Kosmologie – de Bron

uit de cursus ‘Kosmologie’ (hoofdstuk 1) – oktober 1956

Inleiding

Er zijn in de loop der tijden verschillende kosmologieën verschenen. Enkele daarvan waren gebaseerd op zuiver stoffelijke wetenschap, andere op esoterische kennis of op zeer oude geschriften. Een kosmologie dient echter o.i. te beantwoorden aan de volgende eisen:

Zij moet berusten op feitenmateriaal; moet zich bij de keuze van de aangevoerde voorbeelden en feiten baseren op de wereld, waarin ze wordt uitgedragen; en ze moet een zuiver beeld geven van het totaal kosmisch bestel. Indien zij aan deze eisen niet kan beantwoorden, is zij o.i. de naam kosmologie niet waardig.

Het is ons natuurlijk onmogelijk in de korte tijd, die op 10 avonden daarvoor beschikbaar is, een complete kosmologie aan u te geven. Zo zullen wij onderwerp na onderwerp trachten de voornaamste punten te belichten, kort en bondig samenvattende wat o.i. van groot belang is, het aan u latende om over enkele punten, die te kort worden weergegeven door vragen schriftelijk dan wel mondeling verdere opheldering te verkrijgen.

Het ligt in ons doel om in de eerste plaats de eenheidsgedachte tot uiting te brengen. Nu is dit – gezien ons onderwerp – zeer eenvoudig. Want er is één bron, één kracht, waaruit alles voortkomt. Dit is zowel tech­nisch, esoterisch als via het geloof aantoonbaar. Zowel in de mythologie als in de geloofsartikelen van de meer aanvaarde kerken kunnen wij deze eenheid steeds terugvinden.

Wij hopen in het verloop van onze betogen aan te tonen dat deze eenheid ook thans nog bestaat. En dat elke handeling die deze eenheid verloochent, elke gedachte die deze eenheid ontkent, in feite niet aan de kosmos zelf, maar aan de persoon binnen de kosmos afbreuk doet. Het doel van onze avonden is hiermede vastgesteld. Begrip verwerven omtrent de grote eenheid, die ons bindt met alle, maar dan ook werkelijk alle krachten, die in de kosmos bestaan.

De Bron

Voor alle zijn moet een bron aanwezig zijn, een eerste oorzaak en uit zichzelf ontstaan vraagt nog een oorzaak, een bron en zelfs de kracht of de materie, waarin de vormende werkingen dan plaats kunnen vinden. Lang onderzoek heeft ons geleerd dat wij – voor zover het het geuite Al betreft – deze bron kunnen uitdrukken als een statische kracht. Simpel neergelegd kunnen wij zeggen: Een statisch veld, waarin door niet-vaststelbare oorzaak een tweede zwakker veld wordt geprojecteerd, produceert door verschuiving van krachtlijnen het totaal der verschijnselen, die behoren bij de materiële en fijn-materiële wereld. Dit zwakke veld echter moet een oorzaak hebben. En zoekende naar een vergelijking, die past binnen onze beschouwing en beantwoord aan alle ons bekende feiten, kwamen wij tot de volgende veronderstelling:

Wanneer in een mens volkomen rust is en in hem wordt een gedachte geboren, een uitdrukking van een aanwezig maar tot dan toe niet werkzaam denken, dan zal hierop de reactie, stoffelijk kenbaar als daad, als handeling of als onthouding volgen. Waar deze analogie voor ons de meest bevattelijke lijkt, menen wij te mogen stellen:

In het begin was een wezen. Een wezen, dat in zichzelf verschillende krachten of factoren verenigde, zoals dit thans met de mens en ook de geest het geval is. Dit wezen leeft ver­der in een wereld die voor ons onvoorstelbaar is. Want in de­ze wereld moet – aangezien wij hier met onze Godsopvatting zitten – geen enkele uiting, geen enkele omgeving, kortom niets – zelfs geen ruimte – aanwezig zijn.

Begrijpelijkerwijze is het bestaan van een dergelijk wezen voor ons niet denkbaar. Maar wanneer wij het benaderen vanuit een menselijk standpunt, dan lijkt ons de eerste te verwachten reactie van een dergelijk wezen: de behoefte om het enig zijnde te erkennen en zo zichzelf te zijn.

