Kosmos, natuur en mens

12 mei 1980

We hebben vanavond zoals gebruikelijk een gastspreker voor u. We zijn terechtgekomen bij iemand die een hele tijd geleden is overgegaan.  Hij was een ridder in de Keltische tijd. De Druïden waren de eerste stand. De anderen waren de ridders.

Onze gast heeft in zijn tijd enige invloed gehad hij leverde een paar veldslagen. Ook deed hij, aan bepaalde vormen van natuurmagie en wat heel zeldzaam is – maar dat bewijst welke status hij had – één van zijn dochters is indertijd getrouwd met een Druïde, die behoorde bij het Grote Heiligdom.

Alles bij elkaar genomen eigenlijk een figuur die in deze tijd misschien minder zou passen wanneer hij niet in de sferen een ontwikkeling had doorgemaakt, waarbij hij langzaam maar zeker van zijn eigen visie en zijn eigen denken is teruggekeerd naar het werken op uw wereld, naar de waarneming daarvan en daarnaast ook het werken in hogere sfeer.

Wat zijn denken betreft zou je kunnen zeggen dat hij eigenlijk in alles God ziet. Dat hij niet – zoals vele anderen ‑goden benoemt. Hij heeft wat dat betreft schijnbaar een invloed ondergaan waardoor hij al tijdens zijn leven tot een soort ééngodendom is gekomen. Op het ogenblik beziet hij alle invloeden vanuit de kosmos en probeert hij ook wel een beetje – die indruk kreeg ik tenminste – te personifiëren, zoals hij dat gedaan heeft met natuurkrachten in het verleden.

Wanneer je over zo’n man het één en ander vertelt den weet u in ieder geval wat u krijgt. Spreken over zijn denkbeelden is een beetje moeilijk. Daarom dacht ik de inleiding deze keer maar eens een beetje anders aan te pakken.

Zoals u misschien weet zijn de Kelten een restant van het zogenaamde Atlantische Rijk. Hun wijze van leven en denken is daardoor dus zeer sterk beïnvloed. Ze hadden vreemd genoeg zeer goede verbindingen o.a. met Bretagne en daarnaast zelfs met bepaalde Moorse stammen, die in die tijd in het huidige Tanger (Algiers de macht in handen hadden. Al deze mensen kunt u traceren ongeveer 4500 voor Christus. En onze vriend zelf kunt u placeren: overleden ongeveer 500 voor Christus.

De situatie waarin de Kelten verkeren is eigenlijk een beetje een zonderlinge. Atlantis is een soort fabelrijk, dat weten we alle­maal. Maar Atlantis is gelijktijdig ook – zij het onder bepaalde andere namen – wel degelijk bekend geworden. Restanten daarvan waren zelfs bekend in bepaalde reisverhalen.

Wanneer we bv. kijken naar het verhaal van het Gulden Vlies, de Argonauten, dan weten we dat ze op hun reis o.m. terechtkomen op het geiteneiland. Dat geiteneiland was één van de restanten van het oude Atlantis. Het behoort op het ogenblik tot één van de kleine eilanden van de Azoren, om maar eens iets te noemen.

Deze mensen hadden dus voor een groot gedeelte de overleveringen van het oude Atlantische Rijk. Maar die overleveringen vervormen, dat is duidelijk. Wanneer je een beschaafd volk neemt en je zondert dat van alle bronnen af, zodat het moet leven met de middelen die inboorlingen gebruiken, dan zie je dat veel van de kennis nog wel in overleveringsvorm blijft bestaan, maar dat de mogelijkheid om die cultuur helemaal te handhaven langzaam maar zeker teloorgaat. Zo is dat ongetwijfeld ook in dit geval geweest. Het enige wat je nog kunt zeggen is dat ze hun bouwtechniek hebben bewaard. Zij kennen de Dolmenbouw. Een Atlantische origine is daarvoor waarschijnlijk. Ook het stellen van menhirs heeft daar kennelijk veel mee te maken. Het zijn zowel gedenkzuilen, als in bepaalde gevallen oriëntatiepunten, maar dan zowel ten aanzien van de hemel als ten aanzien van bepaalde verhoudingen op aarde. En dat kon je zien. Men maakte gebruik van een speciale inch, een speciale maat. Die was naar ik meen 8 7/9 cm.

Neem je dat als basismaat dan kun je zien, dat al die grote kringen van stenen die je overal kunt vinden tot zelfs Stonehenge toe, dat wel één van de grootste is, op dit bepaalde systeem gebouwd zijn. En altijd zo, dat in deze maat in hele getallen gemeten kon worden. Maar er zit nog iets anders bij dat de meeste mensen niet weten.

