Kosmische wetten

26 januari 1959

Een kosmische wet is een wet waarvan wij aannemen, dat zij in de gehele kosmos gelijkelijk geldt. Zij is dus overal van kracht, onverschillig of dit materiële werelden geldt, geestelijke werelden dan wel ‑ wat wij noemen ‑ de negatieve werelden. In deze werelden zijn nl. een aantal hoofdlijnen aan te duiden, die a.h.w. de begrenzing van het leven vormen. Wij kunnen dan ook nooit een kosmische wet overtreden. Een mens, die zich deze illusie zou maken, vergist zich in de betekenis van de Goddelijke eigenschappen en de Goddelijke wetmatigheid. Wij kunnen niet bestaan buiten hetgeen door God krachtens Zijn scheppend vermogen, Zijn eigenschappen tot uiting is gebracht. Ons zelfstandig bestaan is slechts mogelijk binnen Zijn wezen en wel in overeenstemming mét Zijn wetten.

Nadat wij deze noodzakelijke definitie hebben gesteld, is het de moeite waard ons af te vragen: In hoeverre kan een kosmische wet ons leven beïnvloeden? In de eerste plaats zal een kosmische wet alle leven voortdurend beïnvloeden, dus ook óns leven. Er zijn voor ons bepaalde dingen niet mogelijk, niet bereikbaar, omdat zij liggen buiten hetgeen ons door deze kosmische wetten wordt toegestaan.

De meest geciteerde ‑ in verband met het menselijk leven – is ongetwijfeld de wet van Oorzaak en gevolg. Dat is een heel knappe wet, wanneer ze juist wordt uitgelegd. Want ze geeft ons een volledig inzicht in al wat er in het leven gebeurt en in het waarom. Bij een verkeerde interpretatie echter stuiten wij onmiddellijk op grote moeilijkheden. Bij een verkeerde interpretatie van deze wet ontdekt men nl., dat de mens klaarblijkelijk gebónden is, dus niet vrij in zijn handelen, dat de mens niet in staat is zelfstandig te denken of te leven, omdat alles door oorzaak en gevolg bepaald zou worden. U zult mij dus niet kwalijk nemen, wanneer ik tracht de wet van Oorzaak en Gevolg hier allereerst kort te omschrijven, ofschoon ik ervan overtuigd ben, dat de meeste uwer deze wet reeds kennen.

Elk gebeuren maakt deel uit van een continuïteit, die binnen het Goddelijke zich afspeelt. Elke continuïteit op zichzelf is de uitdrukking van verschillende fasen van één Wezen. Het eerste gebeuren brengt met zich een reeks van gevolgen, waarvan elk op zichzelf voor een verdere reeks van gevolgen oorzakelijk kan zijn. Er moet echter worden gesteld, dat oorzaak en gevolg niet te allen tijde rechtlijnig zich bewegen, maar dat bij elke oorzaak een bepaalde reeks van gevolgen mogelijk is, waaruit één enkele wordt gerealiseerd. Dat laatste is erg belangrijk. Reden waarom ik het dus zeer in uw aandacht aanbeveel.

Op het ogenblik, dat God denkt, wordt Gods gedachte in God werkelijkheid. De schepping is de Goddelijke gedachte. Deze schepping houdt tevens in, dat ‑ bepaald door de scheppende gedachte ‑ een reeks mogelijkheden bestaan. Vanuit verschillende stellingen wordt gezegd: Voor God zijn deze alle werkelijk. Dat kan zo zijn ‑ wij kunnen dit niet nagaan. Wel kunnen wij voor onszelven vaststellen, dat elk klein gebeuren ‑ tot het allerkleinste toe ‑ een reeks van mogelijkheden opent. Wij kunnen verder constateren, dat de mens uit deze beperkte reeks van mogelijkheden zal moeten kiezen en dat van deze keuze het verdere verloop van zijn beleven, van zijn bestaan, dus afhankelijk is. Wetende dat het menselijke leven niet beperkt is tot alleen één stoffelijke fase, maar deel uitmaakt van de ontwikkeling van een ego, kan verder worden gesteld, dat in elk menselijk verschijnen oorzaken van vroegere (althans in het huidige bestaan niet‑geopenbaarde) waarden in dit leven mede hun werking kunnen doen gelden. Het is echter niet noodzakelijk, dat deze gevolgen reeds volledig waren vastgesteld. Want waar de keuze valt, valt ook pas de vaststelling van het gevolg.

