Kosmische wetten als middel tot kosmische harmonie

22 september 1957

Jezus zegt; “Alle kracht is uit de Vader en slechts in Hem kunnen wij bestaan.” Dit vindt zijn grondslag in verschillende oudere leerstellingen en luidt dan als volgt; “Uit de Schepper werd alle kracht geboren en alle kracht werd tot wet. Alle wet nu was weerkaatst in alle schepping.” Het is belangrijk, dat wij ons dit realiseren. Wanneer wij spreken over kosmische wetten, over kosmische krachten, dan gaan wij vaak al te zeer uit van wetten, die buiten onszelf liggen. Kosmische wetten echter zijn de wetten, die in ons berusten. Er is geen enkel ogenblik, dat de kosmische wet zich in onszelf niet vervult. Wanneer wij deze wet voor Onszelf ontkennen, wordt waar wat Jezus zegt; “Dan zal er zijn geween en knarsing der tanden, uitgeworpen zullen zij zijn in de buitenste duisternis.” Duisternis is afwezigheid van het bewustzijn van het Goddelijke, of om de oude termen der eerste grote esoterici te gebruiken; “Wanneer het onbewustzijn van het leven in ons tot werkelijkheid wordt, zal de eenzaamheid ons tot lijden zijn en ons bestaan een voortdurend verzet. Doch indien wij kunnen aanvaarden de krachten, die rond ons zijn en deze begrijpen als een werking van het Grote in onszelf, zo zullen wij vervuld zijn van deze krachten, vervuld zijn van het Al en in het Al de vervulling van ons wezen vinden,”

Er is geen ogenblik, dat wij buiten de kosmische kracht staan. Buiten deze is geen bestaan mogelijk. Het is daarom noodzakelijk, dat wij juist binnen deze kracht zoeken naar de juiste wet, de juiste kracht voor ons. Want om wederom de ouden te citeren; “Niet in elke mens en in elk wezen zijn de wetten gelijkelijk geuit. Doch geuit zijn zij in allen, en wie de uiting erkent der wetten in zichzelf, zal leven zoals hij geschapen is. Hierin nu wordt vervuld de kracht der goden binnen de schepselen en de volmaking bereikt, die verheft boven alle onbegrip.” Deze leerstelling brengt met zich mede, dat dus niet alle wetten volkomen gelijk kunnen worden toegepast op elke mens. Wij kunnen weliswaar uitgaan van het standpunt, dat de grote normen en lijnen der wet gelijk zijn voor een ieder, maar waar elke mens anders is, elk schepsel anders is, komen zij ook in elk schepsel anders tot uiting. En eerst in de uiting zijn zij bruikbaar om de harmonie met het Goddelijke en met de kosmos te bereiken.

Jezus spreekt hierover tot Johannes; “Ik zeg U, geliefde broeder, de liefde des Vaders is in ons allen en met ons allen. Doch slechts indien in ons ook is de liefde voor de Vader, zullen wij Zijn liefde aanvaarden en zal ieder van ons zijn opgenomen op zijne wijze in Zijn grote liefde en komen tot het rijk Gods,” Dit “op zijne wijze” is hier de belangrijkste zinsnede. Want ieder mens komt op zijn manier tot God, tot harmonie dus met de kosmos. En op zijn manier kan hij, dat alleen bereiken van uit zijn eigen wezen.

Boeddha leert ons: “Het wezen van een ieder is verschillend, doch gelijkelijk worden zij gekweld door de begeerten. Begeerten nu, verlangen en haat, alle hartstocht is een uiting van het wezen, die de weg naar volmaaktheid belemmert. Ik zeg U, ken geen hartstochten. Begeer noch verwerp, bemin noch haat, want in deze dingen zijt gij gebonden aan Uw wereld en zonder deze zijt ge Uzelf en kunt gij – ik zal dit vertalen -kunt gij de harmonie met de oneindigheid bereiken.”

Een zeer belangrijk punt. Het is niet noodzakelijk de kosmische wetten afzonderlijk te omschrijven. Want elke omschrijving is een generalisatie. Die generalisatie echter is níet altijd bruikbaar of aanvaardbaar. In ons, in onszelf ligt de wet geuit, zoals ze voor ons beleefbaar is.

