Kosmos en waarheid

uit de cursus ‘Algemene Zelfvorming’ (hoofdstuk 3) – december 1959

Bij het geheel van onze beschouwingen is ons tot nu toe reeds gebleken, dat de mens in vele gevallen slaaf is van zijn milieu, zijn omgeving, kortom van vele omstandigheden waardoor hij zich laat drijven. De mogelijkheid hieraan te ontkomen is betrekkelijk gering, tenzij men overgaat tot het zoeken naar waarheid en wat meer is tot het zoeken naar een volledige harmonie met alles wat rond ons is. Er zijn een groot aantal punten aan te geven, die deze kosmische harmonie kunnen bevorderen. Ik wil een keuze doen en allereerst enkele van de meest belangrijke geven.

Harmonie met de kosmos kan nooit een uiterlijke, doch dient te allen tijde een innerlijke conditie te zijn. Slechts vanuit onszelf kunnen wij tot de wereld streven en leven. Van uit de wereld kunnen wij slechts ontvangen, maar de interpretatie daarvan verdoezelt de waarheid die erin ligt.

In de tweede plaats: Het leven is een experiment. De mens, die op aarde komt, komt niet om een bepaalde gang door te maken zonder meer, maar vooral om bepaalde stellingen of denkbeelden op de proef te stellen. Dit is het doel van zijn incarnatie, hieruit zal hij zo dadelijk de vruchten van zijn leven kunnen plukken. Het gevolg is dat ons leven zelf enigszins als een experiment beschouwd moet worden. Er zijn in een menselijk leven geen eeuwige waarden aan te wijzen buiten die welke in de geest berusten. Naarmate de mens meer leeft aan de hand van zijn innerlijk wezen en van uit zijn innerlijk wezen een benadering tracht te vinden tot het geheel van het rond hem zijnde, zal hij zich meer bewust kunnen worden.

In de derde plaats: Observatie is een van de noodzakelijke waarden in het bestaan. Eerst wanneer wij leren de dingen goed waar te nemen en ze zo intens mogelijk in ons op te nemen, zullen wij in staat zijn een innerlijke houding daartegenover te bepalen en op deze wijze dus ook te komen tot een harmonie met hetgeen werd waargenomen. Het scherpen van het waarnemingsvermogen is zeer belangrijk voor het vinden van een kosmische harmonie.

In de vierde plaats. Praktisch elke mens beschikt over zekere paranormale eigenschappen. Deze, onverschillig of zij zich uiten in voorgevoelens, in waarnemingen, helderhorendheid helderziendheid of op andere wijze, dienen gebruikt te worden om de werkelijke waardering, voor dat wat zichtbaar en kenbaar is rond ons, in onze eigen wereld te intensifiëren. Het heeft weinig zin ons bezig te houden met andere werelden, zolang wij in onze eigen wereld niet voldoende zijn doorgedrongen. De harmonie met de kosmos gaat steeds uit van het punt waarop wij leven. Wij kunnen niet zonder meer naar boven toe uitgrijpen of naar beneden toe. Wij moeten altijd in de eerste plaats in het horizontale vlak onze basis leggen voor een verdere groei. Elke geestelijke kwaliteit die wij bezitten dient dus gebruikt te worden om het leven van dit ogenblik en van deze wereld zo intens mogelijk door te maken en daaruit voor onszelf zoveel mogelijk waarden te putten. Naarmate wij een groter gevoel van eenheid kunnen bereiken met een of meer punten in de kosmos rond ons, zullen wij in groter harmonie met de kosmos kunnen leven.

Deze punten heb ik geselecteerd, omdat zij een gemiddelde geven van het geheel der mogelijkheden. Er zijn natuurlijk vele punten aan te halen die meer gedefinieerd zijn, maar die zijn niet voor iedereen toepasselijk.Wat hier is gegeven, is echter voor een ieder bruikbaar en toepasselijk. De theorie die hierachter schuilt hebben wij ten dele de vorige maal besproken. Wij moeten altijd tot onze God streven; maar onze God kan alleen voor ons reëel zijn op het ogenblik dat Hij kenbaar is. Kenbaar is Hij in onze wereld en in alle verschijnselen, die binnen die wereld optreden. Kunnen wij daarnaast komen tot het beleven van een tweede wereld (wat inderdaad mogelijk is), dan geldt voor twee werelden hetzelfde als zo even voor een wereld werd gezegd. Voor u echter kunt deelnemen aan het leven in twee werelden op een volledig gelijke basis, zult ge een zeer hoog geestelijk bewustzijn bereikt moeten hebben. Ik neem aan dat dit door de doorsneemens niet bereikt werd en stel daarom:

Alle gaan tot God is in feite een gaan tot onszelf.
In ons ligt een wereldbeeld. Dit wereldbeeld ons te realiseren is niet voldoende, wij moeten het beleven.
Er mag nooit sprake zijn van een te sterk opgaan in bepaalde aspecten. Medelijden bv. is uit den boze, mededogen (als een relatie vaststelling) daarentegen goed. Medegevoel is nog net aanvaardbaar. Maar hulpbereidheid is noodzakelijk.

U zult begrijpen dat het persoonlijk element, dat wij leggen in de vele punten buiten ons, een belemmering kan zijn om andere punten te overzien. En wij moeten voor alles reëel blijven. God is niet een fictie, God is geen eenzijdigheid, God is alomvattend. Ook Zijn uiting in onze wereld is, of wij dit nu beseffen of niet, harmonisch, reëel en voor zover het hier de wereld betreft, volledig. In de volledigheid van onze eigen wereld kunnen wij te allen tijde dus een deel van de volmaaktheid vinden. Deze zal zich uitbreiden naarmate ons eigen wezen zich verheft tot andere en hogere sferen.

Het experiment “stoffelijk leven” zal worden afgewisseld door andere experimenten in verschillende sferen, waarin wij zullen trachten onszelf aan te tonen waar een werkelijkheid ligt en waar onze denkbeelden foutief zijn.

Het standpunt “God” vinden wij slechts in een algehele benadering.­

Het wordt duidelijker, als ik hier enkele stoffelijke voorbeelden aanhaal.

Op het ogenblik dat ik zoveel medelijden heb met een enkele mens, dat ik geneigd zou zijn daardoor anderen althans niet op te merken, voorbij te gaan dan wel zelfs nadeel toe te voegen, is dit in feite een verwijdering van de kosmische harmonie. Op het ogenblik echter dat ik gevoelig voor het lijden van die enkele mens, dit lijden toch zie als een deel van den groot geheel en in dit grote geheel vooral werkzaam ben, waarbij de eenling slechts een detail wordt van de totale taak, die ik op mij neem, dan streef ik naar een geheel, iets wat kosmisch is. Kosmische harmonie kan ik alleen verkrijgen door naar een geheel te streven.

