Krachten uit het Al

24 november 1958

In het heelal bestaan heel wat krachten. We kunnen deze vinden op een zuiver stoffelijk plan. We kunnen deze vinden op het vlak van stralingen, van velden; wij kunnen ze echter ook vinden op het vlak geestelijke invloeden: de gigantische persoonlijkheden die zich openbaren in sterren en zelfs in nevels. We kunnen het onderwerp benaderen op een strikt wetenschappelijke, haast op ruimtevaart lijkende wijze, we kunnen ook trachten het van meer astrologische zijde te benaderen. Uit al deze mogelijkheden heb ik een keuze gedaan. Ik hoop u zo een samenhangend beeld voor te toveren in deze inleiding, dat het mogelijk maakt om alle krachten in het Al althans, enigszins op hun waarde te schatten. Want dit heelal met zijn schijnbare ledigheid is gevuld met allerhande krachten en ook gevuld met zeer veel materie. Er zijn bepaalde standpunten, die ik hier niet nader zal bespreken, maar toch even wil aanstippen, al is het maar om u een beeld te geven van de volheid, die kan bestaan.

Tijd wordt over het algemeen gezien als een permanente flux, een vloeiende lijn, maar het kan even goed een slingerende, een sinusvormige lijn zijn, waarbij parallel lopende lijnen beurtelings door het moment “tijd” worden gesneden en door de invloed van de kracht, die in deze tijd besloten ligt, het verschijnsel tijdelijk kenbaar wordt. Nemen wij dit aan, dan kan op elke plek, waar een wereld is, een honderdtal ‑ misschien zelfs een duizendtal ‑ verschillende werelden bestaan. Ik wil dit onderwerp niet verder aansnijden; het zou een aparte studie over de tijd vergen en een aparte studie over de geaardheid onder meer van zwaartekracht en zelfs van ruimtelijke en super-ruimtelijke structuren,

Het is echter wel zeker dat in het Al fijne materie bestaat. Deze fijne materie ‑ meestal in betrekkelijk primitieve vorm ‑ is fijn verdeeld maar niet “gelijkelijk” verdeeld. Wij vinden in het heelal banen, waarin wij zelfs kunnen spreken over bv. zuurstof, stikstof, koolstof, helium, waterstof. Er zijn nog verschillende andere banen, maar die liggen hier niet in de nabijheid. Dat wil dus zeggen dat verschillende elementen – waaronder vele gasvormige ‑ op enigerlei wijze in buitengewoon grote spreiding aanwezig zijn.

Nu weet u allen wat er gebeurt wanneer u bv. een brandbaar gas in de buurt brengt van een vlam. Er ontstaat een steekvlam. Breng een, nog zo fijn verdeelde voor fusie of ontvlamming vatbare stof in de nabijheid van een ster en de activiteit van deze ster wordt aanmerkelijk vergroot. Omgekeerd: breng een stof, die dempend werkt op bv. een waterstof‑helium‑reactie in de nabijheid van een ster en de mogelijkheid is zeer groot dat zij tijdelijk terugvalt in haar sterkte van uitstraling en dat zij dus van een witte ster tot een rode ster, een rode reus wordt.

Al deze dingen maken het reeds duidelijk dat het heelal leeft en aan voortdurende veranderingen onderhevig is. In dit Al openbaren zich steeds weer en aan alle kanten veranderingen, ook wanneer deze: t.o.v. een mensenleven ongekend lange tijd kunnen vragen. Wij zien hoe sterren samenkomen en een deel van hun massa verliezen; er ontstaan planeten. Wij zien hoe sterren elkaar benaderen en worden tot een zgn. tweelingsysteem  omdat zij gevangen zijn in elkaars aantrekkingskracht. Zij blijven eeuwenlang ‑ ja, miljoenen jaren lang ‑ cirkelende bewegingen volvoeren tot één van hen, slachtoffer wordende, het middelpunt neemt, zich leeg straalt, terwijl de ander, meestal wordend tot een rode reus, eromheen blijft cirkelen. De dood van een dergelijke ster, de verandering van verhouding, betekent wederom een grote verandering in het heelal.

Wanneer een ster nu eigenlijk goed bezien wordt, verschilt ze niet zo erg veel van een atoombom, die voortdurend zijn eigen materiaal blijft aanvoeren en zo permanent blijft verbranden. Zo vinden wij dan ook in de uitstraling van de doorsnee ster in de eerste plaats gammastraling, intens doordringingsvermogen, niet afgeremd door de bijna ledige ruimte, voortsnellend over ongetelde lichtjaren. Daarnaast echter vinden we alfa- en bèta straling, vinden wij een partikel‑straling, neutrino straling. Ja, de waterstofkernen die met grote snelheid worden weggeslingerd, zijn vaak een straling die op andere planeten het leven doet ontstaan en verder beïnvloedt. Dat kan zijn in het eigen zonnestelsel, maar onder omstandigheden zelfs in een ster die niet verder dan maximaal 100 lichtjaren verwijderd is.

Deze enorme krachten zijn niet zo ongebonden als men zou denken. Elke ster met haar zeer zware werkzame massa, die voortdurend naar buiten toe stuwend zich oplost, maar gelijktijdig een chemische omzetting doormaakt, waardoor ze weer verzinkt naar binnen toe in een hernieuwde binding, is een persoonlijkheid. Het voorgaande is allemaal wetenschappelijk. Nu ik spreek over persoonlijkheden, komen we op een terrein dat de wetenschapsmens waarschijnlijk dat van de ongerijmdheden noemt.

Maar laten we de vraag dan even anders stellen. Wanneer een mens ‑ een complex wezen, dat geef ik graag toe, maar toch zo onbelangrijk in het Al ‑ bezield is, zal dan een ster, die scheppende functies kan vervullen, die in haar statige reidans door de eeuwen heen leven kan baren en vernietigen, zal deze grote macht niet bezield zijn? Elke ster die leeft, ja, elke planeet, die bestaat, heeft een eigen persoonlijkheid. En ‑ vreemd genoeg ‑ kan deze eigen persoonlijkheid de karakteristiek van uitbarstingen op zo’n ster aanmerkelijk veranderen of bepalen. Wij kennen sterren die voortdurende steekvlammen de hemel inwerpen en met deze steekvlammen radioactieve partikels, stralingen van grote hardheid. Andere daarentegen blijken meer een soort gelijkvormige stralenkrans te bezitten, betrekkelijk permanent en niet verstoord door de grote atmosferische stormen die men hier op uw zon zonnevlekken noemt. Het karakter van de ster bepaalt dus ten dele de uitstoting van stoffen en het ontstaan van straling daaruit.

Een ster heeft beweging. Deze beweging is gebonden aan een meestal niet zichtbaar middelpunt van de nevel, waarin ze geboren is. Ze is niet volledig vrij in haar baan, maar wordt op haar gang voortdurend aangetrokken, nu tot deze dan tot gene, menigte van sterren. Zij ontwikkelt in haar snelheid een zekere hoeveelheid krachten die wij dan meestal zwaartekracht noemen plus bindingskracht. Deze bindingskracht is ongeveer gelijk aan de veldverhoudingen die in een molecule de kern verbindt met het elektron.

De persoonlijkheid echter kan met deze keuze wel degelijk iets doen. Niet elke ster behoeft volgend de gelijke wet, de gelijke baan te beschrijven. Wanneer echter een aantal sterren een onderling redelijke verhouding hebben gevonden, dan vormen ze zoiets als een vereniging of een club onder de mensen; zij blijven zeer lange tijd in gelijke verhoudingen bestaan, zij gaan gezamenlijk door de hemel, zij kiezen gezamenlijk een doel. Enkele van deze sterrengroepen zijn opgevallen op aarde, men noemt ze o.m. sterrenbeelden. Denkt u aan de Grote Beer, de Kleine Beer, de Wagen, enz.

Nu zijn er echter sommige van deze groepen, die tot een zo grote harmonie zijn gekomen, dat zij gezamenlijk een groepspersoonlijkheid beginnen te bezitten en deze groepspersoonlijkheid wordt dan in de astrologie genoemd, de invloed van Cancer, Sagitta­rius enz. Eigenlijk zijn deze invloeden een straling. Straling heeft ook een invloed op al, wat het ontmoet. Wanneer de aarde haar atmosfeer verandert, zal ook de invloed, die de straling van buitenaf geeft, veranderen. Het absorptie­vermogen van de beschuttende stratosfeer en protosfeer maken wel de­gelijk uit, in hoever het aardoppervlak beroerd of benaderd kan worden door activiteit, door straling.

Ware dit alles, dan zou ongetwijfeld dit heelal reeds, een ontstel­lende reeks van mogelijkheden bieden. Denkt u eens aan al die verschil­lende krachtsverhoudingen tussen deze sterren zelf, deze stralingen die elkaar ontmoeten, die soms elkaar opheffen, in andere gevallen el­kaar een buitengewoon sterk doordringingsvermogen geven. Maar er is meer. Er zijn velden.

U zult zich afvragen: “Wat is nu dat veld, waarover u spreekt? Moeten we dat zien als elektromagnetisch, als elektrostatisch, als magnetisch zonder meer, als een stralingsveld of wat dan ook?” Het is moeilijk daarop een antwoord te geven. Ongetwijfeld zal men op aarde gaan spreken over elektromagnetische velden, maar dit is niet juist. Het gaat hier nl. niet om gelijk‑golvende velden maar om velden, waar­in de fluctuatie aanmerkelijk kan veranderen, zodat we naast de eigen trilling een reeks van af‑ en oplopende trillingsverschijnselen te zien krijgen die de uitwerking van het totale veld op al wat daarin bevat is mee bepaalt.

Er zijn twee kernvelden in het Al. Deze twee kernvelden verschuiven t.o.v. elkaar en de wijze, waarop deze verschuiving plaats vindt is o.a. mee aansprakelijk voor de veranderde afbuiging van licht, de zgn. rood verplaatsing die men met foto’s kan waarnemen en waardoor men dus ziet dat vooral aan de rode kant van het kleurengamma een ze­kere verschuiving t.o.v. “normaal” (het normaal‑aarde) heeft plaats gevonden. Hieruit construeert men overigens, het bewijs voor het vlie­dend Al.

Zouden deze velden nu moeten worden gezien als natuurkrachten zonder meer, zonder denken en zonder regel, dan zouden we ze rustig kunnen verwaarlozen. Maar het eigenaardige is dat zij klaarblijkelijk redelijk handelen. Zij werken niet altijd gelijk. Integendeel, soms veroorzaken zij het ontstaan van zgn. donkere wolken; de vreemde nevels van fijn verdeelde stof, die zelfs het licht van een ster kunnen doven; nevels die worden waargenomen door de grote kijkers van de astronomen. In het verleden heeft men er over nagedacht wat dit kon betekenen. Tegenwoordig spreekt men er eerder over als materie, die bij een ontstaan van sterren zonder voldoende stralingsdruk of hitte achterbleef en daardoor de oorspronkelijke oer toestand kon handhaven. Dit is niet waar. Deze stof is ten dele het resultaat van dode sterren, van meteoren en meteorieten die langzaam maar zeker zichzelf hebben verpulverd tot ze in oer-bestanddelen zijn uiteengevallen.