Wanneer men een bepaalde directie zocht, dus een richting of een kracht, dan werd de afmeting licht gevarieerd, waardoor je een beetje ovale of eivormige cirkel kreeg. Zoals bv. bij de Dansende Meisjes. Die heeft een cirkel van 13 stenen en is niet zuiver rond maar eivormig. Bij al die stenen vind je dan verder de oriëntatiepunten. Die zijn er meestal buiten geplaatst omdat de cirkels anders te klein zijn. In sommige gevallen vind je ze er ook binnen, zoals bij de grote cirkels. Bij de Dansende Meisjes bv. vind je drie stenen. Twee ervan worden de Speellieden genoemd. De derde de Troon.

Wat zit ik eigenlijk allemaal te vertellen? Ik zit geschiedenisles te geven en dat op een esoterische avond. Maar het leuke hiervan is nu dat deze mensen met die oude overleveringen geprobeerd hebben te werken.

In het begin ging dat heel erg goed. Ze hadden zelfs een bepaalde verhouding. Een steen die overeind moest staan, een menhir, moest ingegraven worden. Oorspronkelijk werd hij voor 2/3 ingegraven, maar men had kennelijk de techniek niet om dat allemaal zo gemakkelijk te doen. Men moest een veel te diepe kuil hebben om die steen overeind te krijgen. Daardoor bleek dat later de helft werd ingegraven.

Er zijn er nog een paar. Eén staat bv. vlak bij een kerk. Je zou zeggen dat zo’n heidens gedenkteken wordt opgeruimd. Maar ja, dat ding is nu toevallig nogal hoog en dat betekende dat het ook tamelijk diep zat en het was te moeilijk om weg te halen. Daarom heeft men het gewoon laten staan.

Al deze dingen wijzen op de relatie die er bestaat tussen de kosmos de natuur en de mens. In het Druïdische denken en daardoor ook een beetje in het Keltische denken, is alles bezield. Dat is niet alleen een kwestie van aardmannetjes en geesten. Het is doodgewoon: alles leeft. En in al dat leven manifesteert zich dan toch weer – en hier zien we de oude Atlantische invloed – één God, die echter geen aangezicht heeft.

Zeer typerend, dat hier – en dan mogen we toch zeggen dat dat geloof al bestond _+ 5000 voor Christus – in een heel ander deel van de wereld dan waar Abraham op reis gaat, precies datzelfde geloof bestaat aan een God zonder aangezicht. Een God die zich manifesteert met vele gezichten, maar die geen eigen gezicht heeft.

Wanneer je zo gaat geloven dan zoek je natuurlijk ook naar je eigen deelgenootschap met die God. Dat was voor bepaalde Mystici, Keltische Mystici, Druïdische mystici het zoeken naar de sleutel in het ik. Want, zo zeiden ze: God leeft in alle dingen, dus leeft God in mij. Maar om die God te begrijpen heb ik een sleutel nodig waardoor ik die God in mij kan beleven en zo die God in anderen kan kennen. Dat is ook de basis van een groot gedeelte van hun magie.

De situatie waarin zo’n mysticus verkeert, is natuurlijk een beetje moeilijk. Kijk, de gewone mensen geloven in afgoden. De mensen die iets meer weten geloven alleen in bepaalden goden of bepaalde invloeden.

Zoals‑ u weet hadden ze in die tijd de heilige wouden. Ze hadden de heilige cirkels. En wanneer daarin iets lag – al was het nog zo begeerlijk bv. als je verhongerde en er lag vlees bleef je er nog af. Tenminste als je een gewoon mens was.

De ridders waren weer zo dat, wanneer ze honger hadden en er was eten in het heilige bos, ze het wel gebruikten, maar wanneer er juwelen lagen, goud, zilver of wapens die ze nodig zouden hebben of die ze graag zouden willen hebben, bleven ze daar af.

De Druïden kenden dan weer plechtigheden waardoor ze ook die dingen eventueel mee konden nemen.

Wanneer je als mysticus in zo’n beschaving zit kan je dat wat je bent en beleeft niet helemaal uiten. De enige waartegen je het misschien kunt vertellen zijn een soort aarts‑Druïden, de hoofden van het Druïdisme, die zelf deze belevingen doormaken en die waarschijnlijk ook al bepaalde sleutels gevonden hebben.

In deze situatie heeft onze gast zich kennelijk bevonden. Je gaat dan als vanzelf zoeken naar een overeenkomst tussen de God, die je in jezelf meent te vinden en de God zoals die gepredikt wordt, de goden zoals ze er omheen staan en – ik zou het niet anders kunnen zeggen – de werkelijkheid.

De situatie voor zo iemand is als hij overgaat natuurlijk ook niet zo gemakkelijk. Aan de ene kant enorm veel kontakten door zijn Godsgeloven en zijn Godsbeleven. Aan de andere kant toch ook heel sterk geïsoleerd van velen, met wie hij op andere gronden – menselijke kontakten, lotsverbondenheden enz. – eigenlijk een groot contact zou moeten hebben. Het resultaat is denk ik, dat je je gaat isoleren. En dat zou ook verklaren waarom onze vriend in de sferen eigenlijk: steeds verder is weggedreven van degenen met wie hij toch eens sterk verbonden is geweest.