Een ander voorbeeld. Wanneer u een universitaire studie wilt volgen, dan kunt u zich gaan toeleggen op Grieks of op Latijn. Wanneer u slechts die ene taal volledig beheerst, zult u nooit in staat zijn een werkelijke studie verder te volbrengen. U zult altijd een groot tekort ontdekken aan bijbehorende vakken. Zelfs een zeer specialistische opleiding vraagt op haar gebied een zekere all round kennis en een basis van algemene kennis. Hetzelfde geldt geestelijk. Indien wij willen komen tot harmonie, moeten wij een all round opvoeding hebben, een opvoeding die zich niet slechts specialiseert op medelijden, zelfbeklag of iets anders. Wij moeten iets hebben wat zich baseert op de gehele wereld met al wat zich daarin afspeelt. Nu kunnen wij misschien het beste de zaak als volgt uitdrukken:

Egocentrisch zijnde zal onze benadering van de kosmos steeds van het “ik” moeten uitgaan, maar in vele verschillende richtingen. Wij zijn als de naaf in een rad. De mogelijkheden tot beleving en studie, die van ons uitgaan, zijn als spaken. Maar naarmate ze iets verder van ons af komen te staan, is de beleving ervan minder intens. Het gevolg is, dat wij dus rond de naaf nog een aantal ringen kunnen trekken, die elk voor zich een grens aangeven van een zekere graad van ervaring of gevoeligheid. U kunt deze tekening misschien zelf eens maken. Dan zult u ontdekken aan de hand van deze tekening dat al datgene wat ver van u af gebeurt, over het algemeen redelijk is te waarderen in kosmische zin; d.w.z. zonder te grote vooroordelen en zonder een te grote binding aan een eenzijdig aspect daarvan. Wanneer wij echter dichterbij komen, gaan wij hoe langer hoe meer partij kiezen, wij worden eenzijdig. De totale uitdrukking, die zo wordt gevonden, is niet een werkelijke aanvulling van ons eigen wezen, maar een eenzijdige projectie daarvan in een wereld. Op het ogenblik dat ik mijn wereld eenzijdig beleef verteken ik haar. Ik kan het mooiste schilderstuk hebben dat er bestaat, maar als ik het onder een te scherpe hoek bezie, zal de totale waarde van lijn en kleur teloor gaan. Er komt iets anders voor in de plaats: een vertekening. Hetzelfde is het mij, wanneer ik zoek naar waarheid en ik benader het geheel van de schepping eenzijdig.

Het is vaak moeilijk voor ons om afstand te doen van de te grote gevoeligheid voor onze eigen omgeving. Het heeft weinig zin erop aan te dringen dat u alle behoeften, alle begeren en alle angsten zonder meer laat varen. U kunt dat niet; en als u het kunt, hebt u deze les niet nodig. Simpel gezegd moeten wij dus dit doen: Rekening houdende met het feit, dat wij tot eenzijdigheid geneigd zijn in onze eigen omgeving, zullen wij vooral in onze eigen omgeving trachten zo onpartijdig en zo eerlijk en redelijk mogelijk te zijn. Wij mogen ons nooit een mening laten opdringen door anderen, maar moeten ons over alles door vergelijking van alle waarden die voor ons toegankelijk zijn een mening vormen. Op deze manier krijgen wij een zeker evenwicht in datgene wat ons het lichtst beroert. Het moeilijke hierbij is het uitschakelen van eigen vooroordeel.

In het tweede deel van de vorige les hebben wij erop gezinspeeld, dat de mens zo vaak gebonden is door zijn milieu en de concepten daarvan. Wanneer u in uw eigen omgeving ziet hoe u anderen beoordeelt, zult u tot de conclusie komen dat zeer veel van hetgeen u hebt geleerd, zeer veel van hetgeen u eigenlijk niet meer gelooft en zeer veel van hetgeen u in feite niet weet, bepalend is voor de wijze waarop u reageert. Dit moeten wij zoveel mogelijk terzijde stellen, wij moeten leren erkennen dat elke mens rond ons een werkelijke mens is, met eigen rechten en eigen mogelijkheden. We moeten leren erkennen dat elke situatie, die rond ons is, niet alleen vanuit ons eigen standpunt beoordeeld mag worden, maar dat wij daarnaast elke andere mogelijke mening mede in ogenschouw moeten nemen. Alleen op deze manier komen wij dichter bij de waarheid. Ik zeg niet “de absolute waarheid”. De absolute waarheid is iets anders en kan alleen binnen het Goddelijke bestaan. Maar het is een waarheid die een afgerond geheel geeft, die geen hiaten laat en ons niet meer gemakkelijk openstelt voor aanvallen van anderen. Wij hebben het geheel overwogen en gezien, wij kunnen dus ons gehele wezen daarin laten uitgaan, wij kunnen daarin meeleven en kunnen daaruit steeds nieuwe concepten verzamelen.

Wanneer wij komen tot “de tweede graad” zou ik haast willen zeggen, dus de tweede ring in onze tekening, dan ontdekken wij dat hier een terrein ligt, dat ons wel onmiddellijk aangaat, maar ons niet meer zozeer persoonlijk beroert. We krijgen hier te maken met vakbelangen, zakenbelangen e.d., die voor ons in het persoonlijk leven een zekere betekenis hebben. Ook hier zijn wij tot eenzijdigheid geneigd; en wel bij voorkeur zo, dat datgene wat voor ons nadelig is, afgekeurd wordt. Wij moeten trachten ook dit te overwinnen. Elke mens heeft het recht binnen zekere perken naar zijn eigen voordeel en zijn eigen recht te streven. Toch moet u begrijpen dat ook anderen voor hun eigen standpunt mogen opkomen en dat zij in hun overtuiging en mening evenveel recht en waarheid hebben als u in de uwe. Het afronden hiervan maakt het u mogelijk onpartijdig te staan te midden van dat deel van de wereld, dat voor u het milieu, de omgeving uitmaakt, dus de maatschappij waarin u leeft. Naarmate u hierin intenser onpartijdig bent, met een groter begrip voor alle waarden, zult u een groter waardering kunnen hebben voor al wat er in leeft. Er is wederom sprake van een van binnenuit komend gevoel van bevestiging of correctie of afkeuring, dat het geheel betreft, aanleiding wordt tot een eigen streven en gelijktijdig die delen van de kosmos, waaruit dit alles wordt geboren, nader tot ons brengt. Wij leven van binnenuit. Juist door de onpartijdigheid, door de uitschakeling van al hetgeen rond ons ligt, zijn wij gekomen tot een reëel, in verhouding waar en bruikbaar beeld van het heelal. En in dit heelal spreekt God.

Het zal u duidelijk zijn, dat deze voorbeelden tot in het oneindige kunnen worden uitgebreid. En ik geef u in overweging om wanneer u zo’n tekeningetje hebt gemaakt, dit eens te beschouwen en te overdenken hoeveel verschillende niveaus van belangstelling er voor u bestaan. Het is goed dit te weten, als u dit echter hebt gedaan, zult u nog iets anders ontdekken. Binnen elk niveau van belangstelling en persoonlijke gebondenheid liggen voor ons een aantal gapingen, een aantal hiaten, omdat wij aan dat soort leven, bestaan, vorm, eenvoudig geen aandacht geven. Een mens ziet over het algemeen niet hoe de straat geplaveid is, tenzij hij de voet stoot aan de oneffenheid van de stenen. Een mens ziet niet hoe de planten bloeien, tenzij hij tijd te over heeft en zich dan daarin verlustigt. Toch zijn de straten er altijd, soms effen, soms oneffen. Soms van het modernste beton, soms van zand, klei en leem. Wij moeten die dingen ook in ons wezen opnemen; ook deze passen in de berekening. In uw eigen huis, zullen er veel dingen zijn waar u niet verder over nadenkt. Punten die u als normaal accepteert, hoewel zij in feite een grote weelde of een groot tekort betekenen. Ook deze dingen zult u moeten leren kennen. Zij zijn mede deel van de kosmos. En het erkennen van de voor- en nadelen van al hetgeen meer materieel en in lagere orde als planten, huisdieren e.d. rond u is, is belangrijk.