Wij zien nu dat de denkende velden soms deze nevels beroeren en doen verplaatsen; in andere gevallen hun licht geven, dus tot sterren maken. In weer andere gevallen worden delen van deze duistere nevels plotseling – zoals een nevel door een sterke wind uiteen wordt gejaagd in de richting van verschillende sterren. In dergelijke gevallen zien wij kort achtereen  naar aardse tijd gerekend binnen 3 of 4 jaren in één plaats van de hemel in de buurt van zo’n donkere nevel 4 à 5, soms zelfs tot een 10‑tal toe, novae opvlammen, dus sterren van geringe sterkte plotseling fel branden. Daarnaast blijkt dat deze grote velden invloed hebben op de werking van sterrennevels. Hun eigen wervelingssnelheid wordt bepaald door de wijze, waarop beide velden zich kruisen ter plaatse van de sterrennevel. Men heeft zelfs gezegd dat deze invloeden uit het Al kunnen worden geacht te zijn, de directe scheppingsdrang Gods, zich uitend in het veld “wil” en het veld “gedachte”. In hoeverre dit waar is kan ik helaas niet verklaren.

Naast deze krachten uit het Al zijn er natuurlijk ook nog andere dingen die de aandacht waard worden; en ik zou niet volledig zijn, wanneer ik hier ook niet even sprak over de verschillende rassen die ontstaan zijn op kleine planeten ergens in deze zee‑van‑leegte. Ofschoon wij niet in staat zijn geweest alle planeten af te zoeken, is het ons bekend dat er zeker een 1000‑tal rassen bestaan die moreel, zedelijk en verstandelijk een gelijk- of meerwaardig punt t.o.v. het menselijke hebben bereikt. Zij bevinden zich vaak op zeer grote afstanden van elkaar en het is onder de huidige condities niet aannemelijk dat ze ‑ voor één van die rassen tot een beheersing van de vierde dimensie komt ‑ elkaar voortdurend zullen kunnen ontmoeten en bezoeken. Het is echter een feit dat zij bestaan.

Elk volk, elk ras heeft een groepsgeest. Ook uw volkeren, uw rassen (de mensheid als zodanig), zijn een bepaalde – zeer nauw omschreven ‑ geestelijke waarde, met grenzen van voorstellingsvermogen, grenzen ten opzichte van “toelaatbaar gedrag” etc. Zo bestaan die elders ook. Maar ook gedachten zijn een uitstraling. De uitstraling van een mens op zichzelf is niet groot; toch kan door geschoolden over zeer grote af­stand ‑ soms zelfs een interplanetaire afstand – een gedachtestraling gericht worden uitgezonden. Bij een niet‑gerichte uitzending zal er een diffusie ontstaan; het verdeelde reikt niet zo ver. Maar als één mens van hier tot bv. Venus kan komen met zijn gedachten, zou dan een men­selijk ras als geheel zijn persoonlijkheid niet veel verder in de ruimte uitstralen tot andere sterren? Zou ergens in de buurt van Cen­taurus misschien een andere rassengeest of volksgeest niet de uitstra­ling van deze gezamenlijke entiteit “mensheid” kunnen ontvangen en ab­sorberen? Een vraag waarop een antwoord moeilijk te geven valt. Ik kan u wel zeggen dat het zo is, maar dat heeft geen bewijskracht voor u, het is hoogstens een wetenswaardigheid. Ik meen echter dat dit wel degelijk het geval is en reeds in een betrekkelijk ver verleden is ge­weest.

Wanneer nu echter ‑ en dat is wat anders ‑ dichter in de buurt bv. een groepering leeft die ook den groepsgeest heeft (noemt u hen mensen, mensen van Mars of van Venus, geheimzinnige wezens misschien van Saturnus, van Jupiter, van Neptunus, het geeft niet hoe u hen noemt, als u hen zich maar even voorstelt als hypothese), dan zal het duidelijk zijn dat gezien de kleine afstanden onderling een beïnvloeding van de rassengeesten wederkerig plaats zal vinden; dat het gezamenlijk bewustzijn van de mensheid een invloed uitzendt naar anderen en ook daarvan de impulsen zal ontvangen. Zo goed als mensen elkaar beïnvloeden door hun denken en hun reacties, zo zullen dus planeten elkaar onderling kunnen beïnvloeden.

Een planeetgeest, groter dan de mensheid, zal ongetwijfeld op het individu niet zijn invloed laten gelden, zomin als u in staat bent tenzij dan ten koste van buitengewoon veel moeite en technische middelen ‑ door middel van uw denken de loop van een enkel molecule te beïnvloeden, laat staan van een nog kleiner deel. Verhoudingsgewijs is de mens t.o.v. een planeet qua massa, intelligentie, intensiteit van krachtsuitstraling niet veel meer dan een samengesteld molecule. Het is echter duidelijk dat de totale groepering wel weer beïnvloed kan worden. U bent niet in staat om een molecule te verplaatsen, maar met betrekkelijk geringe middelen transporteert u een, misschien een massa van bv. 50 tot 100. Op deze wijze zal het totaal bewustzijn van de mensheid ook beïnvloed worden door de persoonlijkheden, de entiteiten die leven op andere planeten.

En daarmee hebben we dan het eerste beeld een klein beetje afgerond. 0, ik geef toe, er is nog veel meer te zeggen. Maar neemt u dit complexe beeld eens van denkende krachten, die uiteen kunnen vallen in: veldverwekkende of veldhandhavende krachten, stralingverwekkende of stralinghandhavende krachten op materieel gebied en uitstralende krachten op het gebied van de gedachten. En denkt u dan uw kleine aarde hierin als voor u het centrale punt. Wat gebeurt er?

In de eerste plaats werken op uw planeet de grote invloeden uit de ruimte. Hun verhoudingen drukken zich uit op uw wereld. En onwillekeurig zegt u al; “Ja, deze mens is geboren onder de Boogschutter, gene onder de Waterman, deze onder de Steenbok en gene onder de Kreeft, dit is een Tweeling en dat is een Maagd (en dit laatste natuurlijk in de astrologische betekenis). Het resultaat is dat u dus zelf meent te kunnen vaststellen dat de geboorte mede typebepalend is. Maar laten we nu nog een stap verdergaan. Wanneer de stand van de planeten in de huizen ook medebepalend is voor kwetsbaarheid en mogelijkheden, zouden we dan niet beter kunnen spreken over een matrix, die gevormd wordt door de invloeden van buitenaf en die op elk ogenblik de aarde beïnvloedt en haar in een bepaald beeld dwingt? Niet de beïnvloeding van één mens. Neen, een vorm, waarin de aarde wordt geperst, een beënging van haar mogelijkheden, een begrenzing die voortdurend wijzigt, maar die wordt gevormd door nl. die invloeden van buitenaf. Dan wordt het logischerwijze verklaard, dat op de aarde het Al zijn zeggenschap nog nooit verloren heeft. Integendeel, dat de lang verworven waarden van de astrologie wel degelijk een basis hebben: de basis van een voortdurend wisselende begrenzing die u op dat ogenblik mogelijkheden laat en op het volgende ogenblik diezelfde mogelijkheden volledig neemt; die u beïnvloedt in uw wijze van leven en denken, u beïnvloedt in uw wijze van zoeken naar waarheid, uw handelen t.o.v. uw naasten, ja, die zelfs uw reactiesnelheid zozeer beïnvloedt, dat slagen of falen mee vanuit deze Kosmische kracht af te lezen is.

Krachten uit het Al ‑ u bemerkt ze zelden of nooit, maar u leeft ermee ‑. Die krachten uit het Al zullen ongetwijfeld, zelfs materieel beschouwd ‑ de entiteiten buiten beschouwing gelaten –  voortdurend meewerken tot de vorming van een ras op aarde, dat niet slechts is aangepast aan de mensen of behoeften van de aarde en het leven van de aarde, maar aan de kosmische mogelijkheden. Er is een samenhang tussen alle werelden en uw wereld. Er is een voortdurend verband tussen de zon, haar wijze van leven en werken, en alle sterren van een gehele sterrennevel.

Heeft u dit geabsorbeerd, laat ons dan een onderdeel van het Al bezien‑ een geestelijk Al. Zoals ik u reeds heb gezegd. Dit onderwerp omvat zeer veel en het is betrekkelijk moeilijk om u zo in één ogenblikje een visie te geven van al wat er mogelijk is. Ik moet noodzakelijkerwijze kort zijn.

Maar u weet allemaal dat er geesten bestaan. Men spreekt over God, over heiligen, men spreekt in een bepaalde omgeving van een lijdende, een strijdende, een zegevierende kerk, elders spreekt men over voorvaderen, over demonen of zelfs over een langzaam opgaan in de scheppende Kracht zelf. Dit geloof op aarde is nog nooit bewezen ‑ ongeacht wat u ervan denkt – omdat de waarden van de geest zozeer verschillen van die van de stof, dat het onmogelijk is geestelijk iets te doen, wat stoffelijk niet bereikbaar zou zijn en het zelfs praktisch mogelijk is voor de stofmens – bij voldoende concentratie ‑ elk geestelijk middel hernieuwd van uit zichzelf te wekken, te vormen en te hanteren.

Toch bestaat die geestelijke wereld. Een geestelijke wereld die we ook weer niet mogen indelen alleen naar plaats. Wij moeten haar indelen naar graad van werking en bewustzijn. En dan krijgen we in de eerste plaats hier te maken met wat wij kunnen noemen de intelligenties van de sterren.

Zoals u een geest heeft in u, heeft een levend werkzaam wezen dat niet alleen behoort in het trillingsgebied dat zichtbaar en kenbaar is op uw wereld, zo heeft ‑ dat heb ik u reeds gezegd – elke ster en elke planeet er een. Maar ook ieder, die uit een stoffelijke vorm verdwijnt, heeft er een. Begrijp dat goed. Dan kunnen we dus hier een hiërarchie stellen, gelijk aan hetgeen ik zo-even reeds stoffelijk opbouwde: De hoogste en de gezaghebbende geesten gelijk te stellen aan die grote Kosmische velden. Krachten, die van alle kanten uit, uw eigen geestelijk wezen beïnvloeden, u mee binden in een zekere gang van zaken, waarbinnen u een beperkte vrijheid blijft.

Daarnaast de persoonlijkheden die misschien leven in sterren of daarin geleefd hebben. Machtig, lichtend, groot en bewust, vormen zij mee de onderlinge beïnvloeding van de sterren; zijn zij mee de openbaring van een denken, de schepping van leven op sommige planeten.

Daaronder degenen die bevrijd van elk stoffelijk voertuig, het denken hebben geleerd te zijn een abstracte waarde, waarin een niet omschreven persoonlijk zijn alleen door het ondergaan van het totaal van kosmische invloeden een absolute bevrediging geeft; dan zou de kerk zeggen: de heiligen, de zaligen; anderen zouden weer zeggen, de uitverkorenen Gods of zij die het Paradijs betreden, mogelijk wordt gemaakt.

