Kosmische werkingen

uit de cursus ‘Kosmische aspecten’ (hoofdstuk 1) – oktober 1971

Inleiding

Rond ons is een voor ons onbekend gebied. Wij noemen dat gebied de Kosmos. Wij nemen aan dat het een geheel is. In deze onbekende werkelijkheid, waarin de aarde rondtolt, zijn entiteiten, zijn krachten, zijn grote invloeden. En al deze tezamen hebben invloed op het leven van de mens, maar evengoed op bepaalde geestelijke facetten van het bestaan. Zij kunnen de mens stoffelijk beïnvloeden. Het is daarom belangrijk, dat wij rekening houden met alles wat die kosmos brengt.
Er zijn voortdurend vele relaties tussen de mens en de kosmos maar de doorsnee mens heeft geleerd deze te zien als een normaal deel van het stoffelijke, het aardse milieu.
Wij zullen in deze cursus proberen om juist die kosmische invloeden iets duidelijker af te tekenen tegen de normale milieuomstandigheden van de aardse mens. Daarnaast zullen wij trachten de nadruk te leggen op de persoonlijke contacten, die er kunnen bestaan tussen deze onbekende invloeden, krachten en persoonlijkheden ergens in het onbekende en de mens, die te midden van een enorme krioelende hoop mensheid op aarde bestaat.
Wij zullen beginnen met aan te tonen dat een persoonlijke relatie tussen de mens en het onbekende denkbaar is.

Kosmische werkingen

Het ‘ik’ van de mens kent een groot aantal verschillende facetten. Daarbij zijn er verscheidene van zuiver materiële aard, er zijn er van mentale aard en daarnaast zijn er nog bovenbewuste en onderbewuste invloeden. Er zijn geestelijke contacten mogelijk. Bovendien heeft het ‘ik’ van de mens, dat nu eenmaal geestelijke voertuigen mee bevat, een relatie met verschillende sferen. Hierdoor zijn zuiver persoonlijke ervaringen voor de mens geen uitzondering. Ervaringen, waarin hij dus met ongeziene, z.g. paranormale of bovennatuurlijke, invloeden te maken krijgt.
In de kosmos nu zijn er een aantal krachten, die wij ‑ bezien vanuit een menselijk standpunt ‑ het best nog met persoonlijkheden kunnen omschrijven. Ofschoon hun wezen ruimtelijk niet volledig omschreven kan worden, hun persoonlijkheid meer dimensies omvat dan de door de mens gekende, hebben zij nl. iets wat op denken gelijkt. Zij hebben een enorm vermogen tot invoelen of sympathie en kunnen contact opnemen met grote delen van de ruimte, met andere persoonlijkheden van hun eigen soort, maar ook met alle andere wezens, waarin het denkend vermogen zich ontwikkeld heeft. Dit is een stelling. Bewijsbaar is ze niet. Maar indien wij uitgaan van dit voor het doel van deze lezing als axioma gestelde, dan kunnen wij de volgende feiten onder ogen zien:

  1. Mensen zullen soms, zonder dat ze weten hoe of waarom, in zeer korte tijd niet alleen hun lot maar ook hun gedrag zeer sterk zien wijzigen. Vaak zijn ze zich daarvan op dat ogenblik niet bewust maar zien ze later met enige verwondering terug naar die periode, die ‑ zoals ze dan zeggen ‑ voor hun leven bepalend is geweest.
  2. Mensen hebben vaak inzichten, die het menselijke ver te boven gaan. Zij komen met denkbeelden, die gedurende een lange tijd door eenieder zullen worden verworpen als zijnde onmogelijk en fantastisch. Toch blijkt soms zeer lange tijd later dat zij gelijk hebben gehad. In dit verband wil ik u wijzen op de Chinese dichter Liem Pioe, die in 3700 v. Chr. een gedicht schreef waarin hij het had over ‘de wervelende zonnen verborgen in de materie’. Hij heeft het daar kennelijk over het atoom. Men heeft dit als een dichterlijk beeld gezien; het bleek werkelijkheid te zijn.
  3. Eenieder, die denkt, zal ontdekken dat in zijn denken soms vreemde hiaten voorkomen. Het lijkt of een gedeelte van zijn kennis verdwenen is. Op andere ogenblikken wordt hij overweldigd door een vloed van gegevens en vooral ook van opmerkelijke details, die hem in staat stellen iets duidelijk te beredeneren op een wijze die hij zelf onmogelijk had geacht. Laten wij van deze drie punten uitgaan.

Een mens denkt. Zijn denken betekent voor hem niet harmonie of afstemming maar eenvoudig een realisatie in het ‘ik’ en van het ‘ik’. Hij kan echter nooit denken zonder dat hij de buitenwereld in zijn gedachteleven betrekt. Het is voor een mens onmogelijk zo te denken dat het geheel van de wereld, zoals deze buiten hem bestaat of kan bestaan, buiten beschouwing wordt gelaten. Dit betekent dat zijn aandacht is gericht op een groot aantal feiten en verschijnselen. Die feiten en verschijnselen kunnen op een gegeven ogenblik de aandacht hebben van één van de door ons axiomatisch gestelde kosmische persoonlijkheden. Indien een kosmische persoonlijkheid een gedachtestroom ontdekt, hoe miniem ook, zal ze geneigd zijn daarop te reageren zolang die stroom zich bevindt in een brandpunt van de huidige belangstelling. Als een kosmische kracht aan de aarde denkt en daarmee contact heeft, of zelfs maar met de ruimte rond het zonnestelsel, dan zullen de gedachten van een mens, betrekking hebbend op datgene wat die entiteit op dat moment beweegt, een antwoord uit die entiteit verkrijgen. Dat is praktisch een automatisch beginsel waarbij de bewuste actie van de kosmische persoonlijkheid over het algemeen niet aanwezig is of pas in een veel later stadium kan worden gerealiseerd. Het ‘ik’ kan dus door zijn denken alleen reeds een zekere mate van contact krijgen met een kosmische persoonlijkheid, een kosmische kracht die buiten de wereld staat. Maar dan zal het voorstellingsvermogen van die mens bepalen in hoeverre hij in staat is de indrukken en invloeden, die in het besef van de kosmische persoonlijkheid aanwezig zijn, in zich op te nemen.