Van dit punt dienen wij nu te gaan zoeken naar de waarheid. En zoals bekend: een kosmische waarheid zal er voor de mens nooit kunnen bestaan, maar wel kan zijn waarheid een deel van de kosmische waarheid vormen. Het is dan ook dit deel, waarheen wij moeten streven. Het heeft geen zin om van uit een menselijk standpunt te trachten de hele kosmos te begrijpen en tot een waarheid terug te brengen. Hebt u die waarheid, dan kunt u niet meer leven in uw eigen wereld of sfeer en bent u daarvoor niet meer geschikt. Hoe meer u zich verwijdert van die eigen wereld, die eigen sfeer, hoe moeilijker het u zal worden om gelijktijdig de belevingen op te doen en de experimenten te volvoeren waarvoor u mens werd en toch een zekere innerlijke harmonie en een harmonie met de kosmos te handhaven.

Daarom zou ik u de raad willen geven: beperk u in het zoeken naar een kosmische waarheid hoofdzakelijk tot de waarheid in uw eigen wezen en uw eigen wereld. Houd daarbij rekening met het volgende: In uzelf leeft een waarheid, die een deel-waarheid is. Ze is dus niet volledig. Die deel-waarheid is uw eigen reactie, door vele levens waarschijnlijk gevormd op uw omgeving, op God, op al wat er bestaat. U hebt een in u bestaand begrip van goed en kwaad, een in u levend oordeel. Deze dingen zijn voor u kostbaar. Zij betekenen voor u een deel van een innerlijke waarheid die, mits op de juiste wijze toegepast volgens de stoffelijke normen, u het juiste beeld van Gods werken in uw eigen wereld kan geven. Meer dan dit mogen wij niet verlangen. Op het ogenblik dat God voor u kenbaar is geworden in het totaal van uw leven en in al wat er voor u komt, zult u alleen daaruit reeds een deel van de kosmische waarheid hebben vergaard. Bij het komen in een andere wereld zal dit deel van de waarheid altijd het uwe blijven en altijd hanteerbaar zijn.

Het ligt niet in mijn bedoeling in deze cursus bijzondere nadruk te leggen op degenen, die een zekere begaafdheid op paranormaal gebied bezitten. Toch zal ik juist in verband met die waarheid ook hierover moeten spreken. Dat kan niet anders. In de eerste plaats wil ik hier dan wijzen op de uitbreiding, die onze wereld kan ondergaan als ons concept wordt verrijkt door een bepaalde sfeer, door bepaalde waarnemingen en al wat erbij hoort. In vele gevallen maakt dat het ons haast onmogelijk om onze eigen wereld nog in het juiste licht te zien. Wij gaan iets alleen beoordelen van uit een “hoger standpunt” zoals dat heet. Dat is betrekkelijk zinloos. Ook wanneer wij een begaafdheid hebben, zullen wij allereerst een stoffelijk oordeel moeten bezitten, stoffelijk moeten leven, stoffelijk moeten redeneren, zolang een stof-leven onze taak en onze keus is. Daarbij echter kan elke begaafdheid op zich worden gebruikt om dit leven te intensifiëren in stoffelijke zin en daardoor de waarheid van dit deel van het AL, waarin u leeft, voor uzelf duidelijker te maken en het concept te vergroten.

U bent bv. helderziend. Alles wat met helderziendheid te maken heeft en alleen maar zinspelingen maakt op een andere wereld, kan ten hoogste een zuiver persoonlijke troost of relatie zijn. Een verdere zin heeft het voor u niet. Alle lessen die u geestelijk krijgt, kunnen voor u persoonlijk belangrijk zijn; maar u zult die eerst moeten erkennen als een juiste waarde in de wereld, voordat u stoffelijk in de praktijk er iets mee kunt doen. Alles wat u wordt getoond aan visioenen, die niet samenhangen met uw ogenblikkelijke werkelijkheid, heeft geen zin dan een zuiver persoonlijke. Het kan nooit een deel zijn van uw huidige waarheid en het kan slechts, indien omgezet in een praktijk van deze wereld, u verder brengen tot een harmonie met de kosmos. Daarentegen kan alles wat in verband staat met verleden en toekomst worden gebruikt, indien wij uit deze beelden een conclusie omtrent het heden kunnen trekken. Deze conclu­sie moet worden vergeleken en zo onpartijdig mogelijk met alle waarden, die wij rond ons op het ogenblik en zo volledig mogelijk geuit zien.

Een beeld uit de toekomst op zichzelf kan u nooit iets zeggen. Het zal een persoonlijke flits zijn misschien, iets wat gaat gebeuren, een flauw idee van een dreiging die komt of een erkennen van leed dat geweest is. Deze dingen zeggen u niets, tenzij u er voor het heden een consequentie aan kunt verbinden. Het beeld van de toekomst heeft geen zin als zodanig, maar het kan u er misschien toe brengen bepaalde voorzorgen te nemen. Het kan u er toe brengen een zeker risico, tot nog toe niet erkend, nu plotseling mede te betrekken in uw beschouwing van de wereld. Uw waarheid wordt groter. Door uw waarheid zal uw reactie meer waar, eerlijker zijn en de harmonie vergroot worden.

Dan wil ik een paar opmerkingen maken omtrent iets, wat heel vaak wordt vergeten bij het paranormale. Wij hebben vaak te maken met een inspiratie. Wanneer inspiratie optreedt, kan zij zelfs storend zijn voor een realiteitsconcept, zoals het in deze wereld past. Op het ogenblik dat wij ons laten verleiden beelden van andere werelden of uitwerkingen van andere mogelijkheden op de voorgrond te stelten, zal deze inspiratie voor een ogenblik of een avond misschien een aardig amusement zijn; het zal misschien een les zijn, die je een ander kunt brengen; maar het kan nooit iets zijn, waarop je je eigen leven kunt bouwen. Je zult altijd rekening moeten houden met dit punt: elke inspiratie die komt, moet bruikbaar zijn in het heden, moet in staat zijn onze visie in het heden op het heden aan te passen aan een meer kosmisch geheel. Elke les die wij krijgen, elke indruk die wij ontvangen, moet worden omgezet in zoveel mogelijk daadbewustzijn en daadwerkelijk leven. Eerst dan wordt de waarheid van onze wereld groter, wordt onze harmonie uitgebreid. Wij kunnen nooit, let wel, nooit! verwachten, dat een inspiratie zonder meer voor ons de ontwikkeling betekent van een deel van ons wezen (ergens hypothetisch aanwezig in een andere sfeer) en gelijktijdig daarmede een vrucht voor het heden. Maar u zult merken dat wanneer u de inspiratie, die u ongetwijfeld zo nu en dan zult krijgen, praktisch gebruikt en toepast in het heden, u daaruit alles putten kunt om in het heden, tegenover anderen, met zoveel mogelijk begrip, zo juist mogelijk inzicht te handelen en te werken. Dat wil zeggen, uw deelgenootschap in het heelal, in de kosmos, wordt daardoor scherper omschreven en als zodanig kan uw erkenning van God en uw beleving van God grootser, meer omvattend en juister zijn dan zonder dat.

Het is natuurlijk niet voldoende hierbij te blijven staan. Al deze punten op zichzelf zijn een beschouwing waard en ze brengen met zich de mogelijkheid om voor uzelf een zekere toepassing te overwegen en eventueel ook verder te gebruiken. Wat hebben wij echter aan al deze kosmische concepten, aan al deze harmonie, aan al deze waarheid, als zij niet tot een persoonlijk aspect der ontwikkeling worden gemaakt? Onze cursus wil de nadruk leggen op het persoonlijk element. En een persoonlijk element kan nooit alleen bestaan uit een algehele verwaarlozing van het “ik” door een algehele absorptie van het zijn. Onszelf te ontwikkelen, vrien­den, vraagt een zeker inzicht in de toestand waarin je verkeert.

En die toestand is in vele gevallen in strijd met het voorgaande.