Ik wijs hier zo nadrukkelijk op om u duidelijk te maken, dat b.v. karma niet betekent, dat u onomstotelijk een bepaalde reeks van onaangename ervaringen of gelukkige ervaringen zult moeten ondergaan. Het betekent, dat u naast andere mogelijkheden ook deze mogelijkheid geboden wordt; en dat u, kiezende krachtens uw eigen bewustzijn en zo een van de mogelijkheden tot werkelijkheid makend, voor uzelf een nieuwe fase van gebeuren schept. Aan de hand van oorzaak en gevolg kan t.o.v. de mens worden opgemerkt; De mens schept zijn leven zelve uit de beperkte waarden die in de stof aanwezig zijn, plus de beperkte waarden van het totale ego (inclusief geest), daarbij verder geleid door het niet beperkte aantal mogelijkheden, dat in de schepping ook voor hem openstaat. Het feit van deze keuze stelt ons voor vrije wil, gelimiteerd door eigen handelen.

Natuurlijk kan die Wet van Oorzaak en Gevolg ook op andere dingen worden toegepast. Een van de meest eigenaardige conclusies, die ik uit Oorzaak en Gevolg heb horen trekken, was deze: “God heeft geschapen. Hij is oorzaak. Als oorzaak is Hij verantwoordelijk voor alle gevolgen.” Ik stip dit punt aan om te voorkomen, dat we te snel verdergaande misvattingen bij u doen ontstaan. God is inderdaad verantwoordelijk voor alle dingen…. tegenover Zichzelf. Zoals u verantwoordelijk bent voor alle dingen tegenover uzelf. Gods wereld zal ongetwijfeld werkelijker zijn dan die van één van u. Dat neemt niet weg, dat ‑ zoals God Zijn werkelijkheid en daarmee Zijn verantwoordelijkheid belooft in Zijn schepping – u voor hetgeen uzelf in het leven creëert uw eigen verantwoordelijkheid zult dragen en uw eigen schepping der wereld kennen. Het heeft geen zin hier voorlopig verder op door te gaan en laat ons dus maar overstappen op een volgende wet ‑ ook algemeen bekend verondersteld;

Wet der gelijkblijvende Velden.

Er zijn twee oerkrachten, die aansprakelijk kunnen worden geacht voor de schepping van alle materie plus alle geest. (Niet de ziel.) Hiertussen ontstaan voortdurend veranderingen, variaties, wijzigingen en wrijvingen, waardoor verschijnselen ontstaan. Elk verschijnsel echter is zozeer gebonden aan het veld, waaruit het ontstond, dat de waarde van dit veld voortdurend gelijk blijft en elke wijziging slechts dan plaats kan vinden, wanneer ze t.o.v. de originerende kracht geen verlies of vermeerdering doet ontstaan.

Deze tamelijk ingewikkelde wet probeert aan te tonen, wat u allemaal wel eens beleefd zult hebben: dat er op een bepaald ogenblik geen mogelijkheid is om een werkelijkheid te veranderen, ofschoon je daarin toch wel andere dingen kunt beleven. Er is een veld of beter een kracht, die een andere kracht snijdt. Daardoor ontstaan krachten, die wij inductieverschijnselen noemen.

Inductieverschijnselen zijn oorzaak voor het ontstaan van de sterrennevels en al wat daarmee samenhangt. Ook voor het leven, dat binnen die nevels kan ontstaan. Want ook de stralingsverschijnselen van de kosmos kunnen – hetzij direct, hetzij indirect ‑ aan deze grote kosmische velden worden toegeschreven. Echter kunnen de waarden van deze velden niet onevenwichtig worden. Zodra een dezer velden sterker wordt dan het andere is er geen samenhang meer. Worden de verschijnselen geabsorbeerd door het ene veld, dan wordt het andere veld eenvoudig weggevaagd. Wij krijgen dan een zeer sterke beweging, te vergelijken met de stortvloed van een zee, die het land binnendringt en daar ‑ als bij grote rampen ‑ dus plotseling het vasteland doet verdwijnen. Wanneer dit zou gebeuren, zou er geen bewust of menselijk leven meer mogelijk zijn, omdat slechts in de tweeheid der verschijnselen ‑ dus door het verschil ‑ een mogelijkheid tot beleven aanwezig is.