Daaronder vinden wij allen die nog gebonden zijn aan bepaalde voorstellingen. Een binding aan een voorstelling betekent ook een binding aan de planeet aan het zonnestelsel, waarin die voorstelling origineerde. Deze geesten wenden zich dus ogenblikkelijk tot een bepaald deel van het Al; de anderen zijn meer kosmisch van invloed.

Daaronder vinden wij geesten en entiteiten die nog vormbewust in staat zijn vormen van de aarde te begrijpen en te waarderen, zoals ze dat kunnen van elke planeet waartoe ze eens behoord hebben. In de laagste vormen bouwen dezen zelfs een soort spiegelwereld op, waarin zij een tijdlang kunnen bestaan.

Maar we hadden ook – u zult het zich herinneren ‑ duistere wolken stof. Wij kunnen zelfs aantonen dat er negatieve materie is, wanneer het nodig is. U moet een mens met verstand van kristallen maar eens vragen, hoe het komt dat sommige kristallen altijd rechts gevormd zijn en nooit links. Hij zou het u niet kunnen vertellen; hij kan alleen zeggen dat het een curiositeit is. Maar ook dit is te verklaren op deze manier. Er zijn negatieve en positieve waarden; er is een heelal A en een heelal B die elkaar aanvullen, ook wanneer ze t.o.v. elkaar steeds negatief zijn. Zo zijn er duistere krachten die ‑ hun eigen wereld kennend en zoekend ‑ ook hun invloed doen gelden. En die invloed ‑ waar hij geestelijk is ‑ kan kenbaar worden op elke geest die enig aanrakingspunt daarmee heeft.

Zo bent u ook geestelijk het brandpunt op uw wereld van grote reeksen van invloeden. In de eerste plaats natuurlijk van wat u noemt de demonen, de engelen, de overgeganen. Zij staan uw wereld betrekkelijk nabij. Hun denken vermengt zich met uw gedachten. Hun streven wordt ten dele weerkaatst in uw handelen.

Daarboven de grotere die de algemene vorm, bv. de loop der historie of zelfs ondergang of herboren worden van een wereld beslissen. Ook deze krachten ‑ zij het dat deze wetenschappelijk niet erkend‑worden ‑ werken op u in; en ook hier ondergaat u de krachten uit het Al.

Maar sta mij toe aan deze beschouwing nog iets vast te knopen, nog iets meer te zeggen, nl. dit: U bent geen speelbal van deze krachten. Verbeeld u niet, dat u heen en weer wordt geslingerd tussen krachten van geest en stof die nu maar bepalen wat u zult doen, u makend tot een slachtoffer van hetgeen u onwetend misdoet. Dit is niet waar. Stel u voor dat u staat op een platform. Rond u zijn een aantal transportbanden stervormig weglopend. Er is een trap naar beneden, een trap naar boven, alles beweegt. U zult bewegen moeten, maar de richting, die u uitgaat, kiest u zelf. Zo is het in dit heelal. De kracht die u kiest als de uwe, waarmee u werkt, deze brengt u ‑ zonder dat u het bemerkt misschien ‑ op een ander standpunt van geestelijk en stoffelijk bestaan, van geestelijk en stoffelijk denken en handelen.

En nu zou ik graag nog een woord willen wijden, voordat ik u de gelegenheid geef uw vragen en problemen op mij af te vuren, op de ruimtevaarders.

“Bestaan er vliegende schotels?” heeft men ons zo vaak gevraagd. We hebben geantwoord; “Ja, zij bestaan.” “Kunnen de ruimtemensen ons op aarde verlossen?” heeft men ons gevraagd. We hebben geantwoord: “Neen, dat kan de mens slechts zelf.” Begrijp goed dat zelfs wanneer een hoger staand en meer beschaafd ras op deze aarde zou landen, het nooit een kosmische kracht, een kracht uit het Al zou kunnen zijn. Het zou slechts zichzelf kunnen zijn en trachten de wereld te hervormen tot een beeld en gelijkenis; een beeld dat niet goddelijk en dus onvolledig is.

We hebben daar niet veel van te verwachten, vrienden. Wel is het mogelijk dat de noden, de reacties van dergelijke wezens op de uitstraling van de aarde, op het gedachtebeeld dat de aarde voortdurend de ruimte inseint, als een soort wanhopige boodschap van steeds groeiende chaos, hen tot handelen dwingt. Handelingen, niet in overeenstemming met hun wensen en hun eigen gedachten, handelingen in overeenstemming met de kosmische krachten, de krachten uit het Al, die hen dwingen tot een bepaalde reeks van reacties. Als zij handelen zullen ook zij niet vrij zijn. De conflicten, daaruit geboren, zullen zeker een weerspiegeling blijken te zijn van hetgeen kosmisch geschiedt.

Nu is echter zelfs het stoffelijk heelal ‑ ofschoon dat ook misschien wetenschappelijk weer niet zo gemakkelijk te geloven is ‑ een evenwichtig heelal. Dat wil zeggen dat het zijn eigen krachtverliezen steeds weer compenseert. Ook al kan een minimale hoeveelheid kracht schijnbaar teloorgaan, in het totale Al geschiedt dit niet. Er is een uitwisseling tussen ‑ laat ons zeggen ‑ uw driedimensionaal Al en een tweede Al, dat van u uit een vierde dimensie is, Over en weer gaan deze invloeden en zij blijven volledig evenwichtig en harmonisch. Hierin is ‑ stoffelijk gezien ‑ de volmaakt scheppende gedachte in een volmaakte evenwichtigheid uitgedrukt. En ook geestelijk is ditzelfde het geval.

Denk daarom niet dat u door de krachten uit het Al zult kunnen ontkomen aan een lot dat u zichzelf op de hals hebt gehaald. U zult slechts in staat zijn binnen uw mogelijkheden zo gunstig mogelijk te handelen. Denk niet dat een veroordeling door de Kosmische krachten een ondergang van uw wezen betekent. De kosmische krachten kunnen zich slechts bewegen op stoffelijk terrein, indien ze u stoffelijk willen vernietigen; slechts op geestelijk terrein, indien ze dat geestelijk willen doen. Maar in alle gevallen zullen ze elke kracht die ze wegnemen, moeten compenseren door een soortgelijke en even sterke.

Het bewustzijn zelf is niet aantastbaar hiervoor. Het bewustzijn zelf is in staat, door de eigenaardige structuur van de mens met zijn geest en ten slotte zijn ziel, om vanuit de hoogste kracht onmiddellijk de oerkrachten te verwerven die noodzakelijk zijn om zichzelf te handhaven te midden van deze wisselende beïnvloeding.

Indien u dus verstandig handelt, zult u zich laten leiden door hetgeen u kunt vernemen omtrent deze uit het Al komende krachten. Maar u zult vóór alles zorgen uzelf te blijven, U zult ongetwijfeld rekening houden met demonen, met engelen, met grote geesten en de duistere gedrochten die tot een andere beschavingscyclus behoren. Maar u zult steeds uzelf blijven. U zult altijd uzelf en uw eigen streven zien als een directe relatie met de Bron van alle krachten, ook van alle krachten uit het Al. Door deze relatie bent u beschermd. Indien u in staat bent uit de relatie met het Goddelijke de juiste plaats voor uw eigen wezen binnen de Schepping te distilleren, te erkennen wie en wat u bent in de Schepping als taak, geestelijk en stoffelijk, dan heeft u voor uzelf het punt van evenwichtigheid be­reikt, waarbij alle krachten in u elkaar kunnen treffen maar steeds elkaar zullen opheffen, zodat uw wezen zichzelf gelijk kan blijven. Dan is er slechts één Kracht, die dit veranderen kan en die het ook doet. Dat is de oerkracht, die de beide velden, waarover ik zo-even sprak, zelf regeert. Die leeft en denkt in de tweeledig­heid van zijn, door één persoonlijkheid georigineerd, het Goddelijke Zelf.

En met deze inleiding, vrienden, hoop ik u dan rijkelijke stof voor vraagstelling en discussie bezorgd te hebben. We zullen u thans eerst in de gelegenheid stellen die vragen te formuleren en na een pauze toe overgaan om deze ‑ naar ik hoop in extenso ‑ te behandelen.

Vragen

  • Wie kan mij de juistheid van de door u gesproken woorden bevesti­gen?

Wanneer u geduld heeft, totdat u aan onze zijde komt, dan zult u door eigen ervaring zich daarvan op de hoogte kunnen stellen. Het grootste gedeelte van de door mij naar voren gebrachte stellingen is ten dele op aarde bekend of geheel op aarde bekend, uitgezonderd de esoterische stellingen omtrent persoonlijkheden, etc. Wat be­treft deze stoffelijke stellingen, astrologische en astronomische stellingen, kan ik u erop wijzen dat deze uiteindelijk op ver­onderstellingen berusten, waar een feitelijke vaststelling van de fenomenen misschien mogelijk is, maar niet een verklaring, die geen enkele andere uitweg tot verklaring meer overlaat. Dat wil dus zeggen dat er nog geen definitief bewijs op aarde bestaat.

  • Is er overeenkomst tussen de naam van de planeet en de aard van de planeetgeest, Waardoor ontstaat de uitwerking van de aspecten tussen twee planeten? Een vierkant aspect bv. geeft strijd; bij een driehoek gaat alles gemakkelijk.

In de eerste plaats: namen. Een naam wordt aan een planeet gegeven door een volk en is een uitdrukking van de wijze, waarop het volk denkt en leeft, maar kan nooit de aard van een planeet bepalen. Wat dat betreft zou het heel logisch zijn aan te nemen dat het synoniem voor “aarde” in andere talen gebruikt wordt door volkeren, die elders leven om hun eigen planeten aan te duiden. De planeet­naam, uit de bewoners geboren, kan niet geacht worden de persoon­lijkheid uit te drukken of zelfs te benaderen. Wat betreft aspecten: Wanneer planeten met elkaar in opposi­tie zijn, heffen zij elkaars werking ten dele op of versterken gelijksoortige werkingen. Hebben wij een vierkant, dan hebben we vier verschillende krachten, die elkaar dus diagonaal ‑ maar ook als oppositie ‑ recht tegenover staan. D.w.z. dat een zeer groot gedeelte van hun invloeden teniet wordt gedaan. Wat overblijft is een resultante van tegenstellingen. Deze tegenstellingen door de mens ondergaan, brengen hem over het algemeen tot een enigszins irrationeel gedrag. Vandaar dat alles niet gaat. Bij een driehoek echter blijft er altijd één sterke factor over, omdat de drie planeten t.o.v. elkaar nooit elkaar volledig kunnen elimineren. Het resultaat van de drie wordt dus als invloed op de mensheid afgevuurd en geeft daarbij een stimulans ‑ zij het een gerichte, dus in een bepaalde richting ‑ waardoor althans op dat gebied alles goed gaat. Ik zou echter niet graag beweren dat bij een driehoek (bv. Mars‑Venus‑Mercurius) alles werkelijk goed gaat op aarde. Er zijn ook tijdens dergelijke constellaties mensen door auto’s overreden, in elektrische stoelen gestorven, inbraken mis­lukt, oplichters betrapt en dergelijke. Dat pleit er dus niet voor dat alles goed gaat.