Niet altijd is het ons mogelijk deze dingen te wijzigen en te variëren. Wanneer wij van onszelf moeten uitgaan, hebben wij in de eerste plaats te maken met een reeks factoren, waar wij haast niet tegenop kunnen. U hebt bepaalde denkbeelden, die u blijven achtervolgen. U hebt bepaalde verlangens en begeerten, waar u niet van af kunt komen. U hebt angsten, waarvan u de onredelijkheid inziet, maar die u niet kunt overwinnen. En die punten zijn dus altijd in strijd met die kosmische harmonie. Ze zijn in strijd met een waar beeld van de wereld.

Het overwinnen van angsten is misschien wel het moeilijkst, vooral als wij die angsten als onredelijk erkend hebben. Er bestaat echter toch een denkwijze die ons helpen zal de onredelijkheid van de angst voor een deel weg te nemen zonder onszelf daarbij te forceren. Als u bang bent voor muizen, moet u geen witte muizen gaan houden. Het spijt mij dat ik u een dergelijk paardenmiddel niet kan aanbevelen. U zult dan onderbewust een veel groter weerstand daartegen ontwikkelen en in de meeste gevallen niet in staat zijn de juiste verhouding tussen u en het muizengeslacht te doen ontstaan. Maar u kunt wel zeggen: “Er is geen reden tot angst. Het is voor mij onaangenaam. Ik zal er niet voor uit de weg gaan, als het op mijn wegkomt, maar ik zoek het niet.” Als je op deze manier zegt: “Het kan onredelijk zijn wat ik denk, wat ik vrees, wat ik begeer, maar ik erken de onredelijkheid. Ik zoek deze dingen niet, maar indien ze op mijn weg komen, zal ik ze meester worden, dan zal tot uw grote verbazing blijken, dat wanneer u steeds en regelmatig dus uw afkeer overdenkt, de onjuistheden overdenkt, die u in eigen gedrag erkent, dat u van hieruit groeit tot de mogelijkheid wanneer een crisis ontstaat inderdaad te overwinnen. Het zal u moeite kosten, maar u kunt overwinnen. U kunt een zekere gelijkmoedigheid en gelijkmatigheid van gedrag krijgen, waarbij deze vaak psychische achtergronden worden overwonnen.

Zeg nooit tegen uzelf : “Ik zal mijzelve, even ontleden en mijzelf eens afvragen waarom ik dit of dat niet kan of niet wil.” Dat heeft weinig zin. Erken uzelf voor wat gij zijt. Waardeer uw gedrag niet anders dan, dat van een ander. Maar erken dat achter uw masker veel schuilt en zo achter het masker van een ander ook veel kan schuilen. Bezie de zaak niet te dramatisch. Erken voor uzelf het onredelijke en ontga zoveel mogelijk hetgeen voor u niet dragelijk is; maar wanneer het voorkomt, wees ervan bewust dat u het overwinnen kunt. In zekere zin is dit een suggestief proces. Toch zal het u helpen met grotere gelijkmoedigheid te leven. Wanneer u weet dat als een toestand eenmaal komt, ook al is ze nog zo ongewenst, u deze toestand meester zult kunnen, zult u daaruit reeds de rust kunnen putten, die voor u nodig is om een groter begrip te krijgen van waarheid en een juister inzicht misschien ook in uw mogelijkheden.

Het is dwaasheid om u te binden aan reeksen voorschriften of waarden, die u niet kunt onderschrijven. Indien u niet gelooft in de Tien Geboden, is het dwaasheid naar de Tien Geboden te leven. Maar indien u erin gelooft, als een deel van het Goddelijke, dan moet u het ook zonder kritiek tot uiting brengen en zo volledig mogelijk. Vraag steeds uzelf af: Geloof ik hieraan helemaal diep in mijzelf of geloof ik hier niet aan? Zie ik dit diep in mijzelf als juist of niet juist, aanvaardbaar of niet aanvaardbaar? Het antwoord dat u krijgt zal in vele gevallen zwak zijn, maar toch duidelijk genoeg om uw houding te bepalen.

Wij kunnen helaas in een wereld niet proberen onszelf te veranderen. Wanneer u hier op aarde bent, bent u gebonden aan de eigenschappen die u bezit. U kunt ze wat meer of minder ontwikkelen, maar u bent gebonden aan hetgeen u nu bent. Onthoud u dat a.u.b. goed! Geestelijk is het precies hetzelfde. Wanneer wij in een wereld ons a.h.w. kristalliseren (vorm aannemen), dan zal vanaf dat ogenblik wat we daar bezitten voor ons niet te veranderen zijn. Het kan verder ontwikkeld worden, het kan juister en evenwichtiger ontwikkeld worden, maar eerst wanneer het bewustzijn ons wederom naar een nieuwe wereld verplaatst en een totaal nieuw concept optreedt, kunnen wij weer vrij zijn om een voor ons meer passende vorm en inhoud aan te nemen. Voor u betekent dit, dat u in uw stoffelijke vorm gebonden bent aan een reeks dingen. U kunt ze wel verwerpen, maar het helpt u niet. U kunt proberen ze te overwinnen, maar het gelukt u niet. Wel kunt u echter de nadruk leggen op datgene in uw wezen, wat volgens uw eigen idee het meest beantwoordt aan dat innerlijk gevoel van goed, van juist en van aanvaardbaar. Doet u dit, dan neemt u hiermede bewust de plaats in, die u nu eenmaal is toebedeeld, binnen dit bestel vanaf het ogenblik dat u incarneerde. U zult van uit dit bestel volbrengen wat uw geestelijke inhoud is. U zult zich daarmede hier op aarde dus meer harmonisch, meer reëel gedragen. U zult gelijktijdig daar geestelijk een nieuwe evenwichtigheid vinden, waardoor bij het betreden van een nieuwe wereld of eventueel onverhoopt een hernieuwd incarneren in uw eigen wereld u te allen tijde een meer evenwichtige, een juistere vorm kunt aannemen en zo ook tot een uiterlijk kenbare grote harmonie met de kosmos komen.

Het heeft weinig zin, zoals ik u reeds zei, te trachten te veranderen. Toch kunnen wij zeer veel dingen doen, die een schijnbare verandering tot stand brengen. En het is misschien goed hierbij op te sommen wat absoluut strijdig is met waarheid en met kosmische harmonie, ofschoon het deel uitmaakt van menig menselijk denken.

Strijdig met kosmos, kosmische harmonie en waarheid zijn: rechten op anderen, rechten op bezit, verplichtingen aan anderen, verplichtingen aan bezit, verplichtingen aan stand, verplichtingen aan geleerdheid. Deze dingen zijn niet reëel en bestaan niet werkelijk. U zult nl. onverschillig of u dit aanvaardt of verwerpt te allen tijde moeten handelen binnen de grenzen van uw mogelijkheden. En dit betekent dat u de taak, die u in de wereld hebt te volbrengen, toch zult volbrengen ongeacht uw eigen reacties. Maar op het ogenblik dat u in uw beleven de nadruk legt op een bezitsrecht op anderen, de nadruk legt op een recht op zeker bezit, op een zekere luxe, een zekere weelde, een zekere wijsheid of onverschillig wat, dan zult u, mijne vrienden, daardoor een absoluut vertroebeld inzicht hebben in andere dingen. U zult niet de waarheid kunnen begrijpen van de mensen rond u. U zult niet de waarheid kunnen begrijpen van de materie rond u. U zult in het weten eenzijdig zijn. U zult uzelf steeds onevenwichtiger maken, minder harmonisch.