Om nu aanvaardbaar te maken dat het persoonlijk contact tussen mens en kosmische kracht of persoonlijkheid mogelijk is, moeten wij aannemen dat vele kosmische krachten te gelegener tijd ‑ soms gelijktijdig, soms misschien in duizenden jaren geen van hen ‑ de aandacht zullen richten op de aarde, op ruimte of op energieën, die zich in de buurt van de mens bevinden.
Nu zou ik hiervoor graag eerst het een en ander willen zeggen over deze kosmische persoonlijkheden. Ik blijf u erop wijzen dat dit een stelling is die volgens mij volledig op feiten berust maar die op aarde onbewijsbaar is en dus ook geen enkel logisch‑wetenschappelijke overtuigingskracht bezit.
Een kosmische kracht of persoonlijkheid die denkt, waarin dus bewuste processen zich afspelen, heeft de neiging zich te oriënteren op massa. Dit in tegenstelling tot alles wat wij weten van bewustzijn onder de mensen. Wij zullen ons echter moeten realiseren dat persoonlijkheden, die het best kunnen worden uitgedrukt als energie, die voor een deel ook in de drie‑dimensionale ruimte mee tot uiting komt en daar contacten heeft, aan andere regels en wetten plegen te. gehoorzamen dan de mens.
Als de aandacht op massa wordt gericht, dan is de kans zeer groot dat die massa zich niet geheel bevindt binnen het u bekende driedimensionale stelsel waarin als vierde factor de z.g. factor ‘tijd’ optreedt. Maar er zijn ogenblikken dat delen van uw ruimte tijdelijk een brandpunt worden omdat in andere dimensies massa of energie (dat is heel moeilijk om dat vanuit stoffelijk standpunt precies te definiëren) in zo grote mate aanwezig is, dat zij zich hiertoe aangetrokken voelt. Zou men een vergelijking met mensen willen maken, dan zou men misschien het best kunnen spreken over de reactie van een mens, die een oploop ziet. Hij ziet vele mensen bijeen en verandert zijn baan en zijn belangstelling omdat hij eerst wil zien wat er in die oploop eigenlijk aan de hand is. Dit is zeer simplistisch en uiteraard niet geheel juist uitgedrukt, maar toch kan men, om er een voorstelling van te krijgen, het gedrag van een kosmische persoonlijkheid hiermee enigszins vergelijken. Waar een grote massa of energie (al dan niet in stoffelijke vorm) aanwezig is, daar zal de aandacht tijdelijk op deze opeenhoping van energie of van massa gevestigd zijn.
De zon is een instabiele ster. Zij heeft de neiging te fluctueren in een ander dimensionaal stelsel. Dat wil dus zeggen dat een deel van de uitstralingen en krachten van de zon mee plaatsvindt in een andere ruimte, die wel tot uw kosmos behoort, maar niet tot de kenbare wereld daarvan. Er zijn daarin vele andere krachten aanwezig. En omdat de ruimtelijke verhoudingen daarin zeer sterk variëren, is het mogelijk dat de kracht van uw zon op een gegeven ogenblik gelijk valt met de kracht van b.v. de kern van het Melkwegstelsel of misschien zelfs met het ontstaan van een nieuwe sterrennevel. Dan zal de aandacht van kosmische persoonlijkheden daarop gericht zijn. In dit gericht‑zijn ontmoeten zij veelal elkaar, maar hun belangstelling is op het verschijnsel gericht. Daarbij zijn natuurlijke ontwikkelingen en krachten voor hen van minder belang. De stem van sterren en planeten wordt verstaan, maar dit behoort tot het normale; het is de normale wereld. En omdat het niet exceptioneel is, zijn juist de betrekkelijk zwakke gedachtepatronen van mensen en andere denkende wezens, soms zelfs van dieren, van bijzonder belang. Het is alsof men onder de microscoop kijkt naar enkele verschijnselen uit het leven van deze grote massa.
Het zal u duidelijk zijn dat hier de aandacht getrokken dient te worden. En waar een gelijkheid van belangstelling of gerichtheid bestaat, op welke wijze of op welk niveau dan ook, daar neemt de kosmische entiteit dit minieme krachtje tijdelijk onder de loep. Er ontstaat dan, wat wij noemen, een contact. Dit contact is moeilijk te omschrijven vanuit menselijk standpunt. Het is geen bezetenheid. Het heeft eigenlijk ook nog niets te maken met gesprek of zelfs met bidden óf een goddelijk antwoord. Het is eerder een tijdelijk aangesloten zijn op een circuit. Als ik een vergelijking mag maken, het is moeilijk dit duidelijk te formuleren: het is alsof u een radio met een enorme bandbreedte heeft en plotseling zeer vele verschillende stations zou kunnen horen. Het feit dat u zelf bent ingesteld in de richting van een van die stations in het bijzonder, betekent dat u de complete uitzending afluistert, ook al is de zender zich daarvan niet bewust en zal het toestel evenmin daarvan besef hebben. Het resultaat is dat u a.h.w. toegang krijgt tot het besef van de kosmische persoonlijkheid maar daaruit alleen kunt aflezen wat voor u verstaanbaar is. Van de andere aanwezige waarden krijgt u soms fragmenten, zonder dat er een samenhangend geheel ontstaat. Daardoor zal een dergelijk contact bij een mens ook aanleiding kunnen geven tot een soort warrigheid. Want de mens is geneigd om dan dergelijke fragmenten in een samenhang te brengen, ofschoon dat niet de originele is.