  • Ik begrijp niet wat u bedoelt met “rechts‑groeiende kristallen”.

Wanneer wij een kristal hebben, dan is het opvallend dat bij som­mige kristallen van een volkomen moleculaire gerichtheid sprake is. Wanneer er sprake is van een rotatie of een rotatie‑mogelijk­heid, is deze gelijkgericht en rechtsdraaiend. Dit werd door mij met het zgn. rechts‑groeiend kristal bedoeld. Hierbij wordt dus gedoeld: a) op de wijze, waarop de moleculair‑structuur tot stand komt; b) op de wijze, waarop de moleculair‑structuur eventueel in rotatie zou komen. Links gericht betekent dat de invloeden van de moleculen ‑ denkt u maar eens aan magnetisme, dan is het voor sommigen gemakkelijker te begrijpen – elkaar ophef­fen, zodat de werking naar buiten bij een magneet minder sterk is. Gelijktijdig blijkt dat wanneer een rotatie ontstaat, deze twee richtingen kent, waarbij echter het naar links gerichte sterk overweegt. Deze laatste kristallen komen niet of zeer zelden voor.

  • Voor links en rechts moet er toch nog iets bij om die richting nader te bepalen?

In dat geval zullen we dus altijd moeten rekenen vanuit de beschou­wer. Maar zelfs dat is zeer moeilijk, omdat elk kristal over het algemeen een symmetrische structuur is. En daarom zal ik me dus in dit geval maar houden bij de door mij gegeven bepaling.

  • Als men bij een Ruhmkorff‑klos wil weten hoe de stroom draait, dan heeft men het eenvoudige hulpmiddel van die vinger en die duim. Maar als u nu spreekt van rechts en links, moet men toch weten t.o.v. welke vaste as u spreekt.

Dan spreken we vanuit de vaste as, die gezien wordt als de diago­naal van het kristal. En dat helpt ons nog niet veel, want er zijn meer diagonalen. U moet dus dit “rechts” en “links” niet zien als een richting-aanduiding, maar als een aard‑aanduiding. Als zodanig is deze aanduiding meerdere malen gebruikt o.a. bij onderzoekin­gen in Duitsland aangaande het kristal, terwijl we een soortgelij­ke aanduiding, nl. “à droit” vinden in sommige werken daarover verschenen in Frankrijk. Ik heb mij aan deze geldende aanduidingen dus gehouden in mijn betoog.

  • Is het door de invloed van verschillende planeten, dat mensen el­kaar afstoten of aantrekken, of door de onharmonische krachten, die mensen in zich meedragen?

Ja, dat is nu heel moeilijk. Want wanneer stoten de mensen elkaar af en wanneer trekken zij elkaar aan? In dat geval zou men kunnen zeggen dat bij de jongeren van de soort klaarblijkelijk de invloed van de maan dominant is. Dat is natuurlijk niet helemaal juist. Aantrekking en afstoting, gezien als sympathieën en antipa­thieën, berusten grotendeels op waarderingen. Verder op gelijkgerichtheid van belangstellingen dan wel een elkaar aanvullen van belangstellingen, zodat de eerste indruk sympathie of antipathie veelal visueel is. De verdere indrukken worden versterkt, worden bepaald of tegengewerkt door het bestaan van een gelijke instel­ling of aanvullende instelling dan wel een absoluut vijandig zijn, tegengericht zijn. Hierbij spelen natuurlijk de sterren ook wel degelijk een rol. Die rol kunnen we ons dan als volgt voorstellen: Bij het geboren worden onder een bepaald teken valt de nadruk op de ontwikkeling van bepaalde klierwerkingen. En nu weet u dat de interne secreties van de mens een groot gedeelte van zijn karak­ter bepalen. M.a.w. als iemand een grote “klier” vindt, heeft u feitelijk nog gelijk ook. (Gelach). Wanneer deze interne secreties dus op een bepaalde wijze functioneren, ontstaat daaruit wat wij noemen: een temperament. Dit temperament moet worden gezien als begrensd door de lering, die in de omgeving vooral gedurende de jeugdjaren werd ontvangen. De wijze van uiting bepaalt dan in vele gevallen ook weer sympathieën en antipathieën. Het temperament komt verder tot uiting door de aura, die de totale instelling weergeeft, zodat ook door sensitieven dit zonder­ een direct kenbaar worden reeds kan worden aangevoeld. En dan krij­gen we bv. bij mensen die egoïstisch zijn en apathisch zijn ‑ allebei of één van beide ‑ de indruk van de donkere sluier, die wordt meegebracht, veelal resulterende in een onmiddellijke anti­pathie bij diegenen die zelf die eigenschappen niet of zo goed als niet bezitten. Omgekeerd kan een overweldigende vitaliteit als uitstraling ‑ ook zonder dat het door gebaar direct wordt ge­uit ‑ een gevoel van sympathie, wekken bij iedereen die zelf ook vitaal is en dus een vitale reactie verlangt. Degene echter die ten opzichte van zijn uitingen en reacties trager is ‑ mede bestemd door de invloed van de sterren gedurende de vormingsperiode van het lichaam, afgemeten naar de dag van geboorte (de astrologie is een empi­rische, een ervaringswetenschap) ‑ dan zullen we ook daar weer een afstoting, een antipathie zien. Wij mogen dus de aantrekking en afstoting niet alleen op de sterren schuiven, maar kunnen wel aannemen dat althans de grondwaarden daarvoor vaak mede onder astrologische invloed tot stand kwamen. Als zodanig kan een huwelijksraad, zoals: “denk erom, watertekens kunnen wel met luchttekens huwen, maar niet met vuur­tekens”, over het algemeen juist zijn. Dat neemt niet weg dat er uitzonderingen kunnen bestaan, waarbij dus een bepaalde persoon juist met deze afgeraden tekens de beste verhouding kan vinden. Dit is ook vaak aan de hand van het geheel van de geboortehoros­coop te bepalen. De verdere vorming van het leven heeft nl. ook invloed. De eigen geestelijke instelling ‑ door de horoscoop niet, dan misschien slechts in haar uiting aan te duiden ‑ is tevens een invloed daarbij, zodat we hier nooit van een zekerheid kunnen spreken.

  • De astroloog maakt zijn gevolgtrekkingen meestal uit de stand, waarin de planeten zich bv. t.o.v. de maan bevinden. Maar na wat u gezegd hebt, moet ik wel tot de conclusie komen dat er veel en veel hogere invloeden op ons inwerkende zijn naast die van de planeten, ofschoon die zo veel dichter bij ons zijn Wan­neer we nu geen methode hebben om die grote invloeden in toepassing te brengen op het beeld dat wij vormen, zullen die horoscopen dan wel juist zijn?

In de eerste plaats kan een horoscoop nooit worden getrokken zon­der juist met die grote invloeden rekening te houden. Denk aan de 12 huizen, die de 12 beelden van de dierenriem weergeven, elk voor zich weer zijnde een belangrijke constellatie aan de hemelen, waarbij dus met grotere groepen wel degelijk al rekening is gehouden. Gezien het feit dat de invloeden van de planeten binnen het schema van deze grote invloeden dus zo belangrijk zijn door hun nabijheid en dus door de sterkere en meer directe werking van hun straling, kan de horoscoop een aardig grondbeeld geven. Het is logisch dat je uit de fundamenten van een huis wel de structuur ongeveer kunt bepalen, maar nooit welke versieringen er zijn ge­weest en welk meubilair er in dat huis heeft gestaan, of zal komen te staan. Het gevolg is dat de astroloog  een aanduiding kan geven, die zeer nuttig is, maar nooit het totaal kan bepalen.

  • Ik dacht alleen aan die grote sterren als Regulus, Altair enz. die zoveel honderden lichtjaren van ons af staan. Daar weten we nog niets van.

Daar weten we ook niets van. Maar zou u die allemaal mee gaan verwerken, dan komt u tot een reeks van beïnvloedingen, die zo ingewikkeld is dat er geen berekening meer mogelijk is. Een nor­male horoscoop is door iemand, die redelijk op de hoogte, is van sterrenkunde en daarbij enige capaciteiten heeft als rekenaar, inderdaad wel te maken. Die grondslag, die aanwijzing, is even al­gemeen als een richtingsbord van de ANWB. Nu zult u het met mee eens zijn, dat er honderd wegen zijn om bv. van Den Haag naar Rijswijk of Voorburg te gaan. Dat neemt niet weg dat de weg die wordt aangegeven door de borden van de ANWB niet altijd misschien de kortste maar wel de meest gebruikelijke en vaak ook de beste zijn. Wij weten dat afwijkingen voor kunnen komen, maar wij kunnen toch aan de andere kant zeggen dat de algemene richting wel ongeveer zo zal zijn. De man, die de horoscoop trekt, bepaalt a.h.w. op een kaart de verschillende bestemmingen. De weg die daarheen gevolgd wordt, kan hij niet aanduiden, maar wel kan hij zeggen in welke richting men zich ongeveer zal gaan bewegen Dit is vaak voldoende om daar rekening mee te houden. Wanneer ik u vertel dat u naar het hoge noorden moet, dan zal ik u niet vertellen of u naar Alaska of naar Siberië gaat, of dat u misschien zelfs op een ijsschots gaat zitten, zoals de wetenschapsmensen tegenwoordig graag doen. Dan weet u niet waar u heengaat, maar u weet wel: “Ik ga naar het noorden, het kan koud worden”. En dan pakt u een bontjas in. Op deze wijze kan de algemene aanwijzing, die aan de hand van de horoscoop vastgesteld wordt, u niet precies vertellen waar u terecht komt, maar zij kan u wel een raad geven waardoor u zich kunt wapenen tegen de omstandigheden, die u waarschijnlijk zult ontmoeten.

  • Of is het misschien zo dat de doorsneemens nog niet ontvankelijk is voor die hoge geestelijke invloeden?

Bewust zijn er heel weinig mensen ontvankelijk voor. Maar dat maakt weinig uit, omdat deze invloeden zowel op materie als geest ook onbewust worden uitgeoefend. Of u nu weet wat elektriciteit is of niet, als u twee vingers in een stopcontact steekt, zult u het heel gauw ervaren. Dat geldt niet alleen voor u, maar dat geldt zelfs voor een draadje koper. Als het dun genoeg is, verteert het door de hitte die er ontstaat, tenzij uw zekering eerst is doorgeslagen.

  • Maar op dat stuk porselein heeft die stroom geen invloed. Daarop heeft die stroom ook een invloed; alleen een invloed, die­ niet kenbaar wordt in het doordringen. Want in een dergelijk geval ontstaan twee oppervlakte‑ladingen, nl. daar waar de beroering ontstaat. Ik bedoel dit: dat bv. Arcturus geen invloed heeft op de horoscoop van een gewoon mens. Is dat juist uitgedrukt?