Hij heeft ze niet in de steek gelaten, zo niet, maar hij kon hun beperkt leven, eigenlijk niet meer aanvaarden. Er schijnen in zijn hele bestaan nogal wat verschillende situaties te zijn geweest waarbij hij eigenlijk, zeg maar, tijdelijk afgesloten was. Men zegt van hem – ik – heb het dus niet van hem zelf maar van anderen – dat hij bv. driemaal omhoog is gegaan, maar dat hij elke keer voor hij omhoog kon gaan naar een groter begrip weer terug moest keren tot de meest simpele voorstellen van demonenwerelden; hellewerelden en godenwerelden, die hij eens had gekend. Hij moest daar doorheen gaan om te overwinnen en dan pas kon hij het grotere begrip aanvaarden. ­

Het zou volgens mij een verklaring kunnen zijn, voor de wijze waarop hij op het ogenblik de wereld ziet.

Wanneer hij zich met de wereld bezighoudt dan moet dat wel zijn met een mate van afstandelijkheid. Het zuivere materiële gebeuren zal hem niet veel interesseren, denk ik. Wat hem interesseert is het proces dat zich in de geest van de mens afspeelt en dat is nou juist iets waar de mens meestal minder interesse voor heeft.

Zijn werken, zijn invloed wordt gebruikt onder de directie van het z.g. Verborgen Rijk. Dat is een andere organisatie dan de Witte Broederschap, maar wel één die heel dicht ermee verweven is. Zijn specialiteit in deze periode is, wat hij noemt, de geestelijke inwijding. En hoe dat nou gaat weet ik ook niet, maar dat hij op deze manier kennelijk is gaan zoeken naar de weg om de geest sneller te laten groeien, zich sneller en bewuster te laten ontwikkelen staat voor mij buiten kijf.

Nu zou ik hier graag zelf nog een paar gedachten aan toevoegen.

Wanneer je in jezelf een begrip hebt van een God; ook wanneer je Hem niet helemaal kunt benaderen, dan zul je toch die God steeds weer proberen waar te maken. Tenminste dat gevoel heb ik zo. Het waarmaken van die God, wanneer Die geen aangezicht heeft – dus niet definieerbaar is in simpele termen – betekent eigenlijk voortdurend minder interesse krijgen voor uiterlijkheden, voor gewone dingen. Het leven kan niet meer worden vastgesteld in een reeks van vormen en normen. Het leven is eenvoudig een proces geworden. Een proces dat alleen maar ten doel heeft die ene Godheid te manifesteren.

Kom je dan in de geest dan betekent dit, dat je zaken, waar anderen nog heel erg druk mee bezig zijn, opzij gaat schuiven. U weet het: er zijn medici die overgaan en nog een hele tijd bezig blijven met de medische studies. Er zijn priesters die nog een hele tijd proberen te preken. Wat dat betreft zijn er zelfs heilsoldaten, die hun oude preektechniek via een medium nog voortdurend proberen te demonstreren. U hebt het misschien weleens meegemaakt.

Onze gast kan dat eenvoudig niet. Voor hem heeft dat geen zin. Geen betekenis. Hij kan ook niet meer een werkelijk contact hebben met die anderen, want hun interesse in die aarde is nog te zeer op de uiterlijkheden, op de verschijnselen gericht en niet op de essentie. Je gaat eigenlijk alles een beetje vormloos zien. Laat ik het zo zeggen: amorf. Maar dat vormloos zijn van de dingen, betekent gelijktijdig dat ze in elke vorm gepast kunnen worden.

Als u water hebt dan kunt u het in elke vorm van fles of schotel doen. Dat past zich wel aan.

Wanneer je geestelijk gezien alles amorf ziet dan betekent dat dat het geheel van het bestaande in vele verschillende vormen terecht kan komen zonder zijn kwaliteit of zijn geaardheid te verliezen. Want je kijkt niet naar de fles maar naar het water.

Daar zit eigenlijk het kritieke punt. Want, wanneer ik me alleen bezighoud met het water en de mensen houden zich alleen bezig met de flessen, dan is er een grote kans, dat zij niet beseffen dat het water de zin geeft aan het bestaan van de fles. Tenminste, dat denk ik. Daardoor zul je heel wat dingen over het hoofd zien, dacht ik.

Wanneer iemand als onze gast zich later weer probeert bezig te houden met de aarde, zelfs wanneer dit zoals ik heb gehoord is voor die geestelijke inwijding, dan wordt hij toch geconfronteerd met die vorm. Want de mensen zijn nog steeds bezig met de fles en niet met het water.

