Krachten in de mens

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 30

26 augustus 1956

Tzu Liang Hou, een Mongool, die ook in China een tijd heeft gewoond, schreef eens een korte definitie neer van het innerlijk van de mens:  “In de mens zijn krachten. Doch indien de krachten in de mens zich uiten, is de mens zichzelf niet meer.”

Kort, schijnbaar onvolledig, geloof ik toch, dat we deze spreuk kunnen nemen als basis voor onze beschouwingen voor deze dag.

Een mens draagt in zich ongetelde vermogens. Ook een geest kent in zich vele krachten, die ze nog niet openbaart en uit. Maar in de mens, juist in de stofmens, is de tegenstelling tussen uiterlijkheid en uiterlijk beleven en innerlijk vermogen zo groot, dat gesproken kan worden van een kosmische kracht, die gebannen wordt binnen een stoffelijk lichaam.

Wij allen weten, hoe grote leraren als bv. de Boeddha, als Jezus, als Mohammed, getracht hebben op hun eigen wijze dit beeld duidelijk te maken. Boeddha zegt ons: “In ons sluimert het Al. En indien de ban der begoocheling valt, de waarheid ons wordt geopenbaard, dan zijn wij één met het zijnde.” Mohammed zegt ons: “Gereinigd van het menselijke en de menselijke lust zijn wij één met Allah in Zijn hoogste hemel.” Jezus zegt ons: “Het koninkrijk Gods ligt in U.”

Men heeft het heel vaak willen beschouwen als een aanduiding zonder meer; en ik geloof niet, dat er veel mensen zijn binnen de genoemde religies, die bereid zijn dit als een kosmische waarheid te aanvaarden. Toch zijn deze uitspraken juist dit, niet meer en niet minder. In ons allen geest en stof leeft de oneindigheid. Maar in de mens is die oneindigheid ontstellend veel scherper gedefinieerd dan in de geest. De geest, levend in haar wereld met vaag vervloeiende vormen, met tijdsgrenzen, die dijen en krimpen naar gelang de mens zelve zijn weg zoekt, ach, die geest ervaart deze dingen niet zo scherp.

En de mens, geschoold in het denken in grenzen, het tellen van de tijd in minuten en seconden, het afmeten van afstanden, deze mens kan de oneindigheid in zichzelf zoveel groter en ontzagwekkender ervaren; en daardoor ook elke vleug van oneindigheid, die in het “ik” ontstaat, zoveel beter begrijpen en aanvaarden. In de mens ligt de kosmos en de oneindigheid.

Een christelijke filosoof zei eens: “Het Koninkrijk der Hemelen, dat in ons is, is ons begrip over alle wereld.” Maar in zijn onvolkomenheid van denken meende hij met “alle wereld” deze wereld der mensen te kunnen begrijpen. Dit te zien als het alomvamende. Indien zijn begrip verder was gegaan en hij begrepen had, dat dit alle sferen omsluit, alle stoffelijke werelden, alle fasen van bestaan in micro en macro kosmos, dan was zijn woord de uitdrukking geweest van het volledig bewustzijn.

Niets bestaat er buiten U. Wat buiten U bestaat, is slechts een deel van Uzelf. Ge kunt U daarvan niet losmaken. Zeker, de wereld van voorstellingen is een noodzaak, en ge wordt gedreven door alle omstandigheden buiten U. Maar in U leven al deze dingen en in U kunnen zij beheerst worden. In U leven de zon, de maan en de sterren. In U is de kosmische hemel, waarnaar ge streeft. En in U ligt verborgen de afgrond diepe hel, waarvoor ge vlucht. Er is geen enkel iets, geen fase van bestaan, geen aspect van goddelijkheid of materie, die niet in Uw wezen zijn behouden.

Dit begrijpen is meer dan een mens of een geest kan doen. Op het ogenblik, dat wij dit beseffen en gebruiken, ach, waar blijft dan de nauwe begrenzing, die ons tot mens of geest van een bepaalde sfeer maakt? Dan zijn wij één met de kosmos, een met God en hebben de volmaking bereikt. Maar al begrijpen we deze dingen niet, we kunnen ze weten. Weten, omdat daarin een troost en een zekerheid schuilt. Niets kan met ons teloor gaan. Niets kan voor ons teloor gaan. Er is niets, waarin we mislukken, zoals er niets is waarin wij slagen. Het leven is niet een eentonigheid. Het is een voortdurende realisatie van hetgeen in ons leeft, een voortdurend streven. Maar wanneer wij mislukken en wij weten, dat wij mislukken, dragen wij in ons het bewustzijn van wat het slagen zou betekenen. En zo zijn we geslaagd dáár, waar wij meenden te mislukken. Daar, waar wij meenden te overwinnen, zijn wij ten onder gegaan, omdat wij het verlies niet begrepen hebben. Daar waar wij sterven, leven wij, indien wij weten, dat dood en leven één zijn. Doch daar waar wij leven en de dood vrezen, sterven wij. En het leven, dat wij bezitten, is dood.