Niet geheel. Maar Arcturus staat ten opzichte van de zon en de aarde altijd ‑ althans gedurende zeer lange tijd ‑ in ongeveer dezelf­de richting. Het gevolg is dat dus zijn invloed mede verdisconteerd is a.h.w. in de werking van de sterrenbeelden. U moet niet vergeten dat wij hier te maken hebben met empirische wetenschap, door experi­ment gevonden, niet door beredenering. Daarom zijn zeer veel onge­kende invloeden in de gekende mee verwerkt.

  • Is een aantrekking of afstoting ook niet afhankelijk van harmonische of disharmonische trillingen?

Ongetwijfeld. De lengte van de snaar bepaalt de frequentie, waarin zij trilt, zoals u misschien weet. En de lengte van de trillinde lichtkolom in het hout‑instrument bepaalt de wijze waarop de toon wordt gevormd. Als zodanig kunnen wij zeggen dat de grondeigen­schappen van de mens voor de stoffelijke uitstraling (dus de tril­ling, zoals u zegt) medeverantwoordelijk zijn. De geestelijke tril­ling kan daarvan een modulatie betekenen, maar slechts bij de zeer bewusten is zij zodanig overheersend dat elke trilling bewust kan worden ingesteld naar eigen believen.

  • Zijn de vliegende schotels nieuwe ontwikkelingen van een planeet om contact te zoeken met onze aarde, zoals wij nu door raketten contact zoeken met de maan?

Ja, dat is een moeilijke vraag. Ik had nl. de indruk dat men ra­ketten hier op aarde in de eerste plaats gebruikte om de mogelijk­heid te hebben de hoofdsteden van anderen naar de maan te sturen. Maar goed, nieuwe ontwikkelingen zijn deze voertuigen niet. Derge­lijke voertuigen zijn reeds ongeveer 80.000 jaar geleden opgetreden, zij het dat ze niet gelijke vorm hadden en misschien wat minder rationeel werkten. We hebben hier dus te maken met een zeer oud vervoermiddel. Het is niet een moderne ontwikkeling

Men doet dit niet om contact te zoeken met de aarde. U gaat ook niet onnodig ergens in de Boven Congo‑moerassen een negerstam opzoeken, als u daar geen absolute zendingsbedoeling mee heeft of er materiaal machtig wilt worden. Noch die zending, noch het zoeken naar materiaal zijn op het ogenblik bij die andere rassen bepalend. Er zijn andere dingen die ze gemakkelijker kunnen exploiteren als het nodig is. En een zending onder de woeste aardemensen zal de meesten van hen nog wel wat moeilijk lijken. Men moet eerder stellen dat wat hier gebeurt een kwestie is van waarnemingen. In sommige gevallen ook het innemen van lucht die dan niet altijd gebruikt wordt voor de ademing (het ligt eraan, wie de bestuurders zijn van een dergelijk apparaat, niet ieder­een kan daartegen.) Daarnaast ongetwijfeld ook een belangstelling voor hetgeen zich hier ontwikkelt en mogelijk ook een vrees voor hetgeen bij een verdergaan van de door de atoomweten­schappen ingeslagen richting  op de duur zou kunnen gebeuren.

Daarnaast volgt men uit wetenschappelijk oogpunt natuurlijk de ontwikkeling van het primitieve aarde-ras, waar dit een aardige weerspiegeling kan zijn van de oertijd van eigen ras en ge­slacht, waarover men reeds zo vele gegevens verloren heeft. Al deze redenen tezamen kunnen voor het verschijnen van wat vliegen­de schotels aansprakelijk worden gesteld.

Ik moet hierbij wel opmerken dat deze vliegende schotels niet identiek zijn met alle vliegende schotels die waargenomen worden. Vliegende schotels die waargenomen worden, hebben ook nog andere bronnen als er zijn: geheime raketproeven, proeven met supersonische vliegtuigen van onbekende vorm (pannekoek­vliegtuigen, deltavliegtuigen en dergelijke). Verder hebben we nog te maken met mensen die helemaal niets zien buiten de moge­lijkheid om zich belangrijk te maken. Kortom er zijn zeer vele verschijnselen te noemen die ook wel eens als vliegende scho­tels worden gemeld. Dat de mens hieraan zo buitengewoon veel belang hecht, is m.i. te wijten aan de behoefte van de mens om van buitenaf datgene tot stand te zien brengen wat hij zelf wel kan, maar liever niet doet. Nl. de consequenties nemen van de huidige toestand en zelf te trachten op eigen kosten en risico en met eigen moeite de ongewenste toestanden de wereld uit te helpen. Ik meen wel dat dit de reden is dat zovelen zich getrokken voelen tot deze vliegende schotel kwestie. Dat neemt niet weg dat vliegende schotels bestaan hebben en zullen bestaan. Vroeger waren het de gulden wagens die door de hemelruimte gingen; dat zijn de voertuigen die als vurige wagens sommige mensen van de aarde hebben opgenomen tot een andere wereld etc.

  • Dus ze hebben geen missie te vervullen die vliegende schotels?

 Neen, dat zou ik niet willen beweren.

  • Maar de materie van de vliegende schotels, waar bestaat die uit?

 Ja, als we over vliegende schotels gaan spreken, dan kunnen we daar beter een aparte avond aan wijden, vind u niet? Maar goed, ik wil het u dus even vertellen: het is een reeks van elementaire vormen, die hier op aarde niet voorkomt, waardoor het mogelijk is een alliage te vormen die buitengewoon hard, isolerend en daar­naast ook ongevoelig voor grote oppervlaktespanningen en hitte­spanningen is. Het resultaat is dus een buitenschil die een bui­tengewoon grote hoeveelheid kan verwerken plus een ken­nis van zwaartekracht, waardoor het mogelijk is in de eerste plaats kosmische aandrijving te verwerven.  Ofschoon niet alle vliegende schotels die hebben, het zijn landingsvoertuigen en in de tweede plaats ook met wat u zou noemen “kunstharsen” een reeks zodanige koepels te bouwen en zodanige filters dat het de mens mogelijk is zich in het Al te bewegen met betrekkelijk grote snelheden. Door het genereren van een eigen kunstmatig zwaartekrachtveld ontkomt men aan vele snelheidsbelemmeringen hier op aarde, plus de bv. vaak zeer verbluffende werkingen van wijziging van snelheid. Wijziging van snelheid brengt het tijdselement als een resultante, die zwaartekracht schijnt te zijn, tot uitwerking op het menselijk lichaam. Dus daar kan men door dit genereren van een eigen zwaartekrachtveld aan ontkomen.

  • U sprak over materie die niet op aarde bestaat. Als er gezegd wordt “een vliegende schotel is geland”, zou dat dus niet moge­lijk zijn, omdat die materie waarschijnlijk onmiddellijk door de aantrekkingskracht van de aarde zou vergaan. Want het is iets dat hier niet bestaat en dus door andere krachten dadelijk zal worden geabsorbeerd.

Dat is niet juist. Men is er op aarde reeds in geslaagd om 20 elementvormen te maken die op natuurlijke wijze op aarde niet voorkomen. Deze worden gebruikt. Daarnaast is men in staat om een aantal elementen te maken die ook niet in natuurlijke vorm op aarde voorkomen. Denkt u alleen maar eens aan het betrekkelijk stabiele uranium 238 of het zeer splijtbare 235.

  • Maar dat zijn materialen die hier in de aarde voorkomen, alleen weet men het niet te hanteren.

Neen. Het zijn geen materialen die in de aarde voorkomen. Het zijn vormen die kunstmatig worden gemaakt. Isotopen, die niet voorkomen.

  • Toch is er de materie waaruit men die gemaakt heeft.

Ja goed, maar uit alle materie kunt u alles maken.

  • Maar u beweert dat die vliegende schotels bestaan uit materiaal dat niet op de aarde kan voorkomen.

Pardon.  Voorkomt.

  • Maar wat betreft de isotopen; daar is een oerkracht van, die we hebben gevonden en waarvan we isotopen hebben kunnen maken. Dus we zouden de materialen van de vliegende schotels net zo kunnen vormen.

Inderdaad. M.a.w. de vliegende schotel kan op aarde landen. Al­leen zal het op aarde zeer moeilijk vallen, ook gezien de allia­ges die gebruikt worden, om er precies achter te komen wat die materie nu eigenlijk is. Ze kunnen dus landen.

  • Maar dan kunnen we er nog wel achter komen, waaruit die materie bestaat.

 0 ja, die mogelijkheid bestaat wel. Men heeft het althans al druk geprobeerd. Maar vindt u niet dat we nu eerst even naar de “Krach­ten uit het Al” terug zullen gaan, ja?

  • Naar aanleiding van wat u hebt gezegd omtrent het ingrijpen van het “schotelvolk” om de aarde uit de huidige chaos te redden ‑ waarbij u ontkende dat zij deze redding tot volmaaktheid zouden kunnen tot stand brengen, doch slechts een opheffing tot hun eigen niveau ‑ is mijn vraag: zullen zij zich afzijdig houden uit deze overweging, dan wel zullen zij ingrijpen om de tussenfase tot stand te brengen, onder goddelijke impuls, van waaruit later de volmaakte toestand voor het aarde-volk zou kunnen worden bereikt?

U moet me niet kwalijk nemen, als ik even zucht; maar ik zie in welke richting uw belangstelling gaat. Kort gezegd:

  • Daar zijn toch al brochures over verschenen bij de O.D.V.?

Ja, ook dat is het geval. Er zijn inderdaad een tweetal brochu­res speciaal over de vliegende schotels en de ruimtevaart ver­schenen. Dus daar kunt u meer gegevens in vinden. Maar kort ge­zegd dit. In de eerste plaats: Volmaaktheid voor het aarde-volk bestaat niet omdat het bewustzijn ‑ geestelijk zijnde ‑ in een volmaakte vorm nooit genoegen kan nemen met een stoffelijke be­perking. Punt 2: Een ingrijpen en een opheffen tot een eigen peil is een missie‑arbeid. De ervaring leert ons dat de door­snee‑missionaris de fout maakt aan te nemen dat anderen gelijk zijn aan hem. We hebben daar de idiotie gezien van negers met paraplu en hemd gewapend, de zogenaamde missie‑negers, die zich zeer gezond voelden met een hoge hoed op het hoofd, maar belachelijke figuren werden, omdat ze hun normale edeler vorm van bewegen daarbij volledig verloren. Op een dergelijke wijze zou een ingrijpen van het schotel‑volk met de beste bedoelingen op aarde fataal kunnen zijn, omdat de natuurlijke ontwikkeling van het aarde-volk hierdoor zodanig verstoord zou worden dat ‑ zo al door tijdelijke vrede een ogenblikkelijke welvaart misschien zou ontstaan ‑ toch uiteindelijk zo grote geschillen zouden rijzen dat de opstand van de Mau‑Mau niets vergeleken is bij wat dan zou gebeuren door de aarde-mens tegen de ruimte-mens. Uit deze overwegingen zullen, buiten enkele heethoofden, ongetwijfeld de wijzere volkeren ‑ dat zijn ze wel, al is het niet op elk gebied ‑ de wijzere volkeren die thans de ruimte­vaart in deze omgeving bedrijven, zich zeer waarschijnlijk afzijdig blijven houden. Degenen die als missionaris ter aarde zouden gaan, zouden ‑ voor zover wij dit kunnen nagaan ‑ zeker niet kunnen handelen met absolute steun en toestemming van hun eigen ras.  ­

  • Zijn de sterrenbeelden niet uiterst primitieve homo‑centrale beelden zonder werkelijk verband en alleen geschikt om van de aarde uit een plaatsbepaling in het heelal aan te geven?

