Kosmogonie: inleiding

uit de cursus ‘Kosmogonie’ 1962

Inleiding kosmogonie

Wanneer wij het ontstaan van de kosmos als geheel willen beschouwen, worden wij geconfronteerd met twee schijnbaar tegenstrijdige theorieën en twee schijnbaar tegenstrijdige reeksen van verschijnselen en openbaringen.

Allereerst hebben wij te maken met een zuiver mechanische theorie. Deze theorie is op aarde nog niet volledig ontwikkeld; zoals gebruikelijk zijn de geleerden het voortdurend met elkander oneens over de meest juiste lezing. Niettemin wijst zij toch in een bepaalde richting.

Daarnaast kennen wij het geloof, de overlevering van de mensheid, het geloof in een scheppende godheid; in een godheid die uit zichzelf andere goden voortbrengt die elk afzonderlijk een andere scheppende functie hebben, in aartsengelen die zeer bepaalde roepingen of functies hebben binnen een goddelijke hiërarchie en alles wat daarbij komt.

Het zal u duidelijk zijn dat de samenvatting van deze verschijnselen en leringen hier en daar een moeizaam en soms wat gewrongen proces moet worden. Wij willen in enkele korte lessen trachten allereerst eens te zien wat er nu eigenlijk waar is. Om echter die waarheid te vinden, zou ik bij wijze van inleiding graag een paar stellingen met elkaar willen vergelijken en naar ik hoop, zal het u niet te zeer verbazen, dat ik allereerst grijp naar theorieën die tot de Hindoe‑mystiek behoren.

Er is een wereldziel; maar er is vóór alles Brahma, de geuite Schepper; en Brahman, het scheppend Vermogen dat niet geuit is. Het bewustzijn brengt uit het niet‑geuite het geuite tevoorschijn. Met andere woorden: er is niets buiten bewustzijn, althans in deze ruimte. Dit bewustzijn brengt vervolgens uit die geheimzinnige kracht (die men Atman noemt of soms ook wel Brahma’s adem) een hele schepping voort. Dat is heel interessant, maar… wat kunnen wij daar nu wetenschappelijk naast stellen?

Volgens de bekende wetenschappelijke gegevens, praktisch niets, nl. alleen een geloof, een filosofie, wat wijsbegeerte, maar betrekkelijk weinig feiten. Want de feiten worden in deze tijd nog niet zo gecombineerd, dat een antwoord op de vraag “Wat zou Brahman, wat zou Brahma zijn?” mogelijk wordt. Ik tracht dit nu te doen uit verschijnselen die elk voor zich in de natuurwetenschap bekend zijn, althans deel uitmaken van reeds bekende theorieën.

In de eerste plaats: Wij zien dat bij elke uiting van kracht een zeer klein en haast onmerkbaar deeltje van die kracht op een onbekende wijze verloren gaat. De gedachte dat energie wel kan worden omgezet maar niet verdwijnen, wordt hiermee wel niet gelogenstraft, maar wij staan voor het verschijnsel dat ongeveer een half tot anderhalf promille van elke normale krachtsuiting ‑ en vooral daar waar straling met de krachtsuiting gepaard gaat ‑ in het onbekende verdwijnt. Indien ik nu stel dat er niet alleen dit heelal is, maar dat er naast dit heelal een ander heelal bestaat, althans een ruimtelijke structuur of verhouding, dan zou ik mij kunnen voorstellen dat door iets, wat op osmose lijkt, (een soort lek door de scheiding van tijd, beweging en magnetische flux) dat deel van de energie wegsijpelt naar die andere ruimte. Wat zij daar doet, kunnen wij niet nagaan. Maar de stelling is op zichzelf ongetwijfeld even goed als elke andere verklaring voor het verdwijnen van dat kleine, zeer kleine percentage van de energieën, waarvan wij niet kunnen nagaan, waar het blijft.