Er is wel eens gezegd dat zelfkritiek de enige kritiek is die toelaatbaar is. Ik geloof niet dat dit helemaal juist is. Want wanneer wij met die zelfkritiek beginnen, zult u zich aan alle genoemde punten waarschijnlijk schuldig erkennen. Maar u komt er geen stap verder mee. Wat u echter wel kunt doen, is een gezonde kritiek uitoefenen; en een gezonde kritiek omvat al datgene rond ons, waarover wij met enig inzicht een oordeel kunnen vellen, onszelf niet uitgesloten. Ons oordeel en onze kritiek is altijd, of wij dat nu willen of niet, een vastleggen van een werkelijke verhouding tussen ons en het punt, waarop de kritiek wordt uitgeoefend. Wanneer u een film bekritiseert; bekritiseert u niet de film, maar u geeft uw eigen verhouding tot die film weer. Als u een lezing van ons onverhoopt zou bekritiseren zou u daarmee niet ons werk weergeven, maar uw eigen verhouding tot dit werk. En zo kunnen wij verdergaan.

Wij moeten een gezonde kritiek hebben, die niet een zuivere zelfkritiek is. Op het ogenblik dat wij gaan zeggen: Er zijn zoveel mensen, die rechten op elkaar uitoefenen, ouders tegenover kinderen, man tegenover vrouw, vrouw tegenover man enz., zeggen we wel iets wat waar is, maar ergens ligt binnen uw stoffelijke wereld daar toch een zekere rechtsfactor in. Het blijkt dat volgens het stoffelijk bewustzijn een begrip van “teveel” optreedt. Er is een norm: Dat is normaal. Het is normaal dat je je kinderen zo en zo beschouwt. Het is normaal dat echtelieden, broers en zusters of onverschillig wie, elkaar zo en zo beschouwen. Neemt u nu altijd – wanneer u voor uzelf de norm hebt vastgesteld, die geldt voor u en uw omgeving – de grens van het toelaatbare of onder die norm (dus minder aan bezitsrecht), dan blijft u in uw eigen wereld nog aanvaardbaar. U kunt in uw eigen wereld werken, denken, leven en u behoeft die wereld niet geheel te veranderen. Maar u zult door afstand te doen van dit in­tense bezitsbegrip, dit intense begrip van weten of recht of macht en het onderschatten daarvan in de normale norm, kunnen komen tot een handelen, dat in feite een onthechting betekent en zo tot een erkenning van dat be­zit, die macht, dat weten enz. in de wereld rond u. U ziet dat overal weerkaatst. En gezien de bepaalde percentages, die u voor uzelf onder de norm hebt genomen als juist, zult u een beeld krijgen van wat juist zou kunnen zijn in die wereld.

Het is aan een kant gevaarlijk, want wij zijn geneigd om dan te zeggen: “Nu moet het maar zo worden.” Maar daarmee kunnen wij nooit verder komen, noch in concept van God of van de kosmos, noch in het werkelijke leven. Wat wij echter moeten doen is in de praktijk ons oordeel over mensen en omstandigheden steeds daarop baseren, ons begrip van werkelijke waarde baseren op dit oordeel, dat dus onder de norm ligt. Op deze manier krijgen we een zeer grote tolerantie. En hoe toleranter wij staan:tegenover de wereld en wat daarin voorkomt, hoe meer wij in staat zullen zijn te begrijpen. Elk oordeel, dat in een veroordelen ontaardt, is. nl. een verwerpen. Maar datgene wat wij verwierpen is net zo goed deel van de kosmos en van God, is net zo goed deel van de waarheid, als wijzelf dat zijn. Door een meer dan normale tolerantie te bezitten t.o.v. anderen, (voor uzelf behoeft u dat dus niet toe te passen, indien u het niet wilt), krijgen wij een juister begrip voor de verhoudingen, waarin anderen leven en bestaan. Wij krijgen een juister inzicht in hun betekenis, in hun mogelijkheden. En wij zien hoe in alle dingen God­ dan duidelijker spreekt dan wij ooit hebben durven denken.

Nu wil ik nog een paar punten aanhalen van meer magisch karakter. Er zijn een paar punten bij, die misschien voor u interessanten belangwekkend zijn zonder meer; maar onthoudt u wel: al deze dingen wijzen naar datzelfde evenwicht en diezelfde harmonie en daarmede zult u ze in samenhang moeten brengen. Na deze voorgaande leringen dus een paar punten, die liggen op het terrein van de witte magie.

Ook in de magie nl. werkt de wet van evenwichten; en die werkt vaak op een zo stoffelijke wijze, dat de mens zich afvraagt: Is hier nu werkelijk nog sprake van een magisch gebeuren? Om u enkele voorbeelden te geven van de zuiver stoffelijke werkingen, die gepaard kunnen gaan met een magisch of pseudo magisch gebeuren: het geval van iemand, die optreedt als magnetiseur of genezer en die dit werkelijk met volle kracht en volle inzet van zijn persoonlijkheid doet. Op het ogenblik dat dit gebeurt, wordt inderdaad levenskracht uitgestraald. Die levenskracht moet echter versneld worden teruggewonnen, want het geheel staat onder een hogere zenuwspanning. Het gevolg is dat een zeker tekort aan vochten kan ontstaan; eigenaardig genoeg niet aan zout maar wel aan vocht. De mens, die een dergelijke behandeling heeft gegeven, zal indien hijzelf op volle kracht wil blijven en snel kunnen reageren, vaak de huid doordrenken met vocht en daarnaast door drinken zich voorzien van hetgeen teloor is gegaan. Dit staat in onmiddellijk verband met evenwicht en harmonie. Ik kan anderen iets geven, maar ik kan hun nooit iets geven, wanneer ik er zelf niet iets voor terug krijg. Ik kan nooit eenzijdig werken.

Wanneer ik een bezwering uitspreek en deze bezwering houdt een zegening in, dan moet ik er wel van overtuigd zijn, dat ik uit mijzelf een zekere kracht geef en ik moet voor mijzelf in staat zijn die kracht terug te ontvangen. Op het ogenblik dat ik een zegening of een bezwering uitspreek die het goede ten doel heeft, maar in mijzelf een gevoel van onrust of onlust heb of zelfs van haat, dan zal ofwel de kracht van mijn bezwering niet doorgaan (zij zal dus geen inhoud hebben), dan wel wat meer waarschijnlijk is, ik zal mijzelf volledig uitgeput voelen, ik zal misschien zelfs ziek worden en in sommige gevallen zelfs daaraan kunnen sterven. Hier is alleen sprake van het feit, dat geen voldoende aanvulling optreedt.

Wanneer u iets probeert te doen van meer magische geaardheid, al is het maar het uitzenden van een gedachte, dan moet u rekenen dat daarvoor een compensatie nodig is. Die compensatie kunt u vinden in een wisselwerking met uw eigen wereld of met andere sferen, want dit is een persoonlijke zaak. Op het ogenblik echter dat wij komen in de zuiver materiële magie, zal ook altijd een zuiver materiële compensatie nodig zijn. Zonder dit kunnen wij het niet redden. Er zijn heel veel magische mogelijkheden; ik wil er een paar aanstippen.