Absolute daadloosheid en gedachteloosheid is dood. Indien wij aan dit begin, aan deze bron, een persoonlijkheid toekennen, zal deze persoonlijkheid niet “dood” kunnen zijn. Potentieel vanuit ons standpunt is hij voor zichzelf en zal hij voor zichzelf steeds weer zoeken naar een uitdrukking van de eigen persoonlijkheid in zich, waar deze buiten het “ik” niet mogelijk is. Wij formuleren dus esoterisch:

De bron van alle dingen is de Alvader, een wezen, dat uit eigen recht en kracht bestaat en al het bekende en denkbare omvat. Dit wezen komt tot scheppen, omdat het zichzelf wil spiegelen en zo zichzelf zijn. Deze spiegeling wordt door een uiting binnen het ik verkregen, waarbij de beschouwing van het goddelijk denken, gericht op de verschillende delen van het eigen ik, voor ons standpunt een schepping en een evolutie kan betekenen.

Wanneer wij nu aannemen, dat dus de goddelijke aandacht zich richt op delen van het eigen wezen, dan behoeft deze voor het Goddelijke misschien niet in tijd te verschillen. Want het lijkt ons vreemd, indien wij voor God het begrip “tijd” moeten toepassen. Maar voor ons, die in Hem leven, kan wel degelijk tijd worden gezien waar een reeks verschijnselen opeenvolgend zich toont voor ons bewustzijn.

Wanneer dan de gedachte ontwaakt en de uiting zoekt waarmee het scheppingsproces begint, dan zal in de eerste plaats een erkennen van het geheel plaats vinden. God erkent dus eerst Zijn wezen.

Dit wezen wordt dan – vanuit ons standpunt – tot ruimte. Deze ruimte erkent God Zijn eigen eigenschappen. Deze eigenschappen worden  – vanuit ons standpunt –  persoonlijkheden, omdat zij binnen dit ruimtelijk beeld, dat God binnen Zichzelf heeft gewekt, een afzonderlijke functie vertegenwoordigen, een eigen daad, een eigen kracht.

In menig geloof spreekt men over engelen. In andere gevallen over grootmachten, die niet in de stof hebben bestaan. De ontkenning in de religie van het stoffelijk aspect van engelen, vereist van ons een nadere beschouwing.

Wanneer wij aannemen dat de Bron schept in een behoefte tot zelfuiting en dit binnen Zichzelf doet, zullen bepaalde aspecten hiervan – mits zij deel blijven van het Goddelijke – voor ons niet stoffelijk zijn; ofschoon zij gelijktijdig, als materie scheppend en vernietigend kunnen optreden, zonder hun eigen kwaliteiten te verloochenen. Dit uitgedrukt binnen het totaal beeld op esoterische wijze.

In een deling van eigen waarden en zo een wekken van tegenstellingen, waardoor binnen het ik een vergelijking mogelijk wordt, schept de Bron voor ons een reeks van eigenschappen, die elk voor zich volledig de capaciteiten van het Goddelijke uiten binnen hun kwaliteitsbeperking, die ze door de goddelijke vaststelling hebben verworven.

Nemen wij nu één zo’n engel, één zo’n kracht. Kan deze kracht uit zichzelf bestaan? Neen. Kan zij zichzelf zijn? Ook neen. Zij kan slechts een beperking zijn van het Goddelijke, waar zij als deel daarvan een tegenstelling vormt tot de rest.

Conclusie: de eigenschappen van het Goddelijke zullen elk voor zich als volledige uiting van de goddelijke gedachte optreden, maar daarbij die uiting richten naar de eigenschap die ze vertegenwoordigen.

Van hieruit wordt de voortgang steeds duidelijker en begrijpelijker. De Bron zelf is voor ons onvatbaar; een theorie, die soms met woorden te omschrijven valt, maar waarvan geen werkelijke realisatie binnen ons begripsvermogen denkbaar is. De eigenschappen in hun beperking staan ons al nader. Maar de eigenschap zelf draagt in zich ook weer verschillende aspecten. En deze aspecten worden de uitvoerende kracht van de eigenschap.

Men zou kunnen zeggen: De hoge engel baart lagere engelen, die elk voor zich zijn eigen wezen vertegenwoordigen, maar in staat zijn zichzelf, plus de eigenschap te beschouwen en zo aan de hand van de eis, die door het eigenschap-zijn wordt bepaald in de grote engel, als kleine machten de werkelijke uitvoerders zijn van wat voor ons de schepping is. Vanuit de Bron een voortdurende deling, een voortdurende vertakking.