Een van de nieuwere filosofen drukt het zo uit; “Zij, die menen op onpersoonlijke wijze de problemen van het leven te kunnen benaderen, zullen te allen tijde verre moeten blijven van het werkelijke leven. Want men kan slechts leven uit het leven. Want het leven is slechts in onszelf. Zo zullen wij bij onze benadering steeds moeten uitgaan van ons eigen wezen en eerst zo kunnen komen tot een band, die het andere leven voor ons aanvaardbaar, begrijpbaar en ver werkbaar maakt.”

Uitgaan van je eigen wezen. Niet omdat dat eigen wezen zo buitengewoon belangrijk is, maar omdat dat eigen wezen in zich draagt de uitdrukking van de kosmische wet, zoals ze voor jou beleefbaar is. Ik zou hier willen wijzen op een lesje, dat niet te lang geleden werd gegeven door een van onze broeders. Hij zegde toen tot de aanwezigen;

“Sommigen zeggen: hartstocht is uit den boze. Maar anderen leven niet zonder hartstocht en kunnen zonder dit niet zichzelf zijn. Anderen zeggen; haat is uit den boze. Toch zijn er, die zonder haat, zonder een verwerpen niet tot een positief handelen en denken kunnen komen. Men zegt wel; genegenheid wordt te allen tijde bezitzucht. Doch wie zonder genegenheid niet kan bestaan, waar zijn wezen verloren gaat zonder dit, zal moeten liefhebben en bezitten. Kosmische wetten worden al te vaak in algemeenheden overgebracht. De waarheid is echter, dat ieder in zich de eigenschappen vindt, die de grondslag zijn voor een harmonie met het Al.”

Ik wil deze laatste conclusie zeker niet op gelijk peil stellen met de leringen der grote meesters. Maar toch houdt zij veel van de oude wijsheden in gecomprimeerde vorm in. De vraag is niet in de eerste plaats: “Wat is de wet?” De vraag is; “Wat zijt gij? Zijt gij meester over Uzelf? Wat zijn Uw grondeigenschappen? Wat is hetgeen U beweegt? Wat zoekt gij in het leven? Waarheen wordt gij altijd weer gedreven?”. Het antwoord daarop vindt ge in Uw eigen beleving, Uw eigen benadering van alle levende krachten, van alle bestaan, van alle omstandigheden. Dit antwoord geeft U een beeld van Uw eigen streven. En het is de kunst dit streven te maken tot iets, dat de harmonie met het Al bevordert, dat gezien mag worden als een werkelijke inwijding.

Om mijn korte eerste les te besluiten enige citaten van hetgeen Jezus heeft gezegd; “Zo zeg ik U; Het Koninkrijk Gods is in U. Ook wanneer gij het niet kent. Doch zo gij het erkent, zult gij zien, dat gij deel zijt van hetgeen mijn Vader heeft geschapen. En in dit deel zijn zijt gij deel van Hem en Zijn wezen, Zo berust in U Zijn kracht, Zijn werkelijkheid en Zijn liefde. En indien gij deze voor Uzelf kunt maken tot de werkelijkheid van Uw bestaan, dan zult gij niet meer zeggen: Ik bezit of wens te bezitten, Ik haat of kan haten. Doch slechts; Ziet, de Vader in mij beantwoordt de vragen der wereld door mijn wezen, voor zover Hij mij daarvoor geschikt acht. En wanneer ik mijzelf eens zal opofferen, dan zult gij klagen en treuren en zeggen; Ziet, onrecht is geschied. Maar ik zeg U; Recht zal er geschied zijn. Niet het recht der mensen, maar het recht des Vaders. Want ziet, zo ben ik geschapen en is Zijne wil in mij. Dit is Zijn bewijs van Zijn grote liefde voor al wat leeft.”

Vrienden, hier behoeft niet veel meer aan te worden toegevoegd, Jezus’ dood was voor Jezus recht, omdat het Gods uiting van liefde was, Jezus aanvaardde alles in het leven, omdat het een uiting van Gods liefde was. Niet slechts voor hem maar voor alle dingen. Het was hierdoor, dat hij in harmonie met de mensen kon zijn. Ja, meer, dat heel de natuur luisterde naar zijn stem en werd geborgen en één was in zijn wezen. Zo werd hij drager van de Christusgeest. Zo werd hij vertegenwoordiger van hoogste krachten onder mensen. En toch verschilde hij niet van U dan in dit ene; Dat hij aanvaardde, waar gij weifelt of verwerpt.