Vele zogenaamde openbaringen zijn mee hieraan te danken. Op het ogenblik dat het contact bestaat, zal de mens aflezen. En nu krijgen wij een wonderlijk verschijnsel. Als de mens een wens heeft (laten we zeggen om b.v. een betere lucifer te vervaardigen, een doodgewoon ding dus), dan is het beeld van de vele mogelijkheden in die richting aanwezig in de kosmische persoonlijkheid, die een voortdurend contact heeft met zeer vele werelden en een voortdurende belangstelling voor allerlei verschijnselen. De kans is zeer groot dat je dan a.h.w. afleest uit een veelheid van mogelijkheden op welke manier je verlangen verwezenlijkt zou kunnen worden. Je moet dat dan omzetten in zuiver materiële termen.
Op deze wijze kan een uitvinder dus werkelijk geïnspireerd worden. Hij zal zich bij zijn inspiratie laten leiden door de mogelijkheid tot verwezenlijking van dat ogenblik. Het is bekend dat Edison, toen hij de grammofoon uitvond, zich een tijdlang heeft beziggehouden met de vraag of dat op band of op metaal kon worden afgedrukt. Hij had de middelen daartoe niet. De schetsen en tekeningen ‑ een deel daarvan zijn nog in de congresbibliotheek van de Ver. Staten aanwezig ‑ wijzen er echter op dat de man heeft gedacht in de richting van de moderne tape‑recorder. Alleen, hij had het denkbeeld wel, maar hij had de kennis niet om dit te verwezenlijken. Hij wist b.v. niets van lampen; van oscillatoren had hij een beperkte kennis en zo kun je doorgaan. Hij koos dus uit de vele mogelijkheden om geluid te reproduceren, die ene welke voor hem technisch het meest benaderbaar was.
Dit voorbeeld is misschien wel veelzeggend want hoe dikwijls heeft u zelf niet een vraag of een behoefte waarvoor u geen oplossing weet te vinden. Als u nu met een kosmische persoonlijkheid in contact komt, leest u alle mogelijkheden, die daarin bevat zijn, af voor zover ze een oplossing van uw probleem kunnen inhouden. Maar slechts enkele daarvan zijn voor u volledig begrijpelijk. Van die enkele zal er misschien één ‑ en dan nog onder voorbehoud ‑ realiseerbaar zijn.
Uit het hierboven gestelde blijkt dat een kosmische persoonlijkheid zich niet noodzakelijk bewust op een mens behoeft te richten en dat een kosmische invloed niet noodzakelijk van zich uit bewust en overwegend het lot van een mens zal veranderen. In heel veel gevallen is het contact, gezien vanuit de kosmische persoonlijkheid, toevalsprodukt, meer niet. Voor de mens is het echter wel een contact. En soms komt hij ertoe dit contact een mate van wederkerigheid te geven.
Als de mens in zich een besef draagt dat voldoende kosmisch van aard is en dus beantwoordt aan de spelregels, die de kosmische persoonlijkheid kent, dan is het mogelijk dat daarover een soort dialoog ontstaat.
De mens denkt; er ontstaan nieuwe denkbeelden. Deze nieuwe denkbeelden worden weer veranderd en in enkele gevallen kan het zelfs gepaard gaan met bepaalde hallucinaties. Het is, naar ik meen, interessant in dit verband te wijzen op het ontstaan van vele bedevaartplaatsen waar wonderen heten te geschieden. Wij zullen het met elkaar eens zijn dat de verschijning van heiligen en andere voorstellingen nu niet bepaald op waarheid behoeven te berusten. Als wij b.v. de Lourdes-geschiedenissen nemen en wij kijken naar het beeld dat Bernadette beschreef als dat van de H. Maagd, die zij had gezien, zo blijkt dat dit in overeenstemming was met een afbeelding van de H. Maagd, die ongeveer 80 jaar tevoren door een schilder was ontworpen en die in de dorpskerk ter plaatse aanwezig was. Ik meen dat de man er zijn kost mee had betaald.
Hier is het bééld op zichzelf iets wat een hallucinatie kan worden genoemd. Maar daar staat tegenover dat er werkelijke wonderen zijn gebeurd en dat er zekere invloeden aan de plaats kleven, ook al zijn die door de bedevaartgangers voor een groot gedeelte weer verstrooid en van mindere betekenis gemaakt. De waarde, die bij de grot van Lourdes aanwezig is, blijkt in de eerste plaats een sterk suggestieve te zijn. Deze sterk suggestieve waarde neigt in de richting van een gemeenschappelijk bewustzijn dat zich kan ontladen op een of méér personen. In het begin waren er echter niet zoveel personen aanwezig. De eerste bijeenkomst waar een werkelijke genezing zou plaatsvinden van iemand, die ongeneeslijk werd geacht, bedroeg zeker niet meer dan 40 à 50 personen. Toch,geschiedde ‘het wonder’, zoals men het noemt.