Gelijkblijvende velden heeft natuurlijk ook voor de mens een betekenis, maar deze kunnen we beter in de sub‑divisie‑wet van evenwicht nader bezien. De Wet van Evenwicht zegt, dat elke uitbreiding ‑ onverschillig waarvan ‑ te ener zijde gecompenseerd moet worden door een gelijke uitbreiding te anderer zijde. Op het eerste gezicht lijkt dit erg spitsvondig. Wanneer ik zand breng van hier naar daar, dan krijg ik daar meer zand, maar dan krijg ik hier ook gelijkelijk minder zand.

Onverschillig hoe ik nu de zaak ga bekijken en waar ik mijn zand vandaan haal, ik kan altijd een lijn trekken waarvan ik zeg; Hier heb ik meer en daar heb ik minder. En die twee compenseren elkaar.

In het menselijk leven zien we dat ook. In de eerste plaats bij verwerving. U kunt ‑ ook in uw eigen wereld ‑ zeer veel verwerven. Maar voor alles, wat u verwerft, moet u iets geven. Alles heeft zijn prijs, zegt men wel eens. U kunt rijk worden, maar voor die rijkdom zult u b.v. uzelf moeten verloochenen, dus tegen uw eigen beter weten in handelen. Of u zult arbeid moeten verrichten. Of u zult u moeten afzonderen van de mensheid. Maar u verliest altijd voor al, wat u gewint. Zoals ook elk verlies automatisch zijn compensatie met zich brengt. Het is erg prettig, dat wij dit kunnen opmerken, omdat we daardoor de hoop levend kunnen houden. Ook al zien wij soms niet in, waarom bepaalde, fasen in het leven optreden, bepaalde kwade gebeurtenissen ons beroeren, wij kunnen ervan verzekerd zijn, dat hierdoor een mogelijkheid ten goede is geschapen, die even groot is. En wanneer het ons te goed gaat, dan worden wij nederig, omdat wij ons realiseren, dat de potentie van kwaad zoveel sterker is geworden. Deze wet van evenwicht stelt overigens niet, dat er goed en kwaad is. Zij stelt alleen, dat twee elkaar tegengestelde waarden aanwezig zijn. En dit houdt in, dat de waardering goed en kwaad t.o.v. de tegenstellingen aan onszelf is overgelaten.

Nu bestaat er nog een heel aardig wetje, dat zegt; Elk wezen en elke bestaansvorm is een facet van het Goddelijk Wezen. Als zodanig bevat elk wezen en elke bestaansvorm in zichzelf een volmaaktheid als in God. Onmiddellijk daar achteraan volgt slechts de realisatie van deze volmaaktheid kan de eenheid met God bewerkstelligen. Dat klinkt heel aardig, maar het is voor ons niet erg praktisch. Deze wet heeft voor de mens alleen in religieuze zin betekenis: Het streven naar een volmaakt beantwoorden aan God. Natuurlijk doet u dat van uit een zuiver persoonlijk standpunt. Het is uw God, Die u benadert; uw opvatting van het goede, dat u tracht te dienen. Er is geen bezwaar hiertegen, want wij vormen elk een eigen deel van de schepping en zullen als zodanig een eigen facet van het Goddelijke zijn passend in het totale bouwwerk van de Goddelijke structuur.

Dan is er nog ‑ wat wij noemen ‑ de Wet van Eenheid. De Wet van Eenheid zegt: Alles wat in geaardheid en beleving een overeenstemming bereikt, is één. Elke verloochening van een dergelijke eenheid betekent een zodanige beproeving van het deel, dat het tot het ene terugkeert. Als je het goed bekijkt, is dat nu eigenlijk de kwestie van naastenliefde. Alle dingen zijn één. Hier heeft u de hele mensheid, met al haar verschillende vormen, huidskleuren, rasverschillen en wat er verder bijhoort. Deze mensheid beleeft haar wereld gelijk. Zij baseert haar denken en streven op gelijke waarden. In allen leeft een gelijk oerprincipe. Krachtens deze wet zijn zij een eenheid. De kabbalist drukt het uit, wanneer hij spreekt over de Rode Adam bedoelende hiermee de wereld, waaruit de mensheid geboren is en waartoe alle delen der mensheid te allen tijde blijven behoren.

