer van: Hoe kunnen wij de schijn van eenheid bewaren? Het is een kwestie van: Hoe sta ik tegenover het leven? De humanisten van het einde van de 19e eeuw zijn zover gekomen dat zij zeggen: Wat weet ik van God af? God is geen logisch wezen. Ik ga uit van de natuur, van het denken van de mens. Ik wil dichter bij de natuur leven. Ofschoon tegen het einde van de 19e eeuw de mens al heeft geleerd, dat dat meestal een illusie is. Maar zelfs dan zien wij nog de trek naar de natuur. Het is ook opvallend, dat juist in die periode jeugdbewegingen bloeien met humanistische achtergronden en tendensen, die de jongeren voortdurend naar buiten brengen, in de natuur laten spelen, laten zoeken naar een beetje betekenis. De christenen hebben dat overigens. Zij hebben bv. van de Dageraad een z.g. fascistische jongerenbeweging (jongens en meisjes) gemaakt en onmiddellijk komen de katholieken met de Graalmeisjes en de Graalridders. De ridders zijn snel gesneuveld, de meisjes hebben het een tijdje volgehouden. Typerend, hier imiteert het geloof in wezen de ontwikkeling van het humanisme, waardoor een totaal nieuwe maatschappelijke benadering ontstaat. Ook het sociaal denken, zoals u dat tegenwoordig waarschijnlijk heel normaal vindt, is gebaseerd op humanisme en niet op het christendom.

Het christendom is in wezen eigenlijk nog een beetje het gevoel van “Wij zijn verplicht als wij het beter hebben voor onze naaste te zorgen”. Met andere woorden: de liefdadigheid. Daartegenover stelt het humanisme de solidariteit. Een gevoel van verbondenheid dat in zichzelf reden is voor een bepaald gedrag, terwijl de liefdadigheid van het christendom ergens toch wel een kwestie is van “ach, voor een paar gulden kun je een hoop eeuwige zaligheid kopen”.

Als je ziet hoe het humanisme verder gaat, dan ontdek je dat steeds meer mensen beginnen te beseffen (in de godsdienst en ook bij degenen die het bestaan van God willen loochenen,  de activisten e.d.), dat de mens zelf een waardigheid heeft. Je kunt niet mens zijn zonder gelijktijdig aan bepaalde normen te voldoen. Er is geen goddelijke norm voor het mens‑zijn, geen scheppende norm waaraan je niets kunt doen. Neen, er is een persoonlijke erkenning van leven, van maatschappij en eventueel van eeuwigheid waarop je je leven en denken baseert. Dit houdt in, dat een geest die overgaat in een heel andere positie komt te staan. Zeker, de engelenkoren zijn afgeschaft. Vroeger waren ze er ook niet, maar zij werden als illusie in stand gehouden om degenen die binnenkwamen tenminste een beetje op hun gemak te stellen. Nu treffen wij soms nog enkele van die gevallen aan, maar dat zijn niet zo gek veel meer. Het is nu een kwestie van: heb ik contact met een mens? Kan ik reageren, kan ik ook beantwoorden aan bepaalde eisen van waardigheid? Kan ik begrip hebben voor een coöperatief principe? Als je dat hebt, dan kun je ook een harmonie aanvaarden. Dan verwacht je geen openbaringen. Je wilt geen filosofische beschouwingen meer. Neen, je wilt een praktische uitwisseling.

U zou kunnen zeggen, dat het humanisme geëvolueerd is uit een Olympisch denken, waarbij de goden representanten worden van de mensenwereld via een vroeg‑alchemistisch en filosofisch denken waarbij later de oude filosofen opnieuw worden ontdekt. Als Aristoteles enz. weer gaan meetellen, dan hebben wij inderdaad te maken met – wat wij noemen -humanistische ontwikkeling. Vandaaruit komt men langzaam maar zeker tot de feiten.

Nu is de kosmos met alle illusies, die daarin voor de mens kunnen bestaan, toch een wereld van feiten. Wij kunnen grijpen naar een groot aantal waarden (Oud‑Indische geschriften bv.) om daardoor ons denken te verscherpen. Wij kunnen grijpen naar verschillende filosofen zoals Nietzsche, Kant, Schlegel, Schopenhauer, alleen maar om te leren hoe wij zouden kunnen denken. Maar wij zijn het die denken. Wij beginnen te begrijpen dat wij zelf het middelpunt zijn van een kosmische werkelijkheid. En door dit besef wordt ons reageren op alle tendensen, die uit de kosmos komen (hoog‑geestelijke zowel als de meer materiële, ook de persoonlijke) bewuster. Het is niet meer God zendt mij; of: ik hoor een paar engelen tot mij zeggen, maar doodgewoon: ik heb in mij gevoeld en begrepen; desnoods: ik heb in mij een God gevonden. Maar niet meer het idee: er zijn machten buiten mij die mij manipuleren. De materie zelf kent machten genoeg die je manipuleren. Daar behoef je niet nog een paar geestelijke krachten bij te scheppen. Dit is van belang, niet alleen voor de mensheid of voor de enkele mens, maar ook voor het geheel dat die mensheid geestelijk representeert.