Indien wij aannemen, dat het kind Bernadette de behòefte had genezingen of hulp aan mensen tot stand te brengen, dan is de kans zeer groot dat zij hiermee het kosmisch principe van harmonie en evenwicht heeft beroerd, dat voor een kosmische persoonlijkheid van groot belang is. Dan zal de inspiratie ten aanzien van plaats en de wijze van handelen zijn voortgekomen uit de kosmische persoonlijkheid, desnoods als een bewust antwoord. Het kind zal niet geweten hebben hoe dat te vertalen en daardoor is er een soort legende ontstaan. Dit zou onzin lijken indien dergelijke oorden ook niet elders bestonden. Er zijn bepaalde plaatsen waar indianen, negers, ja zelfs Chinezen, Tibetanen en Indiërs samenkomen en waar zij onder heel andere omstandigheden, met een geheel andere geloofsachtergrond, eveneens genezing vinden. Opvallend is wel dat er steeds aan het begin een persoonlijkheid staat, die een visioen heeft gehad of in meditatie verzonken is geweest en daaruit besloten heeft dat deze plaats genezing kon brengen.
Dit voorbeeld maakt alweer duidelijk dat de dialoog niet altijd door de mens verstaan behoeft te worden. Dit is het contact van enkelingen, maar de invloed zal uiteraard ook vaak op de massa zijn gericht.
Nu behoeven wij hier niet speciaal te denken aan een bepaalde bijeenkomst op aarde, maar wij kunnen rustig denken aan de miljarden mensen, die, gezamenlijk dan toch, worden gedreven door bepaalde driften van zelfbehoud, voortplanting, geloof, behoefte tot zelfverheffing. Van een planeet met zoveel denkende wezens gaat een gemiddelde invloed uit. Op die gemiddelde invloed kan de kosmische persoonlijkheid antwoorden. Dat antwoord zal nimmer worden ervaren door de eenling als een zuiver persoonlijk contact maar hij ondergaat de stemmingen ervan. Je zou kunnen zeggen dat een dergelijk contact, door het uitstralen van b.v. wrevel, alle verschijnselen van onbeheerstheid wekt die bekend zijn in de kosmische persoonlijkheid. Dit kaatst terug en sommige mensen reageren erop alsof het een suggestie ware. Ze weten niet dat er een dergelijk contact is.
Maar nu kan er één zijn, die een toppunt van wrevel bereikt; een zodanig zichzelf verliezen in b.v. zelfbeklag, haat tegen de mensheid, dat hierdoor de relatie er niet meer een is met de gehele mensheid maar dat deze persoon tijdelijk gaat optreden als representant van de mensheid. Diens denkbeelden zijn dan bepalend voor de wisselwerking tussen kosmische persoonlijkheid en mensheid. Een dergelijke persoon wordt dan tijdelijk een soort nucleus, een brandpunt van actie. Rond hem speelt zich alles af terwijl hijzelf meestal enigszins onberoerd blijft. De situatie houdt dan in dat de persoon zijn wrevel, haat of angst of wat de originele emotie ook geweest moge zijn, in stand houdt. Op het ogenblik dat deze verandert, verandert ook het contact met de kosmische entiteit en gaat het vaak zeer snel teloor.
Dan begint er nu langzamerhand voor u een beeld te rijzen omtrent de mogelijkheid van een contact met een kosmische persoonlijkheid. Het is niet zo vleiend voor de mens, die ongetwijfeld liever heeft dat de een of andere hoge hemelse geest zich in het bijzonder tot hem alleen zal richten. De werkelijkheid is enigszins anders.
Er is in de kosmos een principe van harmonie; men zegt ook wel eens spiegeling of weerklank. Dat wil zeggen dat gelijke waarden alle zullen reageren, zij het met verschillende invloed en sterkte, op een kracht, die in één van hen optreedt. Het bekende beeld hiervan is de piano. Eén snaar wordt aangeslagen en vele klinken mee. De situatie, waarbij de invloed van een kosmische entiteit (wij hebben het nog steeds over de persoonlijkheden) weerklank vindt en die weerklank velen zal beroeren. Er moet een eerste resonantie zijn. Vanuit deze eerste resonantie volgt een reeks resonanties. Het is onmogelijk dat een invloed die haar gelijke hetzij in inhoud, hetzij in kracht ergens in het Al aantreft, haar persoonlijk beleven niet daarin projecteert. Ook dit is een stelling maar deze zal, gezien de ontwikkeling van de moderne psychologie en parapsychologie, waarschijnlijk dichter bij de bewijsbaarheid staan dan het voorgaande.
Nu hebben wij nog niet gesproken over kosmische .krachten. Er zijn krachten, die niet beantwoorden aan het menselijke beeld van persoonlijkheid. Ze zijn energie met een specifieke eigenschap. Zij bewegen zich vaak door de ruimte en zouden misschien nog het best vergeleken kunnen worden met een soort magnetische of elektronische wervelstormen, dit voor zover hun uiting in de u bekende ruimte in het geding is. Dergelijke krachten stralen ook energie uit en deze zal eenieder beroeren, die daarmee in contact komt. Wanneer zij werkzaam zijn op een bepaald terrein, dan zal de omgeving, de gehele ruimte, een soort inductieproces mogelijk maken. Indien er zich in die ruimte massa bevindt, die binnen de inductiegrens is, zal daarin de kracht, die dus in de kosmische kracht zelf aanwezig is, gaan pulseren en wel in overeenstemming met de transmissie‑mogelijkheid.
Dit klinkt erg ingewikkeld maar denkt u aan een gewone transformator. Je stopt er 220 volt in en er komt 6 volt uit. Dat is te danken aan het verschil tussen primaire en secundaire wikkelingen. Zo zou je kunnen zeggen dat het verschil tussen energie, de energetische mogelijkheid van een mens en een kosmische kracht a.h.w. het hoge voltage van deze kracht ergens reduceert totdat ze voor de mens nog net dragelijk is.