Overweeg dit en vraag U af; “Zijn in mij niet krachten en eigenschappen gelegd, die bruikbaar zijn ook voor God om de wereld en de geest te verheffen?” Het antwoord daarop is tevens het begin van een nieuw streven.

o-o-o-o-o

Ondanks enige beperkingen mij door het medium opgelegd, ben ik dankbaar, dat ik deze morgen U enkele oosterse gedachten kan brengen in samenhang met de les, die gij zo juist mocht ontvangen. Het Oosten aanvaardt de banden tussen alle dingen sterker dan gij.. westerse mensen menen, dat zij in de eerste plaats individu zijn en hierdoor staan zij vreemd t.o.v. de gebondenheid met alle dingen, die de Oosterling zich meent te ontdekken en te gevoelen. Zo kan men in het Westen eerst zelden komen tot een juiste interpretatie van hetgeen de Oosterling volbrengt, wat hij wenst, wat hij tracht te doen. Toch ligt in ons even veel waarheid als in U. Zo zegt de Westerling; “Ik ben en het is mijn taak de wereld te verbeteren.” Zo zegt de Oosterling; “Deel ben ik van mijn geslacht en mijn wereld en het zal tevens mijn streven zijn, dat het goede in de wereld wordt versterkt.”

In het Oosten gelden de volgende regels algemeen als grote wijsheid; Het woord “ik” is het verbreken van de band met de werkelijkheid. Wie zegt; “ik” zegt; “dwaas.” Doch wie zegt; “wij”, plukt uit de gemeenschap, waartoe hij behoort, de kracht, waaruit hij is geboren en volbrengt zo niet dwaasheid, maar wijsheid en maakt niet waan, maar werkelijkheid uit zijn eigen bestaan.

Deze dingen klinken U misschien wat raadselachtig in de oren of wat als goedkope wijsheid. Ge moet echter niet vergeten, dat onze hele levensbeschouwing is opgebouwd op deze begrippen van eenheid, op deze kosmische band, die wij voor onszelf gaarne en volledig,accepteren. Een van onze grootste wijzen zegde; “Er is in ons een wet. Deze wet hervinden wij in de wereld. Indien beide wetten voor ons gelijk zijn, zo zal onze wereld volmaakt zijn. Wanneer wij echter onze eigen wet stellen boven die van de wereld, zo zullen wij ondergaan, omdat de wereld ons verwerpt. Stellen wij de wet van de wereld boven onszelf, zo zullen wij ondergaan en niet meer onszelf zijn doch slechts een onbetekenend deel van een wereld, waarin we geen besef hebben. Bewustzijn echter is noodzakelijk, zonder bewustzijn bestaan wij niet. Zo zullen wij niet streven naar de uiting van onze eigen wet over alle wereld, noch streven naar de uiting van de wet der wereld over geheel ons wezen. We zullen streven naar een gelijkmatigheid, waarin het “ik” en de wereld elkaar erkennen, eerbiedig bejegenen en zo komen tot een samenwerking. Want eerst “ik en wereld tezamen” betekenen bewustwording, begrip en bevrijding.”

In deze leerstelling heeft men getracht uit te drukken, wat de Oosterling eigen is. De verbondenheid met de dingen, de harmonie, die het “ik” laat bestaan, maar toch in zijn bewust bestaan maakt tot deel van de dingen.