Nu ga ik met mijn stelling wat verder. Wanneer voortdurend iets van de energie, die in uw heelal aanwezig is, tenietgaat, ontstaat er aan de andere kant dus een voortdurende toename van energie. Er is dan buiten uw eigen gekende Al een energiebron, een kracht, die op de een of andere manier gebonden zou kunnen zijn met uw heelal. Verder blijkt, dat naarmate de energie wegvalt, de beweging der materie trager wordt. Er ontstaat een steeds grotere gelijkmatigheid, die men wel stasis noemt. Dit verschijnsel is op moleculair niveau geconstateerd. Er komt een ogenblik dat alle activiteit ten einde is en alleen een starre evenwichtige structuur overblijft. Wanneer dit voor uw heelal het geval zou zijn, betekent dit dat er geen beweging meer is. Waar geen beweging is, is ook geen tijd; maar ook niet meer een aantal werkzame velden. Dan zou dus op een gegeven ogenblik uw Al uitblussen, het zou dood zijn.

Aan de andere kant is er in die tweede ruimte kracht. Die kracht heeft spanning. En nu er in uw heelal niet meer voldoende kracht aanwezig is om nog een beweging, een afscherming tot stand te brengen, zou ze wel eens ‑ zoals een teveel aan lucht in een fietsband b.v. ‑ door een zwakke snee kunnen uitbreken en daardoor zou er een enorme ontlading van energie ontstaan. Een enorme ontlading van energie ‑ dat heeft de moderne natuurwetenschap al geleerd ‑ betekent praktisch ook een ontbinding van alle materie in haar feitelijke kleinste bestanddelen. Wij houden dus alleen nog maar de oerwolk over en daarmee zijn wij aan de bekende thesen aangekomen. Want die oerwolk verdicht zich tot het centraal atoom of de oerkern, welke door haar eigen grote spanning explodeert en waaruit dan een Al zou kunnen ontstaan.

Tot zover een paar wetenschappelijke stellingen. Nu terug naar de Hindoe‑mythen.

Er is dus inderdaad bij deze stellingen sprake van een kracht die niet bekend is, die ook uit zichzelf niet kenbaar wordt en zelfs niet scheppend zou kunnen optreden. Het is de onbekende kracht, de ruimte, waarheen een energiequotiënt wegebt. Op het ogenblik dat de uitbarsting komt, treedt deze ruimte tijdelijk weer in het verleden. Ze wordt onmiddellijk door de ontstaande velden en spanningen afgedicht en blijft voor de mens onkenbaar. Naarmate echter een heelal ouder wordt en dus gaat terugkeren a.h.w. tot een toestand van rust of stasis, wordt zij weer meer kenbaar.

Een interessante vergelijking, want wij hebben u alleen nog te verklaren: Wat is de Schepper? En ook daarvoor kunnen wij in deze reeks stellingen toch wel, naar ik meen, een vergelijking vinden.

Wanneer er nl. bij een Al in stasis, een krachtsontlading plaatsvindt, zal de wijze waarop dat geschiedt bepalend zijn voor datgene wat er onmiddellijk het gevolg van is. De manier waarop die kracht zich ontlaadt (snel of langzaam, met zeer hoge frequenties of eerder als een lage trilling, een lage vibratie), zal bepalen wat de eigenschappen zijn van het Al, dat daardoor ontstaat. De adem Gods (het ontwaken van de nieuwe Schepper in de Hindoe leer) wordt vergeleken met licht; dus een hoge trilling, een zeer hoge straling vooral die vibraties wekt.

Verder spreekt men in beide gevallen van de “gedachte”. Nu is de gedachte niets anders dan een matrix, een energievorm. Een energievorm, georigineerd door een wezen, zeker, maar dan toch wel op een zeer juiste manier gebonden a.h.w. aan een zeer bepaalde en persoonlijke uitdrukking.