Indien een dergelijke kracht de mens beroert, dan zal dat niet op bewust niveau geschieden. Er is geen sprake van iets waarop geestelijk kan worden gereageerd. Er is sprake van iets wat mentaal kan worden geconstateerd, maar waarbij een dialoog of interpretatie zelfs heel moeilijk valt. De eerste reactie ligt hier voor de mens in het lichaam zelf.
Wij kunnen constateren dat veranderingen van dergelijke kosmische omstandigheden bij de mens resulteren in een verandering van zijn intern evenwicht, de interne secreties veranderen. Een van de meest voorkomende is een verhoging van de adrenaline‑afscheiding, vaak gepaard gaande met euforie of angsttoestanden. Er zijn echter vele andere werkingen mogelijk.
Hier wordt het lichaam beïnvloed en wordt het gedrag van de mens via stoffelijke veranderingen beïnvloed. En daar zijn denken altijd gebaseerd is op een rationalisering van zijn gedrag, zal daarmee ook zijn denken veranderen. Hier is geen sprake meer van een bewuste communicatie, dat is duidelijk.
Een laatste punt dat wij in dit verband naar voren moeten brengen, is het bestaan van de z.g. gerichte krachten of gerichte kleuren. Hierover is al meer gezegd in vorige lezingen en ik meen mij dus tot de hoofdzaken te mogen beperken.
Er zijn krachten, die een deel van het Al als een zoeklichtbundel doorklieven. Misschien kan men hier denken aan een observatorium, dat in een bepaalde baan onderzoekt. Alles wat binnen het bereik van deze lichtbundel komt, zal worden waargenomen. En waarneming betekent een geestelijke impuls van kosmische grootorde. Deze impuls zal dan automatisch ook degenen beroeren ‑ denk aan het voorgaande ‑ die op dit moment worden beschouwd. Deze werkingen worden over het algemeen, om ze voor de mens enigszins bevattelijk te maken, beschouwd als de zeven kleuren. De waarnemers waarover wij spreken noemen we dan de Heren van de zeven kleuren.
Hier is sprake van een bepaalde impuls waarop men reageert. Niet iedere mens echter reageert even sterk. Ook hier is een zekere harmonie noodzakelijk. Een mens die harmonisch is met de straal, die hem op dat moment bereikt, zal onder invloed van die straal en binnen de karakteristiek van die straal tot zeer vele bereikingen kunnen komen. Zijn denken functioneert beter. Hij heeft plotseling toegang, evenals bij het persoonlijk contact met een kosmische entiteit, tot vele gegevens, die normaal voor hem gesloten zijn. Een groter deel van zijn onderbewustzijn wordt aan het werk gezet. Hij krijgt hierdoor dus de mogelijkheid om zich te uiten. Een mens, die tot een straal behoort, zoals dat vaak wordt uitgedrukt, is vaak een persoonlijkheid, die op aarde door eigen instelling, eigen denken, binnen het kader van die straal bijzonder scherp kan reageren, of die harmonisch is. Is dit het geval, dan kun je binnen die straal hoogtepunten bereiken. Valt die straal weg, dan kun je echter niet door een andere straal gelijkwaardig worden beïnvloed.
Daarom zegt men wel: Iemand, die tot een bepaalde straal behoort (waarmee men dan bedoelt dat hij harmonisch is met deze bepaalde waarnemer ergens in de kosmos), zal altijd worden beïnvloed door deze straal en slechts in zeer geringe mate door andere stralen. Zijn eigen bewustwording en ontwikkeling zullen in overeenstemming zijn met datgene wat in de beschouwer van het geheel in die straal aanwezig is.
Ik heb geprobeerd u duidelijk te maken dat er invloeden zijn. Ik heb moeten stellen: het bewijzen zonder meer is moeilijk. Ik heb u hopelijk wel kunnen aantonen dat, indien men het gestelde voor waar aanneemt, er op aarde vele symptomen te vinden zijn van een dergelijk contact waarbij inderdaad mensen door kosmische persoonlijkheden, kosmische krachten, Heren van stralen en dergelijken a.h.w. worden beroerd. Ik geloof dat u de verschijnselen, die daarop wijzen, zelfs in uw eigen omgeving regelmatig zult kunnen vaststellen. Wij zouden er echter niet goed aan doen te besluiten zonder op te merken dat deze invloeden alle slechts één factor zijn in een menselijk milieu, dat door vele factoren wordt bepaald. Wij kunnen hier spreken van de z.g. astrologische invloed, waarbij wij te maken hebben met o.m. krachtvelden, zwaarteverdelingen in het zonnestelsel zelf. Iets wat ook voor de mens en zijn gedragingen, zijn karakteristiek a.h.w. van betekenis is. Wij moeten denken aan het milieu, dat de mens voor zichzelf heeft opgebouwd. De wereld waarin hij leeft, de maatschappij waarin hij leeft. 0ok deze hebben een bepaalde karakteristiek en deze is mee beïnvloedend. De kosmische invloed is dus niet dominerend. Zij is een variërende factor te midden van de voor de mens voortdurend aanwezige krachten en krachtverschuivingen, die veel dichter bij zijn eigen bestaan liggen.
Indien ik hiermee aanvaardbaar heb kunnen maken dat het gestelde theoretisch denkbaar is, zo hoop ik u in de volgende lessen duidelijk te maken dat kosmische krachten en invloeden wel degelijk direct kunnen ingrijpen in de mens en de reacties van een mens kunnen bepalen.
Om deze les af te ronden, heb ik een tweede spreker voor deze avond verzocht u het een en ander duidelijk te maken over z.g. lotsbeïnvloedingen, zodat u een aansluitende tweede lezing krijgt.