Ik denk dat je daardoor weleens in grote moeilijkheden kunt komen. Ik denk dat je daardoor op een gegeven ogenblik misschien niet meer juist kunt reageren volgens de normen van de mensen. Dat, wat vanuit jouw standpunt de meest zuivere uiting is van Goddelijk Licht, voor die anderen misschien een hel is of omgekeerd. Of dat, wat vanuit jouw standpunt eenvoudig destructie en chaos is, voor die anderen nou juist in hun stoffelijk denken de vormgeving, de verbetering is. En dat zou nogal eens wat conflicten kunnen veroorzaken.

Ook het feit dat zo iemand in zijn eigen leven en waarschijnlijk daardoor ook later magisch heeft gedacht zal hem in deze tijd weleens hier en daar op kunnen breken.

0, ik weet wel dat de mensen op hun manier magisch denken, maar de werkelijke magie is de erkenning van de relatie tussen de essentie van alle dingen. Het gaat dus niet op de uiterlijkheid. En wanneer je dat helemaal uitwerkt kom je zover dat je zegt, dat dezelfde essentie kan worden opgeroepen in een engel als in een duivel.

Engel of duivel zijn manifestatievormen. De essentie is dezelfde. Goden en demonen zijn in wezen gelijk. Hun manifestatie is anders, maar dat komt door de wijze waarop ik ze oproep. Niet door de essentie van hun wezen.

Ja, daar kun je het nog weleens een beetje moeilijk mee krijgen, dacht ik. Wanneer je dan bovendien nog gaat stellen dat elke mens, die zich bewust is van zijn innerlijke kracht en van zijn God in zich, in staat moet zijn om elk ander wezen met een God in zich te beïnvloeden, dan zullen de meesten in de moderne tijd zich wel af gaan vragen of je helemaal getikt bent. Of dat het maar een tijdelijke aanval is. Want dit mystieke en magische denken ligt deze tijd nu eenmaal niet.

Hoor je dat iemand als onze gast zich bezig gaat houden met deze wereld, dan rijst bij mij de grote vraag of hij wel weet waar hij mee bezig is. 0, in essentie zal hij het weten. Maar weet hij wat het in vormen uitgedrukt gaat betekenen? Ik denk dat hij zal zeggen: of er nu tien flessen gebroken worden of honderd, dat is niet erg zolang het water maar niet teloor gaat. Maar wij zeggen: Ja, maar die fles is nodig. Zonder die fles kan het water niet bestaan. Kan het voor ons niet kenbaar aanwezig zijn. Voor ons niet bruikbaar zijn.

Niet dat hij destructief is. Ik geloof zelfs dat de man in kwestie in zijn riddertijd niet eens destructief was volgens onze begrippen. Het was eigenlijk wel een oude vent. Maar als je absoluut geen waardering hebt, voor het gebeuren, dan zeg je al vlug: Of mensen elkaar doodslaan of niet, wat maakt dat uit, die God blijft voortbestaan.

Het gaat er hem niet om dat de mensen een vorm houden, of welvaart of dat ze zich houden aan bepaalde wetten en regels. Het gaat er hem alleen maar om, dat ze God in zichzelf beseffen en dat ze daarmee leren werken.

Ik weet niet wat de Paus hiervan zou zeggen, maar ik denk dat hij onmiddellijk weer een reis zou maken om iedereen te gaan vertellen, dat er maar één God is en dat Hij niet in jezelf zit. Je zou dan terug kunnen zeggen: U spreekt natuurlijk voor uzelf. Maar dat zou niet eerlijk zijn, want ook hij is een stuk van God. Alleen is bij hem de fles veel; belangrijker dan de inhoud, naar ik meen.

Wanneer iemand als onze gast op deze wereld werkt dan vraag je je af: wat zal hij gaan doen? Wat zal hij zijn? Het zijn mijn denkbeelden, onthoudt u dat goed. Ik kan het niet helemaal beoordelen, maar ik heb het gevoel dat hij probeert het water samen te voegen. Om al dat water, dat in flessen zit, te laten samenvloeien tot een zee. En of dat nou betekent, dat alle flessen verloren gaan of niet zal hem geen steek interesseren.

Voor hem is er maar één aspect en dat is de grote kracht van eenheid. Die grote kracht van eenheid, in mijn persoonlijk aspect, wordt vertegenwoordigd door wijsheid. Ik neem aan, dat wat hij zeggen zal ook wel wijsheid zal bevatten. Misschien zelfs wijsheid die verder gaat dan ik kan brengen.

Maar wijsheid is een poging tot doorzien. Tot begrijpen. Tot het formuleren en misschien zelfs tot het formaliseren van een werkelijkheid. De mystiek doet dat niet. En iemand die in zich die mystieke vereniging nastreeft zal dat nog in veel mindere mate doen, dacht ik.

Misschien dat zo iemand vanuit uw standpunt ook weleens bepaalde destructieve invloeden uitoefent. En de wijsheid die hij brengt is een wijsheid, die pas telt op het ogenblik, dat je de versmelting van alle waarden gaat accepteren.