Wij kunnen echter niet aannemen, dat alle uitingen slechts geestelijk waren. Er moeten eigenschappen zijn, die in hun uiting zuiver materieel zijn. Zo zou ik gaarne willen stellen: Er zijn twee waarden vanuit ons standpunt te onderkennen in de geuite eigenschappen van het Goddelijke. De ene reeks is materieel; d.w.z.. niet de gedachte-behoudend, maar de gedachte uitdrukkend in vorm. Het andere gedeelte is gedachte-behoudend en in zichzelf gedachte scheppend. De samenwerking van deze twee tegendelen maakt voor de Bron een realisatie van het “ik” mogelijk.

Conclusie: Stof en geest zijn volkomen gelijkwaardig. Zij vertonen elk dezelfde reeks mogelijkheden. En zo zij in verschijnsel verschillen, is dit eerder te wijten aan ons punt van denken, ons punt van waarneming, dan aan de werkelijke verhouding binnen het Goddelijke, binnen het Al.

Ik heb nu twee krachten, twee partijen, die – vanuit de Bron werkende – voortdurend vorm geven aan ons leven. Enerzijds wat wij voortaan zullen noemen: de geest; anderzijds wat wij voortaan zullen noemen: de stof.

Aan geen van beide partijen mag een denkend vermogen, een wil en energie of levenskracht worden ontzegd. Er is dus een voortdurende strijd tussen deze beide. Want zij zijn een tegenstelling. Deze strijd kan nooit vanuit de Bron ontstaan zijn.

In de Bron is de uiting van het ik een realisatie van het ik. Geen strijd van het ene deel van het zelf tegen het andere. Elke strijd zal zich dus binnen ons moeten afspelen.

Conclusie: Elk conflict, elk verschil en elke verandering speelt zich af binnen de kleinste delen der schepping, waartoe ook wij behoren. De stof moet een uiting geven aan de grote kracht, die in het Goddelijke leeft. Deze moet geboren worden in de vorm van onbeteugelde energie. Onbeteugelde materiële energie kan weer worden uitgedrukt als geen massa-hebbende krachtvelden die elkaar doorkruisen. Uit deze kruising zal echter een kristallisering plaats vinden, zodat de materie als gekristalliseerde vorm het totaal van de stoffelijke eigenschappen Gods, de stoffelijke eigenschappen van de Bron, weergeeft. Vandaar sterrennevels en sterren. Het materieel ijle, dat het ledige benadert en de materiële dichtheid, die zo groot is, dat zij voor u op aarde onvoorstelbaar is. Vandaar de verterende gloed van een zon tegen de kilte van een maan. Vandaar de vlakken die weerkaatsen en absorberen. De reeks stoffelijke verschijnselen vormt voor ons ‑ mits wij ze goed begrijpen ‑ tevens een opsomming van een reeks goddelijke eigenschappen. Alle wetten die het stoffelijke zullen regeren en door heel het Al gelijk zijn, zullen dus uiting zijn van de Bron zelf en voor ons een erkenning van de Bron – althans in het stoffelijke deel – mogelijk maken.

De geest, die zoekt naar ervaring, zal op haar beurt de materie als zetel beschouwen, waardoor zij een beleving, dus een voortdurend denken in zichzelf kan ervaren. De lagere engelen van de geest zijn de eersten, die – in de gloeiende chaos afdalende – voor zichzelf een proces beginnen, waarbij zij zichzelf trachten te uiten en dus de eigenschappen van de Bron binnen het materiële. Ik geloof dat de éénwording van een geestelijk en een stoffelijk aspect tezamen – of zo u zeggen wilt: een geestesengel en een stofengel tezamen ‑ leidt tot de kristallisatie, die de ons vertrouwde stoffelijke vormen kenbaar maakt.

Elke persoonlijkheid, die voor de mens en voor de geest kenbaar is, is een complex wezen, bestaande uit de tweeheid: stof-geest. Dit houdt in dat ook de scheppingskrachten van stof en geest in elke persoonlijkheid vertegenwoordigd zijn. Waar dit op zichzelf een niet te bestrijden waarheid is, mogen wij van hieruit ook besluiten trekken omtrent kosmische verhoudingen.

Al wat in de kosmos bestaat en kenbaar is, is het product van stof en geest. Zuiver geest is niet kenbaar, zuivere materie evenmin. Eerst de beroering van deze beide schept het kenbare. Elke ster en elke planeet is dus bezield. Elke sterrennevel op zichzelf is een persoonlijkheid. Elk samenspel van deze krachten toont ons opnieuw een daarachter schuilende grotere persoonlijkheid.