Volkomen juist. Het sterrenbeeld is dus een opvallende constel­latie of groepering van sterren, waardoor een bepaalde richting van de kosmos kan worden gefixeerd. De krachten die vanuit de kosmos komen, zijn dan te herkennen door dit sterrenbeeld dat zich ‑ althans gedurende het normaal bestaan van meerdere generaties ‑ precies in die richting beweegt. De betekenis echter van de sterrenbeelden wijzigt zich in de loop van ongeveer een kleine 30.000 jaar en wel betrekkelijk volledig.

  • Wanneer sterren hun glans verliezen, is dat hetzelfde als bij sommige geesten die ten gevolge van slechte daden terugvallen Kunnen sterren tijdelijk zogenaamd gedegradeerd worden?

Neen, dat is niet zo. Weest u daar blij om, anders zou uw zon ook niet direct hoog aangeschreven staan in het heelal. Het verliezen van kracht, licht of uitstraling is een gevolg van innerlijke structurele veranderingen. Wanneer de ster “leeft”, blijft haar eigen energie gelijk, zij het echter op een andere wijze verdeeld, bv. door grotere spreiding van de massa. Men kan deze stoffelijke toestand niet gebruiken als een maatstaf voor het geestelijk bewustzijn van de geest van een dergelijke ster. Even dwaas zou het immers zijn het geestelijk bewustzijn van een mens af te meten aan zijn jeugdig en stralend uiterlijk? Dan zou dus iedereen, die ouder is en uiterlijk minder vitaal, ook innerlijk minder vitaal moeten zijn. U zult het met me eens zijn dat een dergelijke stelling betrekkelijk onzinnig is. Het is niet uitgesloten dat een verliezen van stralende kracht in dit geval een degradatie inhoudt, nl. wanneer het geestelijk “ik” reeds voordien vervallen was en daardoor ziekelijk en ontijdig een uitbreiding van de stof (dus een mindere verdichting van de kern) ontstaat waardoor de straling wegvalt, de ster rood wordt. Anderzijds echter zou het dwaas zijn om te zeggen dat   wanneer in de natuurlijke gang van zaken dit noodzakelijk is ‑ de geest die daarin leeft en zich dus aanpast aan een kosmische wet juist daardoor minder bewust zou moeten worden. Wanneer geesten hun licht verliezen, is dit iets anders, want de geest bezit geen “licht” zoals u het noemt. Het licht van de geest komt voort uit haar contact met het Goddelijke, het is een weerkaatsing. Wanneer de positie van de mens ten op­zichte van God, of van de geest ten opzichte van God, zijn geestelijk licht betekent (dus de weerkaatsing van goddelijke waarden), kunnen wij ons voorstellen, dat een zich onjuist verplaatsen t.o.v. het Goddelijke een vermindering van licht ten gevolge heeft. Hier is dus een zelfstandige handeling noodzake­lijk; en het is niet noodzakelijk volgens Kosmische wetten om dit licht te verliezen, waar eenieder de gelijke mogelijkheid heeft om het volledig Goddelijke te weerkaatsen te allen tijde.

  • De duistere grote geesten, hoe zit het daar nu mee?

Wat u een duistere grote geest noemt, is een lichte geest voor een andere wereld. Wanneer u de maan duister ziet, is haar ande­re helft ook stralend licht. Het is de plaats van waaruit u de maan beschouwt, die, uitmaakt of ze voor u licht geeft of duister is. En de plaats waarop u zich bevindt ten opzichte van de gro­te geesten in de schepping maakt uit of zij voor u lichtende of duistere geesten zijn.

  • Van de uitstraling van de sterren en andere hemellichamen kunnen wij spectra maken. Is het ook mogelijk van de aarde, die toch ook een planeet is, een spectrum te maken? Ik zou wel eens wil­len weten, hoe het spectrum van de aarde er uit ziet.

Het spectrum van de aarde is natuurlijk moeilijk te maken. Maar men heeft wel reeds in vele laboratoria zogenaamde reflectie­ spectra gemaakt van weerkaatst aardelicht. Wanneer men nu op gro­tere hoogte komt en dus in de nacht het licht van de aarde kan ontleden, dus zichzelf bevindend op een plaats, waar de zon achter de aarde staat, dan is het mogelijk uit dit nagloeien van de aarde, het flauwe licht van de aarde dus een spectrum te trekken. Maar om dit goed te doen, moet men dus eigenlijk van de planeet verwijderd zijn. Vandaar dat de spectra, die tot nog toe gemaakt zijn op aarde, niet het gehele beeld weergeven. Maar van elke stof afzonderlijk is er wel een bepaling van het spectrum te maken en als gevolg daarvan kan men zich nu toch reeds een aardig beeld maken van wat uiteindelijk als spectrum van het aarde­-licht in de ruimte is te verwachten,

  • Is dat dan ook zichtbaar in het ultraviolet en het infrarood?

Wat u zichtbaar noemt niet, dat wil zeggen: niet voor het oog zichtbaar. Maar men beschikt ook over instrumenten waarmee ook die trillingen en stralingen kunnen worden opgevangen, ontleed en vastgelegd zelfs als lijnen. Evengoed als men door de zoge­naamde zwarte lijnen het ontbreken, of aanwezig zijn van bepaalde elementen zou kunnen constateren.

  • Is er in de Kosmos een kern of is alles kern en is er dus geen bepaald punt van uitgang? Er bestaat toch wel een trappenstelsel, bv. van hoog tot laag?

Ja, dat is nu eigenlijk een verwarring, omdat men hier bewustzijns­trappen gaat vergelijken met stoffelijke trappen, en de bepaling misschien van ingewikkeldheid der atomen ten opzichte van elkaar.  Dat heeft niets te maken met het al of niet aanwezig zijn van een kern. Wij spreken niet van een kern in het Al. Wij spreken van een middelpunt. In dit middelpunt was eens de kern van het zijn. Van daaruit is a.h.w. explosief het geheel in zeer korte tijd ge­worden en ontstonden de sterrennevels in een betrekkelijk korte tijd, nadat de eerste actie was begonnen. Het Al als zodanig moet worden gezien als een veld dat vóór deze explosie bestond, zo­dat er reeds kracht aanwezig was, die door de verstoring van de evenwichtige verhoudingen materie produceerde.

  • Is het voor elke geest die overgaat verplicht of nodig dat hij of zij alle Kosmische wetten leert?

Neen. Het is soms gemakkelijk, maar het is zeker niet noodzake­lijk. Evenmin als het voor u noodzakelijk is om het gehele bur­gerlijk wetboek of het wetboek van strafrecht van buiten te ken­nen. Wanneer u de meest geldende artikelen kent, of althans weet dat er artikelen omtrent bepaalde punten bestaan, is dit meestal voldoende. Slechts indien u met de wet in conflict komt, wordt ze u zeer duidelijk.

  • Maar men wordt geacht de wet te kennen.

Inderdaad. Dit stelt men alleen, opdat niemand zich door onkunde voor te wenden ‑ want dat zou ook mogelijk zijn ‑ dus aan zijn aansprakelijkheid volgens de wet zou kunnen onttrekken. Waar de kosmische wet deel van uw wezen uitmaakt, kunt u zich daar zeker nooit aan onttrekken, ook al bent u zich er niet van bewust. Wie zich van God bewust is, is zich uit de aard der zaak ook van de kosmische wetten bewust. Maar het is niet noodzakelijk om alle kosmische wetten in zijn geheel te kennen, voordat men tot eenheid met God kan komen, waaruit deze kennis dan automatisch voortvloeit.

  • Is u daarboven advocaat?

Neen. Ik ben hierboven geen advocaat. Ik voel er niet veel voor om mijn rijkdommen te winnen uit de zonden van anderen. Ik hoop dat niemand van de balie de wetgevende macht en dergelijke mij deze uiting euvel zal duiden. Maar laat ons niet vergeten dat de eerste advocaat de duivel was. Want deze wist de waarheid zo te verdraaien dat de mens, tot bewustwording komende door zijn werking en dus het beloofde verkrijgende daarbij consequenties nam, die hij zelf niet kon inzien, omdat hij niet een inzicht had in de goddelijke wet, wat de duivel volgens het verhaal wel had. De laatste advocaat zal ongetwijfeld een mens zijn, die op grond van de menselijke eigenschappen zich zal trachten te ver­dedigen tegen een Kosmische ondergang, die hem schijnbaar be­dreigt. Maar laat ons deze scherts terzijde stellen en terugko­men tot de kern der zaak. Ik heb de vraag beantwoord en ik hoop naar genoegen.

  • U sprak van het Doppler‑Fizeau‑effect in verband met het uit­dijend heelal. Is het heelal nog uitdijend of is deze beweging reeds teruglopend? En bracht u dat verschijnsel niet in verband met de twee oorspronkelijk elkaar snijdende velden?

Neen. Ik bracht het Dopplereffect niet in verband met elkaar oorspronkelijk snijdende velden, maar wel met de zgn. parallelwaarden van het positief en het negatief heelal. Twee waarden die ‑ onkenbaar voor elkaar ‑ naast elkaar bestaan. Een betrek­kelijk ingewikkelde kwestie, dat geef ik gaarne toe. Dan wat betreft uw vraag: Dijdt het heelal uit? Neen, het heeft zijn uitdijende beweging reeds weer vervangen door een inademende. We spreken dan ook liever niet van een dijend of een vliedend maar van een ademend Al. Het effect, waarop ik echter doelde, ontstaat niet in de eerste plaats hierdoor. Het ontstaat door de fractuele tijd, waarbij dus steeds slechts één moment van “zijn” is (energie, waarin de openbaring van alle effecten); daarna een ogenblik van energieloosheid. Wan­neer het bewustzijn echter is ingesteld op het ritme, waarin de momenten van energie komen, zal het deze als een continuïteit ervaren. In de tussenliggende momenten is het negatieve deel bekrachtigd en bestaat daar een werkelijkheid, die voor de daar levenden evenzeer een continuïteit schijnt in te houden. Maar dit is een onderwerp dat betrekkelijk ver voert. Ik hoop dan dat u met deze oppervlakkige verklaring ‑ op deze avond al­thans ‑ genoegen zult nemen, totdat we alle vragen hebben afgedaan.

  • U sprak van het samengaan van sterren, die wij als een sterrenbeeld zien. Intussen is dit beeld toch slechts een optische illusie, daar de afstanden en bewegingsrichtingen van de componen­ten zeer verschillend zijn en er slechts een schijnbare samen­hang bestaat. Kunt u hierover iets zeggen?