Het raadsel des zijns – zo drukte men uit in het Westen – is het leven. Een Oosterling lacht hierom. Is het leven niet het meest natuurlijke? Is het niet de kracht, die alle dingen bezielt? Het leven is geen raadsel, Het leven is eenvoudig het accepteren van je eigen wezen,

“Gij vraagt U af; Wat is leven?” zegde eens een leraar tot een Westerling, die zocht naar inwijding. “Het leven, zoals gij het ziet, is eigenlijk een dwaasheid. Want op het ogenblik, dat gij vraagt; “Wat is het leven?” vraagt ge U af Wat ben ikzelf? Maar ge weigert Uzelf in deze vraag te erkennen. Zoek naar Uzelf en ge zult het leven vinden. Zoek naar het leven en ge zult Uzelf verliezen,”

Deze Westerling heeft dat niet goed begrepen en ik kan dat ook heel goed volgen. In zijn hele bestaan was hij gewend om te denken, wat hij noemde “objectie.,” Dat wil zeggen, zijn eigen mening een zuivere subjectiviteit stellen als beoordelende kracht t.o.v. elk object, dat hij beschouwt. Hierdoor kon hij niet komen tot een volkomen subjectieve aanvaarding, die een objectieve beleving mogelijk maakt.

Objectiviteit, mijne vrienden, is een woord, dat niet door de Oosterling, maar door de Westerling is gepacht. Deze heeft het woord geschapen en heeft getracht daarmede onpartijdigheid uit te drukken. Maar ik vraag mij af; Hoe kan onpartijdigheid bestaan? Kan een mens onpartijdig zijn? Neen, nietwaar. Men heeft te allen tijde zijn oordeel, zijn gevoelens. Men kan trachten die te onderdrukken, maar daarmede verloochent men een deel van zijn eigen wezen. En dat is niet onbelangrijk, dat is niet waar. Wanneer ik ga zeggen; “Ik word objectief en ik schakel mijzelf uit,” dan schakel ik het enige uit, dat mij een waar oordeel kan doen spreken; mijn plaats in de wereld, mijn bewustzijn van mijzelf. Daarom is de Oosterse leer er een van een persoonlijke benadering. Daardoor kan men zeer veel dulden van anderen, maar kan men ook krachtens eigen wezen anderen veel aandoen, wat voor een Westerling onbegrijpelijk is.

Men vroeg eens een van de wijze leraren der Himalaya, wat hij dacht over de strijd en de daarmee gepaard gaande martelingen, die in die dagen veel in de dalen voorkwamen. Hij zegde nu als antwoord; “Dit lijden wordt geboren uit de natuur der mensen. Het is dus een aspect van het leven. Zonder dit lijden zou het leven zichzelf niet zijn. Wij mogen dus niet oordelen of veroordelen, maar moeten dit lijden aanvaarden. Slechts indien dit lijden in ons geen wet is, zullen wij trachten in en rond ons het lijden te delgen, waar ons dat mogelijk is.”

Ik weet niet, of U mij kunt volgen. Misschien kan ik het U het gemakkelijkst duidelijk maken met een klein verhaal. Ik weet, dat ik niet zo goed als onze Chinese broeder in staat ben deze dingen uit te werken, maar…… misschien toch een klein verhaal.

Er waren eens drie broeders. Elk was geboren uit de liefde van zijn vader, elk word behoed door de eigenschappen van zijn moeder. En deze drie trokken uit in de wereld. Nu kwamen zij bij een gewonde; en de eerste, die medelijdend van aard was, knielde neer om hem te verzorgen. De tweede, die krijgshaftig van aard was, stelde zich op met een zwaard om zijn broeder en de gewonde te verdedigen. De derde echter, die het verstand geërfd had, zag de overmacht. Zo nam hij de gewonde, doodde hem en dwong zo zijn broeders voort te gaan, voordat ook zij gestorven waren.

Men had deze daad misschien kunnen veroordelen, want wat hij deed was hard. Maar hij had gelijk. Want in zijn hardheid redde hij door het doden van één, twee. Hij was het niet, die het lijden had gebracht, maar waar het op zijn weg kwam en het noodzakelijk werd volgens zijn inzicht te doden, doodde hij.

Ik kan daarmede niet verdedigen, dat iedereen moet doden. Integendeel. Praktisch elke mens heeft een zekere tegenzin in het doden van medemensen. Zeker, de strijd en de verwonding, die men een ander toebrengt, kunnen een lust zijn. Maar de dood van een ander is altijd een leed. Het is begrijpelijk, want het ligt niet in ons onze gelijken te doden met ware vreugde. Dit gebeurt slechts, indien zij een volkomen tegenpool zijn tot ons eigen leven. Dus het doden op zich zelf is over het algemeen kwaad. Maar wij kunnen nooit weten, in hoeverre bij een ander het doden aanvaardbaar is. Wij mogen dus nooit oordelen over wat een ander doet. Een oordeel leidt zo gaarne en zo snel tot een misvatting.