Waar het ons niet mogelijk is de grootmachten, die leven in de kosmos, allen te omschrijven, kunnen we volstaan met te spreken over de “Heren der Sterren” als de “Prinsen des Lichts.” Deze Prinsen des Lichts zijn de dragers van levengevende energie. Deze is materieel, maar geestelijk veredeld. Daardoor ontstaat een stroming, die in de materie vormgevend werkt en vormgevend ook levenbarend wordt.

Dit houdt in, dat alle lagere vormen uit hogere vormen zijn voortgekomen. Dat het oerprincipe ligt in de splitsing stof en geest. En dat uit de Bron alles voortdurend kan worden afgeleid, zonder enige onderbreking. Deze afleiding houdt tevens in, dat alles deel blijft van de Bron.

Alvorens nu te gaan besluiten, is er nog één punt dat onze bijzondere aandacht vraagt. Sprekende over het bestaan van alle dingen binnen God, komt ons de vraag, of de ruimtelijke voorstelling, die de mens – en tot zekere hoogte ook de geest – kent, juist kan zijn. Het antwoord hierop is eenvoudig: Zij is voor ons werkelijk, zoals voor ons ook andere waarden binnen het Al regel blijven. Deze realiteit houdt niet in dat zij bestaan zoals wij ze kennen, maar zij betekenen dat wij bepaalde werkelijk bestaande waarden in de Bron voor onszelf als zodanig ervaren en erkennen. Er is dus ruimte, er is afstand. En toch kan dit alles worden teruggevoerd tot een denken binnen één wezen.

Dit maakt het ons duidelijk, hoe moeilijk het wordt vanuit menselijk of geestelijk standpunt te trachten de Bron te begrijpen. Wanneer ik dan ook op deze bijeenkomst heb getracht om bepaalde beweegredenen van die Bron te omschrijven, heb ik dit gedaan volgens het geestelijk weten dat in onze sferen voor ons bereikbaar is. Het is onvolledig. De voorstelling, die ik daarin geef, is echter volledig aangepast aan onze werkelijkheid. Vandaar dat ik durf te garanderen, dat al hetgeen ik verder zal zeggen omtrent de waarden in de kosmos, berust op realiteit, zoals wij die beschouwen.

Wat binnen God werkelijkheid is, kunnen wij niet bepalen. Wij kunnen slechts bepalen, wat binnen het Goddelijke voor ons werkelijk wordt. En dit houdt in dat ook tijd voor ons reëel is, maar binnen het Goddelijke niet behoeft te bestaan althans in deze vorm.

Dat wij ons een opeenvolging van krachten voorstellen, waarbij de een na de ander ontstaat en geboren wordt, vloeit voort uit ons proces van bewustwording. Wij zijn niet in staat alle dingen gelijk te ervaren, maar nemen het een na het ander in ons op. Daarbij is onze eigen geaardheid bestemd voor hetgeen wij éérst en hetgeen wij als láátste zullen accepteren en opnemen in onszelf. Hierdoor wordt voor ons dus een tijdsverloop geschapen, dat evenzeer reëel kan worden beschouwd binnen onze wereld.

Het is hiermede juist, dat het mij mogelijk wordt gemaakt het volgende te zeggen: Uit de Bron als eerste kracht zijn vele andere krachten voortgekomen, die in grootte en belangrijkheid voortdurend afnemen, naarmate het proces der schepping verder voortschrijdt volgens ons bewustzijn. In deze vertakkingen zijn wijzelf betrekkelijk kleine en onbelangrijke wezens. Wanneer wijzelf echter groeien en dus onze functie binnen het geheel veranderen, zullen wij ook in staat zijn grotere krachten te kunnen verwerken en geleiden en – alleen of tezamen met anderen – kunnen opklimmen tot de rang van Heren der schepping.

Waar dezen dan zullen blijven is een vraag. Een boom kent takken die verdorren en afvallen, terwijl andere, nieuwer, jonger en sterker opgroeien. Voor ons bewustzijn kan het gebeuren, dat bepaalde uitingen, die in den beginne vanuit de Bron geboren werden, reeds tot de Bron zijn teruggekeerd, terwijl wij nog bestaan. En wij nemen dan de functie waar, die zij eens – volgens ons inzicht – hebben ingenomen binnen de schepping, zoals wij die kennen.