Men heeft wel eens gezegd (het is een mooie beeldspraak): Eens was het de Rode Adam. Een deel van zijn substantie verloor hij aan de duivel en de Rode Adam viel uiteen. Nu moet hij zijn ziel, zijn eenheid weer opbouwen. Ik geloof nu niet, dat die legende helemaal waar is maar ze drukt wel iets uit wat belangrijk is. Alles wat mens is, mens zal zijn, mens is geweest, behoort bij elkaar. Wij hebben als het ware één weg, een gerichtheid om eenheid met de kosmos te vinden. Dat ligt gewoon in onze ontwikkelingsgang. Maar die eenheid kunnen wij nooit bereiken omdat iemand dat van bovenaf zegt. Dat kunnen wij alleen bereiken doordat wij het zelf zijn. Zolang wij steunen op een gezag van bovenaf, zijn wij misschien slaafs. Dat gezag kan dan alleen geschieden door straffen.

Opvallend is b.v. de reactie van het christendom op de ontwikkeling van het humanisme en de verbreiding daarvan. Vroeger ‑ en dat is nog niet eens zo lang geleden ‑ bestond de kerk voor driekwart eigenlijk uit het verkondigen van de straffen, die je zou ondergaan, indien je ongehoorzaam was geweest. Hellepijnen, hellesmarten, wonderlijke openbaringen van verdoemde geesten, de listen van de duivel om de mens te verleiden stonden op het hoofdprogramma. De liefde van de Vader en van Jezus kwamen er dan wel eens een keertje bij, omdat het anders helemaal zo somber werd. Tegenwoordig hoor je de term, dat God liefde is. God is zelfs in het christendom van vandaag iets anders aan het worden voor de mensen. Hij is niet meer de toornige criticaster, de tiran die elk woord dat Hij spreekt volledig waargemaakt wil hebben door de mensen, terwijl Hij gelijktijdig situaties schept waardoor dat moeilijk is. God is nu geworden de instandhoudende liefde. De Christus is niet meer de Verlosser alleen maar van verdoemde zieltjes, die dan uitverkoren door het juiste doopsel en de juiste geloofspraktijk zalig mogen worden. De Christus is ook meer en meer een voorbeeld geworden. Het leven van Jezus betekent niet meer het onbereikbare; het betekent een leidsnoer voor een persoonlijk menselijk bestaan. Dit is van een ontstellend grote betekenis.

Nu heb ik reeds gezegd, dat deze nieuwe reformen het bestaan van een God verwerpen. Ik vind het eigenlijk niet helemaal aanvaardbaar maar dat ligt aan mij. Het ligt niet aan die mensen, want zij kunnen er eerlijk in geloven. Maar is het dan niet belangrijker dat de mensen elkaar helpen, dat zij elkaar psychisch en fysiek steunen en bijstand ge­ven omdat zij mensen zijn, dan dat zij geloven in alle dingen en elkaar in de steek laten? Eenheid omdat je mens bent. Een kosmisch teruggroeien naar de werkelijke broederschap, de werkelijke verwantschap, daar ligt vol­gens mij wel de hoogste kosmische betekenis, die je je maar kunt denken. U zou zeggen: Maar al die humanisten en al hun stellingen, wat moet je daar nu eigenlijk mee beginnen?

Ik geloof dat u een groot gedeelte van hun denkwijzen en stellingen ter kennis moogt nemen omdat ze u interesseren. Maar ik geloof niet dat u zich daardoor mag laten bepalen in wat u gelooft en denkt, wat u verwerpt en wat u aanvaardt. Ik meen eerder dat de mens nuchter, logisch en praktisch moet zijn of hij nu gelooft in een God of niet. Het nuchter, logisch en praktisch denken leert je: als mens kun je alleen bestaan krachtens het bestaan van je medemensen, zonder dat is een menswaardig bestaan niet mogelijk. Daarom moet je je medemensen respecteren, je moet hen helpen, je moet proberen om ook voor hen een menswaardig bestaan mogelijk te maken, omdat alleen op die manier de wereld van de mensen kan voortbestaan, omdat alleen op die manier de mens innerlijk die bevrediging, die rust kan vinden, welke hij nodig heeft omdat alleen op die manier mens‑zijn betekenis heeft. Dat is volgens mij het meest belangrijke.