Deze kosmische eenheid moeten wij voor onszelf voortdurend realiseren. Wanneer in uw lichaam een enkele cel zegt; “Ik ga voor mijzelf leven ten koste van die andere, want ik ben ik en de rest van de wereld hoort niet bij me.” dan krijgt uw lichaam kanker. Elke grote zelfzucht, die de eenheid met het verdere leven ontkent, doet in het totale wezen “mensheid” een soort kanker ontstaan. Alleen is dat geen kanker, die operatief te verwijderen is. Zij kan slechts door een reversie, van de rebellerende cellen, de rebellerende eenheden (wezens) tot eenheid worden opgeheven. De mensheid heeft de plicht de verantwoordelijkheid voor alle andere mensen te dragen, zelfs indien dit gaat ten koste van eigen ogenblikkelijke vorm. Zoals bloedlichaampjes in het lichaam vreemde indringers aanvallen en zo het organisme beschermen ten koste van zichzelf. Verder volgt hieruit, dat elke georganiseerde aanval op of georganiseerde vernietiging van een deel der mensheid in feite is: het doen ontstaan van een ziekteproces in het totaal der mens­heid.

Geestelijk is de betekenis nog veel groter. Geestelijk betekent dit, dat zelfs de allerhoogste geest, die eens de menselijke vorm gekend heeft, onverbrekelijk met de mensheid als geheel verbonden is en zal blijven. Het betekent dat krachten die voor de mensheid bestonden en wier werking in de mensheid zich geopenbaard heeft ‑ bv. de meesters of geleiders van de eerste rassen ‑ met deze mensheid onverbrekelijk verbonden blijven. Er blijkt ons nog meer. Het mens‑zijn kan niet alleen bepaald worden door de menselijke vorm. Het is een mentaliteit, een onderlinge verhouding, waartoe ook andere wezens behoren. Wij kunnen in de praktijk zeggen, dat voor het grootste gedeelte van de aardbewoner (planten, dieren en mensen) de wet van eenheid volledig functioneert; dat zij volledig van elkaar afhankelijk zijn; en dat zij slechts door elkaar te helpen en te steunen tot een werkelijk Goddelijk leven kunnen komen.

Dat is misschien slecht nieuws voor degenen, die menen dat je oorlogje moet spelen, dat je bepaalde rassen klein moet houden, of dat je bepaalde groeperingen boven andere moet bevoorrechten. Want uit deze ene wet volgt dat ieder, die zulks doet, daarmee automatisch een ziekteproces in de mensheid doet ontstaan, dat de mensheid aantast en vernietigt tot het ogenblik, dat de gedachtegang, waaruit dit is voortgekomen geheel teniet is gedaan en het totaal der mensheid wederom volledig eendrachtig leert te streven.

Wij zien diezelfde verschijnselen trouwens ook op grotere schaal. En wij spreken dan over de Wetten der Harmonie. Nu vinden wij harmonie bv. muzikaal uitgedrukt. We weten bepaalde klanken passen bij elkaar, vullen elkaar aan, kunnen elkaar reliëf geven, enz. Harmonie in de kosmos is ongeveer hetzelfde. Er kan een bepaalde gelijkheid van waarde bestaan, waardoor een allerhoogst wezen, een meest lichtende kracht, direct verbonden is met het allerkleinste wezen, dat misschien niet eens bewustzijn heeft. In deze harmonie kan dan die allerhoogste kracht door het kleinste wezen zich openbaren, terwijl omgekeerd het kleinste wezen krachten en bewustzijn puurt uit die hoogste geest. Een voortdurende wisselwerking. Deze harmonie is veel groter, dan men misschien zou denken.

In de kosmos zijn zeer veel grote krachten, die wij over het algemeen vereenzelvigen met sterren en planeten. Dit is niet geheel onjuist. Deze zijn in bepaalde groepen in harmonie. Sommige groepen zijn t.o.v. elkaar nog disharmonisch. Wanneer een algehele harmonie tussen alle groepen en alle bestanddelen van die groepen gelijkelijk is gevonden, dan hebben wij de volmaakte uitdrukking van de Goddelijke gedachte en waarschijnlijk daarmee de nacht van Brahma. De nacht van Brahma betekent de uitdoving van het licht, het terugkeren van de z.g. realiteit en daad tot de potentie.