In de eerste plaats: Op het ogenblik dat u een voorwerp, een amulet of iets dergelijks vervaardigt en daarin een zekere inhoud legt, legt u er een deel van uzelf in. En vanaf dat ogenblik zal er tussen u en de drager van het amulet of de plaats, waarop het voorwerp zich bevindt e.d. een voortdurende wisselwerking zijn. Deze kan slechts beëindigd worden door de vernietiging van het voorwerp plus het uitblussen van de betekenis daarvan in uw eigen wezen. Wordt aan een dezer voorwaarden niet voldaan, dan blijft die wisselwerking voortdurend bestaan. Het is dus redelijk alleen in gevallen van hoogste noodzaak van dergelijke methoden gebruik te maken. En zo men dit al doet, er te allen tijde rekening mee te houden dat het voorwerp zijn waarde voor u op een gegeven ogenblik, van te voren vastgesteld, dient te verliezen; met de gelijktijdige eis dat men (of uzelf) het voorwerp na die tijd vernietigt. Dit is volkomen logisch. Want in de wereld waarin u leeft zijn geestelijke werkingen aan de gang, die ten dele op het stoffelijk vlak terugkomen, omdat ze gelijk liggen met de gedachtetrilling, en deze is nog voor u materieel. Zolang iets bestaat op het vlak van de gedachtetrilling is er mee te werken. Er kan magisch van alles mee worden gedaan, maar het heeft de behoefte aan compensatie. Op het ogenblik dat u alleen maar denkt aan wereldvrede, zonder dat iemand anders ook u die vrede toewenst, zult u voor uzelf het tegengestelde bereiken. Op het ogenblik echter dat ervan een gemeenschappelijke of wederzijdse wens naar vrede sprake is, wordt een feitelijke waarde (vrede) buiten u geschapen, terwijl in u van uit anderen voortdurend een compensatie plaats vindt. Wat u heeft geschapen is niet de feitelijke kracht van de gedachte, maar een zekere sfeer, een zekere beïnvloeding van een milieu. De kracht zelf werd door u weer teruggevonden na de concentratie, uit datgene wat anderen u hebben gezonden.

Op deze manier kunnen wij ook te werk gaan bv. bij een poging om bij een patiënt een diagnose te stellen. Ook hier nl. treedt een eigenaardig verschijnsel op. Op het ogenblik dat ik mij in mijn patiënt verdiep en mij volledig op die patiënt concentreer, zal ik – onbewust vaak de fijnste tekens lezend, een aanvoelen van diens fluïde – komen tot een vaststellen van fouten. Laat ik het daarbij, dan zal ik nooit loskomen van een herbeleving (al is dat dan medisch gezien imaginair) van een deel van die kwaal en die fouten. Maar op het ogenblik dat ik die ander de diagnose a.h.w. geef plus een poging tot hulp, dan is hetgeen ik genomen heb weer teruggegeven en kan ik het geval volledig naast mij stellen, dan heb ik er verder niets meer mee te maken.

Als ik probeer iets te bereiken bv. door het branden van reukwerken, dan ga ik dus etherische geuren, oliën, etherische stoffen a.h.w. in omloop brengen. De prikkeling van de reuk brengt een zekere stemming. Dat is goed. Maar die stemming heb ik niet zonder meer; die stemming moet een tegenwicht hebben, want er moet evenwicht zijn. Wanneer ik mij dus alleen maar op de vroomheid daarvan laat drijven voor dit ogenblik, kan ik zeker zijn dat ik in het tegendeel van die vroomheid omsla. Maar ik kan het ook anders doen. Ik kan beginnen met in mijzelf de stemming eerst te wekken en dan daarna pas het reukwerk te gebruiken. Het gevolg is dat het reukwerk de reactie is op hetgeen in mij bestaat. En nu is de werking een bevestiging en niet een vernietiging.

Op deze manier kun je die wet van evenwicht aardig gebruiken. Want wij zijn maar al te veel geneigd – niet alleen in de magie, maar ook in het gewone dagelijkse leven – om dingen buiten ons te stellen of te doen, in de hoop dat dan de innerlijke zaak vanzelf wel volgt. In de meeste gevallen ontaardt dat in een ontnuchtering, in een teleurstelling. En dat is logisch. Want datgene wat wij buiten ons in werking hebben gesteld, heeft ons iets gegeven. Wat ons gegeven werd, wordt ons ook weer ontnomen. Er is geen blijvende inhoud. Maar is in mij eenmaal de kracht en breng ik deze door een daad naar buiten toe, dan zal dat wat buiten mij staat, van mij gekregen hebben en mij dit teruggeven. Het verrijkt mij.

Het zijn maar een paar simpele voorbeelden, maar misschien doen ze u iets beter zien, hoe die wetten van evenwicht werken en hoe dus de voor ons noodzakelijke harmonie het gemakkelijkst gewonnen kan worden.

Onthoudt u eenvoudigheidshalve deze regel. Alles wat van uit mij (dus van uit een innerlijke gesteldheid) kan worden omgezet in een voor mij kenbare werkelijkheid, betekent een vergroting van mijn innerlijk vermogen. Al datgene, wat zonder innerlijke inhoud uiterlijk wordt gesteld, betekent een tijdelijke innerlijke verrijking en door het gemis later veelal een grotere verarming.

Het klinkt misschien wat raadselachtig, toch zou ik op deze paar laatste regels uw aandacht met nadruk willen vestigen. Want gelooft u mij, dit is in het leven belangrijker dan menige andere regel.

Wanneer u iets geeft aan een ander en u geeft dat omdat er in u iets is, waardoor u wilt geven, dan zal de stoffelijke uiting alleen een versteviging betekenen a.h.w. van hetgeen in u leeft, een vergroting, een verrijking. Maar wanneer u iets geeft in de hoop daarvoor iets te krijgen, dan zult u daarvoor de teleurstelling krijgen en verarmen. Onthoud u dat goed. Niets is in het normaal menselijk leven zo belangrijk als dit. Want er zijn zoveel van die gevallen, vrienden, waarin een verarming optreedt, omdat de mens in zijn experiment met het leven elke keer probeert iets te krijgen zonder eerst te geven. Elke keer wordt hij weer teleurgesteld. En elke teleurstelling vervreemdt hem van de waarheid, vervreemdt hem van het Goddelijke dat rond hem is. En deze vervreemding mogen wij niet tolereren. Laten wij deze wetten dus vooral goed onthouden: Want wetten zijn het, al zijn ze misschien anders uitgedrukt dan in de kosmos zelf.

Dan zie ik in de magie nog een ander verschijnsel. Dat zijn de z.g. gelijklopende of sympathische werkingen. U hebt misschien wel eens gezien, hoe een mens begint te gapen en anderen dan ook beginnen te gapen. Een suggestief proces. Een mens steekt een sigaret op, anderen beginnen ook naar hun sigaretten te grijpen. Een mens staat te staren, anderen gaan meestaren. Een mens windt zich op, vele mensen winden zich op.

In ons zijn bepaalde waarden (grondwaarden dus van de eigen persoonlijkheid), die altijd van buitenaf beroerd kunnen worden. Als wij gauw driftig zijn, zullen wij op de drift van een ander bijzonder fel reageren. Wij zullen die drift onmiddellijk gaan reproduceren, vaak in een ergere mate dan de oorspronkelijke prikkel. Het heeft natuurlijk geen zin om onze grondwaarden nu helemaal weg te sluiten; dat helpt niet. Maar wij kunnen wel proberen ons steeds weer te realiseren: Ho! Dit doet de wereld tegenover mij; dat komt uit de wereld tot mij. Hoe juister u waardeert wat uit de wereld tot u komt, hoe juister u in staat zult zijn de werking in u, die u toch niet kunt remmen, te richten op een doel dat de moeite waard is. Als u driftig bent, kunt u die drift natuurlijk omzetten in een scheldpartij. U kunt haar ook omzetten in een zekere energie tot werken. U kunt haar zelfs omzetten in een energie, waardoor u zich tijdelijk verwijdert van de stoffelijke werkelijkheid en in een tweede werkelijkheid een evenwicht vindt en een rust, waardoor de oorspronkelijke kracht van de drift niet alleen wordt weggenomen maar daarvoor in de plaats een aanvullende, een compenserende werking komt, zodat je de drift van de ander a.h.w. nog gaat opvangen in plaats van je eigen drift daartegenover te stellen. Deze dingen zijn mogelijk.