Dat zijn geen wijsheden van mij. Het zijn wijsheden, die al lange eeuwen bewaard worden door de mensheid. Zij zijn actueel. Vandaag aan de dag gelden ze evengoed als voor geslachten, die thans reeds lang in de oneindigheid vertoeven. Het is gelijkelijk waar voor de beschermgeest, die een planeet beheerst, als voor de ontwakende geest, die vanuit het dierlijke opgaat tot het menselijke.

Alles leeft in ons. In ons is de geestelijke kracht, die ons gehele Al, onze gehele kosmos beheerst. Geen grenzen. Geen grenzen tenminste, die we kunnen bevatten met ons wezen en onze ziel. Oneindigheid. Oneindigheid van krachten en vermogens. Oneindigheid van leven en streven. Het grensloze. Dat is ons wezen, ons bestaan, onze werkelijkheid.

O, we kunnen teruggrijpen naar de verre oudheid en horen, hoe de dichter uitroept, dat alle Goden eens daalden door het oog tot in het hart eens mensen en vanaf dat ogenblik leefde de wereld in zijn hart. We kunnen luisteren naar de moderne denker, die meer op het technische ingesteld tracht te omvamen het totaal van het menselijk leven door te zeggen, dat al, wat hij kent en ontmoet, in hem behouden blijft, of hij zich daar nu van bewust is of niet. We kunnen overal bewijzen zoeken voor deze stellingen. We kunnen een bevestiging zoeken in de verschillende redevoeringen en gelijkenissen van Jezus. We kunnen ze zoeken in de Surah’s en de Koran. We kunnen gaan tot de theosofen, de boeddhisten of de Hindoes. Ook zij zullen ons het bewijs leveren, dat dit mogelijk is, dat dit bestaat. En indien wij dit niet als weten in ons dragen, zal ons dit weinig kunnen helpen weinig van dienst zijn.

In ons is de wereld. Alles. De regen, die buiten neerruist, leeft ook in U. En indien gij die regen zoudt kunnen verwerpen met Uw bewustzijn, zou het droog zijn. De zon, die achter de wolken brandt, ze leeft in U. En indien het Uw wens is, dan breekt ze door de wolken heen, dan verdrijft ze langzaam de regen, blakert zij misschien zelfs Uw aarde. Wat wilt ge? In U leven deze dingen en aan Uw wil zijn zij onderdanig. Aan Uw wil is alles onderdanig, indien ge het kent in Uzelf, beleeft in Uzelf, draagt in Uzelf.

Deze grote les zullen wij allen eens moeten leren. We zullen moeten leren, dat licht en duister één zijn: maar dat de scheiding, die we in onszelf maken tussen deze beide, ons de beheersing geeft, indien wij het wezen van deze beide, uit ons geboren, beseffen. Er is niets, wat voor ons onmogelijk is. Er bestaat voor ons geen wet en geen regel, indien wij het wezen der dingen kennen en beseffen. Ons onvermogen stelt ons voortdurend tegenover de grotere machten, tegenover de wetten, die we niet kunnen over schrijden, tegenover de wereld, die we niet aankunnen. In ons behouden zij deze waarden. En indien wij, mijne vrienden, ons realiseren, dat al wat wij ons voorstellen, tot de God toe, Die wij ons voorstellen, in ons leven, dan zullen wij eindelijk misschien de grote waarheden in onszelf ook bevatten.

Gods wetten zijn de wetten van ons wezen, indien wij ons wezen kennen. Gods wil is onze wil, indien wij ons van heel ons zijn bewust worden. Alle schepping is onze schepping, indien wij ons bewust zijn van onze oorsprong.

Al deze begrippen heb ik gebruikt om U voor te bereiden op een spreker, die voor U misschien moeilijker en gelijktijdig ook nog dieper is, dan ik ooit zou kunnen gaan. Juist in deze kleine kring is het mogelijk hem tot U te laten spreken. En ik verzoek U om aandachtig toe te horen, en datgene wat ik U met veel woorden misschien nog niet heb kunnen belichten, hij zal trachten te vangen in de klaarheid van enkele woorden. Ik voor mij zal geen commentaar geven op hetgeen mijn leermeester tot U zegt. Daarom neem ik afscheid van U.

o-o-o-o-o

Leven is een splitsing van waarden in het bewustzijn. Een verloochening der eenheid is voor ons de realisatie der veelheid, toch zijn wij een, ondeelbaar en oneindig. Geen kracht kan ons delen. Wij kunnen slechts in onszelf de krachten van het ik stellen als waarden tegenover elkaar. Wanneer ik spreek over licht en duister, zo verloochen ik een deel van mijn eigen waarden, want ik ken mijn leven en mijn niet leven. Mijn niet leven is duister, mijn leven is licht. Door het overdragen van deze waarden op al hetgeen ik rond mij ken, breng ik voor mij zelve de waan van licht en duister, dood en ondergang in de wereld. Het eindige van mijn wezen wordt niet bepaald door de voleinding van het bestaan, maar door het begin. En uit dit niet zijn kom ik voort. Vanaf dat ogenblik zal ik zijn, tot het niet Al regeert.