Ik weet, dat er heel veel tendensen zijn in de richting van het humanisme, die door de humanisten in deze tijd worden verworpen. Toch ontdek ik zelfs in encyclieken, zoals de Humanae vitae, een werkelijk humanistische tendens. Ik hoor in alle argumenten van de politieke partijen voortdurend weer humanistische denkwijzen, alleen men wil het niet erkennen, men is er bang voor. Misschien is ook dat duidelijk als wij begrijpen waarop de maatschappij is gebaseerd.

Een maatschappij is gebaseerd op macht niet op recht. Die macht is in handen gelegd van kleine groepen. Deze groepen danken hun macht aan het bestaan van een bepaalde traditie; een bepaald geloof zou men kunnen zeggen. Als ik denk aan wat enkele vakbondsleiders in Nederland op het ogenblik aan het doen zijn, dan zeg ik niet: dat is een normaal en logisch beantwoorden aan wat voor alle arbeiders goed is. Dan zeg ik: dat is in de eerste plaats een machtsstrijd. Het gaat erom te bewijzen dat zij de macht in handen hebben. Als je het goed nagaat, zijn het in wezen kleine groepen, die zeer grote groepen met allerlei leuzen (vaak zeer realistische) weten mee te slepen.

Datzelfde zie ik elders, als men uitroept dat de heiligheid van het christendom en de katholieke kerk moet worden verdedigd tegen het heidendom, maar vooral tegen de onchristelijke leefwijze; wat u in Spanje kunt horen. Deze mensen denken heus niet zo inhumaan, als u misschien zoudt veronderstellen. U zou zelfs kunnen zeggen, dat ook Thieu ergens humanistische denkwijzen heeft, want dat is de hele wereld al doorgetrokken. Alleen, voor hem is de macht belangrijk. Zodra het gaat om de macht, vergeet men wat men daaraan opoffert, dan geeft het niet meer wat de kosten zijn. Of je een heel land uitroeit, vrouwen en kinderen doodbombardeert, de wereldzeeën vergiftigt of de plantengroei zodanig vernietigt met de gassen die worden uitgewalmd dat de mensen op den duur geen menswaardig bestaan meer hebben, daar denk je niet aan zodra het gaat om macht. Laten we dat goed begrijpen. Die machtsdrift kan het best worden gebroken juist door het humanisme.

Het denken aan de mens als een medemens. Het denken aan jezelf niet als iemand die slechts heeft te gehoorzamen, maar iemand die voortdurend aansprakelijk is voor zichzelf, die zich niet alleen op zijn denken en geloof mag beroepen, maar die zich ook moet beroepen op de logische feiten, die de consequenties van zijn daden heeft te aanvaarden en ze niet kan afschuiven naar een ander. Als dat werkelijk wordt begrepen, zullen er misschien minder soldaten komen en minder mensen, die het volk wel oven zullen vertellen wat goed voor hen is. Dan komt er wel meer wanorde, maar uit die wanorde komt dan de werkelijke menselijke samenleving. Een samenleving waarin je bv. niet voorzichtig rijdt in een stad, omdat je anders wordt bekeurd, maar omdat je weet dat je als mens tegenover een medemens een verantwoordelijkheid hebt. Dan is het geen kwestie meer van iemand helpen omdat je nu toevallig bent aangesteld om dat te doen. Maar dan help je een ander omdat jij een mens bent en die ander een mens is. En omdat het mens‑zijn van beiden een samenwerking vergt, waardoor gezamenlijk voor beiden het beste tot stand wordt gebracht.

Ik zou eraan willen toevoegen, dat er zoveel elementen van tendensen van Aquarius in de meer moderne vormen van humanistisch denken aanwezig zijn dat het bijna onvermijdelijk is dat het humanistisch denken, de humanistische gang van zaken ook in de toekomst een steeds sterkere nadruk krijgt. Ik betreur het niet, dat men aan onderontwikkelde landen steun geeft. Maar wat ik heel erg betreur is, dat dit gaat uit zakelijk overwegingen of krachtens bepaalde religieuze groeperingen. Ik meen, dat hulp gegeven moet worden van mens tot mens, basta.