Het kan er een zijn van sentiment. Dan kunt u in sentimentaliteit gaan zitten huilen over iets wat het huilen niet waard is. U kunt ook de ontroering omschakelen. U gaat naar de bioscoop en u bent geroerd door het lijden van die mensen daar. Dan kunt u tranen gaan zitten vergieten en erover zitten dromen. Dat helpt u niet. Maar u kunt ook als u naar buiten gaat bv. aan het Leger des Heils een extra gift geven, u kunt uw medelijden uitdrukken metterdaad. Hebt u dat gedaan, dan verandert de hele waarde van de zaak voor u. U gaat dus de parallel een andere betekenis geven, terwijl u niet de werking van de gevoelens op zichzelf remt, want dat kunt u niet. U gaat het een inhoud geven van meer kosmische geaardheid. Op het ogenblik dat u in dat meeleven met die film-mensen met tranen in uw ogen zit en erover loopt na te denken, onttrekt u zich aan de werkelijkheid. De waarheid wordt voor u minder kenbaar. Op het ogenblik echter dat u het omzet in een praktische daad in uw eigen wereld, stelt het probleem van die film, vals als het misschien was, toch een contact met de werkelijkheid voor u. U gaat van uit uzelf in verband met de werkelijkheid een gedachtebeeld vormen, dat u een juister beeld geeft van het totaal van het geheel, een juister begrip, een juister aanvoelen.

Natuurlijk zullen wij in de sympathische magie nog geheel andere waarden aantreffen dan dit. Er is bv. de mogelijkheid om van uit een beeltenis een mens te beïnvloeden, zoals u weet; en de mogelijkheid zelfs door naamgeving (dan moeten we daarvoor natuurlijk de juiste naam kennen) bepaalde beïnvloedingen van mensen onderling, van dieren, van planten e.d. tot stand te brengen. Dat is de magie ervan. Maar in feite is het alleen het reageren op gelijke waarden, dat hier belangrijk is. Dit bestaat voor ons zowel als voor een ieder.

Wij zijn, mens of geest, altijd vatbaar in die delen die wij zelf slecht achten. Onthoud u dat goed. En er zijn altijd in ons een aantal ideeën, begrippen en waarden; waarvoor wij eigenlijk terugschrikken, die wij verkeerd en slecht vinden. Toch worden die voortdurend in ons beroerd. Daar kunnen wij niet omheen. De wederkerige werking, de sympathische magie, werkt ook in ons. Het is dus verstandig zoveel mogelijk, voordat die sympathische werking optreedt en desnoods daarna, ons steeds weer te realiseren wat onze zwakke punten in feite zijn en te trachten daarvoor een weg te vinden waardoor elke weerklank in dat deel van ons wezen op een voor ons juiste en gunstige wijze geuit kan worden. Dan kunnen wij op deze wijze de wit-magische kracht gebruiken, die in het contact ligt met de wereld en zelfs met andere werelden dan de uwe. Maar onthoud ook hierbij: elke sympathische invloed of werking moet op uw eigen wereld een uitlaat vinden. U kunt het nooit in de sferen uitwerpen. U kunt het nooit ergens naar buiten toe werpen en er van af zijn. U kunt het slechts omzetten in iets van uw eigen wereld, waardoor het beheersbaar en kenbaar wordt.

Als u van te voren weet, hoe u dergelijke impulsen gaat behandelen, dan hebt u het grote voordeel dat u invloeden van buitenaf maakt tot energieën in u, die een te voren gesteld doel helpen bereiken. Het is op deze wijze dat wij de kosmische eenheid voor onszelf meer werkelijk maken. Het is op deze manier dat wij door een besef van onze eigen persoonlijkheid (de waarheid omtrent onszelf a.h.w.), de waarheid van hetgeen er rond ons leeft leren beseffen. En hoe meer dit beeld waar wordt en hoe meer wij de evenwichten daarin beseffen, hoe duidelijker God tot ons zal kunnen spre­ken van uit het totaal zijnde.

Confrontatie met het “ik”

Het is voor de mens moeilijk en in vele gevallen haast onmogelijk zijn werkelijke “ik” geheel te kennen en te ontleden. De grootste oorzaak voor dit onvermogen is wel gelegen in zijn wijze van leven en denken. De mens gaat in de eerste plaats uit van conventies. De conventie betekent de onderlinge afspraak, stilzwijgend of openlijk, waardoor hij zijn leven beperkt en in bepaalde richtlijnen a.h.w. de verlossing zoekt van zijn eigen problemen. Op het ogenblik dat de mens deze conventies invloed toekent op het denkleven, zal hij niet meer in staat zijn het eigen “ik volledig te bezien. Want de conventie is iets, wat van buitenaf wordt opgelegd. Als je jezelf dus met het eigen “ik” wilt confronteren, is de eerste noodzaak wel elke conventie en elke conventionele denkwijze overboord te gooien.

Een tweede bezwaar bij het erkennen van het “ik” is heel vaak, dat men niet geneigd is aan zichzelf de werkelijke beweegredenen toe te kennen, die nu eenmaal leiden tot denken en handelen. Men meent dat deze beweegredenen zo oppervlakkig zijn, dat er iets meer achter moet zitten; dan wel men gevoelt dat het erkennen van deze beweegredenen het”ik” in een zo kwaad daglicht zou stellen, dat het onaanvaardbaar wordt. Ook hierdoor vindt een grote vertekening van het werkelijke beeld van het ego plaats.

In de derde plaats zien wij in de meeste gevallen de mens zoeken naar een groot gedeelte van die antwoorden, die niet in direct verband staan met zijn eigen wereld en bestaan. Ook dit is een belemmering. Want met een menselijk denken is het onmogelijk bv. kosmische of eeuwige waarden volledig te bevatten. Er blijft dus altijd een vraag bestaan en het antwoord op deze vraag kan alleen maar gegeven worden aan de hand van de denkwijze van het ogenblik. Het steeds wijzigen van het antwoord maakt het op zichzelf onbetrouwbaar en laat dus de vraag open: Ben ik nog wel eerlijk tegenover mijzelf of niet? Gezien deze bezwaren zou een confrontatie met het “ik” m.i. het best als volgt plaatsvinden.

Ten eerste: Doe afstand van elk conventioneel begrip. Erken jezelf voor wat je bent. Als stofmens betekent dit een dierlijk lichaam, geleid door dierlijke impulsen; met daarin een oordeel, dat hoger gaat dan het zuiver dierlijke.

Ten tweede: Realiseer je dat je geen antwoorden kunt vinden op eeuwige vragen, zolang je gebonden bent in de tijd. Probeer nooit te beantwoorden wat je precies bent in God; dat kun je nooit definiëren. Beantwoord slechts wat je op dit ogenblik in je eigen ogen bent. Vergelijk jezelf nooit met de grote voorbeelden buiten de stof. Ga dus nooit trachten jezelf te vergelijken met een engel of iets dergelijks, want over het algemeen krijg je meer de duivel naarmate je meer tracht op een engel te lijken. Neen, het is verstandiger je te houden aan de stoffelijke voorbeelden die er bestaan en deze stoffelijke voorbeelden na te streven, zoveel als het je mogelijk is. Je zult op een gegeven ogenblik ontdekken: Bij deze figuur krijg ik het idee “ik zou het misschien ook kunnen”. Zodra dat “misschien ook” is gezegd, hebben wij in deze figuur veel van onszelf herkend. Er bestaan dan voldoende parallellen om in deze figuur onze eigen kwaliteiten en eigenschappen te vinden. Hebben wij dat gedaan, dan hebben wij ons in de beschouwing van die ander geconfronteerd met onszelf. Indien wij echter te maken krijgen met een legendarische gestalte zoals bv. de figuur van Jezus geworden is in de loop der tijden, dan kunnen wij eeuwig blijven doorpraten maar komen wij nooit tot een eind. Wij gaan nl. uit van een a priori hoger-zijn van dit wezen, kunnen daaraan onze eigen gedachten en beweegredenen niet toekennen en zullen dus nooit een reële waarde omtrent onszelf daaruit kunnen vinden. Het heeft geen zin te kijken boven je, buiten datgene wat nog kenbaar en ontleedbaar is.