Indien ik stel dat de gedachte op een niveau dat ver boven het stoffelijke ligt, onafhankelijk is van hetgeen u kent als energie, dan zou iemand wiens bewustzijn zich zo ver heeft ontwikkeld, dus inderdaad bij het wegvallen van alle uiting, alle beweging, alle tijd, de gedachte in zich hebben. Deze vermogens, deze kracht tot denken kan worden omgezet in een daad, in het leiden van energie tussen het onbekende Al enerzijds en uw eigen heelal anderzijds.

En dan denken wij direct aan het boek Genesis, dat door zoveel Christenen als de enige openbaring wordt aanvaard. God sprak. “Het worde licht” en het werd licht. Energie ontlaadt zich, partikels in snelle beweging beroeren elkaar en er ontstaat glooiing en licht. Dat is dus volkomen in overeenstemming met de Openbaringen maar ook met een voorstelbaar mechanisch proces.

Wij kunnen ons dit proces nu voorstellen als geheel mechanisch; dus zonder een bewustzijn of een leidende kracht. In dat geval zou alles, wat in het Al bestaat, een toevalsproduct zijn. Wij kunnen het ons ook voorstellen als een bewust geleide ontlading van kracht. In dat geval zijn de grondregels, de spelregels van de schepping, door een bewustzijn gesteld. Er zijn m.i. voldoende redenen om aan de laatste stelling de voorkeur te geven. Het blijkt nl. dat er ook buiten de mensheid bepaalde wetten overal op gelijke wijze werkzaam zijn. Het blijkt ons verder dat deze wetten niet een volkomen logische structuur hebben, omdat zij niet alleen rekening houden met zuiver materiële energieën, maar daarnaast ook bepaalde waarden van perceptie inschakelen.

Een natuurwet zal in bepaalde gevallen worden gewijzigd, wanneer een groepsinstelling wordt gewijzigd. Neem nu alleen maar uw eigen lieve zwaartekracht. Zonder direct aan de sprookjes en de vliegende tapijten te geloven, moeten wij toch wel vaststellen dat er inderdaad hier en daar onverklaarbare verschijnselen van levitatie zijn waargenomen. Levitatie, die zelfs tot 1800 nog geconstateerd werd bij sommige mensen in geestesvervoering en waarbij de wet van de zwaartekracht voor die mensen klaarblijkelijk werd opgeheven.

En nu kunnen wij natuurlijk geloven, dat er engelen zijn, die zo iemand overeind houden, maar logischer is het te stellen ‑ wat ook elders blijkt ‑ dat materiële wetten door gedachten en gevoelswaarden kunnen worden gewijzigd.

Deze gevoelswaarden nu liggen buiten de wetmatige structuur van een zuiver mechanisch Al. Op grond daarvan mogen wij dus het ontstaan van de kosmos m.i. ook wijten of danken (al naargelang van uw instelling t.o.v. het leven) aan een denkend of een bewust wezen dat door zijn instelling en denken bepaalde varianten in de wetten mogelijk heeft gemaakt, bepaalde waarden in de kosmos heeft ingeschakeld welke overal tot uiting komen en die niets meer te maken hebben met eenvoudige wijzigingen van stoffelijke verhoudingen.

Dit is dan het eerste en ik geloof voor heden ook wel het belangrijkste punt.

Het is mogelijk te aanvaarden wat de oude mystici leren. Het scheppingsverhaal in de Bijbel behoeft volgens de huidige inzichten en instellingen wel niet letterlijk als waar te worden aangenomen, maar het bevat een kern van waarschijnlijkheid en waarheid. Dan echter zullen ook andere delen van die openbaring en van deze mystieke werken een zekere graad van waarheid, van redelijkheid moeten bevatten.

Nu worden wij overal geconfronteerd met een god, die anderen voortbrengt. Bij de Hindoes wordt uit het hoofd van de eerste god een tweede godheid geboren. Een andere god vervaardigt uit zichzelf een vrouw. Zij brengen kinderen voort enz. God schept hemelse heirscharen volgens de christelijke opvatting. God brengt uit Zichzelf krachten voort: wezens. Hoe? Dat is moeilijk na te gaan.