Kent u allemaal dat bekende verhaal uit de tijd van Salomo? De man had een prima smid. Hij had die smid gezegd dat hij een heel groot bekken moest smeden, een soort koperen zee. Toen echter het ding gegoten zou worden kwam Salomo even vertellen hoe het moest en toen ging het al niet meer. Toen was het mislukt:

Dat is één van de redenen dat ik niet de moed heb u precies te gaan vertellen wat mij allemaal in het contact met deze gast is overkomen. Wanneer ik het zou doen, maak ik misschien iets kapot en dat wil ik niet. Ik wil niet een band, een eenheid of een mogelijkheid verbreken. Het enige wat ik wil is duidelijk maken, dat een versmeltingsproces als belangrijker wordt gezien dan het bestaan van afzonderlijke waarden.

Wanneer alles versmolten is, dan is het er wel, maar toch is het er niet meer, dacht ik. Ik geloof dat het één van de moeilijkheden is waar ook ik nog op stuit. Dat we niet aan kunnen nemen dat we kunnen blijven bestaan, terwijl we er niet meer in een kenbare en persoonlijke vorm zodanig zijn, dat we ons nog kunnen manifesteren tegenover en ten aanzien van al het andere. Ik denk dat wij streven naar de manifestatiemogelijkheid. En mijn poging om wijsheid te vinden brengt mij tot de conclusie, dat iemand die zo werkt als onze gast van vandaag, juist dat aspect over het hoofd ziet.

Hij zegt niet: het is noodzakelijk om eerst jezelf te zijn. Hij zegt: Je kunt pas waarlijk jezelf zijn wanneer je in een totale verbondenheid met alle dingen komt tot een totaalbeleving, waaraan je deelhebt en waarin je niet meer jezelf hoeft af te zetten tegen het andere. Dat idee heb ik.

Er blijft niet veel meer over behalve één ding, waar ik nog graag over zou willen praten. Wanneer je te maken hebt met licht in verschillende vormen in onze wereld, dan kun je zeggen: dat is een invloed die ik onderga. Het is een emotie. Het contact dat ik met deze vriend heb gehad was een beetje anders. Ik weet niet of u weleens wakker bent geworden met zo’n eigenaardig trillend gevoel in uw achterhoofd en uw nekspieren? Niet dat het echt trilt, maar je hebt zo het gevoel dat er iets aan het bibberen is. Dat gevoel had ik toen ik hem ontmoette. Dat betekent, dat er iets is wat bijna ontbindend inwerkt op een deel van je persoonlijkheid. Gelukkig gaat het gauw over en voel je je daarna ook weer veel fitter en veel prettiger dan voordien.

Ik neem aan, dat het contact met deze entiteit soortgelijke effecten kan veroorzaken. Ik wil alleen maar zeggen: maak je daar dan niet bezorgd over. Wanneer u een ogenblikje die spanning voelt of die bibberigheid of last krijgt van de tocht langs uw knieën, uw kuiten of uw achterhoofd dan ligt dat een beetje aan uzelf en uw eigen afstemming. Dat doet niet ter zake.

U hebt hier niet te maken met een krachtsmanifestatie die per se een invloed is. U hebt gewoon te maken met een wezen, dat probeert een eenheid met alles te bereiken. Dat houdt alleen in dat de grenzen, die u zelf stelt in uw begrip t.a.v. uw eenheid worden aangetast. Of misschien ook wel het denkbeeld van uw eigen gelijk of zo. Dat kan ook. Daar krijgt u een klein beetje de bibberatie van: maar dat gaat voorbij.

U blijft uzelf. U zult er niet onmiddellijk door veranderen. Maar wat je natuurlijk wel krijgt is een zuiverder‑ relatie met alles wat om je heen is. Ik denk dat je dat langzaam maar zeker toch in een ander licht gaat zien zoals dat heet. Je gaat nieuwe aspecten zien in het geheel.

Wanneer dat gebeurt – en alleen, wanneer dat gebeurt – geldt voor u het volgende: Wanneer u die aspecten voelt, aanvaardt datgene wat schijnbaar negatief is. Maak er u niet druk om. Zoek naar datgene wat voor u positief is. Want alleen daarmee kunt u zich werkelijk vereenzelvigen en daarmee kunt u ook voor uw eigen bewustzijn een zo groot mogelijke eenheid verkrijgen. Wanneer u die positieve krachten accepteert dan zult u zien dat het andere, wat eerst toch wel scherp op de voorgrond kwam, langzaam verwaast en langzaam ook toch weer positief wordt.

Het wonderlijke hier is, dat bij een dergelijke persoonlijkheid goed en kwaad niet meer bestaan, niet aanwezig zijn als beoordelende of scheidende factoren. Het is kop en munt van één en dezelfde penning om het zo eens te zeggen. Ze horen bij het wezen en de wederkerige aanvaarding bepaalt de waarde van het geheel

Omdat wij nu eenmaal bang zijn voor het negatieve en ons instellen op het positieve, kunnen we door dat positieve te versterken het negatieve laten komen tot zijn werkelijke betekenis. Dan blijkt dat het noodzakelijk is om de totaliteit van ons werkelijk ik en de bewustwordingsmogelijkheid die er in zit af te ronden.