Jezelf kennen doe je hoofdzakelijk uit anderen. Je kunt niet een spiegel vinden, waarin je jezelf geestelijk volledig ten voeten uit kunt beschouwen. De spiegel van het “ik” is de wereld. Wanneer wij ons houden bij de erkenning van die waarden van het “ik”, die in deze wereld tot uiting komen, zullen de reacties van degenen rond ons, onze resultaten en onze mislukkingen in onze arbeid, ons verkeer met anderen, ons een duidelijke indruk kunnen geven van al datgene wat in ons bestaat. Er is nl. niets in het leven, dat niet mede door ons is veroorzaakt, en er bestaat geen enke­le indruk omtrent anderen, die niet voortvloeit uit iets wat in ons leeft. Laten we dus allereerst trachten ons gebied van zelfonderzoek te beperken tot het voor ons praktisch overzichtelijke. Laten we in de tweede plaats trachten aan de hand van onze omgeving, onze wereld, onze reacties wat ge­dachten betreft en wat handelingen betreft op die wereld, ons een beeld te ontwerpen van onze eigen plaats in die wereld.

Ik geef toe dat deze wijze van zelfdefinitie negatief schijnt; want wij zullen op den duur voor onszelf eerst vaststellen: dat ben ik in geen geval, en zo ben ik ook niet; en dat kan ik niet begrijpen. Maar door de eliminatie van vele waarden, die niet met ons wezen parallel lopen of die niet ons wezen aanspreken, komen wij tot een reeks van waarden, waarvan wij moeten zeggen: “Kijk, daarmede ben ik op de een of andere manier verbonden.” Ga die eens allemaal opsommen, dan kom je tot een eigenaardige bundel van tegenstrijdigheden. Verbaas je daarover niet, want elke mens is dat. Een mens is nl. een samenstel van stof en geest en dat zijn nu eenmaal twee uitersten t.o.v. elkaar. Dus, alles wat geestelijk in uw leven werkt, zal in strijd zijn met wat stoffelijk in u werkt. En slechts in zeer weinige voorbeelden kunnen wij zeggen: “Hier is geest en stof het zover met elkaar eens, dat het leidt tot een volledige stoffelijke en geestelijke uitdrukking in één richting op één punt.”

De consequentie van het geheel: zoek voor jezelf de erkenning van wat er in je bestaat aan eigenschappen. Houd je vooral in het begin niet bezig met de strijdigheden in je wezen. Deze worden later verklaard, wanneer je jezelf gaat realiseren aan de hand van het eenmaal vastgestelde beeld. Dat hoeft heus niet zo volledig te zijn, onvolledig kan het toch reeds een inzicht in het “ik” geven. Houd er dan rekening mee: ik ben stof en geest. Al datgene wat tegen de stoffelijke neiging ingaat of daar niet volledig mee parallel loopt, is geestelijk. Al datgene wat in mij leeft en wat ik misschien officieel zou afkeuren, maar wat dan toch bestaat, is stoffelijk. Die twee dingen tezamen vormen mijn wezen.

Ik ben geconfronteerd met het “ik”, maar ik heb er nog geen conclusie aan verbonden. Want als ik eenmaal erkend heb wat geestelijk in mij bestaat en wat stoffelijk in mij bestaat en dat is mogelijk, dan kan ik ook nagaan welke geestelijke aspecten in de stof kunnen worden geuit en welke stoffelijke aspecten voor de geest bruikbaar zijn. Laat dan de rest eens even buiten beschouwing. Confronteer jezelf met die punten in jezelf, waar een wisselwerking tussen geest en stof mogelijk is. Hieruit groeit een bruikbare zelfkennis. De confrontatie met het “ik” draagt dan vruchten.

Sommige mensen gaan over tot een zelfbeschouwing, die iets met een Narcissus Complex of zelfs een Oedipuscomplex gemeen heeft. De narcissi beschouwen zichzelf voortdurend en raken zo verdiept in de vele wonderen van hun eigen wezen, dat ze de wereld vergeten. Iets waarmee je geen bliksem opschiet. De mensen met het Oedipuscomplex hebben het nog erger. Zij raken a.h.w. verliefd op de kosmos waaruit ze geboren zijn en proberen in een voortdurend komischer interpretatie van hun eigen wezen hun werkelijkheid te veranderen of weg te cijferen. Het blijkt niet mogelijk en op den duur zal blijken dat de mens de kosmos gebruikt ter rationalisatie van zijn eigen handelingen, waarvan hij overtuigd is dat ze eigenlijk niet deugen. We moeten dus die twee fouten wel vermijden: we moeten praktisch en realistisch blijven.

De confrontatie met het “ik” is uitstekend, maar u moet dan niet zoeken naar de oplossing van alle geheimen in het “ik”. Per slot van rekening: u hebt nog zoveel levens voor de boeg, in sferen of ergens anders – ik hoop voor u in de lichte sferen – dat u daar uzelf volledig zult leren kennen. Belangrijk is voor u op het ogenblik, dat u zich confronteert met die delen van het “ik”, die in dit leven en in deze vorm direct tot uiting komen. En dat kunt u doen door u af te vragen: “Waarom denk ik zo, waarom oordeel ik zo?”, en steeds weer de eigenschappen, die daartoe aanleiding geven (dus niet de denkprocessen maar alleen de eigenschappen, die erachter schuilen) eenvoudig tegenover elkaar te zetten om uit te maken wat geestelijk in je bestaat en wat stoffelijk in je bestaat. Heb je dat gedaan, dan ben je dicht genoeg gekomen bij een werkelijkheid om daarmee op aarde een behoorlijke vooruitgang te maken.

En kom je aan onze kant, ach, dan is het ook eenvoudig genoeg.

Want de eigenschappen, die je geestelijk hebt erkend, zullen bij het weg­vallen van de stoffelijke kwaliteiten duidelijker op de voorgrond komen en wederom in tegendelen uiteenvallen. Elke eigenschap, die in ons bestaat, is nl. complex. Ook de stoffelijke eigenschappen. Want wat wij dierlijk noe­men, is niet zuiver dierlijk meer. E1ke eigenschap, die onder het dierlijke wordt begrepen in de mens, is in feite een samenstel van denkwaarden en stoffelijke behoeften of angstwaarden. Het gaat in de geest precies zo. Op een gegeven ogenblik valt een geestelijke impuls uiteen in een behoefte tot zelfbeleving (dat kan een sfeer zijn) en een erkennen van waarheid, wat dan meestal een sfeertje hoger ligt. Op deze manier confronteer je je­zelf voortdurend weer met het “ik” en elimineer je sfeer na sfeer die ele­menten, die niet met het feitelijk “ik” te maken hebben. Op den duur blij­ven een reeks eenvoudige tegenstellingen over, die gezamenlijk het gebied “ik” omschrijven. Als je dat eenmaal erkend hebt, dan ligt er een zo grote overeenkomst tussen de omgrenzingen van het “ik” en het werkelijk Godde­lijke, dat je daarvandaan de grote stap kunt wagen, van volledige “ik”-erken­ning en gelijktijdige eenwording met totaal kosmisch bestel.