Ja, daar wil ik graag iets over zeggen. Sterrenbeelden zijn inderdaad in hun vorm van de aarde af gezien een illusie. Dus deze vorm bestaat niet werkelijk. Maar wat er wel bestaat, dat is een harmonische verhouding tussen reeksen van sterren. Ik nam het sterrenbeeld als voorbeeld om u hierdoor het idee te geven van een samenhang. Een dergelijke samenhang bestaat er ook werkelijk, ongeacht wat u noemt de grote verschillen in afstand en richting. U moet niet denken dat ze allen volko­men “gelijkgericht” zijn, zoals u vanavond niet allen “gelijk denkt” maar wel “ongeveer gelijk” in uw belangstelling bent. Dit is een harmonische verhouding. En door die harmonische ver­houding ontstaat hier dus een bovenbewustzijn in deze zaal, dat een beroep doet op zekere krachten van het Kosmisch bewustzijn, van het algemeen bewustzijn. Op dergelijke wijze moet u zich deze samenwerking tussen sterren voorstellen. En ondanks het feit dat ze zich voor u onvoorstelbaar snel van elkaar ver­wijderen, is deze verwijdering ‑ gezien hun massa en hun oorspronkelijke afstand en hun feitelijk stralings‑ en werkings­bereik ‑ betrekkelijk gering. Ik heb dan ook opgemerkt dat deze groeperingen vaak eeuwenlang gelijk blijven. Sommigen zelfs miljoenen jaren. Wanneer u nagaat, hoe sterrenbeelden veranderen op aarde, dan zult u ontdekken dat dat helemaal zo dwaas niet is, omdat de wijziging in beeld, die u op aarde krijgt over een 10.000 jaar bv., vaak betrekkelijk gering is. Ik hoop, dat ik dit daarmede verduidelijkt heb.

  • Verblijven de geestelijke wezens der hemellichamen daarin en daarbij? En hoe is dit bv. met een galactische geest?

Als u in staat bent uit te treden en gelijktijdig toch uw lichaam nog een zekere bezigheid kunt doen verrichten, dan bent u in ongeveer dezelfde situatie als de geest van een ster t.o.v. zijn lichaam. Er bestaat dus geen band van absolute ge­bondenheid. Wat wel bestaat is een voortdurend voor eigen leven in verbinding zijn met de stoffelijke uiting en massa. Een galactische geest, dus de geest van een sterrennevel bv. is natuurlijk ook weer gebonden aan het totaal van zijn componen­ten, maar bestaat ook qua bewustzijn ten dele daarbuiten. Er is dus geen sprake van een absolute eenheid in het bewustzijn, zoals de mens die bv. kent. Daarvoor is het geestelijk bewustzijn van dergelijke geesten te groot geworden.

  • Bij dat laatste begrijp ik nog niet goed, wat u bedoelt met een eenheid van bewustzijn.

Bij de mens bestaat de illusie: Dit ben ik. Dan zegt hij niet: “Dít deel is mijn geest en dat deel is mijn stof”. Neen, dit ben ik”. Wanneer hij probeert die twee van elkaar te splitsen, dan valt hem dat zeer moeilijk ‑ zo het hem al gelukt. Bij een geest echter bv. in een ster, bestaat er een absoluut bewust­ zijn: dat is mijn lichaam en dit ben ik. Er wordt dus een onder­scheid gemaakt. Het “ik” blijft voortdurend met het lichaam in verbinding, maar kan zich daarbuiten bewegen.

Voorbeeld; De ster; “zon” kan heel rustig geestelijk bezoek gaan afleggen tot zelfs in de nevel van Andromeda toe (en dat is wel een heel eind weg, dat kan ik u verzekeren) en toch zich bewust blijven van eigen functie en eigen werking als zon. Zonder de band te breken gedurende vele jaren is een dergelijke afwezigheid dus mogelijk. Maar elke verandering in het stoffe­lijk wezen “zon” zal onmiddellijk de aandacht van het geestelijk “ik” zon vragen en een onmiddellijk ingrijpen daarvan uitlokken. Dit kan vanaf die grote afstand, zelfs zo nodig geprojecteerd worden, zij het dat dit ook voor dergelijke geesten een zekere inspanning betekent. Duidelijker?

  • Hebben we hier niet eens horen vertellen dat die grote geesten in zekere hoge sferen zich als lichtzuilen voordoen?

Dat zult u niet op een openbare bijeenkomst hebben horen ver­tellen. Maar inderdaad, voor het voorstellingsvermogen van de lagere geest, openbaren zij zich soms als een zuil van licht. En verder een zuil van licht die vaak een bepaalde uitstra­ling heeft, maar meestal ook nog meerdere kleuren in zich toont.  In feite is dit niet een vaststelling van die geest, maar alleen van dat gedeelte dat betrekking heeft op een zekere sfeer. Nu moet ik even in de geestelijke theorie duiken om dit populair te zeggen. U heeft een liftkoker, die 20 étages doorsnijdt. Ik vul die liftkoker met een persoonlijkheid. Die persoonlijkheid beroert alle 20 étages gelijktijdig en kan zich op alle 20 bewust zijn. Wat u ziet is alleen datgene wat door uw liftdeur zichtbaar wordt. Daarom ziet u, wanneer u dan in de liftkoker gaat kijken, een zuil; een lichtende zuil; maar deze blijft steeds gelieerd met het beeld van uiting dat op uw eigen sfeer alleen betrekking heeft. Duidelijk?

  • De invloed van sterren op de mens, is dat een soort straling?

In feite is het een veldverhouding. Dat wil zeggen, de sterren zullen voor de mens in de eerste plaats kleine maar vaak niet onbelangrijke variaties van zwaartekracht kunnen betekenen; in de tweede plaats inderdaad variaties van straling en in de der­de plaats een wijziging van magnetische verhoudingen. Die varian­ten zijn echter zeer klein en kunnen dus over het algemeen wel redelijk verwaarloosd worden, behalve wanneer ze in de buurt zijn, zoals bv. de zon. Wat betreft de invloed van grote reeksen van sterren (dus wat we dan in die sterrenbeelden hebben onderge­bracht in mijn betoog), dit kunt u inderdaad het best zien als een gebundelde straling plus veldwerking. Dus niet alleen een straling, maar ook een “trilling” zou u waarschijnlijk zeggen.  Dat is wel niet helemaal zuiver, maar daar komt het dan toch wel ongeveer op neer.

  • Als de stof verloren gaat, is de geest dan sterker? Ik vraag dit naar aanleiding van die twee sterren, waarover u sprak. Als er één ster verloren gaat, dood gaat, zei u.

Ja, dus stoffelijk uitscheidt; stoffelijk zijn kracht in korte tijd uitgeeft en dan niet meer reageert en vaak dan eigenlijk een soort planeet wordt van de tweede ster, die een tijd zich met die kracht gevoed heeft. Het ging over een tweeling‑systeem.   Kijk eens, dat heeft met de geest weinig te maken. Per slot van rekening wordt u sterker, wanneer u uw jas uittrekt? Neen, nietwaar. Het bewustzijn is bepalend voor de kracht van de geest.  Het bewustzijn bepaalt hoeveel van de goddelijke kracht door die geest kan worden opgenomen en vanuit die geest bewust kan worden gericht. Dat heeft met een voertuig zelf heel weinig te maken. Een dergelijk voertuig kan zelfs de taak hebben te sterven. En wanneer die geest dus die taak volvoert, wordt zij er sterker van. Maar niet omdat zij dat voertuig verliest. Want als het haar taak is om te leven en ze sterft toch of ze wil sterven, wordt ze juist daar zwakker van. Het is dus juist het je aanpassen in de Kosmische verhouding aan hetgeen het Goddelijke van je eist, dat bepaalt of je als geest zwakker of sterker zult zijn; niet de, kwestie van een lichaam of geen lichaam.

  • Wij hebben bij de bespreking de aarde genomen als het punt waarop de Kosmische krachten ontvangen worden. Maar het lijkt mij in het denken logischer wanneer de zon als kern van ons zonnestelsel de grootste ontvanger van die krachten is. En dat zij a.h.w. als filter dient om die, krachten te distribue­ren aan de diverse planeten. Hoe zit dit echter?

Dat is niet helemaal juist. En wel om deze reden: De zon zelf heeft een zeer grote eigen uitstraling en een krachtveld dat enorm veel groter is dan dat van de planeten. Daar­om zal die zon minder snel in beroering komen door krachten van buiten dan de veel minder sterke aarde, ofschoon de zon daar domineert. Wel kunnen we zeggen dat wat eenmaal de zon beroert, in buitengewoon sterke mate op aarde merkbaar zal worden. Dat is volledig waar. Maar laten we een vergelijking nemen. Hier heeft u een pond zout, dat is de aarde. En daar heeft u een ton soda, dat is de zon. Probeert u nu eens even die beide te verschuiven. Wat gaat makkelijker? Een geringe kracht heeft op het zout veel meer invloed dan op de soda in dit geval. Zo zullen dus ruimtelijke invloeden, zolang de zon niet vóór ons staat en dus tussen ons en die invloeden in,  ons sterker beroeren dan ze de zon beroeren. Het is dus niet logisch. Uw redenering was niet onlogisch, dat wil ik niet zeggen, maar het is dus niet logisch in dit geval aan te nemen dat de zon alle krachten weerkaatst. Integendeel door haar eigen sterkte en kracht is de zon niet ont­vankelijk voor sommige krachten, die op de aarde wel merkbaar zijn.

  • Ik wil nog iets vragen i.v.m. de ruimtevaart. Alle planeten hebben persoonlijkheden. Van de maan is het bekend geworden dat ze omringd is door een dodende straling. Nu is er in Amerika een middel gevonden om die dodende straling toch te ontwijken. Maar moeten we die straling dan niet zien als een persoonlijke afweergordel van die maangeest, die zich dan weer onmiddellijk zal aanpassen aan het gevaar dat haar van buitenaf bedreigt, door die gordel te versterken met een Atlantic‑wal of iets dergelijks?

Ik kan u geruststellen: Heer Arcan heeft niets van Hitler, dus een Westwal zal er wel niet komen. Maar u moet dit eer­der zo beschouwen: De mens is niet gebouwd voor de verhou­dingen die in de Kosmos heersen. Niet alleen de maan wordt door een dergelijke stralingsgordel beheerst, maar ook de aarde wordt door een stralingsgordel omgeven. En dat is het gevolg van de verschijnselen die optreden in een zeer dun­ne gasmassa, wanneer daarin een aantal deeltjes komen die een ontlading veroorzaken. Dat is dus een soort splijtings­effect. In een dikkere luchtlaag zien we dat als ionisatie optreden, maar in een dunnere laag wordt dit over het alge­meen een soort radioactiviteit. Die kan betrekkelijk intens zijn, valt meestal uiteen in een betrekkelijk grote hoeveel­heid bèta‑straling en een ietwat geringere hoeveelheid van de gevaarlijke gammastraling. Deze stralingsgordels zult u rond elke planeet vinden. Ze zijn nl. het normaal resultaat van de eigen wenteling van die planeet plus haar massa, die juist daardoor afbuiging van de van buiten op treffende stra­ling veroorzaakt en daardoor een zeker splijtingseffect in de buitenste lagen van de atmosfeer. Daarbuiten bestaat dit echter niet. Het meteorengevaar dat groter is dan men thans aanneemt, houdt daar ook op. En wel om de doodeenvoudige reden, dat zodra een zekere dichtheid van materie ontstaan is, snel­heid wordt omgezet in warmte, waardoor de meteoren en meteorie­ten zichzelf praktisch te gronde richten. Alleen de zeer kleine lichamen kunnen het een langere tijd uithouden, omdat zij minder oppervlakte hebben en daardoor minder wrijving veroorzaken.