Ik hoop, dat ik duidelijk ben geweest en dat ik u niet verveeld heb. Het is tijd om te gaan pauzeren. Na 15 tot 20 minuten hoop ik, dat u weer bereid zult zijn om verder te gaan. In dat geval krijgen we direct te maken met de gastspreker, ofschoon van onze kant het contact mede moet worden beschermd, daarvoor zijn bepaalde redenen.

Daardoor kan het zijn, dat de persoonlijkheid iets minder uitdrukkelijk naar voren komt. Maar dat hindert niet, want de uitstraling blijft in ieder geval wel volledig en dat is één van de belangrijkste delen van onze bijeenkomsten.

Ik dank u voor uw aandacht en ik wens u zo dadelijk een voor u zeer verlichtende beleving.

De Gastspreker

We zijn op dit ogenblik bezig met het opnemen van het contact. Ik kan dus elk ogenblik plaats maken voor degene, die werkelijk door moet komen. Om bepaalde redenen is het nu eenmaal niet mogelijk om dat helemaal direct te doen. Dat zou voor het medium misschien enkele gevaren met zich brengen en mogelijkerwijze zelfs tot mislukkingen kunnen voeren en dat kunnen we natuurlijk niet hebben.

Onze contacten worden op het ogenblik beschermd door 5 van onze vrienden, dus dat zit wel goed. We beginnen met een overgenomen contact, d.w.z. dat er een tussenpersoon werkt. Wanneer het mogelijk is, zullen we dat laten overvloeien in de persoonlijkheid zelf. Dat is de beste manier waarop we kunnen werken.

Ik kan nu overgeven aan de invloed van de persoon zelf. Ik blijf voorlopig even middelsman. We zullen zien hoe het verder verloopt.

Het is in het leven erg moeilijk om een sfeer te erkennen en om in die sfeer de werkelijkheid terug te vinden die overal bestaat.

Wanneer wij proberen om in onszelf de ene Kracht te ontdekken, die in het geheel van de mens en in het geheel van de kosmos de werkelijke drijvende sfeer is, dan zullen wij steeds weer de grenzen ontmoeten die wij aan onszelf stellen.

Dat, wat we zijn is niet zo belangrijk. Het gaat er eerder om dat wij weten, wat wij in wezen vertegenwoordigen. De mens zelf is een vorm die voorbij gaat. De wereld een verschijnsel dat verdwijnt in de nacht. Maar de krachten waaruit het ik is opgebouwd, de krachten die een wereld vormen en doen vergaan, blijven zichzelf.

Wat u bent is een droom.

Wat u bereikt is een droom.

Wat u waarmaakt is alleen een zelferkenning.

Maar wat u wezenlijk bent zal altijd aanwezig blijven.

Wie dit beseft, beseft ook hoezeer wij allen verbonden zijn met de werkelijkheid die achter alle vormen, achter alle uiterlijkheden steeds aanwezig is.

Wanneer ik spreek tot de krachten van de natuur zo spreek ik tot de kracht, die in mij leeft en die ook in de natuur aanwezig is. Ik spreek in de werkelijkheid met de werkelijkheid. En de werkelijkheid kan ‘de verschijnselen wijzigen, ‘omdat het verschijnsel niet zo belangrijk is als het wezen.

De kern, die in uw leven altijd aanwezig is, openbaart zich in allerlei belevingen. Maar wat je beleeft is uiterlijk. Of je mensen redt of mensen doodt maakt weinig verschil, wanneer je beseft, dat je niets kunt vernietigen en niets in stand kunt houden.

Wie langzaam ontgroeit aan al die vormen probeert zich terug te trekken van de illusies, die grenzen vormen, rijken en naties.

Wie stammen van elkaar scheidt komt tot de erkenning: er is maar één wezenlijke kracht. Die kracht te beleven is als het gaan door een verterend vuur. Want wij allen hebben onze: dromen lief. Zelfs wij, die de volmaaktheid proberen te benaderen. Wij beminnen onze dromen, al weten we dat ze niet werkelijk zijn. Tienduizend poorten, honderdduizend goden worden weggevaagd door één zucht van werkelijkheid.

De bron spreekt met de stem van de mens. De mens ademt met de bladeren van de boom. De altaren worden ­vernietigd, maar de goden spreken in al wat is.

Hoe kunnen wij met onze dromen, met onze verschillen weten, wat juist en niet juist is? Wie zijn wij, dat wij oordelen over een geheel, dat we niet kennen? Wie zijn wij, dat we beledigd, naar het zwaard grijpen omdat een ander onze droom niet voor waar wil aanvaarden?

Er is maar één kracht. Er is één lichtende werkelijkheid en deze werkelijkheid kun je niet met woorden alleen schilderen. Deze werkelijkheid onttrekt zich aan de vorm, maar ze is beleefbaar.