Er was eens een grijsaard, die beroemd was door heel het land om zijn goedheid en zijn wijsheid. Hij ontmoette eens een kleine jongen, die een paar hagedissen had gevangen. Deze trok hen de staarten af en mishandelde hen op allerlei wijzen. En zo werd de grijsaard bovenmate boos. In zijn woede sloeg hij de kleine jongen, totdat deze neerlag en zich niet meer verroerde. Doordat hij echter wijs was, kon hij ook de taal der dieren verstaan. En zo hoorde hij tot zijn verwondering, dat een der hagedissen tot hem zegde; “Wat slaat gij deze, die mijn nood lot voltrekt?”

“Hij pijnigde U,” zei de wijze, “en daarom heb ik hem pijn gegeven.”

“Maar wij zo,” zei de hagedis, “het is mijn lot dit te lijden. Deze jongen was voor mij een bevrijding geworden. Door deze bevrijding had ik mij kunnen verheffen tot de hemelen, Nu echter hebt gij mij het lijden doen ondergaan zonder voltooiing, Wijze, indien gij mij niet onrechtvaardig behandelen wilt, kwel mij tot ik sterf.”

Maar de wijze kon het niet. En van af dat ogenblik kwamen de hagedissen steeds rond hem als een verwijt en een vloek, tot hij in staat was één van hen te doden, Daarmede was het spooksel verdwenen. Zo verzonk hij in zichzelf en riep zijn geestelijke goeroe en zegde: “Ziet, dit is mijn ervaring. Zeg mij, heer, ik heb nu gedood en in mij is een zelfverwijt. Waarom dit alles?”

De hemelse goeroe kwam, gezeten op een wolk; en hem verschijnende zegde hij: “Ziet, gij hebt niet gedacht; Is dit lijden een noodzaak of een wet? Gij hebt niet gezegd tot dit kind; Pijnig niet. Ge hebt geslagen, ge hebt zelf gepijnigd. Zo werd gij door Uw onbeheerstheid gedwongen om te doden. En deze dood zal als een schuld op U rusten, tot gij evenzeer bevorderend het bewust zijn van de delen der schepping gered zult hebben van de dood. En dit zal Uw bevrijding zijn.”

Het verhaal klinkt een Westerling meestal vreemd. Hij kan niet accepteren of begrijpen, dat het sterven van deze hagedis een noodzaak was. Ook een hagedis heeft bewustzijn. Ook zij zoekt naar een hogere bewustwording. Ook zij heeft haar eigen fouten. Ook zij moet leren lijden te zien niet slechts als een ervaren, dat je anderen aanbrengt, maar als iets, dat je zelf ondergaat. Haar was die les kostbaar. Het kind, dat kwelde, werd ongetwijfeld wijzer, want hij ervoer, dat het kwellen van anderen niet altijd getolereerd wordt door iedereen. Maar de wijze, die zich tot instrument hiervan maakte, bezorgde zichzelf de overlast. Niet omdat hij niet goed mocht zijn, want zijn doden van de hagedis onder deze dwang werd voor hem een kwelling, waarvoor hij boete moest doen. Maar zijn poging om zonder overleg zijn eigen wezen toe te passen op alle wereld betekende voor hem een mogelijkheid tot ondergang.

Ik hoop, dat U mij kunt volgen, vrienden. Voor onszelf mogen wij nooit een oordeel vellen over anderen. De les, die ik U heb geprobeerd te brengen, is deze: Wanneer U zoekt naar werkelijkheid, naar bewustwording, dan moet U uitgaan van Uzelf om vanuit Uzelf komen tot een voor U goed werken in de wereld, dat niet is een beperking of veroordeling van anderen, maar een openbaring van Uw eigen wezen. Daarin vindt U de grote wijsheid, daaruit kunt U anderen leren.