Maar als wij God nu eens een ogenblik oneerbiedig vergelijken met een soort amoebe, dan zouden wij kunnen zeggen: De oorspronkelijke gedachte bevoertuigt zich in zijn Al als een bepaalde frequentie, een soort ééncellig wezen. Wanneer die schepping ver genoeg is gevorderd, voedt de God zich uit zijn zelferkenning en komt tot parthenogenesis. De oorspronkelijke gedachte blijft bestaan; er komen er echter twee bij, die elk op zichzelf die eigenschappen weer hebben, maar op een wat lager niveau misschien. En zo kunnen wij ons die opbouw van een hiërarchie van goden, engelen, tronen of heerschappijen ook wel voorstellen. De vraag is alleen maar of van het wetenschappelijk standpunt uit gezien het ontstaan van dergelijke wezens aanvaardbaar is en of het ook redelijk is aan te nemen dat zij elk een bepaald gebied hebben.

Wij doen dan het verstandigst ons naar de trillingsleer te begeven. Wij hebben daar een heel eenvoudig verschijnsel. Een vlak dat u een bepaalde kleur toont, absorbeert alle trillingen behalve die met een frequentie van de kleur die u ziet; deze wordt weerkaatst. Indien door het zich verdelen van de hogere krachten nu eens wezens ontstaan, die zich voeden met alles, maar een bepaalde reeks eigenschappen naar de schepping terugkaatsen, dan kan er van zo’n wezen wel degelijk worden gezegd, dat het van ons standpunt uit gezien, zich slechts manifesteert als één bepaalde eigenschap van de Schepper of één bepaalde wet.

Het lijkt mij dat hierdoor een tweede verschijnsel duidelijk wordt. Waarom zouden de goden onderling strijden? Waarom zouden de engelen een strijd beginnen? Klaarblijkelijk zijn er trillingen en zelfs kleuren, die ofwel met elkaar samenvloeien en dan een andere kleur veroorzaken, dan wel wanneer ze naast elkaar zijn ‑ een zeer pijnlijk effect hebben, (U weet wel, dames, zoals dat hoedje van uw buurvrouw dat zo verschrikkelijk bij het japonnetje vloekt; twee kleuren die vloeken). U ondergaat dat als een spanning, een strijdigheid, een disharmonie. En dat komt heus niet alleen uit uzelf voort.

Stel dat er dus functies of eigenschappen zijn die ‑ zolang ze afzonderlijk en toch naast elkander worden bezien ‑ met elkaar in strijd zijn. Dan hebben wij hier de verklaring voor het goed en het kwaad, die altijd een grote rol spelen in alle overleveringen. Uit de goden wordt altijd een god geboren, die een beetje minder goed is dan de anderen. Soms heet hij Loki, soms wordt hij Mara genoemd, soms Lucifer. Er zijn nog vele andere namen. Maar altijd geldt dit: er is een invloed, die vloekt met de meest geliefde kleur of goddelijke eigenschap. Dit is aanvaardbaar en naar ik meen zou er zonder dit conflict niet een zoveel omvattende schepping noch een zo grote differentiatie van leven, levende wezens, eigenschappen, krachtsverhoudingen en spanningsvelden in de kosmos mogelijk zijn.

Dit is een punt dat ik hoop later met u verder uit te werken.

Ik wil nu deze inleiding besluiten met een opmerkingen, die voor sommigen van u verrassend, voor anderen misschien heel natuurlijk zal klinken. Wanneer wij nu aannemen dat dus de scheppende kracht zich kan verdelen, dan is het logisch dat er in de schepping ongeveer dezelfde onderverdeling bestaat. Dan zullen wij leven onder de invloed van een bepaalde kracht en deze kan voor elk van ons wat verschillen.