  • Krachten uit de richtingen, die we aanduiden door de tekens van de Dierenriem, worden toegeschreven aan de planeetgeesten, heb ik begrepen. Is dit wel helemaal juist, of is dit populair uitgedrukt?

In de eerste plaats is het niet juist te zeggen dat die invloe­den aan de planeetgeesten werden toegeschreven. Integendeel, het zijn invloeden die de werking van de planeetgeest en dus de uitstraling van de planeet en diens werking t.o.v. de mens be­palen. Het zijn dus krachten die van verder af komen en we kunnen zeggen, dat deze voortkomen uit geesten plus velden, als bestaande in de ruimte, plus de werking van materiële stra­ling in die ruimte, gericht in de richting van het zonnestelsel. Wanneer dit bv. geconcentreerd zou zijn op uw zonnestelsel, zou er al lang geen leven meer zijn, zo intens zou het zijn. Maar door de enorme afstand en de grote spreiding beroert dus maar een betrekkelijk klein gedeelte het zonnestelsel en daarvan weer een zeer klein gedeelte de wereld. Toch is dit voldoende om de werking van de planeten te wijzigen.

En nu kunnen we inderdaad het karakter van de planeten wel enigszins vergelijken met dat van de planeetgeesten. U moet over een planeet zo denken: De planeet heeft een persoonlijkheid. Deze persoonlijkheid bestaat, niet geheel in de planeet, maar er is een deel van die planeet‑entiteit werkzaam in de planeet. Dit noemen wij: de planeet‑intelligentie. Daaruit volgt dat in de planeet een zeker bewustzijn berust met een zekere handelings­bekwaamheid (een soort astraal voertuig, als u wilt); dat noe­men we de planeetgeest. En daaruit zijn dan weer een reeks van schimbeelden en soms ook entiteiten ontstaan, die wij dan noe­men de geniï van zo’n planeet of ook wel de planeetgeesten.  Een voorbeeld: de maan, bv. heeft een eigen persoonlijk­heid, een intelligentie, een heerser ‑ die noemde ik u zo-even al; daarnaast een “geest” der geesten (dus het gemeenschappelijk bewustzijn van de geesten) en de maangeesten. Dus dan deel je dat bewustzijn in verschillende fasen, brengt het uiteen en je gaat die dan weer elk apart rubriceren en classificeren; en elk van deze delen wordt enigszins anders beïnvloed door stralingen van buitenaf.

  • Ik heb wel eens gelezen dat er andere goddelijke wezens zouden zijn, die hier tot ons eigen zonnestelsel behoren en die daar ook gevormd zijn in lange tijden.

Neen, voor zover het deze dierenriem‑tekens aangaat niet. Ik wil u hier wijzen op hetgeen ik reeds zei, dat deze tekens dus hun inhoud veranderen over een lange tijd. Die verandering is overigens niet zo groot. Verder heb ik u erop gewezen dat dit een empirische wetenschap is. D.w.z., dat men zich baseert op een weten uit het verleden en dat dit weten proefondervindelijk is gegroeid. Het gevolg is, dat men zich niet aan de juiste fei­ten houdt, maar dat men zich houdt aan de stellingen van vroe­ger die echter wel met feiten in verband staan.

Feiten, die door de langzame wijziging van de omgeving in de Kosmos echter niet meer kloppen met de aanduidingen, die men er eens voor heeft gevonden. Goddelijke wezens zijn er te over, meer dan wij ons zelfs kunnen voorstellen. Maar geen goddelijke wezens die nu eventjes de invloed van bv. de tekens van de Dierenriem vertegenwoordigen. Wel kan men weer zeggen dat de tekens van de Dierenriem in feite bepaalde goddelijke functies vertegen­woordigen. Maar die functies zijn zowel stoffelijk uitgedrukt als geestelijk; en als zodanig ook geestelijk te zien als overal tegenwoordig stoffelijk te zien als tegenwoordig in een bepaalde richting.

  • Deze lezing over Kosmische straling heeft ons in onze gedachten wel zeer ver buiten de aarde gebracht in de ruimte en ons bekend gemaakt met Kosmische geesten en bewoners van andere planeten. Nu vraag ik me af: Is dit door de O.D.V. naar voren gebracht in een toevallige omstandigheid of heeft het ook nog ergens te maken met het denken in de hemelen?

Nu, dat laatste zou ik maar niet zo serieus nemen. De Orde heeft nl. niet de gewoonte om meer dan noodzakelijk op toekomstige ontwikkelingen de nadruk te leggen, zij het dat we soms aan uw nieuwsgierigheid tegemoetkomen. Bekijk het liever anders. Er was een matroos uit Delfzijl, die altijd had gescholden op dat “gat” van een plaats. Toen hij de wereld rond was geweest, wist hoe Hamburg en Bremen eruitzagen maar ook New‑York, San Francisco, Buenos Aires, toen hij om de Kaap was gegaan naar Batavia, door het Suezkanaal was gekomen en Cairo had gezien, toen kwam hij thuis en zei: “Wat een heerlijk plaatsje is dit toch”. Op deze wijze hopen wij, door u te wijzen op wat er rond u bestaat, u een juistere waardering bij te brengen voor de plaats, waarop u zich bevindt en de toestand, waarin u thans leeft; hopende dat u juist door het grootse concept zult komen tot een grotere verdraagzaamheid in het heden. Ik ben bang dat ik daarmee niet veel heb gezegd in de zin van uw bedoeling, maar dat moet u mij dan maar niet euvel duiden.

  • Als de planeten invloed uitoefenen op de aarde, oefent de aarde dan ook invloed uit op de planeten?

Natuurlijk. Dat is wederkerig. Je zou je dus kunnen voorstellen dat een astroloog op Mars zijn hoofd schudt en zegt: “Dit is een slecht uur, de invloed van aarde domineert” (gelach). Natuurlijk een grapje. Maar u zult begrijpen, dat alle beïnvloedingen weder­kerig zijn, waarbij de sterkte en de inhoud van de planeetgeesten plus de stralingen van de planeten en hun vitaliteit bepalend zijn voor de inwerking die zij op anderen hebben.

  • Er is deze avond toch nog veel over astrologie gesproken, over de invloed van sterren die bepalend kunnen zijn op het leven van de mens. Is dit alleen bedoeld op het stoffelijke, dus de aardse materie, of ook op de geest? Als dit laatste het geval is; hoe staat het er dan mee, wanneer we zijn overgegaan en dus uitslui­tend als geest bestaan en geen aardse materie meer hebben? Is daar dan ook astrologie.?

Neen, dat hulpmiddel hebben we daar niet meer nodig, In feite is daar de toestand zo: De sterren bepalen ‑ om een vergelijking te gebruiken ‑ of er nu rode zakdoekjes, zwarte, groene of gele zakdoekjes worden geproduceerd. De geest is dan het kind, dat aangetrokken door de kleur één daarvan kiest. In zoverre heeft dus de invloed op de lichamelijke vorming ook astrologisch ge­zien mede wel enige invloed op de geest, die incarneert in een dergelijk lichaam. En zo kunt u dus wel zeggen dat de keuze van de geest een onthulling van haar eigen peil van bewustzijn en instelling kan betekenen. Maar zij wordt niet astrologisch beïnvloed. Zij wordt beïnvloed door omstandigheden.

Daarnaast staat ze onder de invloed van hogere geesten in zoverre ze die aanvaardt en niet verwerpt. Deze invloed blijft voortbestaan na de overgang en wordt zelfs over het algemeen bij de stijging in hogere sferen geïntensifieerd door een in­tenser contact met deze hoge geesten. Maar dat kun je weer niet astrologisch gaan berekenen. U kunt eerder zeggen vanuit aards standpunt: Dit is een gevoelsreactie, die wel redelijk vaststelbaar maar nooit verklaarbaar is, omdat daar overeenkomsten van bewustzijn een rol in spelen en overeenkomsten van streven die van het “ik” uitgaan; en dus de invloed allereerst vanuit het “ik” wordt gewekt en niet vanuit de anderen. Bij de stof echter, die geen eigen bewustzijn heeft ‑ tenminste niet vóór ze gevormd is ‑ is het omgekeerd. Deze ondergaat weerstandsloos elke beïnvloeding van buitenaf. Ik hoop dat het duidelijk is.

Ik heb u dan gesproken over Krachten uit het Al. En daarbij viel uwerzijds de nadruk ten eerste op vliegende schotels. Ik ben zo vrij deze daaronder niet te rekenen, ofschoon ik u beantwoord heb, voor zover mij dat op het ogenblik mogelijk was.

In de tweede plaats heeft u de nadruk gelegd op astrologie. Astrologie is één van de middelen, die gebruikt kunnen worden om althans enigszins een aanpassing aan de krachten uit het Al te verwerven. Zij kan echter nooit beslissend zijn, doch kan ten hoogste aangeven, welke invloeden op een bepaald ogenblik in uw leven kunnen ontstaan. U bent zelf vrij om te handelen.

In de derde plaats hebben we gesproken over de geest en de invloed van de geest. U zult begrijpen, dat deze gebonden is aan bewustzijn en bewustwording. In feite kiest u zelf uw meesters uit door uw eigen streven en stelt u dus door het gericht zijn van uw eigen denken en streven onder de bescherming, … misschien van een planeetgeest of een zonnegeest ergens. Misschien ook van een wezen dat hoger is dan dat, of dat ‑ buiten de stoffelijke vormen om ‑ een eigen door God gegeven functie heeft te midden van de schepping.

Daarin hebben we dan kort opgesomd, wat wij in deze vragen nog hebben getracht vast te stellen. Dit is niet te beschouwen als een alomvattende behandeling. Het is een inleiding voor een onderwerp dat misschien uw belangstelling kan trekken. Zou u geneigd zijn dit verder te vervolgen, dan wil ik u nog een raad geven: Vervolgt u in de eerste plaats dan met een kennis nemen van hetgeen stoffelijk hieromtrent bekend is, wetenschappelijk. Gaat u daarna na wat esoterisch daaromtrent bekend is. En laat daarna uw eigen gedachten werken. Heeft u een beeld in uzelf ontvangen dat uws inziens logisch, zuiver en ook emotioneel ‑ dus innerlijk aanvaardbaar is – tracht dan naar dit beeld te han­delen. Het zal u ongetwijfeld veel in uw leven gemakkelijker ma­ken, het zal u ook geestelijk vaak tot een grote steun kunnen zijn.