Wederom een verschil tussen de waardering van wijsheid in Oost en West. In het Oosten noemen wij iemand een goeroe, een leraar, een werkelijke wijze, wanneer hij leeft naar wat hij predikt. In het Westen noemt men iemand een wijsgeer, wanneer hij predikt, wat hij misschien zou willen beleven, indien hij de moed daar toe had. Men zegt in het Westen; “Ja, maar de idee is goed.” De Oosterling zegt; “Een idee zegt mij niets, wanneer zij geen praktijk wordt. Als gij mij spreekt over rijkdom aan voedingsmiddelen in een warenhuis en ik lijd honger, dan is dat voor mij niets of ik moet daarheen gaan en het mij nemen. Dan heeft het voor mij betekenis, maar anders niet.”

Het bezit der dingen heeft geen zin, wanneer zij niet de dingen zijn, die ons dienen, die voor ons bruikbaar zijn. Daarom hoop ik – U kunt niet allen oosters denken, dat is U onmogelijk, zelfs wanneer U het probeert maar daarom hoop ik, – dat U zult begrijpen, dat dit verschil tussen Oost en West toch ook voor de Westerling een lering heeft. Spreek niet over wat gij bezit of zoudt willen bezitten. Baseer U niet alleen op de wijsheid, die gij in U opstapelt als een verborgen schat. Baseer U op wat U beleeft en beleven kunt. Alleen daarin kunt U de volledige bewustwording bereiken en kunt U vanuit Uw westers leven en denken groeien naar de waarheid van het oosters beleven.

0-0-0-0-0-0-0-0

VOLBRACHT –  LOGICA

In de logica ligt de stelling, die in het leven eerst kan worden volbracht.

Wanneer wij de logica gebruiken, dan gebruiken wij daarmee het wapen van het geschoolde denken. Geschoold denken betekent het afleiden van termen van elkaar. Het opbouwen van hypothesen, die gebaseerd zijn op alle bekende feiten.

Het is begrijpelijk, dat de logica alleen voor ons niet veel kan betekenen. Ze is immers slechts een leidraad, een ontwikkeling van ons denken. Ze kan ons nooit een bereiking betekenen. Het blijft droog, het blijft theorie. En zelfs in ons handelen, wanneer wij zeggen logisch te zijn, is er toch altijd de emotie, de innerlijke kracht, die ons in een bereiking steeds doet grijpen naar onze eigen interpretatie, zodat van uit onszelf alles wordt volbracht.

U moet goed begrijpen, dat ik de logica niet verwerp. Maar we zien toch allen het leven als een soort van kruisgang. Zeker, met al zijn genoeglijkheden. Ook wij kunnen de vreugde van een bruiloft te Kana of de betovering van een rustig zitten en spreken met Maria, terwijl Martha werkt en voor ons zorgt. Maar uiteindelijk gaat de hele weg naar het kruis toe. Het is pas wanneer wij het offer van ons eigen wezen hebben gebracht, dat onze taak voleind is. Dan ook wij kunnen zeggen; “Het is volbracht.” En daar helpt ons de logica niet.

Logica is een hulpmiddel. Niet voor ons handelen. Alleen voor ons denken. Logica is het middel om ons bepaalde dingen duidelijk voor te stellen. Om ons een mening of een denkbeeld te vormen, dat verantwoord is. Volgens onszelf dan. Maar het kan ons nooit een middel zijn tot volbrenging. Want wie zuiver logisch zou handelen, zou zichzelf moeten uitschakelen in de handeling en als zodanig de ervaring missen, die voor elke bereiking noodzakelijk is. U zoudt het daarom als volgt kunnen stellen;

Ik ben meester in de logica en volg nu mijn gedachten na, totdat ze toornen fel omhoog, als ik mijzelf ooit bedroog. Ik zoek nu al mijn fouten na met het wondermiddel logica. Ik combineer en deduceer, groepeer en hergroepeer maar weer. Ik bouw door onwaarschijnlijkheid als basis op voor werkelijkheid en zal niet vatten, waarom altijd weer de logica mij slaat terneer en doet ontzetten, vragen; Wat is dan het leven, dat ik had? Wat is het leven, dat ik leef? Wat is het doel, waarnaar ik streef ? Wat is de werkelijkheid? Ach, de logica laat mij geen tijd om nog mijzelf te zijn.

Maar heb ik met logisch denken mij zelf getekend een plan van het Al, heb ik logisch begrepen wat voor mijzelf onmogelijk en mogelijk wezen zal, dan wordt het mijn taak om zelf te leven, om met mijn gevoel en mijn leven en kracht inhoud aan de koele rede te geven.