Wanneer wij behoren tot een bepaalde hoofdgroep, dan zal voor de hoofdgroep inderdaad één kleur a.h.w. bepalend zijn. Maar zelfs daarin zullen vele tinten, vele varianten voorkomen en ook deze zullen t.o.v. elkaar soms strijdig zijn. Het element “strijd”, het ontstaan en vergaan, dat in het ganse heelal zo belangrijk schijnt te zijn, zou hieruit eveneens verklaarbaar worden.

Maar één ding is zeker. Boven alle gaan, vergaan, ontstaan, ja, zelfs, boven de absolute stilstand regeert suprême gedachte, die zich onttrekt aan de normen van eenvoudige energie. Want dat is het scheppend Woord; dat is de eerste uitdrukking die a.h.w. richting geeft aan elk scheppend Vermogen en aan elke kracht. Deze gedachte ligt althans in beginsel, ook in onszelf. Wij zullen ontstaan en vergaan. Wij zullen van wereld tot wereld kunnen wandelen, maar de gedachte in ons zal blijven. En omdat de gedachte in ons blijft bestaan, lijkt het mij belangrijk in enkele lessen ‑ zij het wat beknopt na te gaan hoe de kosmos tot stand kan zijn gekomen. Het lijkt mij zelfs nog belangrijker of wij een antwoord vinden op de vraag: Wat is onze God, Die wij in de schepping kennen en bestaat er nog meer?

Ik zal mijn best doen in de volgende lessen op deze vragen enigszins een antwoord te geven en uw gedachten in een richting te leiden, die bevorderlijk kan zijn voor uw begrip zowel van de schepping, waarin u leeft, als van de werelden die buiten uw huidig bevattingsvermogen kunnen bestaan en zelfs van datgene wat ligt aan de andere kant van de grens, achter de grote kloof van energie, van uiting en van ruimte: het niet‑geopenbaarde.

Kritiek en kritisch denken

Kritiek is iets dat iedereen heeft op alles wat hem niet past. Met andere woorden: het is een poging om de onjuiste of onaangename punten daarin naar voren te brengen en de hiaten te vinden. Wat dat betreft zal de mens die de kritiek uitoefent, heel vaak, wat men noemt, spijkers op laag water zoeken. Dan gaat dat ongeveer als volgt.

Iemand zegt. “De dichter heeft het toch maar schoon uitgedrukt. A thing of beauty is a joy for ever.” Waarop prompt een criticus zegt: “Maar die mijnheer “Ever’ ken ik niet. En dat de dichter dit zonder meer beweert, moet hij eerst maar eens aannemelijk maken.”

Kijk eens, hier wordt dus eenvoudig een waarde verdraaid. Ever kan “altijd” zijn; het kan ook een persoon zijn. En zelfs van “joy” zou je ook nog weer een persoonlijkheid kunnen maken. Hier gaat men dus proberen er iets in te lezen dat er eigenlijk niet mee bedoeld is. En dat is iets, dat menigeen helaas beschouwt als “kritisch denken”.

Kritiek, die werkelijk goed wordt gebracht, betekent het erkennen van fouten, maar gelijktijdig het geven van een opbouwend oordeel. Wanneer ik ontdek dat ergens in een plan of in een boek een aantal hiaten bestaan, dan is het heel logisch dat ik dit constateer en hierop de nadruk leg. Maar dan moet ik ook zeggen, hoe het anders zou moeten zijn. Ik moet dus mijn kritiek niet slechts gebruiken om ergens een ander te verwonden of iets waardeloos te maken; neen, ik moet haar gebruiken om datgene wat bestaat, waardevoller en juister te maken. En dit, meen ik is het punt waarbij kritisch denken in het geding komt. Want kritisch denken, d.w.z. denken met een gave van oordeel over en onderzoek van bepaalde punten, is al te vaak slechts een naar voren brengen van je eigen standpunt.