Wanneer de priesters het woud intrekken, hun gezangen weerklinken en vaag misschien nog een kreet klinkt van een offerdier, dan zijn de dorpelingen en de krijgers onder de indruk. En zijn de priesters dat ook?

Waarom is een woud heilig? Waarom is één plaats gewijd en al het andere niet? Omdat wij dat denken.

Maar wanneer wij beseffen: er zijn geen priesters, ik ben mijn priester, er zijn geen heilige plaatsen, maar ik heilig elke plaats, wanneer ik de kracht in mijzelf erken, dan spreekt de werkelijkheid. Dan verbleken de goden en het licht, dat je zelf mede bent.

Vuur en vlam trekken steeds weer over de aarde, verterend. Haat stormt uit de mensen naar voren in onbegrip van de werkelijkheid die ze leven. En toch zijn er geen werkelijke grenzen. Er is alleen maar één kracht. Eén licht. Eén waarheid. Eén zekerheid.

Licht is een woord. Maar in jezelf één zijn met het onbekende, kan alleen met dat woord worden aangeduid ofschoon het meer is. Je kunt een zwaard bezweren. Spreken tot de ziel van het metaal, die erin woont. De stenen toevoegen aan het gevest, dat het koper snijden kan. En het zal snijden, maar alleen voor degene die die kracht erin legt.

Het is de krijger die zijn zwaard maakt tot wapen. Niet het zwaard dat de man maakt tot krijger.

Een man kijkt naar de lucht. Hij voelt dat het tijd is om snel te oogsten. De planten weten wel, maar kunnen niet spreken. De hemel weet, maar kan niet veranderen. De mens brengt beiden samen en zo brengt hij de oogst binnen terwijl de eerste sneeuw begint te vallen.

De mens is de bindende factor. Het is de mens, die de band maakt tussen het spel van de lucht en de bezielers van de lucht, en de planten en de bezielers van de planten. Het is de mens, die de verbinding vormt tussen de hemel hoog boven en de aarde.

Een mens kijkt naar de maan en hij bidt. Hij eert haar. De maan staat ver weg. Een man richt zich op de aarde en hij roept haar op om de maan te ontmoeten. De aarde kan de maan niet ontmoeten, maar in de mens ontmoeten ze elkaar.

Dat is het geheim. Dat is een sleutel naar de werkelijkheid.

Niet de dingen zijn afzonderlijk, maar hun vormen. Maar waar een wereld is van vormen, daar kan de mens in zich de band leggen tussen de vormen. Hij kan de krachten in zich doen samenvloeien en vermengen totdat zij samen zijn geworden, een drank van eeuwigheid.

In de mens, in de geest, vloeien de dingen samen. En het is het samenvloeien waardoor de mens belangrijk is.

Vormen verdwijnen. Verwaaid zijn de geslachten van gisteren. En ijl als een wolk in de verte is er een vage belofte voor de geslachten van morgen. Het is de mens die, in zich gisteren en morgen zijn schijnbare kennis van wat was en zijn verwachting van wat is, samenvlecht en er één kracht uit maakt. Eén kracht, die niet in vormen uit te drukken is en die leeft.

Het geheim is dat alles leeft. Het geheim is dat alle leven één is.

Daar, waar de verscheidenheid heerst is de mens het middel, waardoor die verscheidenheid toch zijn eenheid erkennen kan.

Mensen zeggen dat zij meester willen worden in de magie, maar de magie is een illusie en een gedachtenspel.

Mensen roepen om inwijding. Een inwijding is niets anders dan jezelf anders zien dan voorheen.

Maar de mens is in deze cyclus de ontmoetingsplaats, waarin het leven zich verenen kan ongeacht de uiterlijkheid van verschil.

U bent één, maar u beseft het niet. U bindt het aan vormen. Het verandert de eenheid niet. Maar wie de eenheid beseft, beleeft de eenheid.

Wie wil gaan uit het rijk van zijn dromen naar het rijk van de werkelijkheid gaat door het duister. Tienduizenden plaatsen van ondergang trek je door. Door de diepste krochten en poelen zoek je je weg.

Langs steile wanden klauter je omhoog, wanhopig haast. Het is een droom. Een droom. De werkelijkheid is één en onveranderlijk. Maar jij, die verder wilt gaan, beleeft het sterven van datgene wat uiterlijk, wat verschillend schijnt te zijn, als een beleving van alle diepe angsten die er in je leven. En toch bereik je het licht. En opeens weet je, dat het duister dat je zojuist belaagde, niets anders is dan een lichte siddering van het licht dat je bent.

Mensen zeggen; wij moeten sterven. Maar als de vorm sterft is er niets veranderd, want de essentie blijft.

Mensen zeggen: wij zullen bewust worden. En geesten roepen uit, dat zij naar een hogere sfeer willen gaan. En zij sterven in denken en denkbeelden, zij sterven in werelden en niets verandert. Want de essentie blijft gelijk.