Lotsbeschikking

Een mens heeft, wat hij noemt, zijn noodlot. Hij bedoelt hiermee  dat er in het leven vele dingen zijn waarop hij zelf geen enkele invloed kan uitoefenen. Degenen die noodlot en lotsbeschikking zeer sterk op de voorgrond schuiven, zijn over het algemeen zij, die ze gebruiken als een verontschuldiging voor hun falen. Maar hoe moeten wij dan lot, noodlot, lotsbeschikking bezien?
Een mens wordt geboren op aarde. Hij wordt geboren in een bepaald jaar, onder de invloed van bepaalde planeten, onder de invloed van een bepaald ras, onder de invloed bovendien nog van een bepaald ouderpaar. Dit betekent dat hij in zijn wezen en mogelijkheden voor een zeer groot gedeelte bestemd is. Hij heeft wel degelijk een lot, dat wordt bepaald door de mogelijkheden, die hij in zijn stoffelijk voertuig bezit en de gevoeligheid voor invloeden, die aan dit stoffelijk voertuig is meegegeven. Velen zijn zich hiervan bewust.
Er zijn landen op deze wereld waar mensen eerst met elkaar huwen indien de horoscopen eerst vergeleken zijn en dan nog op een ogenblik dat de stand van de sterren gunstig is. Maar ook hiermee blijkt men niet altijd in staat te zijn het lot te bedwingen; want het aantal malen dat zij die, astrologisch gezien, gehuwd zijn onder de gunstigste omstandigheden, toch onder de pantoffel zijn komen te zitten, is zeer groot. Terwijl ook de teleurstelling voor de andere sekse, ofschoon er een veelbelovend begin was, heel vaak geregistreerd moest worden.
Want, mijne vrienden, in het leven zijn vele zaken in jezelf verankerd; en daaraan kunnen de sterren en kan de kosmos niets veranderen.
Als je op aarde bent, ben je een instrument dat afgesteld is. En als je eenmaal op G gestemd bent, dan kun je niet in harmonie spelen met instrumenten, die op een andere toon zijn afgestemd. Zo is ons lot bepaald.
Maar is er dan een kracht, die dit alles beschikt? Het zou dwaas zijn aan te nemen dat er iemand is, die u beziet, u verder in een lichaam hult en zegt: Zo, deze zal zijn leven slechts doorbrengen met mislukkingen. Het is de mens zelf, die zijn voertuig kiest. Het is de mens zelf, die bewust en willend als geest, de tocht door de materie aanvaardt in de hoop daaruit iets wijzer terug te keren. Hier is dus een eigen lotsbestemming misschien wel de meest juiste aanduiding.
Maar dan zijn er zaken, die u evenmin kunt beheersen. Stel dat er krachten zijn (noem ze goden, noem ze de wijzen van het voorgeslacht), die hun denkbeelden, hun werkingen naar de mens uitstralen. Dit zijn geen bindende invloeden. Als iemand u zegt: “Verdrink uzelf”, dan kunt ge zeggen: “Vriend, doe het mij voor.” Maar in het noodlot, zoals de mens het noemt, zijn er invloeden die zeggen: verdrink uzelf. En de mens vraagt zich dan niet af: waarom? Hij voelt dit als een gedrevenheid en gaat over tot een zelfvernietiging terwijl hij redenen bedenkt om dit voor zichzelf noodzakelijk te verklaren. Hier is sprake van een invloed, die hij alleen kan beheersen indien hij zich weet los te maken van de gewoonten en geplogenheden van zijn persoonlijkheid, zijn tijd en zijn omgeving. Maar ook hieraan onttrekt hij zich zelden.
Dan zijn er krachten, die in het Al onnoemelijk grote invloed kunnen hebben. We denken hierbij aan de grote meesters: een K’ung fu tze, een Lao tze of misschien een Jezus Christus, een Mohammed of één van de vele Boeddha”s, persoonlijkheden die op aarde leven en denkbeelden geven waarmee de mens voor zich een zekere vrijheid kan verwerven. Vrijheid, wel te verstaan, van lotsbestemming, van noodlot, van een gebondenheid aan omstandigheden. Maar als zij deze kracht brengen, dan zal een mens haar moeten aanvaarden.
Als ik u zeg dat u van hieruit het gebouw het eenvoudigst verlaat door een bepaalde deur door te gaan en dan een tweede deur te openen, zodat ge u in de buitenlucht bevindt, zo betekent dat nog niet dat ge deze weg zult kiezen.
Als een meester u een lering geeft ten aanzien van de plaats waarop gij u bevindt in het leven, de wijze waarop gij u kunt bewegen in het leven, zo betekent dit nog niet dat ge daaraan gehoor geeft. Dit wel of geen gehoor geven, is een kwestie waarover u zelf heeft te bestemmen. Er is dus geen gebondenheid aan deze hoge krachten. Gij zijt in dit opzicht vrij, maar gij zijt geneigd u te laten leiden door wat u als beginsel is ingegeven. En daarmee bindt ge uzelf aan een lot, zelf de koorden knopende aan de martelpaal van het onontkoombare.
Het lijkt misschien overdreven als ik u zeg dat het z.g. noodlot, dat de mensen achtervolgt, in de meeste gevallen door henzelf is bepaald; dat zijzelf de situaties tot leven wekken waarover zij zich later beklagen. Maar dat komt omdat een mens altijd denkt dat hij het toch wel zal redden. Laat ons trachten iets te zien over noodlot en lotsbestemming, zoals een mens dat ziet.
Een mens is geboren in het jaar van de Draak, en dus zal hij moedig zijn. Als hij de kans krijgt om moedig te zijn. Maar misschien zijn zijn ouders bang dat hij krijgsman zal worden en ze voeden hem op als een dochter. Dan zal hij misschien zeer goed zijn in schone borduurwerken, maar zijn krijgsmanschap zal niet meer naar voren komen.