Een geestelijke, die onze voordrachten naleest, zal ongetwijfeld kritisch denken. Maar zijn kritiek gaat dan niet uit van de stellingen die door ons worden geponeerd en de waarschijnlijkheid daarvan. Neen, hij gaat uit van zijn geloof; dus van zijn manier van denken. Hij constateert de verschillen tussen zijn denken en ons denken en komt op grond daarvan tot een oordeel. U zult begrijpen dat dit met werkelijk kritisch denken niets heeft uit te staan, ook al wordt het maar al te vaak zo genoemd.

Kritisch denken wil zeggen: niet zonder meer aanvaarden. Alles wat je hoort, wat je leest, op je laten inwerken, nagaan wat daarin juist kan zijn en wat daarin onjuist kan zijn. Door op zo’n manier je gedachten te laten gaan ‑niet alleen over datgene, wat is gebracht maar ook over de eventuele fouten en goede punten daarin ‑ kan men in de eerste plaats het gebrachte, zo’n gedachte enz., veel beter verwerken. Het spreekt meer tot je. Je gaat de werkelijke betekenis ervan duidelijker inzien.

In de tweede plaats zul je door een dergelijk kritisch denken al snel komen tot een poging om te verbeteren. Wij leven op een wereld, waarin wij als individu staan tegenover een groot aantal andere individuen en een meestal niet geheel begrepen kosmos. Ieder onzer geeft daaraan zijn persoonlijke uitleg en tracht die op zijn wijze te beleven.

Men verzamelt zich in groepen om daaraan existentialistisch, religieus, mystiek, occult of op een andere manier, uiting te geven.

Dit alles is natuurlijk en aanvaardbaar. Maar wanneer wij tegenover de rest van de wereld staan en het ondanks al onze pogingen om een eenheid met die wereld te bereiken blijkt dat hierin geen verandering komt, dan zullen wij op een gegeven ogenblik moeten zeggen: Waar zit de fout in het denken van die ander? Ik kan dat alleen goed inzien, als ik niet slechts zijn stellingen maar ook de mijne aan dezelfde kritiek onderwerp.

Hierin nu schuilt de grote fout die de meeste mensen maken. Kritiek op zichzelf is beoordelen. Kritisch denken echter is een poging om de beoordeling om te zetten in een direct geconstateerd verband van al dan niet logische waarden, een vergelijking tussen het gekende en het eventueel geponeerde; verder een vergelijking van de juistheid van wat je zelf allereerst aanvaardt met dat, wat een ander aanvaardt. Ik meen dat ik hiermee het hoofdpunt van het onderwerp wel heb behandeld.

Want, vrienden, kritiek zullen wij altijd hebben. Sommigen staan onmiddellijk met hun kritiek klaar, anderen verbergen die. Sommigen hebben de neiging alles aan te nemen en hun kritiek ten slotte op zichzelf te richten. “Ik ben zeker te dom om het te begrijpen.” Of: “De fout zal wel bij mij liggen.”

Anderen zoeken de fout alleen bij een ander, want wat zij kennen is juist, is goed. Een mens die ermee begint zijn eigen stellingen op hun waarschijnlijkheid en juistheid te toetsen en daarna de stellingen van een ander, komt in de eerste plaats tot een juiste vorm van kritiek want hij beseft dat zijn oordeel persoonlijk is, gebaseerd op zijn stellingen en de relatie tussen die stelling en hetgeen hij elders vindt.

In de tweede plaats zal hij door ook zijn eigen stelling aan dezelfde proef te onderwerpen, welke hij aan de stelling van een ander oplegt, de eerste juister definiëren en eventueel herzien.

Ten slotte zal hij, aan de hand van de vergelijking, waardoor beide waarden op dezelfde wijze worden getoetst, vaak kunnen komen tot een aanvulling van dat, waarop hij kritiek heeft en eventueel tot een verbetering van hetgeen daarin werd vastgelegd of gesteld.