“Niet” is mijn bewustzijn, omdat het het ontstaan van mijn wezen is. Ik projecteer het in al mijn gedachten. Ik stel het als tegenwaarde voor al mijn erkenning. En gedeeld en twee wordt mijn wereld, maar een is mijn wereld. Eén en ongedeeld ben ik. En zelfs het niet, waaruit ik ben voortgekomen, blijft deel van mijn wezen, de eigenschap van het niet wordt geuit in mijn realiteit.

Wanneer ik U zeg: “Het Niet is God,” dan spreek ik een waarheid en een leugen. Het Niet is God, omdat God voor ons niet kenbaar Niet zal moeten blijven. Een waarheid, omdat ik zeg: “Niet” in de tegenstelling van mijn eigen bestaan. In mijzelf ben ik niet de volheid van het zijnde. Maar een leugen, omdat ik zeg: “Er bestaat een Niets naast mij, dat reëel niet is…. en niet slechts voor mijn bewustzijn een onbewust van het bestaan voortgaan betekent.”

Deze tegenstelling als waarheid is voor mij een groots iets. Wanneer ik zeg “Niet” en ik begrijp daarmede het niet begrepene, het onbewuste, datgene waarvan ik deel ben, zo is het Niet deel van mijn wezen. Ik ben slechts een begrenzing door het bewustzijn van een deel van het Niet. Indien ik het Niet zie als een afgrond, een voorgoed voorbijgaan van tijd, een voorgoed verloren gaan van waarden van leven, dan betekent ditzelfde ondergang. Want wat ik meen voorgoed te verliezen, zal ik in mijzelf moeten herwinnen, voordat ik het hernieuwd kan bezitten in mijn bewustzijn.

Daarom is deze grote waarheid de kracht in ons, de kracht van het Goddelijke, de kracht waarmede elk wiel van het noodlot kan worden gebroken. Mijn bewustzijn richt mijn wil. Mijn wil, volgens mijn bewustzijn gericht, doorbreekt alle grenzen en bereikt het Goddelijke, indien zij vertrouwt in zichzelf.

Niet een gebrek aan wil belet U te bereiken, gebrek aan vertrouwen in Uw wilskracht, waardoor ge de wil niet werkelijk durft aanwenden. Niet Uw onvermogen tot begrip doet U verdwaasd staren, wanneer een wijsheid wordt gesproken, maar Uw wantrouwen tegenover Uzelf. Gij, die weet, zoekt naar een bevestiging, omdat ge Uw weten niet vertrouwt. Dan is Uw weten geen weten meer. Uw wil is geen wil meer. Dat, wat men wantrouwt, verwerpt men. Wat men verwerpt, stoot men uit zijn leven, ook wanneer men meent het in de vorm nog te bezitten.

Gij zoekt naar waarheid, gij zoekt naar kracht en leven, gij volgt thans deze weg. Er zijn vele wegen. Wegen, die ge kunt gaan. Maar ge kunt elke weg slechts gaan, indien gij ten volle vertrouwt. Indien gij geduldig zijt. Wanneer U gezegd wordt: “wacht,” dan zult ge wachten. Wanneer men U zegt: “ga,” dan zult ge gaan. Wanneer men U zegt: “kom,” dan zult ge komen. Want de weg, die gij gekozen hebt, is de bevestiging van hetgeen in U leeft.

Onthoudt dit: Gij kunt geen twee wegen gaan. Gij kunt niet twee dingen gelijk bezitten. Gij kunt geen meester zijn over Uzelf, tenzij gij in Uzelf volledig vertrouwt en Uw eens gekozen weg voortzet ten koste van alle dingen.

Alle wereld spreekt van offer. Ik zeg U: offer bestaat niet. Elk offer, dat wordt gebracht, is slechts een bevestiging van in U levende krachten.

Men luistert naar de stem der goden. Ik zeg U: “Goden bestaan er niet; maar slechts de kracht, die in Uzelf leeft, die het leven zelf is.”

Ge luistert naar ons, schimmen in een wereld, die gij niet kent. Gij meent onze woorden te verstaan. Gij verstaat onze woorden niet, noch ons leven, noch ons wezen. Gij verstaat, wat in Uzelf leeft.

Wij weten dit. En wij spreken tot U op een wijze, die voor U betekenis heeft. Niet op een wijze, die een uitdrukking is van ons wezen. Maar indien gij dit begrijpt, hebt ge verdere bewust wording. Dan zult ge de kracht, die in U leeft, leren gebruiken. De kracht, die in U leeft en U verder kan voeren boven alle sfeer, boven alle grens en beperking. Gij zijt reeds nu volmaakt, maar onbewust van de volmaaktheid verwerpt gij een deel van U zelve.

Deze dingen zijn waar. Indien gij ze begrijpt, zijn zij voor U een weg tot nieuwe bereiking. Indien ge ze niet begrijpt of niet begrijpen durft, vergeet ze als ijdele klank. Zij hebben voor U dan geen betekenis.