Iemand kan geboren zijn in het jaar van de Ever en als een gevaarlijk zwijn rondrazen, vernietigende de mensen rond zich volgens de historie. Maar is het een noodzaak? Alleen indien men het van hem verwacht. Een mens heeft de neiging aan verwachtingen te beantwoorden. Deze verwachtingen komen niet alleen uit zijn omgeving. Er zijn ook andere krachten, die iets van u kunnen verwachten. Er is een geest die, niet meer beschikkend over een lichaam maar vrezend voor het geestelíjk bestaan, zich in uw nabijheid ophoudt en voortdurend tegen u zegt: “Ik verwacht van u dat ge het onrecht zult wreken, dat mij is aangedaan.” Gij begint dan alle onrecht te wreken. En de wereld wreekt zich op u omdat, wat gij onrecht noemt, niet altijd onrecht is geweest. Op deze wijze kan een noodlot ook tot stand komen. Maar wij zijn daaraan alleen gebonden door wat wij zelf zijn.
Er zal u in de loop van deze reeks lezingen ongetwijfeld worden voorgehouden dat wat de kosmos brengt, altijd een antwoord is op wat er in u leeft. Maar wat er in u leeft, kunt ge zelf voor een deel bepalen.
Er was eens iemand, die rondging door het land, verwachtende dat hij door rovers zou worden uitgeschud. En zie, zo geschiedde het. En als de rovers hem dan hadden uitgeschud, geranseld en blauw geslagen, zo sprak hij: “Ziet, mijn verwachtingen zijn uitgekomen. Ik ben wijs maar ongelukkig!” Had hij verwacht dat de rovers hem niet zouden aanvallen, hij zou misschien een enkele keer toch het onheil hebben ondergaan, maar in vele gevallen zou hij zich wat sneller, wat vreugdiger en minder bezorgd door donkere plaatsen hebben bewogen waar rovers zich schuilhielden. Deze zeer eerbiedwaardige rovers zien dan iemand zich angstig en bezorgd gedragen en nemen aan dat hij angstig en bezorgd is om de schatten, die hij bij zich draagt.
Zo gaat het menigeen in het leven. Hij zegt dat het lot hem de onaangenaamheden bescheert, die hij voortdurend ondergaat. Maar hij heeft ze aldoor gevreesd, hij heeft ze verwacht, hij heeft, kortom, zelf overal de aandacht gevestigd op deze verwachting en eenieder uitgenodigd haar waar te maken.
Er zijn er die zeggen: “Daar, waar de sterren zijn, is de mens machteloos.” Maar dan kan ik ook zeggen: Als ik in een theehuis zit en iemand zet mij een rijke schotel voor, zo is indigestie onvermijdelijk. Het is even dwaas om aan te nemen dat de sterren, door wat zij u aan mogelijkheden voorzetten, uw onheil kunnen oproepen als het dwaas is om aan te nemen dat het de schuld van de herbergier is, die u een schaal voorzet waarvan gij teveel eet. Gij hebt vrijheid. Maar in die vrijheid zult ge moeten leren om te selecteren, om ‘neen’ te zeggen, als het nodig is om eerst uzelf te zijn en dan pas aan de verwachtingen van anderen te beantwoorden.
Sommige mensen zeggen: Deze tijden zijn zeer somber. Zij hebben gelijk, want hun eigen somberheid maakt hen blind voor alle licht dat er nog bestaat.
Indien gij zoekt naar de grootmachten van hemel en aarde, die u zullen redden, zo moet ge eerst beginnen te stellen dat ge gered zult zijn; niet dat ge in nood verkeert. Want hij, die in de verwachting van de nood hen aanroept, hij roept de nood zelve aan. Eenieder maakt waar wat hij zelf oproept. Dat is zijn lotsbeschikking.
Er gaat een verhaal over een heer, die verheven was tot een belangrijke plaats aan het hof van de Hemelse Keizer. Fong Yoe, zoals hij heette, ging vaak naar de aarde om het schone der aarde te genieten. Bij deze vluchten droeg hij nagelschilden, die het magische vermogen hadden, waardoor ze hem onzichtbaar konden maken of hem als mens in een willekeurige gedaante deden verschijnen. Hij sprak over zijn noodlot toen hij eens in een wat te vurig liefdesspel zijn nagelschilden had verloren. De Hemelse Keizer, die hem verweet zo grote krachten te hebben achtergelaten, besloot hem een lering te geven. Zo nam hij één der raketten van de noordenwind en bond deze daar waar bij het dier het staartbeen pleegt te zitten, stak die aan en sedertdien is de arme Fong Yoe een voortdurend terugkerende komeet aan de hemel van de wereld, waarop hij zijn nagelschilden had achtergelaten. Hij beklaagt zich over het onrecht hem aangedaan. En toch, indien hij eerst had nagedacht over zijn magische noodzaken en kundigheden, voorwaar hij zou een vererenswaardige plaats bij de troon van de Hemelse Keizer nog steeds kunnen innemen.
Zo is het noodlot voor de mens. Hij, die vergeet wat hij werkelijk is en welke attributen voor hem onvermijdelijk daartoe behoren, hij zal eens ergens in de duisternis dwalen, gedreven door het pijnlijke vuur, dat hem voortjaagt in een oneindigheid en het hem onmogelijk maakt zijn eigen weg te bepalen. Maar hij, die zichzelf weet te vinden, krijgt uit alle werelden en sferen het antwoord, dat hem past en hem behoort. Hij verkrijgt al wat voor hem noodzakelijk is.