Het verschil tussen kritiek en kritisch denken is dus moeilijk aan te geven. Maar wij kunnen toch wel stellen: kritiek betekent een oordeel. Om een juiste kritiek uit te oefenen, moet men eerst kritisch kunnen denken. En kritisch denken impliceert dat men zowel de eigen gedachten en stellingen als die van anderen, de eigen visie zowel als die van anderen, aan gelijke proeven onderwerpt en op gelijke wijze nagaat. Alleen dan is resultaat mogelijk.

Nu kan ik nog heel veel gaan zeggen over kritiek. Want de beste kritiek komt, zoals u weet, van de mensen die ergens iets van afweten. In Nederland zegt men dat de beste stuurlui aan wal staan. Het is dan ook heel gemakkelijk om vanuit je eigen wat geïsoleerde standpunt een oordeel te vellen over de werkingen, de gedachten, de beïnvloedingen die anderen ondergaan of presteren.

Hoe zou je zelf in een gelijke situatie handelen? Dat is de grote vraag. Ik moet mij daarom niet alleen bij kritisch denken en in het uitoefenen van kritiek beperken; neen, ik moet voor mijzelf eerlijk nagaan wat ik zelf kan. Alleen als ik zelf in staat ben hetzij een verbetering te suggereren, hetzij een gelijkwaardige stelling te poneren met dezelfde waarschijnlijkheid, heb ik werkelijk het recht tot kritiek. En dat betekent dat heel veel beroepscritici dus maar betrekkelijk weinig recht hebben om te kritiseren.

Het is eenvoudig om te zeggen. “Ja, wij behoeven per slot van rekening toch geen musicus te zijn om de prestaties van een musicus te kunnen beoordelen.” Dat is waar zolang wij ons beperken tot de prestatie als zodanig. Zodra wij echter aan onze kritiek op deze prestatie (dus op de klankenreeks) een kritiek op de musicus gaan verbinden, dan gaan wij werken met onze instelling en ons oordeel t.o.v. iemand, die onder geheel andere condities werkt, beleeft en mogelijkerwijze een hele reeks hinderpalen moet overwinnen, waarvan wij eenvoudig niets afweten. Punt 1.  Het is dus gevaarlijk om met je kritiek verder te gaan dan alleen over wat kenbaar wordt. Punt 2. Er behoeft van mij niet te worden verwacht dat ik bv. dezelfde roman kan schrijven of een gelijkwaardige als de schrijver wiens werk ik moet beoordelen. Maar ik heb alleen het recht diens werk te beoordelen, als ik kan aangeven waar zich de fouten bevinden, hoe deze kunnen worden verbeterd.

Een kritiek, die alleen fouten aanwijst, is geen werkelijke kritiek. Het is een poging tot zelfverheffing ten koste van anderen.

Dan hebben we nog de menselijke behoefte tot kritiek. Wat is hiervan de achtergrond? De menselijke behoefte tot kritiek, vooral aan zelfkritiek, is betrekkelijk klein. Maar u zou het beter zo kunnen stellen: Waarom heeft de mens er zoveel behoefte anderen te kritiseren?

Dat is eenvoudig te verklaren. Naarmate ik mij bewust ben van een geringer vermogen, van minder capaciteiten op een bepaald terrein dan een ander, zal ik meer geneigd zijn anderen, die wel iets presteren, aan te vallen. Het is voor mij immers zo moeilijk, zoals het voor iedere mens altijd moeilijk zal blijven om de meerwaardigheid van een ander te erkennen. Dit wordt sterker naarmate ik iets op een ander terrein presteer.

Wij krijgen dan bv. de ingenieur, die op grond van zijn kennis van de meetkunde kritiek uitoefent op de composities Van Wagner bv., daarbij niet begrijpend dat dit twee geheel verschillende dingen zijn. Wij ontmoeten dan een musicus, die een oordeel wil uitspreken over de lijnen van een brug, niet beseffende dat bepaalde moeilijkheden in de constructie, bepaalde eisen daaraan gesteld, een andere lijn van de structuur onmogelijk maakten. Maar als hij dit zou beseffen en toegeven, dan zou hij ook moeten erkennen dat de ander groter is dan hijzelf.