Er staat echter ook in de kosmische wet: Niets kan teloorgaan. Werkelijk niets. Wanneer dus alle werelden zouden terugvallen tot de oermaterie, de oerkracht, waaruit alles is voortgekomen, dan is er niets teloor gegaan. Niets van beleven, van denken of streven. Dit alles eens potentieel aanwezig blijft als potentie voortbestaan tot een volgende uiting. Verder ook voor de mens zelf. Er gaat niets teloor. Het is niet mogelijk de gevolgen van een bepaalde daad uit te wissen. Wel kan men tegenover die daad andere daden stellen, waardoor evenwicht ontstaat. Men kan dus voor zichzelf het gevolg van daden a.h.w. tot nul terugbrengen. Maar de daad blijft als kosmische waarde bestaan; ze houdt haar placering in de reeks oorzaak en gevolg en zal als invloed t.o.v. andere haar werking voortdurend uitoefenen.

Het is misschien goed ons dit te realiseren. Het heeft weinig zin om hier te spreken van schuld, van boete, van vergeving der zonden of iets dergelijks. Wij moeten alleen maar spreken van compensatie. Wij voor onszelf hebben evenwicht nodig, mens en geest. Wij zullen soms daden stellen, die ‑ krachtens een later erkennen ‑ verkeerd blijken. Soms zullen wij opzettelijk daden stellen, waarvan wij weten, dat zij niet goed zijn. Wij hebben daarmee voor onszelf een onevenwichtigheid geschapen, een belasting. (De psychologie geeft u hier wel verdere gegevens voor zover dit ligt op mentaal terrein.) En in deze belasting is er geen enkele weg tot hernieuwd harmonisch zijn, tenzij door het scheppen van een tegengestelde impuls of waarde, zodat het “ik” zijn harmonie met het geheel behoudt. Er zijn dan twee invloeden geschapen in die wereld rond ons, die beide hun werking op anderen kunnen uitoefenen. (Of moet ik zeggen: waaraan anderen hun eigen impulsen kunnen toetsen en ontleden?)

Natuurlijk heeft de kosmos nog veel meer wetten en wetmatigheden. Wij komen er al heel snel toe te zeggen, dat de wetten Gods op aarde hun uiting vinden. Ik meen, dat dit zeer beperkt waar is. Want een Goddelijke wet is alomvattend. Datgene, wat van daaruit tot openbaring komt, is slechts de gedeeltelijke openbaring, omdat de materie of de geest, waarin die openbaring plaatsvindt, niet het geheel van het Goddelijke omvat. Alles wat wij zien aan wetten moet kunnen worden herleid tot kosmische wetten, die onveranderlijk, eeuwig en overal gelijkblijvend zijn. Menselijke wetten in natuurkunde, elektriciteitsleer mechanica, geneeskunde eventueel, zijn dus alle deel van grotere wetten, doch geven slechts door hun omschrijving een beperkt deel van de werking dier wetten weer. Onthoud u dat alstublieft goed. Want dit betekent, dat achter alle wetten van schijnbaar geheel verschillende geaardheid zijn eenvoudige formule te vinden is, die de Goddelijke eigenschap aanduidt, krachtens welke al deze verschijnselen kunnen ontstaan.

Op het ogenblik lijkt het misschien idioterie, wanneer we een vergelijking maken tussen Einstein stelling omtrent tijd en ruimte, de wet van Ohm, de wet van Archimedes en de nieuwste stelling van Rhine omtrent telepathie. U zult zeggen: Dat zijn heel verschillende waarden. Maar ze houden alle een ding in; de onderlinge verwisselbaarheid van waarden en de onderlinge beïnvloeding van krachten, waardoor slechts als een combinatie van twee waarden een meting mogelijk is. En dan zou je kunnen zeggen ‑ ik doe dit nu zeer algemeen ‑ de formulering daarachter in de kosmische wet is deze: Het geheel van alle leven is een onderlinge beïnvloeding van twee verschijnselen van dezelfde kracht of twee uitingen van dezelfde kracht, waardoor een resultaat ontstaat, dat variabel is en zich toont als een derde waarde. Deze derde waarde kan in de plaats worden gesteld van een der beide componenten; en wij zullen deze altijd de andere component daaruit kunnen berekenen. Betrekkelijk simpel. Het klinkt erg ingewikkeld, maar als u het op papier zet is het heel eenvoudig. Hieruit vloeit voort, dat de kosmische wet voor de menselijke bewustwording het volgende betekent:

Ten eerste: Zolang wij slechts de verschijnselen bezien en niet gelijktijdig de uitkomsten berekenen, zullen wij betrekkelijk gedreven leven. Wij worden voortgejaagd door oorzaken en gevolgen, die buiten onze beheersing schijnen te liggen.

In de tweede plaats: Wanneer wij oorzaken ‑ positief en negatief ‑ in directe relatie weten te stellen met de uitkomst, dan kan een begeerde uitkomst ons aantonen, welke factor wij in werking moeten stellen om tot een bereiking te komen. Aan de hand van de Goddelijke wet is een z.g. magische bereiking mogelijk. Dat wil zeggen het bepalen van gevolgen door een overlegde keuze van oorzaken, die ‑ op het gevolg afgesteld zijnde ‑ andere door ons niet gekende of beheerste oorzaken duidelijk maken en in functie doen treden. (Hierover zullen velen uwer nog wel eens moeten nadenken, vrees ik. Maar goed, daarvoor is het een discussieavond.)

Om het nu eens heel eenvoudig te zeggen: Wanneer ik gebruik ga maken van kosmische wetten, kan ik krachten van geest en stof aan el­ kaar volkomen gelijkwaardig maken. Ik kan ‑ rekening houdend met bestaan­ de harmonieën ‑ elke kracht, waarmee, ik harmonisch ben, actief doen worden in elk vlak, waarmee ik harmonisch kan zijn door eigen instelling. Ik zal er een voorbeeld bij geven: Op het ogenblik, dat ik in mijzelf zoveel uiterlijke waarden des levens terzijde kan stellen, dat ik kom tot een beperkter maar juister begrip van God, een juister beleven van God, verkrijg ik daardoor een contact met krachten, voor wie dit de werkelijke wereld is. Hun werking, hun invloed, hun kracht en vermogen worden dus gelijktijdig in mij geopenbaard. (Denkt u aan hetgeen ik voorgaand reeds besproken heb.) Dan kan ik door mijzelf bovendien harmonisch te maken met een derde factor, die krachten daarheen geleid doen overvloeien. Ik kan wat in mijn eigen wereld ligt afstemmen op mijn wezen. Wat buiten mijn eigen wereld ligt kan ik slechts bereiken, door in mijn eigen wezen te trachten een ontvankelijkheid voor die hogere krachten te schoppen. Een gelijke grondidee moet in alle drie waarden altijd aanwezig zijn. Ik kan dus nooit uit de geest genezen, wanneer niet gelijktijdig boven mij een principe is, dat wil genezen plus beneden mij een principe, dat genezing nodig heeft en deze begeert in de zin van het hoge principe, dat ik aanroep. Alle wonderen van de wereld kunnen uit deze optredende harmonische verschijnselen worden verklaard. De doorsnee‑mens stemt zich onbewust op grotere krachten af, verkrijgt onbewust vermogen daaruit, dat hij dan gebruikt om andere harmonische krachten op aarde te stimuleren. Wanneer dit plotseling gebeurt, noemt hij het een wonder. Gebeurt het geleidelijk dan noemt hij het meestal zijn verstandelijk overleg, zijn doorzettingsvermogen, etc.

Voor de mens betekent verder de reeks van kosmische wetten ten tweede, dat elke mens ‑ ongeacht zijn instelling, ongeacht zijn handelingen en daden ‑ voortdurend deel is van het Goddelijke. En dat ‑ mits hij in dit Goddelijke een juiste functie vervult ‑ hij t.o.v. dit Goddelijke niet slechts schuldloos maar zelfs volkomen één en harmonisch is. Conclusie: Veel van het z.g. kwaad der mensheid is in feite de noodzakelijke correctie, die het Goddelijke aanbrengt om de evenwichtigheid te handhaven. De eigenschap evenwicht moet worden uitgedrukt. Degenen, die hiervoor zijn voorbestemd handelen ‑ ofschoon tegenover de wereld soms zeer wreed en slecht volgens menselijk oordeel ‑ slechts in overeenstemming met de Goddelijke wil en zijn als zodanig een volmaakte uitdrukking van Goddelijke eigenschappen.