Niets kun je zijn, niets kun je vinden, wat je niet bent.

Niets kun je afwijzen, omdat je, alles bent. Maar je kunt beseffen de zin van het bestaan, van het bestaande. Is dat niet de schijn doen vallen, opdat de werkelijkheid leeft?

Wees niet bang voor je duisternis. Ze is maar je duisternis. Ze is maar je aanloop naar het werkelijk erkennen van het licht waar je deel van bent:

Vrees niet voor het licht dat de vormen verteert. Want waar de schijn sterft ontwaakt eerst de vreugde van het werkelijk bestaan.

Vrees de goden en demonen niet, hoe duidelijk zij zich ook manifesteren. Want ook zij zijn vormen, waarin hetzelfde leeft dat in u bestaat; de waarheid die eenheid vormt.

Mensen raden is onmogelijk. Mensen regeren is niet mogelijk. Dat besef ik nu. Je kunt alleen maar de droom waarmaken die er al is. Je kunt alleen de mensen ertoe brengen zich iets voor te stellen wat ze al zijn in hun eigen denken. Maar je kunt hun kern niet voor één klein stukje, één stofje zoals het dwarrelt in een zonnestraal veranderen. Besef dat.

U bent niet, opdat u Al bent.

De weg van het gebeuren lijkt onontkoombaar. En het blijft het zolang u droomt te zijn zoals u nu uzelf ziet. Vergeet die droom en het lot en de wereld lijken anders.

Wij zijn niet meesters van het lot. Wij zijn niet slaven van het lot. Wij zijn het lot.

Wij zijn de dromers die de droom van de schepping dromen. Wij zijn de barden die het lied zingen van de wijsheid, die niet bestaat.

Niet ik. Niet u. Wij. Al het zijnde.

De droom verbleekt en het lot schijnt tot een einde te komen. Wij zijn. Als wij ontwaken, zal de schepping ophouden te bestaan. Maar wat wij zijn blijft. En de kracht, waaruit wij zijn, blijft. Dat is het geheim.

In elke mens ligt de sleutel naar de werkelijkheid. Ook in u. Die sleutel is de erkenning van het feit dat u dit alles droomt; hoe echt het ook moge lijken. De sleutel naar uw werkelijkheid is de aanvaarding, dat u deel bent van al wat u kent en meer dan dat. De sleutel naar het licht en de lichtende werkelijkheid van ons aller bestaan.

Woorden die alleen voor mensen zin hebben, maar zinloos zijn als het einde van de droom ze dooft.

Ons erkennen van de eenheid van ons aller bestaan zonder grens, zonder voorbehoud, zonder scheidingen in licht of duister, is de bevrijding van de droom. En dan spelen we nog mee in de dromen van anderen. Maar wij dromen niet. Wanneer hun dromen angstig worden zoeken we ze te wekken. Niet om het gevaar van de droom, maar om de vrijheid van de dromer.

Lang schijnt het in tijd sedert ik op aarde geleefd heb. De tijd is een illusie. Nog trek ik ten oorlog. Nog zit ik en spreek ik. Nog worstel ik met wat ik weet en niet kan begrijpen. Dat is de droom, maar eens was het mijn wereld. Nu is het alleen schets van vergankelijkheid spelend in de eeuwigheid.

Lang heb ik de wereld en de mensen vergeten. Nu keer ik terug tot de wereld en de mensen. Voor mij is er geen tijd vergaan. Wat ik droomde dat ik was, keert terug in uw droom.

Ik geef u steeds weer de boodschap van het licht in u, van de grenzenloosheid van uw bestaan wanneer u de grenzen slecht en neerhaalt al wat staat tussen u en de werkelijkheid. Want dat is al wat je als levende kracht kunt geven aan levende kracht, die nog droomt van vergankelijkheid.

Het woord dat ik spreek is uitgeblust zodra het uw oor bereikt. De kracht die het woord draagt blijft in u bestaan. Zo is het met de werkelijkheid.

De werkelijkheid spreekt door de uiterlijkheden, maar haar zin is de uitstraling die u bereikt. En wanneer u door die uitstraling leert, uw grenzen terzijde te schuiven dan zult u de vrijheid kennen van de eenheid met alle dingen.

Onze gastspreker heeft u een kracht gegeven die uiteindelijk weinig betekent, tenzij ze diep in uzelf bewaard blijft. Wat onze gast heeft gezegd, lijkt ons soms aanvechtbaar. Wat hij is geweest en nog is, niet. Het wezen der dingen kun je niet vangen in woorden en ik geloof zelfs niet in uitstraling. Maar aanvaard wat u gegeven is. Want het is iets dat heel dicht bij de absolute werkelijkheid ligt.

Wij kunnen nu veilig het contact verbreken en danken u mede namens onze gastspreker, voor uw aandacht.