Geloof mij, de doorsneemens oefent op eenieder kritiek uit en al durft hij dat niet openlijk te zeggen ‑ zelfs op zijn God. Alleen op zichzelf zal hij weinig kritiek dulden. Want degene die hem op zijn fouten wijst, ziet hij als iemand die zijn persoonlijkheid aantast. Wanneer hijzelf kritiek uitoefent, meent hij echter dat hij zijn eigen persoonlijkheid versterkt.

En dit is dus het typische verschijnsel: wie groot wil zijn onder de mensen, doet dit heel vaak niet door zichzelf boven anderen te verheffen, maar door te trachten hen, die boven hem staan naar beneden te trekken. Hij meent dat dit de eenvoudigste oplossing is en is daarbij even dwaas als een misdadiger die een jaar lang een bepaalde bankroof voorbereidt en heel wat meer tijd en moeite besteedt aan deze onwettige bezigheid voor een beloning, die kleiner is dan hij voor wettige arbeid met wettige beloning zou kunnen verdienen.

De mens is altijd geneigd zich tegen de regels te verzetten. Hij aanvaardt niet graag. En als hij aanvaardt, is dit in 9 van de 10 gevallen een berusting, omdat de zaak waarom het gaat hem niet interesseert.

De neiging op iedereen en alles kritiek te hebben is dus in feite een uiting van een soort minderwaardigheidsbesef, dat gepaard gaat met een behoefte tot zelfverheffing en vaak ‑ maar niet altijd ‑ een vorm van narcisme, waarbij men de zelfbewondering alleen kan handhaven door alles buiten zich eenvoudig neer te drukken.

Het juiste inzicht

Het juiste inzicht is hoofdzakelijk het juiste inzicht in jezelf. Slechts de mens, die zichzelf kent, zichzelf leert begrijpen, zal zijn plaats in de wereld en de betekenis van hetgeen daarin gebeurt, op de voor hem juiste wijze kunnen interpreteren.

Het juiste inzicht is samengesteld uit vele krachten. Maar in ons is een groot vermogen (de ziel, deel van de goddelijke Kracht), die ons het juiste inzicht doet verwerven, ook zonder dat wij een grote kennis bezitten omtrent de wereld en haar verschijnselen. Indien wij leren ons op deze Kracht te richten, zullen wij begrijpen in hoeverre wij een uiting van deze Kracht zijn en in hoeverre wij handelen volgens voorstellingen en inzichten, die niet voldoende waardevol zijn. Als gevolg daarvan mogen wij stellen:

Het juiste inzicht is de kennis van de goddelijke Kracht in jezelf, die door het gevoel verwerkelijkt ‑ op den duur de rede op een andere wijze richt en zo de waarheid kenbaar maakt.

Zoals de bloesem aan de knop ontspringt,

zoals het water opwelt uit de bron,

zo welt uit ons de, waarheid op:

het licht, dat ‑toen de tijd begon –

reeds was.

Zoals in ons besef bestaat

van levensdoel en levensplicht,

zoals in ons een zijn bestaat,

dat verder grijpt dan eigen wereld,

zoals in ons een kracht vaak spreekt,

die sterker is dan wij,

zo leeft het juiste inzicht reeds in ons

en maakt ‑ in ons ontwakende – ons vrij

van laatste banden.

Als een parel in de oester,

als het zaad in de doos,

als de steen in de aarde,

als de honing in de roos,

zo ligt in ons een kern van zijn,

vol flonkerende kracht

uit de Almacht zelf geopenbaard.

En kennen wij die Kracht,

zo vinden wij het ware zijn en weten wij de juiste weg

in ’t leven voort te gaan.

Wie God in zich beseft, heeft het juiste inzicht, kent het ware bestaan en overwint de tijd.