Dan wordt mijn gevoel tot een sterke band, mijn geweten tot sterkere kracht. Dan, bouw ik uit leven een leven van daad en bewustzijn, zo licht en zo groot. Dan verwerkelijk ik uit mijzelf datgene, wat het leven als gave mij bood.

De logica kent geen lichtend bestaan. Zij zoekt de oneindigheid. Maar ze voert in zichzelf om kleine dingen een onbelangrijke strijd. Het grote beleeft ze niet, het blijft dor, blijft droog en ver van je hart. Het wordt een theorie, waarmee je dekt en verbindt de levenssmart, die je verteert.

Maar wanneer je in jezelf beleven kunt, wat de logica soms toont, het beleven van wat leven geeft steeds sterker weer probeert, dan is dit het loon van je streven; Lichtende krachten en lichte gedachten, die zich tezamen verweven en vormen een gulden band als een weg, die voert naar een vaderland, in de hemelen neergelegd, Een weten om noodzaak van daad en van doel. Een weten om werkelijkheid van fatsoen. Een bewustzijn omtrent goddelijk recht! Dan wordt uit jezelf geboren de kracht, die je opvoert tot het goddelijk Zijn en aanvaarden doet het hele bestaan. De kracht, die verplettert alle waan, die mij stoort en vergeten doet de stelling, die ik uit beperkte logica hoorde.

Dan ligt er een wereld zo lichtend, zo groot, vervuld van een wonder van leven, dat je aanvaardt en waardoor je je rijker voelt, dan wanneer men je het Al had gegeven. Weg valt de droom, weg valt de wens; de grens ook van ‘s mensen bestaan. En wanneer je dan lichtend in lichtende vreugd in die lichte wereld kunt gaan, je ziet om naar de wereld, je strijd en je kracht. Je weet; Ik hoef niet verder te gaan. Ik heb nu de taak van het leven volbracht. Zo beleef ‘k nu het ware bestaan.

Zo, vrienden, dat is dan mijn poging om de woorden logica en volbracht te zien als een tegenstelling. Want ik geloof in de logica als een instrument. Als iets, dat je hanteren kunt, maar nooit als een doel of als een keurslijf, waarin je je eigen leven en streven moet wringen.

Volbracht, dat wil zeggen: God aanvaard hebben. In God zijn opgegaan. Zelfs in een kleine daad is elke volbrenging, die een bevestiging van je wezen betekent, een aanvaarding van God. Dat kun je met logica alleen niet doen. Dat moet van binnenuit komen. De logica is het instrument, waarmee we de kaart tekenen. Ons geestelijk leven, ons gevoel, dat zijn de benen, waarmee wij de wegen in werkelijkheid gaan. Het licht, waarover wij soms spreken, is het einddoel, En het toverwoord van onze bewustwording is; volbracht. Omdat wanneer alles volbracht is, de vervulling der werkelijkheid ook in ons reëel geworden is.

Vrienden, daarmede gaan wij deze zondagmorgen besluiten. We moeten ook rekening houden met de conditie van het medium en daardoor hebben we wat piano aan gedaan. Ik geloof, dat U toch inhoud genoeg hebt gekregen om eens goed na te denken. De ochtend was één geheel. In het eerste gedeelte vindt U de lessen, die in het tweede gedeelte op een andere wijze belicht zijn. Het eerste gedeelte is voor U belangrijk. Wanneer U steeds weer deze eerste delen overdenkt niet ze alleen maar ontledend en volgend met de logica van Uw geestelijk vermogen, maar ook haar belevend en in de praktijk brengend met het wondere middel van Uw gevoel en Uw daadkracht dan is dit evenzeer voor U een weg tot bewustwording. En voor U ook een mogelijkheid om vóór U het durft verwachten achter Uw streven, Uw weg door alle werelden en sferen, ook te kunnen zetten dat heerlijke woord: Het is volbracht. En tot die tijd wens ik U dan allemaal een erg prettige dag, zonnige dagen, zonnige gedachten en verwachting en hoop op dat glorieuze moment, dat het woord “volbracht” voor U werkelijkheid uitdrukt.