In de kosmische wetten staat niet te lezen, dat God liefde is. Geen enkele van die wetten brengt dit tot uitdrukking. Maar wij kunnen dit waarschijnlijk het best afleiden door te stellen, dat ‑ gezien het feit, dat elke kracht van het Goddelijke eeuwig en blijvend is en verder elke kracht van het Goddelijke volledig aan het Goddelijke beantwoordt ‑ God slechts haten, straffen of verdoemen kan door een deel van zichzelve te verloochenen. Zou Hij dit doen dan zou Hij daarmede zichzelve onevenwichtig maken en als zodanig geen bestaansmogelijkheid en uitingsmogelijkheid meer vinden. Op het ogenblik, dat God anders dan in een volledige aanvaarding en genegenheid Zijn schepping in stand houdt, zal deze schepping teniet gaan. En dan is het de vraag; of God kan blijven bestaan. Een zeer ernstig punt. Kan God blijven bestaan? De macht God moet natuurlijk wel blijven bestaan. We kunnen ons dat niet anders voorstellen. Maar een onevenwichtigheid in God, zou het totaal Goddelijk denken misschien kunnen uitwissen. En dat zou betekenen het einde van alle dingen. .

Een laatste punt. Uit de kosmische wetten kunnen wij leringen trekken voor het menselijk leven en bewustzijn. Elke uitdrukking van de Goddelijke wet, die daaraan is aangepast, is in feite onvolledig, té ingewikkeld. Ze is echter noodzakelijk, omdat zonder dit in een menselijke omgeving geen begrip kan worden gevonden. Indien elke mens zich realiseert, dat bepaalde Goddelijke wetten hem leiden en dat deze wetten ‑ belangrijker dan elke andere wet ‑ hem soms zullen dwingen in te gaan tegen waarschijnlijkheid tegen aanvaarde wetmatigheden, tegen aanvaarde regelen. zal hij begrijpen dat de grootste verantwoordelijkheid van elk individu niet is te beantwoorden aan de eisen der gemeenschap maar te beantwoorden aan de eisen Gods en met die God harmonisch te blijven voor zover dit mogelijk is.

En daarmee heb ik dan dit betoogje al zo ongeveer beëindigd. Het is niet veel, zoals u merkt, maar er valt heel wat beter te zeggen. Door U. Want wat ik hier terloops haast heb aangestipt is voor u verknoopt met elk verschijnsel van het leven, met elk vraagstuk, dat u kent, onverschillig of dit nu politiek is, religieus, geneeskundig, op ander gebied wetenschappelijk of alleen maar zuiver menselijk. In de­ze wetten, die ik hier zo kort heb aangestipt, deze paar kleine punten uit het kosmisch bestel ligt de verklaring van uw eigen onevenwichtig­heid, uw tegenstrijdigheid. Het is aan u om de voor u belangrijke punten nu a.h.w. verder aan te duiden en deze zo nodig te maken tot een onder­ werp van discussie of debat. Ik wil hieraan één beperking verbinden en dat is deze: Op zuiver religieuze basis (dus zuiver een geloofsbasis) is geen vruchtbaar debat mogelijk. Ik hoop, dat u zich hier zult willen beperken tot een simpele uiteenzetting van standpunt, waarop eventuele beantwoording mogelijk is. Ten tweede: Wat betreft politieke beïnvloedingen, ook hier is een eenzijdigheid aanwezig. Indien u vragen stelt op dit terrein zult u dus afstand moeten doen van uw recht uw partij als de enig juiste te zien. Onthoudt u dit. Elke vraag krijgt het antwoord, dat ze waard is. Elke discussie bestaat uit een meningsuitwisseling tussen twee wezens, die beiden dienen na te denken om haar vruchtbaar te maken. En elke uiteenzetting omtrent de kosmos moet vanuit menselijk standpunt worden opgebouwd uit de kleine delen van de kosmos, die je als mens en geest leert kennen.