Er is eens gezegd door een wijze volgeling van de leraar K’ung fu tze: “Alle dingen hebben hun plaats in de eeuwigheid zo goed als op de aarde. Indien wij weten dat zij hun plaats hebben, laat ons voorzichtig zijn dat wij ons niet stoten aan dingen, die wij niet van plaats kunnen doen veranderen.” Dit is juist. Wij moeten weten waar onze mogelijkheden liggen. Wij kunnen geen eeuwigheid veranderen, maar wij kunnen uit de krachten van de eeuwigheid veel vinden dat ons wel in staat stelt ons eigen lot te veranderen.
Wij zijn niet in staat om te bepalen wat een grote geest ons zal geven of onthouden, maar wij zijn wel in staat om harmonie te vinden met die geest of om die harmonie af te wijzen. Wij zijn niet in staat om het gebeuren van de dag voortdurend en in elke minuut volgens onze eigen wil te bepalen, maar wij zijn wel instaat te voorkomen dat de onbevredigdheid van onze dagen ons steeds achtervolgt zodat wij niet zien welke mogelijkheden er nog bestaan.
Mogelijk schiet ik tekort in mijn betoog zo ik reeds vreesde en had u van mij andere en, zoals de westerling zegt, meer concrete gegevens verwacht. Maar wat is er concreter dan de werkelijkheid, die in jezelf bestaat? Hij, die drinken wil, moet zijn gezicht niet opheffen naar de wolken en zeggen: Geef mij regen. Hij moet de vijver zoeken, waarin het heldere water hem lokt om zich te laven. Zo moeten wij zoeken naar onze plaats.
Wij moeten vanuit onszelf voortdurend de harmonieën scheppen, die noodzakelijk zijn. Wij moeten rekening houden met de bepalingen, die wij hebben gekregen van onze ouders, van de wereld waarin wij leven, van de sterren waaronder wij geboren zijn. Maar wij moeten dit niet zien als de onvermijdelijke grens, die wij niet kunnen overschrijden maar als de bepaling van da bekwaamheden die wij bezitten, zodat wij door die bekwaamheden juist te gebruiken, alle grenzen kunnen doorbreken.
Een dwaas is een mens, die verwacht dat hij voor niets alles kan krijgen. Er was eens een oude man, die zijn gehele leven in een loterij had gespeeld en nimmer een prijs had gekregen. Toen hij eindelijk een winnend lot had, bleek de verkoper verdwenen te zijn en het lot, dat zo kostbaar scheen te zijn, vervalst.
Vele mensen spelen voortdurend met wat zij het noodlot noemen. Maar hun noodlot is vervalst; het is geen werkelijkheid. Het is een illusie. En als het lijkt of deze illusie eens betaald zal worden, of zij eens de verlangde waarde van het leven zal inhouden, dan blijkt eerst dat zij niet werkelijk was.
Wij moeten leven in de werkelijkheid. Misschien is dit ons lot want we kunnen ons daaraan niet ontworstelen. Wij moeten uit de werkelijkheid opbouwen volgens ons eigen innerlijk. Wat voor ons noodzakelijk is, dat is onze noodlotsbeschikking. En datgene wat wij zelf oproepen, zullen wij moeten ondergaan; dat is ons noodlot.

Evenwicht

Kan er evenwicht zijn indien er slechts één is? Evenwicht kan alleen bestaan indien er tenminste twee zijn. Zo is ons evenwicht niet het bereiken van een toestand maar het bepalen van ons standpunt tussen twee bestaande zaken. Evenwicht wordt mee bepaald door de balans. En een balans kan alleen bestaan indien er een niveau is ten aanzien waarvan de evenwichtigheid wordt bepaald. Maar er is geen niveau waarop wij dit kunnen bepalen tenzij vanuit onszelf. Zo zijn wij onszelf weegschaal en registrerende wijzer. Maar het evenwicht, dat wij meten, ontstaat uit zaken buiten ons.
De kosmos is evenwichtig. Want daar waar licht is, is duister; daar waar vreugde is, is smart. De kenbaarheid der dingen kan slechts uit de wederkerigheid der waarden ontstaan. Maar dan moeten wij ook bereid zijn het evenwicht te zoeken vanuit onszelf.
Wij moeten de plaats zoeken waar onze vreugde een glimlach en onze smart een frons is. Wij moeten zoeken naar het ogenblik waarin het licht onze erkenning en het duister nog slechts onze erkenning van het onbekende betekent.
Wij moeten zoeken naar geluk in onszelf. Maar kunnen wij geluk verwerven indien wij niet gelijktijdig lijden ook aanvaarden? Evenwicht is zonder dit niet mogelijk. En daar waar wij slechts één zijde kiezen en alleen het geluk willen, daar zal het lijden ons voortdurend overvallen en ons geluk verteren. Maar daar waar wij beseffen dat lijden en geluk samengaan, daar zal het lijden ons slechts stimuleren om het geluk intenser te vinden en zal in het geluk het besef van het lijden ons ervoor behoeden om ons eraan over te geven als een recht dat eeuwig zal bestaan.
Evenwicht is de waarheid, die wij vinden in onszelf door te beseffen dat wij bepalen wat een evenwicht voor ons is. In een kosmisch evenwicht kunnen wij niets bepalen. Het is een bestaande toestand. Maar wat het evenwicht voor ons betekent, bepalen wij door de wijze waarop wij onszelf plaatsen te midden van het bestaande.
Zo laat ons zoeken naar de plaats, die ons past, niet verwerpende de tegenstelling en de wederkerende beïnvloeding, maar zoekende naar die plaats waarin de wederkerigheid der waarden voor ons een steeds sterkere onthulling is van onszelf en de wereld waartoe wij behoren.