Als dat waar zou kunnen worden dat mensen elkaar helpen, omdat zij in de ander de mens zien, dat mensen elkaar aanvaarden en ook verdragen, omdat zij begrijpen wat mens‑zijn betekent, zouden wij dan niet een werkelijk kosmische verruiming van begrip hebben gevonden, waardoor de mensheid een nieuwe fase van haar bestaan kan beginnen. Het is een retorische vraag. Mijn antwoord is: ja. Wat het uwe is, moet u maar zelf uitmaken.

U heeft in dit onderwerp als basis gesteld de “kosmische” betekenis van het humanisme. Dan kan ik u alleen maar zeggen, dat dit steeds meer zoeken naar de mens, de betekenis van de mens, het ontdoen van de wereld van allerhande dwingende invloeden uit het paranormale, die in wezen voor de mens niet bestaan en daarvoor in de plaats het stellen van erkende relaties tussen mensen, dwingend en niet dwingend,dat dat humanisme is.

Wij zijn zo geneigd onze eigen voorstellingen van het een of ander te leggen. Wij zeggen doodgewoon: Iemand is zo. Dat is nooit waar. Wij moeten eerst kennis nemen van de stelling en daarna nog van de mens. Pas dan kunnen wij weten wat bepaalde stellingen in een bepaalde vorm voor een bepaalde mens betekenen.

Het humanisme streeft wel degelijk naar eenheid onder de mensen, maar dat mag geen eenheid zijn die gebaseerd is op het egaliseren en normaliseren totdat die met een DIN‑nummer kan worden aangeduid, bij wijze van spreken. Het gaat hier juist om de menselijke veelzijdigheid in stand te houden. Die menselijke veelzijdigheid kun je alleen bereiken, in­dien je aan elke mens het recht toekent zelf te denken. Als u voor uzelf elk geloof en elke filosofie, zoals ook de woorden die wij hier spreken, kritisch durft beschouwen en dat u niet zegt: De geest heeft dit gezegd, dat is waar; of: dat is niet waar, want de geest heeft het gezegd. Gaat u zich eens afvragen: Zit er wat in? Je moet zelf leven, je moet zelf werken. Degenen die begonnen zijn met zich af te vragen: Wat is de verkla­ring van de verschijnselen die wij rond ons zien, zijn de eerste humanisten geweest. Zij hebben zich afgevraagd: Hoe zit het met alle artikelen van het geloof? Zij zijn de humanisten, die de mens proberen vrij te maken. Zij zeggen: Achter de filosofie moet een feitelijke achtergrond liggen. Waarom? Hoe? Dat zijn humanisten. De humanisten zijn degenen die zoeken naar de kern der dingen, die proberen alles wat zij daaromtrent in en vanuit zich ervaren in harmonie verder te ontwikkelen, verder tot stand te brengen. Dat is juist een van de redenen waarom wij dit onderwerp, toen het ons werd voorgesteld niet hebben verworpen. want hier zit iets in dat inderdaad een alomvattende betekenis heeft voor de geest in zijn hoogste elementen zowel als voor de materie. Het is in vrijheid samengaan. Het is in vrije en wederkerige ervaring en aanvaarding datgene tot stand brengen wat men tezamen noodzakelijk of wenselijk acht. Het is niet anderen dwingen, maar in vrijheid samenwerken. Dat is het belangrijkste in de kosmos. Of u gelooft in God of niet. Wij zijn het, dat weten we nu en als u doodgaat, merkt u heus wel dat wij bestaan. Ook als u het niet heeft geloofd op aarde. Als wij zeggen: Er is geen God, dan zal er toch een ogenblik zijn, dat wij met iets worden geconfronteerd wat voor ons dan toch God is.

En dan kunnen wij wachten totdat het zover is. Maar wat wij niet kunnen laten wachten dat is wat wij nu zijn. Want wat wij nu zijn, dat is het meest belangrijke voor ons. Wat wij nu zijn, wat wij nu denken, wat wij nu kunnen betekenen in de wereld. De betekenis als mens die je hebt, dat is belangrijk, dat kan niet wachten.

Het is daarom dat ik het humanisme zeer hoog aansla. Ik meen, dat het ook in deze tijd ‑ en zeker in de Aquarius-ontwikkeling ‑ een beduidende, om niet te zeggen misschien zelfs dominerende rol speelt. Een rol, die niets meer heeft te maken met denkbeelden van morele herbewapening en dergelijke, maar die zuiver te maken heeft met het menselijk worden van de mens tegenover de mens. Het terzijde stellen van ideëel concurrentie om daardoor te komen tot een praktische samenwerking.